Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)

Geldend van 14-03-2008 t/m heden

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 januari 2008, bca-2008.04316/1);

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 28 februari 2008

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

wnd. algemene rijksarchivaris

,

Paul Brood

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager

Het bestuur van Stichting Fonds voor de Letteren op het beleidsterrein Letteren 1965–

M.W.M.M. Gruythuysen

In opdracht van het Fonds voor de Letteren Amsterdam 2007

1. Lijst van afkortingen

AWB

Algemene wet bestuursrecht

CRM

Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

MLB

Media, Letteren en Bibliotheken

NBD

Nederlandse Bibliotheekdienst

NLPVF

Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OKW

Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

RIO

Rapport Institutioneel Onderzoek

SSS

Stichting Schrijvers School Samenleving

VvL

Vereniging voor Letterkundigen

WVC

Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

2. Verantwoording

2.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst.

De selectielijst richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. De selectielijst komt tot stand op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure.

Een BSD wordt opgesteld op basis van een institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) worden de taken en bevoegdheden van overheidsorganen beschreven en in hun functionele context geplaatst.

In het BSD zijn de handelingen uit het RIO overgenomen en geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

2.2 Definitie van het beleidsterrein

Zie hiervoor het Rapport Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999.

Het letterenbeleid maakt organisatorisch en beleidsmatig deel uit van het media- en bibliotheekbeleid. Tot 1988 was het letterenbeleid gekoppeld aan het beleidsterrein ‘Kunsten’. Na de Tweede Wereldoorlog was het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) verantwoordelijk voor het letterenbeleid. In 1965 werd het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gesplitst in een Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) en een Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen (O&W).

Het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 14 april 1965 (Stb. 1965/146).

Voor het letterenbeleid had de departementale herindeling enkele consequenties. De verantwoordelijkheid voor het lees- en literatuuronderwijs kwam te liggen bij O&W. Het Ministerie van CRM kreeg zeggenschap over de andere terreinen van het letterenbeleid, waarbij de afdeling Letteren een onderdeel ging vormen met de Directie Kunsten. Deze situatie bleef ongewijzigd nadat in 1982 het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) werd ingesteld.

Het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 4 november 1982 (Stb. 1982/613).

In het najaar van 1988 kwam het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) met concrete plannen om de Afdeling Letteren van de Directie kunsten van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) onder te brengen bij de Directie Radio, Televisie en Pers. De Raad voor de Kunst, niet gekend in de plannen, kwam met een ongevraagd negatief advies. Zij vroeg zich af of de reorganisatie van het departement consequenties zou hebben voor het letterenbeleid. In haar ongevraagd advies vroeg de raad waarborgen dat het letterenbeleid niet tot een afgeleide van het brede mediabeleid zou worden.

Na een reorganisatie in 1988 werden de beleidsterreinen letteren en bibliotheekwerk, samen met de beleidsterreinen radio, televisie en pers, ondergebracht in de nieuwe Directie Media, Letteren en Bibliotheken (MLB). In 1994 keerde de Directie Media, Letteren en Bibliotheken terug op het oude nest van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW).

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1994, Stb. 166.

Het overheidshandelen op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken werd beschreven in het institutioneel onderzoek Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999.

Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, Den Haag 2000.

Het media-, het letteren- en het bibliothekenbeleid hebben ieder een eigen traditie en eigen beleidsinstrumenten, maar delen een gemeenschappelijke basis. Op grond van de, in de Grondwet verankerde, zorgplicht is de overheid verantwoordelijk voor de pluriformiteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van informatie.

Het begrip letterenbeleid bestaat uit enkele onderdelen: het algemene beleid voor het boek, het leesbevorderingsbeleid en het beleid dat zich richt op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige en Friese literatuur in hun verschillende verschijningsvormen.

2.3 Afbakening van het beleidsterrein

In dit BSD worden de beleidsterreinen media en bibliotheken buiten beschouwing gelaten.

Het beleid, dat zich richt op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige en Friese literatuur in hun verschillende verschijningsvormen, wordt aangeduid met specifiek letterenbeleid.

Zwaartepunt van het specifieke letterenbeleid ligt bij het Fonds voor de Letteren, dat is gericht op het scheppen van voorwaarden in materiële zin, waardoor schrijvers en vertalers hun tijd kunnen besteden aan literair werk.

2.4 Aanvullend onderzoek

In het RIO Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999 wordt het Fonds voor de Letteren beknopt beschreven. De handelingen van het Fonds voor de Letteren zijn niet opgenomen. Aanvullend institutioneel onderzoek was nodig.

2.5 Doelstellingen en taken op het beleidsterrein letteren

2.5.1 Rijksbeleid

‘Filantropie jegens oude armen’, zo typeerde Boekman het vooroorlogse letterenbeleid.

De vroegste vorm van overheidsbeleid op het gebied van de letteren was de instelling van de zogenaamde eregelden. Een enkele keer werden in de vooroorlogse periode literaire uitgaven gesubsidieerd, zoals de monumentale uitgave van het complete werk van Joost van den Vondel door de Wereldbibliotheek in 1927.

Het Letterenbeleid neemt in feite werkelijk een aanvang na de Tweede Wereldoorlog. Adviescommissies, zoals de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der letterkunde en de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der literatuurhistorie werden in het leven geroepen. Over de samenstelling van deze commissies mocht de (Voorlopige) Raad voor de Kunst advies uitbrengen. In 1947 werd de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse staatsprijs voor de letterkunde ingesteld en in 1956 de Prijs der Nederlandse letteren.

De hulpbehoevende mecenas: Particulier initiatief, overheid en cultuur 1940–1990 onder redactie van C.B. Smithuijsen, Zutphen, 1990.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er aandacht voor de zorg voor het nationale literaire erfgoed, via het subsidiëren van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1954) en het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1959). In 1964 werd de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur (Theo Thijssenprijs) ingesteld.

De bemoeienis van de overheid begon vanaf 1962 structurele vormen aan te nemen. Het beleid concentreerde zich op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige literatuur in al haar verschijningsvormen. Deze toename van overheidsaandacht voor de literatuur was mede te danken aan de protestacties van letterkundigen in het najaar van 1962. Vijfenzestig schrijvers vroegen in een circulaire aandacht voor hun slechte materiële positie.

Pauline Micheels, Over de oprichting van het Fonds voor de Letteren, in: Het Schrijvershuis, (Fonds voor de Letteren).

Het schrijversprotest kan worden beschouwd als een episode in een langdurige vestigingsstrijd. Schrijvers organiseerden zich als beoefenaars van een zelfstandig beroep, met uitsluiting van amateurs, en vroegen de overheid om erkenning en bescherming, die een onbelemmerde uitoefening van hun beroep mogelijk moest maken. Het schrijversprotest is de geschiedenis ingegaan als een keerpunt in de naoorlogse verhouding tussen letterkundigen en de overheid.

Met de instelling van het Fonds voor de Letteren (1965) werd een belangrijk deel van de advisering en van de subsidietoewijzing bij dit fonds ondergebracht. Er kwamen andere regelingen bij, zoals de Regeling voor het aanvragen van subsidie ten behoeve van literaire debuten (1977).

Vanaf 1980 kwam er meer aandacht voor ‘leesbevorderingsbeleid’. In het kader van het Kunstenplan (1988-1992) werden door de rijksoverheid extra middelen beschikbaar gesteld voor gericht ‘leesbevorderingsbeleid’. Een van de instellingen die de rijksoverheid subsidieert is de Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). De SSS bemiddelt en adviseert bij het organiseren van lezingen door schrijvers. Hoofddoelstelling van SSS is de bevordering van het lezen, in het bijzonder van literatuur. Een van de belangrijkste middelen om die doelstelling te realiseren, is de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters. SSS is advies- en bemiddelingsbureau voor deze activiteiten. SSS bemiddelt bij de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters op scholen, in bibliotheken, voor culturele verenigingen, bedrijven en andere organisaties. SSS bemiddelt zowel voor auteurs voor volwassenen als voor jeugdboekenauteurs en illustratoren.

Op 9 september 1980 kwam het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie tot stand. Deze intergouvernementele organisatie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het terrein van de Nederlandse taal en letteren te bevorderen. Tevens is de Taalunie verantwoordelijk voor de organisatie en toekenning van enkele literaire prijzen, waaronder de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. De activiteiten van de Taalunie worden voor eenderde door Vlaanderen en voor tweederde door Nederland bekostigd. Het beleid van de taalunie wordt vastgesteld door het Comité van Ministers: de Vlaamse en Nederlandse bewindslieden voor onderwijs en cultuur. Een Interparlementaire Commissie, samengesteld uit tweeëntwintig Nederlandse en Vlaamse volksvertegenwoordigers controleert de Taalunie. Het adviesorgaan van de Taalunie is de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren.

In 1988 verscheen de eerste cultuurnota over het letterenbeleid, de Nota Letterenbeleid van minister D’Acona van het Ministerie van WVC, gevolgd in 1990 door de Letterenbrief. In deze beleidsnota’s werd het letterenbeleid als volgt geformuleerd: ‘het bevorderen van een bloeiend literair leven in Nederland waarvan de Nederlandse literatuur het belangrijkste onderdeel uitmaakt. Het behoud van het nationale literaire erfgoed en de bevordering van de ontwikkeling van de Nederlandse en Friese literatuur; het ontsluiten van de Nederlandse en Friese literatuur en het bevorderen van de participatie in de Nederlandse en Friese literatuur’.

Nota Letterenbeleid, p.11.

In de Letterenbrief van minister Hedy d’Acona (WVC) werd het inmiddels klassieke onderscheid gemaakt tussen het ‘specifiek letterenbeleid’ en het ‘generiek letterenbeleid’

Het specifiek letterenbeleid van de rijksoverheid heeft betrekking op het waarborgen van de productie van literair werk, het subsidiëren van de productie van minder gangbaar literair werk en debuten, het bevorderen van de toneelschrijfkunst en het toekennen van prijzen, beurzen en stipendia op het gebied van de letterkunde. Het generiek letterenbeleid bestaat uit marktaanvullende en marktcorrigerende maatregelen waar dat voor de vervulling van de culturele functie van het boek noodzakelijk is met medewerking van andere ministers. Onderdelen van generiek beleid zijn:

– Auteursrechtelijk beleid

Het belangrijkste generieke beleid waar de sector letteren mee te maken heeft, is de wetgeving inzake het auteursrecht, wettelijk geregeld in de Auteurswet 1912. Schrijvers en vertalers zijn beiden ‘makers’. In de Auteurswet wordt aan de ‘makers’ bepaalde bevoegdheden toegekend. Alleen de schrijver is bevoegd om te beslissen of een bepaald literair werk wordt uitgegeven of niet. De schrijver kan (financiële) voorwaarden verbinden aan zijn toestemming.

– Leenvergoeding

In 1963 stelde de Raad voor de Kunst de Commissie Uitleenrecht in onder leiding van L. Brummel. Uitgangspunt om de auteur financiële compensatie te verschaffen voor het feit, dat velen zijn werk lezen, zonder hem daarvoor te belonen. Dit feit hield een onbillijkheid in. Het thema van het uitleenrecht was al in 1953 onderdeel van bespreking in de Voorlopige Raad voor de Kunst. Een commissie bracht rapport uit naar aanleiding van plannen om de Auteurswet 1912 te herzien. In 1957 kwam het thema opnieuw aan de orde. De Raad voor de Kunst wilde een onderzoek naar de toepassingen van het uitleenrecht in de Scandinavische landen.

In haar eindrapport Het bibliotheekwezen en het Fonds voor de Letteren bepleitte de Commissie Uitleenrecht een wettelijke regeling.

De commissie ad hoc bestond uit L. Brummel (voorzitter), mw. M. Wijnstroom, N.A. Donkersloot, C. Reedijk, J. Starink en J. Kassies, secretaris van de Raad voor de Kunst.

Diverse mogelijkheden passeerden de revue. De commissie erkende dat de meest zuivere methode van het vaststellen van compensatie aan auteurs in relatie zou moeten staan tot de mate waarin hun werk door de bibliotheken zou worden gebruikt. Deze methode werd door de commissie op grond van beheertechnische redenen, afgewezen. De voorkeur van de commissie ging uit naar een financiële bijdrage aan het Fonds voor de Letteren, gerelateerd aan het aankoopbudget van de gezamenlijke bibliotheken.

In 1986 werd in Nederland een regeling leenvergoedingen van kracht (Tijdelijk Besluit Leenvergoedingen). De leenvergoedingsregeling heeft betrekking op de uitleen van publicaties door gesubsidieerde openbare bibliotheken. Voor de uitleen krijgen twee groepen een vergoeding: de auteur en de uitgever. Eind 1990 werd de Stichting Leenrecht opgericht door organisaties van rechthebbenden. Het doel van deze stichting is het bevorderen van adequate wetgeving terzake van het leen- en verhuurrecht. Voorts stelt de stichting zich ten doel de feitelijke exploitatie van het leenrecht en indien gewenst, het verhuurrecht ter hand te nemen.

– Vaste boekenprijs

Nederland kent een vaste boekenprijs. Dat wil zeggen dat de uitgever dwingend aan de boekhandelaar kan voorschrijven voor welke prijs het boek in de boekwinkel te koop zal worden aangeboden.

De vaste boekenprijs is een bijzondere overheidsmaatregel binnen de in Nederland en EG geldende economische regels, die dwingende verkoopprijzen van een product verbiedt. In verband met Europese regelgeving geldt de vaste boekenprijs alleen voor Nederlandse boeken.

De Raad voor de Kunst bepleitte in 1985 een wettelijke regeling. Een van de voornaamste argumenten voor de handhaving van de vaste boekenprijs betrof de zogenaamde interne subsidiëring. Dat wil zeggen, dat uitgeverijen cultureel waardevolle, economisch minder rendabele boeken kunnen financieren uit de verkoop van bestsellers. Over deze kwestie vroeg de minister van Cultuur ook advies aan de Commissie Economische Mededinging. Zij adviseerde de minister de ontheffing van het verbod op de collectieve, verticale prijsbinding te handhaven en af te zien van een wettelijke regeling.

In 2005 werd de vaste boekenprijs wettelijk verankerd.

Wet van 9 november 2004, houdende regels omtrent de vaste boekenprijs en Besluit van 3 mei 2005, houdende regels ter uitvoering van bepalingen van de Wet op de vaste boekenprijs, Stb. 2005/269.

De wet was nodig, omdat het Reglement Handelsverkeer, waarin de afspraken rond de vaste boekenprijzen werden vastgelegd , in 2005 verviel.

Van 1923 tot 2004 was de vaste boekenprijs geregeld in een brancheovereenkomst, genaamd Reglement Handelsverkeer. Het reglement was opgesteld door het boekenvak. De uitvoering was in handen van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB).

Daarmee verviel ook de vaste boekenprijs zoals die in Nederland functioneerde. Deze vaste prijs was een vorm van verticale prijsbinding, die mogelijk werd gemaakt door een ontheffing op de mededingingswetgeving. De laatste ontheffing, die werd verleend op cultuurpolitieke gronden, liep af op 1 januari 2005.

Bovendien wordt de mededingingswetgeving nog verder verscherpt. Er komt een wetswijziging aan, die schrijft voor dat uitzonderingen op de mededingingswetgeving alleen nog via een wet geregeld kunnen worden. Dit in navolging van een wijziging in de Europese regelgeving die in mei van dit jaar van kracht wordt.

Een wet was de enige manier om de vaste boekenprijs voor het Nederlandse taalgebied te behouden. Ook in veel andere Europese landen is al een wet op de vaste boekenprijs. Een recent voorbeeld is Duitsland, dat in 2003 de vaste boekenprijs wettelijk regelde.

Een College voor de vaste boekenprijs zal toezicht houden op de naleving van de wet. Dit College is in feite een wettelijke uitvoering van de huidige commissie handelsverkeer, alleen met meer bevoegdheden. Zo kan het college toegang eisen tot de stukken en zo nodig de ‘sterke arm’ inzetten om ergens binnen te komen.

Het college kan, net als de commissie handelsverkeer, boetes en dwangsommen opleggen. De beslissingen van het college zijn bestuurlijke besluiten waarop de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is.

– Reprorecht

Het reprorecht is een uitvloeisel van algemene beginselen, vastgelegd in de Auteurswet 1912, dat het maken van fotokopieën van geschriften zonder toestemming van rechthebbenden verbiedt. Stichting Reprorecht, opgericht in 1974 door auteurs en uitgeversorganisaties, is sinds 1985 door de minister van Justitie aangewezen als centraal betaaladres voor vergoedingen van overheidsinstellingen. Onderhandelingen tussen Stichting Reprorecht, VNO-NCW en MKB Nederland leidden in 2003 tot een akkoord over een reprorechtregeling voor het bedrijfsleven.

De Stichting Reprorecht verdeelt de reprorechtvergoedingen naar rato onder auteurs en uitgevers, op basis van een door de overheid goedgekeurd reglement.

Bij de herziening van de Auteurswet 1912 in 1972 werd het fotokopiëren van geschriften door bedrijven en (overheids-) instellingen in een aantal gevallen toegelaten. Voor het fotokopiëren moest wel een billijke vergoeding worden betaald aan de auteursrechthebbenden. De voorwaarden voor de publieke sector werden geregeld in art. 16 b Auteurswet en nader uitgewerkt in het zogenaamde Reprobesluit. Voor het bedrijfsleven werd alleen een algemene bepaling opgenomen in art. 17 Auteurswet.

Het Reprorecht ging in de publieke sector pas goed functioneren nadat eind 1985 Stichting Reprorecht als zogenaamde ‘eigen-recht-organisatie’ werd aangewezen als enige organisatie met de bevoegdheid om reprorechtvergoedingen te incasseren. Artikel 17 Auteurswet bleef een dode letter. In 1992 werd een wetsvoorstel ingediend om het bedrijfsleven op dezelfde wijze te behandelen als de publieke sector. Vanwege gewenst onderzoek naar de uitvoerbaarheid van de regeling en de hoogte van het tarief werd dit wetsvoorstel ingetrokken. Intussen werd door de regering een ‘Commissie Auteursrecht’ ingesteld met als opdracht advies uit te brengen over het Reprorecht. Tevens zijn twee onderzoeken gedaan naar een redelijke hoogte van het tarief.

Op basis van het uitgebrachte advies werd een nieuw wetsvoorstel ingediend dat ten grondslag ligt aan de Wet van 28 maart 2002 tot wijziging van de Auteurswet 1912 inzake het reprografisch verveelvoudigen. De in 1974 voor de publieke sector vastgestelde tarieven zijn uiteindelijk gehandhaafd.

Sinds1988 wordt de begrotingspost ten behoeve van het letterenbeleid opgenomen in het vierjaarlijkse Kunstenplan (Cultuurnota).

In 1990 werd het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten opgericht. Dit fonds tracht door middel van het verlenen van subsidies aan onderzoeksjournalistiek, biografieën en essays het kwaliteitsniveau van het journalistieke product te verhogen.

In 1991 werd de Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (NLPVF) opgericht (sinds 1 januari 1991 actief).

Voorloper van het huidige Produktie- en Vertalingenfonds was de in 1954 opgerichte Stichting ter bevordering van de Vertaling van Nederlands letterkundig werk. Vanaf 1962 nam de Belgische overheid deel in de stichting vanwege de Vlaamse auteurs. De financiering van de stichting vond voor 2/3 deel plaats door de Nederlandse overheid en voor 1/3 deel door de Vlaamse deelregering.

Deze stichting had een tweeledig doel: het tot stand brengen van een kwalitatief hoogstaand en breed geschakeerd aanbod van oorspronkelijk Nederlands en Fries literair werk (klassieke werken) en het bevorderen van de export van de Nederlandse en de Friese literatuur door het stimuleren van vertalingen. Voorganger van de NLPVF was de Stichting tot Bevordering van de Vertaling van Nederlands Letterkundig Werk opgericht in 1954. Deze stichting, die zowel contacten tot stand probeerde te brengen tussen Nederlandse en buitenlandse auteurs en uitgevers alsook de productie van vertalingen en de verspreiding van de Nederlandse literatuur in het buitenland met alle mogelijke middelen probeerde te ondersteunen, functioneerde aanvankelijk met bescheiden middelen. In een eerste fase werd ze uitsluitend door het Ministerie voor Onderwijs en Wetenschappen gefinancierd. Het doel van zijn beleid was de kwalitatief hoogstaande literatuur uit Nederland te ondersteunen.Een van de belangrijkste activiteiten van de stichting was de vertegenwoordiging van de Nederlandse literatuur op buitenlandse beurzen, in het bijzonder ook op de Frankfurter Buchmesse, waar zij vanaf 1964 zou vertegenwoordigd zijn. Van 1960 af werden doelstelling en taak van de stichting verbreed en speelde zij een voortrekkersrol op het gebied van de verspreiding en promotie van de gehele Nederlandse literatuur, dus ook die uit België.

Een aantal literaire manifestaties ontvangen op grond van hun landelijke betekenis structurele subsidie van de rijksoverheid. De oudste is het Rotterdamse Poetry International. Een jaarlijks terugkerend dichtersfestival dat sinds 1970 plaatsvindt.

Het Fries neemt als tweede officiële rijkstaal een bijzondere positie in. Het rijk en de provincie ondertekenden in 2001 een nieuwe bestuursafspraak betreffende de Friese taal en cultuur.

Cultuurbeleid in Nederland, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Den Haag 2002, blz. 155.

Tot 1965 was de Raad voor de Kunst het enige adviesorgaan dat adviezen uitbracht over het letterenbeleid van de rijksoverheid. Met de instelling van het Fonds voor de Letteren (1965) en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds (1991) kwam een belangrijk gedeelte van de advisering en de subsidietoewijzing bij de twee fondsen terecht. Periodiek werden de resultaten van de genoemde fondsen beoordeeld en geëvalueerd aan de hand van de ingediende beleidsplannen door de Raad voor de Kunst. Vanaf 1995 nam de Raad voor Cultuur de adviestaak over van de Raad voor de Kunst.

Wet van 26 oktober 1995, houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de instelling van een adviesorgaan voor het beleid op het terrein van de cultuur, Stb. 1995/539.

2.5.2 Het Fonds voor de Letteren, 1965–

2.5.2.1 Oprichting

In het voorjaar van 1963 kwam op het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) de ad hoc commissie van de Afdeling Letteren van de Raad voor de Kunst bijeen om te spreken over de vorming van een ‘fonds voor de letterkunde’.

M.W.M.M. Gruythuysen, Cultuur Getoetst: toegang op de gegevensbestanden van externe adviesraden en commissies belast met de advisering op het beleidsterrein Cultuur, 1903–1995, Amsterdam 2007, inv. nr. 1799.

Als taak van het fonds zag de commissie de bevordering der letterkunde door maatregelen die de economische grondslag van het schrijverschap in Nederland versterkten op gebieden, zoals:

  • Additionele honoraria voor tijdschriftbijdragen;

  • Additionele honoraria voor boekuitgaven;

  • Stipendia voor langere tijd;

  • Opdrachten;

  • Eregelden (toelagen)

De uitkeringen van het op te richten fonds moesten ten goede komen aan individuele letterkundigen. Sommige onderdelen van het letterenbeleid moesten volgens de commissie blijven berusten bij het departement. Zij vormden geen directe steun aan letterkundigen, zoals:

  • Bijzondere eregelden;

  • Subsidies aan uitgevers voor tijdschriften;

  • Subsidies aan uitgevers voor boekuitgaven;

  • Opdrachten op het gebied van de literatuurhistorie.

In 1964 ging de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen akkoord met de plannen van de Raad voor de Kunst tot oprichting van een Fonds voor de Letteren.

Brief van de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 18 november 1964, Afdeling Kunsten, T.L. nr. 62724 aan de Raad voor de Kunst betreffende oprichting Fonds voor de Letteren.

Op 28 juli 1965 werd het fonds bij notariële akte opgericht door de minister van het inmiddels ingestelde Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). Het fonds is daarmee het oudste cultuurfonds in Nederland.

2.5.2.2 Samenstelling en werkwijze 1965–1993

Het bestuur bestond uit 9 à 10 leden.

Bij beschikking van 3 september 1965 van de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM).

Alle bestuursleden werden benoemd door de minister van Cultuur. De voorzitter van de Vereniging van Letterkundigen en de voorzitter van de Afdeling Letteren van de Raad voor de Kunst werden ‘qualitate qua’ benoemd. Zes leden werden uit voordrachten benoemd. Twee leden uit voordracht van de Raad voor de Kunst; twee leden uit voordracht van de Vereniging van Letterkundigen; één lid uit voordracht van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond en één lid uit voordracht van de Vereniging tot Bevordering van de Belangen des Boekhandels. Alle voordrachten geschiedden door middel van dubbeltallen. De voorzitter werd benoemd door de minister van Cultuur uit een voordracht van twee personen, opgemaakt door de bestuursleden van de stichting.

Statuten Stichting Fonds voor de Letteren, art. 5. gewijzigd bij notariële akte van 27 april 1971.

Een ambtenaar van het departement werd door de minister benoemd als bestuurslid, tevens secretaris-penningmeester van de stichting.

Statuten Stichting Fonds voor de Letteren, art. 6.

Het aantal bestuursleden is in de loop der jaren uitgebreid. Schrijvers en vertalers vormen nog steeds de meerderheid van het bestuur. In 1971 werden de statutair beschikbare bestuurszetels voor de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond en de Vereniging tot Bevordering van de Belangen van de Boekhandel opgeheven.

Statuten Stichting Fonds voor de Letteren van 27 april 1971, art. 5.

Het bestuur van het fonds had de bevoegdheid zich bij de uitvoering van zijn taak te laten bijstaan door de deskundigen.

Statuten (1965) Stichting Fonds voor de Letteren, art. 8.

Deze deskundigen (Commissies van advies) werden ingezet ter beoordeling van voor aanvullende honorering ingezonden werken op het terrein van proza, poëzie, literaire essays, toneelstukken en kinder- en jeugdboeken.

Een Huishoudelijk Reglement werd door het bestuur in 1965 niet nodig geacht.

Notulen van het bestuur van het Fonds voor de Letteren van 3 januari 1967.

Twintig jaar later werd alsnog een Huishoudelijk Reglement opgesteld. In 1987 werd de definitieve versie van het reglement door het bestuur aangenomen.

Huishoudelijk Reglement vastgesteld in de bestuursvergadering van 17 september 1987. Goedgekeurd door de minister van WVC bij brief van 2 februari 1988.

Tot 1978 had het fonds zijn domicilie in (Rijswijk) Den Haag. In 1978 nam het Fonds voor de Letteren zijn intrek in Het Schrijvershuis te Amsterdam.

Bij oprichting van het Fonds voor de Letteren in 1965 werden de secretariaatswerkzaamheden verzorgd door ambtenaren van de Afdeling Toneel en Letteren van de Directie Kunsten van het Ministerie van CRM onder supervisie van J. Hulsker, directeur-generaal voor Culturele Zaken, tevens bestuurslid en penningmeester van het fonds. De directe betrokkenheid van ambtenaren bij de werkzaamheden van het fonds deed afbreuk aan zijn zelfstandigheid. In 1974 kreeg het fonds zijn eigen secretariaat, dat rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid viel van het bestuur.

Jaarverslag Fonds voor de Letteren over de jaren 1973–1974.

In hetzelfde jaar besloot het fondsbestuur een Dagelijks Bestuur te vormen, bestaande uit de voorzitter, de penningmeester en de secretaris.

De statuten van het Fonds voor de Letteren zijn meermaals gewijzigd. De meeste wijzigingen bevatten kleine aanpassingen van de statuten uit 1965 betreffende de bestuurssamenstelling. Eén uitzondering vormt de statutenwijziging van 1997, waarin de bestuurs- en adviesstructuur van het fonds volledig werd herzien.

Statutenwijzigingen Stichting Fonds voor de Letteren: 27 april 1971; 4 mei 1982; 6 mei 1985; 24 juli 1986, 16 mei 1988, 6 oktober 1993 en 22 april 1997 en 3 december 2001.

In 1981 kwam binnen het bestuur van het fonds de discussie op gang de mogelijkheden van een beroepsregeling te onderzoeken. Voordien was er geen beroepsmogelijkheid. De AROB-rechter achtte klachten tegen de besluiten van het fonds niet-ontvankelijk. Wat restte was de gang naar de burgerlijke rechter.

Een commissie, ingesteld door het bestuur in 1982, kreeg de taak een juridisch sluitende beroepsregeling voor schrijvers en vertalers te ontwerpen. Op 8 november 1982 hechte de minister van Cultuur (WVC) zijn voorlopige goedkeuring aan het Reglement tot instelling van een Commissie van Beroep. In 1984 werd de beroepsregeling van kracht.

Jaarverslag Fonds voor de Letteren 1984. Zie ook de notulen van de vergadering van het Bestuur van het fonds van 15 december 1982. Beroepsreglement als bedoeld in artikel 19 van het Huishoudelijk Reglement, vastgesteld door het bestuur in zijn vergadering van 15 december 1982 en goedgekeurd door de minister van Cultuur (WVC) op 8 november 1983; gewijzigd door het bestuur in zijn vergadering van 17 september 1987 en goedgekeurd door de minister van Cultuur op 2 februari 1988.

De commissie besliste bij wege van bindend advies over geschillen tussen het fondsbestuur en aanvragers van werkbeurzen, aanvullende honoraria, literaire vertalingen, reisbeurzen, debutantenbeurzen en opdrachten.

Beroepsreglement, art. 3.

Met de inwerkingtreding van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (1993) en de Algemene wet bestuursrecht is er sprake van een wettelijk geregelde beroepsgang met betrekking tot de besluiten van het fonds. De Commissie van Beroep werd opgeheven. Het bestuur besloot de eigen beroepsmogelijkheid uit de statuten te schrappen en in plaats daarvan een herzieningsregeling geënt op de bezwaarregeling van de Algemene wet bestuursrecht op te nemen.

Statuten 1992, art. 10 lid 3.

Het Fonds voor de Letteren kiest niet voor een externe bezwaarschriftencommissie, maar voor een interne ‘hoorvoorziening’, uitgevoerd door de bestuurders en/of directeur en juridisch beleidsmedewerker.

In het advies De bomen en het bos van de Raad voor de Kunst (1990) adviseerde de raad om de incidentele- en projectsubsidieverlening op het terrein van cultuur onder te brengen in fondsen. De raad wees in zijn advies op de nadelige gevolgen van schaalvergroting en bureaucratisering rondom de incidentele subsidieverlening. Bij het afstoten van deze vorm van subsidiering zou de minister alleen verantwoordelijk worden voor de hoofdlijnen van het cultuurbeleid, maar over de afzonderlijke, in wezen artistieke beslissingen, geen verantwoording meer hoeven af te leggen. Naar aanleiding van dit advies besloot de minister van Cultuur de werkingssfeer van de Fondsenwet scheppende kunsten (1981) uit te breiden tot het gehele terrein van het cultuurbeleid. Het kunstenveld juichte de fondsenconstructie toe, aangezien de mogelijkheden tot bescherming van de eigen sectorale belangen in de fondsen eerder toenam dan afnam.

Roel Pots, Cultuur, koningen en democraten: Overheid en cultuur in Nederland, Nijmegen, (2000), blz. 327–329.

De ministeriële verantwoordelijkheid voor de hoofdlijnen van beleid kreeg gestalte in artikel 10 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Deze wet biedt de minister van Cultuur de mogelijkheid om namens de Staat tot oprichting over te gaan van fondsen die ten doel hebben het instandhouden, het ontwikkelen en het spreiden van een of meer cultuuruitingen te bevorderen door financiële bijdragen ter beschikking te stellen.

Met de invoering van de Wet op het specifiek cultuurbeleid werd Fondsenwet bij wet van 11 maart 1993 (Stb. 1993/193) ingetrokken.

De zeggenschap van de minister beperkt zich in het algemeen tot het vaststellen van de statuten en de reglementen, die de procedures van de subsidietoekenning beschrijven en het benoemen van bestuursleden. Met de invoering van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (1993) kreeg de oprichting van cultuurfondsen een wettelijke basis en werd het bestuur van het Fonds voor de Letteren aangemerkt als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO).

Peter van IJsselmuiden, Gevonden waarheden. De ontstaansgeschiedenis van de wet op het specifiek cultuurbeleid, in: Boekmancahier, 5e jaargang september 1993, blz. 280–292. Artikel 1:1 lid 1 onder b Awb.

2.5.2.3 Samenstelling en werkwijze 1997–

In 1996 diende het bestuur van het Fonds voor de Letteren een uitgewerkt voorstel in bij de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) betreffende een nieuwe bestuurs- en adviesstructuur.

Brief van het bestuur van het Fonds voor de Letteren aan de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 18 april 1996 betreffende het voorstel nieuwe bestuurs- en adviesstructuur.

In de opzet van de nieuwe bestuurs- en adviesstructuur werd een stevige juridische basis door de scheiding aan te brengen tussen de advisering en de besluitvorming.

De statuten van het fonds werden volledig gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De adviesprocedure werd aangepast aan de nieuwe adviesstructuur.

Het bestuur bestaat uit minimaal vijf leden en maximaal zeven leden.Tenminste één vertaler en één schrijver maken deel uit van het bestuur. Het bestuur dient in meerderheid te beschikken over deskundigheid op het gebied van de Nederlandse letteren en vertaalde literatuur. Ook dient binnen het bestuur juridische en financiële deskundigheid aanwezig te zijn.

Statuten (2001), art. 5 lid 1.

De leden van het bestuur worden benoemd door de staatssecretaris van Cultuur uit voordrachten van tenminste twee personen, opgemaakt door het bestuur. Het bestuur bepaalt het beleid. Het stelt de beleidsplannen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen vast en bepaalt de hoogte van de subsidiebudgetten. Het bestuur beslist over de toekenning van de subsidieaanvragen en de hoogte van de toekenningen.

De dagelijkse leiding berust bij de directeur. Hij/zij fungeert als hoofd van het stichtingsbureau en geeft leiding aan de werkzaamheden van het bureau. De directeur treedt op als secretaris van het bestuur. Hij/zij heeft in de bestuursvergaderingen een adviserende stem over alle zaken die de stichting betreffen.

De stichting kent een Adviesraad. De Adviesraad bestaat maximaal uit dertien leden en adviseert, desgevraagd of uit eigen beweging, het bestuur over de subsidieaanvragen. De leden van de Adviesraad worden, op voordracht van een door het bestuur ingestelde selectiecommissie, door het bestuur benoemd en ontslagen.

Statuten (2001), art. 8 lid 1.

De selectiecommissie telt drie leden.

De leden van de Adviesraad beschikken over een brede kennis op het terrein van de nationale en internationale letterkunde. Tevens is binnen de Adviesraad deskundigheid op het gebied van het literair vertalen vertegenwoordigd. De leden van de Adviesraad worden, in het kader van de verschillende subsidievormen, verdeeld over verschillende adviescommissies.

De nieuwe bestuurs- en adviesstructuur van het Fonds voor de Letteren werd op 30 juli 1996 geaccordeerd door de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW).

Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 30 juli 1996, MLB/LB/96.120.

De grootste wijziging hield in dat afstand werd gedaan van de oude driedeling: Statuten, Huishoudelijk Reglement en subsidieregelingen. In plaats daarvan kwam een vierdeling, waarin de verschillende reglementen een vastomlijnde functie hadden:

  • Statuten

  • De Statuten richten zich op de verhouding Fonds voor de letteren – Minister van OCW

  • Huishoudelijk Reglement

  • Het Huishoudelijk Reglement richt zich op de interne organisatie, d.w.z. de onderlinge verhoudingen en de werkwijze van de verschillende organen van het fonds – het bestuur, de adviesraad en het bureau.

  • Algemeen Reglement

  • Het Algemeen Reglement bepaalt de algemene procedure bij de subsidieverdeling: doel, werkingssfeer, subsidievoorwaarden, aanvraagprocedure en beoordelingsprocedure;

  • Deelreglementen

  • De deelreglementen vormen een nadere uitwerking van het Algemeen Reglement.

2.5.3 Taken, 1965–1996

Artikel 2 van de statuten (1965) omschreef de doelstelling als volgt: ‘Het bevorderen van de Nederlandse letteren, onder andere door het behartigen van de belangen van het schrijverschap, door het verlenen van opdrachten, door het met een ideëel doel toekennen van stipendia en additionele honoraria, en op alle andere wettige wijzen die voor dit doel bevorderlijk zijn’. De centrale doelstelling van het fonds is al die tijd ongewijzigd gebleven.

De belangrijkste instrumenten van het Fonds zijn werkbeurzen, aanvullende honoraria en eregelden. Het eregeld is te danken aan de Schrijversprotesten van de zestiger jaren van de vorige eeuw. Eregelden voor letterkundigen werden in die jaren door de ministers van OKenW en later CRM aan kunstenaars met een grote staat van dienst toegekend. Met de democratiseringsgolf van de jaren zeventig werden de eregelden opgeheven en verdween de regeling in de ministeriële ijskast. Begin jaren ’90 werd deze regeling herontdekt door het Fonds voor de Letteren en sinds 1992 heeft het bestuur van het Fonds voor de Letteren de opdracht Eregelden toe te kennen aan schrijvers en vertalers met grote verdiensten voor de Nederlandstalige literatuur. Inmiddels ontvangen zo’n 30 schrijvers en vertalers op voorspraak van een commissie een eregeld. Bij de beoordeling is de kwaliteit van het werk van de aanvrager doorslaggevend.

Aan het verlenen van subsidies was tot 1992 één voorwaarde verbonden. Alleen auteurs en vertalers die de Nederlandse nationaliteit bezaten of Nederlands ingezetene waren, konden in aanmerking komen voor subsidies van het fonds.

Huishoudelijk Reglement, art. 6a.

In 1992 werd deze voorwaarde, in het kader van Europese regelgeving, uit de statuten geschrapt. De werkingssfeer blijft uiteraard beperkt tot Nederlands- en Friestalige publicaties.

De procedures betreffende het toekennen van subsidies werden vastgelegd in regelingen.

De regelingen worden voortdurend aangepast aan de ontwikkelingen in het letterenbeleid. Sinds 1987 zijn de regelingen opgenomen en uitgewerkt in het Huishoudelijk Reglement. In 1997 werd een Algemeen Reglement ingevoerd. Het bepaalt de algemene procedure bij de subsidieverdeling: doel, werkingssfeer, subsidievoorwaarden, aanvraagprocedure en beoordelingsprocedure.

Vanaf 1972 tot 1985 was het fonds verantwoordelijk voor de Regeling Uitleenvergoeding. Deze regeling was tot stand gekomen na een compromis tussen voorstanders en tegenstanders van een wettelijke regeling. Marga Klompé, de toenmalige minister van CRM, wees een wettelijke regeling van de hand. In een wettelijke regeling zouden ook de rechten van buitenlandse auteurs moeten worden beschermd (in overeenstemming met de Berner Conventie). Als doekje voor het bloeden besloot de minister een afzonderlijk bedrag beschikbaar te stellen aan het Fonds voor de Letteren.

In 1971 werd een belangrijke aanzet tot verwezenlijking van vergoedingen aan schrijvers voor het uitlenen van hun boeken voor de bibliotheken gerealiseerd door de instelling van een kleine commissie die overleg voerde met vertegenwoordigers van de Nederlandse Bibliotheekdienst (NBD).

De leden van de commissie waren: P. Brand, J. Klant, P.J. van Swighem en mw. W. Lelieveld.

In mei 1971 verscheen het rapport Voorstel voor een regeling uitleenvergoeding van de commissie. Op 4 augustus 1972 ging de minister van CRM akkoord met de door het fondsbestuur bekrachtigde Regeling Uitleenvergoeding.

Brief van de minister van Recreatie, Cultuur en maatschappelijk Werk van 4 augustus 1972, afdeling K/TL –U, nr. 124.648.

In 1985 werd in opdracht van de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) een onderzoek verricht naar de betekenis van het Fonds voor de Letteren in het algemeen en naar de inkomenspositie van auteurs en vertalers. Het onderzoek werd uitgevoerd door het sociaal-wetenschappelijke instituut IVA te Tilburg. Het eindrapport Schrijvers en Fonds constateerde dat de inkomsten van literaire auteurs en vertalers niet of nauwelijks voldoende waren voor een volledige en zelfstandige beroepsuitoefening. In het kader van de ‘kunstenplanadvisering’ presenteerde het fonds in 1988 zijn beleidsplan 1989–1992, dat voortbouwde op het rapport Schrijvers en Fonds. De belangrijkste doelstelling van het beleid 1989-1992 was het verstrekken van ruimere subsidies voor kwalitatief goed werk van schrijvers en vertalers.

2.5.4 Taken 1997–

Het jaar 1997 markeert een omslag. Niet alleen werd, zoals eerder vermeld, de organisatie van het fonds ingrijpend veranderd, maar ook het oude subsidiegebouw stond ter discussie.

In 1997 begonnen de eerste discussies over het subsidiesysteem in het bestuur.

In 2001 werd het subsidiegebouw ingrijpend gewijzigd. Het fondsbestuur constateerde dat het gevoerde subsidiebeleid in de praktijk te weinig sturend was en te weinig mogelijkheden bood aan talentvolle nieuwe auteurs en vertalers. De bestaande kernregelingen werden omgevormd tot regelingen met een projectmatige aanpak. Om ruimer in kwalitatief hoogwaardige literaire projecten te kunnen investeren met hogere bedragen, werd vanaf 2001 gekozen voor één subsidiestroom: de werkbeurs. De rol van het fonds als ‘passieve subsidieverstrekker’ behoorde tot het verleden. Het fonds ontwikkelde zich als beleidsmaker.

Kernactiviteit van het fonds is het verstrekken van werkbeurzen, stimuleringssubsidies en reis- en verblijfsbeurzen aan beginnende en ervaren auteurs in alle genres.

In de beleidsnota 2002–2004 Het gaat om kwaliteit werden diverse beleidsinitiatieven gepresenteerd.

Nieuwe initiatieven werden ontwikkeld met collega-fondsen en andere instellingen.

Beleidsnota 2005–2008 van het bestuur van het Fonds voor de Letteren, Kwaliteit kost geld, blz. 8–9.

In 1998 werd het Bert Schierbeekfonds (BSF) door het Fonds voor de Letteren in aanwezigheid van Thea en Michiel Schierbeek, de echtgenote en zoon van de in 1996 overleden dichter, opgericht. Het BSF wordt beheerd als zelfstandig onderdeel van het Fonds voor de Letteren. Het BSF geeft bijzondere literaire projecten die door overheidssubsidies niet bediend kunnen worden een kans, maar is daarbij afhankelijk van anderen – particulieren, stichtingen en bedrijven – die ook zélf mooie literaire projecten een kans willen geven. Plannen, ideeën, worden op vlieghoogte gebracht met steun van het BSF om vervolgens op eigen kracht of met structurele overheidssubsidie verder te gaan.

Vanaf 1998 werken het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (NLPVF) en het Fonds voor de Letteren aan een gezamenlijk ‘Intercultureel letterenbeleid’ om de publicatiemogelijkheden te vergroten voor auteurs uit niet-westerse landen die in Nederland wonen en werken. Het NLPVF stelt de uitgevers voor de eerste twee publicaties van een auteur stimuleringssubsidies in het vooruitzicht, als tegemoetkoming in de vertaalkosten.

In 2003 presenteerde het fonds de beleidsnota 2005–2008 Kwaliteit kost geld. De beleidsnota was een logisch vervolg van de beleidsvoornemens die in de beleidsnota Het gaat om kwaliteit aan de orde kwamen. Het fonds wilde nieuwe activiteiten ontwikkelen. Het gaat daarbij om themabijeenkomsten en manifestaties over beleid, deskundigheidsbevordering van literaire vertalers (Steunpunt Literair Vertalen), specifiek beleid voor de Friese literatuur en literatuur in Nederlandse gebarentaal.

Ibidem, blz. 32–35.

In de periode 2003-2005 subsidieerde het Fonds voor de Letteren in een samenwerkingsproject – Fryske Modernen – dat zich inzet voor de bevordering van Friestalige literatuur. Het doel van het project is het verbeteren van het schrijf- en leesklimaat in Friesland. De adviezen over dit project werden uitgebracht door een gezamenlijke adviescommissie Fries van het Fonds voor de Letteren en het NLPVF.

2.5.5 Samenwerking

Functionele contacten bestaan met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) en de Raad voor Cultuur. Het fonds ontvangt van het Ministerie van OCW een meerjarige instellingssubsidie in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid op grond van de vierjaarlijkse cultuurnota. De Raad voor Cultuur is het wettelijk adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media. De Raad is onafhankelijk en adviseert, gevraagd en ongevraagd, over actuele beleidskwesties en over subsidiebesluiten. De Commissie Letteren van de Raad voor Cultuur adviseert de minister van Cultuur over de beleidsplannen van het Fonds voor de Letteren in het kader van de vierjaarlijkse cultuurnota.

Al sinds de oprichting van het Fonds voor de Letteren zijn er intensieve contacten met de Vereniging van Letterkundigen (VvL). Tot 1997 werd een vijftal vertegenwoordigers van de VvL statutair benoemd als bestuursleden van het fonds.

Statuten (1965) art. 5 lid 3.

Tegenwoordig is de VvL een afdeling van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers (VSenV). De andere afdelingen van de VSenV zijn het Netwerk Scenarioschrijvers en de FreeLancers Associatie (FLA).

Een hechte samenwerking bestaat tussen het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Nederlandse fonds. In 2002 werden drie gemeenschappelijke regelingen ontwikkeld: stimuleringsbeurzen voor auteurs, stimuleringssubsidies voor vertalers en beurzen voor het schrijven van een biografie. Gemengde Vlaams-Nederlandse beoordelingscommissies adviseren over de aanvragen. Beide fondsen hebben zitting in de Beleidsraad van het Steunpunt Literair Vertalen.

Vanaf 1996 vindt geregeld overleg plaats tussen de directeuren van de cultuurfondsen.

3. Selectiecriteria

In 1998 heeft PIVOT een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van deze algemene criteria wordt in het BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutionele onderzoek in kaart zijn gebracht

Algemene selectiecriteria

Algemeen selectiecriterium

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan: agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en de terugkoppeling van beleid

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en het beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij de terugkoppeling van beleid

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, het wijzigen of het opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/ of er sprake is van een oorlogstoestand, staat van beleg of de toepassing van noodwetgeving

4. Verslag vaststellingsprocedure

In juni 2007 is het ontwerp-BSD door het bestuur van de Stichting Fonds voor de Letteren aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 3 december 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 30 januari 2008 bracht de RvC advies uit (bca-2008.04316/1), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 28 februari 2008 door de wnd. algemene rijksarchivaris, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/08/358) vastgesteld.

5. Leeswijzer

Handelingnummer

Dit is het volgnummer van de handeling.

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag

Dit is de (wettelijke) basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

Vermeld worden:

de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit

of de ministeriële regeling;

het betreffende artikel en lid daarvan;

de vindplaats, dwz. de vermelding van Staatsblad of Staatscourant;

wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product

Waar mogelijk wordt hier vermeld welke documenten uit de handeling zijn voortgekomen.

Waardering

Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

Opmerking

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

6. Actorenoverzicht

6.1 Het bestuur van de Stichting Fonds voor de Letteren, 1965–

6.2 De Commissie van beroep, 1982–1994

De Commissie van Beroep werd ingesteld in 1982. De commissie besliste bij wege van bindend advies over geschillen tussen het fondsbestuur en aanvragers van werkbeurzen, aanvullende honoraria, literaire vertalingen, reisbeurzen, debutantenbeurzen en opdrachten. Met de inwerkingtreding van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (1993) is er sprake van een wettelijk geregelde beroepsgang met betrekking tot de besluiten van het fonds. De Commissie van Beroep werd opgeheven.

6.3 De Selectiecommissie, 1996–

De selectiecommissie werd ingesteld in 1996. De selectiecommissie maakt een voordracht van kandidaten ten behoeve van de Adviesraad. De selectiecommissie bestaat uit de voorzitter van het bestuur van het fonds en twee externe deskundigen op het terrein van de letterkunde.

6.4 De Adviesraad, 1996–

De Adviesraad werd ingesteld in 1996. De Adviesraad adviseert het bestuur over de subsidieaanvragen.

7. Selectielijsten

7.1 Bestuur Stichting Fonds voor de Letteren, 1965–

7.1.1 Organisatie en beleid

(660).

Handeling: Het wijzigen van de statuten

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1965), art. 8

gewijzigd in Statuten (1997), art. 11

Product: Besluit

Waardering: B4

(661).

Handeling: Het ontbinden van de Stichting Fonds voor de Letteren

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1965), art. 9

Gewijzigd in Statuten (1997), art.12 lid 1

Product: Besluit

Waardering: B4

(662).

Handeling: Het opstellen van een beleidsplan (begroting)

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1997), art. 7 lid 1

Product: Beleidsplan

Waardering: B5 eindproduct, B1 overige neerslag

(663).

Handeling: Het opstellen van een jaarrekening

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1965), art. 5 lid 11

Statuten (1997), art.7 lid 2

Product: Jaarrekening

Waardering: B5 eindproduct, V (10 jaar) overige neerslag

(664).

Handeling: Het uitbrengen van een verslag van bevindingen en werkzaamheden

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1997), art.7 lid 3

Product: Jaarverslag

Waardering: B3 eindproduct, V (10 jaar) overige neerslag

(665).

Handeling: Het benoemen en het ontslaan van de leden van Commissies van Advies

Periode: 1965–1996

Grondslag: Statuten (1965), art. 5 lid 8

Product: Besluit

Waardering: V (10 jaar)

(666).

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de externe leden van de selectiecommissie

Periode: 1997–

Grondslag: Huishoudelijk reglement (1997), art. 5

Product: Besluit

Waardering: V (10 jaar)

(667).

Handeling: Het benoemen en het ontslaan van de leden van de Adviesraad

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 8 lid 1

Product: Besluit

Waardering: V (10 jaar)

(668).

Handeling: Het benoemen, het schorsen en het ontslaan van personeel (Bureau) en de directeur

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1997), art.9 lid 1

Product: Besluit

Waardering: V (10 jaar)

7.1.2 Procedures en regelgeving

(669).

Handeling: Het vaststellen en het wijzigen van procedures en reglementen

Periode: 1965–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid, art. 10 lid 4

Statuten (1965), art.7

Gewijzigd in Statuten (1997), art. 10 lid 1

Product: Reglement en richtlijnen

Waardering: B5

Opmerking: Reglementen en wijzigingen worden, na goedkeuring van de minister, geplaatst in de Staatscourant.

(670).

Handeling: Het vaststellen van de termijnen waarop de subsidieaanvragen kunnen worden aangevraagd

Periode: 1965–

Grondslag: Algemeen Reglement, art. 6.

Product: Besluit

Waardering: V (3 jaar na vaststelling nieuwe termijn)

(671).

Handeling: Het plaatsen van reglementen en wijzigingen van reglementen in de Staatscourant

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 10 lid 2

Algemeen Reglement, art. 6.

Product: Aankondiging

Waardering: V (3 jaar na vaststelling nieuwe regeling)

7.1.3 Taakuitoefening

(672).

Handeling: Het bevorderen van de kwaliteit en de diversiteit van de Nederlands- en Friese letteren en literatuur in Nederlandse of Friese vertaling

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten, art.2

Product: Nota’s, rapporten

Waardering: B1

(673).

Handeling: Het beslissen over de subsidieaanvraag

Periode: 1965–

Grondslag: Statuten (1965)

Gewijzigd Statuten 1997, art. 6 lid 1

Algemeen Reglement, art. 13

Product: Besluit

Waardering: B5

(674).

Handeling: Het intrekken of het wijzigen van de beslissing tot vaststelling van de subsidie

Periode: 1996–

Grondslag: Algemeen Reglement, art. 21 lid 1

Product: Besluit

Waardering: B5

7.2 Commissie van Beroep, 1983–1993

(675).

Handeling: Het beslissen op een ingediend beroepschrift

Periode: 1983–1993

Grondslag: Statuten (1982) art. 7

Reglement, art. 19 lid 1

Product: Besluit

Waardering: B5

Opmerking: Na het van kracht worden van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in 1993 en de invoering van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) werd de commissie van beroep opgeheven. Op 1 januari 1994 traden de eerste twee tranches in werking.

7.3 Selectiecommissie, 1997–

(676).

Handeling: Het voordragen van leden van de Adviesraad aan het bestuur

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 8 lid 1

Het Huishoudelijk Reglement, art. 7 lid 1

Product: Voordracht

Waardering: V (3 jaar na benoeming nieuwe leden)

Opmerking: Het Algemeen Reglement wordt goedgekeurd door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

7.4 Adviesraad, 1997–

(677).

Handeling: Het adviseren aan het bestuur over de subsidieaanvragen

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 8 lid 3

Algemeen Reglement, art. 10 lid 1

Product: Advies

Waardering: B5

Opmerking: Het Algemeen Reglement wordt goedgekeurd door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

(678).

Handeling: Het desgevraagd of uit eigen beweging adviseren van het bestuur over vragen die het beleid raken van het Fonds voor de Letteren

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 8 lid 3

Huishoudelijk Reglement, art. 13-c

Product: Advies

Waardering: B1

(679).

Handeling: Het desgevraagd of uit eigen beweging adviseren van het bestuur over de te volgen procedures en de te hanteren criteria bij het behandelen van subsidieaanvragen

Periode: 1997–

Grondslag: Statuten (1997), art. 8 lid 3

Huishoudelijk Reglement, art. 13-b

Product: Advies

Waardering: B1