Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Besluit opheffing Bedrijfschap voor het Natuursteenbedrijf

Geldend op 08-04-2012


  • Besluit van 7 mei 2008, houdende opheffing van het Bedrijfschap voor het Natuursteenbedrijf (Besluit opheffing Bedrijfschap voor het Natuursteenbedrijf)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 maart 2008, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. V/CAM/2008/8945, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken;

    Gelet op artikel 70 van de Wet op de bedrijfsorganisatie;

    De Raad van State gehoord (advies van 16 april 2008, nr. W12.08.0113/III);

    Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2008, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/CAM/2008/11854, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • § 1. Begripsbepalingen

  • Artikel 1

    In dit besluit wordt verstaan onder:

    bedrijfschap: Bedrijfschap voor het Natuursteenbedrijf;

    hoofdbedrijfschap: Hoofdbedrijfschap Ambachten;

    raad: Sociaal-Economische Raad;

    wet: Wet op de bedrijfsorganisatie.

  • § 2. Opheffing

  • Artikel 2

    Het bedrijfschap is opgeheven.

  • Artikel 3

    • 1.Het beheer van het vermogen van het bedrijfschap berust bij het hoofdbedrijfschap.

    • 2.Rechtsvorderingen die tot het vermogen van het bedrijfschap behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door of tegen het hoofdbedrijfschap.

  • Artikel 4

    • 1.De opheffing van het bedrijfschap tast de rechtskracht van de door dit lichaam wettig opgelegde heffingsaanslagen niet aan.

    • 2.Het hoofdbedrijfschap kan, voor zover dit voor de voldoening van de schulden van het bedrijfschap noodzakelijk is, bij verordening aan de ondernemers in het betrokken deel van het bedrijfsleven een heffing opleggen volgens de bij de laatstelijk opgelegde algemene heffing van het bedrijfschap gehanteerde maatstaven.

    • 3.Ten aanzien van een in het tweede lid bedoelde heffingsverordening en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de artikelen 126 en 127 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • § 3. Vereffening

  • Artikel 5

    • 1.Het hoofdbedrijfschap is belast met de vereffening van het vermogen van het bedrijfschap. Het kan daartoe de tot het vermogen van het bedrijfschap behorende roerende en onroerende zaken vervreemden.

    • 2.Het hoofdbedrijfschap stelt met het oog op de vereffening een boedelbeschrijving op. Het stelt tevens de rekening van inkomsten en uitgaven van het bedrijfschap vast over het tijdvak, aanvangende op de eerste januari van het jaar volgende op het kalenderjaar waarover laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven door het bestuur van het bedrijfschap is vastgesteld, en eindigend op de dag van inwerkingtreding van dit besluit.

    • 3.De boedelbeschrijving en de rekening van inkomsten en uitgaven, bedoeld in het tweede lid, behoeven de instemming van de raad.

    • 4.De instemming van de raad met de rekening van inkomsten en uitgaven strekt tot décharge van het dagelijks bestuur van het bedrijfschap, behoudens in geval van later gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden.

  • Artikel 6

    • 1.Het hoofdbedrijfschap maakt het tijdstip van de aanvang van de vereffening bekend in de Staatscourant en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie, alsmede in de daartoe naar zijn oordeel in aanmerking komende nieuwsbladen, onder vermelding van de afkondiging van dit besluit.

    • 2.In de bekendmaking worden degenen die een vordering op het bedrijfschap hebben, opgeroepen die vordering binnen een daarbij aangegeven termijn bij het hoofdbedrijfschap in te dienen. Deze termijn wordt niet korter gesteld dan twee maanden, te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking.

  • Artikel 7

    • 1.Zo spoedig mogelijk nadat het hoofdbedrijfschap het vermogen van het bedrijfschap heeft vereffend, brengt het daarover aan de raad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een door het hoofdbedrijfschap vastgestelde rekening van inkomsten en uitgaven.

    • 2.De vaststelling van het verslag en van de rekening van inkomsten en uitgaven betreffende de vereffening kan slechts plaatsvinden nadat de ontwerpen van deze stukken gedurende twee maanden op het kantoor van het hoofdbedrijfschap voor een ieder ter lezing zijn neergelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar zijn gesteld en indien binnen die termijn bij het hoofdbedrijfschap geen bezwaren zijn ingekomen. Van de neerlegging en de verkrijgbaarheid geschiedt openbare kennisgeving in de Staatscourant en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie.

    • 3.Het hoofdbedrijfschap onderzoekt elk ingekomen bezwaar. Indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, zet het hoofdbedrijfschap de vereffening voort en maakt, zo nodig, een nieuw verslag en een nieuwe rekening op, waarin aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Ten aanzien van laatstbedoeld verslag en laatstbedoelde rekening is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofdbedrijfschap nieuwe bezwaren, die reeds tegen het eerste verslag en de eerste rekening hadden kunnen worden ingebracht, niet in overweging neemt. Wordt het bezwaar ongegrond bevonden, dan stelt het hoofdbedrijfschap het verslag en de rekening alsnog vast.

    • 4.De rekening van inkomsten en uitgaven betreffende de vereffening behoeft instemming van de raad. De instemming strekt tot décharge van het hoofdbedrijfschap. Het hoofdbedrijfschap doet van het verlenen van de instemming zo spoedig mogelijk openbare kennisgeving op de wijze als is aangegeven in het tweede lid.

  • Artikel 8

    Aan hetgeen blijkens de rekening, bedoeld in artikel 7, aan vermogen van het bedrijfschap over is, wordt bij besluit van het hoofdbedrijfschap, de betrokken organisaties van ondernemers en van werknemers gehoord, een bestemming gegeven, zoveel mogelijk ten nutte van het betrokken deel van het bedrijfsleven. Dit besluit behoeft de instemming van de raad.

  • Artikel 9

    Gerechtelijke uitspraken, gedaan tegen het bedrijfschap, worden door het hoofdbedrijfschap uitgevoerd, voor zover nodig ten laste van het vermogen van het opgeheven bedrijfschap.

  • § 4. Slotbepalingen

  • Artikel 10

    Het hoofdbedrijfschap draagt in de zin van de Archiefwet 1995 zorg voor de archiefbescheiden van het bedrijfschap.

  • Artikel 11

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • Artikel 12

    Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opheffing Bedrijfschap voor het Natuursteenbedrijf.

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

    's-Gravenhage, 7 mei 2008

    Beatrix

    De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

    J. P. H. Donner

    De Minister van Economische Zaken ,

    M. J. A. van der Hoeven

    Uitgegeven de twintigste mei 2008

    De Minister van Justitie ,

    E. M. H. Hirsch Ballin