KruimelpadGeldend op 19-01-2012
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: de Minister van Justitie;
b. raad: de raad voor rechtsbijstand;
c. Wet: de Wet beëdigde tolken en vertalers;
d. Besluit: het Besluit beëdigde tolken en vertalers;
e. lijst: de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet.
1.De raad wordt op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet aangewezen als de instelling die het register bewerkt.
2.De raad wordt op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet aangewezen als de instelling die de lijst bijhoudt.
1. Aan de raad wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van de aan de Minister toekomende bevoegdheden en handelingen betreffende de aangelegenheden, bedoeld in de Wet en het Besluit, met uitzondering van de bevoegdheden en handelingen, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, 4, vijfde lid, 16, vierde lid, 28, tweede lid, en 34 van de Wet en artikelen 7, vierde lid, 9 tweede lid en 12 van het Besluit. Aan de Raad wordt tevens mandaat verleend tot het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de hiervoor verleende bevoegdheden.
2. Het krachtens het eerste lid verleende mandaat en de machtiging kunnen verder worden doorgegeven aan onder de raad ressorterende functionarissen.
1. Aan de raad wordt mandaat en machtiging verleend om bezwaar en (hoger) beroep te behandelen als bedoeld in de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de Raad van State en klachten te behandelen als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de Raad van State.
2. Het krachtens het eerste lid verleende mandaat en de machtiging kunnen verder worden doorgegeven aan onder de raad ressorterende functionarissen, waarbij niet wordt toegestaan dat functionarissen besluiten nemen in bezwaar of klachten behandelen over besluiten of gedragingen waarbij zij zelf betrokken zijn geweest.
1.Aan de raad wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en andere handelingen te verrichten betreffende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens.
2.Het krachtens het eerste lid verleende mandaat en de machtiging kunnen verder worden doorgegeven aan onder de raad ressorterende functionarissen, tenzij het een besluit betreft dat belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben.