Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007–2013

Geldend van 18-02-2012 t/m heden

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 november 2007, nr. WJZ 7130350, houdende de Rijkscofinanciering voor EFRO-programma's 2007–2013 voor doelstelling 2

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 56, derde lid, van de Kaderverordening 1083/2006, artikelen 3, vijfde lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet EZ-subsidies en de artikelen 2 en 3 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013;

Besluit:

Artikel 1

Als Europees Programma, bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013, wordt aangewezen:

  • a. het Operationeel Programma voor Oost-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3724), op 27 juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie;

  • b. het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)2604), op 13 juni 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie;

  • c. het Operationeel Programma voor West-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3949), op 13 augustus 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie;

  • d. het Operationeel Programma voor Noord-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3725), op 27 juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie.

Artikel 2

  • 1 De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van deze regeling wordt gedelegeerd aan de managementautoriteit van het desbetreffende programma, genoemd in artikel 1.

  • 2 De managementautoriteit van het programma, genoemd in artikel 1, kan op aanvraag subsidie verlenen aan degene die een project tot stand brengt dat past in dat programma.

Artikel 3

De managementautoriteit stelt de subsidieplafonds voor de rijkscofinanciering en Europese financiering voor de uitvoering van deze regeling vast en maakt deze bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4

De managementautoriteit kan een formulier vaststellen voor de aanvraag. In voorkomend geval draagt de managementautoriteit zorg voor bekendmaking van het formulier met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5

  • 1 De managementautoriteit wijst de aanvraag af indien deze strekt tot het krachtens deze regeling subsidie verkrijgen ter hoogte van het geheel van de subsidiabele kosten van het project.

  • 2 De managementautoriteit verleent de subsidie zonodig onder de opschortende voorwaarde van tijdige toekenningsbeslissingen door de beoogde overige cofinanciers.

  • 3 De managementautoriteit kan de aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien:

    • a. blijkt dat de beoogde cofinanciering door de overige cofinanciers gedeeltelijk niet zal worden verleend, of

    • b. het project naar het oordeel van de managementautoriteit volgens het Europees programma of volgens de beleidsregels, bedoeld in artikel 6, tweede lid, in aanmerking komt voor een groter deel cofinanciering door een ander bestuursorgaan en blijkt dat deze cofinanciering niet of niet volledig zal worden verleend.

  • 4 De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 6

  • 1 De managementautoriteit beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. de aanvraag niet voldoet aan de Kaderverordening, de EFRO-verordening, de Uitvoeringsverordening, het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 of deze regeling;

    • b. het project niet past binnen het Europees Programma;

    • c. de managementautoriteit door toewijzing niet zou voldoen aan één van de verplichtingen gesteld in artikelen 42, 57, 60 en 90 van de Kaderverordening, dan wel artikelen 2, 3, 5 en 7 van de Uitvoeringsverordening.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid maakt de managementautoriteit de criteria, bedoeld in artikel 65, onder a, van de Kaderverordening, als beleidsregel voor de toekenning van subsidie op grond van deze regeling bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7

  • 1 De managementautoriteit verdeelt het beschikbare bedrag aan rijkscofinanciering en middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling op volgorde van binnenkomst van de aanvraag, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de managementautoriteit de aanvragen rangschikken en het beschikbare bedrag verdelen in de volgorde van die rangschikking.

  • 3 Bij toepassing van het tweede lid maakt de managementautoriteit voorafgaand aan de aanvraagperiode de criteria die de rangschikking bepalen, de periode waarin de aanvraag kan worden ingediend en het voor die periode als deelplafond geldende subsidieplafond bekend met inachtneming van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8

  • 1 De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.

  • 2 De subsidieontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 3 De in artikel 57, eerste lid, van de Kaderverordening bedoelde termijn van vijf jaar wordt in geval van een MKB-ondernemer verkort tot drie jaar.

  • 4 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 9

  • 1 De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten, aangegane verplichtingen en verrichte betalingen en de eventueel aan het project toe te rekenen opbrengsten kunnen worden afgelezen gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 10, eerste en tweede lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de kosten bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, onderdeel 1° en tweede lid, een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

  • 2 De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de managementautoriteit van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

  • 3 De subsidieontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de managementautoriteit, niet:

    • a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden;

    • b. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of een maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.

  • 4 Aan een ontheffing als bedoeld in het derde lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 9a

Als procedure, bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van de Uitvoeringsverordening, wordt vastgesteld de in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen procedure.

Artikel 10

  • 1 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten in aanmerking genomen:

    • a. de volgende door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

      • 1°. loonkosten, voor de berekening waarvan de aanvrager bij de aanvraag kiest uit:

      • 2°. kosten ten behoeve van promotie en publiciteit;

      • 3°. aankoop of inbreng van grond, gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling gevoegde gegevens en bescheiden, tot een maximum van 10% van de subsidiabele projectkosten;

      • 4°. aankoop of inbreng van gebouwen en onroerende zaken, met inbegrip van de kosten voor aankoop, belastingen, leges en taxatiekosten, gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling gevoegde gegevens en bescheiden;

      • 5°. kosten van de voor het project aangeschafte machines en apparatuur en productiemiddelen, gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling gevoegde gegevens en bescheiden;

      • 6°. kosten van het gebruik voor het project van machines en apparatuur die in het bezit zijn van een deelnemer aan het kennisproject of van derden, gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling gevoegde gegevens en bescheiden;

      • 7°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

      • 8°. kosten voor financiële transacties, financieel juridische diensten, patenten en bankkosten, met uitzondering van debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten;

      • 9°. reis- en verblijfskosten voor binnenlandse en buitenlandse reizen, voorzover deze niet inbegrepen zijn in het integrale uurtarief;

      • 10°. andere aan derden verschuldigde kosten;

    • b. kosten voor bijdragen in fondsen of andere methoden op het gebied van financiële instrumentering als bedoeld in artikel 44 van de kaderverordening 1083/2006.

  • 2 Indien geen loonkosten worden gemaakt als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, maar desniettemin als bijdrage in natura arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de deelnemers aan het project ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 35.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kunnen op aanvraag van de subsidieontvanger voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in de beschikking tot subsidieverlening vaste bedragen worden vermeld tot een totaalbedrag van ten hoogste € 50.000.

  • 4 De in het eerste, tweede en derde lid genoemde kosten zijn slechts toe te rekenen aan het project voor zover zij proportioneel en doelmatig zijn.

  • 5 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen of niet gecompenseerd wordt uit het BTW-compensatiefonds als genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

  • 6 Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Europese commissie subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan de totale waarde van projectkosten die voor deze subsidie in aanmerking komen.

Artikel 10a

  • 1 Indien de subsidieontvanger kiest voor de loonkosten plus overhead systematiek, worden de volgende kosten in aanmerking genomen:

    • a. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1650 productieve uren per jaar bij een voltijds dienstverband van 40 uren;

    • b. algemene indirecte kosten (overhead), gerelateerd aan de loonkosten en gebaseerd op de werkelijke kosten van de uitgevoerde activiteit, volgens een bij de aanvraag om subsidie overgelegde berekeningsmethodiek.

  • 2 Indien de subsidieontvanger kiest voor de integraal uurtarief systematiek worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal door het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel gemaakte uren te vermenigvuldigen met het in het derde en vierde lid bedoelde integrale uurtarief dat de subsidieontvanger hanteert voor de functiecategorie van dat personeel, met dien verstande dat het aantal gemaakte uren per persoon op jaarbasis niet meer bedraagt dan het aantal uren dat voor de desbetreffende functiecategorie op jaarbasis is gehanteerd voor de berekening van het integrale uurtarief.

  • 3 De subsidieontvanger berekent het integrale uurtarief op basis van een bij de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. Het integrale uurtarief is samengesteld uit de directe personeelskosten en de algemene indirecte kosten (overhead). Het integrale uurtarief betreft uitsluitend de kosten uit de gewone bedrijfsvoering en bevat geen winstopslag.

  • 4 De subsidieontvanger legt bij de aanvraag om subsidie en daarna jaarlijks een specificatie over van alle kostensoorten binnen het gehanteerde integrale uurtarief en het aantal uren per functiecategorie waarop het integrale uurtarief is gebaseerd.

  • 5 Bij toepassing van de integraal uurtarief systematiek is de tijdschrijving, bedoeld in artikel 9, eerste lid, sluitend.

Artikel 11

  • 1 De managementautoriteit kan voorwaarden verbinden aan de subsidie.

  • 2 Indien het project geheel of gedeeltelijk voorziet in het door de subsidieontvanger op zijn beurt bij wijze van subsidie of anderszins verstrekken van middelen aan derden, verbindt de managementautoriteit aan de subsidieverlening tenminste zodanige voorwaarden dat de voorschriften van de Kaderverordening, de EFRO-verordening, het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 en van deze regeling ook op die derde van toepassing zijn.

  • 3 De managementautoriteit verbindt zodanig voorwaarden aan de subsidie dat de subsidieontvanger de voor hun taakvervulling nodige medewerking verleent aan de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit.

Artikel 12

  • 1 Als toezichthouder op deze regeling worden aangewezen:

Artikel 13

  • 1 De managementautoriteit vermeldt in de subsidiebeschikking het bedrag dat krachtens deze regeling bij wijze van rijkscofinanciering wordt verleend.

  • 2 De managementautoriteit heeft aanspraak op vergoeding door de Minister van Economische Zaken van het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Vooruitlopend op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 jaarlijks in januari een voorschot verleend van 25 procent van het saldo dat resteert na vermindering van 87,5 procent van het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met het totale tot en met 31 december 2011 als vergoeding betaalde bedrag.

  • 4 Het tweede lid is van toepassing voor zover de certificeringsautoriteit de betrokken betaalaanvraag of betaalaanvragen heeft goedgekeurd.

  • 5 De aanspraak op vergoeding van rijkscofinanciering uit ’s Rijks kas bedraagt in totaal ten hoogste:

    • a. voor de managementautoriteit van het programma Oost: € 37.191.000;

    • b. voor de managementautoriteit van het programma Zuid: € 45.947.000;

    • c. voor de managementautoriteit van het programma West: € 76.830.000;

    • d. voor de managementautoriteit van het programma Noord: € 80.031.000.

  • 6 In aanvulling op het bedrag genoemd in het vierde lid, onder d, bedraagt de aanspraak op vergoeding van Rijkscofinanciering uit ’s Rijks kas voor de managementautoriteit van het programma Noord, € 38.600.000, voorzover deze middelen zijn ingezet in één van de vier centrale opgaven van het programma ‘Koers Noord: op weg naar pieken’.

Artikel 14

De in artikel 1 en artikel 13, vijfde lid, genoemde programma's worden ter inzage gelegd bij het Informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, Bezuidenhoutseweg 30, kamer 0.23, te Den haag.

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007–2013.

Den Haag, 12 november 2007

De

Minister

van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven

Bijlage , bedoeld in artikel 9a van de regeling efro doestelling 2 programmaperiode 2007–2013

Procedures voor authentiek gewaarmerkte versies van originele bewijsstukken en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording dient de subsidieontvanger de kosten te onderbouwen met originele bewijsstukken. Artikel 19 van de Uitvoeringsverordening maakt het mogelijk om gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld.

De Europese Commissie accepteert op basis van bovengenoemd artikel ten minste de volgende documenten als bewijsstukken:

  • a. fotokopieën van originelen;

  • b. microfiches van originelen;

  • c. elektronische versies van originelen;

  • d. documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder vindt u de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de EFRO-administratie. Niet vergeten mag worden dat ook voor deze bewijsstukken de bewaarplicht van bewijsstukken van toepassing is (artikel 90 van de Kaderverordening). De subsidieontvanger dient derhalve te waarborgen dat ook deze bewijsstukken daaraan zullen voldoen.

Procedure voor het waarmerken van geconverteerde documenten (onderdelen a en b)

De Belastingdienst spreekt van conversie van gegevens op het moment dat gegevens vanaf de originele gegevensdrager worden overgezet naar een andere gegevensdrager. In de opsomming van de Europese Commissie (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006) gaat het dan om de onderdelen a en b: fotokopieën van originelen, microfiches van originelen. Deze procedure kan bijvoorbeeld worden toegepast indien het project een samenwerkingsverband betreft en de penvoerder - het aanspreekpunt c.q. de eerstverantwoordelijke namens alle projectpartners - alle bewijsstukken wil of dient over te leggen.

U kunt deze geconverteerde gegevens onder voorwaarden gebruiken als bewijsstukken ter onderbouwing van de EFRO-administratie. Als dit op de juiste wijze gebeurt, is het, in het kader van de EFRO-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager over te leggen. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

Voorwaarde hierbij is dat het document dat naar een nieuwe gegevensdrager wordt geconverteerd, vóór conversie wordt gewaarmerkt door de begunstigde c.q. de eigenaar van het document. Dit wordt als volgt bewerkstelligd: de betrokken functionaris zet op het origineel, voordat het wordt geconverteerd, een waarmerk door (1.) een handtekening, (2.) de datum van waarmerking en (3.) de mededeling dat het gaat om waarmerking ten behoeve van EFRO1. Vervolgens is dat waarmerk ook zichtbaar op het geconverteerde document.

Procedure voor elektronische versies van originelen (onderdeel c)

In Nederland is de praktijk steeds vaker dat bij binnenkomst een document direct wordt gescand en met de gescande versie het verdere traject wordt doorlopen. In dat geval dient de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van het omzettingsproces en van de elektronische versies te worden gewaarborgd. Het is aan de subsidieontvanger om aan te tonen dat het scanproces en het verdere verloop c.q. de verdere procesgang binnen de organisatie daaraan kan voldoen.

Indien de verdere procesgang volkomen elektronisch geschiedt, moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

  • de originelen volgens een standaard procedure worden omgezet;

  • de functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd en

  • beoordelingen en vaststellingen door daartoe gerechtigden niet meer te wijzigen zijn.

Indien de verdere procesgang overeenkomt met die van een papieren bewijsstuk (de verdere afhandeling geschiedt met een print van de scan, welke aan het einde weer wordt gescand), moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

  • documenten volgens een standaard procedure worden omgezet en

  • het verdere verloop c.q. afhandeling blijkt uit de verschillende en/of laatste versie van de scans.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat, dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Hierbij kan worden aangesloten op de voorschriften die de Belastingdienst stelt aan digitale administraties. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.

  • 1. Digitale urenadministratie

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • de functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • de tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

      Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

  • 2. Facturen die digitaal worden ontvangen

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieontvanger via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een offerte, opdracht en betaalbewijs) aantonen dat de voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

  • ^ [1]

    Voorzover dat niet al duidelijk blijkt.