Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008

Geldend van 01-09-2014 t/m heden

Besluit van 3 juli 2008, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de verloskundige (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 april 2008, MEVA/BO-2839188;

Gelet op de artikelen 30 en 31 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

De Raad van State gehoord (advies van 8 mei 2008, no. W13.08.0119/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2008, MEVA/BO-2851158;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsbepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

§ 2. Titel

Artikel 2

Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van verloskundigen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding tot verloskundige die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, genoemd in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en die voldoet aan de artikelen 3 en 4.

§ 3. Opleiding

Artikel 3

  • 1 Een opleiding als bedoeld in artikel 2 heeft een studielast van 240 studiepunten en omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de verloskundige die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5:

    • a. stellen van een diagnose gebaseerd op anamnese en onderzoek;

    • b. opstellen van een behandelplan gebaseerd op risicoselectie en beleid;

    • c. verloskundige zorgverlening;

    • d. evaluatie van het zorgproces;

    • e. preventie en voorlichting;

    • f. professionele ontwikkeling;

    • g. ontwikkeling van de beroepsgroep;

    • h. verantwoording van verloskundige zorg;

    • i. beroepsgeoriënteerd wetenschappelijk onderzoek;

    • j. functioneren in relatie tot de andere bij de verloskundige zorgverlening betrokken beroepsbeoefenaren;

    • k. praktijkvoering en ondernemerschap;

    • l. kwaliteit van zorg.

  • 2 Het praktische onderwijs omvat naast vaardigheidsonderwijs in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5, onder toezicht van een verloskundige.

  • 3 De stages vinden gespreid over de gehele opleiding plaats en hebben een omvang van in totaal ten minste 100 studiepunten, waarvan ten minste 60 studiepunten worden besteed aan stages in de zelfstandige verloskundige praktijk en de resterende 40 studiepunten flexibel zijn te verdelen over de overige relevante sectoren.

  • 4 De stages zijn eerst afgerond indien op de volgende gebieden van zorg ten minste de daarbij genoemde verrichtingen zijn uitgevoerd:

    • a. prenatale zorg:

      • inschrijving, anamnese en onderzoek: 50 cliënten;

      • zwangerschapscontroles: 300 fysiologische zwangerschappen en 150 pathologische zwangerschappen;

    • b. natale zorg:

      • begeleiden en eigenhandig verrichten van partus: in totaal 60, waarvan ten minste 30 fysiologisch gestarte partus in de zelfstandige verloskundige praktijk alsmede 8 voltooide thuisbevallingen;

      • actieve deelname bij zowel een partus in het geval van een stuitligging als een partus in het geval van een gemelli;

      • het zetten en hechten van 5 episiotomieën;

      • het hechten van 5 perineum rupturen;

      • algemeen onderzoek van 40 neonatus;

    • c. postnatale zorg:

      • kraambedcontrole: 120 visites ten behoeve van moeder en kind;

      • evaluatie van zorg: 30 onderzoeken, waarvan 10 adviezen inzake preconceptie.

  • 5 Onverminderd het derde en het vierde lid voldoen het theoretische en praktische onderwijs ten minste aan de eisen, gesteld in punt 5.5.1 van Bijlage V van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).

  • 6 Een wijziging van punt 5.5.1 van Bijlage V, bedoeld in het vijfde lid, gaat voor de toepassing van het vijfde lid gelden met ingang van de dag waarop aan die wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 4

  • 1 Het aspect stellen van een diagnose gebaseerd op anamnese en onderzoek is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het formuleren van de zorgvraag van de cliënt;

    • b. het afnemen van een anamnese;

    • c. het verrichten van lichamelijk onderzoek;

    • d. het in voorkomende gevallen onderbouwd inzetten van diagnostische of screeningstesten en aanvullend onderzoek en zorg dragen voor het uitvoeren daarvan;

    • e. het op basis van het geheel van de bevindingen stellen van een diagnose dan wel een differentiaaldiagnose;

    • f. het vastleggen van de medische gegevens;

    • g. het opbouwen van een professionele relatie met de cliënt en haar naaste betrekkingen.

  • 2 Het aspect opstellen van een behandelplan gebaseerd op risicoselectie en beleid is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het met gebruikmaking van EBM inschatten van risico’s op basis van de gestelde diagnose dan wel differentiaaldiagnose en het zo nodig verzamelen van aanvullende informatie;

    • b. het in voorkomende gevallen stellen van een indicatie;

    • c. het met gebruikmaking van EBM afwegen van beleidsopties en, zo mogelijk in samenspraak met de cliënt, bepalen van beleid;

    • d. het opstellen van een behandelplan, het bespreken ervan met de cliënt en het zo nodig bijstellen ervan;

    • e. het zo nodig consulteren van dan wel verwijzen naar een arts of een andere hulpverlener;

    • f. het zo nodig voorschrijven van medicatie;

    • g. het afstemmen van vervolghandelingen op het behandelplan;

    • h. het analyseren van de voortgang in relatie tot het behandelplan;

    • i. het optreden als dossierhouder van de cliënt en haar gezondheid in de reproductieve fase en van de ongeboren vrucht dan wel het kind.

  • 3 Het aspect verloskundige zorgverlening is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het verrichten van verloskundige handelingen;

    • b. het verrichten van heelkundige handelingen;

    • c. het verrichten van medische en technische handelingen;

    • d. het verrichten van andere handelingen als bedoeld in artikel 5, derde lid;

    • e. het handelen in medische noodsituaties;

    • f. het geven van psychosociale begeleiding, voorlichting en advies aan de cliënt en het ondersteunen van de cliënt in alle fasen van de zwangerschap;

    • g. het begeleiden van de baring;

    • h. het zo nodig organiseren en coördineren van consultatie van dan wel verwijzing naar andere hulpverleners in de zorg.

  • 4 Het aspect evaluatie van het zorgproces is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het bijstellen van het verloskundige beleid op basis van nieuwe informatie en inzichten;

    • b. het zorgen voor een goede overdracht van informatie;

    • c. het zorgen voor een duidelijke verslaglegging van de zorgverlening;

    • d. het zorgvuldig afhandelen van klachten;

    • e. het overleggen met andere bij de verloskundige zorgverlening betrokken beroepsbeoefenaren;

    • f. het garant staan voor kwaliteit van de verloskundige zorg en voor optimale zorgverlening;

    • g. het analyseren en kritisch beoordelen van nieuwe ontwikkelingen met gebruikmaking van wetenschappelijke onderbouwing;

    • h. het kritisch kijken naar het professionele medische handelen van zichzelf en anderen;

    • i. het actief vragen om en openstaan voor feedback of evaluatie van eigen functioneren;

    • j. het zich bereid tonen nieuwe ontwikkelingen in het vakgebied in de eigen praktijk toe te passen.

  • 5 Het aspect preventie en voorlichting is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het verlenen van preventieve zorg in de reproductieve fase;

    • b. het voorlichten van de cliënt over preventieve maatregelen en het benadrukken van het belang van preventie;

    • c. het stimuleren van de gezondheid en gezondheidsbevordering van de cliënt;

    • d. het geven van psychosociale begeleiding bij eventueel noodzakelijke gedragsverandering;

    • e. het geven van voorlichting aan en counselen van de cliënt bij het maken van keuzen;

    • f. het toepassen van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van preventieve zorg.

  • 6 Het aspect professionele ontwikkeling is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het werken aan de eigen competentieontwikkeling;

    • b. het reflecteren op het persoonlijke en professionele functioneren in relatie tot de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening, teneinde de beroepsuitoefening op een hoog kwaliteitsniveau te waarborgen;

    • c. het formuleren en vastleggen van aandachtspunten voor verbetering;

    • d. het geven dan wel ontvangen van feedback aan respectievelijk van personen met wie wordt samengewerkt;

    • e. het professioneel omgaan met eigen onzekerheid en fouten van zichzelf en anderen;

    • f. het zich verantwoorden over de persoonlijke, maatschappelijke en wetenschappelijke mogelijkheden en grenzen;

    • g. het handelen binnen professionele en ethische normen.

  • 7 Het aspect ontwikkeling van de beroepsgroep is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het bijdragen aan de ontwikkeling van de deskundigheid van nieuwe collegae en andere beroepsbeoefenaren die bij de verloskundige zorgverlening zijn betrokken;

    • b. het coachen en begeleiden van studenten verloskunde in de ontwikkeling van professioneel gedrag en handelen;

    • c. het bijdragen aan scholing en intercollegiale toetsing.

  • 8 Het aspect verantwoording van verloskundige zorg is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het bijdragen aan de maatschappelijke ontwikkeling en profilering van het beroep door visieontwikkeling en zo mogelijk onderbouwing van het verloskundige handelen aan de hand van EBM;

    • b. het implementeren van EBM in de dagelijkse zorgverlening;

    • c. het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van landelijke standaarden en richtlijnen of verloskundige samenwerkingsverbanden;

    • d. het leveren van een bijdrage aan innovatie van de zorgverlening.

  • 9 Het aspect beroepsgeoriënteerd wetenschappelijk onderzoek is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het verrichten van beroepsgeoriënteerd literatuuronderzoek;

    • b. het participeren in beroepsgeoriënteerd onderzoek;

    • c. het kritisch beoordelen van een onderzoeksopzet op bruikbaarheid en relevantie;

    • d. het verzamelen, analyseren en interpreteren van onderzoeksgegevens;

    • e. het doen van voorstellen voor toepassing van onderzoeksresultaten en vervolgonderzoek;

    • f. het implementeren van onderzoeksresultaten;

    • g. het evalueren van de uitkomsten in de beroepspraktijk;

    • h. het mondeling en schriftelijk rapporteren over de onderzoeksresultaten.

  • 10 Het aspect functioneren in relatie tot de andere bij de verloskundige zorgverlening betrokken beroepsbeoefenaren is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het organiseren en coördineren van transparante zorg voor de cliënt volgens geldende kwaliteitscriteria;

    • b. het nemen van het initiatief tot samenwerking door deel te nemen aan verloskundige samenwerkingsverbanden en multidisciplinair overleg, teneinde continuïteit van zorg te garanderen;

    • c. het met andere disciplines in de zorg afstemmen van onder het verloskundige dossier vallende zaken;

    • d. het zo nodig over de grenzen van het eigen beroep, het eigen team en de eigen praktijk kijken en de resultaten daarvan betrekken in de organisatie van de zorgverlening.

  • 11 Het aspect praktijkvoering en ondernemerschap is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het zorg dragen voor de organisatie en het beheer van de praktijk en het voeren van een verantwoord ondernemer- en werkgeverschap;

    • b. het uitvoering geven aan personeelsbeleid;

    • c. het dragen van verantwoordelijkheid voor de inrichting van de praktijkruimte, rekening houdend met wettelijke inrichtingseisen;

    • d. het organiseren en coördineren van ondersteunende taken, waaronder administratie, schoonmaak, onderhoud, voorraadbeheer en boekhouding;

    • e. het onderhandelen met diverse partijen, waaronder zorgverzekeraars.

  • 12 Het aspect kwaliteit van zorg is zodanig ingericht dat de betrokkene in staat is tot:

    • a. het in een cyclisch proces van kwaliteitszorg werken aan continue toetsing en verbetering van de verloskundige zorgverlening, praktijkvoering en organisatie van de zorg;

    • b. het initiëren en stimuleren van inhoudelijke verbeteringen, het toetsen ervan aan wetenschappelijke inzichten en het maken van afspraken over een optimale organisatie ten behoeve van de continuïteit en kwaliteit van de zorgverlening;

    • c. het vertalen van nieuwe inzichten naar de cliëntenzorg, de praktijkvoering en de organisatie van de zorg;

    • d. het initiëren en implementeren van initiatieven op het gebied van kwaliteitsverbetering en samenwerking;

    • e. het deelnemen aan lokale en regionale werkgroepen en bijeenkomsten om de deskundigheid van de beroepsgroep te bevorderen;

    • f. het toepassen van richtlijnen en wettelijke voorschriften in de praktijkvoering;

    • g. het nemen van het initiatief tot de ontwikkeling van protocollen op basis van EBM;

    • h. het toepassen van kwaliteitszorginstrumenten;

    • i. het systematisch verzamelen en analyseren van klachten in het kader van de beroepsuitoefening, het vertalen ervan naar nieuw beleid en het implementeren van dat beleid.

§ 4. Deskundigheid

Artikel 5

  • 1 Tot het gebied van deskundigheid van de verloskundige wordt gerekend het verrichten van handelingen op het gebied van de verloskunst en andere handelingen, gericht op een optimale uitkomst van de zwangerschap, het bevorderen en bewaken van het natuurlijke verloop van de zwangerschap, de bevalling en het kraambed, alsmede op het voorkomen van afwijkingen bij de vrouw of het kind, door het inschatten van het verloskundige risico bij een vrouw gedurende haar zwangerschap, bevalling en kraambed, het vertalen van het verloskundige risico in verloskundig beleid en het op basis daarvan verlenen van raad en bijstand, alsmede het daar waar nodig consulteren van dan wel verwijzen naar een arts.

  • 2 Tot de handelingen op het gebied van de verloskunst, bedoeld in het eerste lid, behoren het:

    • a. medisch begeleiden van de zwangerschap en de bevalling, van de geboorte van de placenta, van de eerste ontwikkelingen van het kind en van het herstel van de vrouw gedurende het kraambed;

    • b. verrichten van vaginaal onderzoek zonder apparatuur dan wel met behulp van bij regeling van Onze Minister aangewezen apparatuur;

    • c. opheffen van liggingsafwijkingen door uitwendige handgrepen;

    • d. verrichten van amniotomie tijdens de bevalling.

  • 3 Tot de andere handelingen, bedoeld in het eerste lid, behoren het:

    • a. psychologisch begeleiden van de vrouw gedurende haar zwangerschap, bevalling en kraambed;

    • b. aan de vrouw of het kind voorschrijven dan wel voorschrijven en toedienen van bij regeling van Onze Minister aangewezen geneesmiddelen of medische hulpmiddelen;

    • c. verrichten van episiotomieën of het hechten van laesie van perineum of labium, al dan niet gepaard gaande met het toepassen van lokale anesthesie door bij regeling van Onze Minister aangewezen middelen;

    • d. ten behoeve van onderzoek bij de vrouw afnemen van bloed al dan niet door middel van een punctie;

    • e. ten behoeve van onderzoek bij de vrouw afnemen van materiaal van de cervix en vagina ten behoeve van een cytologisch preparaat of kweek;

    • f. ten behoeve van onderzoek bij het kind afnemen van bloed door middel van een punctie in de hiel;

    • g. bij de vrouw afnemen van urine door middel van catheterisatie;

    • h. verrichten of laten verrichten van laboratoriumonderzoek;

    • i. adviseren van de vrouw over haar levenswijze gedurende de zwangerschap;

    • j. geven van voedingsadviezen aan de vrouw of ten behoeve van het kind, waaronder het adviseren over borstvoeding;

    • k. geven van voorlichting aan en counselen van de vrouw en, in voorkomende gevallen, haar partner over de mogelijkheden tot prenatale en neonatale screening alsmede prenatale diagnostiek;

    • l. stellen van de indicatie voor prenatale diagnostiek;

    • m. adviseren van de vrouw en, in voorkomende gevallen, haar partner met betrekking tot anticonceptie en gezinsplanning;

    • n. reanimeren van de pasgeborene;

    • o. optreden bij acute shock of fluxus postpartum, waaronder wordt begrepen het intraveneus inbrengen van een infuus en het door middel van een infuus dan wel door middel van een intraveneuze injectie toedienen van bij regeling van Onze Minister aangewezen geneesmiddelen.

§ 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2008.

Artikel 9

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 3 juli 2008

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Uitgegeven de vierentwintigste juli 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin