Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Emancipatie [...] Gelijke Behandeling 1945 tot heden (Minister van Justitie)

Geldend van 14-11-2007 t/m heden

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Emancipatie en Gelijke Behandeling 1945 tot heden (Minister van Justitie)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Justitie,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25-9-2007, aca-2007.03991/4);

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 3 oktober 2007

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

algemene rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

De

Minister

van Justitie,
namens deze:
de

Directeur Informatisering

,

G. van de Weg

Basisselectiedocument (bsd)

Selectielijst voor de archiefbescheiden van de minister van Justitie,

Commissie Gelijke Behandeling,

op het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling,

1994–heden

Vastgestelde versie oktober 2007 Doxis Informatiemanagers Drs. E.A.F. van Druten

Overzicht van gebruikte afkortingen

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

AWB: Algemene Wet Bestuursrecht

AWGB: Algemene wet gelijke behandeling

BVK: [Ministerie van] Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijkrelaties

BZK: [Ministerie van] Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CGB: Commissie Gelijke Behandeling

CRM: [Ministerie van] Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

KB: Koninklijk Besluit

MvA: Memorie van Antwoord

MvT: Memorie van Toelichting

NIRM: Nederlands Instituut voor de Rechten van de Mens

OCW: [Ministerie van] Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

Stb. : Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

SZW: [Ministerie van] Sociale Zaken en Werkgelegenheid

VIR: Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst

VWS: [Ministerie van] Volksgezondheid, Welzijn en Sport

VWS: [Ministerie van] Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WOR: Wet op de ondernemingsraden

WVC: [Ministerie van] Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan

1. Verantwoording

1.1 Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

  • de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

  • de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

  • de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

  • het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:

  • een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan;

  • een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan; en

  • (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Vaststellingsprocedure

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).

Geldigheidsduur

Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.

1.2 Doel en werking van het Basisselectiedocument

Een Basisselectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten, namelijk een selectielijst voor elk van de actoren op het desbetreffende beleidsterrein. Er worden geen handelingen van particuliere actoren in opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) worden de taken en bevoegdheden van alle actoren op een beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

1.3 Functies van het BSD

Het BSD heeft de volgende functies:

  • de selectielijsten in het BSD bieden de grondslag voor de vernietiging en overbrenging van archiefbescheiden waarvoor een zorgdrager verantwoordelijk is (Archiefwet 1995, art. 5, lid 1);

  • voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor archiefordening volgens bedrijfsprocessen;

  • voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, lid 1, onder d).

  • voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, lid 1, onder c).

  • voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.

1.4 Afbakening

Dit BSD is gebaseerd op de handelingen, zoals beschreven in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO), ‘Emanciperen kun je leren’. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling, 1965–1998, PIVOT-rapport 131, Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, 2001. Hoewel de Commissie Gelijke Behandeling in dit RIO in wel wordt vermeld, zijn er nooit handelingen voor de huidige CGB als actor in een selectielijst vastgesteld. Het genoemde RIO biedt wel uitkomst voor andere actoren op het beleidsterrein zoals betrokken ministeries, maar schiet om een aantal redenen tekort om het selectiebeleid van de huidige CGB als actor verantwoord en duurzaam vorm te kunnen geven.

De handelingen die in het RIO zijn opgenomen en wel betrekking hebben op de CGB zijn veelal afgesloten handelingen die betrekking hebben op het handelen van de CGB in de periode vóór 1994. Voor wat betreft de handelingen die in genoemd RIO niet in de tijd zijn afgebakend door ze af te sluiten in 1994, kan worden opgemerkt dat de CGB in het RIO vermeld staat als Commissie ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit is formeel onjuist, zeker voor de periode na 1994 waarin de CGB ressorteert onder het Ministerie van Justitie. (In de contextbeschrijving van de voorliggende selectielijst, hoofdstuk 2, worden deze historische ontwikkelingen nader geduid). Het BSD voor archiefbescheiden op het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling zoals dat door de zorgdrager de minister van Justitie in de Staatscourant, nummer 142 van 28 juli 2004, is vastgesteld, bevat geen handelingen voor de huidige CGB als actor.

Om bovenstaande redenen heeft de CGB als publiekrechtelijk ZBO zonder eigen rechtspersoonlijkheid er in samenspraak met de zorgdrager dan ook voor gekozen nu een selectielijst vast te stellen, gebaseerd op eerder genoemd RIO, voor de neerslag van het eigen handelen op het beleidsterrein.

De nummering van het BSD zoals dat door Justitie eerder is vastgesteld eindigt na het nummer 300. De huidige selectielijst sluit aan bij deze nummering. Het eerste handelingnummer in dit BSD begint bij 301. De voorliggende selectielijst vervangt de eventuele in een ander BSD vastgestelde CGB-handelingen. Een uitzondering daarbij geldt voor de handelingen 98 en 111 uit het RIO die in de voorliggende selectielijst formeel worden vastgesteld, maar ditmaal door de juiste zorgdrager.

Het afgesloten archiefbestand van rechtsvoorganger de Commissie Gelijke Behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid is formeel in beheer van het Ministerie van Justitie. Het archief van rechtsvoorganger de Commissie Gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst is in zijn geheel afgesloten en in beheer bij de minister van SZW. Deze selectielijst heeft daarmee nadrukkelijk betrekking op de periode vanaf 1994.

Dit betekent dat als actor in de handelingenlijst alleen de CGB in de huidige rechtsvorm is opgenomen.

1.5 Selectiedoelstelling en -criteria

1.5.1 Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Tijdens de behandeling van de ontwerp-Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer verwoordde de Minister van WVC op 13 april 1994 deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voorzover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven’.

1.5.2 Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek of een andere contextbeschrijving in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (‘vernietigen’), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Om de selectiedoelstelling te bereiken, worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de algemene selectiecriteria, zoals deze op de volgende pagina staan vermeld.

Handelingen die worden gewaardeerd met B:

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.

1.6 Verslag van de vaststellingsprocedure

Op 9 maart 2007 is het ontwerp-BSD door de minister van Justitie aan de minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 augustus 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 25 september bracht de RvC advies uit [aca-2007.03991/4], hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 3 oktober door de algemene rijksarchivaris, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de minister van Justitie [C/S&A/2007/2479] vastgesteld.

2. Contextomschrijving, belangrijkste ontwikkelingen

2.1 Wetgeving en rechtsvoorgangers: belangrijkste ontwikkelingen

In de eerste zin van artikel 1 van de Grondwet is het gelijkheidsbeginsel opgenomen. Hierin ligt een opdracht aan de wetgever, het bestuur, en de rechter om bij het stellen van regels of het nemen van beslissingen in concrete gevallen alleen ter zake doende en gerechtvaardigde verschillen van de zich voordoende gevallen in aanmerking te nemen. De tweede zin van hetzelfde artikel bepaalt dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, of op welke grond dan ook, niet is toegestaan.

Ter specificatie van deze bepaling in de Grondwet zijn de afgelopen vijfentwintig jaar een aantal wetten uitgevaardigd die de gelijke behandeling moeten bevorderen. Deze wetten betreffen een breder terrein dan dat van het beleidsterrein emancipatie alleen.1

Commissie voor gelijk loon voor vrouwen en mannen (1975–1980)

In 1975 werd de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen van kracht. Bij deze wet werd de Commissie voor gelijk loon voor vrouwen en mannen ingesteld. De commissie diende toezicht te houden op de naleving van de wet. Op verzoek van werknemer of werkgever kon de commissie een onderzoek instellen naar, en advies uitbrengen over de aanspraak van een werknemer op een loon dat gelijk was aan het loon dat een werknemer van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde ontving. In 1980 werd de rol van de commissie uitgebreid, en veranderde haar naam in Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst (1980–1989)

Op het terrein van het overheidspersoneelsbeleid werd in 1980 de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst van kracht. Bij deze wet werd de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst ingesteld. Deze commissie had tot taak op verzoek van werknemer of werkgever een onderzoek in te stellen naar, en advies uit te brengen over een eventueel onwettig onderscheid in de behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst.

In 1989 werd deze commissie samengevoegd met de commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (1980–1994)

In 1980 kwam de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen tot stand. De Commissie voor gelijk loon voor vrouwen en mannen die van 1975 tot 1980 de taak had gehad op de naleving van de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen toe te zien, kreeg eveneens het toezicht op de naleving van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen op zich. Hierbij werd de naam van de Commissie gelijk loon voor vrouwen en mannen gewijzigd in Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. In 1989 werd de wetgeving op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen herzien.

De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst, en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid werden samengevoegd tot één nieuwe commissie, die de naam van de laatstgenoemde commissie behield. Deze nieuwe Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid werd in 1994 opgeheven.

Commissie gelijke behandeling (1994–heden )

In 1994 werd de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) van kracht. Deze wet verbiedt het maken van onderscheid tussen personen op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid, of burgerlijke staat. Bij deze wet is een Commissie gelijke behandeling ingesteld, die op verzoek kan onderzoeken of er een onwettig onderscheid is gemaakt op één van bovengenoemde gronden. Deze commissie heeft de nog lopende onderzoeken van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid overgenomen.

2.2 De actor CGB

De actor Commissie Gelijke Behandeling (CGB) waarvoor dit BSD is opgesteld, is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) zonder eigen rechtspersoon. De CGB is opgericht bij het van kracht worden van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) van 2 maart 1994 (Stb. 1994, nr. 230). Het Ministerie van Justitie verzorgt de basisfinanciering van de Commissie. De Ministeries van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCW) financieren met tussenkomst van Justitie activiteiten die hen rechtstreeks aangaan. Op grond van de AWGB kan iedereen in Nederland die zich ongelijk behandeld voelt, een verzoek om een oordeel indienen bij de CGB.

De CGB streeft naar een samenleving waarin waardering bestaat voor de verschillen tussen mensen en waarin geen uitsluiting plaatsvindt op basis van irrelevante kenmerken. Voor het bereiken van deze situatie is een verandering van mentaliteit nodig. Aangezien ongelijke behandeling plaats heeft binnen sociale velden die moeilijk van buiten te doordringen zijn, moet de CGB zich actief inzetten om tot die velden door te dringen. De uitdaging van de CGB ligt hierin dat zij, toegespitst op de situatie, betrokkenen op gepaste manier ervan overtuigt dat zij zich zonodig anders moeten gedragen.

Vanuit haar visie heeft de CGB een missie ontwikkeld die de volgende drie hoofddoelstellingen kent:

  • 1. Toezicht op de naleving van gelijkebehandelingsnormen.

  • 2. Bevorderen van het bewustzijn van gelijkebehandelingsnormen.

  • 3. Het leveren van een bijdrage aan het ontwikkelen van gelijkebehandelingsnormen.

Deze doelstellingen komen in de dagelijkse praktijk tot uiting in de volgende werkzaamheden:

  • Het op verzoek beoordelen of de gelijkebehandelingswetgeving is overtreden.

  • Het uitvoeren van ‘onderzoek uit eigen beweging’ (hierbij wordt dus niet eerst een verzoek om een oordeel ingediend).

  • Het adviseren van onder andere de regering over de gelijkebehandelingswetgeving.

  • Het geven van trainingen, colleges en voorlichting over de gelijkebehandelingswetgeving.

  • Het verzorgen van lezingen op nationale en internationale bijeenkomsten.

  • Sinds 2005 kent de Commissie, naast het oordeel van de CGB, ook de mogelijkheid om door te verwijzen naar een externe mediator.

De CGB toetst een verzoek om een oordeel over ongelijke behandeling aan de gelijkebehandelingswetgeving en beoordeelt of deze wetgeving overtreden is. De CGB oordeelt alleen over de gelijkebehandelingswetgeving. Deze wetgeving is van toepassing op een aantal specifieke gronden:

  • Geslacht

  • Ras

  • Nationaliteit

  • Godsdienst / levensovertuiging

  • Seksuele gerichtheid

  • Burgerlijke staat

  • Politieke overtuiging

  • Arbeidsduur

  • Vast of tijdelijk contract

  • Handicap / chronische ziekte

  • Leeftijd

De gelijkebehandelingswetgeving verbiedt discriminatie op bovenstaande specifieke gronden en terreinen. Over situaties waar de wet niets over zegt, kan de CGB niet oordelen. Verder mag de CGB zich niet uitspreken over diensten die specifiek tot de taak van de overheid behoren (eenzijdig overheidshandelen). Ook heeft de wet geen terugwerkende kracht.

3. Geraadpleegde bronnen

3.1 Wet- en regelgeving

Algemene Wet Gelijke Behandeling van 2 maart 1994, Stb. 1994, nr. 230.

Ambtenarenwet, Stb. 1929, nr. 530.

Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, Stb. 1989, nr. 207.

Besluit gelijke behandeling, Stb. 1994, nr. 657.

Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling, Stb. 2006, nr. 140.

Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling, Stb. 1994, nr. 606.

Burgerlijk Wetboek (titel 7.10, afdelingen 4 (Gelijke behandeling: art.646–649),

Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGB h/cz), Stb. 2003, nr. 206.

Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid, Stb. 2004, nr. 30.

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, Stb. 1980, nr. 86.

Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT).

Wet onderscheid naar arbeidsduur, Stb. 1996, nr. 391.

3.2 Literatuur

Commissie Gelijke behandeling, Jaarverslag 2005.

Internetsite CGB, http://www.cgb.nl/

‘Emanciperen kun je leren’ Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling, 1965–1998, PIVOT-rapport nummer 131, Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, 2001.

3.3 Geraadpleegde materiedeskundigen

Medewerkers CGB:

Mevrouw M.E.A. Commandeur Fros

De heer mr. M. Derraz

Mevrouw B.C.J. Dingemanse

De heer C. Don

Mevrouw A.C. van Doornen

De heer prof. mr. A. C. Hendriks

Mevrouw I. Hölzenspies

Mevrouw drs. M. Olde Monnikhof

Mevrouw K. Schipper

Mevrouw T. de Wildt

De heer G. Zorgman

4. Leeswijzer bij het Basisselectiedocument

Het Basisselectiedocument (BSD) dat op de volgende pagina’s staat uitgeschreven, is een opsomming van handelingen van het archiefvormende orgaan. Deze handelingen (werkprocessen) zijn uitgesplitst naar categorie; de categorie-indeling is gebaseerd op die welke in het Documentair Structuurplan is gehanteerd.

Voor elke handeling is er een zgn. handelingenblok. Dit is een tabel met de belangrijkste gegevens met betrekking tot de handeling, waarmee het mogelijk is de handeling en de daar bijhorende documentaire neerslag te plaatsen en te waarderen. De handelingenblokken beschrijven in hun meest uitgebreide vorm de volgende items:

Handelingnr.

Dit is het unieke volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO of DSP.

Handeling

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld, wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag

Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product

Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.

Opmerking

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering

Waardering van de handeling als B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

5. Basisselectiedocument Commissie Gelijke Behandeling

5.1 Toezicht, bewustzijnsbevordering en ontwikkeling van Gelijke Behandelingsnormen

301.

Handeling: Het op verzoek onderzoeken en beoordelen of de gelijke behandelingswetgeving is overtreden

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, Besluit Gelijke Behandeling, Besluit Werkwijze Commissie Gelijke Behandeling

Product: Elektronisch register, Oordeel, verzoekschrift, verweerschrift, zittingsverslag, notitie voor zitting, k.o. brief, ingetrokken verzoek

Waardering: B (5);

ingetrokken verzoeken, kennelijk niet ontvankelijke verzoeken, concepten met alleen spellingscontrole: V 5 jaar

302.

Handeling: Het uit eigen beweging onderzoeken en beoordelen of de gelijke behandelingswetgeving is overtreden

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, Besluit Gelijke Behandeling, Besluit Werkwijze Commissie Gelijke Behandeling

Product: Adviezen, Onderzoeken uit eigen beweging

Waardering: B (5);

303.

Handeling: Het behandelen van een verzoek om een oordeel omtrent eigen handelen

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Oordeel, verzoekschrift, verweerschrift, zittingsverslag, notitie voor zitting, k.o. brief, ingetrokken verzoek

Opmerking: Het betreft hier onderzoeken naar het handelen van een verzoeker.

Waardering: B (5);

ingetrokken verzoeken, kennelijk niet ontvankelijke verzoeken, concepten met alleen spellingscontrole: V 5 jaar

304.

Handeling: Het doen van vergelijkend loononderzoek aan de hand van een beschrijving van de functie van de verzoek(st)er en die van de maatmannen of maatvrouwen

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling

Product: Functiebeschrijvingen, loononderzoeken, adviezen

Waardering: B (5);

305.

Handeling: Het houden van een telefonisch (juridisch) spreekuur

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling

Product: Telefoonnotities, correspondentie

Waardering: V 5 jaar

306.

Handeling: Het gevraagd en ongevraagd uitbrengen van advies aan betrokken ministeries inzake de gelijkebehandelingswetgeving

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, Besluit Gelijke Behandeling, Besluit Werkwijze Commissie Gelijke Behandeling

Product: Rapporten, adviezen, evaluatierapporten

Opmerking: Hiertoe behoort o.a. het vijfjaarlijks rapporteren over de evaluatie van de AWGB aan de minister van BVK.

Waardering: B (1)

307.

Handeling: Het ontwikkelen, afstemmen en vaststellen van het strategische beleid van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Rapporten, adviezen, nota’s, memo’s

Waardering: B (1)

308.

Handeling: Het voeren van overleg in de Commissie Leden Vergadering

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling , CGB-beleid

Product: Rapporten, correspondentie, adviezen, nota’s, overlegverslagen, agenda’s, notulen

Waardering: B (1)

309.

Handeling: Het voeren van (incidenteel) overleg en het onderhouden van contacten met betrokken partijen en relaties op het werkterrein van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Overlegverslagen, memo’s, notities

Waardering: V 5 jaar

310.

Handeling: Het aansturen en leiden van interne en externe projecten op het werkterrein van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Rapporten, (beleids)adviezen

Opmerking: Het betreft hier beleidsbepalende documenten ten aanzien van bijvoorbeeld Equinet en het NIRM

Waardering: B (5)

311.

Handeling: Het deelnemen aan externe projecten op het werkterrein van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Correspondentie, notulen, verslagen

Waardering: V 5 jaar

312.

Handeling: Het deelnemen aan en (mede) organiseren van cursussen, conferenties en andere instructieve bijeenkomsten op het werkgebied van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Correspondentie, notulen, verslagen

Waardering: V 5 jaar

Bijdrage CGB (eindproducten) B (5)

313.

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het werkterrein van de CGB waarvan het secretariaat bij de CGB berust

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Overlegverslagen, agenda, notulen, adviezen

Waardering: B (1)

314.

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het werkterrein van de CGB waarvan het secretariaat niet bij de CGB berust

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling

Product: Advies

Waardering: V 5 jaar

98.

Handeling: Het adviseren van de minister van Justitie inzake de benoeming, bevordering, schorsing, of het ontslag van een persoon die tot het bureau van de Commissie Gelijke Behandeling behoort.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling

Product: Overlegverslagen, agenda, notulen

Waardering: V 5 jaar

5.2 Verantwoording

111.

Handeling: Het jaarlijks verslag doen van haar werkzaamheden.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art.20, lid 1

Product: Jaarverslagen

Opmerking: De Commissie zendt dit verslag in ieder geval aan de ministers die het aangaat, en aan de adviesorganen die het aangaat.

Waardering: B (3)

315.

Handeling: Het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende gelijke behandeling

Periode: 1994–

Product: Correspondentie, overlegverslagen

Waardering: B (3)

316.

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende gelijke behandeling

Periode: 1994–

Grondslag: Wet Nationale ombudsman

Product: Aanvraag, correspondentie

Waardering: V 5 jaar

317.

Handeling: Het behandelen van klachten van burgers, bedrijven en andere partijen tegen de handelwijze van of bejegening door de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling

Product: Correspondentie, klachtenregeling, klachtendossier

Waardering: B (5)

5.3 Voorlichting & communicatie

318.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over gelijke behandeling

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Correspondentie

Waardering: V 5 jaar

319.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten betreffende de werkzaamheden van de CGB

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene Wet Gelijke Behandeling, CGB-beleid

Product: Persberichten, publicaties, brochures, nieuwsbrief, oordelenbundel, beheren intranet en website etc.

Waardering: B (3)

Onderliggend materiaal: V 2 jaar

  • ^ [1]

    ‘Emanciperen kun je leren’ Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling, 1965–1998, PIVOT-rapport nummer 131, Rijksarchiefdienst/PIVOT, ’s-Gravenhage, 2001, p. 51.