Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (modernisering, vereenvoudiging [...] regels over de voorzieningenplanning bij scholen)

Geldend van 01-08-2008 t/m heden

Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke regels over de planning van onderwijsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs te moderniseren, te vereenvoudigen en in aantal te beperken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I. Wijziging Wet op het voortgezet onderwijs

[Red: Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.]

Artikel II. Wijziging WEB

[Red: Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.]

Artikel III. Invoerings- en overgangsrecht

  • 2 Een school die is vermeld op het laatste plan van scholen dat is vastgesteld voor inwerkingtreding van deze wet en ten aanzien waarvan op dat tijdstip nog niet is beslist over aanvang van de bekostiging of die is vermeld op het plan van scholen dat is vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt aangemerkt als een school waarvoor Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel P, van deze wet heeft beslist dat zij voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. De bekostiging van een school die bij inwerkingtreding van deze wet op het in de eerste volzin bedoelde plan van scholen staat, vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar en niet eerder dan een jaar nadat het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting voor het eind van dat jaar ter beschikking zullen stellen, doch uiterlijk in het zesde kalenderjaar nadat de school voor het eerst zonder jaartal op bedoeld plan is geplaatst. De vorige volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing op een afdeling voor voorbereidend beroepsonderwijs.

  • 3 Indien een bevoegd gezag met ten minste één ander bevoegd gezag samen is gaan werken als bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel P, van deze wet, laat Onze Minister een aanvraag voor een verplaatsing of nevenvestiging buiten behandeling of buiten verdere behandeling, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een school of een vestiging van een school waarvoor het bevoegd gezag deelneemt aan die samenwerking.

  • 5 Een school waarop als gevolg van artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel S, van deze wet een hogere opheffingsnorm van toepassing is dan bij inwerkingtreding van deze wet het geval was, wordt als gevolg van die hogere norm wat een openbare school betreft niet eerder opgeheven en verliest wat een bijzondere school betreft de aanspraak op bekostiging niet eerder dan nadat ten minste vijf jaren zijn verstreken na inwerkingtreding van deze wet.

  • 6 Een samenwerkingsovereenkomst gesloten in het kader van een regionaal arrangement op grond van een beleidsregel van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ex artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt voor de resterende looptijd aangemerkt als uiting van een samenwerking als bedoeld in artikel 72 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel P, van deze wet, met dien verstande dat de resterende looptijd wordt beperkt tot ten hoogste vijf jaar. Indien de resterende looptijd van een regionaal arrangement minder bedraagt dan twee jaar alsmede indien de looptijd van een regionaal arrangement afloopt op de dag voor of de dag van inwerkingtreding van deze wet, wordt deze op twee jaar gesteld.

  • 7 Artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop berustende bepalingen in lagere regelgeving zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet blijven, voor zover het betreft verplaatsingen en nevenvestigingen, tot twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op die gevallen waarin geen sprake is van een samenwerkingsovereenkomst gesloten in het kader van een regionaal arrangement als bedoeld in het zesde lid. Van de vervallen voorschriften die bij beleidsregel zijn vastgesteld en die op grond van de eerste volzin van toepassing blijven, kan worden afgeweken bij beleidsregel.

  • 9 Onze Minister kan voor bekostiging als nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel L, van deze wet in aanmerking brengen een dislocatie op grond van een beleidsregel van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ex artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet, indien daartoe door het bevoegd gezag een aanvraag is ingediend en de dislocatie is gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van drie kilometer of meer van de hoofdvestiging van de school. Onze Minister kan voor bekostiging als tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend door artikel I, onderdeel L, van deze wet in aanmerking brengen een dislocatie op grond van een beleidsregel van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ex artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet, indien daartoe door het bevoegd gezag een aanvraag is ingediend en de dislocatie is gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de hoofdvestiging van de school.

  • 10 Indien sprake is van een dislocatie die niet op grond van het negende lid is omgezet in een nevenvestiging of in een tijdelijke nevenvestiging, worden leerlingen die onderwijs volgen op de desbetreffende dislocatie na een termijn van vijf jaren na inwerkingtreding van deze wet niet meer meegenomen in de leerlingentelling als bedoeld in hoofdstuk 1, titel 2, paragraaf 2 van het Bekostigingsbesluit W.V.O.

  • 12 Op een vestiging van een school die is gevormd bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet, alsmede op een afdeling, dislocatie of erkende locatie die op grond van deze wet een school, een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging is geworden, wordt na de inwerkingtreding van deze wet onderwijs verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs, in dezelfde afdelingen als bedoeld in artikel 10c van die wet en in dezelfde leerjaren als voor de inwerkingtreding behoudens wijzigingen in het onderwijsaanbod op grond van bepalingen inzake de voorzieningenplanning in het voortgezet onderwijs bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij scholen en agrarische opleidingscentra wat betreft de gemengde leerweg.

  • 14 Een tijdelijke nevenvestiging mavo die voor een bepaald tijdvak is gevormd op grond van een beleidsregel ex artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt voor de resterende duur van dat tijdvak aangemerkt als een tijdelijke nevenvestiging middelbaar algemeen voortgezet onderwijs op grond van deze wet onder de voorwaarde dat de instelling de vereiste gegevens verstrekt over het effect op de doorstroming in de beroepskolom en de groene invulling van de theoretische leerweg die nodig zijn voor de evaluatie van het experiment.

  • 15 Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten die zijn genomen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van het eerste lid of op grond van titel III, afdelingen I en III, van de Wet op het voortgezet onderwijs en daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van deze wet blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 72 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de inwerkingtreding van deze wet strekt tot opneming van een school in het plan van scholen, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing op een afdeling voor voorbereidend beroepsonderwijs.

  • 16 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet.

Artikel IV

Vervallen.

Artikel V. Evaluatie

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, binnen vijf jaar nadat deze wet in werking is getreden aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel VI. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Tavarnelle, 11 juli 2008

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

,

G. Verburg

Uitgegeven de vierentwintigste juli 2008

De Minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin