Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs[Regeling vervallen per 01-01-2014.]

Geldend van 01-01-2010 t/m 31-12-2013

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 november 2008, nr. PO/75471, houdende het verlenen van subsidie ten behoeve van het bevorderen van excellentie in het basisonderwijs (Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCW subsidies;

Besluit:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1. Begripsbepaling [Vervallen per 01-01-2014]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1. School: basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

  • 2. Samenwerkingsverband: meerdere scholen die gezamenlijk een project uitvoeren;

  • 3. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 4. adviescommissie: de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 10.

Artikel 2. Doelomschrijving [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De minister kan een projectsubsidie verstrekken aan bevoegd gezagen van scholen voor projecten in verband met het bevorderen van excellentie in het basisonderwijs.

  • 2 De subsidie wordt verleend voor projecten die tot doel hebben:

    • a. Excellentie in het basisonderwijs te stimuleren op de bij het project betrokken scholen én;

    • b. Praktijkkennis op te leveren en te verspreiden om zo excellentie te stimuleren bij alle scholen, ook scholen die niet direct in het project participeren.

Artikel 3. Subsidieontvanger [Vervallen per 01-01-2014]

Subsidie op grond van deze regeling wordt verleend aan het bevoegd gezag ten behoeve van een project dat wordt uitgevoerd door één school of door meerdere scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband.

Artikel 4. Vaststelling subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2014]

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is een bedrag van ten hoogste € 5.100.000,– beschikbaar.

Artikel 5. Subsidiebedrag [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50% van de gebudgetteerde kosten van het project.

  • 2 Voor het overige deel dient cofinanciering plaats te vinden.

  • 3 De subsidie bedraagt per subsidieaanvrager minimaal € 80.000,– en maximaal € 200.000,–.

Paragraaf 2. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 6. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een subsidieaanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van een school. Per bevoegd gezag kan slechts één subsidieaanvraag worden ingediend.

  • 2 Wanneer een project wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband wordt de subsidieaanvraag gedaan door één bevoegd gezag, als vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband.

  • 3 Een subsidieaanvraag wordt gedaan door indiening van een projectvoorstel en bevat maximaal 3000 woorden.

  • 4 Het project dient plaats te vinden in de schooljaren 2009–2010, 2010–2011 en 2011–2012.

Artikel 7. Indiening projectvoorstel [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een projectvoorstel wordt ingediend door het bevoegd gezag, eventueel namens een samenwerkingsverband, tevens subsidieaanvrager, waarbij gebruik wordt gemaakt van CFI formulier 58012 ‘Aanvraag subsidie ten behoeve van het bevorderen van excellentie in het basisonderwijs’. Het projectvoorstel bevat niet meer dan 3000 woorden.

  • 2 Een projectvoorstel wordt ingediend bij CFI, Postbus 606, 2700 ML in Zoetermeer.

  • 3 Per subsidieaanvrager kan slechts één projectvoorstel worden ingediend.

  • 4 Een school kan slechts bij één subsidieaanvraag betrokken zijn.

Artikel 8. Vereisten projectvoorstel [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een projectvoorstel bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • a. de partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • b. een begroting van het gehele projectvoorstel, inclusief cofinanciering, en meerjarenraming;

    • c. indien wordt samengewerkt in een samenwerkingsverband, een samenwerkingsovereenkomst met als doel van samenwerking de uitvoering van het projectvoorstel;

    • d. een activiteitenplan, dat de hoofdlijnen van de activiteiten en de daarmee beoogde resultaten bevat, zowel op het niveau van het bevoegd gezag als op het niveau van de individuele scholen binnen het samenwerkingsverband;

    • e. een document waar in staat hoe cofinanciering zal plaatsvinden.

  • 2 Projectvoorstellen die onvolledig zijn, of niet de in lid één genoemde bijlagen bevatten, worden niet in behandeling genomen.

Artikel 9. Termijn indiening [Vervallen per 01-01-2014]

Het projectvoorstel, bedoeld in artikel 6, wordt ingediend voor 28 februari 2009. Aanvragen ingediend op of na 28 februari 2009 worden afgewezen.

Paragraaf 3. Adviescommissie [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 10. Samenstelling en benoeming adviescommissie [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Er is een onafhankelijke adviescommissie die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de beoordeling van projectvoorstellen, op basis van door de minister vastgestelde beoordelingscriteria, zoals omschreven in artikel 16.

  • 2 Tot leden van de adviescommissie worden benoemd:

    • dhr. Prof.dr. Robbert Dijkgraaf, wonend te Amsterdam, tevens voorzitter;

    • mevr. drs. Yvonne Leenders, wonend te Nijmegen;

    • dhr. Rob Limper, wonend te Uithoorn;

    • dhr. Ton Duif, wonend te ’s-Hertogenbosch;

    • dhr. Prof.dr. Jan de Lange, wonend te Katwijk aan Zee

  • 3 De voorzitter en de leden worden benoemd voor de periode van 1 oktober 2008 tot 1 juli 2009.

  • 4 De periode, bedoeld in het derde lid, kan met ten hoogste een jaar worden verlengd.

  • 5 De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien

    • a. daarom door de desbetreffende persoon om verzocht is;

    • b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft;

    • c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.

  • 6 Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 11. Integriteit [Vervallen per 01-01-2014]

Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de subsidieverlening.

Artikel 12. Informatieplicht [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De minister kan een deskundige aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.

  • 2 De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 13. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2 In het secretariaat van de adviescommissie wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorzien.

Artikel 14. Vergoeding [Vervallen per 01-01-2014]

De voorzitter en andere leden van de adviescommissie, ontvangen per vergadering een beloning op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988 en de daarop gebaseerde voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geldende bepalingen, waarbij de adviescommissie als zware commissie in de zin van het Vacatiegeldenbesluit 1988 wordt aangemerkt. De vergoeding bedraagt het maximum dat geldt voor een zware commissie.

Paragraaf 4. Subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 15. Criteria bij verdeling subsidieplafond [Vervallen per 01-01-2014]

De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen met betrekking tot projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, zoals door de adviescommissie, bedoeld in artikel 10, voorgesteld in de vorm van een ranking.

Artikel 16. Advies voorafgaand aan subsidieverlening en begeleiding [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De adviescommissie adviseert de minister over de ingediende projectvoorstellen.

  • 2 De adviescommissie baseert zich bij haar advisering op de volgende criteria:

    • a. robuustheid,

    • b. integraliteit,

    • c. innovatie en overdraagbaarheid,

    • d. prestatie en verantwoording,

    • e. haalbaarheid, efficiëntie en duurzaamheid,

    • f. de leerfunctie van de gesubsidieerde projecten in onderlinge samenhang.

  • 3 De criteria, bedoeld in het tweede lid, zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd.

  • 4 Bij het advies dat de adviescommissie uitbrengt aan de minister wordt rekening gehouden met regionale spreiding van projecten.

  • 5 De commissie is bevoegd om in individuele gevallen de Inspectie van het Onderwijs te raadplegen.

  • 6 Indien het totale bedrag van aanvragen het subsidieplafond overstijgt, selecteert de adviescommissie in haar advies zoveel projecten dat het subsidieplafond niet wordt overschreden.

Artikel 17. Besluitvorming door de minister [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De minister neemt een beslissing over de subsidieverlening op basis van het advies van de adviescommissie.

  • 3 Indien de minister niet tijdig een beslissing neemt, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 18. Tijdvak subsidieverlening [Vervallen per 01-01-2014]

Subsidie wordt verleend voor activiteiten in de drie schooljaren 2009–2010, 2010–2011 en 2011–2012.

Artikel 19. Betaling [Vervallen per 01-01-2014]

De minister betaalt de subsidieontvangers jaarlijks een bedrag vooruit dat één derde van het totale subsidie bedraagt. De betalingen vinden plaats in: augustus 2009, augustus 2010 en augustus 2011.

Artikel 20. Niet vervullen begrotingsvoorwaarde [Vervallen per 01-01-2014]

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 3 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Paragraaf 5. Verplichting subsidieontvanger [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 21. Algemene subsidieverplichtingen [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het project start zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na verlening van de subsidie en heeft een looptijd van drie schooljaren.

  • 2 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde:

    • a. activiteiten die gericht zijn op het monitoren van de regeling, het vaststellen van de effecten van innovatieve projecten en het verspreiden van de opgedane kennis in het kader van deze regeling. Hieronder vallen eventuele bezoeken voor informatieverzameling en informatiedeling over de projecten door het Projectbureau Kwaliteit (PK!) van de PO Raad en de Stichting Leerplan Ontwikkeling.

    • b. onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Paragraaf 6. Verantwoording en subsidievaststelling [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 22. Financiële verantwoording [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in uitgaven die zijn verbonden aan het in deze regeling omschreven doel.

  • 2 De subsidie wordt verantwoord in de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarin de subsidie wordt besteed.

  • 3 De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.

  • 4 Eventuele rentebaten als gevolg van de vooruitbetaling dienen aan het project ten goede te komen.

  • 5 In geval van wanprestatie wordt het subsidiebedrag teruggevorderd.

Artikel 23. Inhoudelijke verslaglegging [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Na afloop van het project, per 31 augustus 2012, stelt de subsidieontvanger een inhoudelijk verslag van de activiteiten en resultaten van het project op. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen. De inrichting van de projectverantwoording komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan en bevat maximaal 3000 woorden.

  • 2 Dit inhoudelijk verslag wordt uiterlijk drie maanden na afloop van het project per post en digitaal toegestuurd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Paragraaf 7. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 24. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2009, met uitzondering van paragraaf 3.

  • 2 Paragraaf 3 van deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in de Staatscourant en werkt daarbij terug tot en met 1 oktober 2008.

  • 3 Deze regeling vervalt op 1 januari 2014.

Artikel 25. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en wordt bekendgemaakt op www.cfi.nl, de internetsite van CFI, agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en op www.schoolaanzet.nl.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S.A.M. Dijksma

Beoordelingskader regeling excellentie basisonderwijs: nadere uitwerking artikel 16, lid 2 a t/m f [Vervallen per 01-01-2014]

Hieronder worden de criteria weergegeven waarop individuele subsidieaanvragen in de vorm van projectvoorstellen (zie paragraaf 2 van de regeling) zullen worden beoordeeld en geprioriteerd. Bij elk criterium wordt aangegeven wat er minimaal in de aanvraag moet worden opgenomen (vereisten) en waarop de prioritering van de aanvragen zal plaatsvinden door de adviescommissie (zie paragraaf 3 van de regeling).

Criterium

Aspect

Minimale vereiste

Scoring

 

Beschrijving van deelaspecten waaruit het criterium is opgebouwd

Indien in het projectvoorstel niets is opgenomen over dit aspect, zal het projectvoorstel niet worden meegenomen voor inhoudelijke beoordeling (scoring) door de adviescommissie.

Op basis hiervan worden punten gegeven door de adviescommissie, genoemd in paragraaf 3 van de regeling. De projecten die alle vereisten bevatten, worden door middel van de scoring ten opzichte van elkaar geprioriteerd.

1. Robuustheid

     
 

Tenminste de leerlingen met potentieel de meeste cognitieve talenten, maar zo mogelijk ook de anderen worden betrokken bij het project

– Tenminste de 5% meest cognitief getalenteerde leerlingen (van de scholen die participeren in het project) worden bij het project betrokken

– % van de leerlingen van de scho(o)l(en) dat betrokken zal worden bij het project

– Aantal leerlingen dat betrokken zal worden bij het project

 

Beschrijving van de manier waarop mogelijke (cognitief getalenteerde) onderpresteerders bij het project worden betrokken

Het projectplan beschrijft expliciet hoe cognitief talentvolle onderpresteerders worden gesignaleerd en betrokken bij het project

– Mate van onderbouwing van wijze van vroegsignalering en betrekking van cognitief talentvolle onderpresteerders bij het project

 

Toegankelijkheid: het project waarborgt de toegankelijkheid van alle toptalenten aan het excellentieproject.

– Kinderen met dezelfde capaciteiten hebben een gelijke toegang tot het project, ongeacht geslacht, ras of achtergrond. Dat blijkt uit het projectplan.

– Tijdens de subsidiefase en daarna is deelname voor leerlingen aan het onderwijs niet afhankelijk van een ouderbijdrage. Dat blijkt uit het projectplan.

 
 

Beschrijving van de impact van het project op de rest van de school

 

Uit het projectplan blijkt dat het project betrekking heeft op zoveel mogelijk schoolklassen van de deelnemende scholen.

 

Uit het voorstel blijkt dat het project plaatsvindt in samenwerking met andere scholen

 

Aantal scholen waarmee wordt samengewerkt.

 

Het project betrekt actief de ouders van de toptalenten

– Het project betrekt ouders van cognitief talentvolle leerlingen bij de uitvoering

– Ouders zijn geraadpleegd voor advies bij de voorbereiding van het project

Mate van betrokkenheid van ouders bij het project

2. Integraliteit

     
 

– Samenhang tussen:

1) Input en (vroeg)signalering: hoe stelt de school vast waar de toptalenten zitten?

2) throughput: welke acties onderneemt de school om toptalent te stimuleren richting excellente prestaties, en wat is de samenhang met (vroeg)signalering van talentvolle leerlingen?

3) output/opbrengsten: hoe hangen de verwachte prestaties samen met signalering en te nemen acties?

– samenwerking met vve en voortgezet onderwijs

– Beschrijving van samenhang tussen input, troughput en output

– Beschrijving van samenwerking met vve en voortgezet onderwijs

– beschrijving van projectactiviteiten in onderbouw, middenbouw en bovenbouw

Mate van samenhang binnen het project en met de omgeving van de school.

Er worden meer punten gegeven naarmate duidelijk blijkt dat de onderwijsactiviteiten logisch voortvloeien uit de signalering en logisch samenhangen met de verwachte prestaties.

Er worden ook meer punten gegeven naarmate de samenwerking met vve of voortgezet onderwijs, gericht op de doelen van het project, intensiever is.

Het gebruik van datafeedback (toetsresultaten als aanwijzing voor de volgende lessen) binnen het onderwijs leidt tot meer punten.

Ook worden meer punten gegeven naarmate het welzijn van deleerlingen integraal onderdeel uitmaakt van het projectplan.

3. Innovatie en overdraagbaarheid

     
 

Mate waarin het project grenzen verlegt en nieuwe (praktijk)kennis zal opleveren ten behoeve van excellentie in het basisonderwijs.

– Het projectvoorstel beschrijft welke ‘witte vlek’ aan praktijkkennis zal worden opgevuld door uitvoering van het project

– Het projectvoorstel beschrijft hoe de nieuwe kennis uit het project bij succes zal worden gedestilleerd en klaar gemaakt voor bredere verspreiding

– Het project bevat activiteiten om zelf de opgedane praktijkkennis actief te verspreiden, waarbij tenminste vijf andere scholen, die niet aan het project participeren, worden bereikt.

– Mate waarin het project vernieuwend is

– Uit het projectvoorstel blijkt dat maatregelen zijn genomen om barrières voor overdracht op andere scholen te slechten

– Bij het project is een expert betrokken als externe adviseur.

4. Prestatie en verantwoording

     
 

Ambitie: omschrijving van meetbare prestaties die in de looptijd van het project behaald zullen worden, waaronder de toename van tevredenheid van de leerlingen. Deze zijn ambitieus: het project draagt aantoonbaar bij aan nieuwe of betere prestaties.

Het projectplan bevat objectief meetbare prestaties als ambitie.

Ambities uitgedrukt in toegevoegde waarde (nieuwe of betere prestaties)

 

Verantwoording: in het voorstel worden de criteria genoemd waarop het project zich verantwoordt over de uitvoering en resultaten van het project.

In de criteria worden tenminste opgenomen:

a. Leerprestaties van deelnemende leerlingen (hogere opbrengsten)

b. welbevinden van de deelnemende leerlingen en leerkrachten

c. oordeel van ouders over uitvoering en resultaten van het project

– Onderbouwing van de gekozen verantwoordingsindicatoren inclusief manier waarop vastgesteld dat de voorgenomen prestaties behaald zijn;

– Verantwoording in schoolplan en schoolgids richting omgeving (met name ouders)

 

Mate waarin het project bijdraagt aan de waardering en bevordering van topprestaties.

– Aanwezigheid van (communicatieve) maatregelen t.b.v. een cultuur die cognitieve topprestaties bevordert en waardeert.

– Het bereik in aantal schoolleiders, leraren, leerlingen en ouders van die (communicatieve) maatregelen;

– doelmatigheid en effectiviteit van de gekozen communicatieve maatregelen.

5. Haalbaarheid, efficiëntie, duurzaamheid

     
 

Relatie tussen ambitie en waarschijnlijkheid dat die waar gemaakt zal worden, blijkend uit eerdere prestaties van de scholen en de gecreëerde randvoorwaarden

 

– Genomen maatregelen t.b.v. de haalbaarheid

 

Efficiëntie: uit het projectvoorstel blijkt dat met minimale middelen (geld, tijd, mankracht) maximale resultaten worden bereikt.

 

Mate van efficiëntie (geld, tijd, mankracht) blijkend uit het projectvoorstel

 

Uit het voorstel blijkt dat het project zal worden voortgezet na afloop van de subsidietermijn

Uit de aanvraag blijkt dat duurzame voortzetting van het project mogelijk is met bekostiging uit de lumpsummiddelen.

Uit het projectvoorstel blijkt dat duurzame voortzetting van het project organisatorisch en inhoudelijk haalbaar is.

In het kader van het lerend vermogen van de regeling (zie artikel 16, lid 2f) zijn innovativiteit en diversiteit belangrijk. In de beoordeling zal daarom rekening gehouden worden met een goede spreiding van de verschillende soorten initiatieven, die van elkaar kunnen verschillen qua:

Soort ingezette instrumenten

Zowel voor input (vroegsignalering en betrekking bij het project), troughput (excellentiebevorderende instrumenten) als output (resultaatsmeting).

Samenwerking en integratie

Bijvoorbeeld met VVE, voortgezet onderwijs, universiteiten, het bedrijfsleven, andere instellingen, en met of tussen scholen, schoolbesturen, netwerken van scholen en schoolbesturen.

Gericht op verschillende leerdoelen/ kerndoelen

De focus van doelen van het project op het leren van leerlingen in relatie tot bijvoorbeeld de verschillende kerndoelen, zoals Nederlands, Engels, Friese taal, Rekenen/wiskunde en Oriëntatie op jezelf en de wereld. De doelstellingen en het leeraanbod om excellentie te stimuleren, ook bij (hoog)begaafde leerlingen, mogen echter breder zijn. Focus is wel op cognitief toptalent.