Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling bodemkwaliteit

Geldend van 09-04-2009 t/m 17-11-2009

Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definitiebepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Aantoonbaarheidsgrens: laagste gehalte van een parameter waarbij de aanwezigheid daarvan aantoonbaar is volgens AP 04, bedoeld in bijlage C voor bouwstoffen en volgens bijlage L voor bodem, grond en baggerspecie;

ASTM-norm: normdocument uitgegeven door de American Society for Testing and Materials, waarvan de uitgave is weergegeven in bijlage D ;

Bepalingsgrens: laagste kwantificeerbare gehalte van een parameter, dat voor bouwstoffen overeenkomt met driemaal de aantoonbaarheidsgrens en voor bodem, grond en baggerspecie is opgenomen in bijlage L ;

Besluit: Besluit bodemkwaliteit;

Bodem+: onderdeel van het agentschap SenterNovem te Den Haag;

Bodemkwaliteitszone: aaneengesloten deel of meerdere niet aaneengesloten delen van een beheersgebied met een gelijke ontstaans- en gebruiksgeschiedenis, als gevolg waarvan sprake is van een vergelijkbare actuele kwaliteit van de bodem;

BRL: beoordelingsrichtlijn, zijnde een door het college van deskundigen bindend verklaard document dat wordt gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van certificaten;

CAS-nr: uniek identificatienummer dat is toegekend aan alle chemische stoffen die zijn geregistreerd door de Chemical Abstracts Service, die onderdeel is van de American Chemical Society.

College van deskundigen: door de Raad voor Accreditatie geaccepteerd college dat een of meer BRL’en onder beheer heeft en waarin de bij certificatie belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd;

CROW: kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte te Ede;

CROW publicatie: publicatie van het CROW, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

Deelpartij: partij die is afgezonderd van een gekeurde partij;

Gestandaardiseerde gehalten: volgens onderdeel III in bijlage G naar standaardbodem gecorrigeerde gehalten in bodem onder oppervlaktewater, grond of baggerspecie;

K-waarde: waarde die een maat vormt voor de keuringsfrequentie bij erkende kwaliteitsverklaringen en een criterium geeft voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring;

Kengetal: statistische maat voor de verdeling van de gemeten gehalten binnen een bodemkwaliteitszone;

Lutum: gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm, betrokken op het totale drooggewicht van grond of baggerspecie;

MsPAF: Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging;

Nationale BRL: door de Harmonisatie Commissie Bouw aanvaarde BRL voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen;

NEN: Nederlandse Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NEN-EN: Europese Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NEN-ISO: Internationale Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NPR: Nederlandse Praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NVN: Nederlandse Voornorm, vooruitlopend op een NEN-norm, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

P95: 95-percentielwaarde, zijnde een kengetal van de kwaliteit van de bodem binnen een bodemkwaliteitszone, welke per stof wordt uitgedrukt in een gehalte (mg/kg droge stof), betreffende de waarde waarvoor geldt dat ten minste 95% van de meetwaarden voor de stof binnen de bodemkwaliteitszone een waarde heeft die kleiner dan of gelijk is aan deze waarde, berekend met de ‘Empirical distribution function with interpolation (MS Excel) method’];

Sanering van de bodem: beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem, waaronder mede begrepen de bodem onder oppervlaktewater, alsmede de nazorg daarvan;

Standaardbodem: bodem met 25% lutum en 10% organische stof.

Hoofdstuk 2. Kwaliteit van de uitvoering

Artikel 2.1. Aanwijzing van werkzaamheden

  • 1 Als werkzaamheden als bedoeld in het besluit worden aangewezen:

    • a. aanleg van bodembeschermende voorzieningen;

    • b. afgeven van kwaliteitsverklaringen op grond van een nationale BRL;

    • c. analyse van bouwstoffen, grond of baggerspecie ter voldoening aan een verplichting die geldt bij of krachtens het besluit;

    • d. analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek bij een verkennend onderzoek, een orienterend onderzoek, een nader onderzoek of een saneringsonderzoek als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming of een vergelijkbaar onderzoek van de bodem;

    • e. bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, zijnde de procesmatige ex situ reiniging en bewerking daarvan, met uitzondering van het ontwateren van baggerspecie waarvoor op grond van de Wet milieubeheer geen vergunning is vereist;

    • f. certificering van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd;

    • g. periodieke inspectie van bodembeschermende voorzieningen;

    • h. milieukundige begeleiding, die bestaat uit verificatie en processturing bij een sanering van de bodem;

    • i. monsterneming bij partijkeuringen ter voldoening aan een verplichting die geldt bij of krachtens het besluit;

    • j. produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie die is bestemd voor toepassing in Nederland en waarvoor een erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven;

    • k. uitvoering van een sanering van de bodem;

    • l. veldwerk, dat bestaat uit het plaatsen van boringen en peilbuizen ten behoeve van het nemen van grond- en grondwatermonsters , het nemen van grond- en grondwatermonsters, of locatie-inspectie en monsterneming van asbest in de bodem;

    • m. verwijderen, onklaar maken en installeren van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages;

    • n. de beoordeling en keuring van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages en daarbij behorende voorzieningen;

    • o. de goedkeuring van een ontwerp, een beheers- en controleplan of afwijkingen van het ontwerp, als bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.9.1, vierde lid, 3.9.4, vierde lid, en 3.9.6, tweede lid, onder c;

    • p. het bepalen van het ontwerppeil van het grondwater, als bedoeld in artikel 3.9.3;

    • q. het aanbrengen van isolerende voorzieningen, bedoeld in artikel 3.9.6, eerste lid;

    • r. de controle van de staat van een werk, als bedoeld in artikel 3.9.8, eerste lid, onder c.

  • 2 De handelingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, d, g, h, k, l, m en n, zijn alleen aangemerkt als werkzaamheid voor zover ze worden uitgevoerd:

  • 3 De handeling, bedoeld in het eerste lid, onder k, wordt niet aangemerkt als werkzaamheid, indien artikel 27 of 30 van de Wet bodembescherming daarop van toepassing is en onverwijld maatregelen moeten worden genomen om de verontreiniging of de aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

  • 4 De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met n, zijn beschreven in de normdocumenten als bedoeld in artikel 2.7.

  • 5 De werkzaamheid, bedoeld in het eerste lid, onder j, voldoet aan de eisen van de desbetreffende nationale BRL die bij categorie 10 in bijlage C is aangewezen en de eisen in het document HBC/2006-200 van de Harmonisatie Commissie Bouw, dat is opgenomen in bijlage D.

Artikel 2.2. Basis erkenning

  • 2 Een erkenning voor de werkzaamheid bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, wordt alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van een van de pakketten bedoeld in de onderdelen genoemd bij categorie 3 in bijlage C. Indien de aanvraag betrekking heeft op het onderdeel samenstelling grond of het onderdeel samenstelling bouwstoffen dan kan de erkenning alleen worden verleend indien de instelling is geaccrediteerd voor pakket SG1, onderscheidenlijk pakket SB1. In afwijking van de eerste volzin is het, met uitzondering van de verrichtingen die betrekking hebben op uitloogonderzoek, toegestaan één verrichting van een pakket uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

  • 3 Een erkenning voor de werkzaamheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, wordt alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van het onderdeel SIKB-protocol 3010 of SIKB-protocol 3110, zoals vermeld bij categorie 4 in bijlage C. In afwijking van de vorige volzin is het toegestaan één verrichting van een SIKB-protocol uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

  • 4 Voor zover een erkenning voor de werkzaamheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l, wordt gebaseerd op een accreditatie, wordt deze erkenning alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van het onderdeel SIKB-protocol 2001 of SIKB-protocol 2002, zoals vermeld bij categorie 12 in bijlage C. In afwijking van de vorige volzin is het toegestaan ten hoogste drie verrichtingen (NEN normen) van een SIKB-protocol uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

Artikel 2.3. Persoonsregistratie

Als handelingen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit worden aangewezen de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, i en l, voorzover deze handelingen in het tweede lid van laatstgenoemd artikel zijn aangemerkt als werkzaamheid.

Artikel 2.4. Website voor erkende personen en instellingen

Als website, bedoeld in artikel 9, vierde lid, wordt aangewezen: http://www.bodemplus.nl.

Artikel 2.5. Onafhankelijkheidseisen

Artikel 2.6. Formulieren voor aanvragen, verzoeken en meldingen

Het formulier, bedoeld in de artikelen 10, 12, tweede lid, 19 en 20 van het besluit is verkrijgbaar bij Bodem+.

Artikel 2.7. Aanwijzing van normdocumenten

Als normdocumenten als bedoeld in artikel 25 van het besluit worden aangewezen de certificatierichtlijnen, accreditatierichtlijnen, protocollen en andere onderdelen, die bij de betrokken categorie van werkzaamheden in bijlage C zijn vermeld.

Hoofdstuk 3. Bouwstoffen

Paragraaf 3.1. Bepaling bouwstofkarakter materiaal

Artikel 3.1.1. Monsterneming en voorbehandeling

  • 1 Ingeval het onduidelijk is of een materiaal als bouwstof moet worden aangemerkt, worden de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium daarin bepaald. Hiertoe worden aselect over de hele partij ten minste twaalf grepen genomen, die ieder worden verdeeld over drie mengmonsters.

  • 2 De mengmonsters worden voorbehandeld door ze te drogen bij 40 °C volgens NVN 7312.

  • 3 Elk mengmonster wordt verkleind met een kruisslagmolen of een vergelijkbare molen met een zeef van 500 µm. Vervolgens wordt het mengmonster verdeeld door middel van roterend verdelen, overeenkomstig NVN 7312 hoofdstuk 7.7.2. Per mengmonster wordt één deelmonster van minimaal 250 gram verder vermalen tot 250 µm met gebruik van hoofdstuk 7.6.3 ‘Verkleinen tot deeltjes kleiner dan 125 µm’ van NVN 7312. De verkleinde deelmonsters worden geanalyseerd volgens artikel 3.1.2.

  • 4 Indien het materiaal bestaat uit elementen of proefstukken, worden daarvan stukken van ten minste 80 gram afgehaald. Het vierde lid, de tweede volzin uitgezonderd, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.2. Analyse en berekening

  • 1 De ontsluiting van de deelmonsters en de analyse van silicium, calcium of aluminium daarin worden uitgevoerd overeenkomstig ASTM-norm D 3682-01.

  • 2 Voor de berekening van de massa’s silicium, calcium en aluminium in de deelmonsters en van het gemiddelde percentage van deze stoffen in de bouwstof, wordt de werkwijze gehanteerd, zoals beschreven in bijlage E.

  • 3 De uitkomsten van de monsterneming, de analyse en de berekening worden vastgelegd in een rapportage.

Paragraaf 3.2. Bepaling eigenschappen bouwstof

Artikel 3.2.1. Bepaling volume kleinste eenheid op basis van afmetingen

  • 1 De bepaling of een bouwstof vormgegeven is, vindt plaats door het volume van de kleinste eenheid van de desbetreffende bouwstof te bepalen, indien de bouwstof bestaat uit elementen van ongeveer gelijke grootte.

  • 2 Het volume van een bouwstof wordt bepaald door de afmetingen ervan te bepalen en door van het totale volume het volume van de holten en gaten in het oppervlak af te trekken.

  • 3 Indien het volume van een bouwstof tussen 50 cm3 en 100 cm3 is, wordt het volume nader bepaald door onderdompeling van het element in water op de wijze, bepaald in hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2 en door berekening met de in bijlage F aangegeven formule.

Artikel 3.2.2. Bepaling volume kleinste eenheid op basis van zeefproef

  • 1 De bepaling of een bouwstof vormgegeven is, vindt plaats door de korrelverdeling te bepalen met behulp van een zeefproef indien het een granulaire bouwstof betreft met een opbouw in korrelverdeling. Hierbij worden aselect over de hele partij zes monsters genomen uit een statische partij of drie monsters uit een stroom.

  • 2 Voor elk monster wordt één greep genomen volgens hoofdstuk 4.5 van NEN-EN 13383-2.

  • 3 De monsters zijn minimaal zo groot dat de getalswaarde van de massa in kg ten minste tweemaal de getalswaarde bedraagt van de d95 in mm. Hierbij is de d95 gelijk aan de maat van de zeef, waardoor ten minste 95% van de massa van een monster valt.

  • 4 De korrelverdeling van de monsters wordt bepaald volgens hoofdstuk 5 van NEN-EN 13383-2.

  • 5 Indien de korrelverdeling voldoet aan het gestelde in bijlage F, wordt de bouwstof aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van 50 cm3.

Artikel 3.2.3. Bepaling duurzame vormvastheid

Een bouwstof, met uitzondering van de bouwstoffen genoemd in bijlage F, geldt als duurzaam vormvast indien deze in een diffusieproef volgens NEN 7375 gedurende 64 dagen minder massaverlies vertoont dan:

  • a. 1500 g/m2 voor lichtgebonden steenmengsels voor wegfunderingen, beproefd direct na een verhardingstijd van 28 dagen,

  • b. 500 g/m2 voor lichtgebonden steenmengsels, beproefd direct na een verhardingstijd van 91 dagen (verharding bij 20 °C en bij een relatieve vochtigheid van tenminste 90%), of

  • c. 30 g/m2 voor alle andere materialen.

Paragraaf 3.3. Toetsing aan maximale emissie- en samenstellingswaarden

Artikel 3.3.1. Bepaling emissie- en samenstellingswaarden

  • 1 De emissie van parameters uit niet-vormgegeven bouwstoffen, uit vormgegeven bouwstoffen waarvan de uitloging oplosbepaald is volgens de voorschriften van NEN 7375 en uit vormgegeven bouwstoffen met een open, afwaterende structuur, bedoeld in bijlage F, wordt bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383 of de beschikbaarheidsproef volgens NEN 7371.

  • 2 De emissie van parameters uit vormgegeven bouwstoffen, waarvan de uitloging diffusiebepaald is, wordt bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7375 of de proeven uit het eerste lid. De emissie wordt in de diffusieproef berekend over 64 dagen volgens NEN 7375 onderdeel 9.4.

  • 3 De samenstellingswaarden van bouwstoffen worden bepaald met de technieken beschreven in AP 04.

  • 4 Indien de bepaling van de samenstelling of emissie volgens AP04 is gekoppeld aan een specifieke wijze van toepassing, wordt:

    • a. deze toepassingsvoorwaarde gerapporteerd door de persoon of instelling die de bouwstof heeft onderzocht en weergegeven op de milieuhygiënische verklaring, en

    • b. de bouwstof op deze wijze toegepast.

Artikel 3.3.2. Bepaling emissiewaarden uit afwijkende bouwstoffen

  • 1 Indien bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van het onderzochte materiaal onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, wordt de emissie berekend aan de hand van de formule in bijlage K.

  • 2 Indien de emissie, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan L/S=2, gelden voor het desbetreffende materiaal geen maximale emissiewaarden.

  • 3 Indien bij een diffusieproef volgens NEN 7375 voor een bepaalde parameter geen diffusiegecontroleerd traject kan worden vastgesteld, wordt de bovengrens van de uitloging volgens de methode beschreven in onderdeel 9.6 van NEN 7375 berekend voor T=36500 dagen. Deze berekende bovengrens gedeeld door 24 geldt als de emissie uit de bouwstof.

Artikel 3.3.3. Voldoen aan de maximale emissie- en samenstellingswaarden

  • 1 De maximale waarden voor de emissie uit vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen en voor de samenstelling van bouwstoffen zijn opgenomen in bijlage A.

  • 2 Een bouwstof voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in het eerste lid, indien de gemiddelde emissie- en samenstellingswaarden voor iedere parameter kleiner of gelijk zijn aan deze maximale waarden. Het gemiddelde wordt berekend door per parameter het gemiddelde te bepalen van de geanalyseerde mengmonsters, bedoeld in 3.4.1, tweede lid.

  • 3 Indien de door het laboratorium gerapporteerde bepalingsgrens van een parameter boven de maximale samenstellingswaarde ligt, wordt deze verhoogde bepalingsgrens gehanteerd als de maximale samenstellingswaarde. Het laboratorium motiveert deze afwijking in de rapportage.

Paragraaf 3.4. Partijkeuringen

Artikel 3.4.1. Uitvoering partijkeuring

  • 1 Bij een partijkeuring worden aselect over de hele partij tenminste twaalf grepen genomen.

  • 2 Deze grepen worden evenredig verdeeld over ten minste twee mengmonsters, die zijn bestemd om te worden voorbehandeld en geanalyseerd overeenkomstig paragraaf 3.3.

Artikel 3.4.2. Rapportage en verklaring partijkeuring

  • 1 De uitkomst van de partijkeuring wordt vastgelegd in een rapportage, die de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die de monsters heeft genomen en van de instelling die de monsters heeft geanalyseerd, en de naam van de feitelijke natuurlijke persoon die de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • b. de data waarop monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse zijn uitgevoerd;

    • c. een verwijzing naar de gebruikte normdocumenten en methoden, en een onderbouwing van afwijkingen hiervan, indien deze het analyseresultaat beïnvloeden;

    • d. het monsternemingsformulier en monsternemingsplan of een kopie daarvan;

    • e. een beschrijving van de partij, waaronder de ligging, kenmerken en partijgrootte;

    • f. een beschrijving van het monster, waaronder de aanwezigheid van eventuele metalen delen, de massa en de samenstelling of vermoedelijke samenstelling;

    • g. het analyserapport van het laboratorium, inclusief de gemiddelde samenstellings- en emissiewaarden, een onderbouwing van de gekozen parameters, en de verhouding tussen de meetwaarden en daaruit voortvloeiende conclusies, en

    • h. een uniek nummer.

  • 2 Indien de partij voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, wordt een milieuhygiënische verklaring afgegeven, die de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van degene die de milieuhygiënische verklaring afgeeft;

    • b. de naam van de desbetreffende bouwstof;

    • c. de toepasbaarheid van de bouwstof en eventuele voorwaarden die hierbij gelden, en

    • d. voor welk toepassingsgebied de partij voldoet.

Paragraaf 3.5. Fabrikant-eigenverklaringen

Artikel 3.5.1. Eisen fabrikant-eigenverklaring

  • 1 Een producent kan voor een bouwstof een fabrikant-eigenverklaring afgeven, indien:

    • a. alle parameters voldoen aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid;

    • b. asbest voldoet aan een maximale samenstellingswaarde van 10 mg/kg droge stof voor producten bedoeld in tabel 2 van bijlage A, onder punt 6;

    • c. de k-waarden voor alle parameters voldoen aan het k-waardecriterium in artikel 3.5.3, en

    • d. de producent beschikt over een werkend systeem van interne kwaliteitsbewaking als bedoeld in artikel 3.5.4.

  • 2 Een producent geeft geen fabrikant-eigenverklaring af, indien sprake is van enkelvoudige partijen zonder onderlinge samenhang in kwaliteit.

Artikel 3.5.2. Het toelatingsonderzoek

  • 1 De producent toont met een toelatingsonderzoek aan dat de bouwstof voldoet aan artikel 3.5.1.

  • 2 Het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd onder toezicht van een instelling die is erkend voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen op basis van de desbetreffende nationale BRL, of op basis van een nationale BRL voor een vergelijkbare bouwstof.

  • 3 Bij het toelatingsonderzoek worden ten minste tien partijen onderzocht door middel van een partijkeuring als bedoeld in paragraaf 3.4. Hierbij geldt dat:

    • a. de partijen qua grootte, productieproces, grondstoffen, productieperiode en afzet waarin het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd, representatief zijn voor de productie en evenredig over de productieperiode zijn verdeeld, en

    • b. het bepaalde onder a. blijkt uit een rapportage.

  • 4 Het is toegestaan om gebruik te maken van partijkeuringen uit een eerder toelatingsonderzoek en van eerdere verificatiekeuringen in het kader van een erkende kwaliteitsverklaring.

  • 5 De keuringen, bedoeld in het vorige lid, kunnen zijn uitgevoerd in gemeenschappelijke toelatingsonderzoeken en verificatie, mits de producent:

    • a. ten minste één partijkeuring uitvoert die betrekking heeft op de eigen bouwstof, en

    • b. onderbouwt dat de productiewijze en de grondstoffen voldoende aansluiten op die van de gemeenschappelijke cluster.

  • 6 De monsterneming voor de partijkeuring, bedoeld in het derde lid, kan door de producent worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende voorschriften in bijlage C. Bij het toelatingsonderzoek wordt dit gecontroleerd.

  • 7 Indien uit het toelatingsonderzoek blijkt dat aan artikel 3.5.1 is voldaan, geeft de certificeringsinstelling een eenmalige verklaring af dat de producent onder de gegeven omstandigheden een fabrikant-eigenverklaring kan afgeven.

  • 8 De producent meldt het gebruik van de fabrikant-eigenverklaring uiterlijk binnen een maand aan Onze Minister en stuurt daarbij de verklaring van de certificeringsinstelling mee.

  • 9 Onze Minister draagt zorg voor de bekendmaking van de producenten die een fabrikant-eigenverklaring mogen afgeven voor de daarbij genoemde bouwstoffen.

Artikel 3.5.3. Bepaling k-waarde

  • 2 Het k-waardecriterium is dat de k-waarden van alle parameters in een bouwstof groter zijn dan 2,07.

  • 3 Indien de gemeten samenstellings- of emissiewaarden onder de bepalingsgrens liggen, wordt de bepalingsgrens gebruikt voor de berekening van de k-waarde.

  • 4 Een parameter voldoet in elk geval aan het k-waardecriterium, indien alle meetwaarden van de desbetreffende parameter:

    • a. onder de bepalingsgrens liggen;

    • b. onder γ maal de desbetreffende maximale samenstellings- of emissiewaarde liggen, zoals in bijlage H aangegeven voor tien keuringen.

  • 5 Voor asbest wordt geen k-waarde bepaald.

Artikel 3.5.4. Interne kwaliteitsbewaking

  • 1 De interne kwaliteitsbewaking bij de productie van de bouwstof bevat:

    • a. een kwaliteitssysteem dat waarborgt dat bouwstoffen worden geproduceerd die voldoen aan de eisen van artikel 3.5.1;

    • b. een kwaliteitshandboek waarin het kwaliteitssysteem inzichtelijk is gedocumenteerd, met heldere voorschriften en procedures voor alle productiestappen en controles;

    • c. een register waarin de resultaten van het kwaliteitssysteem worden bijgehouden, waaronder een beschrijving van het product, de productiedatum, de gebruikte testmethode, de productiekenmerken, de gebruikte acceptatiecriteria voor grondstoffen en een overzicht van geleverde partijen met vermelding van de afnemer.

  • 2 Het kwaliteitssysteem, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat:

    • a. de gegevens van de functionaris die is belast met het beheer van het kwaliteitssysteem;

    • b. een functionerend IKB-schema dat betrekking heeft op de grondstoffen, het productieproces, de eindproducten, de status van meet- en bepalingsmethoden, het interne transport, de opslag en de identificatie van half- en eindproducten. Uit dit IKB-schema blijkt dat bij voortduring bouwstoffen worden vervaardigd die aan artikel 3.5.1 voldoen, en

    • c. een beschrijving hoe elk van de onderdelen onder b wordt gecontroleerd, welke controlemethode en controlefrequentie worden gehanteerd en de wijze waarop de controleresultaten worden geregistreerd en bewaard.

  • 3 Indien bouwstoffen of partijen niet voldoen aan de kwaliteit die is vastgesteld in het toelatingsonderzoek worden correctieve maatregelen genomen. Deze maatregelen worden bijgehouden in het register.

  • 4 De producent bewaart de informatie over het kwaliteitssysteem en het register ten minste vijf jaar.

Artikel 3.5.5. Invulling fabrikant-eigenverklaring

  • 1 De fabrikant-eigenverklaring bevat de volgende gegevens:

    • a. de verklaring van de producent dat de bouwstof voldoet aan de gestelde criteria in artikel 3.5.1;

    • b. de naam en het adres van de producenten de specifieke productielocatie;

    • c. een nauwkeurige specificatie of beschrijving van de bouwstof;

    • d. eventuele bijzondere voorwaarden voor het gebruik van de bouwstof;

    • e. een uniek nummer.

  • 2 Voor het opstellen van een fabrikant-eigenverklaring wordt gebruikt gemaakt van het format dat verkrijgbaar is bij Bodem+.

Paragraaf 3.6. Erkende kwaliteitsverklaringen

Artikel 3.6.1. Het toelatingsonderzoek

  • 1 Het toelatingsonderzoek ter verkrijging van een erkende kwaliteitsverklaring wordt uitgevoerd door en onder toezicht van een instelling die is erkend voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen en bestaat uit een productcontrole en een beoordeling van het kwaliteitssysteem.

  • 2 Bij de productcontrole controleert de instelling, bedoeld in het eerste lid, of de bouwstof voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, door vijf of tien partijen te onderwerpen aan een partijkeuring, als bedoeld in paragraaf 3.4. Hierbij geldt dat:

    • a. de onderzochte partijen qua grootte, productieproces, grondstoffen, productieperiode en afzet waarin het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd, representatief zijn voor de productie en evenredig over de periode zijn verdeeld, en

    • b. het onder a. bepaalde blijkt uit een rapportage.

  • 3 De monsterneming bij de partijkeuring, bedoeld in het vorige lid, mag worden uitgevoerd door de producent, volgens de daarvoor geldende voorschriften in bijlage C. Bij het toelatingsonderzoek wordt dit gecontroleerd.

  • 4 Bij de beoordeling van de kwaliteitsbewaking beoordeelt de instelling, bedoeld in het eerste lid, de doeltreffendheid en correcte toepassing van het kwaliteitssysteem op de productielocatie.

  • 5 Op basis van de uitkomsten van het toelatingsonderzoek kan de instelling, bedoeld in het eerste lid, een kwaliteitsverklaring afgeven voor de productie van de desbetreffende bouwstof.

Artikel 3.6.2. Keuringsfrequentie

  • 1 Bij het toelatingsonderzoek, bedoeld in artikel 3.6.1, wordt de k-waarde voor elke parameter in bijlage A over vijf of tien partijen berekend, zoals aangegeven in bijlage H.

  • 2 Bij de productiecontrole op de gecertificeerde bouwstof wordt ten minste een keuringsfrequentie van een parameter gehanteerd, die behoort bij de hiervoor berekende k-waarde, zoals aangegeven in bijlage H.

  • 3 Na iedere verificatiekeuring wordt de keuringsfrequentie opnieuw berekend op basis van het voortschrijdende gemiddelde. Hierbij geldt dat voor de berekening:

    • a. de oudste keuringsgegevens vervallen, en

    • b. de nieuwste keuringsgegevens worden toegevoegd.

  • 4 Indien meetwaarden voor de berekening van de k-waarde onder de bepalingsgrens liggen, wordt de bepalingsgrens gebruikt voor de berekening.

  • 5 In afwijking van het eerste en tweede lid, mag voor een parameter de berekening van de k-waarde achterwege blijven en worden uitgaan van een gegeven keuringsfrequentie, indien alle vijf of tien meetwaarden van de desbetreffende parameter:

    • a. onder de bepalingsgrens liggen, waarbij de keuringsfrequentie gelijk mag worden gesteld aan eenmaal per drie jaar, of

    • b. onder γ maal de betreffende maximale samenstellings- of emissiewaarde liggen, waarbij de keuringsfrequentie mag worden gebruikt zoals gegeven in bijlage H.

  • 6 In afwijking van het derde lid mag bij structurele verbetering van de samenstellings- of emissiewaarde van een parameter tijdelijk worden afgeweken van het voortschrijdend gemiddelde. Hierbij geldt dat:

    • a. de nieuwe waarde wordt getoetst met behoudt van de oude spreiding in meetwaarden;

    • b. de nieuwe spreiding wordt bepaald wanneer vijf nieuwe keuringen zijn uitgevoerd, en

    • c. toestemming nodig is van de certificeringsinstelling.

  • 7 Indien de keuringsfrequentie van een parameter uitkomt in het partijkeuringsregime, bedoeld in bijlage H, worden individuele partijen bij overschrijding van de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, afgekeurd.

  • 8 Een parameter gaat van het partijkeuringsregime over naar het steekproefregime, indien:

    • a. de berekende k-waarde hoog genoeg is, en

    • b. deze k-waarde is bepaald aan de hand van tien keuringen, waarvan ten minste vijf zijn uitgevoerd onder het partijkeuringsregime.

  • 9 In afwijking van het eerste en tweede lid mag voor een parameter een keuringsfrequentie worden bepaald op basis van de verdelingsvrije toets, zoals beschreven in bijlage H.

  • 10 Voor asbest wordt geen k-waarde bepaald of verdelingsvrije toets uitgevoerd.

Artikel 3.6.3. Certificering bouwstoffen die niet uit gecontroleerd productieproces komen

  • 1 Voor enkelvoudige partijen zonder onderlinge samenhang die niet voldoen aan artikel 3.6.1., tweede lid, onder a, kan een kwaliteitsverklaring worden afgegeven, mits elke partij wordt gekeurd volgens het partijkeuringsregime, bedoeld in bijlage H en voldoet aan de overige eisen van artikel 3.6.1.

  • 2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt de bepaling van de keuringsfrequentie, bedoeld in artikel 3.6.2, niet uitgevoerd.

Artikel 3.6.4. Invulling erkende kwaliteitsverklaringen

Een erkende kwaliteitsverklaring bevat de volgende gegevens:

  • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale BRL;

  • b. de certificatie-eisen waaraan de producten zijn getoetst;

  • c. de specificatie van het product;

  • d. de datum vanaf welke het certificaat geldig is;

  • e. eventuele bijzondere voorwaarden voor het gebruik van het product;

  • f. een uniek nummer waarmee naar de verklaring kan worden verwezen.

Paragraaf 3.7. Bouwstoffen en partijen

Artikel 3.7.1. Afgifte milieuhygiënische verklaringen

Een producent geeft niet meer dan één type milieuhygiënische verklaring af per product.

Artikel 3.7.2. Afleveringsbon

  • 1 De afleveringsbon bevat de volgende gegevens:

    • a. het nummer en type van de milieuhygiënische verklaring;

    • b. de datum van afgifte van de partij;

    • c. de producent, de leverancier of de productielocatie van de partij;

    • d. de naam van de bouwstof waarop de afleveringsbon betrekking heeft;

    • e. de aard van de bouwstof;

    • f. de grootte van de partij in tonnen;

  • 3 De eigenaar van de partij maakt in zijn administratie inzichtelijk waar de partij vandaan komt, of deze is gesplitst en wat de bestemming is.

Artikel 3.7.3. Splitsen van partijen

  • 1 Indien een partij wordt gesplitst in deelpartijen, voldoen de deelpartijen aan de maximale samenstellings- en emissiewaarden van bijlage A.

  • 2 Voor de deelpartijen kan gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits de relatie tussen deelpartij en oorspronkelijke partij of productieproces, alsmede wie de splitsing heeft uitgevoerd en wanneer, wordt aangegeven op een afleveringsbon.

  • 3 Degene die de splitsing laat uitvoeren, is verantwoordelijk voor het gestelde in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.7.4. Samenvoegen van partijen

  • 1 Indien partijen worden samengevoegd, kan gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaringen voor de oorspronkelijke partijen, mits de relatie tussen samengevoegde partij en de oorspronkelijke partijen, alsmede wie de samenvoeging heeft uitgevoerd en wanneer, wordt aangegeven op een afleveringsbon.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor het samenvoegen van verschillende soorten bouwstoffen.

  • 3 Het is niet toegestaan om bouwstoffen samen te voegen met materialen die geen bouwstoffen zijn, anders dan bij de productie van een bouwstof.

Paragraaf 3.8. Handhaving bouwstoffen

Artikel 3.8.1. Meldingen

De melding, bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, van het besluitwordt gedaan door middel van het daartoe bestemde formulier dat verkrijgbaar is bij SenterNovem.

Artikel 3.8.2. Onderzoek in het kader van de handhaving

  • 2 Bij een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld:

    • a. de partij als geheel, zoals aangegeven op de milieuhygiënische verklaring of de afleverbon;

    • b. de partij zoals ter plaatse aanwezig bij de producent;

    • c. de partij zoals toegepast in het werk, of

    • d. een onderdeel van de partij, waarbij dit onderdeel ten minste 10.000 ton bedraagt.

  • 3 Er is sprake van een overtreding van artikel 28, eerste lid, onder b, van het besluit, indien het in het eerste lid bedoelde onderzoek uitwijst dat de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, met ten minste een factor 1,4 worden overschreden, ongeacht de variatie in het onderzoeksresultaat ten gevolge van de mate van heterogeniteit van de partij.

Artikel 3.8.3. Handhaving fabrikant-eigenverklaring

  • 1 De toezichthouder kan een producent binnen een bepaalde termijn opnieuw een toelatingsonderzoek of een specifiek onderdeel daarvan laten uitvoeren, indien blijkt dat niet is

    voldaan aan artikel 3.5.1 of artikel 3.5.2, derde lid, onder a.

  • 2 Op last van de toezichthouder worden bij een toelatingsonderzoek als bedoeld in het eerste lid nieuwe partijkeuringen uitgevoerd.

  • 3 Indien alleen een specifiek onderdeel van het toelatingsonderzoek opnieuw wordt uitgevoerd, kan de toezichthouder kiezen om hierbij geen certificeringsinstelling in te schakelen.

  • 4 Het eerste lid geldt niet, indien de producent afziet van het gebruik van de desbetreffende fabrikant-eigenverklaring en dit binnen vijf dagen aan Onze Minister meldt.

Paragraaf 3.9. Isolatie-, beheers- en controlemaatregelen

Artikel 3.9.1. Ontwerp

  • 1 Van het werk waarin een IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt een ontwerp gemaakt dat bestaat uit:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de artikelen 3.9.2 tot en met 3.9.4;

    • b. een situatietekening, langs- en dwarsdoorsneden;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de aandachtspunten, zoals aangegeven in bijlage I, onder ‘checklist ontwerp’, en;

    • d. een berekening van de zetting die optreedt bij het gereedkomen van het werk en na vijftig jaar.

  • 2 Het werk wordt ontworpen op de eindzetting die wordt berekend voor een periode van vijftig jaar, vermeerderd met een onzekerheidsmarge van 30% van de berekende zetting.

  • 3 Een IBC-bouwstof wordt toegepast in aaneengesloten hoeveelheden van ten minste 5.000 m3.

  • 4 Het in het eerste lid genoemde ontwerp moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.2. Isolerende voorzieningen

  • 1 De bovenzijde en zijkanten van een IBC-bouwstof worden binnen drie maanden nadat een laag van de IBC-bouwstof is aangebracht, voorzien van een isolerende voorziening die bestaat uit:

    • a. een bentonietmat;

    • b. een laag zandbentonietpolymeergel, of

    • c. een kunststof HDPE-folie met een laagdikte tussen 1,9 en 2,1 mm en voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de in bijlage D genoemde normdocumenten.

  • 2 De isolerende voorziening heeft een maximaal toegestane lekkage van 6 mm per jaar bij de 0,2 meter waterdruk gedurende 200 dagen per jaar en heeft een levensduur van minimaal 100 jaar.

  • 3 De isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, wordt beschermd tegen aantasting door de IBC-bouwstof door een diffusieremmende laag van bitumenemulsie in een hoeveelheid van 4 kg/m2 of door kunststoffolie met een laagdikte van ten minste 0,5 mm en een tolerantie op die dikte van 5% volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten en werkvoorschrift, bedoeld in bijlage D.

  • 4 Indien de isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, l wordt toegepast in een wegenbouwkundige constructie, wordt deze beschermd tegen aantasting door strooizouten door kunststoffolie, volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in bijlage D.

  • 5 Indien een IBC-bouwstof als wegfunderingsmateriaal wordt toegepast, functioneert in afwijking van het eerste lid de vloeistofdichte wegverharding, aangelegd volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in categorie 1 van bijlage C, als isolerende voorziening. Overeenkomstig de schone-schouderconstructie, bedoeld in CROW-publicatie 125, wordt hierbij een bouwstof, niet-zijnde een IBC-bouwstof, aangebracht onder de randen van de wegverharding over een breedte gelijk aan de dikte van de IBC-bouwstof in de fundering en met een minimumbreedte van 0,30 meter.

  • 6 Indien een IBC-bouwstof als funderingsmateriaal onder bebouwing wordt toegepast, functioneert, in afwijking van het eerste lid, de vloeistofdichte bebouwing inclusief de randbalken van de bebouwing als isolerende voorziening.

  • 7 De constructie waarin een IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt zodanig ontworpen dat infiltrerend regenwater zonder stagnatie wordt afgevoerd door:

    • a. een doorlatende afdeklaag op de afdichting die bestaat uit een laag zand met een dikte van minimaal 0,25 meter en een permeabiliteitcoëfficiënt van 1,4 x 10 macht -4 m/s of een hieraan gelijkwaardige drainagevoorziening of -systeem;

    • b. een zodanig afschot dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 2% dakprofiel bedraagt, en

    • c. een bodem waarin het afstromende water voldoende kan infiltreren.

  • 8 De materialen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid, worden zodanig gekozen en toegepast dat deze gedurende de levensduur van het werk volledig hun functie kunnen vervullen.

  • 9 Een tijdelijke isolerende voorziening wordt aangebracht, indien:

    • a. de in het eerste lid genoemde termijn niet wordt gehaald;

    • b. gedurende ten minste zeven dagen in het werk geen IBC-bouwstoffen worden aangebracht of verwijderd.

  • 10 Voor de tijdelijke isolerende voorziening geldt bij toepassing en beheer de maximaal toegestane lekkage bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.9.3. Drooglegging

  • 1 Het ontwerppeil van het grondwater wordt vastgesteld op het niveau van het maaiveld door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 Indien de IBC-bouwstof wordt toegepast in een gebied, dat wordt gekenmerkt door grondwatertrap VI of hoger, kan in afwijking van het eerste lid het ontwerppeil van het grondwater worden vastgesteld door:

    • a. de grondwaterstand te bepalen ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil in de dichtstbijzijnde peilbuis van een landelijk meetnet die in 99% van de waarnemingen wordt onderschreden;

    • b. een representatief aantal peilbuizen te plaatsen op de toepassingslocatie en gedurende ten minste drie maanden de grondwaterstand te meten ten opzichte van NAP op of rond de 14e en 28e dag van de maand, en

    • c. de grondwaterstand, bedoeld onder a, te vermeerderen met het verschil tussen de gemiddelde grondwaterstand op de toepassingslocatie en die , bedoeld onder a,tenzij het verschil negatief is.

  • 3 Indien de grondwaterstand op de toepassingslocatie voor de duur van het werk wordt gekenmerkt door een aantoonbaar beheerst regime van het oppervlaktewater, wordt het daarbij horende grondwaterpeil, vermeerderd met een zekerheidsmarge van 0,20 meter, aangehouden als het ontwerppeil van het grondwater. Het op de toepassingslocatie te verwachten grondwaterpeil wordt onderbouwd door middel van een grondwatermodellering.

  • 4 Bij de vaststelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt rekening gehouden met wateroverlast die zich vaker kan voordoen dan eens in de honderd jaar en met de verwachte klimaatontwikkeling tot 50 jaar na afronding van het werk

  • 5 De onderzijde van de IBC-bouwstof wordt op een zodanige wijze aangelegd, dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 0,50 meter boven het ontwerppeil van het grondwater ligt en er geen contact is met het grondwater als gevolg van capillaire opstijging uit het grondwater.

Artikel 3.9.4. Beheers- en controlemaatregelen

  • 1 Voor het monitoren van de stand en de kwaliteit van het grondwater worden peilbuizen aangebracht. Het aantal peilbuizen tot 50.000 m3 IBC-bouwstof bedraagt ten minste één bovenstrooms en twee benedenstrooms van het werk. Per 50.000 m3 IBC-bouwstof extra wordt hieraan ten minste één peilbuis bovenstrooms en twee benedenstrooms toegevoegd.

  • 2 Voor het monitoren van de zetting tijdens de aanleg van het werk worden voorzieningen aangebracht.

  • 3 Een beheers- en controleplan wordt opgesteld, dat een omschrijving bevat van:

    • a. de manier waarop tijdens de aanleg en het gebruik van het werk wordt voldaan aan de beheers- en controlemaatregelen;

    • b. de manier waarop geconstateerde afwijkingen worden afgehandeld;

    • c. de manier waarop de in bijlage I onder de checklist beheer opgenomen aspecten, worden beheerd en gecontroleerd, en

    • d. de controlewerkzaamheden, genoemd in de artikelen 3.9.7 en 3.9.8.

  • 4 Het beheers- en controleplan moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.5. Nulonderzoek

  • 1 Alvorens de IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt een nulonderzoek uitgevoerd op de bodem, inclusief het grondwater, volgens het daarvoor geldende protocol, bedoeld in bijlage D, sub II.

  • 2 Het nulonderzoek bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters.

Artikel 3.9.6. Uitvoering

  • 1 De isolerende voorzieningen worden conform ontwerp aangebracht door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 Bij de uitvoering van het werk zijn afwijkingen ten opzichte van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 uitsluitend toegestaan, indien deze:

    • a. minimaal een gelijkwaardige milieubescherming bieden als het ontwerp;

    • b. voor het toepassen worden gemeld aan Onze Minister, en

    • c. zijn goedgekeurd volgens het daarvoor geldende toetsingskader bedoeld in bijlage D door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 3 Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast, meldt het gereedkomen van het werk, alsmede afwijkingen van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 ingeval die bij een latere controle blijken, binnen veertien dagen aan Onze Minister.

  • 4 Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast bewaart en registreert voor de levensduur van het werk ten minste:

    • a. een overzicht van het ontwerp;

    • b. de afwijkingen ten opzichte van het ontwerp;

    • c. een tekening van de uiteindelijke situatie, en

    • d. andere gegevens waaruit kan worden afgeleid of is voldaan aan de gestelde eisen.

Artikel 3.9.7. Controle zetting

  • 1 Degene die de bouwstof toepast meet vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht tot de voltooiing van het werk, de zetting daarvan.

  • 3 Indien uit de bijgestelde berekende eindzetting blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 3.9.3, eerste lid, meldt de toepasser dit binnen veertien dagen aan Onze Minister.

Artikel 3.9.8. Controle grondwater

  • 1 Vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht, wordt:

    • a. de afstand tussen de onderkant van de IBC-bouwstof en het grondwater jaarlijks gecontroleerd door middel van veldwerk ter vaststelling van de grondwaterstand in de periode dat deze maximaal is en de hoogteligging van de onderkant van de IBC-bouwstof;

    • b. de kwaliteit van het grondwater eenmaal in de twee jaar bepaald door middel van veldwerk waarbij het grondwater wordt bemonsterd en geanalyseerd;

    • c. de staat waarin het werk verkeert jaarlijks gecontroleerd aan de hand van de checklist in bijlage I door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 De resultaten van de controle, bedoeld in het vorige lid, worden elke twee jaar gemeld aan Onze Minister. Indien sprake is van een afwijking wordt dit direct aan Onze Minister gemeld.

  • 3 Indien na drie jaar is gebleken dat de in het eerste lid onder a genoemde afstand nooit kleiner is geweest dan 1,0 meter, vervalt de betreffende controleverplichtingen.

  • 4 Indien na zes jaar is gebleken dat de kwaliteit van het grondwater niet is gewijzigd, kan met instemming van het bevoegd gezag de frequentie van de verplichting bedoeld in het eerste lid, onder b, worden verlaagd.

Artikel 3.9.9. Signalering afwijkingen en vereiste maatregelen

Indien controlewerkzaamheden aantonen dat een toepassing van een IBC-bouwstof niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen of negatieve effecten heeft, worden terstond maatregelen getroffen. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld, dat wordt aangeboden aan Onze Minister.

Artikel 3.9.10. Verwijderen IBC-bouwstof

  • 1 Indien een isolerende voorziening wordt verwijderd, wordt de IBC-bouwstof dat niet meer is afgedicht binnen zes weken volledig verwijderd. Hierbij geldt artikel 3.9.2, negende lid, onder b.

  • 2 Indien een werk of deel van een werk waarin een IBC-bouwstof is toegepast is verwijderd, wordt de bodemkwaliteit onderzocht volgens het daarvoor geldende protocol , bedoeld in bijlage D, sub II.

  • 3 Uiterlijk binnen twee maanden na het verwijderen van de IBC-bouwstof, wordt Onze Minister in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien bij het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een bodemverontreiniging aantoont als gevolg van het toepassen van de IBC-bouwstof, wordt de oorspronkelijke bodemkwaliteit hersteld, zoals die is vastgesteld op grond van artikel 3.9.5.

  • 5 Het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters van de bodem.

Paragraaf 3.10. Gelijkwaardigheid

Artikel 3.10.1. Aanvraag ontheffing bij gelijkwaardigheid

  • 2 Bij de aanvraag wordt een beschrijving gevoegd van de techniek en aangetoond dat wordt voldaan aan gelijkwaardigheid met de voorgeschreven technieken, waarbij artikel 3.9.2, tweede en achtste lid, onverkort van toepassing zijn.

Artikel 3.10.2

De verklaring behorende bij de ontheffing, bedoeld in artikel 31, eerste lid van het besluit, waaruit blijkt dat ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden als is beoogd met de betrokken eis, stellen Onze Ministers vrij beschikbaar via de website van Bodem+.

Artikel 3.10.3. Voorwaarden ontheffing

De ontheffing kan worden verleend onder de voorwaarde dat deze alleen geldt onder bepaalde omstandigheden of voor bepaalde bouwstoffen.

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 4.1. Bepaling of een materiaal kan worden aangemerkt als grond of baggerspecie

Artikel 4.1.1. Bepalen hoeveelheid

  • 1 Het percentage organisch stof in grond of baggerspecie wordt bepaald volgens de NEN 5754.

  • 2 De hoeveelheid minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en de van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter in grond of baggerspecie worden bepaald volgens de NEN 5753.

Paragraaf 4.2. Vaststellen overschrijding van waarden voor grond of baggerspecie

Artikel 4.2.1. Correctie lutum en organische stof

  • 1 De waarden worden voor lutum en organisch stof gecorrigeerd volgens de rekenregels in bijlage G, onder I, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die volgens het generieke kader of het kader voor grootschalige toepassingen op of in de bodem wordt toegepast, een van de volgende waarden overschrijdt:

  • 2 De gemeenteraad kan besluiten dat de lokale maximale waarden voor lutum en organische stof worden gecorrigeerd volgens de rekenregels in bijlage G, onder II, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die volgens het gebiedsspecifieke kader op of in de bodem wordt toegepast, de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, overschrijdt.

Artikel 4.2.2. Overschrijding van waarden

  • 2 De kwaliteit van baggerspecie overschrijdt de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie in zout oppervlaktewater, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte hoger is dan deze waarden.

  • 3 De kwaliteit van baggerspecie overschrijdt de waarden, bedoel in artikel 4.2.1, vierde lid, onder a, indien :

    • a. het rekenkundige gemiddelde van de gehalten in de baggerspecie voor een of meer stoffen, waarvoor maximale waarden gelden voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel, hoger is dan deze waarden;

    • b. het rekenkundig gemiddelde voor organische stoffen die deel uitmaken van het stoffenpakket dat wordt ingevoerd voor de berekening van de msPAF de msPAF 20% of hoger is, of indien het rekenkundig gemiddelde voor metalen de msPAF 50% of hoger is;

    • c. voor stoffen, niet zijnde stoffen bedoeld onder a of b, de kwaliteit van de baggerspecie de achtergrondwaarden overschrijdt, met inachtneming van de toetsingsregel, bedoeld in het vierde en vijfde lid.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B, indien ten opzichte van de achtergrondwaarden:

    • a. bij meting van ten minste 2 stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte van maximaal 1 stof verhoogd is;

    • b. bij meting van ten minste 7 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 2 stoffen verhoogd zijn;

    • c. bij meting van ten minste 16 stoffen in de grond of baggerspecie de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 3 stoffen verhoogd zijn;

    • d. bij meting van ten minste 27 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 4 stoffen verhoogd zijn;

    • e. bij meting van ten minste 37 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 5 stoffen verhoogd zijn.

  • 5 Een verhoging als bedoeld in het vierde lid bedraagt per stof ten hoogste twee maal de daarvoor geldende achtergrondwaarde en overschrijdt niet de daarvoor geldende maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen.

  • 6 De grond of baggerspecie overschrijdt de maximale waarden voor de emissie, bedoeld in tabel 1 en 2 van bijlage B, indien voor één of meer stoffen de gemeten emissie van een representatief deelmonster hoger is dan de desbetreffende maximale waarden.

  • 7 Bij het vaststellen van een overschrijding van de waarden, bedoeld in dit artikel, worden de regels in bijlage G, onder IV toegepast.

  • 8 In afwijking van het vijfde lid vindt voor de stof nikkel (Ni) geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen.

Artikel 4.2.3. Kengetal in bodemkwaliteitszone

  • 2 Het kengetal, bedoeld in het vorige lid, is voor alle onderzochte stoffen gelijk aan of hoger dan het rekenkundig gemiddelde gehalte van de stof in de bodemkwaliteitszone.

  • 3 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het kengetal in de bodemkwaliteitszone waarvan de grond of baggerspecie afkomstig is, hoger is dan de lokale maximale waarden.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.1, derde lid onder d, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het kengetal in de bodemkwaliteitszone waarvan de grond of baggerspecie afkomstig is, hoger is dan de lokale maximale waarden.

Paragraaf 4.3. Milieuhygiënische verklaringen

Artikel 4.3.1. Splitsen van partijen

  • 1 Na splitsing van een partij kan voor de deelpartijen gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits het volgende wordt vastgelegd in de administratie:

    • a. de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij,

    • b. de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en

    • c. de datum waarop de splitsing is uitgevoerd.

  • 2 Na splitsing van een partij die niet voldoet aan de achtergrondwaarden, opgenomen in de tabellen 1 en 2 in bijlage B, kan voor de deelpartijen gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits het volgende wordt aangegeven op het meldingsformulier:

    • a. de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij,

    • b. de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en

    • c. de datum waarop de splitsing is uitgevoerd.

  • 3 Degene die de splitsing laat uitvoeren, is verantwoordelijk voor het gestelde in het eerste en het tweede lid.

Artikel 4.3.2. Samenvoegen van partijen

  • 1 Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie is uitsluitend toegestaan, indien deze:

    • a. in dezelfde bodemkwaliteitsklasse zijn ingedeeld, en

    • b. zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 2 Bij het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie vervallen de milieuhygiënische verklaringen voor de oorspronkelijke partijen en verstrekt de persoon of instelling die de partijen heeft samengevoegd daarvoor een milieuhygiënische verklaring.

  • 3 Voor het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie die kleiner zijn dan 100 ton, is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid, onder a, partijen grond of baggerspecie van verschillende of onbekende bodemkwaliteitsklassen samen te voegen overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500.

Artikel 4.3.3. Partijkeuringen

  • 1 Voor een partijkeuring geldt dat:

    • a. de grootte van de partij maximaal 10.000 ton bedraagt;

    • b. monsters worden genomen die uit ten minste 100 aselect of systematisch als punten van een regelmatig raster over de hele partij genomen grepen bestaan.

  • 2 De grepen worden evenredig verdeeld over ten minste twee te analyseren mengmonsters, indien:

    • a. bij toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het besluit, de emissie wordt bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383;

    • b. de emissie wordt berekend aan de hand van de fomule in Bijlage K, voor zover door slechte doorlatendheid van het onderzochte materiaal onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, en

    • c. de berekende emissie, bedoeld onder b, kleiner is dan L/S=2 en voor het desbetreffende materiaal geen maximale emissiewaarden gelden.

  • 3 De uitkomst van de partijkeuring wordt vastgelegd in een milieuhygiënische verklaring, die ten minste de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van de monsternemer en van het laboratorium;

    • b. de data waarop monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse zijn uitgevoerd;

    • c. een verwijzing naar de gebruikte normdocumenten en methoden, en een onderbouwing van eventuele afwijkingen hiervan, indien deze het analyseresultaat kunnen beïnvloeden;

    • d. het volledig ingevulde monsternemingsformulier en monsternemingsplan of een kopie daarvan;

    • e. een beschrijving van de partij, waaronder ligging, kenmerken en partijgrootte;

    • f. het analyserapport van het laboratorium, inclusief de rekenkundige gemiddelden van de gemeten gehalten en indien van toepassing de gemeten emissies, een onderbouwing van de gekozen parameters, en de verhouding tussen de meetwaarden en daaruit voortvloeiende conclusies;

    • g. een uniek nummer.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onder b, kunnen monsters die zich bevinden onder een verhardingslaag of een diepe bodemlaag overeenkomstig VKB-protocol 1001 worden genomen.

Artikel 4.3.4. Bodemonderzoek

  • 1 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, voor:

    • a. een onverdachte locatie;

    • b. een grootschalig onverdachte locatie;

    • c. een onbekende bodembelasting;

    • d. de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

    • e. de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

    • f. de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

  • 2 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen grond, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in de NEN 5740, voor:

    • a. de toetsing of sprake is van schone bodem;

    • b. de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;

    • c. de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

  • 3 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van baggerspecie en de bodem onder oppervlaktewater, mits deze voldoen aan het toepassinggebied, bedoeld in de NVN 5720 of het onderzoeksprotocol voor de bodem onder oppervlaktewater, genoemd in bijlage D, onderdeel II. Bij deze bodemonderzoeken is voor het te hanteren stoffenpakket artikel 4.5.1. van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Bodemonderzoek is niet noodzakelijk voor het verspreiden van baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder f en i, van het besluit, indien deze niet afkomstig is van oppervlaktewateren in de gebieden:

    • a. die zijn bebouwd, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;

    • b. waar regelmatig beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;

    • c. waar geloosd wordt na de laatste keer dat er is gebaggerd;

    • d. grenzend aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het betreft bermsloten op een afstand van ten minste 15 meter waarin de wegriolering niet loost;

    • e. met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout;

    • f. waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze niet voldoen aan de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder f en i, van het besluit, of

    • g. die niet zijn aangegeven in een beheersplan als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding.

  • 5 Bij bodemonderzoeken als bedoeld in het eerste en derde lid kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, die zich bevindt op 0,5 meter en dieper onder het maaiveld, achterwege blijven.

Artikel 4.3.5. Bodemkwaliteitskaart

  • 2 Op grond van een bodemkwaliteitskaart kan een milieuhygienische verklaring worden afgegeven van:

    • a. de kwaliteit van de bodem;

    • b. de grond of baggerspecie.

  • 3 Het bepaalde in het vorige lid, onder b, geldt alleen, indien:

    • a. de toepassingslocatie en de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie gelegen zijn binnen het gebied waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft, of

    • b. de grond of baggerspecie afkomstig is van een bodembeheergebied, dat op grond van artikel 47 van het besluit als basis kan dienen voor milieuhygiënische verklaringen, en daarbinnen wordt toegepast, en

    • c. voor alle gemeten stoffen de P95 van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie op de toepassingslocatie niet leidt tot een overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onder c, hetgeen wordt berekend met behulp van de risicomodule, bedoeld in artikel 4.8.1,

Artikel 4.3.6. Erkende kwaliteitsverklaringen

Voor het verkrijgen van een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie is paragraaf 3.6 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.6.1, tweede lid, sprake is van overschrijding van de in de tabellen 1 en 2 van bijlage B opgenomen:

  • a. achtergrondwaarden;

  • b. maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie, of

  • c. maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse A of B volgens de eisen in en de partijkeuring uitgevoerd, volgens artikel 4.3.3, eerste lid.

Artikel 4.3.7. Fabrikant-eigenverklaringen

Voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring voor grond of baggerspecie door een producent is paragraaf 3.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.5.1, eerste lid, sprake is van overschrijding van de in de tabellen 1 en 2 in bijlage B opgenomen achtergrondwaarden en de partijkeuring uitgevoerd volgens artikel 4.3.3, eerste lid.

Paragraaf 4.4. Bodemkwaliteitsklassen

Artikel 4.4.1. Kwaliteitsklassen grond of baggerspecie

  • 1 De kwaliteit van de grond of baggerspecie die op of in de bodem wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse wonen’, indien deze:

    • a. de achtergrondwaarden overschrijdt, en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt.

  • 2 De kwaliteit van de grond of baggerspecie die op of in de bodem wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse industrie’, indien deze:

    • a. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen overschrijdt, en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse industrie niet overschrijdt.

  • 3 De kwaliteit van grond of baggerspecie die op of in de bodem onder oppervlaktewater wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse A’, indien deze:

    • a. de achtergrondwaarden overschrijdt en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie die op of in de bodem onder oppervlaktewater wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse B’, indien deze:

    • a. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse A overschrijdt en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse B niet overschrijdt.

  • 5 De indeling in de kwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, is gebaseerd op de milieuhygiënische verklaring van de grond of baggerspecie.

  • 6 Grond of baggerspecie die de interventiewaarden overschrijdt, wordt niet in een kwaliteitsklasse ingedeeld.

Paragraaf 4.5. Stoffenpakket

Artikel 4.5.1. Stoffenpakket

  • 1 De milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie of van de bodem op de toepassingslocatie, geeft aan:

    • a. voor welke stoffen de kans op overschrijding van de achtergrondwaarden hoger is dan 5%,

    • b. welke stoffen van natuurlijke oorsprong of vanwege het gebruik de achtergrondwaarden overschrijden, en kunnen voorkomen in het gebied waar de grond of baggerspecie van afkomstig is;

    • c. de emissie van de stoffen waarvan de kans op overschrijding van de maximale emissiewaarden hoger is dan 5% voor toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het besluit, tenzij wordt voldaan aan artikel 4.12.1, tweede of vierde lid.

  • 2 Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op baggerspecie van oppervlaktewateren die in beheer zijn bij het Rijk, indien de baggerspecie daarin wordt toegepast.

Paragraaf 4.6. Melden

Artikel 4.6.1. Meldingsformulier

Het model-meldingsformulier, bedoeld in artikel 42, zesde lid, van het besluit, is verkrijgbaar bij SenterNovem.

Afdeling 2. Gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 4.7. Bodemfuncties

Artikel 4.7.1. Bodemfuncties

De bodemfuncties worden als volgt ingedeeld:

  • a. wonen met tuin;

  • b. plaatsen waar kinderen spelen;

    • i. met een gemiddelde ecologische waarde;

    • ii. met weinig ecologische waarde.

  • c. moestuinen en volkstuinen:

    • i. grote moestuinen: grote stads- en dorpstuinen en boerderijtuinen met een grote hoeveelheid gewasteelt;

    • ii. kleinere moestuinen: grote stads- en dorpstuinen met een redelijke hoeveelheid gewasteelt.

  • d. landbouw;

  • e. natuur;

  • f. groen met natuurwaarden;

  • g. ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie:

    • i. nagenoeg geheel verhard;

    • ii. niet nagenoeg geheel verhard.

Paragraaf 4.8. Gevolgen lokale maximale waarden

Artikel 4.8.1. Methode voor bepalen gevolgen lokale maximale waarden

  • 1 Het bevoegd gezag bepaalt de gevolgen, bedoeld in de artikelen 47, onder d, en 48, onder c, van het besluit, met de risicomodule ‘gevolgen lokale maximale waarden’ van de Risicotoolbox Bodembeheer, aangeboden als webapplicatie op www.risicotoolboxbodem.nl, indien:

    • a. de lokale maximale waarden hoger zijn dan:

      • 1°. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse van het bodembeheergebied;

      • 2°. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse van de bodem van het bodembeheergebied, of

      • 3°. de achtergrondwaarden, indien de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied de achtergrondwaarden niet overschrijdt of

      • 4°. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse van de bodem onder oppervlaktewater in het bodembeheergebied of

      • 5°. de achtergrondwaarden, indien de kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater in het bodembeheergebied de achtergrondwaarden niet overschrijdt

  • 2 De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, worden afgeleid van ten minste de volgende gegevens:

    • a. de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit;

    • b. de fractie organisch stof en lutum van de bodem in het bodembeheergebied;

    • c. de zuurgraad van de bodem in het bodembeheergebied.

  • 3 De risicomodule maakt uitsluitend gebruik van de formularia van de volgende risicomodellen:

    • a. CSOIL 2000_RTB_1.0,

    • b. AgroRisk_RTB_1.0,

    • c. EcoRisk_RTB_1.0,

    • d. Sanscrit 1.01,

    • e. Sedisoil 2.0, en

    • f. Omega 7.0.

  • 4 De risicomodule bepaalt bij een kwaliteit van de bodem op het niveau van de lokale maximale waarden de gevolgen van het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem voor de bodemfuncties, bedoeld in artikel 4.7.1, en in oppervlaktewater voor het actuele gebruik van het oppervlaktewater.

  • 5 De risicomodule deelt de gevolgen als volgt in:

    • a. de bodem in het bodembeheergebied is blijvend geschikt voor alle actuele of toekomstige bodemfuncties of het actuele of toekomstige gebruik van het oppervlaktewater in het betreffende gebied,

    • b. bij de actuele of toekomstige bodemfuncties of het actuele of voorgenomen gebruik van het oppervlaktewater in het bodembeheergebied, kan sprake zijn van overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid, sub c, van het besluit, of

    • c. er is noch sprake van uitkomst a, noch van uitkomst b.

  • 6 De risicomodule genereert een rapportage van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de gevolgen, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 4.8.2. Kaart van de actuele kwaliteit van de bodem

De kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 47, onder a, van het besluit, worden opgesteld volgens de richtlijnen, bedoeld in bijlage D, onder III, en voldoen aan de daaraan gestelde eisen in bijlage M.

Artikel 4.8.3. Stoffen waarvoor geen lokale maximale waarden worden vastgesteld

Het bevoegd gezag stelt voor toepassingen als bedoeld in artikel 35, onder g, van het besluit, voorzover het toepassingen betreft in de Waddenzee, de Zeeuwse Delta of in de Noordzee langs de Noordzeekust, voor tributyltin geen lokale maximale waarde vast boven de maximale waarde voor tributyltin voor verspreiden van baggerspecie zout oppervlaktewater, zoals opgenomen in tabel 2 van bijlage B.

Afdeling 3. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 4.9. Bodemfunctieklassen voor toepassing op of in de bodem

Artikel 4.9.1. Maximale waarden bodemfunctieklassen

De maximale waarden voor de bodemfunctieklassen wonen en industrie zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage B.

Artikel 4.9.2. Vastleggen bodemfunctieklassen

  • 2 Bodembeheergebieden met de bodemfuncties, genoemd in artikel 4.7.1., onder g, worden ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie.

Paragraaf 4.10. Vaststelling kwaliteitsklassen van de bodem

Artikel 4.10.1. Maximale waarden kwaliteitsklassen van de bodem

  • 1 De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen wonen en industrie voor de bodem, zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage B.

  • 2 De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen A en B voor de bodem onder oppervlaktewater, zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage B.

Artikel 4.10.2. Vaststellen kwaliteitsklassen van de bodem

  • 1 Voor het vaststellen van de kwaliteitsklasse van de bodem wordt een correctie op de gemeten gehalten voor lutum en organisch stof uitgevoerd volgens de rekenregels in onderdeel I van bijlage G.

  • 2 De bodem wordt uitgedrukt in de kwaliteitsklasse wonen, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de achtergrondwaarden overschrijden, maar niet de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen.

  • 3 De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen, indien ten opzichte van de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen:

    • a. bij meting van ten minste 7 stoffen maximaal 2 stoffen verhoogd zijn;

    • b. bij meting van ten minste 16 stoffen maximaal 3 stoffen verhoogd zijn;

    • c. bij meting van ten minste 27 stoffen maximaal 4 stoffen verhoogd zijn;

    • d. bij meting van ten minste 37 stoffen maximaal 5 stoffen verhoogd zijn.

  • 4 Een verhoging als bedoeld in het tweede lid bedraagt per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen voor die stof, vermeerderd met de daarvoor geldende achtergrondwaarde en de gehalten van alle verhoogde stoffen de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse industrie niet overschrijden.

  • 5 De bodem wordt uitgedrukt in de kwaliteitsklasse industrie, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen overschrijden, maar niet de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 4.10.3. Vaststellen kwaliteitsklassen van de bodem onder oppervlaktewater

  • 1 Voor het vaststellen van de kwaliteitsklasse van de bodem onder oppervlaktewater wordt een correctie op de gemeten gehalten lutum en organisch stof uitgevoerd volgens de rekenregels in onderdeel III van bijlage G.

  • 2 De bodem onder oppervlaktewater wordt uitgedrukt in kwaliteitsklasse A, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de achtergrondwaarden overschrijden, maar niet de maximale waarden voor kwaliteitsklasse A.

  • 3 De bodem onder oppervlaktewater wordt uitgedrukt in kwaliteitsklasse B, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de maximale waarden voor kwaliteitsklasse A overschrijden, maar niet de maximale waarden voor kwaliteitsklasse B.

Paragraaf 4.11. Maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie

Artikel 4.11.1. Maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie

  • 1 Tabel 1 van bijlage B bevat de maximale waarden voor:

    • a. het verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel,

    • b. het verspreiden van baggerspecie in zoet oppervlaktewater,

    • c. het verspreiden van baggerspecie in zout oppervlaktewater, en

    • d. het tijdelijk opslaan van baggerspecie op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

  • 2 Bij de toetsing aan de maximale waarden, bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen de gehalten van de gemeten stoffen voor ten hoogste twee niet-prioritaire stoffen hoger zijn dan de maximale waarden, waarbij de verhoging per stof ten hoogste 50% ten opzichte van de maximale waarde voor verspreiding van baggerspecie in zout water bedraagt.

  • 3 De stoffen behorend tot de groep van de PCB’s zijn uitgezonderd van het tweede lid.

Afdeling 4. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen

Paragraaf 4.12. Grootschalige toepassingen

Artikel 4.12.1. Maximale emissiewaarden

  • 1 toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het besluit, overschrijdt de emissie van de grond of baggerspecie niet:

    • a. de maximale emissiewaarden, bedoeld in tabel 1 van bijlage B, indien het toepassingen op of in de bodem betreft;

    • b. de maximale emissiewaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, indien het toepassingen op of in de bodem onder oppervlaktewater betreft.

  • 2 Aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt voldaan, indien de rekenkundig gemiddelde gehalten van de gemeten stoffen in de grond of baggerspecie de emissietoetswaarden, bedoeld in tabel 1 van bijlage B, niet overschrijden.

  • 3 Aan het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voldaan, indien:

    • a. de rekenkundig gemiddelde gehalten van de gemeten stoffen in de grond of baggerspecie de emissietoetswaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, niet overschrijden, of

    • b. de toepassing zich onder het waterniveau bevindt en is gelegen binnen het beheergebied van de waterkwaliteitsbeheerder waarvan de baggerspecie afkomstig is.

Paragraaf 4.13. Vaststellen overschrijding van waarden

Artikel 4.13.1. Onderzoek in het kader van de handhaving

  • 2 Er is sprake van een overtreding van artikel 37, eerste lid van het besluit, indien het in het eerste lid bedoelde onderzoek uitwijst dat de maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.2, met ten minste een factor 1,4 worden overschreden, ongeacht de variatie in het onderzoeksresultaat ten gevolge van de mate van heterogeniteit van de partij.

Artikel 4.13.2. Handhaving fabrikant-eigenverklaring

Bij het uitoefenen van toezicht op de naleving van de vereisten voor het afgeven van een fabrikant-eigen verklaringen voor grond of baggerspecie is artikel 3.8.3 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen

Paragraaf 5.1. Overgangsbepalingen

Artikel 5.1.2. Aanpassing Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit.]

Artikel 5.1.3. Aanpassing Regeling melden bedrijfsafvalstofen en gevaarlijke afvalstoffen

[Red: Wijzigt de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.]

Artikel 5.1.4. Aanpassing Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land

[Red: Wijzigt de Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land.]

Artikel 5.1.5. Aanpassing Regeling beoordeling reinigbaarheid grond

[Red: Wijzigt de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006.]

Artikel 5.1.6. Aanpassing Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijvingen

[Red: Wijzigt de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2007.]

Artikel 5.1.7

Artikel 5.1.8. Fasering maximale waarden bouwstoffen

  • 1 De verhoging van de maximale samenstellingswaarde voor PAK’s (som) voor bitumenproducten, asfalt, asfaltbeton en asfaltgranulaat volgens artikel 3.3.3 jo. bijlage A, tabel 2, geldt tot 1 juli 2013, tenzij uit een onderzoeksprogramma blijkt dat:

    • a. de extra kosten als gevolg van de voorgestelde PAK-waarde onaanvaardbaar hoog zijn, of;

    • b. de benodigde analysetechniek niet voldoende uitvoerbaar blijkt.

  • 2 De verhoging van de maximale emissiewaarde voor sulfaat volgens artikel 3.3.3 jo. bijlage A, tabel 1, geldt tot 1 juli 2009, tenzij uit onderzoek blijkt dat de maximale waarde van 1730 mg/kg d.s. niet haalbaar is zonder onaanvaardbaar hoge kosten.

  • 3 De maximale samenstellingswaarden voor benzeen, ethylbenzeen, tolueen en xylenen (som) voor polymeerbeton, bedoeld in Bijlage A, tabel 2, gelden niet tot 1 juli 2011.

  • 4 De maximale samenstellingswaarden voor minerale olie voor kunstgrasstrooisel, bedoeld in Bijlage A, tabel 2, geldt niet tot 1 juli 2010.

Artikel 5.1.9. Vrijstellingen van erkenningsverplichting

  • 6 Artikel 12 van het Besluit is niet van toepassing op de aanwijzingen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid en de erkenning, bedoeld in het elfde lid.

  • 13 Tot zes maanden na afloop van de in het eerste en tweede lid en zevende tot en met tiende lid, genoemde data geldt een vrijstelling van de verboden van artikel 15 van het besluit voor de in die leden genoemde werkzaamheden, die zijn aangevangen op een tijdstip dat is gelegen vóór de in die leden genoemde data.

Artikel 5.1.10. Toetsingsregel bouwstoffen

  • 1 In afwijking van artikel 3.3.3, eerste lid, geldt voor het hergebruik van bouwstoffen die voor de inwerkingtreding van het besluit reeds waren toegepast voor maximaal twee parameters een verhoogde maximale samenstellings- of emissiewaarde, mits de bouwstoffen zonder bewerking worden hergebruikt.

  • 2 Een verhoging als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten hoogste tweemaal de gestelde maximale waarde, zoals opgenomen in bijlage A.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de maximale samenstellingswaarde voor asbest

Artikel 5.1.11. Inwerkingtreding

Artikel 5.1.12

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bodemkwaliteit.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 december 2007

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

De

Staatssecretaris

van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa

Bijlage A. , behorende bij paragraaf 3.3 van de Regeling bodemkwaliteit

Maximale samenstellings- en emissiewaarden bouwstoffen

Tabel 1. Maximale emissiewaarden anorganische parameters

Parameter

Vormgegeven

(E64d in mg/m2)

Niet-vormgegeven

(mg/kg d.s.)

IBC-bouwstoffen

(mg/kg d.s.)

antimoon (Sb)

8,7

0,16

0,7

arseen (As)

260

0,9

2

barium (Ba)

1.500

22

100

cadmium (Cd)

3,8

0,04

0,06

chroom (Cr)

120

0,63

7

kobalt (Co)

60

0,54

2,4

koper (Cu)

98

0,9

10

kwik (Hg)

1,4

0,02

0,08

lood (Pb)

400

2,3

8,3

molybdeen (Mo)

144

1

15

nikkel (Ni)

81

0,44

2,1

seleen (Se)

4,8

0,15

3

tin (Sn)

50

0,4

2,3

vanadium (V)

3201

1,81

20

zink (Zn)

800

4,5

14

bromide (Br)

6702

202

34

chloride (Cl)

110.0002

6162

8.800

fluoride (F)

2.5002

552

1.500

sulfaat (SO4)

165.0002

1.7302, 3

20.000

1 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden, geldt bij toepassing van bouwstoffen in grote oppervlaktewater, zoals gedefinieerd in bijlage O bij deze regeling een maximale waarde voor vanadium van 460 mg/m2 (vormgegeven) en 4,6 mg/kg droge stof (niet-vormgegeven).

2 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden, gelden bij de toepassing van bouwstoffen op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak oppervlaktewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5.000 mg/l: a) geen maximale emissiewaarden voor chloride en bromide, en b) de in de tabel opgenomen maximale emissiewaarden voor fluoride en sulfaat vermenigvuldigd met een factor 4.

3 Voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., tweede lid, geldt een maximale emissiewaarde van 2.430 mg/kg d.s.

Tabel 2. Maximale samenstellingswaarden organische parameters

Parameter

maximale waarde

(mg/kg d.s.)

Aromatische stoffen

 

benzeen

11

ethylbenzeen

1,251

tolueen

1,251

xylenen (som)

1,251, 7

fenol

1,252

   

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

 

naftaleen

53

fenantreen

203

antraceen

103

fluoranteen

353

chryseen

103

benzo(a)antraceen

403

benzo(a)pyreen

103

benzo(k)fluoranteen

403

indeno (1,2,3cd) pyreen

403

benzo(ghi)peryleen

403

PAK’s (som)

504, 7

   

Overige parameters

 

PCB’s (som)

0,57

minerale olie

5005

asbest

1006

1 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor polymeerbeton voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., derde lid, of voor bitumenproducten*1.

2 voor vormzand geldt een maximale waarde van 3,75 mg/kg droge stof.

3 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor voor bitumenproducten*1, asfaltproducten*2 en granulaten*3.

4 voor bitumenproducten*1 en asfaltproducten*2 geldt een maximale samenstellingswaarde van 75 mg/kg d.s.voor PAK’s (som) voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., eerste lid.

5 deze maximale samenstellingswaarde geldt niet voor kunstgrasstrooisel voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., vierde lid, of voor bitumenproducten*1 en asfaltproducten*2. Voor granulaten*3 en vormzand geldt een maximale waarde van 1.000 mg/kg droge stof.

6 zijnde het gehalte de concentratie serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

7 de definitie van de somparameters wordt gegeven in bijlage N.

*1 onder bitumenproducten wordt verstaan: bitumen dakbedekkings- en afdichtingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat.

*2 onder asfaltproducten wordt verstaan: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en civieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat.

*3 onder granulaten wordt verstaan: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

Bijlage B. , behorende bij hoofdstuk 4 van de Regeling bodemkwaliteit Achtergrondwaarden en maximale waarden voor grond en baggerspecie

Tabel 1. Normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, voor de bodem waarop grond of bagger wordt toegepast en voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel (voor standaardbodem, in mg kg/ds).
 

Achtergrondwaarden

Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel2

Maximale waarden bodemfunctieklasse wonen

Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie

Maximale waarden grootschalige toepassingen op of in de bodem

 

Maximale waarden kwaliteitsklasse wonen

Maximale waarden kwaliteitsklasse industrie

Maximale emissiewaarden

Emissietoetswaarden

Stof (1)

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg

L/S 10

mg/kg ds

1. Metalen

antimoon (Sb)

4,0*

 

15

22

0,070

9

arseen (As)

20

X

27

76

0,61

42

barium (Ba)

           

cadmium (Cd)

0,60

X en 7,5

1,2

4,3

0,051

4,3

chroom (Cr)

55

X

62

180

0,17

180

kobalt (Co)

15

 

35

190

0,24

130

koper (Cu)

40

X

54

190

1,0

113

kwik (Hg)

0,15

X

0,83

4,8

0,49

4,8

lood (Pb)

50

X

210

530

15

308

molybdeen (Mo)

1,5*

 

88

190

0,48

105

nikkel (Ni)

35

X

39

100

0,21

100

tin (Sn)

6,5

 

180

900

0,093

450

vanadium (V)

80

 

97

250

1,9

146

zink (Zn)

140

X

200

720

2,1

430

             
2. Overige anorganische stoffen

chloride3

       

 

cyanide (vrij)4

3,0

 

3,0

20

nvt

nvt

cyanide (complex)5

5,5

 

5,5

50

nvt

nvt

thiocyanaten

6,0

 

6,0

20

nvt

nvt

             
3. Aromatische stoffen

benzeen

0,20*

 

0,20

1

nvt

nvt

ethylbenzeen

0,20*

 

0,20

1,25

nvt

nvt

tolueen

0,20*

 

0,20

1,25

nvt

nvt

xylenen (som)

0,45*

 

0,45

1,25

nvt

nvt

styreen (vinylbenzeen)

0,25*

 

0,25

86

nvt

nvt

fenol

0,25

 

0,25

1,25

nvt

nvt

cresolen (som)

0,30*

 

0,30

5

nvt

nvt

dodecylbenzeen

0,35*

 

0,35

0,35

nvt

nvt

aromatische oplosmiddelen (som)6

2,5*

 

2,5

2,5

nvt

nvt

             
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

naftaleen

 

X

   

nvt

nvt

fenantreen

 

X

   

nvt

nvt

antraceen

 

X

   

nvt

nvt

fluorantheen

 

X

   

nvt

nvt

chryseen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(a)antraceen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(a)pyreen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(k)fluorantheen

 

X

   

nvt

nvt

indeno(1,2,3cd)pyreen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(ghi)peryleen

 

X

   

nvt

nvt

PAK’s totaal (som 10)

1,5

 

6,8

40

nvt

nvt

             
5. Gechloreerde koolwaterstoffen
a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

monochlooretheen (vinylchloride)7

0,10*

 

0,10

0,1

nvt

nvt

dichloormethaan

0,10

 

0,10

3,9

nvt

nvt

1,1-dichloorethaan

0,20*

 

0,20

0,20

nvt

nvt

1,2-dichloorethaan

0,20*

 

0,20

4

nvt

nvt

1,1-dichlooretheen7

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

1,2-dichlooretheen (som)

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

dichloorpropanen (som)

0,80*

 

0,80

0,80

nvt

nvt

trichloormethaan (chloroform)

0,25*

 

0,25

3

nvt

nvt

1,1,1-trichloorethaan

0,25*

 

0,25

0,25

nvt

nvt

1,1,2-trichloorethaan

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

trichlooretheen (Tri)

0,25*

 

0,25

2,5

nvt

nvt

tetrachloormethaan (Tetra)

0,30*

 

0,30

0,7

nvt

nvt

tetrachlooretheen (Per)

0,15

 

0,15

4

nvt

nvt

             
b. chloorbenzenen

monochloorbenzeen

0,20*

 

0,20

5

nvt

nvt

dichloorbenzenen (som)

2,0*

 

2,0

5

nvt

nvt

trichloorbenzenen (som)

0,015*

 

0,015

5

nvt

nvt

tetrachloorbenzenen (som)

0,0090*

 

0,0090

2,2

nvt

nvt

pentachloorbenzeen

0,0025

 

0,0025

5

nvt

nvt

hexachloorbenzeen

0,0085

X

0,027

1,4

nvt

nvt

chloorbenzenen (som)

           
             
c. chloorfenolen

monochloorfenolen (som)

0,045

 

0,045

5,4

nvt

nvt

dichloorfenolen (som)

0,20*

 

0,20

6

nvt

nvt

trichloorfenolen (som)

0,0030*

 

0,0030

6

nvt

nvt

tetrachloorfenolen (som)

0,015*

 

1

6

nvt

nvt

pentachloorfenol

0,0030*

X

1,4

5

nvt

nvt

chloorfenolen (som)

           
             
d. polychloorbifenylen (PCB’s)

PCB 28

 

X

   

nvt

nvt

PCB 52

 

X

   

nvt

nvt

PCB 101

 

X

   

nvt

nvt

PCB 118

 

X

   

nvt

nvt

PCB 138

 

X

   

nvt

nvt

PCB 153

 

X

   

nvt

nvt

PCB 180

 

X

   

nvt

nvt

PCB’s (som 7)

0,020

 

0,020

0,5

nvt

nvt

             
e. overige gechloreerde koolwaterstoffen

monochlooranilinen (som)

0,20*

 

0,20

0,20

nvt

nvt

pentachlooraniline

0,15*

 

0,15

0,15

nvt

nvt

dioxine (som I-TEQ)

0,000055*

 

0,000055

0,000055

nvt

nvt

chloornaftaleen (som)

0,070*

 

0,070

10

nvt

nvt

             
6. Bestrijdingsmiddelen
a. organochloorbestrijdingsmiddelen

chloordaan (som)

0,0020

X

0,0020

0,1

nvt

nvt

DDT (som)

0,20

X

0,20

1

nvt

nvt

DDE (som)

0,10

X

0,13

1,3

nvt

nvt

DDD (som)

0,020

X

0,84

34

nvt

nvt

DDT/DDE/DDD (som)

       

nvt

nvt

aldrin

 

X

   

nvt

nvt

dieldrin

 

X

   

nvt

nvt

endrin

 

X

   

nvt

nvt

isodrin

 

X

   

nvt

nvt

telodrin

 

X

   

nvt

nvt

drins (som)

0,015

 

0,04

0,14

nvt

nvt

endosulfansulfaat

 

X

   

nvt

nvt

α-endosulfan

0,00090

X

0,00090

0,1

nvt

nvt

α-HCH

0,0010

X

0,0010

0,5

nvt

nvt

β-HCH

0,0020

X

0,0020

0,5

nvt

nvt

γ-HCH (lindaan)

0,0030

X

0,04

0,5

nvt

nvt

δ-HCH

 

X

   

nvt

nvt

HCH-verbindingen (som)

       

nvt

nvt

heptachloor

0,00070

X

0,00070

0,1

nvt

nvt

heptachloorepoxide (som)

0,0020

X

0,0020

0,1

nvt

nvt

hexachloorbutadieen

0,003*

X

   

nvt

nvt

organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som landbodem)

0,40

     

nvt

nvt

             
b. organofosforpesticiden

azinfos-methyl

0,0075*

 

0,0075

0,0075

nvt

nvt

             
c. organotin bestrijdingsmiddelen

organotin verbindingen (som)8

0,15

 

0,5

2,59

nvt

nvt

tributyltin (TBT)8

0,065

 

0,065

0,065

nvt

nvt

             
d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden

MCPA

0,55*

 

0,55

0,55

nvt

nvt

             
e. overige bestrijdingsmiddelen

atrazine

0,035*

 

0,035

0,5

nvt

nvt

carbaryl

0,15*

 

0,15

0,45

nvt

nvt

carbofuran7

0,017*

 

0,017

0,017

nvt

nvt

4-chloormethylfenolen (som)

0,60*

 

0,60

0,60

nvt

nvt

niet-chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som)

0,090*

 

0,090

0,5

nvt

nvt

             
7. Overige stoffen

asbest10

100

100

nvt

nvt

cyclohexanon

2,0*

 

2,0

150

nvt

nvt

dimethyl ftalaat11

0,045*

 

9,2

60

nvt

nvt

diethyl ftalaat11

0,045*

 

5,3

53

nvt

nvt

di-isobutylftalaat11

0,045*

 

1,3

17

nvt

nvt

dibutyl ftalaat11

0,070*

 

5,0

36

nvt

nvt

butyl benzylftalaat11

0,070*

 

2,6

48

nvt

nvt

dihexyl ftalaat11

0,070*

 

18

60

nvt

nvt

di(2-ethylhexyl)ftalaat11

0,045*

 

8,3

60

nvt

nvt

minerale olie12, 13

190

3000

190

500

nvt

nvt

pyridine

0,15*

 

0,15

1

nvt

nvt

tetrahydrofuran

0,45

 

0,45

2

nvt

nvt

tetrahydrothiofeen

1,5*

 

1,5

8,8

nvt

nvt

tribroommethaan (bromoform)

0,20*

 

0,20

0,20

nvt

nvt

ethyleenglycol

5,0

 

5,0

5,0

nvt

nvt

diethyleenglycol

8,0

 

8,0

8,0

nvt

nvt

acrylonitril

0,1*

 

0,1

0,1

nvt

nvt

formaldehyde

0,1*

 

0,1

0,1

nvt

nvt

isopropanol (2-propanol)

0,75

 

0,75

0,75

nvt

nvt

methanol

3,0

 

3,0

3,0

nvt

nvt

butanol (1-butanol)

2,0*

 

2,0

2,0

nvt

nvt

butylacetaat

2,0*

 

2,0

2,0

nvt

nvt

ethylacetaat

2,0*

 

2,0

2,0

nvt

nvt

methyl-tert-butyl ether (MTBE)

0,20*

 

0,20

0,20

nvt

nvt

methylethylketon

2,0*

 

2,0

2,0

nvt

nvt

Opmerking: Voor het vaststellen van een overschrijding van de waarden en het omgaan met rapportagegrenzen en aantoonbaarheidsgrenzen is bijlage G, onder IV, van toepassing.

Verklaring symbolen in tabel 1:

1 Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden.

2 De msPAF wordt berekend voor de met x aangegeven stoffen. Indien geen waarde wordt ingevuld (bijvoorbeeld omdat de stof niet gemeten wordt) wordt gerekend met 0,7 * bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). De baggerspecie voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel indien:

  • * de gehalten van de gemeten stoffen lager zijn dan de Interventiewaarde bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, en

  • * voor organische stoffen: msPAF < 20%, en

  • * voor metalen: msPAF < 50%, waarbij voor cadmium een maximum gehalte geldt.

Voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF-berekening geldt de achtergrondwaarde (m.u.v. somparameters waarbij de individuele parameters onderdeel uitmaken van de msPAF-berekening en de overige in tabel 1 genoemde metalen). Minerale olie maakt geen deel uit van de msPAF-berekening. In plaats van de Achtergrondwaarde geldt voor deze stof de waarde, die vermeld is in de kolom ‘Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’. Voor toetsing aan Achtergrondwaarden worden de toetsingsregels van de Achtergrondwaarden toegepast.

Uit artikel 36 van het Besluit vloeit voort dat naast de msPAF toetsing ook een toets moet plaatsvinden aan de Interventiewaarden bodem. Ook voor metalen waarvoor geen Maximale waarden voor verspreiden over het aangrenzend perceel is opgenomen, is toetsing aan de Interventiewaarden bodem noodzakelijk. Voor metalen waar geen Interventiewaarden bodem zijn vastgesteld, dienen de Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie te worden gehanteerd. Voor het verspreiden op het aangrenzend perceel zal binnen enkele jaren de bestaande risicobenadering (msPAF) aan worden gevuld met de metalen die daar nog geen onderdeel van uitmaken en waarvoor in deze tabel geen Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel zijn vastgesteld.

3 Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.

4 Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht).

5 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN 6655. Indien geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal (en hoeft dus alleen het gehalte cyanide-totaal te worden gemeten).

6 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de Maximale waarde wonen en de Maximale waarde industrie. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, zowel voor de Achtergrondwaarde als de Maximale waarden wonen en industrie.

7De maximale waarden bodemfunctieklasse wonen en industrie van deze stoffen zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemsanering en zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht.

8 De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds, met uitzondering van de normwaarden met voetnoot 9.

9 De eenheid van de Maximale Waarde Industrie voor organotinverbindingen (som) is mg organotin/kg ds.

10 Zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

11 Het is onzeker of de Achtergrondwaarden en Maximale waarden wonen voor de ftalaten meetbaar zijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt.

12 Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

13 Voor het toepassen van baggerspecie in grootschalige toepassingen geldt voor minerale olie een maximale waarde van 2.000 mg/kg ds.

* Achtergrondwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid), omdat onvoldoende data beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden.

Tabel 2. Normwaarden voor toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater en voor de bodem onder oppervlaktewater waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (waarden voor een standaardbodem, in mg/kg ds)
 

Achtergrondwaarden

Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater2

Interventiewaarden bodem onder oppervlaktewater

Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie3

Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zout oppervlaktewater4

Maximale waarden grootschalige toepassingen op of in de bodem onder oppervlaktewater

Maximale waarden kwaliteitsklasse A

Maximale waarden kwaliteitsklasse B

Maximale emissiewaarden

Emissietoetswaarden

Stof1

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg L/S 10

mg/kg ds

1. Metalen

antimoon (Sb)

4,0*

 

15

22

 

0,070

9

arseen (As)

20

29

85

76

29@

0,61

42

Barium (Ba)17

             

cadmium (Cd)

0,60

4

14

4,3

4

0,051

4,3

chroom (Cr)

55

120

380

180

120@

0,17

180

kobalt (Co)

15

25

240

190

 

0,24

130

koper (Cu)

40

96

190

190

60@

1,0

113

kwik (Hg)

0,15

1,2

10

4,8

1,2

0,49

4,8

lood (Pb)

50

138

580

530

110

15

308

molybdeen (Mo)

1,5*

5

200

190

 

0,48

105

nikkel (Ni)

35

50

210

100

45

0,21

100

tin (Sn)

6,5

   

900

 

0,093

450

vanadium (V)

80

   

250

 

1,9

146

zink (Zn)

140

563

2000

720

365@

2,1

430

               
2. Overige anorganische stoffen

chloride5

         

 

cyanide (vrij)6

3,0

 

20

20

 

nvt

nvt

cyanide-complex

5,5

 

50

50

 

nvt

nvt

thiocyanaten

6,0

 

20

20

 

nvt

nvt

               
3. Aromatische stoffen

benzeen

0,20*

 

1

1

 

nvt

nvt

ethylbenzeen

0,20*

 

50

1,25

 

nvt

nvt

tolueen

0,20*

 

130

1,25

 

nvt

nvt

xylenen (som)

0,45*

 

25

1,25

 

nvt

nvt

styreen (vinylbenzeen)

0,25*

 

100

86

 

nvt

nvt

fenol

0,25

 

40

1,25

 

nvt

nvt

cresolen (som)

0,30*

 

5

5

 

nvt

nvt

dodecylbenzeen

0,35*

   

0,35

 

nvt

nvt

aromatische oplosmiddelen (som)7

2,5*

   

2,5

 

nvt

nvt

               
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

naftaleen

             

fenantreen

             

antraceen

             

fluorantheen

             

chryseen

             

benzo(a)antraceen

             

benzo(a)pyreen

             

benzo(k)fluorantheen

             

indeno(1,2,3cd)pyreen

             

benzo(ghi)peryleen

             

PAK’s totaal (som 10)

1,5

9

40

40

8

nvt

nvt

               
5. Gechloreerde koolwaterstoffen
a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

monochlooretheen (vinylchloride)8

0,10*

 

0,1

0,1

 

nvt

nvt

dichloormethaan

0,10

 

10

3,9

 

nvt

nvt

1,1-dichloorethaan

0,20*

 

15

0,20

 

nvt

nvt

1,2-dichloorethaan

0,20*

 

4

4

 

nvt

nvt

1,1-dichlooretheen8

0,30*

 

0,3 (9)

0,30

 

nvt

nvt

1,2-dichlooretheen (som)

0,30*

 

1

0,30

 

nvt

nvt

dichloorpropanen (som)

0,80*

 

2

0,80

 

nvt

nvt

trichloormethaan (chloroform)

0,25*

 

10

3

 

nvt

nvt

1,1,1-trichloorethaan

0,25*

 

15

0,25

 

nvt

nvt

1,1,2-trichloorethaan

0,30*

 

10

0,30

 

nvt

nvt

trichlooretheen (Tri)

0,25*

 

60

2,5

 

nvt

nvt

tetrachloormethaan (Tetra)

0,30*

 

1

0,7

 

nvt

nvt

tetrachlooretheen (Per)

0,15

 

4

4

 

nvt

nvt

               
b. chloorbenzenen

monochloorbenzeen

0,20*

   

5

 

nvt

nvt

dichloorbenzenen (som)

2,0*

   

5

 

nvt

nvt

trichloorbenzenen (som)

0,015*

   

5

 

nvt

nvt

tetrachloorbenzenen (som)

0,0090*

   

2,2

 

nvt

nvt

pentachloorbenzeen

0,0025

0,007

 

5

 

nvt

nvt

hexachloorbenzeen

0,0085

0,044

 

1,4

0,02

nvt

nvt

chloorbenzenen (som)10

2,0* ~

 

30

   

nvt

nvt

               
c. chloorfenolen

monochloorfenolen (som)

0,045

   

5,4

 

nvt

nvt

dichloorfenolen (som)

0,20*

   

6

 

nvt

nvt

trichloorfenolen (som)

0,0030*

   

6

 

nvt

nvt

tetrachloorfenolen (som)

0,015*

   

6

 

nvt

nvt

pentachloorfenol

0,0030*

0,016

5

5

 

nvt

nvt

chloorfenolen (som)10

0,20* ~

 

10

   

nvt

nvt

               
d. polychloorbifenylen (PCB’s)

PCB 28

0,0015~

0,014

     

nvt

nvt

PCB 52

0,0020~

0,015

     

nvt

nvt

PCB 101

0,0015~

0,023

     

nvt

nvt

PCB 118

0,0045~

0,016

     

nvt

nvt

PCB 138

0,0040~

0,027

     

nvt

nvt

PCB 153

0,0035~

0,033

     

nvt

nvt

PCB 180

0,0025~

0,018

     

nvt

nvt

PCB’s (som 7)

0,020

0,139

1

0,5

0,1@

nvt

nvt

               
e. overige gechloreerde koolwaterstoffen

monochlooranilinen (som)

0,20*

 

50

0,20

 

nvt

nvt

pentachlooraniline

0,15*

   

0,15

 

nvt

nvt

dioxine (som I-TEQ)

0,000055*

   

0,000055

 

nvt

nvt

chloornaftaleen (som)

0,070*

 

10

10

 

nvt

nvt

               
6. Bestrijdingsmiddelen
a. organochloorbestrijdingsmiddelen

chloordaan (som)

0,0020

 

4

0,1

 

nvt

nvt

DDT (som)

     

1

 

nvt

nvt

DDE (som)

     

1,3

 

nvt

nvt

DDD (som)

     

34

 

nvt

nvt

DDT/DDE/DDD (som)

0,30~

0,30$

4

 

0,02

nvt

nvt

aldrin

0,00080~

0,0013

     

nvt

nvt

dieldrin

0,0080~

0,0080$

     

nvt

nvt

endrin

0,0035~

0,0035$

     

nvt

nvt

isodrin

0,0010* ~

       

nvt

nvt

telodrin

0,00050~

       

nvt

nvt

drins (som)

0,015

0,015$

4

0,14

 

nvt

nvt

endosulfansulfaat

         

nvt

nvt

α-endosulfan

0,00090

0,0021

4

0,1

 

nvt

nvt

α-HCH

0,0010

0,0012

 

0,5

 

nvt

nvt

β-HCH

0,0020

0,0065

 

0,5

 

nvt

nvt

γ-HCH (lindaan)

0,0030

0,003$

 

0,5

 

nvt

nvt

δ-HCH

         

nvt

nvt

HCH-verbindingen (som)

0,010~

0,010$

2

   

nvt

nvt

heptachloor

0,00070

0,004

4

0,1

 

nvt

nvt

heptachloorepoxide (som)

0,0020

0,004

4

0,1

 

nvt

nvt

hexachloorbutadieen

0,003*

0,0075

     

nvt

nvt

organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som waterbodem)

0,40

       

nvt

nvt

               
b. organofosforpesticiden

azinfos-methyl

0,0075*

   

0,0075

 

nvt

nvt

               
c. organotin bestrijdingsmiddelen

organotin verbindingen (som)11

0,15

 

2,512

2,512

 

nvt

nvt

tributyltin (TBT)11

0,065

0,25

 

0,065

0,2513

0,11514

nvt

nvt

               
d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden

MCPA

0,55*

 

4

0,55

 

nvt

nvt

               
e. overige bestrijdingsmiddelen

atrazine

0,035*

 

6

0,5

 

nvt

nvt

carbaryl

0,15*

 

5

0,45

 

nvt

nvt

carbofuran8

0,017*

 

2

0,017

 

nvt

nvt

4-chloormethylfenolen (som)

0,60*

   

0,60

 

nvt

nvt

niet-chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som)

0,090*

   

0,5

 

nvt

nvt

               
7. Overige stoffen

asbest15

100

100

100

100

nvt

nvt

cyclohexanon

2,0*

 

45

150

 

nvt

nvt

dimethyl ftalaat

     

60

 

nvt

nvt

diethyl ftalaat

     

53

 

nvt

nvt

di-isobutylftalaat

     

17

 

nvt

nvt

dibutyl ftalaat

     

36

 

nvt

nvt

butyl benzylftalaat

     

48

 

nvt

nvt

dihexyl ftalaat

     

60

 

nvt

nvt

di(2-ethylhexyl)ftalaat

     

60

 

nvt

nvt

ftalaten (som)

0,25* ~

 

60

   

nvt

nvt

minerale olie16

190

1250

5000

500

1250@

nvt

nvt

pyridine

0,15*

 

0,5

1

 

nvt

nvt

tetrahydrofuran

0,45

 

2

2

 

nvt

nvt

tetrahydrothiofeen

1,5*

 

90

8,8

 

nvt

nvt

tribroommethaan (bromoform)

0,20*

 

75

0,20

 

nvt

nvt

ethyleenglycol

5,0

   

5,0

 

nvt

nvt

diethyleenglycol

8,0

   

8,0

 

nvt

nvt

acrylonitril

0,1*

   

0,1

 

nvt

nvt

formaldehyde

0,1*

   

0,1

 

nvt

nvt

isopropanol (2-propanol)

0,75

   

0,75

 

nvt

nvt

methanol

3,0

   

3,0

 

nvt

nvt

butanol (1-butanol)

2,0*

   

2,0

 

nvt

nvt

butylacetaat

2,0*

   

2,0

 

nvt

nvt

ethylacetaat

2,0*

   

2,0

 

nvt

nvt

methyl-tert-butyl ether (MTBE)

0,20*

   

0,20

 

nvt

nvt

methylethylketon

2,0*

   

2,0

 

nvt

nvt

Opmerking: Voor het vaststellen van een overschrijding van de waarden en het omgaan met rapportagegrenzen en aantoonbaarheidsgrenzen is bijlage G, onder IV, van toepassing.

Verklaring symbolen in tabel 2:

1 Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden.

2 De Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater zijn gebaseerd op een bepaald Herverontreinigingsniveau (HVN). Voor de stoffen waarvoor geen HVN is afgeleid gelden de Achtergrondwaarden en de toetsingsregels voor de Achtergrondwaarden.

3 In oppervlaktewater wordt geen grond toegepast die niet afkomstig is van de bodem onder het oppervlaktewater en die de Maximale waarden voor de functieklasse industrie overschrijdt.

4 Bij de toetsing aan de maximale waarden voor verspreiden in zout water wordt geen bodemtype correctie toegepast.

5 Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.

6 Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht).

7 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de Maximale waarde wonen en de Maximale waarde industrie. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, zowel voor de Achtergrondwaarde als de Maximale waarden wonen en industrie.

8 De interventiewaarden voor bodem onder oppervlaktewater van deze stoffen zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht.

9 De Interventiewaarde waterbodem is gelijk (gesteld) aan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

10 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de Achtergrondwaarden van de afzonderlijke isomeergroepen vermenigvuldigd met 0,7. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de afzonderlijke isomeergroepen niet worden overschreden.

11 De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds, met uitzondering van de normwaarden met voetnoot 12.

12 De eenheid voor de Maximale waarde bodemfunctieklasse industrie, Interventiewaarde waterbodem en Maximale waarde kwaliteitsklasse B voor organotinverbindingen (som) is mg organotin/kg ds.

13 Normwaarde Tributyltin van 0,25 mg Sn/kg ds geldt verspreiden van baggerspecie in de Waddenzee en de Zeeuwse Delta.

14 Normwaarde Tributyltin van 0,115 mg Sn/kg ds geldt voor verspreiden van baggerspecie in de Noordzee langs de Noordzeekust.

15 Zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

16 Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

17 De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen.

* Achtergrondwaarde is gebaseerd op de (intralaboratorium reproduceerbaarheid) bepalingsgrens, omdat onvoldoende metingen boven de bepalingsgrens beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden.

~ Deze normwaarden zijn alleen van toepassing bij de kwalificatie van baggerspecie voor de toepassing daarvan op bodem onder oppervlaktewater. Alle normwaarden zijn afgeleid van de P95 uit het project AW2000.

@ Betreft normwaarde voor een niet prioritaire stof op grond van de KRW.

$ Herverontreinigingsniveau (HVN) is lager dan Achtergrondwaarde, daarom is de Maximale waarde voor verspreiden in zoet oppervlaktewater/Maximale waarde kwaliteitsklasse A gelijk getrokken aan de Achtergrondwaarde.

Bijlage C. , behorende bij hoofdstuk 2

Werkzaamheden waarvoor personen en instellingen moeten beschikken over een erkenning en de daarbij behorende normdocumenten.

Cate-

gorie

Werkzaamheden

Normdocumenten

   

Certificatie- en accreditatierichtlijnen

Onderdelen

 

Aanleg van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a

BRL 2319, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg vloeistofdichte voorzieningen met prefab verhardingselementen van beton, versie van 1 september 2000, met wijzigingsblad van 5 april 2006.

 

BRL 2362, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg vloeistofdichte voorzieningen in ter plaatse gestort beton, versie van 1 september 1998, met wijzigingsblad van 5 april 2006.

BRL 2371, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor het vloeistofdicht maken van draagvloeren van beton, versie van 1 april 1998, met wijzigingsblad van 5 april 2006.

BRL 2372, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg vloeistofdichte voorzieningen in asfalt, versie van 3 december 2003, met wijzigingsblad van 5 april 2006.

BRL K908/02, Beoordelingsrichtlijn voor aanleg van kunststof geomembraanbaksystemen, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 1 september 2004.

       

2

Afgeven van kwaliteitsverklaringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b

BRL 0203 Vrijdragende systeemvloeren van vooraf vervaardigd constructief beton, versie van 01-06-2006, met wijzigingsblad van 22-06-2008.

BRL 1004 Kalkzandsteen, versie van 26-08-2002, met wijzigingsblad van 1-4-2006.

 
   

BRL 1005 Lijmmortels voor baksteen, kalkzandsteen, betonsteen en cellenbeton, versie van 05-07-1999, met wijzigingsblad van 18-03-2004.

 
   

BRL 1007 Metselbaksteen, versie van 18-05-2000, met wijzigingsblad van 18-03-2004.

 
   

BRL 1008 Dragende binnen- en buitenwanden, versie van 16-12-2003, met wijzigingsblad van 1-4-2006.

 
   

BRL 1010 Keramische tegels, versie van 07-08-2008.

 
   

BRL 1103 Daken en gevels met geprofileerde vezelcementplaten, versie van 06-10-2005.

 
   

BRL 1104 Bedrijfsvloerplaten van constructief beton, versie van 10-11-2008.

 
   

BRL 1510 Keramische dakpannen, versie van 01-05-2000, met wijzigingsblad van 18-03-2004.

 
   

BRL 1511/2 Baanvormige dakbedekkingssystemen en dakbanen deel 2: Specifieke bepalingen voor gewapende dakbanen op basis van (gemodificeerd) bitumen, versie van 1-9-2005, met wijzigingsblad van 15-09-2008.

 
   

BRL 1511/ 3 Baanvormige dakbedekkingssystemen en dakbanen deel 3: Specifieke bepalingen voor dakbanen op basis van gewapende kunststof/bitumen compounds, versie van 22-12-2005, met wijzigingsblad van 15-09-2008.

 
   

BRL 1712 Holle palen van staalvezelbeton, versie van 10-11-2008.

 
   

BRL 1721 Betonnen oplangers, versie van 10-11-2008.

 
   

BRL 1801 Betonmortel (stationaire- en mobiele betoncentrales), versie van 30-11-2006, met wijzigingsblad van 03-02-2008.

 
   

BRL 1904 Droge cementgebonden mortels, versie van 30-11-2006, met wijzigingsblad van 03-02-2008.

BRL 1905 Mortels voor metselwerk, versie van 12-05-2005, met wijzigingsblad van 03-02-2008.

 
   

BRL 2307 AVI-bodemas voor ongebonden toepassing op of in de bodem, in grond- of wegenbouwkundige werken, versie van 27-05-2008.

 
   

BRL 2310 Groot formaat betontegels, versie van 01-12-1995, met wijzigingsblad van 01-05-2000.

 
   

BRL 2312 Betonstraatstenen, versie van 01-01-2005.

 
   

BRL 2313 Betontegels, versie van 01-01-2005.

 
   

BRL 2314 Betonbanden, versie van 01-01-2005.

 
   

BRL 2315 Dakterrastegels, versie van 1-9-2006.

 
   

BRL 2316 Prefab verhardingselementen van beton die vloeistofdicht zijn voor motorbrandstoffen en smeermiddelen, versie van 1-12-2006.

 
   

BRL 2340 Bouwblokken en

-stenen van beton voor ‘vuil metselwerk’, versie van 01-04-2006.

 
   

BRL 2352 Betonnen heipalen, versie van 10-11-2008.

BRL 2360 Straatbaksteen, versie van 15-08-2008.

 
   

BRL 2368 Niet constructieve betonproducten, versie van 07-07-2003, met wijzigingsblad van 26-06-2008.

 
   

BRL 2505 Poederkoolvliegas voor gebruik in mortel en beton, versie van 03-03-2006, met wijzigingsblad van 18-04-2008.

 
   

BRL 2506 Recyclinggranulaten voor toepassing in de beton, wegenbouw, grondbouw en werken, versie van 25-03-2008.

 
   

BRL 2811 Ferrocement producten, versie van 1-9-2004, met wijzigingsblad van 26-06-2008.

 
   

BRL 2812 Agrarische Betonproducten, versie van 15-09-2002, met wijzigingsblad van 30-01-2006.

 
   

BRL 2813 Bouwelementen van beton, versie van 01-06-2006, met wijzigingsblad van 26-06-2008.

 
   

BRL 2817 Cementgebonden afstandhouders, versie van 01-01-2002, met wijzigingsblad van 26-06-2008.

 
   

BRL 4101/9 Deel 9: Vlakke vezelcementplaten voor gevelbekleding, versie van 01-07-2006, met wijzigingsblad van 22-07-2008.

 
   

BRL 4705 Betonnen dakpannen, versie van 15-02-1995, met wijzigingsblad van 29-03-2004.

 
   

BRL 5063 Hoge sterkte beton, versie van 01-01-1996.

 
   

BRL 5068 Cellenbeton voor toepassing in buitenwanden (type B-wanden) in bouwwerken, versie van 05-07-1999, met wijzigingsblad van 18-03-2004.

 
   

BRL 5070 Vooraf vervaardigde elementen van beton, versie van 31-03-2008.

BRL 5071 Elementen van vezelcement, versie van 24-04-2008.

 
   

BRL 5075 Cementbetonverhardingen geproduceerd met in mobiele installaties vervaardigde betonspecie, versie van 26-02-2003.

 
   

BRL 5076 Elementen van polymeerbeton in contact met regenwater, grondwater en oppervlaktewater, versie van 15-05-2008.

 
   

BRL 5211 Elementen voor lijnafwatering, versie van 15-07-1996

 
   

BRL 52230 Keramische buizen voor riolering, versie van 22-10-2008.

 
   

BRL 5230 Voorgespannen betonbuizen voor het transport van afvalwater, versie van 01-09-2007, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 5231 Buizen en hulpstukken van gewapend beton met plaatstalen kern voor het transport van afvalwater, versie van 01-09-2007, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 5251 Betonnen olie-afscheiders en slibvangputten, versie van 29-09-2005, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 5252 Betonnen vetafscheiders en slibvangputten, versie van 29-09-2005, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 9080 Glooiingselementen van beton, versie van 11-11-1997, met wijzigingsblad van 15-05-2000.

 
   

BRL 9201 Ronde buizen van ongewapend, gewapend en staalvezelbeton, versie van 01-09-2004, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 9202 Putten van ongewapend, gewapend en staalvezelbeton, versie van 01-09-2004, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 9203 Afdekkingen voor putten en kolken, versie van 01-02-1996, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 9204 Kolken samengesteld uit beton en gietijzer, versie van 01-02-1996, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

 
   

BRL 9205 Duikerelementen van gewapende beton, versie van 01-07-1995, met wijzigingsblad van 26-06-2008.

 
   

BRL 9209 Eivormige buizen van ongewapend beton, versie van 01-09-2004, met wijzigingsblad van 13-06-2008.

BRL 9210 Druppelbuizen, versie van 01-07-2000.

 
   

BRL 9301 Mijnsteen voor de civiele techniek, versie van 30-07-2001, met wijzigingsblad van 02-11-2004.

 
   

BRL 9302 E-bodemas voor ongebonden toepassing op of in de bodem in grond- en wegenbouwkundige werken, versie van 10-07-2008.

 
   

BRL 9304 Fosforslak en fosforslakmengsel voor toepassing in GWW-werken, versie van 18-04-2008

 
   

BRL 9305 Hoogovenslakmengsel voor toepassing in GWW-werken, versie van 18-04-2008.

 
   

BRL 9309 Producten uit reinigingsinstallaties, versie van 25-05-1999, met wijzigingsblad van 01-01-2006.

 
   

BRL 9310 LD-mengsels voor toepassing in de wegenbouw en LD-staalslakken voor toepassing in GWW werken, versie van 18-04-2008.

 
   

BRL 9311 Gerecycled grind voor toepassing op daken, in ongebonden lagen in civiele werken en als toeslagmateriaal voor asfalt, versie van 16-04-2008.

 
   

BRL 9312 Waterbouwsteen voor toepassing in de GWW, versie van 10-07-2008.

 
   

BRL 9313 Zand uit dynamische wingebieden , versie van 26-08-2003.

 
   

BRL 9315 De milieuhygiënische kwaliteit van geëxpandeerde kleikorrels voor ongebonden toepassing in werken, versie van 25-03-2008.

 
   

BRL 9316 Flugsand voor ongebonden toepassing op of in de bodem in grond-, weg- en waterbouwkundige werken, versie van 23-06-2000, met wijzigingsblad van 02-11-2004.

 
   

BRL 9317 Lava voor ongebonden toepassing op of in de bodem in grond-, weg-, en waterbouwkundige werken, versie van 20-04-2000, met wijzigingsblad van 02-11-2004.

 
   

BRL 9319 De milieuhy-

giënische kwaliteit van drinkwaterreststoffen voor toepassing in grondwerken, versie van 29-03-2001, met wijzigingsblad van 02-11-2004.

 
   

BRL 9320 Milieuhygiënische kwaliteit van bitumineus gebonden mengsels, versie van 10-02-2003, met wijzigingsblad van 14-12-2006.

 
   

BRL 9321 Milieuhygiënische kwaliteit van industriezand en -grind, versie van 08-02-2008, met wijzigingsblad van 09-07-2008.

 
   

BRL 9322 Cement gebonden minerale reststoffen als gebonden fundering in de bouw, versie van 19-04-2005.

BRL 9324 Steenslag in ongebonden toepassing, versie van 08-02-2008, met wijzigingsblad van 09-07-2008.

 
   

BRL 9326 Schelpen, versie van 01-09-2000, met wijzigingsblad van 19-06-2002.

 
   

BRL 9327 Milieuhygiënische kwaliteit van bitumineuze afdichtingsmaterialen voor toepassing in waterkerende en waterafdichtingssystemen, versie van 15-09-2008.

BRL 9328 ELO-staalslak voor toepassing in de wegenbouw en kust- en oeverwerken, versie van 24-04-2008.

 
   

BRL 9329 KSP-granulaat in GWW-werken als drainage materiaal en KSP-granulaat in GWW-werken als zand in aanvulling of verhoging, versie van 22-12-2003.

 
   

BRL 9333 Steenachtige producten afkomstig van scheidingsinstallaties voor boorspoeling, versie van 29-01-2002, met wijzigingsblad van 19-06-2002.

 
   

BRL 9335 Grond, met bijbehorende SIKB-protocollen 9335-1 en 9335-2, versies van 25-06-2008. Tot 01-07-2009 is het toegestaan de versies van 10-02-2006 toe te passen met de wijzigingsbladen voor SIKB-protocol 9335-1, 9335-2 en 9335-3 van 01-07-2008.

 
   

BRL 9336 Milieuhygiënische kwaliteit van E-Vliegas in ongebonden toepassing, versie van 08-02-2008, met wijzigingsblad van 09-07-2008.

 
       

3

Analyse van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c

NEN-EN-ISO/IEC 17025

AP 04-A, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, Onderdeel : Algemeen, versie 5, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 4 toe te passen.

 
   

AP 04-V, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Monstervoorbehandeling, versie 6, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 5 toe te passen.

 
   

AP 04-SG, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel, onderdeel Samenstelling grond, versie 8, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 7 toe te passen.

Pakket SG1, Standaard pakket voorbehandeling van grondmonsters samenstellingsverrichtingen grond.

Pakket SG2, Aanvulling op SG1, aanvullende verrichtingen m.b.t. niet-vluchtige organische stoffen.

Pakket SG3, Aanvulling op SG1, aanvullende verrichtingen m.b.t. vluchtige organische stoffen.

Pakket SG4, Aanvulling op SG1, aanvullende verrichtingen m.b.t. anorganische stoffen.

Pakket SG5, Aanvulling op SG1, overige verrichtingen voor een complete samenstellingsanalyse.

   

AP 04-SB, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Samenstelling bouwstoffen (niet zijnde grond en afvalstoffen), versie 5, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 4 toe te passen.

Pakket SB1, Standaard pakket monstervoorbehandeling en bepaling samenstelling m.b.t. het gehalte aan droge stof, PAK (m.u.v. bitumineuze materialen), EOX en minerale olie in bouwstoffen.

Pakket SB2, Aanvulling op SB1, aanvullende verrichtingen m.b.t. bepaling van het gehalte aan PCB/OCB, ONB en OPB in bouwstoffen.

Pakket SB3, Aanvulling op SB1, aanvullende verrichtingen m.b.t. bepaling van het gehalte aan BTEX in bouwstoffen.

Pakket SB4, Aanvulling op SB1, aanvullende verrichtingen m.b.t. bepaling van het gehalte aan PAK in bitumineuze materialen en het onderzoeksprotocol voor overige parameters.

   

AP 04-U, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Uitloogonderzoek, versie 5, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 4 toe te passen.

Pakket U1, Uitloogonderzoek grond, niet-vormgegeven en vormgegeven bouwstoffen, niet diffusiebepaalde uitloging.

Pakket U2, Uitloogonderzoek vormgegeven bouwstoffen, diffusiebepaalde uitloging bij geen geringe uitloging of snelle uitputting verwacht.

Pakket U3, Uitloogonderzoek vormgegeven bouwstoffen, diffusiebepaalde uitloging bij geringe uitloging of snelle uitputting verwacht.

   

AP 04-E, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Analyse van eluaten, versie 5, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 4 toe te passen.

 
       

4

Analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d

NEN-EN-ISO/IEC 17025

 
     
 

AS 3000, Accreditatieschema Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 3, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om versie 2, vastgesteld op 26 september 2006 toe te passen.

SIKB-protocol 3001, Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters, versie 2.0, vastgesteld op 18 januari 2007.

   

SIKB-grondprotocollen 3010 t/m 3090, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 4, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om van deze protocollen de versies 3, vastgesteld op 26 september 2006 toe te passen.

     

SIKB-grondwaterprotocollen 3110 t/m 3190, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 3, vastgesteld op 1 oktober 2008. Tot 1 oktober 2009 is het toegestaan om van deze protocollen de versies 2, vastgesteld op 27 juni 2007 toe te passen.

     

SIKB-waterbodemprotocollen 3210 t/m 3290, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 1, vastgesteld op 25 juni 2008.

     

Overgangsregeling voor de SIKB-protocolllen 3210, 3220, 3230, 3240, 3250, 3260 en 3270, Laboratoriumanalyses voor grond-, grondwater- en waterbodemonderzoek, versie 3, van 16 april 2008.

       

5

Bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e

BRL SIKB 7500, Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie, versie 2.0, vastgesteld op 28 september 2005.

SIKB-protocol 7510, Procesmatige ex situ reiniging van grond en baggerspecie, versie 2.0, vastgesteld op 28 september 2005.

     

SIKB-protocol 7511, Landfarming, ontwatering, rijping en zandscheiding van baggerspecie, versie 3.0, vastgesteld op 1 oktober 2008.

       

6

Certificering van personen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f

NEN EN 45011 / 45013 en een of meerdere normdocumenten die zijn opgenomen in deze tabel met uitzondering van de normdocumenten die zijn opgenomen bij categorie 2.

 
       

7

Periodieke inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g

NEN-EN-ISO/IEC 17020

CUR/PBV-Aanbeveling 44, Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen, vierde uitgave, 2005.

Inspectie van vloer, wand en verharding.

Inspectie van bedrijfrioleringen.

Inspectie van geomembraanbaksystemen.

       

8

Milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h

   
       
 

Onderdelen:

   
 

– Verificatie

BRL SIKB 6000, Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water-)bodemsanering en nazorg, versie 2.0, vastgesteld op 13 maart 2007.

VKB-protocol 6001, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met conventionele methoden, versie 2.0, vastgesteld op 13 maart 2007. VKB-protocol 6002, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in situ methoden, versie 2.0, vastgesteld op 10 mei 2007. VKB-protocol 6003, Milieukundige begeleiding van waterbodemsanering, versie 3.0, vastgesteld op 25 juni 2008. VKB-protocol 6004, Milieukundige begeleiding van nazorg, versie 2.0, vastgesteld op 13 maart 2007.

       
 

– Processturing

Hetzelfde document als bij onderdeel verificatie

Dezelfde documenten als bij onderdeel verificatie

       
   

of

of

       
   

BRL SIKB 7000, Beoordelingsrichtlijn uitvoering van (water)bodemsaneringen, versie 4.1, vastgesteld op 6 december 2007.

SIKB-protocol 7002, Uitvoering van landbodemsanering met in situ methoden, versie 2.1, vastgesteld op 6 december 2007.

       

9

Monsterneming bij partijkeuringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i

AP 04-M, Accreditatieprogramma Bouwstoffenbesluit onderdeel monsterneming, versie 3, vastgesteld op 20 april 2006.

– Monsterneming grond voor partijkeuringen.

– Monsterneming grond uit materiaalstromen voor partijkeuringen.

– Monsterneming niet vormgegeven bouwstoffen uit statische partijen voor partijkeuringen.

– Monsterneming niet vormgegeven bouwstoffen uit materiaalstromen/stortstromen voor partijkeuringen.

– Monstervoorbehandeling op locatie voor partijkeuringen.

– Monsterneming vormgegeven bouwstoffen uit statische partijen voor partijkeuringen.

– Monsterneming vormgegeven bouwstoffen tijdens productieproces voor partijkeuringen.

 
 
 
 
 
 
 
   

BRL SIKB 1000, Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat monsterneming voor partijkeuringen Bouwstoffenbesluit, versie 7, vastgesteld op 3 maart 2005.

– Monsterneming grond voor partijkeuringen.

   

– Monsterneming grond uit materiaalstromen voor partijkeuringen.

   

– Monsterneming niet vormgegeven bouwstoffen uit statische partijen voor partijkeuringen.

   

– Monsterneming niet vormgegeven bouwstoffen uit materiaalstromen/stortstromen voor partijkeuringen.

   

– Monstervoorbehandeling op locatie voor partijkeuringen.

   

– Monsterneming vormgegeven bouwstoffen uit statische partijen voor partijkeuringen.

     

– Monsterneming materialen verhardingsconstructies voor partijkeuringen.

     

– Monsterneming vormgegeven bouwstoffen tijdens productieproces voor partijkeuringen.

       

10

Produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder j

De normdocumenten die bij categorie 2 zijn opgenomen.

 
       

11

Uitvoering van een sanering van de bodem, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder k

BRL SIKB 7000, Beoordelingsrichtlijn uitvoering van (water)bodemsaneringen, versie 4.1, vastgesteld op 6 december 2007.

SIKB-protocol 7001, Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden, versie 4.0, vastgesteld op 13 maart 2007.

     

SIKB-protocol 7002, Uitvoering van landbodemsanering met in situ methoden, versie 2.1, vastgesteld op 6 december 2007.

     

SIKB-protocol 7003, Uitvoering van waterbodemsanering, versie 3.0, vastgesteld op 25 juni 2008.

       

12

Veldwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l

BRL SIKB 2000, Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 3, vastgesteld op 3 maart 2005.

AS SIKB 2000, ontwerp-Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 1.0, vastgesteld op 13 maart 2007.

VKB-protocol 2001, Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 3, vastgesteld op 3 maart 2005.

VKB-protocol 2002, Het nemen van grondwatermonsters, versie 3, vastgesteld op 3 maart 2005.

VKB-protocol 2003, Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek, versie 1.0, vastgesteld op 13 februari 2008 (de verplichting om conform dit protocol te werken treedt per 1 juli 2009 in werking).

VKB-protocol 2006, Mechanisch boren, versie 1, vastgesteld op 25 juni 2008 (de verplichting om conform dit protocol te werken treedt per 1 juli 2010 in werking).

     

VKB-protocol 2018, Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 2.1, vastgesteld op 3 maart 2005.

       

13

Verwijderen, onklaar maken en installeren ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder m

   
       
 

Onderdelen:

   
 

– Uitvoeren, installeren en repareren ondergrondse opslagtanks

BRL K903/07, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, versie van 8 december 2006.

 
 

– Uitvoeren bodemweerstandsmeting

BRL K903/07, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, versie van 8 december 2006.

 
 

– Aanbrengen en herstellen van kathodische bescherming

BRL K903/07, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, versie van 8 december 2006.

 
 

– Verwijderen en onklaar maken van een ondergrondse opslagtank en vullen met inerte vulmassa.

BRL-K902/03, Beoordelingsrichtlijn voor tanksanering HBO/diesel, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van maart 1999.

 
   

BRL K904/02, Beoordelingsrichtlijn voor tanksaneringen, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van november 1999

 
 

– Inwendige reiniging van een ondergrondse opslagtank

BRL K905/02, Beoordelingsrichtlijn voor tankreiniging, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van november 1999.

 
       

14

De beoordeling en keuring van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages en daarbij behorende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder n

   
       
 

Onderdelen:

   
 

– Controle op water en bezinksel en elektrische geleidbaarheid en zuurgraad beoordelen

KC 102/03, Keuringscriteria voor de periodieke controle op de aanwezigheid van water/bezinksel in stalen opslagtanks, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie mei 2003.

 
 

– Uitvoeren van een stroomopdrukproef

KC 103/02, keuringscriteria voor de controle van ondergrondse uitwendige bekledingen op stalen tanks en leidingen middels een stroomopdrukproef, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie oktober 2003.

 
 

– Ondergrondse opslagtank op dichtheid controleren

KC 104/03, Keuringscriteria voor de dichtheidsbeproeving van ondergrondse drukloze tank (opslag)installaties (kunststof en staal), Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie mei 2003.

 
 

– Inwendige beoordeling ondergrondse opslagtank

KC 105/03, Keuringscriteria voor de inwendige inspectie van ondergrondse tanks, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie mei 2003.

 
 

– Keuring ondergrondse opslagtanks

KC 106/03, Keuringscriteria voor (her)keuring van ondergrondse drukloze tank(opslag)installaties (kunststof en staal), Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie mei 2003.

 
 

– Controle van kathodische bescherming

AP 08, Accreditatieprogramma met instructies voor de uitvoering van de controle op de werking van de kathodische bescherming, uitgave oktober 2000.

 

Bijlage D

Overzicht gebruikte normdocumenten en onderzoeksprotocollen

I. Normdocumenten

Voor de normen genoemd in deze regeling geldt dat de volgende versies dienen te worden gebruikt:

  • ASTM-norm D 3682-01, Standard test methods for major and minor elements in coal and coke ash by atomic absorption, 2006, verkrijgbaar via de website van de American National Standards Institute (www.ansi.org)

  • BRL 1148, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg van afdichtingslagen met zandbentonietpolymeergel inclusief combinatiedichtingen, 1 september 1998

  • BRL 1149, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor verwerken van kunststof folie, 14 juni 2002

  • CROW-publicatie 125, Werken met de richtlijn IBC-maatregelen – Evaluatie van reguliere werken en ervaringsprojecten, 1 april 1998

  • CROW publicatie 144, Toetsingskader IBC-maatregelen, maart 2000

  • CUR-Aanbeveling 49, Bentonietmatten in bodembeschermende voorzieningen, 1 juni 1997

  • CUR-Aanbeveling 50, Bentonietmatten in bodembeschermende voorzieningen, 1 november 1997

  • HCB/2008-200, Bouwsectorspecifieke procedures en eisen voor beoordelingsrichtlijnen en kwaliteitsverklaringen van de collectieve merken van SBK, juli 2008

  • NVN 5720, Bodem – Waterbodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, maart 2000, met wijzigingsblad NVN 5720:2000/A2:2008 Bodem – Waterbodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek

  • NEN 5740, Bodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, april 2000, met wijzigingsblad NEN 5740:1999/A1:2008 Bodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond

  • NEN 5753, Bodem – Bepaling van het lutumgehalte en de korrelgrootteverdeling in grond en waterbodem met behulp van zeef en pipet, mei 2006

  • NEN 5754, Bodem – Bepaling van het gehalte aan organische stof op massabasis in grond en waterbodem volgens de gloeiverliesmethode, november 2005

  • NPR 6416, Atomaire-absorptiespectrometrie – Vlamtechniek – Algemene richtlijnen, juni 1995

  • NPR 6417, Atomaire-absorptie-spectrometrie – Grafietoventechniek – Algemene richtlijnen, juli 1997

  • NEN 7300, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Algemene aanwijzingen, november 1999 ontw

  • NVN 7301, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van korrelvormige materialen uit materiaalstromen, november 1999 ontw

  • NVN 7302, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van korrelvormige materialen uit statische partijen, november 1999 ontw

  • NVN 7303, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van vormgegeven en monolitische materialen, november 1999 ontw

  • NEN 7310, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Algemene aanwijzingen, juni 1995

  • NVN 7311, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Monsteropslag en -conservering, juni 1995

  • NVN 7312, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Monstervoorbehandeling voor de bepaling van het uitlooggedrag en het gehalte van anorganische componenten, juni 1995

  • NEN 7371, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de beschikbaarheid voor uitloging van anorganische componenten – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7373, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de uitloging van anorganische componenten uit poeder- en korrelvormige materialen met een kolomproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7375, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de uitloging van anorganische componenten uit vormgegeven en monolitische materialen met een diffusieproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7383, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de cumulatieve uitloging van anorganische componenten uit poeder- en korrelvormige materialen met een vereenvoudigde procedure voor de kolomproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN-ISO 3310-2, Controlezeven – Technische eisen en beproevingen – Deel 2: Geperforeerde plaatzeven, september 1999

  • NEN-EN 13383-1, Waterbouwsteen – Deel 1: Specificatie, juni 2002

  • NEN-EN 13383-2, Waterbouwsteen – Deel 2: Beproevingsmethoden, mei 2002

II. Onderzoeksprotocollen

Onderzoeksprotocollen voor bodem:

– Protocol Bodemonderzoek Milieuvergunning en BSB, oktober 1993 (SIKB)

Onderzoeksprotocollen voor bodem onder oppervlaktewater, landelijk geldend:

  • Protocol voor het oriënterend onderzoek, Ministerie van VROM, 1993.

Onderzoeksprotocollen voor bodem onder oppervlaktewater, geldend voor specifieke gebieden of toepassingen:

  • Draaiboek Monstercampagne onderhoudsbaggerspecie, Gemeentelijk havenbedrijf Rotterdam, 1998. Dit draaiboek is gebaseerd op de Nota sedimentbemonsteringsplan, Dienst Binnenwateren/Riza, 1986.

  • Richtlijn Milieuchemisch onderzoek Maaswerken, Rijkswaterstaat, 2002.

  • Nota uitwerking baggerbeleid III, Provincie Zuid-Holland, 2004.

  • Tussenrichtlijn onderzoeksstrategie uiterwaarden in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Directie Oost Nederland, Rijkswaterstaat, 1996.

  • Leidraad waterbodemonderzoek in het Rivierengebied, V&W, 2007.

  • Onderzoeksplan zandsuppleties, Rijkswaterstaat, 2005.

  • Protocol bemonstering en analyse vastelling klasse-indeling baggerspecie voor verspreiden over aangrenzende percelen, NEN 2007.

  • Strategie volume-evenredige in-situ baggerbemonstering kleine watergangen, Hoogheemraadschap van Delfland, 1997.

  • Inspectiekader Verspreiden zoute baggerspecie, Inspectie Verkeer en Waterstaat, 9 december 2005.

Onderzoeken op basis van de onderstaande protocollen mogen worden betrokken in de milieuhygiënische verklaring, in combinatie met de resultaten van een onderzoek op basis van een van de voorgenoemde protocollen:

  • Richtlijn nader onderzoek voor waterbodems, RIZA, 2002.

  • Protocol Nader Onderzoek Deel 1, SDU, 1994.

  • Richtlijn Nader Onderzoek Deel 1, SDU, 1995.

III. Richtlijnen voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten

– Richtlijn voor opstellen van bodemkwaliteitskaarten, NEN, 2007.

IV. Werkvoorschriften

– Rapport Toepassing bitumenemulsie als diffusieremmende constructie tussen minerale afdichting en AVI-bodemas, mei 2003.

Bijlage E. , behorende bij paragraaf 3.1

De bepaling of een bouwstof steenachtig is

Berekening van de massa’s

De berekening van de massa’s van aluminium (Al), calcium (Ca) en silicium (Si) vindt plaats overeenkomstig de volgende methode:

Om het gehalte Al, Ca en Si te bepalen wordt een calibratiecurve opgesteld. Deze is gebaseerd op de absorptiewaarden van de standaardoplossingen (‘Standards’) zoals beschreven in de ASTM-norm D 3682-01 (§ 9.1, § 10.1 en § 12.1). De calibratiecurve voldoet bij voldoende lage concentraties aan de wet van Lambert-Beer en vormt dan een rechte lijn. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is, worden de standaardoplossingen verdund.

De absorpties van de blanco (‘blank’) en het te onderzoeken monster (‘sample solution’), gemaakt als in § 9.3, § 10.3 en § 12.3 van de ASTM-norm D 3682-01, worden gemeten. De calibratiecurve wordt gebruikt om de concentratie in de blanco (cb in ppm) en het monster (cm in ppm) te bepalen. Deze twee concentraties worden van elkaar afgetrokken, wat de concentratie in het gemeten monster oplevert:

c'm (ppm) = cm (ppm) – cb (ppm)

Indien bij de metingen blijkt dat het te onderzoeken monster buiten het meetbereik ligt, wordt het te onderzoeken monster verder verdund (verdunningsfactor f) met de blanco-oplossing. Informatie over het uitvoeren van analyses met behulp van atomaire absorptiespectrometrie kan worden verkregen uit NPR 6416 en NPR 6417.

Voor de berekening van het percentage Al, Ca en Si in het onderzochte materiaal (resp. %Al, %Ca en %Si) worden de volgende formules ingevuld:

Bijlage 242942.png

waarin:

  • f de factor is (dimensieloos) waarmee het te onderzoeken monster (eventueel extra) is verdund;

  • m de in bewerking genomen massa van het te onderzoeken monster, in g, is;

  • Vo het totale volume destruaat, in ml, is;

  • Vo/m voor Al 1/200 ml/g, voor Ca 1/200 ml/g en voor Si 1/50 ml/g is (zie ASTM-norm D 3682-01 § 9.3, § 10.3 en § 12.3, ‘sample of solution’).

Vaststellen van het gemiddelde

Van elk mengmonster wordt het percentage aluminium, silicium, en calcium bepaald. Hiervan wordt vervolgens het gemiddelde bepaald. Aan dit gemiddelde wordt getoetst of de totaalgehalten silicium, aluminium en calcium samen meer of minder dan 10% (m/m) is van het te onderzoeken materiaal.

Bijlage F. , behorende bij paragraaf 3.2

De bepaling of een bouwstof kan worden aangemerkt als vormgegeven en duurzaam vormvast

Bepaling van het volume van de kleinste eenheid op basis van afmetingen

Voor de berekening van het volume wordt als formule gehanteerd:

V = 1000 * (M1 – M2) / ρ

waarbij:

V = volume van het element cm3

M1 = de massa van het vochtige proefstuk, in g

M2 = de schijnbare massa onder water van het element bedoeld in hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2, in g

ρ = de dichtheid van water bij de beproevingstemperatuur van het waterbad, in g/cm3

Bepaling van het volume van de kleinste eenheid op basis van een zeefproef

Een bouwstof wordt op grond van de resultaten van een bepaling van de korrelverdeling door middel van een zeefproef aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, indien het korrelverdelingsdiagram van een monster van die bouwstof, vastgesteld door zeving volgens de gegeven normdocumenten voldoet aan onderstaande waarden:

Zeefmaat

Massapercentage (m/m) zeefdoorval

Normdocument

90 mm

0 – 90%

NEN-EN 13383-2

63 mm

0 – 60%

NEN-EN 13383-2

45 mm

0 – 35%

NEN-ISO 3310-2

31,5 mm

0 – 10%

NEN-ISO 3310-2

16 mm

0 – 5%

NEN-ISO 3310-2

Niet-duurzaam vormvaste toepassingen

In onderstaande lijst zijn combinaties van toepassingen en bouwstoffen opgenomen die niet als duurzaam vormvast worden beschouwd.

Toepassingsgebied

Toepassing

Niet-duurzaam vormvaste bouwstoffen

Wegenbouw

funderingslaag

– gestabiliseerde klei

   

– gestabiliseerde leem

   

– gestabiliseerd E-vliegas

 

verhardingslaag

– oppervlaktebehandeling

     

Waterbouw

toplaag

– zandcementblokken

   

– niet-vochtbestendige staalslakken, als bedoeld in Standaard RAW-bepalingen 2005 (CROW, Ede)

 

dynamisch stabiele constructie

– alle bouwstoffen

 

kern

– niet-vochtbestendige staalslakken als bedoeld in Standaard RAW-bepalingen 2005 (CROW, Ede)

Vormgegeven bouwstoffen die met de kolomproef moeten worden bepaald

Toepassingsgebied

Toepassing

Bouwstoffen

 

verhardingslaag

– zeer open asfaltbeton (ZOAB)

   

– zeer open cementbeton

Waterbouw

toplaag

– open colloïdaal beton

Bijlage G. , behorende bij artikel 4.2.1 en 4.2.2

I. Formules bodemtypecorrectie bodem, bij toepassing van grond of baggerspecie volgens de toetsingskaders in paragraaf 2 en 3 van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Besluit

De normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, zoals aangeduid in tabel 1 van bijlage B, zijn afhankelijk van het lutumgehalte en/of het organisch stofgehalte.

De formules voor correctie van de meetwaarden in grond en baggerspecie voor het bodemtype zijn overeenkomstig de formules hiervoor in bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering 2009.

Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem of de partij toe te passen grond of baggerspecie, worden de in de tabellen opgenomen normwaarden (achtergrondwaarden en maximale waarden voor een standaardbodem) omgerekend naar de normwaarden voor de betreffende bodem, respectievelijk de partij toe te passen of te verspreiden grond of baggerspecie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gemeten gehalten aan organisch stof en lutum van de bodem, respectievelijk de partij toe te passen of te verspreiden grond en baggerspecie. De omgerekende maximale waarden kunnen vervolgens met de gemeten gehalten worden vergeleken.

Hierbij is het percentage aan organisch stof bepaald volgens NEN 5754.

Hierbij is het gehalte aan lutum: het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm betrokken op het totale drooggewicht van de grond.

Metalen

Bij de omrekening van de normwaarden voor metalen worden de volgende bodemtypecorrectieformule gebruikt:

(MW)b,g,bs = (MW)sb x {{(A + (B x %lutum) + (C x %organisch stof)} / {(A + (B x 25) + (C x 10)}}

Waarin:

(MW)b,g,bs

=

maximale waarde of achtergrondwaarde die geldt voor de plaats van toepassen, respectievelijk voor de toe te passen of te verspreiden partij grond of baggerspecie, gecorrigeerd op basis van rekenkundige gemiddelde van het lutum- en organisch stofgehalte zoals gemeten in de bodem, respectievelijk de toe te passen grond of baggerspecie

(MW)sb

=

maximale waarde of achtergrondwaarde voor de standaardbodem, die geldt als toepassingseis voor de plaats van toepassen

% lutum

=

gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie. Voor bodem, grond of baggerspecie met een gemeten lutumgehalte van minder dan 2% wordt met een lutumgehalte van 2% gerekend.

   

Voor thermisch gereinigde grond en baggerspecie geldt de volgende uitzondering:

   

Bij de omrekening van de normwaarden voor Barium, wordt indien het lutumpercentage lager is dan 10%, met een lutumpercentage van 10% gerekend.

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie. Voor bodem, grond of baggerspecie met een gemeten organisch gehalte van minder dan 2% wordt met een organisch stofgehalte van 2% gerekend.

A,B,C

=

stof afhankelijke constanten voor metalen (zie tabel 1)

Tabel 1. Stofafhankelijke constanten voor metalen

Stof

A

B

C

Arseen

15

0,4

0,4

Barium

30

5

0

Berylium

8

0,9

0

Cadmium

0,4

0,007

0,021

Chroom

50

2

0

Kobalt

2

0,28

0

Koper

15

0,6

0,6

Kwik

0,2

0,0034

0,0017

Lood

50

1

1

Nikkel

10

1

0

Tin

4

0,6

0

Vanadium

12

1,2

0

Zink

50

3

1,5

noot

1Voor antimoon, molybdeen en thallium wordt geen bodemtypecorrectie gehanteerd

Organische verbindingen

Bij de omrekening naar standaardbodem voor organische verbindingen, met uitzondering van PAK’s, wordt gebruik gemaakt van de volgende bodemtypecorrectieformule:

(MW)b,g,bs = (MW)sb x (%organisch stof / 10)

Waarin:

(MW)b,g,bs

=

maximale waarde of achtergrondwaarde die geldt voor de plaats van toepassen, respectievelijk voor de toe te passen of te verspreiden partij grond of baggerspecie, gecorrigeerd op basis van rekenkundige gemiddelde van het lutum- en organisch stofgehalte zoals gemeten in de toe te passen grond of baggerspecie

(MW)sb

=

maximale waarde of achtergrondwaarde voor de standaardbodem, die geldt als toepassingseis voor de plaats van toepassen

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie. Voor bodem, grond of baggerspecie met gemeten organische stofgehalte van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2%, wordt met organisch stofgehalten van 30%, respectievelijk 2% gerekend.

PAK’s

Bij PAK’s is de wijze van correctie naar de standaardbodem afhankelijk van het percentage organisch stof.

Voor PAK’s wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% toegepast.

Tussen de 10% en 30% organisch stofgehalte wordt de volgende bodemtypecorrectieformule gebruikt:

(MW)b,g,bs = (MW)sb x (%organisch stof / 10)

Waarin:

(MW)b,g,bs

=

maximale waarde of achtergrondwaarde die geldt voor de plaats van toepassen, respectievelijk voor de toe te passen of te verspreiden partij grond of baggerspecie, gecorrigeerd op basis van rekenkundige gemiddelde van het lutum- en organisch stofgehalte zoals gemeten in de bodem, respectievelijk de toe te passen grond of baggerspecie

(MW)sb

=

maximale waarde of achtergrondwaarde voor de standaardbodem, die geldt als toepassingseis voor de plaats van toepassen

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie

Voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% wordt de volgende bodemtype-correctieformule gehanteerd:

(MW) b,g,bs = (MW) sb × 3

Waarin:

(MW) b,g,bs

=

maximale waarde of achtergrondwaarde die geldt voor de plaats van toepassen, respectievelijk voor de toe te passen of te verspreiden partij grond of baggerspecie, gecorrigeerd op basis van rekenkundige gemiddelde van het lutum- en organisch stofgehalte zoals gemeten in de bodem, respectievelijk de toe te passen grond of baggerspecie

(MW) sb

=

maximale waarde of achtergrondwaarde voor de standaardbodem, die geldt als toepassingseis voor de plaats van toepassen

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie

II. Formules bodemtypecorrectie bodem, bij toepassing van grond of baggerspecie volgens het toetsingskader van hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 van het Besluit

Bij vaststelling of sprake is van overschrijding van lokale maximale waarden, verloopt de bodemtypecorrectie volgens twee stappen:

  • 1. Omrekenen van de lokale maximale waarden voor de bodemkwaliteitszone naar gestandaardiseerde lokale maximale waarden, op basis van de gemiddelde lutum- en organische stofgehaltes in de betreffende bodemkwaliteitszone.

  • 2. Omrekenen van de gestandaardiseerde lokale maximale waarde naar de maximale waarden voor de toe te passen partij grond of baggerspecie, op basis van de gemiddelde lutum- en organische stofgehaltes in de toe te passen grond of baggerspecie.

Stap 2 verloopt volgens de beschrijving in deel I van deze bijlage.

De wijze van uitvoeren van stap 1 is hieronder beschreven.

Omrekenen lokale maximale waarden naar gestandaardiseerde lokale maximale waarden

Metalen

Bij de omrekening van lokale maximale waarden naar gestandaardiseerde lokale maximale waarden voor metalen wordt de volgende bodemtypecorrectieformule gebruikt:

(LMW) sb = (LMW) b / {{(A + (B × %lutum) + (C × %organisch stof)} / {(A + (B × 25) + (C × 10)}}

Waarin:

(LMW) sb

=

lokale maximale waarden gecorrigeerd naar standaardbodem

(LMW) b

=

lokale maximale waarden zoals vastgesteld door de gemeenteraad of de waterkwaliteitsbeheerder, niet gecorrigeerd naar lutum en organisch stof

% lutum

=

rekenkundig gemiddelde van de gemeten percentages lutum in de bodemkwaliteitszone of in het gebied waarop de lokale maximale waarden betrekking hebben.

Voor bodemkwalititeitszones met een gemeten lutumgehalte van minder dan 2%, wordt met een lutumgehalte van 2% gerekend.

% organisch stof

=

rekenkundig gemiddelde van de gemeten percentages organisch stof in de bodemkwaliteitszone of in het gebied waarop de lokale maximale waarden betrekking hebben.

Voor bodemkwaliteitszones met een gemeten organisch gehalte van minder dan 2% wordt een organisch stofgehalte van 2% gerekend.

A,B,C

=

stof afhankelijke constanten voor metalen (zie tabel 2)

Tabel 2 Stofafhankelijke constanten voor metalen

Stof

A

B

C

Arseen

15

0,4

0,4

Barium

30

5

0

Berylium

8

0,9

0

Cadmium

0,4

0,007

0,021

Chroom

50

2

0

Kobalt

2

0,28

0

Koper

15

0,6

0,6

Kwik

0,2

0,0034

0,0017

Lood

50

1

1

Nikkel

10

1

0

Tin

4

0,6

0

Vanadium

12

1,2

0

Zink

50

3

1,5

1 Voor antimoon, molybdeen en thallium wordt geen bodemtypecorrectie gehanteerd

Organische verbindingen

Bij de omrekening van lokale maximale waarden naar gestandaardiseerde lokale maximale waarden voor organische verbindingen, met uitzondering van PAK’s, wordt gebruik gemaakt van de volgende bodemtypecorrectieformule:

(LMW) sb = (LMW) b / (% organisch stof / 10)

Waarin:

(LMW) sb

=

lokale maximale waarden gecorrigeerd naar standaardbodem

(LMW) b

=

lokale maximale waarden zoals vastgesteld door de gemeenteraad of de waterkwaliteitsbeheerder, niet gecorrigeerd naar lutum en organisch stof

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie

PAK’s

Bij PAK’s is de wijze van correctie naar de standaardbodem afhankelijk van het percentage organisch stof. Voor PAK’s wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot en met10% toegepast. Van 10% tot en met 30% organisch stofgehalte wordt de volgende bodemtypecorrectieformule gebruikt:

(LMW) sb = (LMW) b / (% organisch stof / 10)

Waarin:

(LMW) sb

=

lokale maximale waarden gecorrigeerd naar standaardbodem

(LMW) b

=

lokale maximale waarden zoals vastgesteld door de gemeenteraad of de waterkwaliteitsbeheerder, niet gecorrigeerd naar lutum en organisch stof

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie

Voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30 % wordt de volgende bodemtypecorrectieformule gehanteerd:

(LMW) sb = (LMW) b / 3

Waarin:

(LMW) sb

=

lokale maximale waarden gecorrigeerd naar standaardbodem

(LMW) b

=

lokale maximale waarden zoals vastgesteld door de gemeenteraad of de waterkwaliteitsbeheerder, niet gecorrigeerd naar lutum en organisch stof

% organisch stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie

III. Formules bodemtypecorrectie bodem onder oppervlaktewater, bij toepassen en verspreiden van grond of baggerspecie in oppervlaktewater en verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel

Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem of de partij toe te passen grond of baggerspecie in oppervlaktewater, worden de gemeten waarden voor de betreffende bodem, respectievelijk de partij toe te passen grond of baggerspecie omgerekend naar standaardbodem.

Voor verspreiden in zout water wordt geen bodemtypecorrectie toegepast.

De omrekening van gemeten gehalten in grond, baggerspecie of waterbodem naar een standaardbodem, is overgenomen uit de Vierde Nota Waterhuishouding en de Regeling vaststelling klassenindeling onderhoudsspecie. De omrekening naar standaardbodem vindt plaats op basis van individuele meetwaarden, alvorens andere berekeningen (bepalen gemiddelden of P95) worden uitgevoerd. Bij het standaardiseren wordt gebruik gemaakt van de gemeten gehalten aan organische stof en lutum. De gestandaardiseerde waarden worden, met inachtneming van de toetsingsregels, getoetst aan de normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater, zoals die zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage B.

Hierbij is het gemeten gehalte aan organisch stof: het gewichtspercentage gloeiverlies betrokken op het totale drooggewicht van de grond.

Hierbij is het gemeten gehalte aan lutum: het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm betrokken op het totale drooggewicht van de grond.

De omrekening van gemeten gehalten in waterbodem, grond of baggerspecie naar een standaardbodem verloopt via de volgende formule:

Bijlage 243284.png

Hierin is:

G standaard

=

Gestandaardiseerd gehalte

G gemeten

=

Gemeten gehalte

A,B,C

=

Stof-afhankelijke constanten voor metalen (zie tabel 3)

% lutum

=

Gemeten gehalte aan lutum:

het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm betrokken op het totale drooggewicht van de grond of baggerspecie.

Voor thermisch gereinigde grond en baggerspecie geldt de volgende uitzondering: indien het lutumpercentage lager is dan 10%, wordt bij de omrekening van de gemeten gehalten aan Barium met een lutumpercentage van 10% gerekend.

% organische stof

=

gemeten percentage organisch stof in de te beoordelen bodem, grond of baggerspecie. Het gehalte organisch stof kan voor zoute baggerspecie ook berekend worden uit het percentage koolstof x 1,724

Voor het percentage organisch stof is een minimum en maximumwaarde gedefinieerd (tabel 4). Voor het percentage lutum een minimumwaarde (tabel 5).

Tabel 3 Stofafhankelijke constanten voor metalen en organische verbindingen

Stof

A

B

C

Antimoon1

1

0

0

Arseen

15

0,4

0,4

Barium

30

5

0

Berylium

8

0,9

0

Cadmium

0,4

0,007

0,021

Chroom

50

2

0

Kobalt

2

0,28

0

Koper

15

0,6

0,6

Kwik

0,2

0,0034

0,0017

Lood

50

1

1

Molybdeen1

1

0

0

Nikkel

10

1

0

Thallium1

1

0

0

Tin

4

0,6

0

Vanadium

12

1,2

0

Zink

50

3

1,5

Organische verbindingen

0

0

1

noot

1 Voor antimoon, molybdeen en thallium wordt geen bodemtypecorrectie gehanteerd

Tabel 4 Minimum en maximumwaarde voor % organische stof

Stofgroep

Min

Max

Anorganische parameters

Organische parameters

2

30

PAK’s

10

30

Tabel 5 Minimum waarde % lutum

Stofgroep

Min

Max

Anorganische parameters

2

De minimum en maximumwaarden zoals opgenomen in tabel 4 en 5 worden niet gehanteerd bij het berekenen van de msPAF bij het beoordelen van baggerspecie die conform artikel 35, onderdeel f, van het Besluit verspreid wordt op het aangrenzend perceel.

IV. Regels voor het vaststellen van een overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 4.2.2.

De Achtergrondwaarden en Maximale waarden kunnen lager zijn dan de vereiste rapportagegrens in AS3000 dan wel de vereiste aantoonbaarheidsgrens in AP04. Dit betekent dat deze waarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000 dan wel de aantoonbaarheidsgrens in AP04. Het hanteren van een strengere rapportagegrens respectievelijk aantoonbaarheidsgrens mag ook, mits deze is vastgesteld conform AS3000 respectievelijk AP04. Bij een resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel < vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde waarden. Indien het laboratorium een waarde < een verhoogde rapportagegrens aangeeft (dit is hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel de vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04), dan dient de desbetreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde waarden. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met een afwijkende samenstelling.

Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), wordt dit gehalte aan de van toepassing zijnde waarde getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel de vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04.

Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel < vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04 vermenigvuldigd met 0,7.

Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel < vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde Achtergrondwaarden of Maximale waarden. Deze regel geldt niet voor de msPAF metalen en msPAF organische stoffen.

Indien een of meer individuele componenten het resultaat hebben < dan een verhoogde rapportagegrens, of er een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde Achtergrondwaarden of Maximale waarden. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan wel de vereiste aantoonbaarheidsgrens AP04.

Bijlage H. , behorende bij paragraaf 3.5 en 3.6 van de Regeling bodemkwaliteit

Berekening k-waarden

Definitie k-waarde

De k-waarde wordt gedefinieerd als:

k = (log (maximale waarde) – y) / sy

Waarbij :

  • maximale waarde = voor bouwstoffen de betreffende maximale samenstellings- of emissieswaarde van bijlage A , voor grond of baggerspecie de geldende achtergrondwaarde, of de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklassen wonen, industrie, A of B, zoals opgenomen in bijlage B

  • y = het gemiddelde van de log-getransformeerde waarnemingen

  • sy = de standaarddeviatie van de log-getransformeerde waarnemingen

  • waarneming = voor bouwstoffen de gemiddelde samenstellings- of emissiewaarde van een partij, voor grond of baggerspecie de gemeten kwaliteit van een partij.

Het gemiddelde en de standaarddeviatie worden bepaald op basis van de laatste vijf of tien waarnemingen (tien voor een fabrikant-eigenverklaring). Hierbij wordt eerst de logaritme van de individuele waarneming genomen om vervolgens het gemiddelde van deze log-getransformeerde waarnemingen te bepalen.

Overzicht k-waarden bij certificering

In de onderstaande tabel zijn voor de verschillende klassen de minimaal benodigde k-waarden gegeven en de daarbij behorende minimale frequenties van de productiecontrole. Hierbij geeft N het aantal waarnemingen waarover de k-waarde is berekend.

Klasse

k-waarde (N=5)

k-waarde (N=10)

Keuringsfrequentie

      Steekproefregime

90 / (> 99,9)

> 6,12

> 4,63

Eén keuring per drie jaar

90 / (99 – 99,9)

≤ 6,12

≤ 4,63

Eén keuring per jaar

90 / (90 – 99)

≤ 4,67

≤ 3,53

Eén keuring per tien partijen

(minimaal vijf per drie jaar)

90 / (70 – 90)

≤ 2,74

≤ 2,07

Eén keuring per vier partijen

(minimaal tien per drie jaar)

90 / (50 – 70)

≤ 1,46

≤ 1,07

Eén keuring per twee partijen

(minimaal vijf per jaar)

       
      Partijkeuringsregime

90 / (< 50)

≤ 0,69

≤ 0,44

elke partij

(minimaal tien per jaar)

Gammaregeling bij certificering

De waarde van γ hangt onder meer af van het aantal keuringen waarover de k-waarde wordt berekend (vijf of tien) en of het een vormgegeven of niet-vormgegeven bouwstof betreft.

Bepaling

Aantal

γ

Keuringsfrequentie

samenstelling bouwstoffen, uitloging niet-vormgegeven bouwstoffen, kwaliteit of emissie grond of baggerspecie

vijf

0,27

Eén keuring per jaar

 

vijf

0,17

Eén keuring per drie jaar

 

tien

0,26

Eén keuring per drie jaar

uitloging vormgegeven bouwstoffen

vijf

0,41

Eén keuring per jaar

 

vijf

0,29

Eén keuring per drie jaar

 

tien

0,37

Eén keuring per drie jaar

Verdelingsvrije toets bij certificering

In de onderstaande tabel zijn voor de verschillende klassen de voorwaarden gegeven van de verdelingsvrije toets en de daarbij behorende minimale frequenties van de productiecontrole.

Klasse

Aantal overschrijdingen in de reeks meest recente waarnemingen

Keuringsfrequentie

    Steekproefregime

90 / (90-99)

geen overschrijdingen van de laatste 22, of ten hoogste 1 van de laatste 38 waarnemingen

Eén keuring per tien partijen

(minimaal vijf per drie jaar)

90 / (70 – 90)

geen overschrijdingen van de laatste 7, of ten hoogste 1 van de laatste 12 waarnemingen

Eén keuring per vier partijen

(minimaal tien per drie jaar)

90 / (50 – 70)

ten hoogste 1 overschrijding van de laatste 7, of 3 van de laatste 12 waarnemingen

Eén keuring per twee partijen

(minimaal vijf per jaar)

     
    Partijkeuringsregime

90 / (< 50)

2 of meer overschrijding van de laatste 7 en 4 of meer van de laatste 12 waarnemingen

elke partij

(minimaal tien per jaar)

Bijlage I. , behorende bij paragraaf 3.9

Isolerende voorzieningen

Checklist ontwerp

Doorworteling/ondergraving

  • begroeiing die isolerende voorziening aantast

  • activiteiten van dieren die holen graven

Talud

– helling dusdanig dat onderhoud en inspectie mogelijk zijn

Wegmeubilair

  • voldoende gronddekking (1,5 m) om de afdichting niet te beschadigen bij het:

    • a. plaatsen van lichtmasten, wegportalen, geleiderails, verkeerslichten, praatpalen etc.

    • b. vervangen van kabels en leidingen.

  • minimaliseer doorvoeringen

Stabiliteit

  • taludhellingen afstemmen op schuifweerstand van aan te brengen lagen

  • mechanische en chemische erosie van de materialen onderling

Verharding als isolerende laag

– dicht oppervlak zonder scheuren, ook na eventuele zettingen

Vorstschade

– voorkomen door voldoende gronddekking (die ook bij Wegmeubilair is vermeld)

Duurzaamheid isolerende voorzieningen

  • aantasting van de kwaliteit van de toegepaste materialen, bij AVI-bodemas altijd een barrière aanbrengen.

  • isolerende voorziening bestand tegen gladheidsbestrijding (strooizout)

  • wijze van aanleg (scherpe hoeken, plooivorming)

  • gevoeligheid voor bodemvormende processen en nat-droog-cycli

  • aantasting bij calamiteiten

Zettingsverschillen

– zettingsverschillen door inhomogene ondergronden, besteed speciaal aandacht aan gedempte sloten en geulen.

Bodemsituatie

  • hoogte van het maaiveld

  • bodemprofiel

  • grondwaterstanden

  • grondwaterstroming (actueel en na aanleg werk)

  • loop beken, sloten, oude funderingen

  • vroegere activiteiten, gebruik

Wijze van aanbrengen

– schade door materieel

Checklist beheer

Werking drainagesysteem

Zijdelings uittredend water

Scheurvorming

Verdrogingen

Zettingsverschillen in taluds

Afschuiving van taluds

Activiteiten van dieren

– aanwezigheid van holen (van konijnen e.d.)

Vegetatie

  • vegetatie die duidt op waterophoping (riet)

  • vegetatie die in slechte staat verkeert (door gasvorming in ophoging)

  • vegetatie die te diep wortelt

Opbarstingen

Geur

Bijlage J. , behorende bij artikel 4.9.2

Richtlijn opstellen kaarten bodemfunctieklassen

Ten behoeve van het generieke toetsingskader legt de gemeente de bodemfunctieklassen vast op een kaart (Besluit bodemkwaliteit, artikel 55, derde lid). Deze kaart geeft de ligging aan van:

  • Gebieden met de bodemfunctieklassen wonen;

  • Gebieden met de bodemfunctieklasse industrie;

  • Overige gebieden, welke niet in een bodemfunctieklasse zijn ingedeeld.

Uitgangspunt van de wijze van indeling is dat de bodemfunctieklasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie(klasse) binnen het betreffende gebied. De gevoeligheid van de bodemfunctieklassen en bodemfuncties ten opzichte van elkaar is weergegeven in onderstaande tabel.

Bodemfunctie(klasse)

Gevoeliger bodemfunctieklasse

Gevoeliger bodemfuncties

Industrie

Wonen

Moestuinen en volkstuinen, landbouw, natuur

Wonen

Moestuinen en volkstuinen, landbouw, natuur

Moestuinen en volkstuinen, landbouw, natuur

De richtlijnen voor het opstellen van de kaarten met de indeling in bodemfunctieklassen zijn in deze bijlage beschreven. Daarbij is onderscheid gemaakt in twee situaties:

  • bodemkwaliteitskaart beschikbaar;

  • geen bodemkwaliteitskaart beschikbaar.

Opstellen kaart bodemfunctieklassen bij beschikbaarheid bodemkwaliteitskaart

Uitgangspunt voor het opstellen van de kaart met bodemfunctieklassen zijn de bodemkwaliteitszones zoals die zijn vastgesteld in de bodemkwaliteitskaart volgens de eisen in bijlage D en M van deze regeling.

Voor de bodemkwaliteitszones die in de bodemkwaliteitskaart zijn onderscheiden, is de wijze van indeling in de bodemfunctieklassen ‘wonen’ of ‘industrie’ afhankelijk van de mate van variatie en versnippering van de bodemfunctieklassen en bodemfuncties.

Voor de indeling van bodemkwaliteitszones in de bodemfunctiekaart zijn twee opties:

  • 1. De gehele bodemkwaliteitszone krijgt de bodemfunctie(klasse) toegekend, behorend bij de meest kwetsbare bodemfunctie die binnen de bodemkwaliteitszone aanwezig is:

    • Indien de meest kwetsbare functies in de bodemfunctieklasse industrie worden ingedeeld, wordt de hele bodemkwaliteitszone ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie.

    • Indien de meest kwetsbare functies in de bodemfunctieklasse wonen worden ingedeeld, wordt de hele bodemkwaliteitszone ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen.

    • Indien de meest kwetsbare functies de bodemfunctie moestuinen en volkstuinen en/of landbouw en/of natuur betreft, wordt de bodemkwaliteitszone niet in de bodemfunctiekaart opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat binnen de zone alleen grond en baggerspecie mag worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden.

  • 2. De bodemkwaliteitszone in de bodemfunctieklassenkaart opdelen in meerdere delen, waarbij ieder deel de bodemfunctie(klasse) krijgt toegekend, behorend bij de meest kwetsbare bodemfunctie die binnen dat deel van de bodemkwaliteitszone.

Indien de bovengenoemde twee opties leiden tot een ongewenste situatie ten aanzien van de hergebruiksmogelijkheden voor grond en baggerspecie, kan het bevoegd gezag overwegen om het gebiedsspecifieke toetsingskader voor de algemene toepassing te benutten.

Opstellen kaart bodemfunctieklassen zonder bodemkwaliteitskaart

Indien er geen bodemkwaliteitskaart is, worden de bodemfunctieklassen direct afgeleid van het actuele bodemgebruik, de bodemfuncties zoals die zijn vastgesteld in het bestemmingsplan, een ontwerp-bestemmingsplan of een voorbereidingsbesluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

Bij de indeling in bodemfunctieklassen geldt als uitgangspunt dat de bodemfunctieklasse die wordt toegekend aan een gebied overeen komt met de gevoeligste bodemfunctie(klasse) binnen het betreffende gebied.

Bijlage K. , behorende bij artikel 3.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit

Bepaling emissiewaarden uit slecht doorlatende materialen

Formule bepaling emissiewaarden

Voor de bepaling van de emissie uit slechtdoorlatende materialen wordt de volgende formule gehanteerd:

Bijlage 242943.png

Stof

κ

Stof

κ

antimoon

0,04

nikkel

0,26

arseen

0,01

seleen

0,16

barium

0,17

tin

0,10

cadmium

0,32

vanadium

0,04

chroom

0,25

zink

0,28

kobalt

0,13

bromide

0,51

koper

0,27

chloride

0,65

kwik

0,14

fluoride

0,26

lood

0,18

sulfaat

0,33

molybdeen

0,38

   

Bijlage L. , behorende bij artikel 1.1 (versie 30 november 2007)

Bepalingsgrenzen voor bodem, grond en baggerspecie

In de tabel van deze bijlage zijn de aantoonbaarheidsgrenzen en bepalingsgrenzen weergegeven, die zijn gebaseerd op de resultaten van het project AW2000. Tevens zijn de gehanteerde analysemethoden vermeld. Niet opgenomen zijn de gegevens voor de niet (direct) genormeerde stoffen (niet genormeerde stoffen en stoffen die alleen voorkomen in een somparameter).

De bepalingsgrenzen in AW2000 zijn vastgesteld met behulp van experimenten die werden uitgevoerd onder herbaalbaarheid condities, conform de eisen van AP04. Inmiddels is NEN 7777 gepubliceerd, waarin de voorkeur wordt gegeven aan reproduceerbaarheid condities (binnen hetzelfde laboratorium) als bepalingsgrens en als kwaliteitscriterium voor de uitvoering van laboratoriumanalyses.

Het vaststellen van de bepalingsgrens en het kwaliteitniveau is in het kader van de normstelling op achtergrondniveau van belang. Reden hiervoor is dat in het onderzoek van AW2000 van sommige genormeerde stoffen onvoldoende waarnemingen boven de bepalingsgrens zijn aangetroffen voor het vaststellen van een betrouwbare P95. Voor die stoffen is de bepalingsgrens onder intralaboratorium reproduceerbaarheid condities gekozen als basis voor de normwaarde. Hiermee is de normwaarde feitelijk bepaald door de gehanteerde analysemethode, immers een andere methode heeft in principe ook een andere bepalingsgrens. Met een asterisk* is aangegeven voor welke stoffen de normwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens.

Als in de toekomst betere genormeerde methoden voor routinematige analyses beschikbaar komen, dan kan worden overwogen de normwaarde bij te stellen. De geldende bepalingsgrenzen en te hanteren analysemethoden voor routinematig onderzoek zijn vastgelegd in het protocol AS3000.

Component

Analysenorm

Bepalingsgrens

(intralaboratorium reproduceerbaarheid)

Bepalingsgrens

(herhaalbaarheid)

Aantoonbaarheidsgrens

(standaardbodem)

   

mg/kg d.s.

mg/kg d.s.

mg/kg d.s.

1. Metalen

Antimoon (Sb)*

NVN 7323

3,9

3,9

1,3

Arseen (As)

NVN 7323

5,9

3,9

1,3

Barium (Ba)

NVN 7321

59

39

13

Cadmium (Cd)

NVN 7321

0,45

0,3

0,1

Chroom (Cr)

NVN 7321

23

15

5

Kobalt (Co)

NVN 7321

3,2

2,1

0,7

Koper (Cu)

NVN 7321

7,7

5,1

1,7

(Niet-vluchtig) Kwik (Hg)

NVN 7324

0,05

0,03

0,01

Lood (Pb)

NVN 7321

19,4

12,9

4,3

Molybdeen (Mo)*

NVN 7321

1,5

1,5

0,5

Nikkel (Ni)

NVN 7321

4,5

3

1

Tin (Sn)

NVN 7321

4,5

3

1

Vanadium (V)

NVN 7321

9

6

2

Zink (Zn)

NVN 7321

32

21

7

         
2. Anorganische verbindingen

Chloride

VPR C85-06/NEN-EN-ISO 10304-2

36

24

8

Cyanide (vrij)

NEN 6655

0,45

0,3

0,1

Cyanide-complex (pH < 5)

NEN 6655

0,36

0,24

0,08

Cyanide-complex (pH ≥ 5)

NEN 6655

0,36

0,24

0,08

Thiocyanaten (som)

EPA 335-3

0,9

0,6

0,2

         
3. Macroparameters

pH