Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing discriminatie

Geldend van 27-10-2011 t/m heden

Aanwijzing discriminatie

Achtergrond

Het belang van discriminatiebestrijding is groot. Iedere burger moet zich een volwaardig burger weten en voelen en gevrijwaard blijven van uitlatingen en handelingen die hem als lid van een vermeend minderwaardige groep bestempelen.

Discriminatie kent vele verschijningsvormen. In de artikelen 137c tot en met 137g en artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de grondvormen van discriminatie strafbaar gesteld, namelijk het in het openbaar beledigen, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en het bij de uitoefening van ambt, beroep of bedrijf discrimineren van personen wegens ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap. In het vervolg van deze aanwijzing duiden we deze delicten aan met de term discriminatiefeiten.

Daarnaast worden er vele ‘gewone’ delicten gepleegd, waarbij discriminatoire aspecten – doorgaans als motief op de achtergrond – een rol spelen1. Deze delicten worden aangeduid als ‘commune delicten met een discriminatoir aspect’2. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt in commune delicten waarbij het discriminatoire aspect niet als zelfstandig feit ten laste kan worden gelegd en in commune delicten waarbij dat wel mogelijk is3.

Alle voornoemde gedragingen zijn uitingen van onverdraagzaamheid jegens medemensen die uit maatschappelijk oogpunt niet getolereerd mogen worden.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een belangrijke rol te vervullen in de bescherming van de samenleving tegen discriminatie. Het strafrecht biedt bij uitstek de mogelijkheid om mensen publiekelijk ter verantwoording te roepen en te straffen. Discriminatiezaken krijgen dikwijls veel media-aandacht en bieden het OM aldus een goede gelegenheid om de strafrechtelijke bijdrage aan de aanpak van het discriminatieprobleem voor het voetlicht te brengen.

In discriminatiezaken dient de strafrechtelijke handhaving, naast een civielrechtelijke en een bestuurlijk preventieve en bestuurlijk sanctionerende aanpak van discriminatie, een wezenlijke bijdrage te leveren aan de markering van de wettelijke norm. Om met effect strafrechtelijk te kunnen optreden is een eenduidig beleid en een actieve opstelling van het OM, de politie en de anti-discriminatievoorzieningen (ADV’s) noodzakelijk. Het OM moet een geloofwaardige en betrouwbare bondgenoot zijn in de strijd tegen de discriminatie.

Samenvatting

Deze aanwijzing stelt regels omtrent de opsporing en vervolging van discriminatie. Ingegaan wordt op:

  • De samenwerking tussen het OM, het lokaal bestuur, de politie en de ADV’s op politieregioniveau;

  • De verwerving van discriminatiezaken;

  • De afhandeling van aangiften en meldingen van discriminatie;

  • De vervolging van overtredingen van discriminatiebepalingen;

  • De benadering van aangevers/benadeelden (in de zin van artikel 51a Wetboek van Strafvordering (WvSv));

  • De terugkoppeling van de afdoening van zaken aan de politie en de ADV’s.

Organisatie en randvoorwaarden

1. Contactfunctionarissen

Ten behoeve van de ontwikkeling van een uniform en doeltreffend beleid binnen het OM en de politie en een voorspoedige afhandeling van zaken is een goede onderlinge afstemming noodzakelijk. Daartoe is bij de elf regioparketten en de ressortsparketten een discriminatieofficier van justitie respectievelijk discriminatieadvocaat-generaal aangesteld. De discriminatieofficier is contactfunctionaris voor alle politiekorpsen en ADV’s in het verzorgingsgebied van het regioparket4. Ter ondersteuning van de discriminatieofficier is op elk arrondissementsparket een parketsecretaris met taakaccent discriminatie aangesteld. Ieder politiekorps beschikt op strategisch niveau over een portefeuillehouder en op operationeel niveau over een contactambtenaar discriminatie.

De functionarissen van OM en politie hebben een actieve rol in de totstandkoming en de continuering van de in deze Aanwijzing beschreven beleidsmatige aanpak van discriminatie.

2. Verantwoordelijkheden OM

Het OM is verantwoordelijk voor een actief opsporingsbeleid, wat wil zeggen dat met name de discriminatieofficier ervoor zorgt en er op toeziet dat de verplichtingen die voortvloeien uit deze Aanwijzing worden nagekomen.

Discriminatiezaken zijn specialistische zaken waarvoor geldt dat de (zaaks-)expertise en de capaciteit voor de zaaksbehandeling is belegd bij het regioparket, in de persoon van de discriminatieofficier. De hoofdofficier blijft verantwoordelijk voor de gehele opsporing (inclusief de pre-opsporing) en vervolging van discriminatie in het eigen arrondissement, al wordt de feitelijke afdoening uitbesteed aan de discriminatieofficier op het regioparket.

De inzet van de discriminatieofficier wordt mogelijk gemaakt door deze een adequate vrijstelling te geven voor de uitvoering van de in deze Aanwijzing opgenomen verwervings- en verwerkingstaken en van adequate ondersteuning te voorzien in de persoon van een parketsecretaris of een beleidsmedewerker met een taakaccent discriminatie. Afspraken over de werkzaamheden van de discriminatieofficier ten behoeve van een lokaal parket worden vastgelegd in horizontale afspraken tussen de hoofdofficieren van het regionale en het lokale parket.

3. Verantwoordelijkheden politie

De politie zorgt ervoor dat de aanwijzing discriminatie geïmplementeerd is en breed gedragen wordt in de eigen organisatie. Om dit te borgen is het antidiscriminatiebeleid opgenomen in het korpsjaarplan.

Ieder politiekorps werkt met betrekking tot discriminatie met een geldend reactieprotocol naar landelijk model en stemt dit af met het OM5.

4. Registratie van discriminatie-incidenten

Het is van groot belang om zicht te hebben op de aard en de omvang van de discriminatieproblematiek op politieregioniveau. Hiervoor is de registratie van meldingen en aangiften van discriminatie-incidenten een noodzakelijke voorwaarde. De politie zorgt voor een eenduidige registratie van zowel de grondvormen van discriminatie, als de commune delicten met een discriminatoir aspect. Het betreft de registratie van meldingen, aangiften en uit eigener beweging opgemaakte processen-verbaal.

Aan de hand van de registratie wordt door de politie, ten behoeve van het OM, periodiek een lijst van discriminatie-incidenten opgesteld. Deze lijst is een geordende weergave van de meldingen, aangiften en uit eigener beweging opgemaakte processen-verbaal van discriminatie-incidenten. Daarnaast brengt de politie per regio een cijfermatig evaluatief jaaroverzicht (managementrapportage) uit over de incidenten die op deze lijst staan.

Het OM registreert alle discriminatiefeiten in het eigen bedrijfsprocessensysteem (COMPAS/GPS). Het betreft zowel discriminatiefeiten als de commune delicten met een discriminatoir aspect.

5. Verantwoordelijkheden LECD-OM

Ter ondersteuning van de discriminatieofficier c.q. -advocaat-generaal staat voor het OM het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD-OM) ter beschikking. De portefeuillehouders en contactambtenaren discriminatie van de politie worden bijgestaan door het Landelijk Expertise Centrum Diversiteit (LECD-Politie).

De belangrijkste taken van beide expertisecentra zijn:

  • Advisering over de afdoening van discriminatiezaken in al hun facetten (OM);

  • Opbouwen, bijhouden en organiseren van expertise;

  • Stimuleren en adviseren van de arrondissementsparketten en politieregio’s bij het ontwikkelen en realiseren van lokaal beleid;

  • Bijdragen aan de ontwikkeling van het landelijk OM- en politiebeleid inzake discriminatiebestrijding;

  • Een bijdrage leveren aan een landelijk criminaliteitsbeeld discriminatie, onder verantwoordelijkheid van het KLPD;

  • Het publiceren van een jaarlijks cijfermatig overzicht van discriminatiezaken.

Het LECD-OM Organiseert ten minste twee keer per jaar een landelijk overleg ten behoeve van de discriminatieofficieren, de discriminatieadvocaten-generaal en de portefeuillehoudend procureur-generaal.

Pre-opsporing

1. Verwerving van discriminatiezaken

De verwerving van discriminatiezaken vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de Hoofdofficier van Justitie. Dit houdt in dat de Hoofdofficier de lokale criminaliteit (op politieregioniveau) dient te kennen en dienovereenkomstig prioriteiten stelt bij de aanpak daarvan. De uitvoering gebeurt door de afdeling Verwerving van het arrondissementsparket, gebruik makend van de expertise van de discriminatieofficier.

Ten behoeve van de verwerving van discriminatiezaken worden, in de vorm van een jaarlijkse cyclus, de volgende activiteiten verricht:

  • Kennen van de criminaliteit. In opdracht van de Hoofdofficier wordt door het regiokorps eenmaal per jaar een criminaliteitsbeeld op politieregioniveau opgesteld, op basis van de eigen registratie van discriminatie-incidenten, aangevuld met gegevens van het OM, de ADV’s en het lokaal bestuur.

  • Selectie van prioriteiten. Indien het regionale criminaliteitsbeeld daartoe aanleiding geeft worden specifieke vormen van discriminatie of van commune delicten met een discriminatoir aspect geselecteerd die bijzondere opsporingsbelangstelling behoeven.

    N.B.: door de politie wordt geen selectie gemaakt ten aanzien van ingekomen meldingen en aangiften. De politie neemt alle meldingen en aangiften van discriminatie in behandeling. Evenmin wordt door het OM een prioritering aangebracht ten aanzien van door politie aangeleverde zaken.

  • Afspraken met ketenpartners. Ten behoeve van de verwerving van discriminatiezaken worden door de discriminatieofficier, rekeninghoudend met de verantwoordelijkheid van de hoofdofficier, uitvoerings- en beleidafspraken gemaakt met opsporingsinstanties en andere ketenpartners. Deze afspraken betreffen:

    • Het aanleveren van gegevens over meldingen en aangiften van discriminatie.

    • Overleg over eventuele bijzondere opsporingsbelangstelling.

    • Indien het door de regiopolitie opgestelde criminaliteitsbeeld daartoe aanleiding geeft, het opstellen van een gezamenlijk beleidsplan of plan van aanpak voor de lokale aanpak (op politieregioniveau) van discriminatie, met daarin speciale aandacht voor die incidenten die bijzondere opsporingsinzet behoeven. Dit kan in de vorm van een handhavingsarrangement tussen arrondissementsparket en opsporingsinstantie.

  • Toezien op het nakomen van de afspraken. Dit is een verantwoordelijkheid van de Hoofdofficier, uit te voeren door de afdeling Verwerving van het arrondissementsparket, gebruik makend van de expertise van de discriminatieofficier.

  • Evalueren en herijken van de verwervingscyclus. Dit is een evaluatie van de hele cyclus zoals voornoemd. Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier door de afdeling Verwerving, door tussenkomst van de discriminatieofficier. Het LECD-OM adviseert over de wijze van evalueren en verzamelt de resultaten van de afzonderlijke evaluaties ten behoeve van een landelijk beeld.

2. Coördinatie tussen het OM, de politie, lokaal bestuur en ADV’s

Ten behoeve van de verwervingscyclus zijn twee overlegsituaties van belang: het klassieke driehoeksoverleg en het regionaal discriminatieoverleg. In het driehoeksoverleg wordt het lokale (op politieregioniveau) antidiscriminatiebeleid (beleidsplan, plan van aanpak) vastgesteld en worden de personele en materiële randvoorwaarden gecreëerd om het beleid uit te kunnen voeren. Het regionaal discriminatieoverleg, vindt plaats op politieregioniveau. Dat overleg heeft zowel een zaaksbevorderende taak (casusoverleg) als een beleidsvormende, adviserende en signalerende taak, onder andere ten behoeve van het driehoeksoverleg.

  • Het klassieke driehoeksoverleg tussen OM, lokaal bestuur en politie. De hoofdofficier plaatst het onderwerp discriminatie minstens tweemaal per jaar op de agenda van het driehoeksoverleg (gezagsdriehoek), eenmaal ter bespreking van de criminaliteitsbeeldanalyse en het op basis daarvan te voeren discriminatiebeleid en eenmaal ten behoeve van de evaluatie van het gevoerde beleid.

Overige punten van bespreking zijn in ieder geval:

(in de gezagsdriehoek:)

  • Het op elkaar aansluiten van gemeentelijke voorzieningen, bestuurlijke maatregelen en de strafrechtelijke mogelijkheden;

  • Bespreken van het cijfermatig evaluatief jaaroverzicht van de politie.

(in de beheersdriehoek:)

  • Het opnemen van het onderwerp discriminatie in het korpsjaarplan van de regiopolitie;

  • De beschikbaarheid van politiecapaciteit voor de opsporing in discriminatiezaken.

  • Het regionaal discriminatieoverleg (RDO). Dit is een periodiek overleg, minstens tweemaal per jaar, tussen het arrondissementsparket, vertegenwoordigd door de discriminatieofficier, de regiopolitie en de ADV’s, eventueel aangevuld met vertegenwoordigers van het lokaal bestuur. Het RDO wordt in beginsel voorgezeten door de discriminatieofficier. Afhankelijk van de aard en de omvang van de discriminatieproblematiek kan dit overleg vaker plaatsvinden. In het RDO overleggen de discriminatieofficier en de contactambtenaar samen met de ketenpartners (i.e.g. het ADV) over de lijst van discriminatie-incidenten. De discriminatieofficier en de contactambtenaar discriminatie van de het regiokorps stimuleren een spoedige en vakkundige afhandeling van de aangiften op de lijst. Zij zorgen tevens voor een vigerend privacyprotocol. Zij maken het mogelijk dat de afhandeling van zaken zodanig wordt vastgelegd dat hierover in de jaarrapportage verslag kan worden gedaan.

Activiteiten en punten van bespreking kunnen tevens zijn:

  • Het criminaliteitsbeeld discriminatie (op politieregioniveau);

  • De aansluiting van preventieve gemeentelijke maatregelen en bestuurlijke sancties op de strafrechtelijke mogelijkheden;

  • De ontwikkeling van een gezamenlijk beleidsplan of plan van aanpak;

  • Het opstellen van handhavingsarrangementen;

  • De evaluatie van de onderlinge samenwerking;

  • De terugkoppeling van de afdoening van zaken.

3. Landelijk beleid en monitoring

Ten behoeve van de verwerving heeft het LECD-OM de volgende taken:

  • Samen met het LECD-Politie bijdragen aan de totstandkoming van een landelijk criminaliteitsbeeld discriminatie, ten behoeve van landelijke beleidsontwikkeling, onder verantwoordelijkheid van het KLPD;

  • Het signaleren van landelijke ontwikkelingen en trends;

  • Het doen van aanbevelingen en beleidsvoorstellen aan het College van procureurs-generaal ten behoeve van de aanpak van discriminatie.

Opsporing

1. Aangiften en meldingen

Alle aangiften betreffende discriminatie worden door de politie opgenomen. Een aangifte leidt tot opname op de lijst van discriminatie-incidenten. (Dit geldt niet voor meerdere aangiften die op hetzelfde incident betrekking hebben.)

Een aangifte leidt altijd tot een strafrechtelijk gevolg (dagvaarding, strafbeschikking, sepot e.d.), tenzij de aangifte geen betrekking heeft op een strafbaar feit en in overleg met het OM wordt besloten dat de aangifte achteraf als melding wordt bestempeld. Ook meldingen en aangiften met betrekking tot internet worden conform het bovenstaande behandeld. Internet aangiften worden in beginsel regionaal afgedaan.

Ook alle meldingen van een discriminatie-incident bij een politiebureau leiden tot een opname op de lijst van discriminatie incidenten. (Dit geldt niet voor meerdere meldingen die op hetzelfde incident betrekking hebben of indien met betrekking tot dat incident ook aangifte is gedaan.) De ontvangende opsporingsambtenaar dient ten tijde van de melding zorgvuldig af te wegen of deze melding dient te leiden tot een aangifte. Het criterium daarvoor is of er enige kans is op een strafzaak die eindigt in een strafbeschikking of dagvaarding. Indien dit het geval is dient de opsporingsambtenaar zulks aan de melder in overweging te geven. Een melding heeft in beginsel geen strafrechtelijk vervolg. In het geval dat de melding niet tot een aangifte leidt, dient de politie – indien dit in de rede ligt – de melder zoveel mogelijk door te verwijzen naar een ADV.

De contactambtenaar discriminatie van politie dient binnen een maand in kennis te worden gesteld van meldingen en aangiften, opdat deze steeds een actueel beeld heeft en het overzicht behoudt op de voortgang in de juiste zaken.

2. Opmaken proces-verbaal

Het uitgangspunt is dat in alle discriminatieaangiften opsporingsonderzoek wordt gedaan naar de identiteit van de verdachte en dat het proces-verbaal wordt voltooid en vervolgens wordt ingestuurd naar het parket. In alle gevallen dat van het uitgangspunt wordt afgeweken, dient overleg te worden gevoerd met een vertegenwoordiger van het parket, die zich waar nodig verstaat met de discriminatieofficier van justitie. De betreffende gevallen waar wel sprake is van discriminatie, maar die niet als proces-verbaal zijn ingestuurd, dienen door de contactambtenaar van politie periodiek aan de discriminatieofficier van justitie te worden gemeld.

De processen-verbaal dienen zo spoedig mogelijk bij het OM te worden ingezonden (artikel 157 WvSv).

Bij een aangifte of melding van commune delicten dient de politie alert te zijn op en aandacht te besteden aan eventuele discriminatoire elementen in voorvallen, ook indien deze door de aangever zelf niet direct als discriminatoir worden aangemerkt. In het proces-verbaal c.q. het rapport moeten de discriminatoire omstandigheden van het voorval expliciet worden vermeld.

Van belang is de grenszone tussen artikel 137c (discriminatoire openbare belediging van een groep mensen) en de artikelen 266 en 267 WvSr (respectievelijk eenvoudige belediging en belediging van o.a. bijzondere functionarissen, waaronder bijvoorbeeld politieambtenaren). Wanneer enige twijfel bestaat over welk van deze artikelen van toepassing is, wordt de aangifte mede als klacht opgenomen, zoals bedoeld in artikel 269 WvSr (binnen 3 maanden, zie artikel 66 WvSr).

3. Klachten over discriminerend politieoptreden

Klachten die doen vermoeden dat een politieambtenaar zelf een discriminatoir feit heeft gepleegd, dienen behandeld te worden overeenkomstig de op de Politiewet 1993 gebaseerde klachtenregeling van het politiekorps. Dergelijke ernstige feiten, in ambt begaan, zijn mede in de artikelen 137g en 429 quater WvSr strafbaar gesteld.

Dit heeft als consequentie dat naast of in plaats van een disciplinaire ook een strafrechtelijke afdoening mogelijk is. Ook in deze gevallen is een strafrechtelijke reactie aangewezen, conform de in het volgende hoofdstuk van deze richtlijn neergelegde hoofdregel.

4. Ambtshalve opmaken van proces-verbaal

Wanneer de officier van justitie op een andere wijze dan door middel van een aangifte kennis neemt van een overtreding van de artikelen 137c tot en met g of artikel 429 quater WvSr zal hij aan de hand van maatschappelijke belangen en de omstandigheden van het geval moeten afwegen of een strafrechtelijk onderzoek geïndiceerd is. Wanneer de politie anders dan door aangifte kennis heeft genomen van schending van de discriminatiebepalingen en een proces-verbaal heeft opgemaakt, dient zij dit ter afdoening in te sturen naar de officier van justitie.

Vervolging

1. De beoordeling en de afdoening van het proces-verbaal

Indien een proces-verbaal betrekking heeft op een discriminatiefeit dan wel op een commuun delict met een discriminatoir aspect dat als zelfstandig feit ten laste gelegd kan worden, wordt het proces-verbaal altijd ter beoordeling voorgelegd aan de discriminatieofficier. De discriminatieofficier beslist of hij de zaak zelf afdoet of de verdere afdoening overlaat aan de zaaksofficier.

Sommige discriminatiezaken dienen door de discriminatieofficier aan de hand van de Handleiding gevoelige zaken6 als gevoelige zaak te worden aangemerkt. Gevoelige zaken worden altijd ter advisering aan het LECD-OM voorgelegd. De discriminatieofficier zal de voorgenomen vervolgingsbeslissing vergezeld van het advies van het LECD-OM door tussenkomst van de Hoofdofficier ter besluitvorming aan het College van procureurs-generaal aanbieden.

2. Hoofdregel

Hoofdregel is dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt (dagvaarding of strafbeschikking), gelet op de negatieve werking bij onvoldoende handhaving en de voorbeeldfunctie die van een strafvervolging uitgaat.

3. Opportuniteit

In discriminatiezaken wordt op voorhand aangenomen dat opportuniteit aanwezig is. De beslissing tot een beleidssepot dient dan ook met grote terughoudendheid te worden genomen. Dit neemt echter niet weg dat er in uitzonderingsgevallen redenen van opportuniteit kunnen zijn om niet te vervolgen. In zo’n geval verdient een reactie naar de verdachte, bijvoorbeeld een mondelinge of schriftelijke waarschuwing, aanbeveling.

De hierboven voor discriminatiezaken in het algemeen geformuleerde bijzondere opportuniteitsregel geldt niet ten aanzien van de toepassing van artikel 429 quater lid 2 Sr.(handicap). Er dient slechts vervolgd te worden indien het buiten twijfel is dat het onderscheid op grond van handicap in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf zonder redelijke grond is gemaakt7.

4. Bemiddeling

Na aangifte is er in beginsel geen ruimte voor bemiddeling. Jaarlijks doet zich in absolute aantallen slechts een gering aantal discriminatiezaken voor en is er derhalve ook slechts een gering aantal mogelijkheden om publiekelijk te tonen dat de discriminatiebepalingen met kracht gehandhaafd worden. Gezien het grote maatschappelijke belang van deze zichtbaarheid dient bemiddeling slechts in uitzonderingsgevallen plaats te vinden. Bemiddeling kan enkel worden overwogen indien aangever en verdachte een langdurige dan wel voortdurende relatie met elkaar hebben en in situaties waarin het slachtoffer zelf substantieel heeft bijgedragen aan de verstoorde verhouding waar de discriminatoire uiting uit voortvloeide.

5. Afdoening

Indien sprake is van een discriminatiefeit wordt er in beginsel gedagvaard. Alleen in lichtere zaken (gelegen in de geringe grievendheid van de belediging in combinatie met de impulsiviteit van de handeling) kan evenwel eerst een strafbeschikking worden aangeboden. In geen geval is eventueel martelaarschap of uitbuiting van de forumfunctie een argument om dagvaarding achterwege te laten.

Alle discriminatiezaken dienen zo spoedig mogelijk te worden afgedaan.

6. Requisitoir en strafmaat

In de strafmaat en de toonzetting van het requisitoir dient de volstrekte maatschappelijke afwijzing van discriminatie duidelijk naar voren te komen. Mede op basis van de praktijk van de afgelopen jaren bij de vervolging van overtredingen van de artikelen 137c e.v. en 429 quater WvSr, zijn in de Richtlijn voor strafvordering discriminatie uitgangspunten voor een requireerbeleid geformuleerd.

In gevallen van commune delicten, bijvoorbeeld overtreding van de artikelen 141, 157, 266, 300 en 350 WvSr, dient een discriminatoir aspect ex artikel 137c WvSr in het requisitoir te worden benadrukt en als strafverzwarende omstandigheid in de eis te worden betrokken. De eis moet met 100% worden verzwaard en dit dient in het requisitoir uiteengezet te worden8.

Bij wet van 20 november 2003 is bepaald dat indien de overtredingen van de artikelen 137c WvSr e.v. worden gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen, de strafmaat wordt verhoogd conform de genoemde wetsartikelen. Indien dit van toepassing is dient dit in het requisitoir tot uitdrukking worden gebracht.

Verder wordt verwezen naar de Richtlijn voor strafvordering discriminatie.9

7. Aangevers/benadeelden (in de zin van artikel 51a WvSv)

Aangevers/benadeelden worden benaderd zoals voorgeschreven door de zogenoemde Wet Terwee en de Aanwijzing slachtofferzorg. Indien voor de behandeling van een aangifte door het OM langer dan drie maanden benodigd is, zullen aangevers/benadeelden hierover periodiek middels een tussenbericht worden geïnformeerd.

Indien geen strafrechtelijke reactie volgt (sepot), worden aangevers/benadeelden schriftelijk gemotiveerd op de hoogte gebracht van de beslissing. Alle aangevers/benadeelden die rechtstreeks belanghebbenden zijn, worden gewezen op de mogelijkheid van beklag (ex artikel 12 WvSv). Een klacht dient zo spoedig mogelijk te worden beoordeeld.

Informatieverstrekking

Het OM draagt – met de inachtneming van de verschillende privacyaspecten – zorg voor terugkoppeling van de afdoening van discriminatiezaken naar de politie en de ADV’s. Ten behoeve van deze terugkoppeling wordt een privacyprotocol opgesteld.

Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing zijn geldig vanaf de datum van inwerkingtreding.

Bijlage 1. Overzicht toepasbare strafbepalingen bij commune delicten met een discriminatoir aspect

Strafbepalingen

Dit overzicht is niet limitatief.

Artikel WvSr

Delict

Maximum

vrijheidsstraf

131

Opruiing

5 jaren

141, lid 1

Openlijk geweld tegen goederen of personen

4 jaren en 6 maanden

141, lid 2.1

Openlijk geweld. Enig lichamelijk letsel.

6 jaren

141, lid 2.2

Openlijk geweld. Zwaar lichamelijk letsel.

9 jaren

141, lid 2.3

Openlijk geweld. De dood ten gevolge.

12 jaren

157, lid 1

Brandstichting (etc.), met gevaar voor goederen

12 jaren

157, lid 2

Brandstichting (etc.), levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

15 jaren

157, lid 3

Brandstichting (etc.), levensgevaar en de dood ten gevolge.

30 jaren

266

Eenvoudige belediging

3 maanden

285, lid 1

Bedreiging

2 jaren

285b

Belaging

3 jaren

287

Doodslag

15 jaren

300, lid 1

Eenvoudige mishandeling

3 jaren

300, lid 2

Eenvoudige mishandeling. Zwaar lichamelijk letsel.

4 jaren

300, lid 3

Eenvoudige mishandeling. De dood ten gevolge.

6 jaren

301, lid 1

Mishandeling met voorbedachten rade

4 jaren

301, lid 2

Mishandeling met voorbedachten rade. Zwaar lichamelijk letsel.

6 jaren

301, lid 3

Mishandeling met voorbedachten rade. De dood ten gevolge.

9 jaren

302, lid 1

Zware mishandeling.

8 jaren

302, lid 2

Zware mishandeling. De dood ten gevolge.

10 jaren

303, lid 1

Zware mishandeling met voorbedachten rade.

12 jaren

303, lid 2

Zware mishandeling met voorbedachten rade. De dood ten gevolge.

15 jaren

350, lid 1

Beschadiging goederen

2 jaren

Delictspecifieke aspecten

Onder andere de volgende delictspecifieke aspecten kunnen aan de orde zijn. De strafeisverhogingen zijn cumulatief10.

  • Verhogen van de strafeis met 25% bij commune delicten met een discriminatoire achtergrond.

    Indien een commuun delict gepleegd wordt waarbij discriminatoire aspecten – doorgaans als motief op de achtergrond – een rol spelen, is een toename in de strafmaat geïndiceerd. Dit om uitdrukking te geven aan de volstrekte maatschappelijke afwijzing van dergelijke motieven.

  • Verhogen van de strafeis met 25% indien sprake is van medeplegen / plegen in vereniging.

    Hoewel de factor ‘medeplegen’ slechts bij enkele delicten een in de wet beschreven invloed heeft, dient deze factor in principe bij de beoordeling van alle delicten te worden betrokken. Het feit dat een delict door meer personen in vereniging wordt gepleegd heeft gevolgen voor de ernst van het feit en/of de dreiging die ervan uitgaat. In geval van bijvoorbeeld mishandeling of bedreiging heeft het feit dat sprake is van meer belagers een grotere weerslag op het slachtoffer dan in het geval van één dader.

  • Verhogen van strafeis met 25% indien sprake is van willekeurig gekozen slachtoffer.

Indien een delict een willekeurig gekozen slachtoffer en/of benadeelde treft, is een toename in de strafmaat geïndiceerd; het feit dat het iedereen zou kunnen overkomen schokt het gevoel van veiligheid van derden.

Voorlopige hechtenis

Art. 67, lid 1, WvSv biedt de mogelijkheid tot het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis voor (a.) een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en (b.) misdrijven omschreven in o.a. de artikelen 285 (bedreiging), 285b (belaging), 300, lid 1 (eenvoudige mishandeling), 350 (beschadiging goederen) van het WvSr.

  • ^ [1]

    Het discriminatoir aspect dient samen te vallen met één van de gronden genoemd in artikel 137c WvSr.

  • ^ [2]

    Zie bijlage 1 voor een overzicht van toepasbare strafbepalingen.

  • ^ [3]

    Zie paragraaf 1 onder Vervolging.

  • ^ [4]

    Voorbeeld: de discriminatieofficier die zetelt op het regioparket Groningen is contactfunctionaris voor de ketenpartners van de arrondissementsparketten Groningen, Leeuwarden en Assen.

  • ^ [5]

    Het reactieprotocol is een vertaling van de Aanwijzing discriminatie in een handleiding ten behoeve van de uitvoering door de politie.

  • ^ [6]

    Reg. Nr. 2007H002.

  • ^ [7]

    Zie kamerstukken van de 1e Kamer 2004–2005, 28 221, E blz. 2.

  • ^ [8]

    Zie bijlage 1 voor een overzicht van toepasbare strafbepalingen.

  • ^ [9]

    Reg. Nr. 1999R007.

  • ^ [10]

    Zie BOS/Polaris voor een uitgebreid overzicht van beoordelingsfactoren.