Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Bijdragebeschikking Stichting Arbeids- en Opleidingsfonds Rijk

Geldend van 01-02-2008 t/m heden

Bijdragebeschikking Stichting A+O Fonds Rijk

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Overwegende dat:

– Ten behoeve van het stimuleren van de arbeidsmarkt-, werkgelegenheid- en scholingsactiviteiten de Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds Rijk is opgericht;

– In het Sectoroverleg Rijkspersoneel overeenstemming is bereikt over de structurele bijdrage aan het fonds;

– Het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de jaarlijkse aan het fonds toe te kennen bijdragen en het beheer van de toegekende middelen.

Besluit:

Artikel 1

  • 1 Op basis van de in de meerjarenraming van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgenomen bedragen kent de Minister jaarlijks een bijdrage toe aan de Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds Rijk – verder te noemen de stichting – ten behoeve van het stimuleren van de arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsactiviteiten. Jaarlijks zal in de begroting de bijdrage voor het betreffende jaar en in de meerjarencijfers een raming voor drie jaar worden opgenomen. De stichting zal door middel van een besluit op de hoogte worden gesteld van de raming van de bijdrage voor het betreffende jaar en de jaren daarop. De bijdrage is prijsgevoelig. Dat betekent dat er jaarlijks een prijsbijstelling boven op de definitieve bijdrage kan worden uitgekeerd aan de stichting als dit nodig blijkt te zijn.

  • 2 De Minister kan in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel uit de beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte aanvullende middelen aan de stichting toekennen.

  • 3 Indien de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel besluit de bijdrage genoemd in het eerste lid, niet meer te verstrekken, dient de Minister een opzegtermijn van drie jaar in acht te nemen.

Artikel 2

De toekenning van de bijdrage(n) geschiedt onder de volgende voorwaarden:

  • 1. De stichting richt zijn administratieve beheersregime zodanig in, dat de verantwoording kan worden afgelegd van haar kasmatige uitgaven en haar (juridische) verplichtingen.

  • 2. Gelet op de in artikel 1, derde lid, aangegeven opzegtermijn bedaagt de looptijd van een verplichting maximaal drie jaar.

  • 3. Alle projecten van de stichting worden vastgelegd in een projectenadministratie. In de administratie wordt per project de verplichting vastgelegd, met daaraan gekoppeld de geprognosticeerde (jaarlijks) benodigde kasbedragen.

  • 4. De stichting hanteert een basispakket aan subsidievoorwaarden, die niet strijdig mogen zijn aan de statuten van de stichting. In het basispakket worden de volgende voorwaarden opgenomen:

    • Een projectaanvraag dient te zijn voorzien van een deugdelijke planning met daarin opgenomen een aantal ijkmomenten die maatgevend zijn voor de voortgang van de besteding van de middelen, alsmede de kasplanning. De subsidiënt dient op deze ijkmomenten de stand van zaken betreffende de financiële voortgang van het project te rapporteren;

    • Subsidieaanvragen kunnen tot maximaal 80% van het benodigde kasbedrag bevoorschot worden;

    • Bij meerjarige projecten zal een evenredig deel van de kasbehoefte bevoorschot worden waarbij rekening gehouden wordt met de niet tot besteding gekomen middelen;

    • De eindafrekening van projecten met een subsidiebedrag groter dan € 25.000,– vindt plaats op basis van een slotrapportage. Naast het basispakket kunnen door de stichting aanvullende subsidievoorwaarden worden gehanteerd;

    • De stichting dient zorg te dragen voor een adequaat vorderingenbeheer.

  • 5. De stichting legt de jaarrekening, het jaarverslag en de accountantsverklaring als bedoelt in artikel 13 van de statuten, jaarlijks voor 1 juli over aan de Minister. Het jaarverslag en de jaarrekening dienen een duidelijk inzicht te geven in het functioneren van de stichting en in de realisatie van de doelstellingen van de stichting.

  • 6. De stichting zorgt voor een accountantsverklaring, conform de voorwaarden die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn gesteld, in die zin dat deze verklaring ook een uitspraak doet over de rechtmatigheid van de aangegane verplichtingen, de uitgaven en ontvangsten van de stichting en de naleving van deze beschikking.

Artikel 3

  • 1 Jaarlijks voor 15 oktober voorafgaand aan het boekjaar biedt de stichting een beleidsplan aan met de daarin opgenomen begroting aan de Minister. Hierbij dient de stichting uit te gaan van het totaal van beschikbare middelen.

  • 2 De begroting van de stichting geeft een prognose van de verwachte kasuitgaven en ontvangsten in het begrotingsjaar. Tevens wordt een prognose gegeven van de aan te gane en aangegane verplichtingen voor de komende jaren.

  • 3 Op basis van de begroting, stelt de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel de voorlopige bijdrage aan de stichting vast en deelt dit besluit, uiterlijk voor 1 november voorafgaand aan het boekjaar, mede aan het bestuur van de stichting.

  • 4 De Minister verstrekt uiterlijk per 1 februari van het begrotingsjaar een voorschot van 50% van de voorlopige bijdrage aan de stichting. Per 1 juli van het begrotingsjaar verstrekt de Minister een tweede voorschot van 50%.

  • 5 Na ontvangst van de jaarrekening van het afgelopen jaar met de daarbij behorende accountantsverklaring wordt de in de meerjarenraming vastgestelde voorlopige bijdrage omgezet in de definitieve bijdrage van het lopende jaar, mits er geen materiële afwijkingen ten aanzien van deze beschikking worden vermeld. Deze gaat de in de meerjarenraming vastgestelde bijdrage niet te boven.

    Het niet verplichte saldo van de definitieve bijdrage zal jaarlijks door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden teruggevorderd. Deze terug te vorderen bijdrage wordt verrekend met het voorschot van het daarop volgende jaar.

  • 6 De in artikel 3, lid 4 bedoelde voorschotten, worden verstrekt onder de voorwaarde dat terugbetaling dient te geschieden indien de goedgekeurde accountantsverklaring als bedoeld in artikel 3, lid 5, achterwege blijft.

Artikel 4

  • 1 De stichting bewaart op het adres van de administratie, bewijsstukken van alle inkomsten en uitgaven.

  • 2 De stichting werkt desgevraagd mee aan onderzoeken aangaande de financiële administratie welke worden verricht door of in opdracht van de Minister.

  • 3 De stichting verstrekt op eerste vordering aan ambtenaren van de directie Personeel, Organisatie en Informatie Rijk (POIR) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die zich met de financiële administratie bezighouden, alle informatie die deze noodzakelijk acht. Die ambtenaren kunnen voorts op eigen initiatief informatie inwinnen bij de door het bestuur benoemde registeraccountant.

  • 4 De stichting zal tenminste eens in de vijf jaar de interne organisatie, de door haar geleverde producten en het door haar gevoerde beleid doorlichten op doelmatigheid en doeltreffendheid en de resultaten van haar bevindingen meedelen aan het Sectoroverleg Rijkspersoneel.

Artikel 5

  • 1 In bijzondere gevallen kan de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel na het bestuur van de stichting gehoord te hebben, afwijken van het bepaalde in deze schikking.

  • 2 Afschrift van deze beschikking, die in de Staatscourant zal worden gepubliceerd, zal worden toegezonden aan de Stichting Arbeidsmarkt-, en Opleidingsfonds Rijk en de Centrales van Overheidspersoneel.

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
namens deze:
de

Directeur Personeel, Organisatie & Informatie Rijk

,

A.F. Gaastra