Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Algemene douaneregeling

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Algemene douaneregeling

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Basisdefinities en overige inleidende bepalingen

Artikel 1:2

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: Algemene douanewet;

  • b. besluit: Algemeen douanebesluit;

  • c. binnenkomend schip: schip waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

  • d. binnenkomend luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

  • e. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken;

  • f. verordening 1301/2006: Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PbEU 2006, L 238);

  • g. Verordening 1186/2009: Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEU 2009, L 324);

  • h. Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206);

  • i. Verordening 612/2009: Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PbEU 2009, L 186);

  • j. Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PbEU 2016, L 69);

  • k. [Red: vervallen;]

  • l. bier: bier als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de accijns;

  • m. minerale oliën: minerale oliën als bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Wet op de accijns;

  • n. tabaksproducten: tabaksproducten als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns;

  • o. sigaretten: sigaretten als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de accijns;

  • p. sigaren: sigaren als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de accijns;

  • q. cigarillo’s: sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per stuk;

  • r. rooktabak: rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de accijns;

  • s. kanselarijbenodigdheden: officiële emblemen en documenten alsmede kantoormeubilair en kantoorbenodigdheden bestemd voor een kanselarij;

  • t. verordening 412/2008: Verordening (EG) nr. 412/2008 van de Commissie van 8 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (PbEU 2008, L 125);

  • u. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239: Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van de Commissie van 18 mei 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten (Pb 2016, L 206);

  • v. Verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • w. kentekenregister: het kentekenregister, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:3

Douanekantoren zijn gevestigd in de plaatsen genoemd in bijlage I.

Afdeling 1.2. Aanwijzing inspecteur en ontvanger

Artikel 1:4

Artikel 1:5

  • 2 Als functionarissen als bedoeld in artikel 10:15 van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Belastingdienst (contactambtenaren) die door de in het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn aangewezen om namens hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 11:7 van de wet, uit te oefenen.

Artikel 1:6

De verplichtingen die ingevolge artikel 1:32 van de wet bestaan jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de directeur van de FIOD alsmede jegens de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Artikel 1:7

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de toepassing van artikel 48 van het Douanewetboek van de Unie.

Artikel 1:8

Artikel 1:9

De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken is ontvanger in de zin van artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet en artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor zover het betreft restituties, subsidies dan wel waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.

Artikel 1:10

  • 2 De in het eerste lid bedoelde douaneadministratie is gehouden uitvoering te geven aan onherroepelijke beslissingen van een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit met betrekking tot kennisneming, verwijdering of verbetering van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onder I, II en III, van de in het eerste lid genoemde overeenkomst.

Artikel 1:10a

Artikel 27 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzingen in deze afdeling.

Afdeling 1.3. Douaneaangiften

Artikel 1:11

  • 1 Een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer wordt gesteld in de Nederlandse of de Engelse taal.

  • 2 De inspecteur stelt de technische specificaties vast van de aangiften en de kennisgeving, genoemd in het eerste lid.

Afdeling 1.4. Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel 1:12

Het tarief van de kosten die op grond van artikel 1:19, eerste lid, van de wet, door de belanghebbende aan het Rijk verschuldigd zijn, is:

  • a. indien het ambtelijke verrichtingen betreft: € 24 per half uur;

  • b. het bedrag, dat door derden aan de inspecteur in rekening is gebracht.

Afdeling 1.5. Oorsprong van goederen

Artikel 1:13

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. certificaat van oorsprong: bewijsstuk inzake de niet-preferentiële oorsprong van goederen;

  • b. certificaat inzake goederenverkeer: certificaat EUR.1 of EUR-MED ten bewijze van de preferentiële oorsprong van goederen;

  • c. handelsregister: handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

  • d. Kamer: Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel;

  • e. leveranciersverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie;

  • f. oorsprongsverklaring: verklaring inzake de preferentiële oorsprong van goederen, in gevallen dat de toepasselijke autonome preferentiële regeling of een handels- of associatieovereenkomst daarin voorziet;

  • g. commissie: adviescommissie voor de oorsprong;

  • h. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;

  • i. Naktuinbouw: Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw.

Artikel 1:14

  • 1 Een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt ingediend bij de Kamer.

  • 2 De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

  • 3 De Kamer beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Het certificaat van oorsprong wordt door de Kamer voorzien van haar stempel en van de handtekening van de daartoe bevoegde functionaris van de Kamer.

  • 4 Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of

    • b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:15

  • 3 Indien de producten, vermeld in de aanvraag, tegelijkertijd kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal als bedoeld in het eerste lid, en als groente en fruit als bedoeld in het tweede lid, wordt het eerste of het tweede lid toegepast afhankelijk van de bestemming die aan die producten wordt gegeven.

Artikel 1:16

  • 1 Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer wordt ingediend bij de Kamer.

  • 2 De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

  • 3 De Kamer voorziet de aanvraag van haar bevindingen en maakt deze bekend aan de inspecteur.

  • 4 Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of

    • b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:17

  • 1 De commissie adviseert de Ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Financiën, en de Kamer over preferentiële en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.

  • 2 De commissie stelt haar eigen werkwijze en samenstelling schriftelijk vast.

  • 3 De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wijst de voorzitter van de commissie aan.

Afdeling 1.6. Lijfsvisitatie

Artikel 1:18

De instellingen van apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, zijn zodanig, dat de persoon, die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, niet herkenbaar is op de beelden die door de apparatuur worden gegenereerd.

Afdeling 1.7. Douanewaarde

Artikel 1:19 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 1:20

  • 1 Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen publiceert, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde gebruik gemaakt van de wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de voorlaatste woensdag van de maand in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 2 De wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende de kalendermaand die volgt op de in het eerste lid bedoelde publicatie in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 3 Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de voorlaatste woensdag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.

Artikel 1:21

  • 1 De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie, kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met toepassing van artikel 70 van het Douanewetboek van de Unie.

  • 2 Ingeval de in het eerste lid bedoelde aangifte achterwege blijft, verstrekt de aangever afzonderlijk de gegevens met behulp waarvan de aangegeven douanewaarde is berekend. Deze gegevens omvatten ten minste:

    • de methode van de vaststelling van de douanewaarde, aan te duiden door vermelding van het desbetreffende artikel van het Douanewetboek van de Unie;

    • een verwijzing naar een door de douane genomen beslissing voor zover de douanewaarde overeenkomstig een dergelijke beslissing is aangegeven; en

    • een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangegeven douanewaarde rechtstreeks uit de factuur is afgeleid.

Artikel 1:22

De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, die in een formulier D.V.1 als bedoeld in bijlage 8 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie zijn opgenomen, wordt afzonderlijk opgenomen in de elektronische aangifte tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.

Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze onder een douaneregeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd, het douanegebied van de Unie zullen verlaten of worden verwijderd

Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie

Artikel 2:0

  • 1 Van binnenkomende schepen en binnenkomende luchtvaartuigen wordt, minimaal 2 uur voor de verwachte aankomsttijd bij de haven ressorterend onder het douanekantoor waar ze zullen worden aangebracht, het desbetreffende douanekantoor elektronisch kennis gegeven van de verwachte aankomsttijd.

  • 2 Bij luchtvaartuigen kan de inspecteur toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 2:0a [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:1

  • 1 Binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen worden langs in bijlage II opgenomen vaarwaters overgebracht naar een haven ressorterende onder een in bijlage III opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

  • 2 Binnenkomende luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde goederen worden zonder tussenlanding overgebracht naar een internationale luchthaven ressorterende onder een in bijlage IV opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

  • 3 Een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen luchtvaartuig vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, niet zonder toestemming van de inspecteur.

  • 4 In bijlage V zijn plaatsen opgenomen waar binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht.

  • 5 Op plaatsen, bedoeld in het vierde lid, vinden geen andere activiteiten plaats dan:

    • a. het innemen van provisie en scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip; of

    • b. het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip; of

    • c. het aan boord nemen van goederen voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van deze onderdelen.

Artikel 2:2

  • 1 Het aanbrengen, bedoeld in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie, vindt op elektronische wijze plaats.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 2:1, vierde lid, een binnenkomend schip aangebracht door het doen van een mededeling aan de inspecteur van de aankomst op een in artikel 2:1, vierde lid, bedoelde plaats.

Artikel 2:3

  • 1 De artikelen 2:0, 2:1, 2:2 en 2:5 zijn niet van toepassing op de volgende schepen en luchtvaartuigen:

    • a. oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen;

    • b. pleziervaartuigen;

    • c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien van een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;

    • d. sleepboten;

    • e. vaartuigen voor het verrichten van loodsdiensten;

    • f. reddingsboten;

    • g. schepen en luchtvaartuigen van de Nederlandse Kustwacht.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de laatste haven van vertrek van het schip dan wel luchtvaartuig gelegen is buiten het douanegebied van de Unie;

    • b. voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen bij het in het vrije verkeer brengen rechten bij invoer, accijns of omzetbelasting is verschuldigd;

    • c. op het schip, het luchtvaartuig of op de aan boord aanwezige goederen verboden of beperkingen van toepassing zijn of zouden zijn als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet;

    • d. voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist;

    • e. het schip dan wel luchtvaartuig niet in de Unie thuishoort; of

    • f. het schip dan wel luchtvaartuig niet overeenkomstig haar bestemming wordt gebezigd.

  • 3 De inspecteur kan toestaan dat, voor zover het de verplichting, bedoeld in artikel 2:0, betreft, wordt afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 2:4

  • 1 Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kust mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke op grond van artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.

  • 2 De goederen worden zonder toestemming van de inspecteur niet verder landinwaarts gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.

  • 3 Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als binnengebrachte goederen in de zin van artikel 134, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie.

Afdeling 2.2. Tijdelijke opslag

Artikel 2:5

  • 1 De aangifte tot tijdelijke opslag bevat de in bijlage 9 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie genoemde vereiste gegevens.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bevat de aangifte tot tijdelijke opslag, voor de in een schip aanwezige provisie, de gegevens, bedoeld in de scheepsvoorradenaangifte (IMO/FAL 3). Het overzicht van in een schip aanwezige persoonlijke bezittingen van bemanningsleden wordt desgevraagd door de gezagvoerder van het schip onverwijld ter beschikking gesteld aan de inspecteur.

  • 3 Indien de aangifte tot tijdelijke opslag betrekking heeft op een of meerdere goederen, genoemd in bijlage V, deel B, van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG 2000, L 169), wordt dit, gelijktijdig met het indienen van de aangifte tot tijdelijke opslag en door de indiener van die aangifte, expliciet medegedeeld aan de douane.

Afdeling 2.3. Tijdelijke opslag [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:6 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:7 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:8 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 2.4. Douaneaangifte

Artikel 2:8a

In voorkomend geval kan de inspecteur, rekening houdend met de aard van de goederen, in het geval van de toepassing van een douaneregeling of wederuitvoer, andere plaatsen dan douanekantoren aanmerken als plaatsen waar goederen kunnen worden aangebracht.

Artikel 2:9 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:10 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 2:11

  • 1 De formulieren enig document worden ingevuld overeenkomstig het bepaalde in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage VI.

  • 2 De bij de invulling van de formulieren enig document te gebruiken codes zijn de codes opgenomen in het codeboek Douane en beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:12

  • 1 In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het gebruikstarief.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is de lijst van goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge verordeningen van de Raad van de Europese Unie of de Europese Commissie.

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:13

Indien door de inspecteur een vergunning wordt afgegeven voor het gebruik van de bijzondere regeling douane-entrepots wordt in de vergunning bepaald dat, afhankelijk van de aard van de goederen die onder de bijzondere regeling douane-entrepots worden geplaatst, de vergunninghouder en het Centraal Bureau voor de Statistiek overeenstemming bereiken over de afzonderlijke aanlevering van gegevens ten behoeve van de entrepotstatistiek.

Afdeling 2.5. Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 2:14

  • 1 Monsterneming vindt in tweevoud plaats, tenzij de wijze en/of aard van het onderzoek ertoe noopt meerdere monsters te nemen, en de monsters worden ter plaatse verpakt en verzegeld.

  • 2 Indien mogelijk wordt op verzoek van belanghebbende een extra monster genomen, dat ter plaatse wordt verpakt en verzegeld en in het bezit van belanghebbende blijft.

Artikel 2:15

  • 1 De speling, bedoeld in artikel 1:35 van de wet, is, indien het een verschil betreft tussen de waarde of de hoeveelheid zoals in de aangifte is aangegeven, en de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is: een percent van de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is.

  • 2 De speling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing:

    • a. indien het bevonden verschil niet is ontstaan ten gevolge van dwaling, onwillekeurig verzuim of natuurlijke verliezen;

    • b. indien het bevonden verschil van invloed is op de berekening van de douaneschuld;

    • c. op aantallen colli of losse voorwerpen.

Hoofdstuk 3. Landbouw- en houtproducten

Afdeling 3.1. Certificaten; algemene bepalingen

Artikel 3:1

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 5, eerste en derde lid, 6, eerste, tweede en vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 6, zevende lid, 9, eerste en derde lid, 12, vierde lid, 13, eerste en zesde lid, 14, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, en 15 eerste, vierde en zesde lid, onderdeel c, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.

Artikel 3:2

De Minister van Economische Zaken is:

  • a. de met afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, zesde lid, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste lid, 6, eerste, derde, vierde en zevende lid, 7, tweede lid, 9, tweede lid, 10, eerste en tweede lid, 11, 12, eerste en tweede lid, 13, tweede tot en met zesde lid, 14, vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 16, tweede en derde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;

  • b. de autoriteit, bedoeld in de artikelen 8, onderdelen c en g, en 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, 13, zevende lid, 16, eerste en tweede lid, 17, 20, eerste tot en met vierde lid, en 21, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;

  • c. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, 34, achtste lid, 35, tweede lid, tweede alinea, 36, tweede lid, 42, tweede lid, onder b, 46, tweede lid, 47, negende lid, onder b en c, van verordening 376/2008;

  • d. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 5 van verordening 1301/2006;

  • e. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 10 en 11, eerste en tweede lid, van verordening 412/2008, en

  • f. de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met vierde lid, van verordening 507/2008.

Artikel 3:3

De Minister van Economische Zaken is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten (PbEG 2001, L 341).

Artikel 3:4 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 3:5 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 3:6 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 3:7 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 3:8 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 3:9

De certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit, zijn in het Nederlands gesteld.

Artikel 3:10 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:11 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:12 [Vervallen per 01-01-2014]

Afdeling 3.2. Certificaten; bijzondere bepalingen

Artikel 3:13

  • 1 De Minister van Economische Zaken geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor ruwe hennep van post 53 02 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • 2 De Minister van Economische Zaken geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor zaaizaad bestemd voor de inzaai van henneprassen van post 1207 99 15 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze vergezeld gaat van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU 2009, L 30);

Artikel 3:13a

  • 1 Een aanvraag tot erkenning van een importeur van niet voor inzaai bestemd hennepzaad als bedoeld in artikel 9, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 wordt ingediend bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 De Minister van Economische Zaken erkent een importeur als deze een redelijke activiteit gedurende 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning kan aantonen in de handel in granen, zaden of peulvruchten.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de Minister van Economische Zaken ook een importeur erkennen:

    • a. die aan de hand van bewijsstukken, waaronder een bedrijfsplan, kan aantonen dat de in het tweede lid genoemde activiteiten op korte termijn zullen worden gestart, of

    • b. die is aan te merken als een in Nederland gevestigde organisatie die kan aantonen hennepzaad te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en in dat kader in aanmerking wil komen voor een erkenning als importeur.

  • 4 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend met behulp van een door de Minister van Economische Zaken ter beschikking gesteld middel.

Artikel 3:13b

Een erkende importeur:

  • a. voert een voorraadboekhouding waaruit de aangevoerde partijen, de be- of verwerkte partijen en de afgeleverde partijen blijken;

  • b. overhandigt binnen 3 maanden na de termijn van 12 maanden, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, verklaringen waaruit blijkt dat de ingevoerde partijen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 is afgegeven, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 189, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 1308/2013 en artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, en

  • c. overhandigt de in onderdeel a bedoelde voorraadboekhouding en overige bewijsstukken op verzoek aan de Minister van Economische Zaken.

Artikel 3:13c

Overeenkomstig artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 kan de Minister van Economische Zaken op verzoek van de erkende importeur overgaan tot verlenging van de in artikel 3:13b, onderdeel b, genoemde termijn van 12 maanden met één of twee periodes van 6 maanden.

Artikel 3:13d

Indien niet wordt voldaan aan een of meer voorwaarden, genoemd in artikel 3:13b stelt de Minister van Economische Zaken, in geval het een in een andere lidstaat gevestigde importeur betreft, de bevoegde autoriteit van die lidstaat hiervan in kennis.

Artikel 3:13e

  • 1 Het certificaat, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 wordt door de importeur aangevraagd bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 Het certificaat is geldig tot en met het einde van de zesde maand na de maand van afgifte.

  • 3 Het certificaat moet door de erkende importeur bij invoer aan de douane worden overhandigt ter afschrijving en moet door de erkende importeur worden teruggezonden aan de Minister van Economische Zaken binnen twee maanden na afloop van de maand waarin de geldigheidsduur van het certificaat is verstreken.

  • 4 Indien de ingevoerde hoeveelheid ten hoogste 5% hoger is dan de op het certificaat genoemde hoeveelheid wordt zij beschouwd als op grond van dat certificaat te zijn ingevoerd.

Artikel 3:13f

Een erkende importeur treft zodanige maatregelen dat ook zijn afnemers voldoen aan het bepaalde in artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 3:13a tot en met 3:13e.

Artikel 3:14

  • 1 Van het verbod op het invoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • 2 Van het verbod op het uitvoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • 3 Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is de voorwaarde verbonden dat de betrokken partij is voorzien van een etiket en een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG 2002, L 193).

  • 4 Het etiket en het bewijsstuk, bedoeld in het derde lid, worden afgegeven door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

Afdeling 3.2.1. Invoer bevroren rundvlees

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 3:15

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • inrichting: verwerkende inrichting, erkend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG 2004, L 226);

  • productiecode: gebruikelijke code waaruit de productiedatum blijkt van een A-product als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 412/2008, respectievelijk van een B-product als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening 412/2008;

  • rendement: resultaat van de berekening van het aantal in bewerking genomen kilo’s rundvlees, verminderd met dripverliezen en afsnijdsels, onder aftrek van de kilo's uitval of bijproduct, gedeeld door de hoeveelheid eindproduct in kilo's;

  • verwerker: natuurlijke of rechtspersoon die bevroren rundvlees verwerkt tot A-producten of B-producten of die voornemens is hiertoe over te gaan.

Artikel 3:16

Een verwerker die bevroren rundvlees invoert in het kader van een tariefcontingent als bedoeld in verordening 412/2008 verwerkt het ingevoerde rundvlees binnen 3 maanden na de dag van invoer tot A-producten of tot B-producten.

Artikel 3:16a

  • 1 De Minister van Economische Zaken kent een recht tot invoer toe overeenkomstig verordening 412/2008.

  • 2 Een aanvraag voor de afgifte een recht tot invoer wordt ingediend door een verwerker bij de Minister van Economische Zaken op een daartoe door de Minister van Economische Zaken vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

  • 3 Een verwerker toont bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aan dat hij voldoet aan de voorschriften, bedoeld in verordening 412/2008 en de voorschriften van deze afdeling.

Artikel 3:16b

  • 1 Een aanvraag voor een invoercertificaat wordt ingediend bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 De Minister van Economische Zaken neemt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid alleen in behandeling als de aanvrager beschikt over een ingevolge artikel 3:16a, eerste lid, toegekend recht tot invoer.

Artikel 3:16c

  • 1 De Minister van Economische Zaken geeft een invoercertificaat af als door de verwerker een zekerheid is gesteld als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

  • 2 Bij de invoer van grondstoffen stelt een verwerker voor de Minister van Economische Zaken een zekerheid onder gebruikmaking van een door de Minister van Economische Zaken vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

  • 3 De Minister van Economische Zaken geeft een zekerheidstelling vrij:

    • a. als bedoeld in het eerste lid wanneer is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in deze afdeling en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, of

    • b. als bedoeld in het tweede lid wanneer is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in deze afdeling en verordening 412/2008.

  • 4 Met inachtneming van verordening 412/2008 verbeurt een verwerker de zekerheid ten gunste van de Minister van Economische Zaken bij niet naleving van de relevante voorschriften, bedoeld in die verordening en in deze afdeling.

Paragraaf 2. A-producten en B-producten

Artikel 3:16d

  • 1 Een verwerker die voor de eerste keer bevroren rundvlees wil invoeren in het kader van een tariefcontingent als bedoeld in verordening 412/2008 dient daartoe tenminste twee weken voor de eerste daadwerkelijke invoer een aanvraag in bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 Een aanvraag die betrekking heeft op een A-product gaat vergezeld van:

    • a. een op een A-product betrekking hebbend recept;

    • b. de benaming en de voorgestelde productiecode van het eindproduct;

    • c. alle verwerkte grond- en hulpstoffen in een percentage van de totale hoeveelheid verwerkte grondstoffen en het eiwitgehalte van de grond- en hulpstoffen;

    • d. het rendement;

    • e. de kerntemperatuur en de tijdsduur waarop de kerntemperatuur blijft gehandhaafd tijdens be- of verwerking van het product;

    • f. de verpakkingswijze;

    • g. het mager rundvleesgehalte;

    • h. het totaal vleespercentage;

    • i. de verhouding tussen het collageen en het eiwit;

    • j. de GN-code van de grondstof en de GN-code van het eindproduct, en

    • k. indien het recept betrekking heeft op de bereiding van verkleind vlees of vlees met saus: het vetvrije droge stofgehalte van de overige bestanddelen die niet bestaan uit vlees, vet, of slachtafval.

  • 3 Een aanvraag die betrekking heeft op een B-product gaat vergezeld van:

    • a. een op een op een B-product betrekking hebbend recept;

    • b. de in onderdeel 2, sub-onderdelen b, d, e, f, en j bedoelde informatie;

    • c. alle verwerkte grond- en hulpstoffen in een percentage van de totale hoeveelheid verwerkte grondstoffen, en

    • d. indien het recept betrekking heeft op de bereiding van eindproducten met de GN-code 0210 2090 in de gecombineerde nomenclatuur: de verhouding tussen het water en het eiwit.

Artikel 3:16e

De minister van Economische Zaken beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 3:16d, eerste lid, en kan daarbij vaststellen vanaf welke datum de verwerker het recept mag toepassen.

Artikel 3:16f

Een verwerker die een nog niet eerder aan de Minister van Economische Zaken verstrekt recept wil toepassen, of een eerder aan de Minister van Economische Zaken verstrekt recept wil wijzigen dient daartoe een nieuwe aanvraag in overeenkomstig artikel 3:16d, eerste lid.

Artikel 3:16g

De Minister van Economische Zaken kan bij een verwerker of bij een derde onderzoek verrichten naar:

  • a. de technische mogelijkheden om de grondstoffen te verwerken tot het in het recept omschreven eindproduct, bedoeld in artikel 16d, tweede of derde lid, of

  • b. de inrichting van de administratie van een verwerker ten aanzien van de vraag of deze altijd op eenvoudige wijze inzicht geeft in de aankoop en de verkoop van de grondstoffen en de verkoop en de aflevering van de eindproducten.

Artikel 3:16h

  • 1 Een verwerker meldt de invoer van bevroren rundvlees tenminste 2 werkdagen voor het tijdstip van invoer schriftelijk aan de Minister van Economische Zaken.

  • 2 Een verwerker die het voornemen heeft om bevroren rundvlees te verwerken overeenkomstig verordening 412/2008 meldt dit tenminste 2 werkdagen voor het tijdstip van aanvang van de productie schriftelijk aan de Minister van Economische Zaken.

Artikel 3:16i

  • 1 Alvorens de op het invoercertificaat vermelde hoeveelheid bevroren rundvlees te verwerken doet een verwerker een proefbereiding van de voorgenomen verwerking en stelt de Minister van Economische Zaken in de gelegenheid om aanwezig te zijn bij die proefbereiding.

  • 2 De Minister van Economische Zaken berekent het rendement bij een proefbereiding.

  • 3 De Minister van Economische Zaken kan een nieuwe proefbereiding verplicht stellen om het rendement te berekenen.

  • 4 De Minister van Economische Zaken trekt een op grond van artikel 3:16e verleende toestemming in als uit de proefbereiding blijkt dat het bereide product naar zijn oordeel niet is aan te merken als een A-product of als een B-product.

  • 5 Een verwerker informeert de Minister van Economische Zaken voorafgaand aan de verwerking van grondstoffen tot A-producten of tot B-producten als de grondstoffen naar hun aard of kwaliteit duidelijk afwijken van de bij een proefbereiding verwerkte grondstoffen. In dat geval verricht een verwerker altijd een of meerdere nieuwe proefbereidingen als bedoeld in het eerste lid om het rendement alsnog te berekenen.

Paragraaf 3. Administratieve voorwaarden

Artikel 3:16j

Een verwerker doet minimaal één maal per zes weken opgave aan de Minister van Economische Zaken van de bereide of afgeleverde hoeveelheden verwerkte A-producten of verwerkte B-producten, gespecificeerd per soort, op een door de Minister van Economische Zaken vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

Artikel 3:16k

  • 1 Een verwerker houdt dagelijks een boekhouding en een voorraadadministratie bij welke betrekking hebben op:

    • a. het ter beschikking staande bevroren rundvlees;

    • b. het in voorraad gehouden bevroren rundvlees;

    • c. het bewerkte of verwerkte bevroren rundvlees;

    • d. het ontvangen bevroren rundvlees, en

    • e. het afgeleverde bevroren rundvlees.

  • 2 De boekhouding en voorraadadministratie:

    • a. bevatten de relevante leveringsbewijzen, facturen en verwerkingsstaten, en

    • b. geven ten aanzien van het relevante bevroren rundvlees op eenvoudige wijze inzicht in:

      • 1°. de dag van invoer van het bevroren rundvlees;

      • 2°. de dag van ontvangst van het bevroren rundvlees op een bedrijf;

      • 3°. de aard van het product;

      • 4°. de herkomst;

      • 5°. de naam en het adres van een leverancier;

      • 6°. de dag van bewerking of de dag van verwerking;

      • 7°. de bewerkte of de verwerkte hoeveelheid;

      • 8°. de wijzigingen in de voorraad als gevolg van retourzendingen, van verliezen of door soortgelijke oorzaken;

      • 9°. de dag van aflevering bij een afnemer;

      • 10°. de hoeveelheid die bij een afnemer is afgeleverd, onderscheiden naar de aard van het product, en

      • 11°. de naam en het adres van een afnemer.

  • 3 Een verwerker neemt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op in de boekhouding en de voorraadadministratie voor elk afzonderlijk stadium van de bewerking of de verwerking waarin het bevroren rundvlees zich in een bedrijf bevindt.

Artikel 3:16l

De Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van de artikelen 3:16j en 3:16k en aan die ontheffing voorwaarden verbinden.

Artikel 3:16m

  • 1 Een verwerker die A-producten of B-producten levert aan bedrijfseenheden en die geheel of gedeeltelijk eigenaar, vertegenwoordiger, of op enige wijze daarmee vennootschappelijk gelieerd is, stelt de Minister van Economische Zaken in de gelegenheid om de productie per week in de bedrijfseenheden te controleren.

  • 2 Indien het eerste lid van toepassing is:

    • a. heeft iedere relevante bedrijfseenheid een boekhouding en een voorraadadministratie die het mogelijk maakt:

      • 1°. om de wekelijkse productie per week te controleren, en

      • 2°. om de identiteit en het gebruik van het relevante rundvlees vast te stellen,

    • b. meldt iedere relevante bedrijfseenheid uiterlijk binnen de in artikel 3:16h, eerste lid, bedoelde termijn op welke dagen er A-producten of er B-producten worden verwerkt aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;

    • c. houdt iedere relevante bedrijfseenheid op verzoek van de Minister van Economische Zaken de verwerkte A-producten of de verwerkte B-producten beschikbaar voor onderzoek, en

    • d. zorgt iedere relevante bedrijfseenheid voor identificatie van de desbetreffende productieverpakkingen door daarop een gebruikelijke productiecode aan te brengen die niet zonder beschadiging van de verpakking van het eindproduct kan worden verwijderd.

Paragraaf 4. Monstername

Artikel 3:16n

  • 1 De Minister van Economische Zaken kan een monster nemen op een bedrijf van een verwerker of op een andere plaats in de distributieketen van een verwerkt product van de voorraden van de in het kader van verordening 412/2008 verwerkte producten.

  • 2 Een monster van een verwerkt product zonder saus bedraagt tenminste 500 gram en bestaat waar mogelijk uit 3 verpakkingseenheden.

  • 3 Een monster van overige producten bedraagt tenminste 3 van de kleinste verpakkingseenheden.

  • 4 Op verzoek van een verwerker neemt de Minister van Economische Zaken tegelijk met het nemen van een monster als bedoeld in het eerste lid een alternatief monster van gelijke grootte uit dezelfde partij verwerkte producten met dezelfde productiecode.

  • 5 Een verwerker bewaart het in het vierde lid bedoelde alternatieve monster op zijn bedrijf.

Artikel 3:16o

  • 2 De Minister van Economische Zaken besluit in ieder geval dat een product niet voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling indien een monster van een A-product:

    • a. ander vlees dan rundvlees bevat;

    • b. toevoegingen aan een eindproduct, met uitzondering van water, meer bedragen dan 15% van het netto gewicht van een eindproduct;

    • c. de verhouding tussen het collageen en het eiwit groter is dan 0,45 in het eindproduct;

    • d. minder dan 20% van het netto gewicht van een eindproduct bestaat uit mager vlees, of

    • e. bij doorsnijding van het dikste gedeelte van een eindproduct sporen van een roséachtige vloeistof zijn waar te nemen.

  • 3 De Minister van Economische Zaken concludeert in het advies in ieder geval dat een product niet voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling indien een monster van een B-product:

    • a. geen rundvlees bevat;

    • b. de kleur en consistentie van vers vlees van een verwerkt product met GN-code 0210 20 90 van de gecombineerde nomenclatuur niet volledig is verdwenen, of

    • c. de verhouding in het eindproduct tussen het water en het eiwit groter is dan 3,2.

Artikel 3:16p

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid laat de Minister van Economische Zaken de onderzoeksresultaten van een op grond van artikel 3:16n, eerste lid, genomen monster buiten beschouwing en baseert hij een besluit als bedoeld in artikel 3:16o, tweede of derde lid, uitsluitend op de resultaten van het onderzoek van het alternatieve monster, bedoeld in artikel 3:16n, vierde lid.

Artikel 3:16q

  • 1 Indien de Minister van Economische Zaken op grond van een onderzoek of een tegenonderzoek besluit dat het monster niet voldoet aan de voorschriften komt alle bereide hoeveelheid van dat eindproduct dat door of namens een verwerker is geproduceerd in de week van monstername niet in aanmerking voor toepassing van verordening 412/2008.

  • 2 De Minister van Economische Zaken kan besluiten dat een betrokken eindproduct niet in aanmerking komt voor toepassing van verordening 412/2008 als een tegenonderzoek van een monster herhaaldelijk andere resultaten oplevert dan het onderzoek van een eerder genomen monster.

  • 3 De kosten die samenhangen met het nemen van monsters, het onderzoeken van monsters, waaronder het verrichten van tegenonderzoek, komen voor rekening van de verwerker.

Afdeling 3.3. Restitutie

Artikel 3:17

Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in de artikelen 16, 19, eerste lid, en 49, eerste lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:18

  • 1 De Minister van Economische Zaken wordt aangewezen als:

    • a. de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, 39, eerste lid, en 46, eerste lid, onder b, van verordening 612/2009;

    • b. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 27, vierde lid, en 32, eerste en tweede lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Als bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, zevende lid, onder b, en 7, derde lid, tweede alinea, van verordening 612/2009 wordt aangewezen het douanekantoor, waar de aangifte ten uitvoer wordt ingediend.

Artikel 3:19

  • 1 Informatie als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, onder b, tweede aandachtsstreepje, 27, eerste lid, derde alinea, of 28, eerste lid, vierde alinea, van verordening 612/2009 wordt verstrekt aan de Minister van Economische Zaken.

  • 2 In de gevallen waarin het stellen van zekerheid op grond van een EU-verplichting een voorwaarde is voor de toekenning van restitutie, wordt de zekerheid gesteld bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 Het opleggen van administratieve sancties als bedoeld in artikel 48 van verordening 612/2009, vindt plaats door de Minister van Economische Zaken.

  • 4 Het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1469/95 van de Raad van 22 juni 1995 betreffende de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van bepaalde begunstigden van uit het EOFGL, afdeling Garantie, gefinancierde verrichtingen (PbEG 1995, L 145) vindt plaats door de Minister van Economische Zaken.

Artikel 3:20

De Minister van Economische Zaken is bevoegd te beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:21

  • 1 De Minister van Economische Zaken is bevoegd het ontslag te verlenen, bedoeld in artikel 24 van verordening 612/2009.

  • 2 Een verzoek als bedoeld in artikel 24, derde lid, van verordening 612/2009 wordt ingediend bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 De Minister van Economische Zaken is bevoegd de beslissingen, bedoeld in artikel 24, vierde lid, van verordening 612/2009 te nemen.

Artikel 3:22

  • 1 De Minister van Economische Zaken verleent de erkenning, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 De Minister van Economische Zaken kan een erkenning als bedoeld in het eerste lid schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, en 21, eerste en derde lid, van verordening 612/2009.

Afdeling 3.4. Proviandering

Artikel 3:23

  • 1 De Minister van Economische Zaken is bevoegd tot verlening van de toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een schriftelijke aanvraag om de toestemming, bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend indien de belanghebbende:

    • a. gespecialiseerd is in scheepsproviandering;

    • b. een administratie voert die inzichtelijk maakt dat de landbouwproducten de bestemming hebben bereikt, en

    • c. een controleregister bijhoudt als bedoeld in artikel 34, vierde lid, eerste en tweede alinea, van verordening 612/2009, of de bij iedere leverantie gebruikte documenten overlegt waarop de douaneautoriteiten de datum hebben vermeld waarop de producten aan boord zijn gebracht.

  • 4 De Minister van Economische Zaken is bevoegd tot intrekking van de toestemming indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de in het derde lid bedoelde eisen of aan de eisen, bedoeld in artikel 34 van verordening 612/2009.

Artikel 3:24

  • 1 Een belanghebbende aan wie de toestemming, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, is verleend, geeft overeenkomstig een bij de Minister van Economische Zaken op te vragen maandstaat, uiterlijk vóór het eind van de kalendermaand volgend op de maand waarin de landbouwproducten ten uitvoer zijn aangegeven, alle in laatstbedoelde maand aangegeven landbouwproducten op bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde opgave van landbouwproducten zijn gespecificeerd naar GN-code en, indien van toepassing, de restitutiecode.

Artikel 3:25

  • 1 De Minister van Economische Zaken is bevoegd tot betaling van de restitutie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 De aanvraag om betaling van restitutie wordt ingediend bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 In geval van levering van landbouwproducten in een andere lidstaat legt de belanghebbende tevens een bevestiging van het uitgaan van de goederen over.

  • 4 In geval van levering van landbouwproducten aan boor- en productieplatforms en marine- en hulpschepen legt de belanghebbende tevens het leverantiebewijs over.

Artikel 3:26

  • 1 De Minister van Economische Zaken is bevoegd tot verlening van een erkenning van de houder van onder douanetoezicht staande bevoorradingsruimten, als bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, en 40, tweede lid, tweede alinea, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 De erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:27

  • 1 De Minister van Economische Zaken is bevoegd een voorschot op de restitutie te verlenen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37 van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Economische Zaken.

Artikel 3:28

De verlening van restitutie voor proviandering van zeeschepen, waaronder ook begrepen al dan niet zelf aangedreven werkschepen, kan in het kader van deze paragraaf alleen plaatsvinden indien het schip binnen tien dagen na proviandering de haven verlaat met een bestemming die niet dichterbij is gelegen dat het gebied, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, van verordening 612/2009.

Artikel 3:29

  • 1 De Minister van Economische Zaken is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 40, eerste en tweede lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende kan een aanvraag als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van verordening 612/2009 indienen bij de Minister van Economische Zaken.

Artikel 3:30

  • 1 Levering aan boor- en productieplatforms geschiedt uitsluitend door een door de Minister van Economische Zaken erkende exploitant van een bevoorradingsschip of bevoorradingshelikopter.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in bij de Minister van Economische Zaken.

  • 3 De Minister van Economische Zaken toetst de aanvraag aan de criteria, bedoeld in artikel 41, tweede lid, onder b, tweede streepje, van verordening 612/2009.

  • 4 De Minister van Economische Zaken is bevoegd tot intrekking van een erkenning indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3:31

  • 1 De betrokken deelnemer:

    • a. bewaart de bewijsstukken, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van verordening 612/2009 in zijn administratie ten behoeve van de Minister van Economische Zaken, en

    • b. dient het bewijs, bedoeld in de artikelen 36, derde lid, eerste alinea, 40, vierde en vijfde lid, of 42, tweede lid, van verordening 612/2009 in bij de Minister van Economische Zaken.

  • 2 Het bewijs, bedoeld in de artikelen 38, tweede lid, eerste alinea, en 40, derde lid, eerste alinea, van verordening 612/2009, wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aangifte ten uitvoer is gedaan.

  • 3 Op verzoek van een belanghebbende kan de Minister van Economische Zaken ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a of b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt geleverd met een door de scheepskapitein of een andere scheepsofficier van dienst ondertekend certificaat van ontvangst dat van het scheepsstempel is voorzien.

  • 4 In voorkomend geval kan de Minister van Economische Zaken op verzoek van een belanghebbende ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt geleverd met een door een beambte van de luchtvaartmaatschappij ondertekend certificaat van ontvangst dat van het stempel van de maatschappij is voorzien.

Afdeling 3.5. Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 3:32 [Vervallen per 01-05-2016]

Afdeling 3.6. FLEGT-vergunningenstelsel voor de invoer van hout

Artikel 3:33

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is de bevoegde autoriteit, bedoeld in:

  • a. artikel 2, onder 8), van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), en

  • b. artikel 2, onder 4, van verordening (EG) nr. 1024/2008 van de Commissie van 17 oktober 2008 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2008, L 277).

Artikel 3:34

  • 1 De vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening, genoemd in artikel 3:33, onderdeel a, wordt ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

  • 2 Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.

Hoofdstuk 4. Douaneregelingen en wederuitvoer

Afdeling 4.1. In het vrije verkeer brengen – bijzondere bestemming

Artikel 4:1

Voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256), worden verstaan onder:

  • a. fokpaarden van zuiver ras: de geregistreerde paarden, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder b en c, van Richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG 1990, L 224), met uitzondering van ruinen;

  • b. fokvarkens van zuiver ras: de ingeschreven of geregistreerde varkens, zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 88/661/EEG van de Raad van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PbEG 1988, L 382).

Artikel 4:2

De in artikel 4:1, aanhef en onder a, bedoelde dieren mogen alleen als fokpaarden van zuiver ras in het vrije verkeer worden gebracht indien:

  • a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (PbEU 2015, L 59);

  • b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of register van de Unie zullen worden ingeschreven of geregistreerd.

Artikel 4:3

De in artikel 4:1, aanhef en onder b, bedoelde dieren mogen alleen worden ingevoerd indien:

  • a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat, ondertekend door een instantie die door de bevoegde autoriteit in het derde land is erkend voor de uitvoering van Richtlijn 94/28/EG van de Raad van 23 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen inzake zoötechnische en genealogische voorschriften voor de invoer uit derde landen van dieren, alsmede van sperma, eicellen en embryo’s en tot wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG 1994, L 178);

  • b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of register van de Unie zullen worden ingeschreven of geregistreerd.

Artikel 4:4 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:5 [Vervallen per 01-05-2016]

Afdeling 4.2. Opslag en tijdelijke invoer

Artikel 4:6

Aan accijns onderworpen Uniegoederen kunnen slechts in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de bij of krachtens de Wet op de accijns gestelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 4:7 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:8

  • 1 De bijzondere regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor vervoermiddelen die hier te lande worden ingeschreven en te naam gesteld in het kentekenregister en waarvoor een kenteken wordt opgegeven bevattende de letters CD, CDJ dan wel de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde vervoermiddelen kunnen onder de regeling worden geplaatst zonder schriftelijke aanvraag of vergunning.

Artikel 4:9

  • 1 Met inachtneming van artikel 216, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, wordt toegestaan dat vervoermiddelen welke worden betrokken uit een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke opslag onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.

  • 2 Voor vervoermiddelen die in overeenstemming met het eerste lid onder de regeling zijn geplaatst, wordt een kenteken opgegeven bevattende de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel a, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden.

  • 4 In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

Afdeling 4.3. Vrije zones en entrepots [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:10 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:11 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:12 [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 4:13 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:14 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:15 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:16 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 4:17 [Vervallen per 01-05-2016]

Afdeling 4.4. Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen

Artikel 4:18

Het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de wederuitvoer vindt plaats door inlevering van de generale verklaring (IMO/FAL 1 bij vertrek).

Afdeling 4.5. Uitvoer

Artikel 4:19

Voor goederen waarvoor de Minister van Economische Zaken wordt verzocht om toekenning van restitutie, worden, in de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer, de volgende gegevens vermeld:

  • a. aanvraag restitutie ja/nee;

  • b. aanvraag voorschot ja/nee.

Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen

Afdeling 5.1. Liquide middelen

Artikel 5.1

  • 3 De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, is de waarde die het desbetreffende instrument heeft op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt of bij het ontbreken daarvan, de intrinsieke waarde.

Afdeling 5.2. Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen

Artikel 5:2 [Vervallen per 01-07-2013]

Artikel 5:3 [Vervallen per 01-07-2013]

Artikel 5:4 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 5:5

  • 1 Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, van oorsprong uit Noord-Korea en Belarus, genoemd in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling, (PbEG 1994, L 67), zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verboden.

  • 2 Het eerste lid geldt niet indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 5:6 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 5:7 [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 5:8 [Vervallen per 01-07-2013]

Artikel 5:9

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, 4, 4 bis, 5, 6 bis, 7 ter, eerste lid, of 7 quinquies van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU 2005, L 200).

Artikel 5:10

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EG) nr. 953/2003 van de Raad van 26 mei 2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (PbEU 2003, L 135).

  • 2 De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de verordening, genoemd in het eerste lid, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Hoofdstuk 6. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten

Artikel 6:1

  • 1 Als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage III.

  • 2 Als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage IV.

Artikel 6:1a

  • 1 Het aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang, bedoeld in artikel 331, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie, vindt plaats met een aankomstmelding. In de aankomstmelding worden de gegevens opgenomen volgens de in bijlage IXa opgenomen specificaties.

  • 2 De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 6:2

  • 1 Van een schip of luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie over zee of door de lucht zal verlaten, wordt aangifte ten uitklaring gedaan.

  • 2 Van alle goederen geladen in een Nederlandse haven of luchthaven aan boord van het in het eerste lid bedoelde schip of luchtvaartuig, wordt eveneens aangifte ten uitklaring gedaan.

  • 3 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan door het op elektronische wijze inzenden van de generale verklaring (IMO / FAL 1 bij vertrek), zoals voorzien in de bijlage bij de IMO Facilitatie Conventie 1965 van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 1966, 162), respectievelijk de generale verklaring luchtvaart, zoals is voorzien in bijlage 9 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen ICAO verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165) van de Internationale organisatie voor de burgerluchtvaart.

  • 4 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang. In het douanemanifest bij uitgang worden de gegevens opgenomen volgens de in bijlage IXa opgenomen specificaties.

  • 5 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan voor vertrek van het schip of luchtvaartuig. De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan binnen 3 kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig.

  • 6 De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het vijfde lid.

Artikel 6:3

  • 1 Als vaarwaters waarlangs schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten, worden aangewezen de vaarwaters, opgenomen in bijlage II.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt toegestaan dat goederen die over zee het douanegebied van de Unie zullen verlaten, worden overgeladen in een schip dat het douanegebied van de Unie zal verlaten.

  • 3 De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend voor het overladen van:

    • a. provisie of scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip;

    • b. brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip;

    • c. goederen welke nodig zijn voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis te kunnen laten voortzetten.

  • 4 Voor het overladen, bedoeld in het tweede lid, is een vergunning van de inspecteur vereist.

Artikel 6:4

  • 1 De in artikel 2:3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen, alsmede schepen die over zee van de ene in Nederland gelegen haven naar de andere gaan, hoeven bij het verlaten van het douanegebied van de Unie niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2:3 indien ter zake van de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.

Artikel 6:4a [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 6:5

Een schip dan wel een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie zal verlaten, vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, van artikel 2:1, niet zonder toestemming van de inspecteur.

Hoofdstuk 7. Bijzondere regelingen

Afdeling 7.1. Preferentiële oorsprong

Artikel 7:1

In afwijking van het forfaitair douanerecht dat wordt toegepast op grond van bijlage I, Eerste Deel, Titel II, punt D.1 bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256) (de gecombineerde nomenclatuur) worden zonder heffing van rechten bij invoer toegelaten goederen, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, van oorsprong uit:

  • Andorra, voor zover de goederen vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur;

  • de ACS-staten, die vallen onder Verordening (EG) Nr. 1528/2007 van de Raad van 20 december tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (PbEU 2007, L 348);

  • Albanië, Algerije, Gebieden onder Palestijnse autoriteit, de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS), Bosnië-Herzegovina, Ceuta, Chili, de Europese Economische Ruimte, Egypte, Faeröer, Israël, Jordanië, Kosovo, Kroatië, de Landen en Gebieden Overzee, Libanon, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Marokko, Melilla, Mexico, Moldavië, Montenegro, Peru, Servië, Syrië, Tunesië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea of Zwitserland;

  • Turkije, voor zover de goederen vallen onder Protocol nr. 1 bij het Besluit van de Commissie over de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is van 29 februari 1996 (PbEG 1996, L 227) en Protocol nr. 3 bij het Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten van 25 februari 1998 (PbEG 1998, L 86).

Afdeling 7.2. Vrijstellingen

Artikel 7:2

  • 1 Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 28, 34, 43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van Verordening 1186/2009, is een vergunning van de inspecteur vereist met dien verstande dat voor de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009, een vergunning slechts is vereist indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een instelling of organisatie.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een openbare instelling of een instelling of organisatie, genoemd in artikel 7:4 of in de bijlagen X tot en met XVI.

Artikel 7:2a

  • 1 Een instelling of organisatie kan op aanvraag worden aangewezen als instelling of organisatie die een beroep mag doen op een vrijstelling, genoemd in deze afdeling.

  • 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de inspecteur. Op voordracht van de inspecteur kan de instelling of organisatie worden opgenomen in een van de bijlagen bij deze regeling.

Artikel 7:3

  • 1 Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van Verordening 1186/2009 wordt slechts verleend indien een door belanghebbende ondertekende lijst wordt overgelegd met een beschrijving van alle goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt.

  • 2 De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 12 van Verordening 1186/2009, wordt voorts slechts verleend indien belanghebbende aantoont dat zijn huwelijk heeft plaatsgehad of dat de eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn gezet.

  • 3 Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 17 en 20 van Verordening 1186/2009 wordt voorts slechts verleend indien een door een notaris of vergelijkbare functionaris in het land van uitvoer afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de goederen door vererving zijn verkregen.

  • 4 De termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening 1186/2009, wordt niet verlengd.

  • 5 Voor het verlenen van een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009 kan de inspecteur een medische verklaring vragen aan een natuurlijke persoon die de goederen voor zijn eigen gebruik in het vrije verkeer brengt.

Artikel 7:4

  • 1 Als instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage X.

  • 2 Als instellingen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XI.

  • 3 Als instellingen met zetel in de Unie als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XII.

  • 4 Als instellingen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XIII.

  • 5 Als instelling als bedoeld in artikel 55, aanhef en onder a, van Verordening 1186/2009 wordt aangewezen: Stichting Sanquin Bloedvoorziening.

  • 6 Als instellingen als bedoeld in artikel 57 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de ziekenhuizen, gezondheidsinstellingen en dergelijke instellingen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met medisch onderzoek, medische diagnose of medische behandeling.

  • 7 Als geadresseerden als bedoeld in artikel 59 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de geadresseerden, genoemd in bijlage XIV.

  • 8 Als instellingen met een liefdadig en filantropisch karakter als bedoeld in de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen:

    • Vereniging het Nederlandse Rode Kruis;

    • Stichting Leger des Heils Dienstverlening.

  • 9 Als instellingen en organisaties als bedoeld in de artikelen 67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage XV.

  • 10 Als organisaties als bedoeld in artikel 112 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage XVI.

Artikel 7:5 [Vervallen per 01-12-2008]

Artikel 7:6

Voor de beoordeling van de vraag of monsters en stalen als bedoeld in artikel 86 van Verordening 1186/2009 een onbeduidende waarde hebben, wordt de gezamenlijke waarde van alle monsters en stalen die van eenzelfde zending deel uitmaken, in aanmerking genomen. De waarden van de zendingen die door dezelfde afzender aan verschillende geadresseerden zijn verzonden, worden niet samengeteld.

Artikel 7:7

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 113 van Verordening 1186/2009, voor zover deze betrekking heeft op lijkkisten of urnen, wordt slechts verleend indien een laissez passer voor lijken, een lijkenpas of een overeenkomstige verklaring wordt overgelegd.

Artikel 7:8

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke en consulaire ambtenaren, met uitzondering van honoraire consuls, van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover deze ambtenaren zijn geaccrediteerd of aangemeld bij Nederland.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende ambtenaar Nederlander is of duurzaam in Nederland verblijft dan wel indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per ambtenaar.

Artikel 7:9

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover die personeelsleden zijn aangemeld bij Nederland.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, of indien er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken. Voorts is de vrijstelling niet van toepassing indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per personeelslid, tenzij met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is overeengekomen dat deze vrijstelling beperkt is tot één personenvoertuig per personeelslid.

Artikel 7:10

  • 1 Het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling, bedoeld in artikel 7:8 en artikel 7:9, wordt gedaan door het overleggen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. Deze aangifte wordt gedaan bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ondertekende aangifte Douane 39.

  • 2 De vrijstelling wordt slechts verleend indien alle douane-exemplaren van eerder gedane aangiften ten behoeve van eenzelfde belanghebbende, voorzien van een door hem en het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor gezien getekende ontvangstbevestiging, binnen drie dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de volgens het eerste lid gedane aangifte door de inspecteur zijn terugontvangen.

  • 3 Voor een motorvoertuig waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer is verleend, wordt in het kentekenregister de aantekening opgenomen ‘vrijstelling van rechten bij invoer en/of omzetbelasting en/of belasting van personenauto’s en motorrijwielen; vervalt bij vervreemding; vrijstelling niet overdraagbaar’. De motorvoertuigen mogen zonder een dergelijke aantekening niet worden gebruikt.

  • 4 Het is verboden om de overeenkomstig de artikelen 7:8 en 7:9 met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

    • uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en

    • te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.

Artikel 7:11

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor officieel gebruik – bouwen en herstellen daaronder begrepen – van een diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:12

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van kanselarijbenodigdheden die bestemd zijn voor het officiële gebruik van een honorair consulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de honorair consulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:13

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het verrichten van de officiële werkzaamheden door een internationale organisatie in Nederland, genoemd in bijlage XVIII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de internationale organisatie bestemd zijn.

Artikel 7:14

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van functionarissen in dienst van een internationale organisatie, genoemd in bijlage XIX, indien met die organisaties is overeengekomen dat aan die functionarissen het recht op deze vrijstelling wordt verleend.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende functionaris Nederlander is of duurzaam in Nederland verblijft.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het personenvoertuigen betreft, beperkt tot maximaal twee personenvoertuigen per functionaris, tenzij met de internationale organisatie is overeengekomen dat deze vrijstelling beperkt is tot één personenvoertuig per functionaris.

  • 4 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van administratief, technisch en bedienend personeel in dienst van een internationale organisatie genoemd in bijlage XIX, indien met die organisatie is overeengekomen dat aan dat personeel het recht op deze vrijstelling wordt verleend.

  • 5 De vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien het personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, dan wel als er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.

  • 6 De vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is, voor zover het personenvoertuigen betreft, beperkt tot maximaal één personenvoertuig per persoon, tenzij met de organisatie is overeengekomen dat geen vrijstelling voor een personenvoertuig wordt verleend.

  • 7 Artikel 7:10, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in een door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 verklaart dat de functionaris onderscheidenlijk de persoon die gebruik wenst te maken van de in het eerste of vierde lid bedoelde vrijstelling in dienst is bij die internationale organisatie, geen Nederlander is, niet duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland minder dan 10 jaren zijn verstreken. Voorts vermeldt de verklaring de normale verblijfplaats van de functionaris onderscheidenlijk de persoon op het moment van aanwerving en de datum van tewerkstelling in Nederland.

  • 8 Het is verboden om de met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

    • uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en

    • te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.

Artikel 7:15

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het in het vrije verkeer brengen van gronduitrusting door buiten de Benelux gevestigde luchtvaartondernemingen om op een douaneluchtvaartterrein te worden gebruikt voor de inrichting of exploitatie van een internationale luchtdienst door die onderneming.

  • 2 Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer is een vergunning van de inspecteur vereist.

  • 3 Indien de luchtvaartonderneming tegelijkertijd goederen van twee of meer soorten in het vrije verkeer brengt, mag worden volstaan met één aangifte voor het brengen in het vrije verkeer, mits de aangifte is aangevuld met een lijst waarop de gegevens van de goederen zijn vermeld.

Artikel 7:16

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van:

    • a. provisie en scheepsbehoeften aan boord van binnenkomende schepen, geen woonschepen zijnde;

    • b. provisie aanwezig in luchtvaartuigen in internationaal verkeer;

    • c. brandstoffen en smeermiddelen aanwezig in binnenkomende schepen en luchtvaartuigen en bestemd voor de aandrijving of smering daarvan.

  • 2 De vrijstelling voor de goederen, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend voor de hoeveelheden, welke redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht voor het verbruik of gebruik aan boord.

  • 3 Het is verboden de goederen uit de vervoermiddelen te verwijderen.

Afdeling 7.3. Omzetbelasting en accijns

Artikel 7:17

Voor goederen, vermeld in onderstaande lijst, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 7:1, een forfaitaire accijns geheven overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die gelden voor het douanerecht. De accijns wordt berekend naar de bij die goederen vermelde tarieven.

Omschrijving

Grondslag

Tarief

a. overige alcoholhoudende producten als bedoeld in artikel 12 van de Wet op de accijns:

liter

€ 6,41

b. rooktabak

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

64,6%

c. sigaretten

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

60%

Artikel 7:18

Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 25 tot en met 27 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

  • a. de vrijstelling voor alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 27, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening 1186/2009, is beperkt tot één fles van het gebruikelijke type met een maximum van 1 liter;

  • b. de vrijstelling voor de hierna genoemde goederen is beperkt tot de volgende hoeveelheden:

    • 1°. koffie: 500 gram;

    • 2°. koffie-extracten en koffie-essences: 200 gram;

    • 3°. thee: 100 gram;

    • 4°. thee-extracten en thee-essences: 40 gram.

Artikel 7:19

Op de omzetbelasting zijn de artikelen 28 tot en met 34 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:3 van overeenkomstige toepassing voor zover de voor het vrije verkeer aangegeven goederen niet zijn bestemd voor de uitoefening van een activiteit die op grond van artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is vrijgesteld.

Artikel 7:20 [Vervallen per 01-12-2008]

Artikel 7:21

Op de omzetbelasting is artikel 42 van Verordening 1186/2009 alsmede artikel 7:2 van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage I, onderdeel B, van Verordening 1186/2009.

Artikel 7:22

Op de omzetbelasting is artikel 43 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4, van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage II, onderdeel B, van Verordening 1186/2009, mits de aan de aangifte voor het vrije verkeer ten grondslag liggende levering om niet geschiedt, of, indien zij onder bezwarende titel plaatsheeft, de goederen worden geleverd door een ander dan een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 7:23

Op de accijnzen en de omzetbelasting is artikel 53 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor dieren die voor laboratoriumgebruik zijn gefokt, de vrijstelling uitsluitend van toepassing is indien die dieren om niet aan laboratoria worden afgestaan.

Artikel 7:24

Op de omzetbelasting zijn de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

  • a. de vrijstelling kan worden verleend voor alle goederen die speciaal zijn ontworpen voor onderwijs aan en tewerkstelling of verbetering van de maatschappelijke positie van geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten;

  • b. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen door geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten voor hun eigen gebruik worden ingevoerd;

  • c. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen met enige commerciële bijbedoeling van de gever of niet om niet aan een in bijlage XV aangewezen instelling of organisatie worden gezonden.

Artikel 7:25

Op de omzetbelasting is artikel 104 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat geen vrijstelling wordt verleend voor belastingzegels als bedoeld in artikel 104, onderdeel q, van Verordening 1186/2009.

Artikel 7:26

  • 1 Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 203 tot en met 205 van het Douanewetboek van de Unie, de artikelen 158 tot en met 160 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, de artikelen 253 tot en met 255 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie alsmede artikel 7:28 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de bepalingen inzake het inlichtingenblad INF 3 slechts van toepassing zijn voor zover gelijktijdig aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer wordt gemaakt.

  • 2 Vrijstelling van omzetbelasting voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat op de terugkerende goederen omzetbelasting drukt.

  • 3 Vrijstelling van accijns voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat de voorafgaande uitvoer van deze goederen niet heeft plaatsgevonden uit een accijnsgoederenplaats dan wel met teruggaaf van accijns.

Artikel 7:27

  • 1 Op de accijnzen zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 95 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16 van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Op de omzetbelasting zijn de artikelen 3 tot en met 20, 21, 24, 54 tot en met 56, 59 tot en met 65, 74 tot en met 103 en 105 tot en met 113 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Op de omzetbelasting is artikel 23 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder ‘goederen met een te verwaarlozen waarde’ wordt verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt.

  • 4 Op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 90 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16 van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Op de omzetbelasting is de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer bij het in het vrije verkeer brengen van goederen, die overeenkomstig de douaneregeling passieve veredeling tijdelijk zijn uitgevoerd, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 7.4. Terugkerende goederen

Artikel 7:28

  • 1 De informatie, bedoeld in artikel 253, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie, is, behoudens in de gevallen waarin de goederen in het kader van de regeling passieve veredeling zijn uitgevoerd, niet vereist indien het de volgende goederen betreft:

    • a. motorrijtuigen alsmede kleine aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van reisbenodigdheden, duidelijk sporen van gebruik vertonen en samen met de motorrijtuigen worden ingevoerd, indien bij de motorrijtuigen een geldig kentekenbewijs aanwezig is en zij, alsmede de aanhangwagens, het in dat bewijs vermelde kenteken voeren, voor zover daaruit blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

    • b. aanhangwagens, andere dan die zijn bedoeld in onderdeel a en opleggers, voor zover uit de overgelegde bescheiden dan wel op andere wijze blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

    • c. luchtvaartuigen die in één der lidstaten van de Europese Unie zijn ingeschreven;

    • d. locomotieven en ander rollend spoorwegmaterieel, die zijn ingeschreven in het wagenpark van een in één der lidstaten gevestigde spoorweg- of andere onderneming, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • e. andere vervoermiddelen, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • f. containers, met inbegrip van het normale toebehoren en de normale uitrusting daarvan, verpakkingsmiddelen en andere voorwerpen, vervaardigd en ingericht voor het vervoer van goederen, alsmede dekkleden en stuwmateriaal ten aanzien waarvan bij wederinvoer, gelet op de aard, de bijzondere kenmerken en de gebruiksvoorwaarden, aannemelijk is dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • g. goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd; de inspecteur kan vorderen dat de herkomst uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie wordt aangetoond door middel van een schriftelijk bewijsstuk.

  • 2 Wanneer de inspecteur twijfelt of vervoermiddelen voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer, kunnen de vervoermiddelen worden ingevoerd nadat zekerheid is gesteld voor de rechten bij invoer die voor die vervoermiddelen verschuldigd zijn. De belanghebbende kan binnen drie maanden bij de inspecteur een verzoek indienen om voor de goederen alsnog vrijstelling van rechten bij invoer te verlenen, mits hij daarbij aantoont dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer is voldaan.

  • 3 Er bestaat geen recht op vrijstelling van rechten bij invoer voor een motorrijtuig waarvan het chassis- of framenummer is gewijzigd of verwijderd tenzij daartoe door de inspecteur toestemming is verleend.

Afdeling 7.5. Postverkeer [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 7:29 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 7:30 [Vervallen per 01-05-2016]

Hoofdstuk 8. Douaneschuld

Afdeling 8.1. Zekerheidstelling

Artikel 8:1

Een hypotheek wordt als zekerheidstelling aanvaard indien:

Artikel 8:1a

De aanvulling of vervanging van een zekerheid, bedoeld in artikel 97 van het Douanewetboek van de Unie, wordt binnen een maand na de mededeling door de ontvanger, dat aanvulling of vervanging van de zekerheid wordt geëist, gesteld.

Afdeling 8.2. Invordering van het bedrag van de douaneschuld

Artikel 8:2

Het aanslagbiljet bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • naam, adres en woonplaats van de schuldenaar of belanghebbende;

  • kenmerk en datum van de beschikking;

  • bedrag aan rechten, rente op achterstallen, kosten of bestuurlijke boete;

  • bezwaarclausule.

Afdeling 8.3. Berekening en afronding

Artikel 8:3

  • 1 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een bedrag dat dient als grondslag voor die berekening rekenkundig afgerond op centen.

  • 2 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een hoeveelheid die dient als grondslag voor die berekening, zodanig afgerond dat een gedeelte van een kilogram, van een liter of van een meter in aanmerking wordt genomen als een heel kilogram, een hele liter of een hele meter.

  • 3 Indien de eenheid waarover het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies moet worden berekend minder is dan een kilogram, een liter of een meter, wordt, in afwijking van het tweede lid, een hoeveelheid die dient als grondslag voor de berekening, bedoeld in het tweede lid, zodanig afgerond dat een gedeelte van 100 gram, van een deciliter of van een decimeter in aanmerking wordt genomen als 100 gram, een hele deciliter of een hele decimeter.

  • 4 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een volumepercentage ethylalcohol die dient als grondslag voor die berekening, naar beneden afgerond op tiende percent absolute ethylalcohol.

Artikel 8:4

Indien de hoeveelheid van de goederen kleiner is dan de hoeveelheid waarin het douanetarief is uitgedrukt, wordt het bedrag aan rechten naar evenredigheid berekend.

Artikel 8:5

  • 1 Het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen, retributies, renten, interesten of kosten van ambtelijke werkzaamheden wordt rekenkundig afgerond op centen.

  • 2 Indien de berekening van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van een aangifte, wordt elk onderdeel van de aangifte overeenkomstig het eerste lid afgerond.

Artikel 8:6 [Vervallen per 01-05-2016]

Artikel 8:7

  • 1 Voor de berekening van de in rekening te brengen rente op achterstallen zoals bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

    Bijlage 257098.png
  • 2 In de formule wordt met A het aantal dagen aangegeven waarover rente op achterstallen is verschuldigd en met P de onderscheiden rentepercentages welke over de verschillende periodes zijn verschuldigd.

Hoofdstuk 9. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer

Artikel 9:1

  • 1 Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verleend in de gevallen waarin bij of krachtens het Douanewetboek van de Unie aanspraak op terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan.

  • 2 De door het Comité genomen beschikking, bedoeld in artikel 116, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie en de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding voor zover het tevens betrekking heeft op accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

Hoofdstuk 10. Bestuurlijke boeten

Artikel 10:1

  • 1 Het drukken van formulieren van certificaten inzake goederenverkeer zonder een vergunning van de Minister van Financiën en het drukken van certificaten van oorsprong zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vormen verzuimen ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:2

Het opstellen van een leveranciersverklaring of een verklaring omtrent de preferentiële oorsprong op de factuur of op een ander handelsbescheid op basis van onvolledige of onjuiste gegevens of zonder dat het bewijs daarvoor in de administratie aanwezig is vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:3

Indien wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke opslag wordt aangebracht zonder goedkeuring van de inspecteur, vormt dit een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:4

Het achterwege laten van:

vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:5

De in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, en 10:4 genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel 9:6a van de wet, bij ministeriële regeling gewijzigd.

Hoofdstuk 11. Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 11:1

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, of handelingen verricht, welke leiden of kunnen leiden tot een onjuiste terugbetaling van rechten bij invoer, of kwijtschelding van rechten bij invoer, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:2

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, waardoor ten onrechte een vrijstelling wordt genoten of zou kunnen worden genoten, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:3

Degene die een der in deze regeling omschreven verboden overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:4

Hij die geen bijstand verleent of niet alle nodige bescheiden en inlichtingen verstrekt binnen de eventueel vastgestelde termijn zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:5

Hij die zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming:

  • a. goederen lost, laadt, overlaadt, inslaat of uitslaat;

  • b. goederen als bedoeld in artikel 2:4 verder landinwaarts brengt dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd; of

  • c. een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen luchtvaartuig laat vertrekken van de haven of de internationale luchthaven, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid;

maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:6

Hij die in strijd met wettelijke bepalingen verandering brengt in de staat waarin goederen als bedoeld in artikel 134 of artikel 158, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:7

Hij die in strijd met de wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte zoals bedoeld in artikel 167, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie achterwege laat of niet tijdig doet, pleegt een strafbaar feit.

Hoofdstuk 12. Algemene bepalingen van strafvordering

Artikel 12:1

  • 1 Van de inbeslagneming van goederen, ter zake van het begaan van bij wettelijke bepalingen strafbaar gesteld feiten door onbekende personen, wordt mededeling gedaan in één of meer door de inspecteur aan te wijzen dag- of nieuwsbladen, met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking.

  • 2 Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, wordt, in afwijking van het eerste lid, van de inbeslagneming op door inspecteur te bepalen wijze, naar plaatselijk gebruik, in het openbaar mededeling gedaan.

  • 3 De vorige leden vinden overeenkomstige toepassing bij de inbeslagneming op onbekende personen van vervoermiddelen en voorwerpen, bedoeld in artikel 1:37, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat tevens de gronden tot die inbeslagneming worden vermeld.

Artikel 12:2

Onder de voorwaarden voor het vrijgeven van goederen welke ter zake van het begaan van bij wettelijke bepalingen strafbaar gestelde feiten in beslag zijn genomen, wordt ten minste gesteld dat ten kantore van een door de inspecteur aangewezen ontvanger zekerheid wordt gesteld tot verzekering van de uitlevering van de goederen of de voldoening van de waarde daarvan.

Artikel 12:3

  • 2 De verkoop van de in bewaring genomen goederen vindt niet eerder plaats dan nadat aan het voornemen daartoe in de een of meerdere, door de inspecteur aan te wijzen, dag- of nieuwsbladen bekendheid is gegeven.

  • 3 Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, vindt, in afwijking van het tweede lid, de verkoop plaats nadat van het voornemen op door de inspecteur te bepalen wijze in het openbaar kenbaarheid is gegeven.

  • 4 De verkoop van de in bewaring genomen goederen geschiedt in het openbaar en volgens plaatselijke gebruiken.

  • 5 In afwijking van het bepaalde in de vorige leden, kan de verkoop met volmacht van de inspecteur onderhands geschieden indien het vermoeden bestaat dat uit de opbrengst van de goederen de aan een openbare verkoop verbonden kosten niet kunnen worden bestreden of indien het de verkoop van in het derde lid bedoelde goederen betreft.

Hoofdstuk 12a. Overgangsrecht [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 12a:1 [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 12a:2 [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 12a:3 [Vervallen per 01-01-2015]

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 13:1

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene douaneregeling

Artikel 13:2

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 14 juli 2008

De

Staatssecretaris

van Financiën,

J.C. de Jager

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

De

Staatssecretaris

van Economische Zaken,

F. Heemskerk

Bijlage I

Plaatsen van vestiging van douanekantoren als bedoeld in artikel 159, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie en artikel 1:3 van de Algemene douaneregeling.

Maastricht-Aachen Airport

Brunssum (Afnorth)

Duiven

Groningen Airport Eelde

Eemshaven

Eindhoven Airport

Moerdijk

De Lutte

Rotterdam

Rotterdam The Hague Airport

Schiphol

Venlo

Vlissingen

Amsterdam

Groningen

Bijlage II

Vaarwaters voor binnenkomst (artikel 2:1 Algemene douaneregeling) onderscheidenlijk voor uitgang (artikel 6:3 Algemene douaneregeling)

Als vaarwaters voor uit zee binnenkomende onderscheidenlijk naar zee uitgaande schepen worden aangewezen de grootscheepse vaarwaters van de Noordzee vice versa:

  • 1. via de Eems naar Delfzijl;

  • 2. via het zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog naar Lauwersoog;

  • 3. via het zeegat tussen Vlieland en Terschelling naar Oost-Vlieland of West-Terschelling;

  • 4. via het zeegat tussen Vlieland en Terschelling, dan wel via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel, naar Harlingen;

  • 5. via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel naar Texel en Den Helder;

  • 6. via het Noordzeekanaal naar Amsterdam, Beverwijk, Velsen, IJmuiden of naar Zaandam;

  • 7. naar de Scheveningse haven;

  • 8.

    • a. via de Maasmond en de Nieuwe Waterweg dan wel via de Maasmond en het Calandkanaal naar Rotterdam;

    • b. via de Maasmond en de Nieuwe Waterweg naar Dordrecht of Zwijndrecht;

    • c. via de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Oude Maas, de Dordtse Kil en het Hollands Diep naar Moerdijk;

  • 9. via de Westerschelde naar Breskens, Hansweert, Terneuzen of Vlissingen;

  • 10. via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel naar Oudeschild;

  • 11. naar de haven van Stellendam;

  • 12. naar de Roompotsluis.

Bijlage III

Douanekantoren als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene douaneregeling en douanekantoren van uitgang als bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, van de Algemene douaneregeling

  • 1. In de volgende plaatsen zijn douanekantoren gevestigd voor het aanbrengen en aangeven van uit zee binnengebrachte goederen, onderscheidenlijk voor goederen die over zee zullen uitgaan:

    • * Eemshaven:

      – voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Delfzijl, Eemshaven, Lauwersoog, Oost-Vlieland, West-Terschelling, Oudeschild en Harlingen;

    • * Moerdijk:

      – voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Dordrecht en Moerdijk;

    • * Ritthem:

      – voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Breskens, Hansweert, Stellendam, Terneuzen, Veere-Roompotsluis en Vlissingen;

    • * Amsterdam:

      – voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Amsterdam, Beverwijk, Den Helder, Den Oever, Scheveningen, IJmuiden, Velsen-Noord en Zaandam;

    • * Rotterdam:

      • voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat, Hoek van Holland, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht;

  • 2. In de havens van Den Oever, Lauwersoog Oost-Vlieland, West-Terschelling, Oudeschild, Stellendam en Veere (Roompotsluis) mogen slechts schepen worden aangebracht bij het desbetreffende douanekantoor met goederen die mondeling dan wel door enige andere handeling kunnen worden aangegeven. De totale waarde van de door een persoon meegevoerde goederen die mondeling kunnen worden aangegeven mag in dit geval niet hoger zijn dan € 1000.

Bijlage IV

Internationale luchthavens als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling, douanekantoren als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling, alsmede douanekantoren van uitgang als bedoeld in artikel 6:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling

  • 1. In de volgende plaatsen zijn ten behoeve van de genoemde internationale luchthavens douanekantoren gevestigd voor het aanbrengen en aangeven op de van door de lucht binnengebrachte goederen, onderscheidenlijk voor goederen die door de lucht zullen uitgaan:

    • * Duiven:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Hilversum, Lelystad Airport en Teuge;

    • * De Lutte:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Enschede Airport Twente;

    • * Groningen Airport Eelde:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Groningen Airport Eelde, Leeuwarden en Texel;

    • * Maastricht-Aachen Airport:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Maastricht-Aachen Airport;

    • * Moerdijk:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Gilze-Rijen, Seppe en Woensdrecht;

    • * Ritthem:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Zeeland Airport;

    • * Eindhoven Airport:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Volkel, Kempen Airport en Eindhoven Airport;

    • * Rotterdam The Hague Airport:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Rotterdam The Hague Airport.

    • * Schiphol:

      – voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Den Helder Airport en Amsterdam Airport Schiphol.

  • 2. de aanwijzing van Gilze-Rijen, Woensdrecht en Volkel geldt slechts voor militaire luchtvaartuigen.

  • 3. de aanwijzing van Eindhoven en Leeuwarden geldt slechts voor militaire luchtvaartuigen alsmede burgerluchtvaartuigen waarvoor de Minister van Defensie toestemming heeft gegeven tot gebruik van de luchthaven.

  • 4. de aanwijzing van Hilversum, Zeeland Airport, Seppe, Teuge en Texel geldt slechts voor goederen welke mondeling dan wel door enige andere handeling kunnen worden aangegeven. De totale waarde van de door een persoon meegevoerde goederen die mondeling kunnen worden aangegeven mag in dit geval niet hoger zijn dan € 1000.

Bijlage V

Plaatsen waar schepen en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht

De plaatsen, bedoeld in artikel 2:1, vierde lid, van de Algemene douaneregeling, zijn:

  • Eemshaven rede en Oterdum rede;

  • Ankerplaatsen Den Helder A t/m Q (Adm. chart 1546);

  • IJmuiden deep draft area en recommended anchor area;

  • Ankerplaats Scheveningen;

  • Deepdraft 1 en 2;

  • Maas outer 3 – Maas West 4 en Maas Noord 5;

  • Wielingen-Noord bewesten de W8;

  • Wielingen-Zuid beoosten de W8;

  • Wielingen-Zuid bewesten het haventje van Nieuwe Sluis;

  • Rede van Vlissingen incl. oostelijk deel Springergeul, Merlemon, Everingen A t/m E;

  • Put van Terneuzen A t/m C.

Bijlage VI

Toelichting Enig document

Inleiding

In artikel 6, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) is bepaald dat alle communicatie tussen de douane en marktdeelnemers elektronisch gebeurt. Dit geldt ook voor het indienen van een douaneaangifte voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling of tot wederuitvoer.

Indien een douaneaangifte voor het plaatsen van goederen onder een douaneregeling schriftelijk wordt gedaan, is in artikel 15 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie bepaald dat de in de bijlage 9, aanhangsels B1 tot en met B6 opgenomen formulieren worden gebruikt. Dit geldt alleen voor het indienen van een douaneaangifte voor de douaneregelingen:

  • in het vrije verkeer brengen

  • douane-entrepot

  • tijdelijke invoer

  • bijzondere bestemming

  • actieve veredeling

Het indienen van een schriftelijke aangifte mag worden gedaan tot het nationale systeem voor het indienen van aangiften is ontwikkeld of is opgewaardeerd op basis van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016 tot vaststelling van het werkprogramma voor voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (PbEU 2016, L 994).

De aangiften, bij het gebruik van de schriftelijke formulieren of via elektronische communicatie, worden ingevuld volgens aanhangsels C1 (de in te vullen gegevens) en C2 (de te gebruiken codes voor de in te vullen gegevens) bij Bijlage 9 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie.

In aanhangsel C1 wordt aan de lidstaten overgelaten om bepaalde gegevenselementen al dan niet te vragen. Verder is aan de lidstaten de bevoegdheid gegeven om de Toelichting bij het Enig Document (aanhangsel C1 bij bijlage 9 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie) aan te vullen. In deze bijlage is opgenomen of het gegevenselement moet worden opgenomen in de aangifte en wordt de toelichting aangevuld. De in de aangifte te gebruiken codes volgens Aanhangsel C2 bij bijlage 9 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie en eventuele nationale codes zijn opgenomen in het Codeboek Douane beschikbaar via internetadres www.douane.nl, onderdeel ‘Douane voor bedrijven’.

Titel I. Algemene opmerkingen

A. Algemeen

Wanneer de aangifte voor een douaneregeling wordt gedaan met gebruik van geautomatiseerde systemen (AGS, Sagitta-Uitvoer en NCTS) zijn de onderstaande bepalingen betreffende de schriftelijke aangifte mutatis mutandis van toepassing.

De formulieren en aanvullende formulieren worden gebruikt:

  • a. wanneer volgens bindende EU-rechtshandelingen aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling of tot wederuitvoer moet worden gedaan;

  • b. indien nodig, tijdens de in een toetredingsakte bepaalde overgangsperiode, in het handelsverkeer tussen de Unie in haar samenstelling voor de toetreding en de nieuwe lidstaten, enerzijds, en tussen deze laatste onderling, anderzijds, voor goederen waarvoor alle douanerechten en heffingen van gelijke werking nog niet geheel zijn opgeheven of waarvoor nog andere in de toetredingsakte vastgestelde maatregelen gelden;

  • c. wanneer bindende EU-rechtshandelingen daar uitdrukkelijk in voorzien.

De aldus te gebruiken formulieren en aanvullende formulieren bestaan uit de exemplaren die nodig zijn voor het vervullen van de formaliteiten voor een of meer douaneregelingen en worden gekozen uit een set van acht exemplaren:

  • exemplaar 1 te bewaren door de autoriteiten van de lidstaat waar de formaliteiten bij uitvoer (eventueel verzending) of douanevervoer worden vervuld,

  • exemplaar 2 bestemd voor de statistiek van de lidstaat van uitvoer; dit exemplaar kan eveneens worden gebruikt voor de statistiek van de lidstaat van verzending in het geval van handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Unie met verschillende belastingstelsels,

  • exemplaar 3 bestemd voor de exporteur, na visering door de douane,

  • exemplaar 4 te bewaren door het kantoor van bestemming bij douanevervoer of te gebruiken als bewijs van de EU-status van de goederen,

  • exemplaar 5 terugzendingsexemplaar van de regeling douanevervoer,

  • exemplaar 6 te bewaren door de autoriteiten van de lidstaat waar de formaliteiten bij invoer worden vervuld,

  • exemplaar 7 bestemd voor de statistiek van de lidstaat van invoer. Dit exemplaar kan eveneens voor de statistiek van deze lidstaat worden gebruikt wanneer het gaat om handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Unie met verschillende belastingstelsels.

  • exemplaar 8 bestemd voor de geadresseerde.

Verschillende combinaties van exemplaren zijn dus mogelijk, bijvoorbeeld:

  • uitvoer, passieve veredeling of wederuitvoer: exemplaren 1, 2 en 3,

  • douanevervoer: exemplaren 1, 4 en 5,

  • douaneregelingen bij invoer: exemplaren 6, 7 en 8.

Bovendien moet in bepaalde gevallen het EU-karakter van de goederen op de plaats van bestemming worden aangetoond. In dergelijke gevallen kan het exemplaar nr. 4 als T2L document worden gebruikt.

Dit betekent dat belanghebbenden de sets kunnen laten drukken die overeenkomen met de door hen gemaakte keuze, voor zover het gebruikte formulier in overeenstemming is met het officiële model.

Iedere set moet zodanig zijn samengesteld dat wanneer voor de betrokken lidstaten eenzelfde gegeven moet worden ingevuld, dit door de exporteur of de aangever rechtstreeks op exemplaar nr. 1 wordt vermeld en als gevolg van de chemische behandeling die het papier heeft ondergaan op alle exemplaren wordt doorgeschreven. Wanneer daarentegen om een of andere reden (met name wanneer naar gelang de fase waarin de goederenbeweging zich bevindt andere gegevens moeten worden ingevuld) een gegeven niet van de ene lidstaat naar de andere dient te worden doorgegeven, mag dit gegeven uitsluitend op de betrokken exemplaren worden doorgeschreven.

Bij gebruikmaking van een systeem van geautomatiseerde aangiftebehandeling, bestaat de mogelijkheid sets te gebruiken waarvan elk exemplaar een dubbele bestemming heeft: 1/6, 2/7, 3/8 en 4/5.

In dit geval worden op elke gebruikte set de nummers van de overeenkomstige exemplaren vermeld, terwijl de niet van toepassing zijnde nummers worden doorgehaald.

Deze sets zijn zo samengesteld dat de op de verschillende exemplaren te vermelden gegevens dankzij de chemische behandeling van het papier worden doorgeschreven.

Wanneer aangiften tot plaatsing onder een douaneregeling of tot wederuitvoer of documenten waarmee het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen wordt aangetoond van goederen die niet onder de regeling intern douanevervoer worden vervoerd, met behulp van openbare of particuliere systemen voor automatische gegevensverwerking op blanco papier worden gesteld, moet aan alle vormvereisten van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie zijn voldaan, ook wat de ommezijde van het formulier betreft (voor de in het kader van de regeling douanevervoer gebruikte exemplaren), met uitzondering van:

  • de kleur van de drukinkt,

  • het gebruik van cursief gedrukte tekst,

  • de onderdruk van de vakken die betrekking hebben op douanevervoer.

De aangifte voor douanevervoer wordt in een enkel exemplaar ingediend bij het kantoor van vertrek wanneer dit kantoor de aangifte met behulp van een systeem voor de automatische gegevensverwerking (NCTS) verwerkt.

Het hier te lande vervaardigen van formulieren Enig document is slechts toegestaan onder voorwaarde dat de formulieren geheel identiek zijn aan de officiële uitgaven opgenomen in bijlage 9, aanhangsels B1 tot en met B4, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie.

Formulieren die in een andere lidstaat door de douane zijn aanvaard, worden hier te lande geaccepteerd.

Extra exemplaren van de formulieren Enig document worden gebruikt:

  • bij Uniedouanevervoer naar of via Zwitserland dient aan het Zwitserse kantoor van binnenkomst een extra exemplaar dat identiek is aan het exemplaar nr. 4 te worden afgegeven (zie artikel 12 van de overeenkomst tussen de EEG en de EVA-landen1 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer).

  • indien goederen onder een douaneregeling worden geplaatst met gebruikmaking van het formulier Enig document, dienen in de hierna omschreven gevallen één, twee of drie extra exemplaren van het formulier Enig document te worden ingediend. Daartoe is nationaal een exemplaar 0/0 ontwikkeld. De aangever kan voor het extra exemplaar echter ook een fotokopie van het formulier Enig document gebruiken. Achter de verticaal gedrukte aanduidingen van het extra exemplaar komen letters en een lettercombinatie voor. De aangever kan door omcirkeling van een letter of lettercombinatie aanduiden voor welk doel het extra exemplaar wordt ingediend.

    • Extra exemplaar (A): Wanneer een aangifte ten uitvoer of voor douanevervoer wordt gedaan, kunnen één of meer exemplaren (A) zijn vereist, ingevolge de bepalingen inzake vrijstelling of teruggaaf van rechten bij uitvoer of inzake landbouwrestitutie.

    • Extra exemplaar (W): Wanneer een aangifte voor een douaneregeling wordt gedaan waarbij een exemplaar noodzakelijk is om de goederen weg te mogen voeren, kan een extra exemplaar (W) worden ingediend.

    • Extra exemplaar (D-W): Wanneer een exemplaar van het Enig document als vervoersopdracht wordt gebruikt op grond van de Wet op de accijns of de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, kan een extra exemplaar (D-W) worden ingediend.

    • Extra exemplaar (Z): Een extra exemplaar (Z) moet worden ingediend indien het betreft goederen waarvoor in de vrijstellingsvergunning is bepaald dat een vrijstellingsregeling wordt gehouden.

B. Te vermelden gegevens

De invulling van de vakken en deelvakken wordt beheerst door de EU-matrix van bijlage 9, aanhangsel C1, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie. In de nationale matrix, die hierna is opgenomen, is de EU-matrix verwerkt en zijn eveneens de nationaal verplicht gestelde vakken opgenomen. Deze nationale matrix bepaalt voor elke douaneregeling, wederuitvoer, bewijs van de douanestatus van Uniegoederen van de goederen en tijdelijke opslag of een vak of deelvak moet of mag worden gebruikt volgens de kolommen A tot en met L.

Wanneer de formaliteiten in verband met het douanevervoer door de uitwisseling van EDI-berichten worden vervuld, geldt het bepaalde in deze bijlage behoudens andersluidende bepalingen in bijlage 9, aanhangsels C2 en C3, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie.

Voorzover van toepassing zijn daarbij ook vermeld de codes van de gevraagde regelingen als bedoeld voor het eerste deelvak van vak 37:

Opschriften van de kolommen

In het eerste deelvak van vak 37 te gebruiken codes

A: Uitvoer/verzending

10, 11, 23

B: Opslag in douane-entrepot van voor uitvoer bestemde goederen met voorfinanciering

76, 77

C: Wederuitvoer na plaatsing onder de bijzondere regeling actieve veredeling of tijdelijke invoer

31

D: Wederuitvoer na opslag in douane-entrepot

31

E: Passieve veredeling

21, 22

F: Douanevervoer

 

G: EU-karakter van de goederen

 

H: In het vrije verkeer brengen

01, 02, 07, 40 41, 42, 43, 45, 48, 49, 61, 63, 68

I: Plaatsing onder de bijzondere regeling actieve veredeling of tijdelijke invoer

51, 53, 54(a), 91, 92(a)

(a) verwijst uitsluitend naar de voorafgaande regeling.

J: publiek douane-entrepot type II of particulier douane-entrepot

71, 78

Slechts een gedeelte van de vakken wordt ingevuld, naar gelang de gevraagde douaneregeling(en).

Onverminderd de toepassing van vereenvoudigde procedures zijn de voor elke regeling in te vullen vakken in de onderstaande tabel aangegeven. De specifieke bepalingen betreffende elk vak in titel II doen geen afbreuk aan de status van de in de tabel vermelde vakken.

Verklaring van de symbolen in de vakken van de nationale matrix

X

Verplicht voor de aangever.

X*

Facultatief voor de aangever: gegevens die de aangevers vrijwillig kunnen verstrekken.

X* [1, enz.]

Facultatief voor de aangever: gegevens die de aangevers vrijwillig kunnen verstrekken, tenzij voetnoot van toepassing is dan voetnoot verplicht volgen.

Opgemerkt zij dat indien een vak verplicht is voor de aangever (X), dit geen afbreuk doet aan het feit dat de opgave van bepaalde gegevens, wegens hun aard, enkel wordt verlangd wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt bijvoorbeeld de opgave van de bijzondere maatstaf in vak 41 enkel verlangd wanneer Taric daarin voorziet.

Nationale matrix

Vak nr.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

1 1

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

X

1 2

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

X

1 3

         

X

X

         

2

X 25

X 25

X 25

X 25

X 25

 

X 25

         

2 (No)

X27

X27

X27

X27

X27

 

X27

         

3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

X 2, 3

4

           

X

       

X

5

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

6

         

X 4

           

7

X*

X*

X*

X*

X*

X 5

 

X*

X*

X*

X*

X*

8

X 1, 28

X

     

X 6

 

X 25

X 25

X 25

X 25

 

8 (No)

         

X 27

 

X27

X27

X27

X27

 

14

X 25

X 25

X 25

X 25

X 25

 

X 25

X 25

X 25

X 25

X 25

X 25

14 (No)

X27

X27

X27

X27

X27

 

X27

X27

X27

X27

X27

X27

15

         

X 2

           

15a

X

X

X

X

X

X 5

 

X

X

X

X

 

17

         

X 2

           

17a

X

X

X

X

X

X 5

 

X

X

     

18 (Identiteit)

X 17

 

X 7

 

X 7

X 7

 

X 7

X 7

   

X

18 (Nationaliteit)

         

X 8

           

19

X

X

X

X

X

X 4

 

X

X

X

X

X

20

X 10

 

X 10

 

X 10

   

X 10

X 10

 

X 10

 

21(Identiteit)

X 1

       

X 8

           

21 (Nationaliteit)

X 8

 

X 8

 

X 8

X 8

 

X 8

X 8

     

22

(Valuta)

X

 

X

 

X

   

X

X

     

22 (Bedrag)

X

 

X

 

X

   

X*

X*

     

23

             

X 11, 26

X 11, 26

     

24

X

 

X

 

X

   

X

X

     

25

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

26

X 12

X 12

X 12

X 12

X 12

   

X 13

X 13

   

X

27

         

X

           

29

X

X

X

X

X

             

30

X

X

X

X

X

X 14

 

X

X

X

X

X

31

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

32

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

X 3

33 1

X

X

X

X

X

X 16

X 17

X

X

X

X

 

33 2

             

X

X

X

X

 

33 3

X

X

         

X

X

X

X

 

33 4

X

X

         

X

X

X

X

 

33 5

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

 

34a

X*1

X

X*

X*

X*

   

X

X

X

X

 

35

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

36

             

X

X 17

     

37 1

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

 

37 2

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

 

38

X

X

X

X

X

X 17

X 17

X

X

X

X

 

39

             

X

X

     

40

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

41

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

 

42

             

X

X

 

X

 

43

             

X 26

X 26

 

X 26

 

44

X

X

X

X

X

X 4

X

X

X

X

X

X

45

             

X 26

X 26

 

X 26

 

46

X

X

X

X

X

   

X

X

X

X

 

47 (Type)

             

X

X

 

X

 

47 (Maatstaf heffing)

             

X

X

 

X

 

47 (Heffingsvoet)

             

X

X

     

47 (Bedrag)

             

X

X

     

47 (WB)

             

X

X

     

47 (Totaal)

             

X

X

     

49

X 23, 24

X

X 23

X

X 23

   

X 23

X 23

X

X

 

50

X*

 

X*

 

X*

X

           

51

         

X 4

           

52

         

X

           

53

         

X

           

54

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

55

         

X

           

56

         

X

           

Voetnoten

1 Dit gegeven is verplicht voor landbouwproducten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen.

2 Dit gegeven mag enkel in het kader van niet-geautomatiseerde procedures worden gevraagd.

3 Wanneer de aangifte slechts op één enkel artikel betrekking heeft wordt dit vak niet ingevuld.

4 Dit vak is verplicht voor het NCTS (nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer) overeenkomstig het bepaalde in bijlage 9, aanhangsel C1, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie.

5 Dit gegeven mag enkel in het kader van geautomatiseerde procedures worden gevraagd.

6 Dit vak behoeft niet te worden ingevuld wanneer de geadresseerde noch in de EU, noch in een EVA-land gevestigd is.

7 Niet gebruiken in geval van verzending met de post of door vaste installaties.

8 Niet gebruiken bij verzending met de post, door vaste installaties of per spoor.

9 Niet van toepassing in NL.

10 Het 3e deelvak niet invullen.

11 Dit gegeven uitsluitend invullen in gevallen waarbij een uitzondering wordt gemaakt op de in titel V, hoofdstuk 6, neergelegde regels inzake de maandelijkse vaststelling van de wisselkoersen.

12 Dit vak wordt niet ingevuld wanneer de uitvoerformaliteiten op de plaats van uitgang uit de Unie worden vervuld.

13 Dit vak wordt niet ingevuld wanneer de invoerformaliteiten op de plaats van binnenkomst in de Unie worden vervuld.

14 Dit vak kan in het kader van het NCTS-systeem worden gebruikt volgens de bepalingen van bijlage 9, aanhangsel C1, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie.

15 [Red: Vervallen.]

16 Dit deelvak moet worden ingevuld:

– wanneer de aangifte voor douanevervoer door dezelfde persoon wordt opgesteld samen met of volgend op een douaneaangifte waarop de goederencode is vermeld, of

–wanneer de bindende EU-rechtshandelingen daarin voorzien.

17 Enkel in te vullen wanneer de bindende EU-rechtshandelingen daarin voorzien.

18 Niet van toepassing in NL.

19 Niet van toepassing in NL.

20 Niet van toepassing in NL.

21 Niet van toepassing in NL.

22 Niet van toepassing in NL.

23 Dit vak moet worden ingevuld wanneer de aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling ten doel heeft het stelsel van douane-entrepots aan te zuiveren.

24 Dit vak moet worden ingevuld bij inslag in een Bevoorradingsdepot

25 Indien een aangifte via geautomatiseerde wijze wordt aangeleverd is de vermelding van de naam, adres, woonplaats gegevens uitsluitend toegestaan indien geen identificatienummer is vermeld.

26 Alleen van toepassing bij de aanvullende aangifte in het kader van de vereenvoudigde procedures als bedoeld in artikel 182 van het DWU.

27 Het betreft hier het EORI-nummer dat door de bevoegde autoriteit is afgegeven. Aan personen die incidenteel aangifte doen (zoals bijvoorbeeld particulieren) wordt in beginsel geen EORI-nummer verstrekt. In dat geval kan worden volstaan met vermelding van uitsluitend NAW-gegevens. Eventueel mag het aan deze persoon verstrekte BSN-nummer worden vermeld, voorafgegaan door ‘NL’.

28 Dit gegeven is verplicht wanneer in de uitvoeraangifte ook de veiligheidsgegevens van bijlage 9, aanhangsel A, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie moeten worden opgenomen.

C. Gebruiksaanwijzing van het formulier

Wanneer de gebruikte set minstens één exemplaar bevat dat in een andere lidstaat zal worden gebruikt, dienen de formulieren met de schrijfmachine of door middel van een mechanografisch of soortgelijk procédé te worden ingevuld. Ter vereenvoudiging van het invullen met de schrijfmachine, moet het formulier zo worden ingevoerd dat de eerste letter van het in vak 2 in te vullen gegeven in het daarvoor bestemde positievakje in de linkerbovenhoek komt te staan.

Wanneer alle exemplaren van de gebruikte set bestemd zijn om in dezelfde lidstaat te worden gebruikt, mogen zij, voor zover deze lidstaat dit toestaat, eveneens op duidelijk leesbare wijze met de hand, met inkt en in blokletters worden ingevuld. Dit geldt eveneens voor de gegevens die worden vermeld op de exemplaren die bij de toepassing van de regeling douanevervoer worden gebruikt.

In de formulieren mogen geen raderingen noch overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van de onjuiste gegevens en, in voorkomend geval, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging dient te worden goedgekeurd door degene die deze heeft aangebracht en moet uitdrukkelijk door de bevoegde autoriteiten worden geviseerd. Deze kunnen eisen dat een nieuwe aangifte wordt ingediend.

Voorts is het toegestaan dat de formulieren met behulp van een reproductietechniek, in plaats van met de bovenomschreven technieken, worden ingevuld. Zij mogen eveneens met behulp van een reproductietechniek worden vervaardigd en ingevuld, mits aan de vereisten inzake model en afmetingen, te gebruiken taal, leesbaarheid en aanbrengen van wijzigingen wordt voldaan en het verbod inzake raderingen en overschrijvingen in acht wordt genomen.

Slechts de genummerde vakken worden, indien van toepassing, door de belanghebbenden ingevuld, alsmede vak A. De overige met een hoofdletter aangeduide vakken zijn uitsluitend voor intern gebruik door de administraties bestemd.

Op de exemplaren die bij het kantoor van uitvoer (of eventueel van verzending) of van vertrek blijven, moet de originele handtekening van de belanghebbende voorkomen.

Door het indienen van een door hem ondertekende aangifte bij een douanekantoor geeft de aangever of zijn vertegenwoordiger de wens te kennen de goederen voor de gevraagde regeling aan te geven. Onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen verbindt hij zich hierdoor ten aanzien van:

  • de juistheid van de in de aangifte voorkomende gegevens,

  • de echtheid van de bijgevoegde documenten, en

  • de naleving van alle verplichtingen in verband met de plaatsing van de betrokken goederen onder de gevraagde regeling.

Bij douanevervoer bindt de handtekening van de aangever of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde vertegenwoordiger hem ter zake van alle elementen in verband met het douanevervoer die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen inzake douanevervoer die in de wetgeving zijn vervat en zoals hiervoor onder B zijn omschreven.

Bij het vervullen van de formaliteiten van de regeling douanevervoer en ter bestemming heeft de betrokkene er belang bij de inhoud van zijn aangifte te controleren alvorens deze te ondertekenen en bij het douanekantoor in te dienen. Indien de reeds op het formulier voorkomende gegevens niet met de aan te geven goederen overeenstemmen, dient hij dit onmiddellijk aan de douane mede te delen. In dit geval wordt op nieuwe formulieren een nieuwe aangifte opgesteld.

Behoudens het bepaalde in titel III mag in een vak dat niet behoeft te worden ingevuld, geen enkele vermelding of teken voorkomen.

Titel II. Aanwijzingen voor het invullen van de vakken

De in de vakken te vermelden EU- en nationale codes zijn opgenomen in het codeboek Douane, beschikbaar via Internetadres http://www.douane.nl. Eventuele toelichtingen op het gebruik van de codes zijn door middel van een noot bij het betreffende vak opgenomen in deel D van Titel II.

Deel A. Formaliteiten bij uitvoer/verzending, opslag in douane-entrepot met voorfinanciering met het oog op uitvoer, wederuitvoer, passieve veredeling, douanevervoer en/of in verband met het bewijs van het EU-karakter van goederen

Vak A. Kantoor van Verzending/Uitvoer

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld indien het formulier uitsluitend wordt gebruikt bij douanevervoer.

Een aangever aan wie door de douane een EORI-nummer op basis van artikel 9 van het DWU is toegekend, dient in dit vak de aangifte-identificatie te vermelden. Deze bestaat uit drie bestanddelen:

  • het EORI-nummer;

  • de laatste twee cijfers van het lopende kalenderjaar.

  • het aangiftevolgnummer, dit is een uniek nummer bestaande uit ten hoogste acht cijfers naar eigen keuze van de aangever. Het mag niet hetzelfde zijn als een nummer dat eerder in hetzelfde jaar door dezelfde aangever aan een aangifte is toegekend. Het nummer van een buiten werking gestelde aangifte mag niet opnieuw worden gebruikt.

De drie bestanddelen dienen in bovenstaande volgorde te worden vermeld op één regel onderling van elkaar gescheiden door spaties of in drie regels onder elkaar.

Een aangever aan wie geen EORI-nummer is toegekend, vermeldt niets in dit vak.

Vak 1: Aangifte

In het eerste deelvak het aangiftesymbool vermelden volgensde desbetreffende EU-code (zie codeboek Douane, onderdeel uitvoer, tabel A03).

In het tweede deelvak het type aangifte vermelden volgens de desbetreffende EU-code (zie codeboek Douane, onderdeel uitvoer, tabel A04).

In het derde deelvak de desbetreffende EU-code vermelden (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel 031).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 2: Afzender/exporteur

Bij ‘Nr.’ het EORI-nummer vermelden dat door de douane aan de afzender/exporteur is toegekend op basis van artikel 9 van het DWU. Indien de afzender/exporteur niet over een EORI-nummer beschikt, de naam en voornaam of de handelsnaam en het adres van de belanghebbende vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen.

Bij groepagezendingen wordt in dit vak het woord ‘diverse’ vermeld, gevolgd door de desbetreffende EU-code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Douane, onderdeel uitvoer, tabel A12). Tevens wordt de lijst van afzenders/exporteurs bij de aangifte gevoegd.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 3: Formulieren

Het volgnummer van de set in het totale aantal gebruikte sets (formulieren en aanvullende formulieren samen) vermelden. Bijvoorbeeld: wanneer één EX-formulier en twee EX/c-formulieren worden ingediend, op het EX-formulier 1/3, op het eerste EX/c-formulier 2/3 en op het tweede EX/c-formulier 3/3 invullen.

Wanneer voor de aangifte twee sets van vier exemplaren in plaats van één set van acht exemplaren worden gebruikt, worden deze geacht, wat het aantal formulieren betreft, slechts één set te vormen.

Vak 4: Ladingslijsten

In cijfers het aantal eventueel bijgevoegde ladingslijsten of door de bevoegde autoriteiten toegelaten lijsten van commerciële aard vermelden waarin de goederen zijn omschreven.

Vak 5: Artikelen

In cijfers het totale aantal artikelen vermelden dat door de belanghebbende met alle gebruikte formulieren en aanvullende formulieren (of ladingslijsten of lijsten van commerciële aard) wordt aangegeven. Het aantal artikelen stemt overeen met het aantal vakken 31 dat moet worden ingevuld.

Vak 6: Totaal colli

In cijfers het totale aantal colli vermelden waaruit de zending is samengesteld.

Vak 7: Referentienummer

Dit is het commerciële referentienummer dat door belanghebbende aan de betrokken zending is toegekend. Naar keuze in te vullen door belanghebbende.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de referentie, zie deel D van Titel II.)

Vak 8: Geadresseerde

Naam en voornaam of handelsnaam en adres vermelden van de persoon of personen bij wie de goederen zullen worden afgeleverd.

Bij ‘Nr.’ het EORI-nummer vermelden dat door de douane aan de geadresseerde is toegekend op basis van artikel 9 van het DWU. Indien de geadresseerde niet over een EORI-nummer beschikt kan de douane hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen.

Bij groepagezendingen wordt in dit vak het woord ‘diverse’ vermeld, gevolgd door de betreffende EU-code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Douane, onderdeel uitvoer, tabel A12). Tevens wordt de lijst van geadresseerden bij de aangifte gevoegd.

Vak 14: Aangever/vertegenwoordiger

Voorafgaand aan de naam van de aangever/vertegenwoordiger moet de code van diens status worden vermeld (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A81).

Indien de aangever tevens de exporteur is, de tekst ‘exporteur’ vermelden, alsmede de desbetreffende EU-code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Douane, onderdeel uitvoer, tabel A12).

Aangifte op eigen naam en voor eigen rekening:

Bij ‘Nr.’ het EORI-nummer vermelden dat door de douane is toegekend op basis van artikel 9 van het DWU. Indien de aangever niet over een EORI-nummer beschikt de naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de aangever vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen.

Aangifte op basis van directe vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het DWU:

Bij ‘Nr.’ het EORI-nummer vermelden dat door de douane is toegekend op basis van artikel 9 van het DWU. Indien de vertegenwoordiger niet over een EORI-nummer beschikt de naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordiger vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen.

Tevens het EORI-nummer van de vertegenwoordigde vermelden. Indien de vertegenwoordigde niet over een EORI-nummer beschikt de naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordigde vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen. In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte kunnen de gegevens van de vertegenwoordigde worden vermeld in vak 9.

Aangifte op basis van indirecte vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het DWU:

Bij ‘Nr.’ het EORI-nummer vermelden dat door de douane is toegekend op basis van artikel 9 van het DWU. Indien de vertegenwoordiger niet over een EORI-nummer beschikt de naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordiger vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen.

Tevens het EORI-nummer van de vertegenwoordigde vermelden. Indien de vertegenwoordigde niet over een EORI-nummer beschikt de naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordigde vermelden. De douane kan hem voor de betrokken aangifte een nummer toekennen. In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte kunnen de gegevens van de vertegenwoordigde worden vermeld in vak 9.

Vak 15: Land van verzending/uitvoer

Ten behoeve van de formaliteiten bij uitvoer wordt onder ‘werkelijke lidstaat van uitvoer’ verstaan de lidstaat waaruit de goederen aanvankelijk met het oog op de uitvoer werden verzonden wanneer de exporteur niet in de lidstaat van uitvoer is gevestigd. De lidstaat van uitvoer is identiek aan de werkelijke lidstaat van uitvoer wanneer geen enkele andere lidstaat bij de transactie is betrokken.

Bij douanevervoer in vak 15 de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden vermelden.

In vak 15a volgens de desbetreffende EU-code de lidstaat vermelden waaruit de goederen worden uitgevoerd/verzonden (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 17: Land van bestemming

Bij douanevervoer in vak 17 het land van bestemming vermelden waarnaar de goederen worden gezonden.

In vak 17a de betreffende EU-code vermelden van het laatste land van bestemming dat op het tijdstip van uitvoer bekend is waarnaar de goederen dienen te worden uitgevoerd (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel S01).

Vak 18: Identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel bij vertrek

De identiteit vermelden van het voertuig waarin de goederen rechtstreeks zijn geladen op het tijdstip waarop de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer worden vervuld, gevolgd door de nationaliteit volgens de desbetreffende EU-code van het vervoermiddel (of van het vervoermiddel waarmee het geheel wordt voortbewogen indien er meerdere vervoermiddelen zijn). Wanneer een trekker en een aanhangwagen verschillende registratienummers hebben, zowel het registratienummer van de trekker als dat van de aanhangwagen en de nationaliteit van de trekker vermelden (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Naargelang het gebruikte vervoermiddel worden ter identificatie de volgende vermeldingen aangebracht:

Vervoermiddel

Wijze van identificatie

Vervoer over zee en per binnenschip

Naam van het vaartuig

Vervoer door de lucht

Nummer en datum van de vlucht (indien er geen vluchtnummer is het registratienummer van het luchtvaartuig vermelden)

Vervoer over de weg

Kentekenplaat van het voertuig

Vervoer per spoor

Nummer van de wagon

Vak 19: Container (Ctr)

Volgens de desbetreffende EU-code de voorziene situatie bij het overschrijden van de buitengrens van de Unie vermelden zoals deze bekend is op het tijdstip waarop de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer worden vervuld.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 20: Leveringsvoorwaarden

Door middel van de desbetreffende EU-codes de relevante clausules van het handelscontract opgeven, alsmede de plaatsnaam c.q. de contractvoorwaarde (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A14).

Vak 21: Identiteit en nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

Volgens de desbetreffende EU-code de nationaliteit vermelden van het actieve vervoermiddel waarmee de buitengrens van de Unie wordt overschreden, zoals deze bij het vervullen van de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer bekend is (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Bij gecombineerd vervoer of wanneer het vervoer met meer dan een vervoermiddel geschiedt, is het voertuig dat het geheel voortbeweegt het actieve vervoermiddel. Bijvoorbeeld, bij vrachtwagen op schip is het schip het actieve vervoermiddel, bij trekker en aanhangwagen is dit de trekker.

Naargelang het vervoermiddel, worden wat de identiteit betreft, de volgende vermeldingen aangebracht:

Vervoermiddel

Wijze van identificatie

Vervoer over zee en per binnenschip

Naam van het vaartuig

Vervoer door de lucht

Nummer en datum van de vlucht (indien er geen vluchtnummer is het registratienummer van het luchtvaartuig vermelden)

Vervoer over de weg

Kentekenplaat van het voertuig

Vervoer per spoor

Nummer van de wagon

Vak 22: Valuta en totaal gefactureerd bedrag

In het eerste deelvak, volgens de desbetreffende EU-code de valuta van de factuur vermelden (zie codeboek Douane, onderdeel Algemeen, tabel S10).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

In het tweede deelvak het gefactureerde bedrag vermelden voor alle aangegeven goederen.

Vak 24: Aard van de transactie

In het eerste deelvak, door middel van de desbetreffende EU-codes en indeling de gegevens vermelden waaruit blijkt om welk type contract het in dit geval gaat (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A22)

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Het tweede deelvak behoeft niet te worden ingevuld.

Vak 25: Vervoerwijze aan de grens

Volgens de desbetreffende EU-code de wijze van vervoer vermelden die overeenstemt met het actieve vervoermiddel waarop of waarin de goederen het douanegebied van de Unie naar verwachting zullen verlaten (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A27).

Vak 26: Binnenlandse vervoerwijze

Volgens de desbetreffende EU-code de wijze van vervoer bij vertrek vermelden (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A27). (Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 27: Plaats van lading

In dit vak wordt de plaats, zoals bekend bij het vervullen van de formaliteiten voor douanevervoer, vermeld waar de goederen worden geladen op of in het actieve vervoermiddel waarmee zij de grens van de Unie zullen overschrijden.

Vak 29: Kantoor van uitgang

Volgens de desbetreffende EU-code het douanekantoor vermelden via hetwelk de goederen het douanegebied van de Unie vermoedelijk zullen verlaten (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel S20).

(voor toelichting gebruik code, zie deel D van Titel II.)

Vak 30: Plaats waar de goederen zich bevinden

Een nauwkeurige vermelding van de plaats, bestaande uit de postcode aangevuld met huisnummer, waar de goederen kunnen worden onderzocht.

Vak 31: Colli en omschrijving van de goederen; merken en nummers – containernummer(s) – aantal en soort

1. In dit vak de merken en nummers, het aantal en de soort van de colli vermelden, of voor onverpakte goederen het aantal voorwerpen, evenals de voor de identificatie van de goederen vereiste gegevens. Als omschrijving van de goederen kan met de gebruikelijke handelsbenaming worden volstaan. Wanneer vak 33 ‘goederencode’ moet worden ingevuld, moet deze handelsbenaming dermate duidelijk zijn dat de goederen aan de hand daarvan kunnen worden ingedeeld. In dit vak worden eveneens de bij bijzondere voorschriften vereiste gegevens vermeld (bijvoorbeeld inzake accijns, omzetbelasting, landbouw enz.). De aard van de colli wordt volgens de desbetreffende EU-code vermeld (zie codeboek Douane, onderdeel algemeen, tabel A25).

Indien de goederen die in dit vak worden omschreven een gedeelte vormen van de inhoud van één collo, dient te worden vermeld: deel van collo nr. .... (in te vullen het nummer van het collo of, als het geen nummer heeft, de identiteitsgegevens). Deze vermelding laat onverlet de verplichting om merk, nummer, aantal en soort van het collo te vermelden.

Indien containers worden gebr