Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels programmaquota

Geldend van 05-04-2013 t/m heden

Regeling van het Commissariaat voor de Media van 18 december 2007 houdende beleidsregels omtrent Europese, onafhankelijke, recente, Nederlandstalige of Friestalige programmaonderdelen en oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking (Beleidsregels programmaquota)

Het Commissariaat voor de Media,

Gelet op de artikelen 134 en 135 van de Mediawet,

Gelet op de artikelen 4:81 en 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluit:

– strekking van de regeling –

Artikel 1

De Beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

– definities –

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder:

I. Europese quota

– Europese producties –

Artikel 3

  • 1 Een ‘producent’, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Europese richtlijn, wordt geacht in een Europese staat gevestigd te zijn indien zijn onderneming permanent is en over vast personeel beschikt dat zich zowel met productie- als commerciële activiteiten in Europa bezighoudt.

  • 2 Indien niet bekend is welke producent een productie tot stand heeft gebracht wordt onder ‘producent’, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Europese richtlijn, mede verstaan de distributeur van de productie. In dat geval wordt de staat waarin de distributeur is gevestigd aangemerkt als de staat waar de producent is gevestigd.

  • 3 Het tweede lid is slechts van toepassing indien de omroepinstelling die de productie heeft uitgezonden, naar genoegen van het Commissariaat, heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de relevante gegevens over de producent van de productie te achterhalen.

– onafhankelijke producties –

Artikel 4

  • 1 Als ‘onafhankelijke productie’ wordt mede aangemerkt:

    • a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling die een programma verzorgt tezamen met een onafhankelijke producent;

    • b. een aangekochte onafhankelijke productie.

  • 2 Niet als ‘onafhankelijke productie’ wordt aangemerkt:

    • a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling die een programma verzorgt;

    • b. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een producent die meer dan negentig procent van de door hem geproduceerde programmaonderdelen, in de drie afgelopen boekjaren, heeft geleverd aan dezelfde instelling die een programma verzorgt, en gedurende deze periode meer dan één programmaonderdeel of één serie programmaonderdelen heeft geproduceerd.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de landelijke publieke omroep, voorzover deze gebonden is aan het convenant.

– bereik commerciële omroepinstellingen –

Artikel 5

Voor de toepassing van artikel 71n, vijfde lid, van de wet wordt een televisieprogramma aangemerkt als ‘een televisieprogramma dat in slechts een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen’, indien het programma is bestemd voor die betreffende gemeenten en niet tevens wordt uitgezonden op een ander deel van het nationale omroepnetwerk of in andere gemeenten via een omroepzender.

– berekeningswijze –

Artikel 6

  • 1 Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese, onafhankelijke en recente producties

    wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid zendtijd per net en per kalenderjaar, verminderd met de zendtijd die is besteed aan de volgende programmaonderdelen:

    • a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

    • b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

    • c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele en educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

    • d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen en

    • e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

  • 2 Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese, onafhankelijke en recente producties, worden herhalingen van eerdere uitzendingen meegeteld.

– ontheffingen –

Artikel 7

  • 1 Ontheffingen van het percentage Europese producties, bedoeld in artikel 32h, derde lid, van het besluit kunnen in bijzondere gevallen, ten aanzien van een bepaald neventaakprogramma, tijdelijk gedeeltelijk worden verleend.

  • 2 Ontheffingen van het percentage Europese producties, bedoeld in artikel 71n, zesde lid, van de wet kunnen in bijzondere gevallen, ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijk worden verleend.

  • 3 Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval worden de aard van de zender, het niet voldoende kunnen verkrijgen van rechten voor Europese producties en bijzondere economische omstandigheden betrokken.

  • 4 Indien naar genoegen van het Commissariaat is aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval wordt in beginsel ontheffing verleend voor een periode van drie kalenderjaren.

  • 5 Het verzoek om ontheffing dient voorafgaand aan de periode waarvoor ontheffing wordt gevraagd, te worden ingediend.

II. Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen

– oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen –

Artikel 8

Als ‘oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen’ bedoeld in artikel 54a, eerste lid, van de wet en artikel 71o, eerste lid, van de wet, worden mede aangemerkt:

  • a. programmaonderdelen die Nederlands- of Friestalig zijn ingesproken;

  • b. programmaonderdelen die onderdelen van niet oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen bevatten, die in de Nederlandse of Friese taal worden begeleid door een presentator;

– berekeningswijze –

Artikel 9

  • 1 Voor de vaststelling van het behaalde percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen bedoeld in artikel 54a en artikel 71o van de wet wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid zendtijd per net en per kalenderjaar.

  • 2 Voor de vaststelling van het behaalde percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen worden herhalingen van eerdere uitzendingen meegeteld.

– ontheffingen –

Artikel 10

  • 1 In bijzondere gevallen kan op grond van artikel 32g, derde lid, van het besluit ten aanzien van een bepaald neventaakprogramma desgevraagd en onder voorwaarden het percentage oorspronkelijk Nederlandstalige of Friestalige programmaonderdelen lager worden vastgesteld.

  • 2 In bijzondere gevallen kan op grond van artikel 71o, derde lid, van de wet ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden het percentage oorspronkelijk Nederlandstalige of Friestalige programmaonderdelen lager worden vastgesteld.

  • 3 Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt gekeken naar de aard van de zender.

  • 4 Indien naar genoegen van het Commissariaat is aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval wordt het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen in beginsel lager vastgesteld voor een periode van drie kalenderjaren.

  • 5 Wanneer een commerciële omroepinstelling zich uitsluitend richt op een uitzendgebied buiten Nederland kan het percentage bedoeld in artikel 71o, eerste lid, van de wet op nul worden gesteld, zolang het format van het programma niet wijzigt.

  • 6 Het verzoek het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen lager vast te stellen dient voorafgaand aan het kalenderjaar te worden ingediend.

III. Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van ondertiteling

– ondertiteling –

Artikel 11

Als oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking worden aangemerkt oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen met ingebrande ondertiteling en oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van een ondertiteling die is op te roepen via een (ingebouwde) decoder zoals teletekst.

– bereik commerciële omroepinstellingen –

Artikel 12

Een commerciële omroepinstelling meldt onverwijld aan het Commissariaat wanneer zij een bereik heeft van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland.

– berekeningswijze –

Artikel 13

  • 2 Voor de vaststelling van het percentage ondertiteling bedoeld in artikel 16a en 34a van het besluit worden herhalingen van eerdere uitzendingen meegeteld.

  • 3 Voor de vaststelling van de totale hoeveelheid zendtijd genoemd in het eerste lid wordt de zendtijd besteed aan programmaonderdelen bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen buiten beschouwing gelaten.

  • 4 Voor de vaststelling van de totale hoeveelheid zendtijd genoemd in het eerste lid wordt de zendtijd besteed aan programmaonderdelen die in de Nederlandse taal zijn ingesproken én in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan 8 jaar buiten beschouwing gelaten.

  • 5 Voor de vaststelling van de totale hoeveelheid zendtijd genoemd in het eerste lid worden afzonderlijke videoclips buiten beschouwing gelaten.

– ontheffingen –

Artikel 14

  • 1 In bijzondere gevallen kan op grond van artikel 32g, derde lid, van het besluit, ten aanzien van een neventaakprogramma desgevraagd en onder voorwaarden het percentage ondertiteling lager worden vastgesteld.

  • 2 In bijzondere gevallen kan op grond van artikel 71o, derde lid, van de wet ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden het percentage ondertiteling lager worden vastgesteld.

Artikel 15

  • 1 Indien voor een neventaakprogramma naar genoegen van het Commissariaat is aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval wordt het percentage ondertiteling in beginsel lager vastgesteld voor een periode van maximaal 5 kalenderjaren.

  • 2 Indien ontheffing is verleend van het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen voor een neventaakprogramma, kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, waarbij het Commissariaat in dat geval het uit te zenden percentage ondertiteling gelijktijdig met het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen vaststelt.

Artikel 16

  • 1 Indien er ontheffing is verleend aan een commerciële omroepinstelling van het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen geldt de overgangstermijn opgenomen in artikel II van het besluit ondertiteling niet.

  • 2 Het Commissariaat stelt in dat geval het uit te zenden percentage ondertiteling gelijktijdig met het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen vast, waarbij rekening wordt gehouden met de bedoeling van de overgangstermijn als bedoeld in artikel II, tweede lid, van het besluit ondertiteling.

IV. Rapportage

Artikel 17

  • 3 De regionale publieke media-instellingen brengen eenmaal per twee jaar voor 1 april over de voorafgaande jaren verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 2.115, 2.117, 2.119 tot en met 2.122 van de Mediawet 2008 op de televisieprogrammakanalen.

  • 4 De commerciële media-instellingen met televisieprogrammakanalen met een technisch bereik gelijk aan of groter dan 75% van de Nederlandse huishoudens of een landelijk marktaandeel gelijk aan of groter dan 0,3% in ten minste één Europese lidstaat brengen eenmaal per twee jaar voor 1 april over de twee voorafgaande jaren verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 3.20 tot en met 3.25 van de Mediawet 2008 en artikel 17 van het Mediabesluit 2008.

  • 5 De commerciële media-instellingen met televisieprogrammakanalen met een technisch bereik kleiner dan 75% van de Nederlandse huishoudens en een landelijk marktaandeel kleiner dan 0,3% brengen op verzoek van het Commissariaat verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 3.20 tot en met 3.25 van de Mediawet 2008.

Artikel 18

De verslagen bedoeld in artikel 17, eerste lid, bevatten gegevens zowel in absolute zin als procentueel per televisieprogrammakanaal en voor de publieke landelijke media-instellingen als geheel, met uitzondering van de themakanalen, over de volgende onderwerpen:

  • a. totale duur van het programma-aanbod;

  • b. de voor berekening in aanmerking te nemen duur van het programma-aanbod, als bedoeld in artikel 6, eerste lid;

  • c. het percentage Europese producties;

  • d. het percentage Europese onafhankelijke producties;

  • e. het percentage recente producties;

  • f. het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties;

  • g. het percentage ondertiteling;

  • h. in opdracht geproduceerde producties bij Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • i. coproducties met Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • j. aankoop Europees onafhankelijk product, waarbij de producent is gevestigd buiten Nederland;

  • k. coproducties met Europese onafhankelijke producenten gevestigd buiten Nederland;

  • l. eigen producties;

  • m. overige producties;

  • n. herhalingen;

  • o. een statistisch overzicht van de mate waarin door de verschillende televisieprogrammakanalen aan de verplichtingen is voldaan;

  • p. per verzorgde productie moet in ieder geval worden aangegeven of

    • (1) de productie meetelt voor de berekening van de in aanmerking te nemen duur van het programma-aanbod als bedoeld in artikel 9 van deze regeling,

    • (2) taal,

    • (3) land van herkomst,

    • (4) productiejaar,

    • (5) naam van de producent,

    • (6) indien het een oorspronkelijk Nederlandstalig productie betreft of de productie is ondertiteld, en

    • (7) indien het een oorspronkelijk Nederlandstalig productie betreft die niet is ondertiteld of de productie in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan acht jaar.

Artikel 19

  • 2 In de verslagen bedoeld in artikel 17, tweede tot en met vijfde lid, van deze regeling wordt per verspreide productie aangegeven:

    • a. datum en tijdstip van verspreiding;

    • b. naam van de productie;

    • c. duur van de productie;

    • d. of de productie meetelt voor de berekening van de in aanmerking te nemen duur van het programma-aanbod als bedoeld in artikel 6 van deze regeling;

    • e. of het een Europese productie betreft;

    • f. land van herkomst;

    • g. of het een onafhankelijke Europese productie betreft;

    • h. naam van de producent;

    • i. naam van de distributeur;

    • j. of het een recente Europese productie betreft;

    • k. productiejaar;

    • l. of het een oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige productie betreft;

    • m. of de productie is voorzien van een voice-over, dan wel Nederlands is ingesproken;

    • n. indien het een oorspronkelijk Nederlandstalige productie betreft of deze is ondertiteld.

    • o. indien het een oorspronkelijk Nederlandstalige productie betreft die niet is ondertiteld of de productie in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan 8 jaar.

  • 3 De media-instellingen rapporteren op de door het Commissariaat voorgeschreven wijze.

  • 4 Het Commissariaat kan een media-instelling toestaan op andere wijze dan genoemd in het tweede lid te rapporteren.

  • 5 Het Commissariaat bepaalt welke weken dienen als steekproef als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Het Commissariaat deelt dit in de loop van het desbetreffende kalenderjaar mee.

  • 6 Het tweede lid, onder n en o is niet van toepassing op de regionale publieke media-instellingen en niet op commerciële media-instellingen met televisieprogrammakanalen met een technisch bereik kleiner dan 75% van de Nederlandse huishoudens.

Artikel 20

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

  • 2 De regeling van 1 december 2006 wordt ingetrokken.

  • 3 Deze regeling wordt aangehaald als Beleidsregels programmaquota.

  • 4 Deze regeling wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de internetsite van het Commissariaat voor de Media (www.cvdm.nl).

Commissariaat voor de Media,

Inge Brakman

voorzitter

Jan van Cuilenburg

commissaris

Bijlage 1. Beleidsregels programmaquota

Artikel 6 van de Europese richtlijn

1. In de zin van het onderhavige hoofdstuk worden onder Europese producties verstaan:

  • a. producties die afkomstig zijn uit lidstaten;

  • b. producties die afkomstig zijn uit derde Europese Staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa en die voldoen aan de voorwaarden van lid 2;

  • c. producties afkomstig uit andere Europese derde Staten en die voldoen aan de voorwaarden van lid 3.

Voorwaarde voor de toepassing van het bepaalde in de letters b) en c) is dat producties die afkomstig zijn uit lidstaten, in de betrokken derde landen niet worden getroffen door discriminerende maatregelen.

2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde producties zijn producties die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in een of meer in dat lid, onder a) en b), bedoelde Staten woonachtig zijn en die aan een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

  • a. deze producties zijn tot stand gebracht door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten;

  • b. de vervaardiging ervan wordt door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten gesuperviseerd en daadwerkelijk gecontroleerd;

  • c. de bijdrage van de coproducenten van deze Staten in de totale kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de coproductie wordt niet door een of meer buiten deze Staten gevestigde producenten gecontroleerd.

3. De in lid 1, onder c), bedoelde producties zijn producties die uitsluitend of in coproductie met in een of meer lidstaten gevestigde producenten zijn vervaardigd door producenten die gevestigd zijn in een of meer derde Europese staten waarmee de Gemeenschap op de audiovisuele sector betrekking hebbende overeenkomsten heeft gesloten, indien die producties voornamelijk zijn vervaardigd met de hulp van auteurs en medewerkers die woonachtig zijn in een of meer Europese staten.

4. Producties die geen Europese producties in de zin van lid 1 zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieverdragen, worden als Europese producties beschouwd wanneer de coproducenten uit de Gemeenschap een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en over de productie niet door een of meer buiten de lidstaten gevestigde producenten zeggenschap wordt uitgeoefend.

5. Producties die geen Europese producties zijn in de zin van de leden 1 en 4, maar die voornamelijk met behulp van in een of meer lidstaten gevestigde auteurs en medewerkers zijn vervaardigd, worden als een Europese productie beschouwd naar rato van het aandeel van coproducenten uit de Gemeenschap in de totale productiekosten.

Artikel 54 Mediawet

1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig procent besteed aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste vijfentwintig procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste zeventieneneenhalf procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt programma-onderdelen die niet zijn geproduceerd door:

  • a. een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;

  • b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

  • c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

  • d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde gevallen programma-onderdelen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

  • a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;

  • b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;

  • c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

  • d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.

8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 54a Mediawet

1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het derde lid.

Artikel 71n Mediawet

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

  • a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt;

  • b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

  • c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

  • d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

  • a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

  • b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

  • c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

  • d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en

  • e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

5. Dit artikel is niet van toepassing op:

  • a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;

  • b. televisieprogramma’s als bedoeld in artikel 71j;

  • c. televisieprogramma’s die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.

6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 71o Mediawet

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages lager vaststellen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor bijzondere omroep.

Artikel 16a Mediabesluit

1. In de zendtijd voor televisie van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de totale hoeveelheid zendtijd die wordt besteed aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen, voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:

  • a. 1 januari 2008 ten minste 80 procent;

  • b. 1 januari 2009 ten minste 85 procent;

  • c. 1 januari 2010 ten minste 90 procent;

  • d. 1 januari 2011 ten minste 95 procent.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen verzorgd door de Stichting Etherreclame buiten beschouwing gelaten.

Artikel 32g

1. Op neventaken is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 26, eerste lid, 27 tot en met 28a, 41a, 43a tot en met 43c, 48, 50, achtste lid, 52 tot en met 53a en 64c van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.

2. Op neventaken die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54a van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 32h

1. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid, eerste en tweede volzin, van genoemd artikel een percentage van tien geldt.

2. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, zesde en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen tijdelijk gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid voor zover het betreft artikel 54, eerste lid en zesde lid, eerste volzin, van de Mediawet, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 34a Mediabesluit

1. In het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling met een bereik van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de uitzenduren aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:

  • a. 1 januari 2008 ten minste 15 procent;

  • b. 1 januari 2009 ten minste 25 procent;

  • c. 1 januari 2010 ten minste 35 procent;

  • d. 1 januari 2011 ten minste 50 procent.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen bestaande uit reclame- of telewinkelboodschappen buiten beschouwing gelaten.

Artikel II van het besluit tot wijziging van het Mediabesluit (ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking)

1. In afwijking van artikel 34a, tweede lid, van het Mediabesluit geldt de in het tweede lid vermelde overgangsregeling voor een commerciële omroepinstelling:

  • 1°. die na 31 december 2006 een toestemming als bedoeld in artikel 71a van de Mediawet heeft verkregen, of

  • 2°. waarvan het televisieprogramma na 31 december 2006 voor de eerste maal een bereik heeft van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland.

2. Het in artikel 34a, eerste lid, van het Mediabesluit bedoelde percentage is met ingang van:

  • a. 1 januari van het tweede kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 15 procent;

  • b. 1 januari van het derde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 25 procent;

  • c. 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 35 procent;

  • d. 1 januari van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 50 procent.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in afwijking van de in het tweede lid genoemde percentages ten aanzien van een commerciële omroepinstelling een hoger percentage vaststellen, indien het Commissariaat ten aanzien van die commerciële omroepinstelling op grond van artikel 71o, derde lid, van de Mediawet desgevraagd het percentage, bedoeld in artikel 71o, eerste lid, van de Mediawet lager heeft vastgesteld.