KruimelpadGeldend op 09-02-2010
[Regeling vervalt per 01-10-2013]
De Minister van Justitie,
Gelezen het verzoek van de directeur van de Gemeenschappelijke Beheerdienst Parnas van 6 augustus 2008;
Gelet op artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, artikel 8, zevende lid en artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 1993;
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;
b. de dienst BB&V: de dienst Beveiliging, Bewaking en Vervoer bij de Gemeenschappelijke Beheerdienst van het Arrondissement Amsterdam.
Maximaal 150 ambtenaren werkzaam bij de dienst BB&V zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar voor zover zij daadwerkelijk zijn belast met:
a. de uitvoering van de dienst bij de gerechten als bedoeld in artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
b. de werkzaamheden als bedoeld in artikelen 373, 391, 541, tweede lid, 556, eerste lid, en 587, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering;
c. het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 1993.
1.De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de artikelen 177, 179 tot en met 182, 184 en 191 van het Wetboek van Strafrecht;
b. de Opiumwet;
c. de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie;
d. andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2.De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie goedgekeurd merkt en type;
b. een korte wapenstok van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie goed gekeurd merk en type;
c. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter.
De directeur van de dienst BB&V brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:
a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december van dat jaar werkzaam was bij de dienst BB&V;
b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte opsporingsactiviteiten en het aantal gevallen waarbij daarbij gebruik is gemaakt van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, alsmede van handboeien, korte wapenstok en het semi-automatische pistool;
c. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
Het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer Amsterdam 2003 wordt ingetrokken.
De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en van beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het in artikel 8 genoemde besluit, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden mede op basis van het onderhavige besluit.