Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
Kruimelpad
  • Home
  • Overheidsinformatie
  • Zoeken
  • Verwijzing

Wet- en regelgeving

Instellingen (nu: volledige regeling), opent een nieuw venster
  • Vorige

  • Volgende

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Geldend op 09-02-2010


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1945–1993

    Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van het handelen van de zorgdragers

    Minister van Justitie,

    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

    Minister van Algemene Zaken,

    Minister van Buitenlandse Zaken,

    Minister van Financiën,

    Minister van Defensie,

    Minister van Economische Zaken,

    Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

    Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

    Minister van Verkeer en Waterstaat,

    Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

    op het beleidsterrein ‘politie’

    in de periode 1945–1993

    Versie SDU

    Oktober 2007

    Ministerie van Justitie

    Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA)

    in samenwerking met Nationaal Archief

    Lijst van afkortingen

    Ab 1995: Archiefbesluit 1995

    ACW: Adviescentrum Wagenparkbeheer Politie

    AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

    APB: Algemeen Politieblad

    ARA: Algemeen Rijksarchief

    ARBARP: Ambtenarenreglement voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

    ARRP: Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie

    ARGP: Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie

    AVD: Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie

    Aw 1995: Archiefwet 1995

    Awb: Algemene wet bestuursrecht

    BSD: basis-selectiedocument

    CID: Criminele Informatiedienst

    CRI: Centrale Recherche Informatiedienst

    GOP: Georganiseerd Overleg Politie

    GVP: Geneeskundige Verzorging Politie

    KB: Koninklijk Besluit

    KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

    LSOP: Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    PB: Politiebesluit

    PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

    PTD: Politietechnische Dienst der Rijkspolitie

    PVD: Politie Verbindingsdienst

    PW: Politiewet

    RAD: Rijksarchiefdienst

    RDB: Recherchedienst Betalingsverkeer

    RIO: rapport institutioneel onderzoek

    Stb.: Staatsblad

    Stcrt.: Staatscourant

    VDKH: Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

    Actor

    Overheidsorgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein

    Handeling

    Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid

    B

    De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

    V

    De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

    1. Verantwoording

    1.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

    Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

    Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

    Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

    Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

    Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

    1.2 Definitie van het beleidsterrein

    In artikel 28 van de Politiewet 1957 staat de taak van de politie algemeen omschreven. ‘De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven’. De handhaving van de rechtsorde kan onderverdeeld worden in twee onderling verweven componenten: de handhaving van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

    Handhaving van de openbare orde is de zorg voor de naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord. Dit omvat enerzijds het voorkomen of beëindigen van verstoringen van de openbare orde en anderzijds de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving, bijvoorbeeld door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen of inbeslagneming.

    Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is in aanleg repressief gericht. Het omvat hoofdzakelijk de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar Ministerie in strafzaken.

    Ook de hulpverlenende taak van de politie hangt samen met haar opdracht de rechtsorde te handhaven. Hieronder kan men verstaan het verlenen van bijstand en raad aan het publiek, bijvoorbeeld het waarschuwen voor dreigende calamiteiten, het oplossen van noodsituaties of het verwijzen naar andere hulpverlenende instanties.

    1.3 Afbakening van het beleidsterrein

    Zoals hierboven staat beschreven, kan de taak van de politie worden omschreven als het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp. De politie is daarmee onderdeel van het Nederlandse rechtssysteem. Het beleidsterrein ‘politie’ heeft daarom veel raakvlakken met de andere beleidsterreinen die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie vallen. Ook op andere beleidsterreinen dan ‘politie’ komt de rechtsorde namelijk aan bod.

    In sommige gevallen, zoals in situaties van oorlog of van rampen wordt de rechtsorde echter niet gehandhaafd maar hersteld. Verder is op bepaalde beleidsterreinen de handhaving van de rechtsorde wel een taak, maar is uitvoering ervan een voorwaarde om het doel van het overheidsbeleid op die beleidsterreinen te bereiken. Zo moet de politie de uitvoering van de zogenaamde bijzondere wetten controleren, zoals de Opiumwet, de Drank- en horecawet, de Vreemdelingenwet, de Wet wapens en munitie, de Wet op de kansspelen, de Winkelsluitingswet, de Visserijwet, het Besluit Toezicht handel te water, de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties. Het einddoel van de uitvoering van deze taak is niet de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde of hulp aan hen die deze behoeven. Controle op de handhaving van de bijzondere wetten is slechts een middel om het einddoel te bereiken. Zo is bijvoorbeeld het einddoel van de Visserijwet is beheer van de visstand.

    Om de primaire politietaken te kunnen verrichten, moeten ook secundaire taken verricht worden. Voorbeelden hiervan zijn logistiek, personeels-, informatie- en financieel beheer. Deze ondersteunende taken behoren tot andere beleidsterreinen en worden dus behandeld in andere rapporten. Wanneer echter deze secundaire politietaken op een bijzondere manier worden verricht, komen deze taken en de daaruit voortvloeiende handelingen in dit RIO aan de orde. Zo bestaat er een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat specifiek gericht is op de politie.

    1.4 Historische ontwikkeling op het beleidsterrein

    Ontwikkelingen op het taakgebied vóór 1945

    Volgens de Gemeentewet van 1851 was de politiezorg gescheiden in een gemeentelijke politiezorg en een rijkspolitiezorg. De gemeentelijke politiezorg rustte op de plaatselijke verordeningen en omvatte alles wat het huishoudelijk belang van de gemeente betrof. Alles wat het bovenlokaal belang raakte en te maken had met de handhaving van zogenaamde Rijkswetten, kwam rijkspolitiezorg te heten.

    De totstandkoming van de Gemeentewet in 1851 mag worden gezien als het begin van de discussie over het politiebestel die zich tot op heden voortsleept, met slechts een korte tussenpoos gedurende de Duitse bezetting. Het duale bestel bleek een bron van ongenoegen, zowel binnen de politie als daarbuiten. Er bestond veel onduidelijkheid over wie bevoegd was voor welke taak. Verder werkte het verdeelde bestel onderlinge concurrentie in de hand en kwamen zaken als bijvoorbeeld de opbouw van het politieonderwijs nauwelijks van de grond. Meerdere onderzoekscommissies beten tussen 1851 en 1940 hun tanden stuk op dit ‘politievraagstuk’. De vraag welke organisatievorm voor de politie de beste zou zijn bleef in wezen onbeantwoord. Het was uiteindelijk de Duitse bezetter die in 1940 een abrupt einde maakte aan het duale stelsel en in 1942 de Staatspolitie invoerde.

    Het Politiebesluit 1945 en zijn gevolgen

    Na de bezetting ging de discussie over het politievraagstuk weer op dezelfde voet voort. Om de politieorganisatie na de Duitse bezetting te regelen nam de Nederlandse regering in Londen het Buitengewoon Politiebesluit (Stb. 1944, E 123). Dit besluit bestempelde alle politiezorg tot rijkspolitiezorg en plaatste de gehele politie onder de leiding van de Minister van Justitie. Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250). Het was voor het eerst in de Nederlandse politiegeschiedenis dat er één regeling voor ongeveer het gehele algemene politiewezen werd gegeven, zij het dat het Politiebesluit met grote haast en vlak voor de heropening van het Parlement tot stand kwam. In die zin is dit besluit herhaaldelijk als een antiparlementaire daad aangemerkt.

    Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

    Het Politiebesluit bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

    De wederopbouw van het politiebestel

    De periode tot aan de jaren zestig was er één van wederopbouw. Dat gold niet alleen voor Nederland als geheel, dat zich in rap tempo herstelde van de bezettingstijd, maar evenzeer voor het politieapparaat. De Nederlandse politie was de bezetting niet ongeschonden uitgekomen. Politiemensen waren direct of indirect betrokken geweest bij de maatregelen van de Duitse bezetter. Direct na de bevrijding werd dan ook een proces van zuivering in gang gezet. De afwikkeling van dit proces nam meer tijd in beslag dan men aanvankelijk in regeringskringen had geschat. Om het personeel aan te vullen werden tal van maatregelen getroffen. Zo werden onder meer de toelatingseisen verlaagd. Het personeelstekort droeg ook bij tot het nemen van het eerder genoemde Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie.

    Zowel bij de gemeentepolitie als bij het Korps Rijkspolitie kwamen in de eerste naoorlogse jaren tal van specialismen van de grond. Bij de gemeentepolitie gebeurde dit veelal op lokaal niveau. De sturing van bovenaf was gering. Bij het Korps Rijkspolitie lag dit anders. Hier had de Minister van Justitie als direct verantwoordelijk bewindspersoon en als budgethouder wel een grote invloed op de totstandkoming van specialistische onderdelen. Bij de oprichting werden reeds op districtsniveau verkeersgroepen samengesteld. Aanvankelijk hadden deze nog een geringe omvang, maar vanwege de snelle groei van de automobiliteit en het wegenverkeersnet groeiden ook deze eenheden uit tot volwassen onderdelen. Tussen 1959 en 1961 werden de verkeersgroepen grondig gereorganiseerd en uitgebreid.

    Voor wat betreft de uitvoering van de recherchetaak besloot de Minister van Justitie in november 1946 om aan iedere districtscommandant twee ambtenaren voor recherchewerkzaamheden toe te voegen. In de loop van de jaren vijftig werd de recherchetaak verbreed.

    Op het terrein van de grootschalige ordehandhaving was er gedurende de jaren veertig en vijftig nog nauwelijks behoefte aan een vorm van specialisme. Was er ergens sprake van een rel dan verleende onderdelen van gemeente- of rijkspolitie bijstand. Zij waren hier niet speciaal voor opgeleid. Bij de parlementaire behandeling van de Politiewet 1957 sprak men voor het eerst over de noodzaak van speciale eenheden. Dit omdat de Koninklijke Marechaussee aan de burgerlijke politietaak zou worden onttrokken. De eerste Mobiele Eenheden werden In 1959 opgericht.

    Pogingen tot reorganisatie van het politiebestel 1967–1985

    In 1969 presenteerde de regering haar eerste voorstellen voor een herziening van de Politiewet van 1957. Zij deed dit in het boekje Herziening Politiewet. Dit ontwerp sprak onder meer over de inrichting van gemeenschappelijke korpsen van gemeentepolitie in het stedelijk gebied. De korpsen werden zodoende tot samenwerking gedwongen. De bevoegdheden van de centrale overheid met betrekking tot de organisatie van gemeentepolitiekorpsen werden in dit ontwerp uitgebreid. Binnen en buiten het parlement maakte men korte metten met deze voorstellen.

    De stijgende criminaliteit stelde de politie voor geheel nieuwe problemen. De oplossing leek dus te liggen in een schaalvergroting van de politieorganisatie. Dit uit oogpunt van doelmatigheid, zodat een einde zou kunnen worden gemaakt aan de wildgroei van (te) kleine gemeentelijke politiekorpsen. Beide Ministers dachten aan de instelling van een gedeconcentreerde regionale politie, met daarnaast een aantal landelijk opererende diensten korpsen, waaronder een recherche en een verkeersdienst.2[1] Het was echter niet mogelijk om afstand te doen van de bestaande gezagsdualiteit. Er bleef in hun ogen een wezenlijk verschil bestaan tussen de administratieve en de justitiële onderdelen van de politietaak. Dit betekende dat onderdelen van de politietaak over de beide politieMinisteries verdeeld zouden blijven.

    De Tweede Kamer bleek vooral over dit laatste punt te vallen. Een aantal Kamerleden zetten zich af tegen de handhaving van het gezagsdualisme. Zij waren van opvatting dat de preventieve kant van het politiewerk steeds meer en de repressieve kant steeds minder belangrijk werd. Mocht men dus een einde aan het gezagsdualisme dan zou met zich meebrengen dat het Ministerie van Justitie zijn zeggenschap over de politie zou verliezen.

    Het wilde niet vlotten. Ondanks herhaalde beloften slaagde de regering er pas in mei 1981 in om een nieuw voorstel voor een herziene Politiewet aan de Tweede Kamer voor te leggen. In dit voorstel waren rijks- en gemeentepolitie tot één geheel gevormd, verdeeld over 26 regionale korpsen, conform de nieuwe provinciale herindeling. Het algemeen beheer van de provinciale politie kwam in handen van de commissaris der Koningin. De officieren van justitie behielden hun verantwoordelijkheid voor de opsporing van strafbare feiten. Daarnaast was er ruimte voor de genoemde landelijke diensten. De centrale overheid zou tevens bevoegd zijn om in kwesties als opleiding, bewapening, uitrusting, materieelvoorziening, automatisering te beslissen. Het gezagsdualisme bleef aldus gehandhaafd. Volgens de rechtshistoricus Boek kwam dit voorstel er in grote lijnen neer op een politieorganisatie die op bestuurlijk grotere schaal werd georganiseerd, met afschaffing van het onderscheid rijks- en gemeentepolitie, maar met handhaving van de traditionele politiefunctie en daaraan verbonden gezags- en beheersstructuren.3[2]

    De gehele reorganisatie kon echter pas in gang worden gezet als de provinciale herindeling was ingevoerd. Dit was één van de zwakke punten in het plan. Door dit besluit verbond de regering de invoering van de regionale politie aan het welslagen van de bestuurlijke herindeling, en die laatste operatie was niet geheel onomstreden.

    Vooruitlopend op de reorganisatie werden de korpsen uitgenodigd om samenwerkingsprojecten op te zetten, ten einde werkzaamheden te combineren en aan elkaar te wennen.4[3] In de loop van de jaren zeventig ontstonden meerdere van deze samenwerkingsprojecten, onder anderen in de agglomeratie Eindhoven en in het Gooi.

    Naar aanleiding van het wetsvoorstel 1981 ontbrandde er wederom een felle politieke discussie, waarbij met name de PvdA van oordeel was dat de politiefunctie gezien zijn preventieve aard onderdeel moest uitmaken van het gehele bestuurlijke beleid. De partij was dan ook een aanhanger van de opvattingen van de POS. Zij wilde een politie die zo dicht mogelijk bij de burger stond, het liefst kleinschalig georganiseerd in wijkteams. Hiermee nam zij stelling tegen de grootschalig georganiseerde provinciale politie.

    Toen in 1985 duidelijk werd dat de provinciale herindeling niet door zou gaan, besloot de regering het wetsvoorstel voor een provinciale politie definitief in te trekken. In de nota De toekomst van het politiebestel maakten de Ministers Korthals Altes (Justitie) en Rietkerk (Binnenlandse Zaken) dit besluit bekend. Hen restte niets anders dan de handhaving van het bestaande bestel van rijks- en gemeentepolitie. Tegelijkertijd gaven zij aan dat hen er alles aan gelegen was om de samenwerking tussen de beide onderdelen te intensiveren.

    In mei 1986 ontving de Tweede Kamer een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1957. Uitgaande van de gewenste schaalvergroting richtte dit voorstel zich vooral op een uitbreiding van de samenwerking tussen de politiekorpsen. De beide politieMinisters konden op grond van deze wijziging regels geven met betrekking tot de samenwerking tussen de verschillende politiediensten, desnoods mochten zij voorbijgaan aan de beheersbevoegdheid van de burgemeester. De samenwerking zou zich vooral moeten bewegen op het terrein van recherche, het grootschalig optreden, de surveillance en de handhaving van bijzondere wetten. Door de grens voor gemeentepolitie op te trekken naar 40.000 zielen, sloot de regering de mogelijkheid voor oprichting van nog meer kleine korpsen van gemeentepolitie af.

    De neergang in de jaren tachtig

    Gedurende de jaren tachtig laaide de discussie over de sterkte opnieuw op. Dit gebeurde mede in het kader van het project Reorganisatie van de Rijksdienst, waarmee het Kabinet Lubbers I aanzette tot een efficiëntere bedrijfshuishouding binnen de overheidssector. Bij de politie deden verscheidene werkgroepen en commissies onderzoek naar de relatie tussen sterkte en bedrijfsvoering. De eerste was de werkgroep Verdeling sterkte gemeentepolitie die in 1984 werd ingesteld. Deze werkgroep stelde een nieuwe sterkteformule samen, waarbij andere criteria dan alleen het inwonertal van de gemeente bepalend werden voor de vaststelling van de sterkte.

    In 1986 ging de Werkgroep Politie Budget (WPB) aan de slag. Deze werkgroep diende te zoeken naar beleidsalternatieven binnen het lopende politiebudget van beide politieMinisteries. De WPB richtte zich dus niet uitsluitend op de gemeentepolitie. Aan de hand van haar onderzoek adviseerde de WPB in 1987 om flink te snoeien in de organisatie en de sterkte van de politie. Accenten moesten worden verlegd. Zo zou er meer aandacht voor de automatisering moeten komen. Het advies tot personeelsvermindering viel niet overal in goede aarde. Voor de politiebonden was dit advies in ieder geval onbespreekbaar. Het Kabinet Lubbers II maakte echter bekend de aanbevelingen te zullen volgen en stuurden darmee aan op een regelrechte confrontatie met de politiebonden.

    De reorganisatie van 1993

    In het regeeraccoord voor het Kabinet Lubbers III van oktober 1989, presenteerde de nieuwe regering een blauwdruk voor een nieuwe politieorganisatie. Het stuk ging uit van een integratie van de rijks- en gemeentepolitie in regionale korpsen, grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de PKP. Een en ander betekende dat het Korps Rijkspolitie zou worden opgeheven. De dagelijkse politiezorg werd binnen het regionale korps, voor wat betreft de inzet van menskracht en materieel, zoveel mogelijk gedeconcentreerd en op lokaal niveau uitgeoefend. De burgemeester van de grootste gemeente binnen een regio zou in de regel optreden als korpsbeheerder. Over de landelijke beheersbevoegdheden bestond nog geen duidelijkheid, al lag het voor de hand dat deze bevoegdheid bij de Minister van Binnenlandse Zaken kwam te liggen. Zoals ook in de eerdere plannen al te berde was gebracht kwamen er op rijksniveau een nog nader te bepalen aantal diensten, instellingen en facilitaire bedrijven ten behoeve van de politie. Deze vielen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.

    In de loop van 1990 kregen de plannen meer structuur. Er kwamen 25 regiokorpsen een Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Het beheer in de regio kwam in handen van een korpsbeheerder, de burgemeester van de grootste gemeente in die regio. Hij voerde overleg met de officier van justitie. Een korpschef, meestal een hoofdcommissaris, kreeg de dagelijkse leiding over een regiokorps. Daarnaast kwam er een regionaal college voor beslissingen over de hoofdlijnen van het beleid. Hierin zaten alle burgemeesters uit de regio en de officier van justitie. De Minister van Binnenlandse Zaken werd verantwoordelijk voor de Nederlandse politie als geheel. Het Ministerie van Justitie bleef verantwoordelijk voor de opsporing. Hiermee bleef het gezagsdualisme gehandhaafd, ook al was er wel degelijk sprake van een verschuiving, waarbij de balans doorsloeg nar Binnenlandse Zaken. De Koninklijke Marechaussee kreeg in de nieuwe situatie weer een volledige politietaak. Zij zou de taken van het Korps Rijkspolitie op de burgerluchtvaartterreinen overnemen.

    Het verkrijgen van voldoende politieke steun was geen probleem. Het merendeel der partijen had immers al zijn voorkeur uitgesproken voor een eenheidspolitie. Belangrijker was het creëren van voorwaarden waaronder het politiepersoneel akkoord zou gaan met de operatie. Daarom was de regering ook bereid om water bij de wijn te doen. Er kwam een Sociaal Akkoord dat garandeerde dat tijdens de reorganisatie niemand tegen zijn wil zou worden verplaatst en dat gedwongen ontslag uitsloot. Voorts zou de reorganisatie gepaard gaan met een algemene herwaardering van de functies op grond van een nieuw functiewaarderingssysteem dat in samenspraak met de politiebonden zou worden samengesteld. Er kwam een verbeterde medezeggenschapsregeling en tenslotte verdween het verschil in arbeidsvoorwaarden tussen executief en niet-executief personeel. Daarmee werd vrijwel aan alle eisen van de politiebonden tegemoet gekomen.5[4] In 1992 ging de reorganisatie van start. De afronding vond in april 1994 plaats.

    Voor een uitgebreide historische ontwikkeling van het beleidsterrein politie wordt verwezen naar het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm..

    1.5 Totstandkoming BSD

    Voorafgaand aan het Basisselectiedocument (BSD) is er een institutioneel onderzoek verricht naar de taakontwikkeling van het Ministerie in de periode na 1940. Dit leidde tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm, Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidterrein ‘politie’ 1945–1993. Dit rapport is verschenen in 2000 in de PIVOT reeks onder nummer 100. De auteur van dit rapport is drs. M.J. Bagchus. De periode vanaf 1994 is beschreven in Handelen met de sterke arm deel II (PIVOT-rapport nummer 31). Tot deze scheiding is besloten omdat met de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 de organisatie van de politie en daarmee de handelingen, actoren en gegevens op het beleidsterrein ingrijpend gewijzigd zijn. Waar op deelbeleidsterreinen tussen beide RIO’s van overlap sprake is, wordt naar het desbetreffende rapport verwezen.

    Het Nationaal Archief heeft het eerste RIO beoordeeld en geconcludeerd dat de context onvoldoende was. Het Ministerie van Justitie heeft de aanpassing van de context uitbesteed aan de Nederlandse Politie Academie (LSOP). Het aanvullend onderzoek naar de ontwikkeling van het beleidsterrein is in 2005 – 2006 uitgevoerd door drs. R.van der Wal, historicus en onderzoeker aan de Politieacademie. De context is uitgebreid en aan het BSD zijn een aantal handelingen toegevoegd (nrs. 2, 642, 258, 278, en 333).

    Het nieuwe RIO is in september 2006 goedgekeurd door het Nationaal Archief. Het oorspronkelijke BSD is in 2006–2007 aangepast door (BSD-)medewerkers van PWAA. Aanvullend onderzoek naar de herkomst van commissies is uitgevoerd door mw. drs. L. Boer en mw. M. van de Kamp, BSD-medewerkers van PWAA. Redactionele werkzaamheden zijn uitgevoerd door mw. H. Yildirim, dhr. C. Carels, mw. C. Akkerveken en mw. M. Tollens.

    Naar aanleiding van het driehoeksoverleg zijn een aantal zaken ten opzichte van het RIO gewijzigd.

    Een aantal actoren die wel staan beschreven in het RIO zijn niet opgenomen in het BSD. De actoren burgemeester en Commissaris van de Koningin zijn opgenomen in het nog te verschijnen BSD Lagere Overheden. De Regi⁠stratiekamer is een ZBO en heeft een eigen selectielijst. De Raad voor de gemeentefinancien en de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën staan in het BSD Lagere overheden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van VROM gaven aan de vakMinistershandeling niet vast te willen stellen, omdat zij gebruik maken van een andere, relevante handeling.

    Hiernaast zijn een aantal nieuwe handelingen opgenomen, met onderwerpen als de oprichting van de KLPD; terrorismebestrijding, overleg met lagere overheden en maatschappelijke vertegenwoordigingen. Voor de Commissie GOP zijn drie handelingen uit het vastgestelde BSD Politie deel II overgenomen. De nieuwe handelingen zijn doorgenummerd vanaf het RIO en beginnen bij nummer 644.

    Namens het Ministerie van Justitie zijn de handelingen beoordeeld door:

    Drs. G. Beks, projectleider, Directie Informatisering

    Dhr. M. van Rijn, archiefonderzoeker, Directie Bedrijfsvoering & Ondersteuning Bestuursdepartement

    Dhr. W.C. Kampers, medewerker, OM Arrondissement Den Haag

    Dhr. H. van Kammen, adviseur Documentaire Informatie Voorziening, Korps Landelijke Politiediensten, Concerndienst Facilitair Bedrijf, Afdeling Advies & Beleid, Vakcluster Documentaire Informatie Voorziening

    Dhr.drs. J.P.A. Kiemel, medewerker kabinet College van procureurs-generaal

    1.6 Lijst van actoren

    Op het beleidsterrein politie hebben zowel de Ministerie van Justitie als de Ministerie van Binnenlandse Zaken een groot aantal commissies opgericht. Omdat beide Ministers elk afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor de deelbeleidsterreinen Rijkspolitie en Gemeentepolitie en de commissies vaak adviseren over het beleidsterrein politie in het algemeen, is niet in alle gevallen helder bij welk Ministerie het secretariaat van de commissies berust. Nader onderzoek naar de instellingsbesluiten bij het Ministerie van Justitie leverde niet in alle gevallen duidelijkheid op. Een aantal commissies zijn daarom voor alle zekerheid in de selectielijsten van beide Ministers opgenomen. Hieronder zijn ze opgesomd.

    Bij nader onderzoek bij het Ministerie van Justitie naar de herkomst van onderstaande commissies bleek hiernaast dat een groot aantal niet was opgenomen. Omdat het te tijdrovend is om al deze commissies te beschrijven en aparte selectielijsten op te stellen, is een algemene handeling voor de actor ‘adviescommissies’ opgenomen (nr. 619). In de bijlage vindt u een overzicht van commissies die onder deze handeling vallen.

    Gedurende het onderzoek doken ook een groot aantal stuur- en werkgroepen op: deze actoren vallen onder de handelingen van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken.

    A. Actoren onder de archiefzorg van de Minister van Justitie:

    Minister van Justitie

    Procureur-Generaal

    (Hoofd)officier van Justitie

    hulpofficier van Justitie

    Raad voor het KLPD in oprichting

    Adviescommissies verkeerstoezicht

    Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst

    Commissie politiewetgeving (commissie Langemeyer)

    Begeleidingscommissie samenwerking politie

    Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

    Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit

    Begeleidingscommissie CID

    Politiekledingcommissie

    Commissie voor Georganiseerd overleg

    Commissie Georganiseerd Overleg Politie

    Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

    Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

    Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut (i.e. Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)

    Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie

    Commissie van Gecommitteerden

    Redactieraad APB

    Adviescommissies

    B. Actoren onder de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties:

    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    Adviescommissies verkeerstoezicht

    Commissie Politiewetgeving (commissie Langemeyer)

    Stuurgroep Reorganisatie Politie

    Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)

    Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën

    Raad voor de gemeentefinanciën

    Begeleidingscommissie samenwerking politie

    Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

    Politiekledingcommissie

    Commissie Geneeskundige Verzorging Politie

    Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie

    Commissie Georganiseerd Overleg Politie

    Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

    Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

    College van Advies Georganiseerd Overleg

    Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de politie

    Commissie KLPD

    Commissie van Advies Politiepersoneel

    Centrale wervingscommissie gemeentepolitie

    Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut

    Raad van Bestuur Rijksopleidingsinstituur

    Curatorium NPA

    Commissie van Voorbereiding opleidingsinstituut

    Selectiecommissie opleidingsinstituut

    Begeleidingscommissie NPA

    Examencommissie opleidingsinstituut

    Commissie van Gecommitteerden

    Begeleidingscommissie Opleidingsinstellingen

    Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren

    Bestuursraad LSOP

    Directie LSOP

    Redactieraad APB

    Adviescommissies

    C. Actoren onder de zorg van de Minister van Algemene Zaken:

    – Minister-President

    D. Actoren onder de zorg van de Minister van Defensie:

    – Minister van Defensie

    E. Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën:

    – Minister van Financiën

    F. Actor onder de zorg van alle Ministers:

    – VakMinister

    2. Selectiedoelstelling

    De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

    Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

    3. Selectiecriteria

    Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

    Selectiecriteria

    Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)

    Algemeen selectiecriterium

    1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

    2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

    3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

    Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

    4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

    5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

    Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

    6. Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

    Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

    Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Alsmede archiefbescheiden die te maken hebben met de verstoring van de openbare orde met landelijke betekenis.

    Met betrekking tot persoonsdossiers wordt een afwijkende waardering gehanteerd wanneer het ‘belangrijke personen’ op het beleidsterrein betreft. De bewaarcriteria voor persoonsdossiers worden uitgewerkt in de nota ‘Persoonsdossiers: een geval apart’ (2006), vanaf pagina 11.

    4. Verslag vaststellingsprocedure

    In februari 2007 is het ontwerp-BSD door de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Defensie, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

    Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

    Vanaf 1 augustus 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

    Op 25 september 2007 bracht de RvC advies uit (aca-2007.03991/4), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

    Daarop werd het BSD op 8 oktober 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Algemene Zaken (C/S&A/07/2268), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/2269), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S&A/07/2491), de Minister van Defensie (C/S&A/07/2491), de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/2493), de Minister van Financiën (C/S&A/07/2494), de Minister van Justitie (C/S&A/07/2495), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/2496), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/07/2497), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/2498) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/2499) vastgesteld.

    5. Leeswijzer

    (X):

    Dit is het volgnummer van de handeling.

    Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

    Handeling

    Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

    In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

    Bijvoorbeeld:

    Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

    Periode

    Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945– genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

    Grondslag

    Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.

    (1)

    • de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de Ministeriële regeling;

    • het betreffende artikel en lid daarvan;

    • de vindplaats of bron;

    • wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

    Bijvoorbeeld:

    Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

    (2)

    • naam van de wet, de algemene Maatregel van bestuur, het Koninklijk Besluit of Ministeriële regeling;

    • het betreffende artikel en het lid daarvan.

    De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

    Bijvoorbeeld:

    Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

    NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is.

    Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

    Product

    Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.

    Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

    Opmerking

    Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

    Waardering

    Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

    Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.

    Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

    Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

    6. Actorenoverzicht

    Ministeries

    Minister van Justitie

    Minister van Binnenlandse Zaken

    Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250), dat ten dele terugviel op het zo omstreden vooroorlogse duale politiebestel. Het eerste artikel van het Politiebesluit 1945 bepaalde dat de politie bestond uit de gemeentepolitie en uit het Korps Rijkspolitie. Rijks- en gemeenteveldwacht. De Koninklijke Marechaussee werd uit het bestel geschreven en zou zich alleen toeleggen op de militaire politietaak. Het Korps Politietroepen keerde niet meer terug.

    Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

    Het Politiebesluit van 1945 bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. De Minister van Justitie was verantwoordelijk voor de rijkspolitie; de Minister van Binnenlandse Zaken voor de gemeentepolitie. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

    Minister van Defensie

    De Minister van Defensie speelt een grote rol op het beleidsterrein politie en neemt actief deel aan de beleidsvorming. De taken van deze Minister zijn nauw verweven met die van de politie. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) ressorteert onder het Ministerie. Aan de Koninklijke marechaussee zijn een aantal politietaken opgedragen, zoals het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen; de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen; en de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie en op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen.

    Minister-President / Minister van Algemene Zaken

    De Minister-president verleent eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen. Ook benoemt hij de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    VakMinister

    De vakMinisters overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de aanwijzing van een bewakingskern.

    Overige actoren

    Procureur-Generaal

    De procureur-generaal bij het gerechtshof oefent er het openbaar Ministerie uit. Daarnaast was hij ingevolge het Politiebesluit 1945 en de Politiewet 1957 fungerend directeur van politie. Hij werd daarbij bijgestaan door een commissaris van rijkspolitie en een afdeling rijksrecherche. Bovendien viel van 1947 tot 1990 een afdeling van de postale recherche onder zijn gezag.

    Bij het Politiebesluit 1945 kreeg de procureur-generaal het gezag over de rijkspolitie. Hij diende zich te overtuigen van de richtige uitoefening van de rijkspolitiezorg door alle onderdelen van de politie. De politiezorg tot handhaving van de openbare orde en rust geschiedde onder leiding en verantwoordelijkheid van de burgemeesters en voor zoveel nodig van de commissaris der koningin. De politiewet 1957 plaatste de procureur-generaal, fungerend directeur van politie, wat meer op afstand. Hij kreeg als taak toe te zien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taak ten dienste van justitie en ter uitvoering van de wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van justitie is belast, naar behoren vervulde.

    (Hoofd)officier van Justitie

    De officier van Justitie maakt deel uit van het Openbaar Ministerie en ziet toe op de opsporing van strafbare feiten door de politie. Daarnaast treedt hij op als openbaar aanklager.

    Hulpofficier van Justitie

    Deze functionarissen konden door de Minister van Justitie worden aangewezen.

    Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie

    Hij had in ondergeschiktheid aan de Minister van Justitie de dagelijkse leiding van het Korps Rijkspolitie. Dit hield in dat hij belast was met het toezicht op en de zorg voor de organisatie en het beheer van het korps.

    Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

    Het hoofd van de Afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie was belast met de landelijke coördinatie van de misdaadpreventie. In overleg met de Minister van Justitie wees de Minister van Binnenlandse Zaken een plaatsvervangend coördinator aan.

    Landelijk Coördinator Criminele Inlichtingen Dienst (CID)

    Ingevolge de CID-regeling (Stcrt. 1986, 141) is het hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst belast met het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen.

    Raad voor het KLPD in oprichting

    Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

    Einddatum: 1 januari 1994

    Opvolger: Zie Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 272–274.

    Samenstelling: ambtelijk, interdepartementaal

    Taak: het adviseren van:

    • de Minister van Justitie over het beheer van het in oprichting zijnde KLPD

    • de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taken en de taakvervulling van het in oprichting zijnde KLPD

    • het vaststellen van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD

    Adviescommissies verkeerstoezicht

    Op grond van artikel 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734) werden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken commissies voor zaken van verkeerstoezicht ingesteld. Deze commissies hadden tot taak de Ministers gevraagd of ongevraagd te adviseren over bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht. Voorzitters en leden werden benoemd en ontslagen door de Ministers die ook voorzagen in het secretariaat. Bij Algemene Maatregel van Bestuur konden nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht worden vastgesteld.

    Voorbeeld van een dergelijke commissie was de Centrale Politie Verkeerscommissie. Zie hiervoor Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 276–277.

    Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst

    Ingesteld: art. 1 Instellingsbesluit voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)

    Einddatum: uiterlijk 1995

    Voorzitter: mr. R.A. Gonsalves, procureur-generaal, fungerend directeur van politie bij het gerechtshof in Den Bosch

    Samenstelling: vertegenwoordigers van het OM, openbaar bestuur en politie

    Secretaris: een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie. Artikel 6 van het instellingsbesluit bepaalt dat de bescheiden van de voorlopige raad zich dienen te bevinden in het centraal archief van het Ministerie van justitie

    Taak:

    • het er op toezien dat de CRI zijn taak naar behoren vervult

    • het toezien op de naleving van de richtlijnen ter bevordering van een doelmatige opsporing

    • het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Minister van Justitie over de wijze waarop de CRI zijn taak verricht

    Commissie politiewetgeving (Commissie Langemeyer)

    Ingesteld: beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dd 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

    Einddatum: 1 januari 1949

    Voorzitter: Prof. mr. G.E. Langemeyer, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie

    Samenstelling: vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie, Openbaar Ministerie, openbaar bestuur, rijkspolitie en gemeentepolitie

    Secretaris: een ambtenaar van het Ministerie van Justitie en een van het Ministerie van Binenlandse Zaken

    Taak: het aan de hand van de ontworpen politiewetgeving nagaan of hierin voldoende is gewaarborgd dat:

    • a. het politie-apparaat ten bate van de rechtspleging ter beschikking staat van justitie

    • b. het politie-apparaat voor de handhaving van het gezag en van de openbare orde en veiligheid ter beschikking staat van de centrale overheid, de burgemeesters en zonodig de Commissaris van de Koningin

    • c. de taak en bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee naar behoren zijn geregeld en dat de door dit wapen te verlenen bijstand aan het politie-apparaat op doeltreffende wijze kan geschieden

    • d. indien de politie ontoereikend is, andere militairen op doeltreffende wijze bijstand kunnen verlenen aan het politie-apparaat.

    Stuurgroep reorganisatie politie

    Ingesteld:

    • art. 1 Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52)

    • art. 1 Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1991, 168)

    opgeheven: 1994

    taak:

    • het voorbereiden van de besluitvorming van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken

    • het sturen van het reorganisatieproces

    • het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden met betrekking tot het reorganisatieproces

    voorzitters:

    • secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie

    • secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    leden:

    • directeur-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding van het Ministerie van Justitie

    • directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    • hoofd van de directie Politie van het Ministerie van Justitie

    • directeur Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    • raadsadviseur in buitengewone dienst bij het Ministerie van Justitie, belast met het ontwerpen van de nieuwe politiewet

    • projectmanager reorganisatie politie

      secretaris: hoofd projectbureau reorganisatie politie

    opmerking: art. 6.2 van het instellingsbesluit bepaalt dat het archief bij de opheffing van de stuurgroep overgedragen wordt aan het hoofd van de algemene secretarie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    FINANCIERING POLITIE

    Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)

    Ingesteld: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 17 juli 1975 en 11 augustus 1975 (Stcrt. 172, 1975)

    Opgeheven: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 11 december 1978 en 30 januari 1979 (Stcrt. 130, 1979)

    Voorzitter: H.G.I. baron van Tuyll van Serooskerke, oud-burgemeester van Utrecht

    andere leden: 8, namelijk vertegenwoordigers van de Ministeries van Binnenlandse Zaken (3), Justitie (1) en Financiën (2), gemeentelijke politiekorpsen (1) en de VNG (1)

    secretaris: medewerker van het Bureau Administratieve en Financiële Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    taak:

    • a. het opsporen en analyseren van de oorzaken van het verschil tussen de uitkeringen voor de materiële kosten en de uitkeringen ter zake van de bouw en verbouw van politiebureaus enerzijds en de uitgaven van de gemeenten voor deze onderdelen van de politiekosten anderzijds

    • b. het adviseren over maatregelen om een verantwoord evenwicht te verkrijgen tussen de sub a bedoelde uitkeringen en uitgaven

    opvolger: werkgroep Onderzoek vergoeding kosten gemeentepolitie, 1982-1984

    opmerkingen: Artikel 2 van de opheffingsbeschikking stipuleert dat de archiefbescheiden van de commissie worden opgenomen in de archieven van het departement van Binnenlandse Zaken

    Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën / De raad voor de gemeentefinanciën

    De raad voor de gemeentefinanciën was ingesteld ingevolge de Financiële-Verhoudingswet 1960 en 1984 (art. 40–50 Stb. 1983, 650). Voorganger was de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën ingesteld bij art. 37 der wet van 15 juli 1929 (Stb. 388), gewijzigd bij wet van 24 januari 1952 (Stb. 39). Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 301–302.

    SAMENWERKING

    Begeleidingscommissie samenwerking politie

    Ingesteld: beschikking Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, repectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)

    Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2), Landelijk Contact van Hoofdcommissarissen en Commissarissen van Gemeentepolitie (1), Openbaar Ministerie (1), korps rijkspolitie (1), Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (2), Ministerie van Justitie (1), Ministerie van Binnenlandse Zaken (1) en adviserende leden (2)

    Secretaris: een medewerker van het Ministerie van Justitie en een medewerker Ministerie van Binnenlandse Zaken

    Taak:

    • a. het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen

    • b. het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen teneinde de uitwerking van die adviezen in de praktijk te toetsen

    Commissie van advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Ingesteld:

    • Beschikking instelling Commissie van advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 140, 1976)

    • opnieuw vastgesteld art. 16 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981), gewijzigd Stcrt. 229, 1986.

    Voorzitter: daartoe aangewezen landelijk officier van justitie

    andere leden: 12, ambtenaren van gemeente- en rijkspolitie, marechaussee, CRI, BVD en Binnenlandse Zaken

    taak:

    • a. het adviseren van de landelijk officier van justitie

    • b. zich als contactgroep tussen de plaatselijke politie en de landelijk organen te belasten met het kritisch volgen en evalueren van onderzoeken en het uitwisselen van ervaringen

    • c. zich te bezinnen op structurele maatregelen en het doen van voorstellen omtrent bestuurlijke en/of justitiële beleidsmaatregelen aan de commissie van begeleiding en overleg

    Commissie voor begeleiding en overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Ingesteld:

    • Beschikking instelling Commissie voor begeleiding en overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 210, 1976)

    • opnieuw vastgesteld bij art. 15 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981)

    opgeheven: De vaststelling van de Commissie is komen te vervallen bij de wijziging van 16 november 1989 (Stcrt. 229) van de Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981)

    voorzitter: Mr. W.A. baron Van der Feltz, Procureur-Generaal bij het gerechtshof te Den Haag

    andere leden: 5 vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het Binnenlands Bestuur

    taak:

    • a. het bevorderen en begeleiden van de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie bij de bestrijding van georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    • b. het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken

    Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

    Ingesteld: Beschikking Instelling Centrale Commissie Misdaadvoorkoming (Stcrt. 1980, 4)

    Voorzitter: Hoofd van de Hoofdafdeling Opsporingsbeleid en Criminaliteitsbestrijding van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Secretaris: medewerker van de afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie

    andere leden: 11 vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, Openbaar Ministerie, Binnenlands Bestuur en politie

    taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken ten aanzien van het met betrekking tot de misdaadvoorkoming te voeren beleid

    Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit

    Ingesteld: bij beschikking Instelling Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit (Stcrt. 1980, 4))

    Samenstelling: ten hoogste 20 leden, waaronder voorzitter en secretaris, afkomstig uit belanghebbende groeperingen en instanties uit de maatschappij. De leden worden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd en ontslagen.

    Taak: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken omtrent door de overheid te treffen maatregelen op het gebied van voorkoming van de criminaliteit alsmede omtrent het opheffen van knelpunten bij de uitvoering van reeds getroffen maatregelen

    Begeleidingscommissie CID

    Ingesteld: art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141) en bij Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie CID d.d. 28 augustus 1987, nr. 1017/587

    Opgeheven: 1990

    Taak: het bevorderen en begeleiden van de landelijke politiële samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken

    Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID

    Ingesteld: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID d.d. 28 augustus 1990, (Stcrt. 1990, 243)

    Samenstelling: 7 vertegenwoordigers van Openbaar Ministerie, rijks- en gemeentepolitie en van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie

    Taak: het begeleiden van het ontwikkelen van meetinstrumenten waarmee de verschillen in aard en omvang van de regionale CID’s zichtbaar gemaakt kunnen worden en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de herverdeling van het RCID-budget

    KLEDING

    Politie Kledingcommissie

    Ingesteld: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186). Ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Samenstelling: Vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van het Ministerie van Financiën, van politiebonden en -verenigingen, rijks- en gemeentepolitie.

    Taak:

    • a. het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en Justitie met betrekking tot het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten

    • b. het begeleiden en controleren van de kledingleveranciers

    • c. het toezien op de juiste toepassing van de kledingverstrekking

    • d. het afhandelen van klachten

    opmerking: De voorzitter, leden en secretaris worden benoemd door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Voor wat betreft de vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën in overeenstemming met de Minister van Financiën.

    GENEESKUNDIGE VERZORGING

    Commissie van beheer GVP

    Ingesteld:

    • art. 9 Besluit geneeskundige verzorging politie (Stb. 1949, J 171)

    • art. 5 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    • art. 4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    • art. 9 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    • art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    aard: gemengd ambtelijk; interdepartementaal; permanent

    samenstelling: Ten minste zes leden; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    taak:

    • het leidinggeven aan en beheren van de DGVP

    • het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken

    • het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen (in de periode 1975–1980)

    bron: Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Commissie van beroep GVP

    Ingesteld:

    • art. 10a.1 Besluit geneeskundige verzorging politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    • art. 13 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    opgeheven: bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    voorganger: Van 1975 tot 1980 nam de Commissie van beheer GVP deze taak waar

    samenstelling: Drie leden en voor ieder van deze leden een plaatsvervangend lid; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. De Ministers voegen een (plaatsvervangend) secretaris toe

    taak: het beslissen over de besluiten, handelingen en weigeringen (om te besluiten of te handelen) ten aanzien van deelnemers, hun nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden door de commissie van beheer DGVP genomen, verricht of uitgesproken inzake de op het besluit geneeskundige verzorging politie gebaseerde uitvoeringsregelen.

    Bron: Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)

    GEORGANISEERD OVERLEG

    Commissie Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken

    Ingesteld: art. 2.1 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623)

    Voorzitter: Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    Secretaris: benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken uit de overheidsvertegenwoordiging in de commissie

    Leden: een overheidsvertegenwoordiging, benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en vertegenwoordigers van verenigingen van politieambtenaren

    Taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd

    Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Ingesteld:

    • art. 28 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623), zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)

    • art. 16.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    voorzitter: Algemeen inspecteur van het korps rijkspolitie of een door de Minister aangewezen plaatsvervanger

    secretaris: aangewezen door de Minister van Justitie

    samenstelling: een door de Minister van Justitie uit ambtenaren van het Korps Rijkspolitie aangewezen overheidsvertegenwoordiging en een personeelsvertegenwoordiging, aangewezen door de verenigingen die zijn toegelaten tot de afdeling rijkspolitie van de Commissie voor georganiseerd overleg

    taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van rechtspositieregels ten aanzien van de rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan

    College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Ingesteld: art. 74.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Taak: het adviseren van de Minister van Justitie over geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommisssie

    Samenstelling: Een voorzitter en vier leden, allen door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen evenals hun plaatsvervangers. De benoeming van de voorzitter en diens plaatsvervanger geschiedt op voordracht van de leden van het College. De benoeming van twee leden en hun plaatsvervangers geschiedt op voordracht van de toegelaten verenigingen.

    Commissie ad hoc voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Ingesteld: Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Taak: het leveren van een bijdrage aan het georganiseerd overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van degenen die betrokkken zijn bij de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

    Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Centrales van verenigingen van ambtenaren. Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden. Voorzitter is de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Plaatsvervangend voorzitter is de Directeur-Generaal Politie en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie.

    Buitengewone Commmissie voor Georganiseerd Overleg in Politie-ambtenarenzaken

    ingesteld: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    samenstelling: vertegenwoordigers van NPB, ACP, ANPV, VMHP en van andere toegelaten verenigingen. Elke vereniging is bevoegd tot aanwijzing van 2 leden en 2 plaatsvervangende leden

    voorzitter van het overleg: directeur-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    plv voorzitter van het overleg: directeur-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding van het Ministerie van Justitie

    secretaris van het overleg: door MvBiZa benoemd

    Commissie Korps Landelijke Diensten voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps Landelijke Diensten

    Deze commissie is ingesteld met het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)(art. 15 WTVRP). Dit besluit (Stb. 1991, 675) trad in werking per 1 januari 1992 (Stb 1991, 674) en werd in 1994 ingetrokken (Stb. 1994, 216). Het had tot doel de instelling te bevorderen van één overlegorgaan waarmee georganiseerd overleg werd gevoerd over de personele aspecten van de reorganisatie. Dit is de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg geworden. Daarnaast werden Regionale Commissies ingesteld voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in de politieregio en een Commissie Korps Landelijke Diensten voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps Landelijke Diensten. Wat betreft de aard, inhoud en structuur van het overleg sluiten de bepalingen aan bij die van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571).

    Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 285.

    Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    In artikel 93 van het ARGP (Stb. 1953, 74) werd deze commissie in het ambtenarenreglement geïntroduceerd. Bij besluiten van 21 februari 1956 (Stb. 1956, 79) en van 24 december 1957 (Stb. 1957, 558) werd voor deze commissie aangewezen de commissie bedoeld in artikel 97b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (zie hiervoor de nog te verschijnen PIVOT-rapporten over personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid voor ambtenaren). Bij besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102) werd de commissie daadwerkelijk ingesteld.

    Ingesteld: art. 2 van het Besluit van 28 januari 1993, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie (Stb. 1993, 102)

    Taak:

    • het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen een disciplinaire straf op te leggen aan bij KB benoemde ambtenaren

    • het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen tot ontslag van een ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen

    Samenstelling: Vijf leden (onder wie de voorzitter), benoemd voor een periode van zes jaar door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken op voorstel van de politievakorganisaties die deel uitmaken van de commissie voor georganiseerd overleg.

    Secretaris: Door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. Na opheffing van de commissie zal het archief worden overgedragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

    OPLEIDING

    Commissie van Advies Politiepersoneel

    Ingesteld: art. I Beschikking instelling Commissie van Advies Politiepersoneel (Stcrt. 1966, 244)

    Samenstelling: interdepartementaal

    Secretaris: een medewerker van de afdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    Taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over:

    • maatregelen op landelijk niveau die ertoe kunnen bijdragen dat het publiek een duidelijk inzicht krijgt in de taak van de politie als orgaan, en dat begrip wordt gekweekt voor de taak van de individuele politieambtenaar

    • algemene organisatorische en materiële voorzieningen die de werving van lager personeel voor gemeente- en rijkspolitie kunnen steunen en stimuleren

    Centrale wervingscommissie gemeentepolitie

    Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Centrale wervingscommissie gemeentepolitie (Stcrt. 1972, 82)

    Taak: In verband met de verwachte grote afvloeiing wegens functioneel leeftijdsontslag van gemeentelijke politieambtenaren kreeg de centrale wervingscommissie tot taak het ontwerpen van plannen en procedures voor wervingsvoorlichting, werving en voorselectie van adspiranten van gemeentepolitie. Regionale wervingscentra voerden deze plannen vervolgens uit.

    Samenstelling: Voorzitter, door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen, en als leden de voorzitters van de regionale wervingscommissies alsmede door de betrokken burgemeesters aangewezen ambtenaar van de gemeentelijke politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Het secretariaat werd vervuld door het bureau Personeelsvoorziening van de hoofdafdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

    Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie

    Ingesteld: art. 2.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473; gewijzigd Stb. 1951, 55)

    Einddatum: 1963 (Stcrt. 1963, 75)

    Opvolger: Raad van Bestuur

    Samenstelling: Voorzitter en tenminste zes en ten hoogste acht leden. De voorzitter wordt benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, evenals ten hoogste twee leden. In onderling overleg benoemen de Ministers ieder drie leden.

    Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie

    Ingesteld: art. 3.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Opgeheven: 1973, art. 1 Beschikking omzetting bestuursvorm NPA (Stcrt. 1973, 217)

    Voorganger: Raad van Beheer

    Opvolger: Curatorium NPA

    Taak: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden

    Samenstelling: de voorzitter, de leden en de secretaris worden bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. (Zie bijvoorbeeld de beschikking ontslag leden Raad van Bestuur van de NPA Stcrt. 1973, 217)

    Curatorium voor de Nederlandse Politie Academie

    Ingesteld:

    • art. 2.1 Beschikking Curatorium Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1973, 217; ingetrokken Stcrt. 1978, 220)

    • art. 2.1 Beschikking Curatorium Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1978, 220)

    • art. 20 Beschikking Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1980, 149)

    • art. 18.1 Regeling Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1991, 102)

    voorganger: Raad van Bestuur

    taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over belangrijke aangelegenheden betreffende de opleiding aan de NPA

    samenstelling: Voorzitter (tevens lid), ten hoogste acht andere leden, ten hoogste drie adviserende leden en een secretaris (geen lid), allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Als voorzitter fungeert een commissaris van de koningin. Vertegenwoordigers van het bestuur, het openbaar Ministerie, de politievakorganisaties, de politie en de wetenschap komen in aanmerking voor lid. De voorzitter van de selectiecommissie is tevens lid van het curatorium. De directeuren Politie van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, alsmede de directeur van de NPA zijn adviserende leden. (Zie bijvoorbeeld de Beschikkingen benoeming leden Curatorium NPA in Stcrt. 1973, 217 en Stcrt. 1978, 220, of de toelichting bij de Regeling NPA in Stcrt. 1991, 102)

    Commissie van voorbereiding van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/NPA

    Ingesteld:

    • art. 5.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473; gewijzigd Stb. 1951, 55)

    • art. 13 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    opgeheven: 1973 (Stb, 1973, 249)

    opvolger: Selectiecommissie

    samenstelling: Op grond van het besluit van 1949 waren het aanvankelijk zeven personen, na de wijziging van 1951 vijf personen. De voorzitter en drie leden werden door de Minister van Binnenlandse Zaken benoemd, het vierde lid werd door de Minister van Justitie aangewezen. In de periode 1949–1951 werden de overige twee leden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken gezamenlijk benoemd. Op grond van het besluit van 1963 bestond de commissie uit een voorzitter en ten hoogste vijf andere leden, waaronder de secretaris. Op grond van de Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149) bestond de selectiecommissie uit een voorzitter, een secretaris, tenminste acht andere leden en eventueel buitengewone leden. Zij werden allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking opheffing commissie van voorbereiding Stcrt. 1973, 249)

    taak: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur over toelating van leerlingen tot de opleiding

    Selectiecommissie NPA

    Ingesteld: art. 3.1 Toelatingsbeschikking NPA (Stcrt. 1973, 249)

    Taak: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding

    Samenstelling: Voorzitter en ten hoogste (vanaf 1977 Stcrt. 1977, 145: tenminste) vijf andere leden waaronder een secretaris en eventueel buitengewone leden, allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking samenstelling selectiecommissie Stcrt. 1973, 249)

    Examencommissie voor het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Ingesteld:

    • art. 10.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    • art. 20.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    samenstelling: Aanvankelijk werd de commissie aan het einde van elke cursus van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen. Vanaf 1967 (Stcrt. 1967, 113) bestond de examencommissie uit de directeur (voorzitter), plaatvervangend directeur (plaatsvervangend secretaris) en leraren (leden), tenzij de Ministers anders bepaalden.

    Taak: het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Commissie van gecommitteerden

    Ingesteld: art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd bij beschikking Stcrt. 1967, 113.

    Eindatum: 1990

    Taak: het houden van toezicht op het afnemen van de examens door de examencommissie

    Samenstelling: bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen hoofdambtenaren van beide Ministeries

    Begeleidingscommissie Nederlandse Politie Academie

    Ingesteld: Gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 21/5 augustus 1974 (APB 1974, 21)

    Opgeheven: Stb. 1978, 220

    Taak:

    • fungeren als gespreksorgaan ten dienste van de departementen en de directeur van de NPA terzake van het onderwijs aan de NPA, met name waar het de doelstelling van de opleiding, de opleidingsprogramma’s en de wijze van realisering betreft

    • het toetsen van gedachten, die bij de departementen en de directeur van de NPA leven, aan de inzichten van de politiepraktijk

    samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en NPA. De secretaris was een beleidsmedewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

    Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren

    Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren (APB 1974, 20)

    Taak:

    • het fungeren als gespreksorgaan ten dienste van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en de directeur van het politiestudiecentrum terzake van het functioneren van het centrum, met name waar het de doelstellingen van de cursussen, de cursusprogramma’s en de wijze van realisering betreft

    • het toetsen van gedachten aan de inzichten van de politiepraktijk

    samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en Politiestudiecentrum. Het secretariaat berust bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

    Bestuursraad LSOP

    Directie LSOP

    Mede als gevolg van de discussies over de reorganisatie van het politiebestel werden aan het begin van de jaren tachtig in de Tweede Kamer meerdere moties ingediend waarin werd aangedrongen op een samenvoeging van het rijks- en gemeentepolitieonderwijs. Kamerleden waren van mening dat men in dit geval niet moest wachten totdat de plannen voor een algehele reorganisatie van het bestel waren uitgekristalliseerd. De vraag was alleen op welke manier men de samenvoeging van het onderwijs het beste kon organiseren. Deze vraag werd beantwoord door het Instituut Toegepaste Psychologie (ITS) dat in 1985 onderzoek deed naar het meest wenselijke beheersmodel voor het politieonderwijs. Het ITS stelde voor om het beheer te regelen in een publiek rechterlijk bedrijfsorgaan. Dit werd het Landelijk Selectie en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) dat bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) werd ingesteld.

    Redactieraad APB

    Ingesteld: art. 3 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Voorganger: Adviescommissie APB

    Taak:

    • het verzorgen van de uitgave van het APB

    • het doen van voorstellen aan de Minister omtrent de uitgave van het APB

    • het adviseren van de Ministers omtrent de benoeming van de voorzitter en de leden van de redactieraad

    • het doen van aanbeveling voor een eindredacteur en een secretaris

    • het vaststellen van een instructie voor de eindredacteur

    samenstelling: Ten hoogste twaalf leden: een vertegenwoordiger van elk der beide Ministers en van elk der organisaties die deelnemen aan de Stichting Politie Uitgeverij. Deze laatsten worden door elk der organisaties voorgedragen. Alle leden worden door beide Ministers, na overleg met de redactieraad, benoemd en ontslagen.

    Selectielijsten

    7. A: Actoren onder de zorg van de Minister van Justitie

    7.1 Actor: de Minister van Justitie

    Onder de navolgende handelingen zijn in voorkomende gevallen mede te verstaan de instelling en de werkzaamheden van onder de Minister van Justitie ressorterende ambtelijke en gemengde commissies, werkgroepen, projectgroepen en dergelijke, belast met een bepaalde (advies)taak in het kader van de desbetreffende handeling (vgl. RIO, Hoofdstuk 6).

    7.1.1 Algemene handelingen

    7.1.1.1 Beleidsontwikkeling en evaluatie

    1.

    Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B1

    2.

    Handeling: het evalueren van de politiewetgeving

    Grondslag: Onder meer: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

    Periode: 1945–1993

    Toelichting: in 1948 kreeg commissie Langemeyer opdracht de na de oorlog in werking getreden Politiewet te evalueren.

    In 1970 kreeg prof. J.M. Polak de aanstelling van regeringscommissaris voor herziening van de politiewetgeving. Zijn onderzoek mondde uit in de in 1972 aan de Tweede Kamer voorgelegde Nota van Vraagpunten.

    Product: Rapport Commissie Langemeyer (1949)

    Nota van vraagpunten (1972)

    Waardering: B2

    3.

    Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot het onderzoek naar sterkte, invulling van de politietaak en bedrijfsvoering.

    Grondslag: begrotingen

    Periode: 1945–1993

    Toelichting: commissies die zich met deze thema’s hebben bezig gehouden zijn onder meer:

    – Projectgroep Organisatie Structuren 1976-1979

    – Werkgroep Politie Budget (WPB) 1986-1987

    – Werkgroep Kwantitatieve Aspecten (WKA) 1986

    – Projectgroep Kwantificering Politiesterkte (PKP) 1986-1988

    Waardering: B4

    7.1.1.2 Totstandkoming van wet- en regelgeving

    4.

    Handeling: het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B1

    7.1.1.3 Verantwoording van beleid

    5.

    Handeling: het opstellen van periodieke verslagen inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: Verslagen: B3

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    6.

    Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B3

    7.

    Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B3

    8.

    Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    7.1.1.4 Internationaal beleid

    9.

    Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

    Periode: 1945–1993

    Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

    Opmerking: Voor handelingen voortvloeiend uit de regelingen op het terrein van de internationale politiële samenwerking zij verwezen naar paragraaf 3.2.5 van deel 2.

    Waardering: B5

    7.1.1.5 Informatieverstrekking

    10.

    Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 3 jaar

    7.1.1.6 Onderzoek

    11.

    Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5

    Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    12.

    Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5

    Overige neerslag: V 10 jaar na afronding onderzoek

    7.1.1.7 Overleg met lagere overheden

    644.

    Handeling: Het voeren van (periodiek terugkerend) overleg met lagere overheden aangaande het beleidsterrein politie

    Periode: 1945–1993

    Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

    Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

    Waardering: B 1, 5

    7.1.1.8 Overleg met maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven

    645.

    Handeling: Het consulteren van maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven ten aanzien van onderwerpen op het beleidsterrein politie

    Periode: 1945–1993

    Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

    Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.

    Waardering: B5

    7.1.2 Organisatie en Beheer

    7.1.2.1 Algemene Bepalingen

    (art. 1-2 PW)

    13.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie

    Grondslag: art. 1b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    14.

    Handeling: het aanwijzen van burgerlijke of militaire korpsen of onderdelen daarvan, tot politie

    Grondslag: art. 1c Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Opmerking: Dit is alleen geschied voor de Koninklijke Marechaussee in de grenscorrectiegebieden Elten en Tüddern

    Waardering: B4

    15.

    Handeling: het vaststellen van het tijdstip van overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd

    Grondslag: art. 2.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 567)

    Periode: 1957–1968, 1974–1983, 1988–1993

    Opmerking: Van 1969 tot 1973 en van december 1983 tot december 1988 waren de wetten tot opschorting van de overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd van kracht (de zogenaamde Stopwetten in respectievelijk Stb. 1968, 733 en Stb. 1983, 640)

    Waardering: B4

    16.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenwerking indien bij de wet wordt bepaald dat in twee of meer gemeenten een gemeenschappelijk korps van gemeentepolitie is

    Grondslag: art. 2.5 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    17.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van, rechtspositie, tucht, benoembaarheidseisen, opleiding en onderricht, rangindeling, en overige personeelsaangelegenheden

    grondslag: – art. 4.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 7.3 Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

    – art. 7.3 Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1945–1957

    Product: bijvoorbeeld:

    – Rangenbesluit politiepersoneel (Stb. 1946, G 339)

    – Politieambtenarenreglement (Stb. 1947, H 144)

    – Politietuchtreglement (Stb. 1947, H 145)

    – Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350).

    – Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143)

    – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

    – Besluit bekwaamheidseisen bevordering politieambtenaren (Stb. 1953, 551)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1956, 370)

    Opmerking: – Zie voor de handelingen op grond van de politiewet 1957 die aansluiten op deze handeling de paragrafen 3.2.2 en 3.2.4

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortgevloeid zijn de paragrafen 3.2.5 e.v.

    – In de Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) (Artikel II, sub 2) was bepaald dat de voorschriften ingevolge dit artikel van kracht bleven.

    Waardering: B5

    18.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van indeling en sterkte, werving, kleding en bewapening, geneeskundige keuring en controle, huisvesting en overige uitrusting

    Grondslag: art. 5.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Product: bijvoorbeeld:

    – Voorlopige uniformbeschikking voor de Rijkspolitie (Beschikking van 8 november 1946, APB 1946/12)

    – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie (Stcrt. 1949, 6)

    Opmerking: Zie de opmerkingen bij de vorige handeling.

    Waardering: B5

    19.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels zowel voor het korps rijkspolitie als voor de gemeentepolitie ten aanzien van de toekenning van rangen

    Grondslag: art. 19.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    20.

    Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 overplaatsen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie naar een andere gemeente of een ander korps

    Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1946

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    21.

    Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 in rang verlagen van ambtenaren van rijks- of gemeentepolitie

    Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1946

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    22.

    Handeling: het vaststellen van voorschriften die voor een juiste uitvoering van het Politiebesluit 1945 worden gevorderd

    Grondslag: art. 20 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    7.1.2.2 Gemeentepolitie

    (art. 3-9 PW)

    23.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 4.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

    25.

    Handeling: het verlenen en intrekken van opsporingsbevoegdheid aan onbezoldigde ambtenaren bij de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 4.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

    26.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van het aannemen van vrijwilligers voor de reserve–gemeentepolitie door de burgemeester

    Grondslag: art. 4.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

    28.

    Handeling: het instemmen met de benoeming of aanwijzing door de Minister van Binnenlandse Zaken van de korpschef in gemeenten waar geen commissaris van gemeentepolitie is

    Grondslag: art. 4.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    30.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de gemeentepolitie, voor zover betreft de onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen

    Grondslag: art. 5.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: Ministeriële beschikking

    Waardering: B5: neerslag met betrekking tot sterkte

    Overige neerslag (waaronder neerslag met betrekking tot rangen): V, 10 jaar

    33.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de gemeentepolitie over de inrichting en uitrusting van de onderdelen, meer in het bijzonder belast met recherche–werkzaamheden, alsmede over de aanschaf, het gebruik en onderhoud van middelen ten dienste van de verre berichtgeving

    Grondslag: art. 5.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    35.

    Handeling: het doen van voordrachten tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de gemeentepolitie, onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie en reserve-gemeentepolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

    Grondslag: art. 6.1 en 6.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (Stb. 1957, 547)

    – Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stb. 1957, 553).

    – Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Beloningsreglement reservepolitie (Stb. 1964, 474)

    – Rangenbesluit politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 549)

    – Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie (Stb. 1957, 556)

    – Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1957, 552)

    opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    37.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de (reserve)gemeentepolitie ten aanzien van werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 7.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    39.

    Handeling: het bij gezamenlijk besluit verplichten dat een ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn, overgaat naar het korps rijkspolitie

    Grondslag: art. 8.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    7.1.2.3 Financiering (gemeente)politie

    (Handelingen ingevolge artikel 9 en 9a Politiewet)

    40.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ten aanzien van de verdeling van politiekosten

    Grondslag: art. 18 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    63.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van de omstandigheden en voorwaarden waaronder een gemeente in aanmerking komt voor een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten

    Grondslag: art. 11.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    64.

    Handeling: het jaarlijks vaststellen van het bedrag dat voor de uitvoering van de regeling bijzondere opsporingskosten van rijks- en gemeentepolitie bestemd is

    Grondslag: art. 2.1 regeling bijzondere opsporingskosten 1989 (Stcrt. 91, 1989)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    7.1.2.4 Rijkspolitie

    69.

    Handeling: het bepalen van de standplaats van de ambtenaren van Rijksrecherche, ingedeeld bij de parketten van de procureurs-generaal

    Grondslag: – art. 6.2 Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)

    – art. 4.2 Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)

    – art. 4.1 Organisatiebeschikking rijksrecherche 1974

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    71.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke bij het korps rijkspolitie vrijwilligers voor de reserve-rijkspolitie worden aangenomen

    Grondslag: art. 10.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    72.

    Handeling: het mandateren van bevoegdheden inzake het beheer van het korps rijkspolitie

    Grondslag: art. 11 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1985–1993

    Product: – Instellingsbesluit Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie

    – beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1985, 66)

    – Mandaatbesluit beheersbevoegdheden POV Algemeen Inspecteur korps rijkspolitie (Stcrt. 1987, 24)

    – Mandaatbesluit beheersbevoegdheden POV korps rijkspolitie (Stcrt. 1987, 64)

    Waardering: B1

    73.

    Handeling: het instellen van de Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 11 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Instellingsbesluit Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1985, 66)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B4

    74.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing of ontslag van de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 12.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    75.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 39.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    – art. 12.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) zoals bijgevoegd bij Wet 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1958–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    Beschikking Instructie Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie van 2 februari 1961, Nr. 81S561. Opnieuw vastgesteld bij beschikking van 1 oktober 1984, Nr. 1193/584 (Stcrt. 1984, 206)

    Waardering: B5

    77.

    Handeling: het bepalen dat een groep van het korps rijkspolitie meer gemeenten omvat indien de voor een gemeente vastgestelde organieke sterkte te gering is voor een eigen groep

    Grondslag: art. 13 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    87.

    Handeling: het geven van opdracht tot beveiliging van aangewezen personen aan de officier van Justitie (Dienst Persoonsbeveiliging)

    Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    88.

    Handeling: het indelen van onderdelen van het korps rijkspolitie die niet gemeentegewijs zijn ingedeeld

    Grondslag: art. 15 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Product: Bijvoorbeeld: Beschikking organisatie korps rijkspolitie van 27 december 1957, Nr. 5 P 1638.

    Waardering: B4

    89.

    Handeling: het verenigen in districten van rijkspolitiegroepen die meer gemeenten omvatten met de daarvoor in aanmerking komende onderdelen van de rijkspolitie

    Grondslag: art. 16.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B4

    90.

    Handeling: het verenigen van de eenheden waarin de Rijkspolitie te water is ingedeeld, in districten van de Rijkspolitie te water

    Grondslag: art. 16.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B4

    91.

    Handeling: het bepalen van de grenzen van de districten van rijkspolitie

    Grondslag: art. 16.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B4

    93.

    Handeling: het bepalen van de totale sterkte, de sterkte van de onderdelen en de rangindeling van het korps rijkspolitie en voor zoveel nodig van de reserve-rijkspolitie

    Grondslag: art. 18.1 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: Rangen: V, 10 jaar

    Sterkte: B5

    95.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de bepaling van een minimumsterkte voor groepen van de rijkspolitie

    Grondslag: art. 19.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    97.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van de officieren van het korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2.3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 20a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    99.

    Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van ambtenaren van het korps rijkspolitie, niet zijnde officieren

    Grondslag: – art. 2.3b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 20b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    100.

    Handeling: het aanwijzen van een officier als districtscommandant, als commandant van de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie of als districtscommandant van de Rijkspolitie te water

    Grondslag: art. 21.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    101.

    Handeling: het indelen en plaatsen van officieren niet zijnde districtscommandanten

    Grondslag: art. 21.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    102.

    Handeling: het indelen en plaatsen van politie-ambtenaren niet zijnde officier

    Grondslag: art. 21.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    103.

    Handeling: het aanwijzen van een groepscommandant of een postcommandant, als bedoeld in art. 13 Politiewet 1957

    Grondslag: art. 21.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    105.

    Handeling: het beslissen omtrent de aanwijzing van een groeps- of postcommandant als bedoeld in artikel 13 Politiewet 1957 bij gebrek aan overeenstemming tussen de Algemeen Inspecteur van het korps Rijkspolitie en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie

    Grondslag: art. 21.5 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    106.

    Handeling: het indelen en plaatsen van politieambtenaren in een groep of post als bedoeld in art. 13 Politiewet 1957

    Grondslag: art. 21.6 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    107.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het korps rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingseisen

    Grondslag: art. 22.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stcrt. 1957, 553).

    – Rangenbesluit politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 549)

    – Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1957, 552)

    opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

    Waardering: B5

    108.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie en de reserve-rijkspolitie, ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

    Grondslag: art. 22.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Beloningsreglement reservepolitie (Stb. 1964, 474)

    – Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie (Stb. 1957, 557)

    Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragraaf 3.2.6

    Waardering: B5

    109.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor (reserve-) rijkspolitie ten aanzien van, werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 23.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 12 juni 1990 (Stb. 414) en wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1958–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Opleidings- en examenbeschikking reservepolitie 1982 (Stcrt. 1983, 23)

    – Voorschrift Uniformkleding Korps Rijkspolitie 1965 (Beschikking van 15 juni 1965, APB 1965/16).

    – Beschikking politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186)

    – Beschikking bewapening beroepspersoneel in politierang Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1970, 31)

    – Beschikking bewapening parketwachters, velddienstassistenten en reserve-rijkspolitie (Stcrt. 1972, 76)

    – Bewapeningsbeschikking Rijkspolitie (Stcrt. 1988, 233)

    Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

    Waardering: B5

    111.

    Handeling: het verplichten van rijkspolitie-ambtenaar, door de Minister van Justitie benoemd, over te gaan naar een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: art. 24.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    112.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van Rijkspolitie, waterschouten en inspecteurs-rijksrechercheurs

    Grondslag: – art. 1d Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 25.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 24 oktober 1979 (Stb. 615) en bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    113.

    Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie, niet zijnde (hoofd)commissaris, waterschout of inspecteur-rijksrechercheur

    Grondslag: – art. 1d Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 25.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    114.

    Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 25a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    115.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

    Grondslag: art. 26.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    116.

    Handeling: het geven van regels voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie ten aanzien van opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 27 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    117.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB stellen van regels voor de administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie inzake rechtspositie, beëdiging, bezoldiging, tucht en eisen van benoembaarheid

    Grondslag: art. 27a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    118.

    Handeling: het voor de administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie geven van regels inzake, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 27b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.5 Aanstelling en bevordering

    126.

    Handeling: het doen van voordracht tot het in zeer bijzondere gevallen bij KB verlengen van de proeftijd van een bij KB te benoemen rijkspolitieambtenaar

    Grondslag: – art. 2.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 2.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    127.

    Handeling: het in zeer bijzondere gevallen verlengen van de proeftijd van een niet bij KB te benoemen rijkspolitieambtenaar

    Grondslag: art. 2.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    129.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model-aanstellingsakte van een rijkspolitieambtenaar

    Grondslag: art. 4.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging

    131.

    Handeling: het doen aanhouden van een ranglijst van bij KB benoemde (bijzondere) rijkspolitieambtenaren

    Grondslag: – art. 6.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 6.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 6.1 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)

    – art. 6.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: het betreft een lijst met namen

    Waardering: B5

    7.1.2.6 Bezoldiging

    132.

    Handeling: het aanwijzen van een ambtenaar om een ambtenaar in hogere rang of functie volledig te vervangen en het toekennen van een tijdelijke vergoeding, voor zover het bij KB benoemde ambtenaren betreft

    Grondslag: – art. 10.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 10.6 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)

    – art. 10.6 ARRP 1975 (Stb. 1975, 172)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    133.

    Handeling: het beslissen of een ongehuwde (bijzondere) rijkspolitieambtenaar beschouwd wordt als enig kostwinner in verband met bezoldiging tijdens de vervulling van zijn dienstplicht

    Grondslag: – art. 12.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 13.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 13.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    – art. 13.3 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    134.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB stellen van nadere regels omtrent de bezoldiging van politieambtenaren tijdens de vervulling van de dienstplicht

    Grondslag: – art. 16.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 16.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.7 Diensttijden

    135.

    Handeling: het vaststellen van een dienstrooster voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 18.1 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 18.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging

    136.

    Handeling: het toekennen van een vergoeding of beloning aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie voor werk buiten de vastgestelde diensttijden

    Grondslag: – art. 18.1 en 18.4 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 19.1 en 19.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 19.2 en 21.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 19b.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    137.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen inzake de inrichting van de diensttijden en de uitvoering van de toekenning van vergoedingen voor overwerk aan (bijzondere) rijkspolitieambtenaren

    Grondslag: – art. 18.4 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 19.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 21.2 en 39 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 18.5, 19b.3 19b.4 en 19e ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    139.

    Handeling: het bepalen dat de diensttijdenregeling niet van toepassing is op bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

    Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    Periode: 1967–1976

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    140.

    Handeling: het toekennen van een overwerkvergoeding aan bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

    Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    Periode: 1967–1976

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    7.1.2.8 Vakantie en verlof

    142.

    Handeling: het verlenen van (buitengewoon) verlof aan (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 30.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 46.3 en 48.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 20.2, 41.2 en 43.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    143.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd van ambtenaren van rijkspolitie ter vaststelling van verlof

    Grondslag: art. 19.4 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    145.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels omtrent de toepassing van de bepaling omtrent vakantie, vakantie-uitkering en (bijzonder) verlof van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 34, 39, 50,2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 44 en 55.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 32, 39, 50.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    148.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling, wijziging of intrekking van nadere regels omtrent de toepassing van de bepalingen omtrent vakantie, vakantie-uitkering en verlof van ambtenaren van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 34, 39, 50.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking

    149.

    Handeling: het geven van toestemming aan de algemeen inspecteur tot het verlenen van buitengewoon verlof van langer dan drie maanden aan ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 43.2 en 53.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    7.1.2.9 Ziekte en geneeskundige keuring

    151.

    Handeling: het met betrekking tot politieambtenaren die bij KB benoemd zijn, doen van voordracht tot KB inzake het gelasten van een geneeskundig onderzoek

    Grondslag: – art. 32.1, 33.1, 35.3, 39, 40.1, 40.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 32.1, 33.1, 35.3, 39, 40.1, 40.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 59.1, 60.1, 62.3, 66, 67.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    152.

    Handeling: het gelasten van een geneeskundig onderzoek van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 59.1, 60.1, 62.3, 66, 67.1 en 67.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 64.1, 65.1, 71 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art 58 t/m 71 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: In het ARRP 1975 is bepaald dat de Minister zich hierbij bedient van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Bij heronderzoek laat hij zich adviseren door een commissie van geneeskundigen.

    Waardering: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    153.

    Handeling: het aanwijzen van een geneeskundige voor het jaarlijks onderzoek van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie naar het voorkomen van tuberculose

    Grondslag: – art. 34 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 61 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 66 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    Periode: 1953–1975

    Waardering: V, 5 jaar na aanwijzing

    154.

    Handeling: het aanwijzen van een of meer geneeskundigen voor herkeuring van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 76.3 en 72. ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    Periode: 1967–1975

    Waardering: V, 5 jaar na aanwijzing

    156.

    Handeling: het in bijzondere gevallen bepalen dat de bezoldiging tijdens afwezigheid door ziekte betaald wordt aan een ander dan de (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie die is aangesteld bij KB

    Grondslag: – art. 43 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 70 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 75 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 63.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    158.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften omtrent hernieuwd of periodiek geneeskundig onderzoek van ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 65.4 of art. 66.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.10 Overige rechten en plichten

    160.

    Handeling: het een (bijzondere) rijkspolitieambtenaar verplichten of ontheffen van de verplichting te wonen in een bepaald deel van de gemeente die hem als standplaats is aangewezen

    Grondslag: – art. 56.1 of 56.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 85.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 83.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    161.

    Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie bij het Korps Rijkspolitie of van een ambtenaar van het Korps Rijkspolitie bij een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 58 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 85 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 85 ARRP 1975 (Stb. 1977, 1772)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    163.

    Handeling: het te zijner beschikking stellen van een ambtenaar van rijkspolitie

    Grondslag: art. 60 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    165.

    Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot het bekleden van een openbaar ambt waartoe de benoeming niet bij KB geschiedt

    Grondslag: – art. 63.1 en 63.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 89.1 en 89.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 89 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 89.1 en 89.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    167.

    Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden

    Grondslag: – art. 64.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 90.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 90.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 90.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    168.

    Handeling: het aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie verlenen van ontheffing van een verbod op inwoning

    Grondslag: – art. 66 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 91 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 91 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    169.

    Handeling: het bepalen dat een politie-ambtenaar die op kosten van het Ministerie van Justitie een opleiding heeft genoten, de opleidingskosten terug dient te betalen wanneer hij binnen drie jaar de dienst verlaat

    Grondslag: – art. 95.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 94a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    171.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de berekening van opleidingskosten en de beperking van de betalingsplicht

    Grondslag: – art. 95.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 94a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V 7 jaar na wijziging of intrekking

    172.

    Handeling: het verplichten van een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot vergoeding van door de dienst geleden schade indien deze schade aan hem te wijten is

    Grondslag: – art. 70.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 95.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 96.1 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 95.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    173.

    Handeling: het doen aanhouden van beoordelingslijsten van de bij KB aangestelde ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 74.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 99.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 99.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    176.

    Handeling: het (verlenen van machtiging tot het) aan een (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie toekennen van een beloning wegens bijzondere verdiensten

    Grondslag: – art. 77.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 101.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 103.4 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 101.4 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    178.

    Handeling: het aan een bij KB benoemde (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie toekennen van een huldeblijk bij zijn ambtsjubileum

    Grondslag: – art. 77 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 102.1 en 102.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 104.1 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 102.1 en 102.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    179.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd ter vaststelling van ambtsjubilea van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 77.6 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 102.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 104.4 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 102.4 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.11 Straffen

    181.

    Handeling: het opleggen van straffen aan bij KB benoemde (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 79.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 104.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 106.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 104.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    7.1.2.12 Schorsing en ontslag

    186.

    Handeling: het voorbereiden van bij KB te stellen regels voor de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 93.5 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 120.5 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 119.5 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    188.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden en (plaatsvervangende) secretaris van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 3.2 en 4 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 10 jaar na benoeming

    189.

    Handeling: het bepalen dat in afwachting van de schorsing van een niet bij KB benoemde ambtenaar van rijkspolitie voorlopig buiten functie gesteld wordt

    Grondslag: – art. 110.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 111.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    190.

    Handeling: het (doen van voordracht tot het bij KB) opschorten van de ingangsdatum van het ontslag bij pensionering van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 117.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 114a.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: KB: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Overig: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    192.

    Handeling: het toestaan van uitzondering op de regel dat de vrouwelijke ambtenaar van rijkspolitie eervol ontslag verleend wordt daags na haar huwelijk

    Grondslag: – art. 92.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 118.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    Periode: 1953–1975

    Waardering: B5

    194.

    Handeling: het verlenen van medewerking of machtiging tot het in bijzondere gevallen verlenen van eervol ontslag aan een niet bij KB benoemde ambtenaar van rijkspolitie

    Grondslag: art. 93.3 of art. 95.1 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    196.

    Handeling: het doen van voordracht tot het treffen van een regeling of het treffen van een regeling waarbij een (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie die wegens bijzondere omstandigheden eervol is ontslagen een redelijke uitkering verzekerd wordt

    Grondslag: – art. 95.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 121.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 123.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 121.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar

    198.

    Handeling: het bepalen dat de laatste bezoldiging van een overleden (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie uitgekeerd wordt voor de betaling van ziekte- en begrafeniskosten indien de overleden ambtenaar geen directe erfgenamen nalaat

    Grondslag: – art. 97.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 123.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 125.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 123.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 7 jaar na overlijden

    199.

    Handeling: het verlenen van een vergoeding aan de achterblijvende gezinsleden van een overleden (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie indien zij de ambtswoning binnen de gestelde termijn verlaten

    Grondslag: – art. 98 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 124 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 126.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 124 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 7 jaar na overlijden

    200.

    Handeling: het bij vermissing van een ambtenaar van rijkspolitie bepalen van de dag waarop hij geacht wordt te zijn overleden, of het uitbetalen van de bezoldiging indien hij nog in leven blijkt

    Grondslag: art. 125a.1 en 125a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: B5

    201.

    Handeling: het (doen van voordracht tot het) stellen van nadere algemene regels ter uitwerking of aanvulling van het ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 101 ARGP (Stb. 1953, 74)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.13 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie

    Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.

    202

    Handeling: het in bijzondere omstandigheden in werkelijke rijkspolitiedienst oproepen van vrijwilligers voor de Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2.1a, 3 en art. 5 Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie 1948 (Stb. 1948, I 350)

    – art. 4a, 5.2b, 7 en c, 20.2b en c Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 4a, 5.2b en c, 22,2b en c en 7 Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 2.2, 5 en art. 10 en art. 17 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1948–1993

    Waardering: B6

    212.

    Handeling: het bepalen van een tijdstip waarop de verbintenissen vervallen met vrijwilligers van wie het verband, aangegaan onder een vorige regeling, van kracht is gebleven.

    Grondslag: – art. 14.4 Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 25.2 Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 53.2 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1954–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    205.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van medische eisen waaraan vrijwilligers van reservepolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 3.1c en 17.1c Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 3.1c en 19.1b Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 4.1c Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking

    206.

    Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Defensie bepalen dat bepaalde categorieën van personen die tot zee-, land,- of luchtmacht behoren kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van reserve-rijkspolitie

    Grondslag: art. 4.1d en 40b Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    209.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst

    Grondslag: – Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350)

    – Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363), 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    – Beloningsreglement reserve-politie (Stb. 1964, 474)

    Periode: 1948–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Beschikking oefenvergoeding leden reserve-politie (Stcrt. 1976, 208)

    – Maximumuitkeringsbeschikking reserve-politie 1969 (Stcrt. 1969, 160)

    – Beschikking vakantiebonnen reserve-politie (Stcrt. 1969, 160)

    – Gratificatiebeschikking Reservepolitie

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    210.

    Handeling: het uitvoeren van de regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst

    Grondslag: – Beschikking oefenvergoeding leden reserve-politie (Stcrt. 1976, 208)

    – Maximumuitkeringsbeschikking reserve-politie 1969 (Stcrt. 1969, 160)

    – Beschikking vakantiebonnen reserve-politie (Stcrt. 1969, 160)

    – Gratificatiebeschikking Reservepolitie

    Periode: 1948–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    211.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van andere rechten en verplichtingen voor de vrijwilliger van politie

    Grondslag: art. 38 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking,

    215.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit adviesraden burgerlijke reserve-organen voor wat vrijwilligers bij de reservepolitie betreft

    Grondslag: Besluit adviesraden burgerlijke reserve-organen (Stb. 1964, 478)

    Periode: 1965–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    7.1.2.14 Surveillancehonden

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 van het Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 van de Politiewet 1957.

    216.

    Handeling: het verlenen of intrekken van toestemming tot het gebruik van een eigen surveillancehond door ambtenaren van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2 of 3.2 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    – Beschikking gebruik surveillancehonden door velddienstassistenten (Stcrt 1973, 48)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V 5 jaar

    217.

    Handeling: het aanwijzen van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging welke het africhten van honden voor surveillancedienst tot doel heeft

    Grondslag: art. 3.1 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    218.

    Handeling: het vaststellen van een gemeenschappelijke beschikking inzake een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt

    Grondslag: art. 4.3 Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    219.

    Handeling: het toekennen van een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt

    Grondslag: – art. 4.1 en 4.2 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143)

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie dd. 7/17 februari 1975, nr. 162 S 575/EA75/225

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1977 (Stcrt. 1978, 15)

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1982 (Stcrt. 1983, 21)

    – Beschikking renteloos voorschot aankoop surveillancehonden politie (Stcrt. 1978, 43)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V 7 jaar

    220.

    Handeling: het goedkeuren van de bij het geschiktheidsonderzoek van surveillancehonden te stellen eisen en van de aanwijzing van africhters

    Grondslag: art. 3.3 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    221.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering van het Besluit Surveillancehonden Politie

    Grondslag: art. 3.1 en 5 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    222.

    Handeling: het uitvoeren van de Beschikking Surveillancehonden politie en de Beschikking Surveillancehonden Korps rijkspolitie

    Grondslag: – Beschikking surveillancehonden politie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Beschikking Surveillancehonden Korps rijkspolitie (Stcrt. 1958, 40/58; 203/58)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.15 Geneeskundige verzorging

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1f Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet

    642.

    Handeling: het instellen van een ziekenfonds voor het politiepersoneel.

    Grondslag: – Voorlopige Beschikking Kosten Geneeskundige Verzorging, 15 maart 1946

    – Besluit tot instelling van de Dienst Geneeskundige Verzorging voor de Politie

    Waardering: B4

    223.

    Handeling: het bepalen dat het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie van toepassing is op andere dan in het besluit genoemde groepen ambtenaren of arbeidscontractanten

    Grondslag: – art. 2.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 4 maart 1952 (Stb. 1952, 96)

    – art. 1.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 2.2 en 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1952–1993

    Waardering: V, 2 jaar na wijziging

    225.

    Handeling: het geven van nadere aanwijzingen omtrent hetgeen onder een volledige dagtaak dient te worden verstaan van deelnemers van het ziekenfonds

    Grondslag: – art. 2.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555)

    – art. 5.1b Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    226.

    Handeling: het nader aanwijzen van uitkeringen, toelagen en dergelijke die tot de bezoldiging van politie-ambtenaren gerekend worden

    Grondslag: – art. 3.II.a.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 24 september 1957 (Stb. 1957, 392)

    – art. 1.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    Periode: 1957–1971

    Waardering: V 7 jaar

    228.

    Handeling: het beslissen dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft

    Grondslag: art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1984–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    229.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke aan (gepensioneerde) politieambtenaren een uitkering inzake geneeskundige verzorging wordt toegekend

    Grondslag: – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 6.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 6.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    230.

    Handeling: het uitvoeren van de Uitvoeringsbeschikkingen GVP en Regelingen GVP

    Grondslag: – Eerste Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1951 en 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Regeling geneeskundige verzorging politie 1975 (Stcrt. 1974, 250)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V 10 jaar

    231.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen van of tegemoetkomingen in de kosten voor geneeskundige verzorging van politieambtenaren

    Grondslag: – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 2.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 2.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V 7 jaar

    232.

    Handeling: het vaststellen van een modelverklaring inzake de aanvraag van een uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verzorging voor gepensioneerde politieambtenaren

    Grondslag: – art. 4.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 4.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1949–1971

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    233.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bijstaat bij de uitvoering van de besluiten inzake de geneeskundige verzorging van de politie

    Grondslag: – art. 8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 8.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 10.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    234.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commissie GVP inzake het beheer van de DGVP (behalve het comptabele beheer)

    Grondslag: art. 1.1 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    237.

    Handeling: het goedkeuren van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening van de Commissie GVP

    Grondslag: art. 11 of 12 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: B3: jaarverslag

    Overige neerslag: V, 7 jaar

    238.

    Handeling: het instellen van een commissie die leiding geeft aan de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

    Grondslag: – art. 9.1 of 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 5.1 en 5.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 en 4.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 en 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.2, 11.4, 11.5 en 12 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B4

    243.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer, en het vaststellen van een maximumbedrag waarboven de betaling niet geschiedt

    Grondslag: – art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 7.3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1951–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stcrt. 1971, 238)

    – Derde Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1971, 255)

    – Beschikking premie en plafonds GVP 1975 (Stcrt. 1975, 166), en opeenvolgende jaren

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    246.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer bedraagt

    Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    247.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de berekening en wijze van betaling en verhaal van de eigen bijdrage in de kosten van geneeskundige verzorging

    Grondslag: – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 7.5 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.7 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    249.

    Handeling: het vaststellen van het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP, en van de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag door de deelnemer dient te worden afgedragen

    Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    251.

    Handeling: het vaststellen van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is

    Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    252.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften ter uitvoering of nadere regeling van de geneeskundige verzorging voor gepensioneerden

    Grondslag: – art. 11 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 7.5 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1954–1971

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    255.

    Handeling: het geven van regels over de wijze waarop beroep moet worden ingesteld, behandeld en geregeld

    Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 15 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: B5

    256.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenstelling van de commissie van beroep GVP

    Grondslag: art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    Periode: 1980–1984

    Waardering: V, 2 jaar na wijziging

    257.

    Handeling: het benoemen, schorsen en ontslaan van (plaatsvervangende) leden, het aanwijzen van de (plaatsvervangend) voorzitter alsmede het toevoegen van een (waarnemend) secretaris van de Commissie van beroep GVP

    Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 14.1 en 14.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    – art. 2.1 of 3 Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)

    Periode: 1980–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    7.1.2.16 Bezoldiging

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.

    259.

    Handeling: het voor de rijkspolitie vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ter uitvoering van het bezoldigingsreglement politie

    Grondslag: – art. 8.3 en 20.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)

    – art. 22.4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 11.1 en 21.4 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 13 Toelagebesluit politie (Stb. 1951, 328)

    – art. 27 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art 11.4b en art. 32 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    – art. 1.1 Besluit toekenning extra salarisanciënniteit politieambtenaren (Stb. 1962, 74)

    Periode: 1946–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    261.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking treffen van bijzondere regelingen of bepalingen ter uitvoering van het bezoldigingsreglement politie

    Grondslag: – art. 6a Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502, zoals toegevoegd Stb. 1954, 197)

    – art. 4 Eerste aanvulling Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1954, 198)

    – art. 8 en art. XVIII Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art. 8, 21d en art. 37 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    – art. 3 KB van 21 december 1972 houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    262.

    Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van bij KB benoemde ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 3.1 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art. 3 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    Periode: 1947–1993

    Waardering: V7 jaar

    263.

    Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van niet bij KB benoemde ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 3.1 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art. 3 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    Periode: 1947–1993

    Waardering: V7 jaar

    266.

    Handeling: het toekennen van een garantietoelage aan adspiranten van politie

    Grondslag: art. III Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals bijgevoegd bij KB van 10 januari 1974 (Stb. 1974, 51)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    267.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de toekenning van een vaste toelage aan ambtenaren van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 21b Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals toegevoegd bij KB van 7 januari 1963 (Stb. 1963, 3)

    Periode: 1963–1993

    Waardering: V5 jaar

    269.

    Handeling: het ten aanzien van rijkspolitie beslissen in gevallen waarin het bezoldigingsreglement politie niet voorziet

    Grondslag: – art. 23.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)

    – art. 29.1 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151

    Periode: 1946–1956

    Waardering: V, 10 jaar na beslissing

    271.

    Handeling: het toekennen van gratificaties op grond van het Gratificatiebesluit Politie

    Grondslag: Gratificatiebesluit Politie 1948 (Stb. 1948, I 353), 1949 (Stb. 1949, J 330), 1950 (Stb. 1950 K 250), 1951 (Stb. 1952, 189), 1952 (Stb. 1952, 470) en 1953 (1953, 282)

    Periode: 1948–1953

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    272.

    Handeling: het toekennen van uitkeringen ineens aan politieambtenaren

    Grondslag: bijvoorbeeld:

    – KB van 21 december 1972, houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)

    – KB van 14 oktober 1991, houdende regels betreffende toekenning van een uitkering ineens aan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie voor 1989 en 1990 (Stb. 1991, 656)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    273.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van verplaatsingskosten voor de politie

    Grondslag: Verplaatsingskostenbesluit politie (Stb. 1992, 248)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    274.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van de Verplaatsingskostenregeling politie (Stcrt. 1992, 123)

    Grondslag: Verplaatsingskostenregeling politie (Stcrt. 1992, 123)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    275.

    Handeling: het uitvoeren van het verplaatsingskostenbesluit politie

    Grondslag: Verplaatsingskostenbesluit politie (Stb. 1992, 248)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    276.

    Handeling: het bepalen van de bedragen ter vergoeding van of tegemoetkoming in de opleidingskosten van een politieambtenaar

    Grondslag: art. 3 en 4 Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren (Stb. 1961, 281)

    Periode: 1961–1979

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    277.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van de Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren

    Grondslag: Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren (Stb. 1961, 281)

    Periode: 1961–1979

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    7.1.2.17 Georganiseerd Overleg

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.

    643.

    Handeling: Het instellen en opheffen van de Contactcommissie Politie

    Grondslag: B. Reeder en D. Rook, Crescendo

    Periode: 1946–1961

    Opmerking: de voorzitter van de overheidsvertegenwoordiging is tevens de voorzitter van de commissie

    Waardering: B4

    278.

    Handeling: het aanwijzen van de overheidsvertegenwoordiging in de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP)

    Grondslag: art. 2.1a Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    279.

    Handeling: het aanwijzen van een ander dan de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als voorzitter van het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    280.

    Handeling: het aanwijzen van functionarissen die bij het Georganiseerd Overleg de voorzitter terzijde staan

    Grondslag: – art. 4.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.4 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    281.

    Handeling: het benoemen van de (adjunct)secretaris van de Commissie GOP

    Grondslag: – art. 3 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 4.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    283.

    Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van de burgemeesters van gemeenten met gemeentepolitie tot het bijwonen van het georganiseerd overleg

    Grondslag: – art. 4.3 en 10.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.4 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: V 1 jaar

    284.

    Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van het LSOP tot het bijwonen van het Georganiseerd Overleg als waarnemer

    Grondslag: art. 5.5 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V 1 jaar

    285.

    Handeling: het benoemen van twee (plaatsvervangende) bijzondere leden van de commissies voor Georganiseerd Overleg voor de behandeling van geschillen inzake het overleg met de commissies

    Grondslag: – art. 13e.2 en 13e.6 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571), zoals ingevoegd bij Besluit van 16 februari 1989 (Stb. 1989, 83)

    – art. 17.2 en 17.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V 7 jaar na ontslag uit de commissie

    286.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake het tot de commissie GOP toelaten, schorsen of intrekken van de toelating van representatieve ambtenarenverenigingen

    Grondslag: – art. 4.1d en 4.2 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.4f en 3.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.1e en 3.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V 10 jaar

    287.

    Handeling: het uitsluiten van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    289.

    Handeling: het aanwijzen van de voorzitter, de leden en de (adjunct)secretaris van het overleg met de commissie-afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van rijkspolitie betreffen

    Grondslag: – art. 6.2 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 6.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 6.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    291.

    Handeling: het verklaren dat een ambtenarenvereniging niet meer voldoende representatief is voor toelating tot de afdelingen

    Grondslag: – art. 6.3 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 6.3 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 6.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    293.

    Handeling: het alvorens te beslissen overleggen met de Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (CGO LOSP) over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

    Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V 10 jaar

    295.

    Handeling: het aanwijzen van functionarissen voor vaste werkgroepen die tot taak hebben voorbereidende besprekingen te voeren of in het Georganiseerd Overleg genomen besluiten uit te werken

    Grondslag: – art. 10.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 10.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 9.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    296.

    Handeling: het alvorens te beslissen in aangelegenheden, welke van belang zijn voor de bijzondere rechtstoestand van respectievelijk de ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie deze ter behandeling voorleggen aan de betreffende afdeling van de commissie GOP

    Grondslag: – art. 7.1 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.1 en 7.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 2.1 en 7.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V 5 jaar

    299.

    Handeling: het geven van opdrachten en aanwijzingen aan de overheidsvertegenwoording in de Commissie GOP

    Grondslag: art. 7.6 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Waardering: V 10 jaar

    301.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering of aanvulling van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie

    Grondslag: art. 75.1 en 75.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking

    302.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften inzake de dienstcommissie voor zover de bijzondere verhoudingen aan de primaire politie-opleiding daartoe aanleiding geven

    Grondslag: art. 75.4 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    303.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften voor wat betreft het Korps Rijkspolitie ter uitvoering van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie, voor zover daarin niet door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk is voorzien en voor zover het niet betreft de huishoudelijke gang van zaken in de dienstcommissie

    Grondslag: art. 75.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking

    7.1.2.18 Dienstcommissie

    305.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij of krachtens KB instellen van dienstcommissies voor het Korps Rijkspolitie, voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en voor gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 18 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), gewijzigd en vernummerd tot art. 39 bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1961–1963

    Waardering: V 10 jaar

    306.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij afzonderlijk KB instellen van dienstcommissies voor onderdelen van het Korps Rijkspolitie en voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 39 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), zoals gewijzigd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: V 10 jaar

    307.

    Handeling: het vaststellen van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie

    Grondslag: art. 20 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 5 jaar

    309.

    Handeling: het uitsluiten van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 27.4 Regeling GOP 1974 (Stb. 1974, 52)

    – art. 23.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1963–1993

    Opmerking: In de periode 1963–1985 gold deze bevoegdheid alleen vertegenwoordigers van de algemene dienstcommissie. Vanaf 1985 betrof het ook de dienstcommissies bij diensteenheden.

    Waardering: V 7 jaar

    311.

    Handeling: het goedkeuren van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie

    Grondslag: art. 24.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking

    313.

    Handeling: het beslissen inzake geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommissie

    Grondslag: art. 25-28, 30.1, 31.2, 33.3, 38.5, 38.6 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil

    315.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden alsmede hun plaatsvervangers van het College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 74.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 7 jaar

    316.

    Handeling: het erop toezien dat kandidaten en (ex) leden van de dienstcommissie niet benadeeld worden in hun positie als ambtenaar

    Grondslag: art. 29.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 10 jaar

    317.

    Handeling: het zonodig treffen van voorzieningen alvorens het reglement van een dienstcommissie in werking treedt

    Grondslag: art. 43 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 5 jaar

    Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    319.

    Handeling: het instellen van een algemene dienstcommissie voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 28 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623), zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)

    – art. 16.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1963–1993

    Waardering: B4

    320.

    Handeling: het aanwijzen van een overheidsvertegenwoordiging in de Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 29.1 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: V7 jaar

    321.

    Handeling: het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter, een secretaris en zonodig een adjunct-secretaris van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 30 en 31 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: V7 jaar

    322.

    Handeling: het vaststellen van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: B5

    325.

    Handeling: het voeren van overleg met de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van ambtenaren van rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan

    Grondslag: – art. 30 en 37 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 25 en 29.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1963–1985

    Toelichting Hieronder valt ook het doen van mededeling door de Minister aan de Algemene

    dienstcommissie Korps Rijkspolitie van beslissingen omtrent onderwerpen waarover deze dienstcommissie heeft geadviseerd

    Waardering: B5

    Dienstcommissie voor een diensteenheid van rijkspolitie

    326.

    Handeling: het indelen van het Korps rijkspolitie in diensteenheden ten behoeve van de vorming van dienstcommissie

    Grondslag: art. 26.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V 5 jaar

    327.

    Handeling: het bepalen dat overleg wordt gepleegd met een dienstcommissie indien minstens 30 % van de ambtenaren van rijkspolitie, werkzaam bij een diensteenheid, lid is van een toegelaten vereniging

    Grondslag: art. 26.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V5 jaar

    328.

    Handeling: het instellen van dienstcommissies bij diensteenheden van het Korps Rijkspolitie en bij overige diensten en instellingen ressorterende onder de directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 14.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B4

    329.

    Handeling: het overleggen met een dienstcommissie voor een diensteenheid over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van ambtenaren van rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan

    Grondslag: art. 29.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V 10 jaar

    330.

    Handeling: het aanwijzen van een (plaatsvervangend) voorzitter, van een secretaris en van ambtenaren die de voorzitter bijstaan in het overleg met een dienstcommissie van een diensteenheid

    Grondslag: art. 29.2, 29.3 en 30 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V 7 jaar

    Dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

    331.

    Handeling: het instellen van een dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie indien minstens 30 % van de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie lid is van een toegelaten vereniging

    Grondslag: art. 37.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V 10 jaar na opheffing

    332.

    Handeling: het overleggen met een dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 37.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1974–1985

    Waardering: V 10 jaar

    7.1.2.19 Bekwaamheid, benoeming, bevordering en opleiding

    333.

    Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot de inrichting van het politieonderwijs

    Grondslag: begrotingen

    Periode: 1945–1993

    opmerkingen - Stuurgroep herziening Primaire Politieopleiding 16 oktober 1979

    Waardering: B4

    334.

    Handeling: het instellen van – en houden van toezicht op scholen voor de opleiding en het onderricht van rijkswege van het personeel van rijks- en gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 4.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B4

    335.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van eisen waaraan kandidaten voor een aanstelling bij de politie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 1.1.3, art. 1.1.6, art. 3.1 en art. 3.4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)

    – art. 1.1c en 1.1i Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – art. 1c en 2i Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    Periode: 1947–1993

    Waardering: B5

    336.

    Handeling: het laten verrichten van geneeskundig onderzoek

    Grondslag: Bijvoorbeeld:

    – Geneeskundige keuringsbeschikking gemeentepolitie (Stcrt, 1956, 220) en 1958 (Stcrt. 1957, 251)

    – Geneeskundige keuringsbeschikking korps rijkspolitie 1963 (Stcrt. 1963, 212)

    Periode: 1949–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    337.

    Handeling: het in bijzondere gevallen afwijken van de aanstellings-, bekwaamheids- of bevorderingseisen voor zover het de rijkspolitie betreft

    Grondslag: – art. 1.2 en art. 4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)

    – art. 4 Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – art. 6 Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – art 1.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551

    – art. 1.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 2.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1956, 369)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 552)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V 10 jaar

    341.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften met betrekking tot de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: – art. 4 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 4 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 4.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: B5

    342.

    Handeling: het benoemen van de leden van de examencommissies voor de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    343.

    Handeling: het aanwijzen van gecommitteerden om toezicht te houden op de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1965–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    344.

    Handeling: het vaststellen van een vergoeding voor de leden van de examencommissies en de gecommitteerden

    Grondslag: – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V7 jaar

    345.

    Handeling: het aanwijzen van de examenplaatsen

    Grondslag: – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    Periode: 1953–1964

    Waardering: V7 jaar

    346.

    Handeling: het vaststellen van een bedrag voor het examengeld

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 6.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V7 jaar

    347.

    Handeling: het comptabel beheren van de examenkosten

    Grondslag: – art. 6.3 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 6.3 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    Periode: 1953–1964

    Waardering: V7 jaar

    348.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van het programma van het examen voor het politievaardigheidsexamen

    Grondslag: – art. 7 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 7 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    Periode: 1953–1964

    Waardering: V10 jaar

    349.

    Handeling: het aanwijzen van een taalexamen

    Grondslag: – art. 8 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 8 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 4.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V7 jaar

    350.

    Handeling: het vaststellen van de beschikking primair politie-onderwijs

    Grondslag: Beschikking primair politie-onderwijs (Stcrt. 1983, 214)

    Periode: 1983–1993

    Waardering: B5

    7.1.2.20 Algemeen Politieblad

    351.

    Handeling: het uitgeven van het Algemeen Politieblad (APB)

    Grondslag: – circulaire van de Minister van Justitie van 10 maart 1947 Pol. Kab 3022 (APB 1947, 11)

    – art. 1 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1947–1993

    Waardering: B5: publicaties / eindproducten

    V 7 jaar

    352.

    Handeling: het benoemen van de leden van de Adviescommissie APB

    Grondslag: art. II Beschikking instelling Adviescommissie APB (APB 1947, 16)

    Periode: 1947–1975

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    353.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden van de redactieraad van het APB en van een eindredacteur

    Grondslag: art. 6, 7.1, 8.1 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    354.

    Handeling: het aan de redactieraad beschikbaar stellen van financiële middelen ten behoeve van de uitgave van het APB

    Grondslag: art. 3 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V 7 jaar

    356.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van een secretaris van de redactieraad van het APB en het voorzien in het functioneren van het secretariaat

    Grondslag: art. 9.1 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    7.1.2.21 Opleiding hogere politieambtenaren

    358.

    Handeling: het uitoefenen van het comptabel beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 14 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V 7 jaar

    367.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de taak, samenstelling en werkwijze van het curatorium NPA

    Grondslag: art. 20.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: B5

    368.

    Handeling: het benoemen of ontslaan van de leden van de Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: art. 2.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    369.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de Raad van Bestuur

    Grondslag: art. 3.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    370.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van het Curatorium voor de NPA

    Grondslag: – art. 3.2 en 4.1 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    – art. 19.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    374.

    Handeling: het benoemen, aanstellen, schorsen of ontslaan van de (onder)directeur en docerend personeel van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 3.1 en 3.5 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 2 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    Periode: 1949–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    378.

    Handeling: het vaststellen van de dienstkleding van leerlingen van de NPA

    Grondslag: – art. 14 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 8 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    – art. 11 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1963–1992

    Waardering: V7 jaar

    379.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Raad van Beheer, de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 4 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 7 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    382.

    Handeling: het afwijken van de eisen tot toelating tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 5.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: V 10 jaar

    384.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan de NPA

    Grondslag: – art. 2 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 6 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 5 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V 7 jaar

    387.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding

    Grondslag: – art. 5.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 13.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1973

    Waardering: V 10 jaar

    388.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de (buitengewone) leden en de secretaris van de selectiecommissie

    Grondslag: – art. 5.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 9.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 7.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    389.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de selectiecommissie en de subcommissies

    Grondslag: – art. 4.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 8 en 9.4 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 7.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    391.

    Handeling: het vaststellen of goedkeuren van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: V 10 jaar

    393.

    Handeling: het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V7 jaar

    399.

    Handeling: het verlenen van vrijstelling van het afleggen van examens in bepaalde vakken alsmede van het volgen van opleidingsonderdelen

    Grondslag: – art. 16 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 14 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V 10 jaar

    401.

    Handeling: het goedkeuren van door de directeur van de NPA vastgestelde regels omtrent voortgang, doublering en beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 15.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    404.

    Handeling: het ontzeggen van verdere deelneming aan de opleiding

    Grondslag: art. 16.1b en 16.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V 7 jaar

    406.

    Handeling: het beslissen op een bezwaarschrift van een leerling tegen het door de directeur uitgebrachte advies omtrent beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 17.3 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V 7 jaar

    407.

    Handeling: het aanwijzen van een examencommissie

    Grondslag: – art. 10.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1967

    Waardering: V 10 jaar

    408.

    Handeling: het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie

    Grondslag: art. 20.3c Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals gewijzigd Stcrt. 1967, 113)

    Periode: 1967–1980

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    411.

    Handeling: het aanwijzen van een commissie van gecommitteerden om toezicht te houden op het afnemen van de examens

    Grondslag: – art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    – art. 23.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1967–1990

    Waardering: V 10 jaar

    412.

    Handeling: het aanwijzen van twee hoofdambtenaren op toezicht te houden op het afnemen van de examens

    Grondslag: art. 28.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    414.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model van het diploma voor de opleiding tot inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Grondslag: art. 20.7 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    Periode: 1967–1980

    Waardering: V 10 jaar

    415.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de inrichting van en toelating tot het examen, alsmede omtrent het examenprogramma van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V 10 jaar

    417.

    Handeling: het stellen, wijzigen of intrekken van voorwaarden inzake de toelating van extraneï tot de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 13.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 21.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V 10 jaar

    418.

    Handeling: het opstellen van een geschiktheidsverklaring voor geslaagde extraneï

    Grondslag: – art. 13.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 21.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V 7 jaar

    420.

    Handeling: het bemiddelen bij de plaatsing van geslaagde leerlingen bij het korps rijkspolitie dan wel bij een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: art. 22 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V 7 jaar

    7.1.2.22 Bewapening, kleding en overige uitrusting

    422.

    Handeling: het vaststellen van regelingen voor kleding en overige uitrusting voor de politie

    Grondslag: art. 5.1 van het Politiebesluit en art. 7.1, 23.1, 27 en 63 van de Politiewet 1957.

    Periode: 1945–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie 1948 (Stcrt. 1949, 6), 1958 (1957, 252) en 1968

    – Beschikking invoering kledingverstrekking van dienstwege aan het politiepersoneel (Stcrt. 1977, 103)

    – Kledingbeschikking politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    – Beschikking Instelling Politieverbindingsdienst (Stcrt. 1966, 31)

    – Beschikking Politietechnische Dienst der Rijkspolitie (APB 1952, 23))

    – Beschikking Rijksspeurhonden (APB 1949, nr. 14)

    Waardering: B5

    425.

    Handeling: het vaststellen van de bewapeningsregelingen voor de politie

    Grondslag: art. 5.1 van het Politiebesluit en art. 7.1, 23.1, 27 en 63 van de Politiewet 1957.

    Periode: 1945–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Beschikking bewapening beroepspersoneel in politierang Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1970, 31)

    – Beschikking bewapening parketwachters, velddienstassistenten en reserve-rijkspolitie (Stcrt. 1972, 76)

    – Beschikking bewapening bijzondere ambtenaren van Rijkspolitie (Stcrt. 1957, 219 en 1973, 14)

    – Bewapeningsbeschikking Rijkspolitie (Stcrt. 1988, 233)

    – Bewapenings- en uitrustingsbeschikking gemeentepolitie 1968

    – Regeling uitrusting Mobiele Eenheden Gemeentepolitie 1971 (Stcrt. 9) en 1986 (Stcrt. 12)

    Waardering: B5

    426.

    Handeling: het sluiten van contracten voor het aanschaffen en het verstrekken van dienstkleding, uitrusting, wapens en munitie aan de gemeentepolitie, het korps rijkspolitie en de bijzondere ambtenaren van politie

    Bron: Beschikking taak intendance (Stcrt. 1988, 233)

    Grondslag: – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie 1948 (Stcrt. 1949, 6), 1958 (1957, 252) en 1968

    – Beschikking invoering kledingverstrekking van dienstwege aan het politiepersoneel (Stcrt. 1977, 103)

    – Kledingbeschikking politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V 7 jaar

    427.

    Handeling: het verzorgen van de politie-verreberichtgeving zowel in nationaal als in internationaal verband en het daaromtrent adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 1-2 Beschikking Instelling Politieverbindingsdienst (Stcrt. 1966, 31)

    Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 14

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Het gaat om hardware en overige uitrusting.

    Waardering: V 7 jaar

    428.

    Handeling: het aanschaffen, onderhouden en herstellen van motorvoertuigen van korpsen en diensten van rijkspolitie

    Bron: Beschikking Politietechnische Dienst der Rijkspolitie (APB 1952, 23))

    Periode: 1945–1990

    Waardering: V 7 jaar

    429.

    Handeling: het verlenen van ondersteuning en advies op het gebied van koop, lease en beheer van politievoertuigen aan korpsen en diensten van rijkspolitie bij de uitvoering van hun operationele taak

    Bron: Beschikking opheffing Politietechnische Dienst en instelling Adviescentrum Wagenparkbeheer Politie (Stcrt. 1990, 202)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V 7 jaar

    430.

    Handeling: het verlenen van ondersteuning aan de Nederlandse politie door het opleiden, africhten en beschikbaarstellen van politieruiters en -paarden, alsmede speurhondengeleiders en speurhonden

    Bron: – Politie-almanak 1993, p. A 82 en A 100

    – Beschikking Rijksspeurhonden (APB 1949, nr. 14)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V 7 jaar

    432.

    Handeling: het aanwijzen van andere meetmiddelen dan snelheidscontrolemeters, remvertragingsmeters en wiellastmeters

    Grondslag: art. 2d Beschikking Verkeersmeetmiddelen Politie (Stcrt. 1976, 79)

    Periode: 1976–1993

    Waardering: V 7 jaar

    7.1.3 Taak & Bevoegdheden

    434.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 30.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 141)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B1

    435.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee

    Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B1

    437.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de samenwerking tussen de politie en zij die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering of ingevolge andere wetten tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn

    Grondslag: art. 30a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B1

    439.

    Handeling: het verstrekken van een opdracht aan personeel van de gemeentepolitie tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, tot het betekenen van gerechtelijke stukken en tot de dienst bij de gerechten

    Grondslag: art. 8.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: V 10 jaar

    441.

    Handeling: het vervoeren van gedetineerden, het betekenen en executeren van gerechtelijke stukken en het handhaven van de orde tijdens gerechtszittingen

    Grondslag: – art. 8.1 Politiebesluit 1945 (Stb. F 250)

    – art. 31.1 Politiewet 1957 (Stb. 250)

    Bron: Taakbeschikking parketpolitie (Stcrt. 1985, 170)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V 10 jaar

    442.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke ambtenaren van gemeentepolitie, na verkregen toestemming van de burgemeester, regelmatig kunnen worden belast met het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, met het betekenen van gerechtelijke stukken en met de dienst bij de gerechten

    Grondslag: art 31.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    443.

    Handeling: het (laten) verstrekken aan ambtenaren van rijkspolitie van opdrachten ter uitvoering van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie is belast

    Grondslag: art 31.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V 7 jaar

    444.

    Handeling: het aanwijzen van organen die samen met de Koninklijke marechaussee moeten waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis

    Grondslag: – art. 32.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    – art. 1.1 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: B4

    445.

    Handeling: het bewaken van de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis

    Grondslag: – art. 32.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    – art. 1.1 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    – KB van 12 januari 1966 betreffende de organisatie van de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis (Stb. 1966, 21; gewijzigd Stb. 1983, 521)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V 5 jaar

    448.

    Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen

    Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: B4

    450.

    Handeling: het uitvoeren van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie, op verboden plaatsen die ingevolge de wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging als zodanig zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van de Minister-president

    Grondslag: – art. 32.1d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1e bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.2 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    451.

    Handeling: het aanwijzen van doorlaatposten die in het kader van de grensbewaking door de Koninklijke marechaussee worden bediend

    Grondslag: – art. 32.1e Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1f bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.3 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V10 jaar

    452.

    Handeling: het geven van opdracht aan de Koninklijke marechaussee tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse bank NV

    Grondslag: – art. 32.1f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1g bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.8 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals bijgevoegd bij besluit van 12 september 1968 (Stb. 470)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    453.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen terroristische aanslagen voor zover het de uitoefening van de politietaak betreft op Schiphol en andere aangewezen luchtvaartterreinen

    Grondslag: art. 32.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: B5

    454.

    Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de rijkspolitie tot het verrichten van taken in gemeenten met gemeentepolitie ter uitvoering van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie belast is

    Grondslag: art. 9 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250) en art. 33.2e-f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1945–1980

    Waardering: V 10 jaar

    455.

    Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van wegen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer

    Grondslag: art. 33.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1969

    Waardering: V 10 jaar

    456.

    Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van vaarwateren of luchtvaartterreinen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden

    Grondslag: art. 33.2h Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1958–1980

    Waardering: V 10 jaar

    457.

    Handeling: het aanwijzen van wegen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld

    Grondslag: art. 34.2f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1969

    Waardering: V 10 jaar

    458.

    Handeling: het aanwijzen van vaarwateren of luchtvaartterreinen of gebiedsdelen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld

    Grondslag: art. 34.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1958–1980

    Waardering: V 10 jaar

    461.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie

    Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V 10 jaar

    7.1.3.1 Samenwerking

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 29, 30, 32 (nieuw), 33, 34 en 50 Politiewet

    463.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels voor de samenwerking tussen politiekorpsen op de afzonderlijke taakgebieden

    Grondslag: art. 2 Basisregeling Regionale Samenwerking Politie (Stcrt. 244, 1979)

    Periode: 1979–1993

    Waardering: B5

    646.

    Handeling: het (mede-) voorbereiden en doen uitvoeren van acties t.b.v. opsporing, het beëindigen en voorkomen van terrorisme en het herstel van de orde na een terroristische actie.

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B6

    465.

    Handeling: het bepalen van het aantal ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie dat is belast met de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het aanwijzen van een groepsleider

    Grondslag: art. 2.1 en 2.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1980

    Waardering: B5

    466.

    Handeling: Het vaststellen van de sterkte en de formatie de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst.

    Grondslag: art. 2.2 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981)

    Periode: 1981–1993

    Waardering: B5

    468.

    Handeling: het treffen van voorzieningen voor de inrichting, uitrusting, functioneren en huisvesting van een groep gericht op de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: art. 3 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1980

    Waardering: V, 10 jaar

    469.

    Handeling: het instellen van een Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het benoemen van de leden

    Grondslag: – art. 4.1 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    – art. 15.2 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981), vervallen bij beschikking van 16 november 1989 (Stcrt. 229, 1989)

    Periode: 1976–1989

    Waardering: B4

    471.

    Handeling: het instellen van een Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: art. 4.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1981

    Waardering: B4

    473.

    Handeling: het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen Informatiedienst]

    Grondslag: artt. 10-12 CID-regeling (Stcrt.1986, 141)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: B5

    474.

    Vervallen (verplaatst naar het BSD Justitiele documentatie)

    475.

    Handeling: het instellen van een begeleidingscommissie CID

    Grondslag: art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: B4

    7.1.3.2 Misdaadvoorkoming

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 11 en 30 Politiewet

    478.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke bij de gemeentelijke politiekorpsen en de districten van het korps rijkspolitie één of meer ambtenaren belast zijn met misdaadpreventie

    Grondslag: art. 1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    479.

    Handeling: het geven van aanwijzingen voor de totstandkoming van de regionale bureaus voor misdaadvoorkoming alsmede omtrent aanstellingseisen, sterkte en rangindeling van personeel dat hiervoor boven de organieke sterkte wordt toegekend

    Grondslag: art. 2.3 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    480.

    Handeling: het geven van aanwijzingen volgens aan het hoofd van de afdeling voorkoming criminaliteit van het Ministerie van justitie in zijn hoedanigheid Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

    Grondslag: art. 6.1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    482.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent de aanwijzing van een plaatsvervangend Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

    Grondslag: art. 6.1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    483

    Handeling: het coördineren van de regionale bureaus voor misdaadvoorkoming

    Grondslag: art. 6.1 en 7 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    7.1.3.3 Handelingen om de orde strafrechtelijk te handhaven

    Wetboek van strafvordering

    487.

    Handeling: het bepalen van de gevallen waarin de (onder)officieren van de Koninklijke Marechaussee en de door de Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen andere militairen van dat wapen, met de opsporing van strafbare feiten zijn belast

    Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    488

    Handeling: het aanwijzen van andere militairen van de Koninklijke Marechaussee dan (onder)officieren om strafbare feiten op te sporen in door de Ministers van Justitie en van Defensie te bepalen gevallen

    Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Product: – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)

    – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren politie en marechaussee 1982 (Stcrt. 1981, 251)

    Waardering: V 10 jaar

    489.

    Handeling: het aanwijzen om strafbare feiten op te sporen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie die, binnen het raam van de sterkte en rangindeling zijn aangesteld om uitsluitend technisch of administratief werkzaam te zijn

    Grondslag: art. 141.7 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1961–1994

    Waardering: V 10 jaar

    490.

    Handeling: het aanstellen van een vervanger van een commissaris van (gemeente)politie bij diens verhindering of ontstentenis

    Grondslag: art. 145.1 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Waardering: V 7 jaar

    494.

    Handeling: het aanwijzen van onderofficieren van de Koninklijke Marechaussee en ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie tot hulpofficier van Justitie

    Grondslag: art. 154.6, 154.7 en 154.8 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Product: – KB van 12 mei 1945, houdende uitbreiding van het aantal hulpofficieren van justitie (Stb. 1945, F 72), ingetrokken bij Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)

    – Aanwijzingsbeschikking hulpofficieren van Justitie, politie en marechaussee 1983 (Stcrt. 1983, 103)

    Waardering: V 10 jaar

    496.

    Handeling: het anders bepalen dan dat de door hulpofficieren van Justitie en opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal aan de officier van Justitie worden gezonden

    Grondslag: art. 156 en 157 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Waardering: V 7 jaar

    Wetboek van strafrecht

    497.

    Handeling: het voordragen tot amvb’s waarin:

    – de bevoegdheid wordt verleend aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren om in aangewezen zaken voor de aanvang van de terechtzitting af te spreken dat de verdachte een geldsom (geldboete) betaalt ter voorkoming van strafvervolging

    – voorschriften worden gegeven met betrekking tot (intrekking) van de aanwijzing van opsporingsambtenaren met dergelijke bevoegdheid en met betrekking tot de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken

    – voorschriften worden gegeven inzake de verantwoording van de betaalde geldbedragen

    Grondslag: art. 74bis Wetboek van strafrecht, ingevoegd bij wet van 9 januari 1958 (Stb. 1958, 7)

    Periode: 1959–1993

    Product: – Besluit transactie in handen der politie 1959 (Stb. 1959, 127)

    – Besluit politietransactie (Stb. 1978, 192)

    – Besluit transactie in handen van opsporingsambtenaren der Koninklijke marechaussee (Stb. 1962, 204)

    – Besluit transactie Koninklijke marechaussee (Stb. 1978, 193)

    Waardering: B5

    7.1.3.4 Bijzondere bepalingen betreffende de taak & bevoegdheden ten aanzien van het verkeer

    (art. 34a PW)

    499.

    Handeling: het vaststellen van nadere regelingen voor de vervulling van de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer

    Grondslag: art. 34b sub a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734) en gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1969–1993

    Product: Regeling (taakuitoefening Rijkspolitie en) samenwerking Rijkspolitie en gemeentelijke politiekorpsen (Stcrt. 1976, 227), (Stcrt. 1978, 239) (Stcrt. 1980, 68)

    Waardering: V 10 jaar

    500.

    Handeling: het bepalen dat de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer mede wordt vervuld door de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie

    Grondslag: art. 34b sub b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 10 jaar

    501.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen met betrekking tot de taak van de politie ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer

    Grondslag: art. 34c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    502.

    Handeling: het overleggen met de betrokken Commissarissen van de Koningin en met de Procureurs-generaal, alvorens verkeersvoorzieningen te treffen

    Grondslag: art. 34d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 10 jaar

    503.

    Handeling: het vaststellen van een verkeersregeling voor daartoe aan te wijzen wegen, voor dagen waarop de toestand van het verkeer in meer dan een provincie daartoe aanleiding geeft

    Grondslag: art. 34e sub 1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 10 jaar

    504.

    Handeling: het doen van mededeling van een vastgestelde verkeersregeling aan de betrokken Commissarissen van de Koningin en de Procureurs-generaal

    Grondslag: art. 34e sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 7 jaar

    506.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over berichtgeving en alarmering in het kader van de verkeerstaak van de politie

    Grondslag: art. 34g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 10 jaar

    507.

    Handeling: het instellen van adviescommissies voor zaken van verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B4

    509.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van voorzitters en leden van de adviescommissies verkeerstoezicht en het voorzien in het secretariaat

    Grondslag: art. 34i.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    510.

    Handeling: het voorbereiden van het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B5

    7.1.4 Gezag over de Politie

    art. 35-43 PW

    514.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van wettelijke voorschriften waarvan de uitvoering ligt op het terrein van de handhaving van de openbare orde en rust en waarmee de burgemeester niet is belast.

    Grondslag: art. 15.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B1

    516.

    Handeling: het instemmen met de door de Minister van Binnenlandse Zaken vast te stellen bijstandsinstructie voor de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 38 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1958–1988

    Waardering: V 10 jaar

    517.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor het korps rijkspolitie

    Grondslag: art. 39.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1958–1988

    Waardering: B5

    518.

    Handeling: het uitvoeren van instructies voor het korps rijkspolitie

    Grondslag: – Beschikking Instructie Territoriaal Inspecteur van het Korps Rijkspolitie van 2 februari 1961, Nr. 81S561

    – Beschikking Instructie Korps Rijkspolitie (IKR), (Stcrt. 1966, 51)

    – Beschikking Instructie voor de onbezoldigde ambtenaren van het Korps Rijkspolitie van 16 oktober 1958, Nr. 5 P 3160 en van 23 januari 1960, nr. 1376 S 559

    – Beschikking Instructie voor de Vrijwilligers van de Reserve-Rijkspolitie (Stcrt. 1966, 98)

    – Beschikking Instructie voor de bijzondere ambtenaren van Rijkspolitie (Stcrt. 1966, 110)

    – Beschikking Instructie technische en administratieve ambtenaren Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1982, 1)

    Periode: 1958–1988

    Waardering: V 10 jaar

    7.1.5 Verlenen van Bijstand

    (art. 44-50a PW)

    7.1.5.1 Bijstand van rijkspolitie

    525.

    Handeling: het vaststellen van de inzet van rijkspolitiepersoneel uit meerdere provincies in het kader van bijstandsverlening

    Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    526.

    Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal tot het beschikbaar doen stellen van Rijkspolitiepersoneel indien de Procureur-Generaal in het betreffende ambtsgebied het niet mogelijk acht om met het daar beschikbare rijkspolitiepersoneel aan een aanvraag om bijstand te voldoen

    Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    7.1.5.2 Bijstand van gemeentepolitie bij de handhaving van de openbare orde

    530.

    Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie

    Grondslag: art. 44.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    532.

    Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Grondslag: art. 50.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    toelichting hiertoe:

    vraagt de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie bij de Minister van Justitie bijstandsverlening door gemeentelijk politiepersoneel van buiten zijn ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen voeren de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken overleg over de aanvraag van bijstandsverlening en wordt na dit overleg de opdracht versterkt de commissaris van de Koningin wordt daarna door de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie medegedeeld dat personeel van de gemeentepolitie beschikbaar gesteld zal worden voor het verlenen van bijstand buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    533.

    Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Grondslag: art. 50.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    7.1.5.3 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde

    539.

    Handeling: het bepalen dat in geval van oorlog of buitengewone omstandigheden de artikelen omtrent bijstandsverlening geheel of gedeeltelijk buiten werking treden

    Grondslag: art. 48a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 4 februari 1988 (Stb. 21)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: B5

    540.

    Handeling: het treffen van voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie in gebieden waarin de bijstandsregeling buiten werking is gesteld

    Grondslag: art. 48a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 16 juli 1964 (Stb. 338)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: B5

    7.1.5.4 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de rechtsorde

    545.

    Handeling: het bepalen op welke wijze in bijzondere gevallen door de Koninklijke Marechaussee bijstand wordt verleend voor de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Grondslag: art. 50a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Product: – Beschikking Opsporingsbijstand Marechaussee (Stcrt. 1989, 222)

    – Beschikking Bijstand Koninklijke Marechaussee aan Gemeentepolitie ’s-Gravenhage en Amsterdam (Stcrt. 1989, 222)

    Waardering: B5

    7.1.6 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie

    (art 51-54 PW)

    551.

    Handeling: het bepalen dat het ressort waarbinnen de Procureur-Generaal als Directeur van Politie fungeert, afwijkt van het rechtsgebied van het gerechtshof waartoe hij behoort

    Grondslag: art. 11.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    552.

    Handeling: het aanwijzen van een functionaris die de Procureur-Generaal als Directeur-Generaal van Politie bij verhindering of ontstentenis vervangt

    Grondslag: art. 11.5 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    7.1.7 Selectie en Onderwijs

    (art. 65-79 PW)

    556.

    Handeling: het voordragen tot wetten over de landelijke werving, de selectie en het onderwijs van politiepersoneel

    Grondslag: – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984-1985, 18 874)

    – 1991/2: TK 1988-1989, 1989–1990, 1991-1992, 21 013; EK1991-1992, 21 013

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    559.

    Handeling: het aanwijzen van andere door het LSOP te verzorgen opleidingen dan de basisopleiding

    Grondslag: art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    562.

    Handeling: het aan het LSOP het beheer opdragen van andere instellingen voor opleidingen

    Grondslag: art. 66.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B 5

    563.

    Handeling: het aanwijzen van andere categorieën van personen dan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie waarvoor het LSOP opleidingen moet verzorgen

    Grondslag: art. 67b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B 5

    564.

    Handeling: het, met betrekking tot de aan te wijzen categorieën van personen, bepalen dat het LSOP de selectie of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) verzorgt

    Grondslag: art. 68.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B 5

    566.

    Handeling: het bepalen van de duur en de eindtermen van de opleiding aan het LSOP voor aan te wijzen categorieën van personen of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 68.2 en 75.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    568.

    Handeling: het voordragen tot benoeming of ontslag bij KB van een lid van de Bestuursraad LSOP

    Grondslag: art. 70.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag

    574.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van leden van de directie van het LSOP en van directeuren van de opleidingsinstellingen

    Grondslag: art. 74.2 en 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 7 jaar

    578.

    Handeling: het plaatsen van een ambtenaar van rijkspolitie bij het LSOP

    Grondslag: art. 74.5 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag

    579.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor het personeel van het LSOP over onderwerpen genoemd in artikel 125.1 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 74.6 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    580.

    Handeling: het uitvoeren van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Grondslag: Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 7 jaar

    583.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering en over de behandeling van verzoeken van ambtenaren die bezwaar hebben tegen de bepaling van aard en niveau van hun functie, om een waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen

    Grondslag: art. 3.3 en 4.2 Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    584.

    Handeling: het uitvoeren van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Grondslag: Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 7 jaar

    585.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Grondslag: Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 7 jaar

    587.

    Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 66.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 75.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    588.

    Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 68.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 75.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B1

    592.

    Handeling: het goedkeuren van de begroting en de jaarrekening van het LSOP

    Grondslag: art. 76.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: Jaarrekening en begroting: B 5

    Overige neerslag: V 7 jaar

    593.

    Handeling: het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop de begroting, de rekening en de verantwoording zijn ingericht en de termijnen waarbinnen deze worden ingezonden

    Grondslag: art. 76.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    594.

    Handeling: het zorgdragen voor de inspectie van de opleidingen die door het LSOP verzorgd worden en het geven van aanwijzingen aan de bestuursraad

    Grondslag: art. 77 en 79 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    595.

    Handeling: het zenden van een evaluatie van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs voor de politie aan de Staten-Generaal

    Grondslag: art. IV.II politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B2

    7.1.8 Reorganisatie

    Handelingen ingevolge Wet Tijdelijke Voorzieningen Reorganisatie Politiebestel

    596.

    Handeling: het instellen van de Stuurgroep reorganisatie van het politiebestel

    Bron: art. 1 Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52) (Stcrt. 1991, 168

    Periode: 1990–1993

    Product: Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52) (Stcrt. 1991, 168)

    Waardering: B4

    647.

    Handeling: Het oprichten van de KLPD

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Onder deze handeling valt ook de voorbereiding van de oprichting.

    Waardering: B4

    600.

    Handeling: het goedkeuren van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD

    Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    605.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake zijn beslissing over een verschil van zienswijze in het regionaal overlegorgaan over het treffen van voorzieningen voor het beheer van de gemeentepolitie in het kader van de integratie

    Grondslag: art. 6.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 5 jaar

    606.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een (hoofd)commissaris van gemeentepolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie

    Grondslag: art. 7 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    607.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een districtscommandant van het Korps Rijkspolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie

    Grondslag: art. 7 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B4

    610.

    Handeling: het beslissen op een verzoek van de burgemeester in de regio om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 9.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    613.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel

    Grondslag: art. 11.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 7 jaar

    615.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de voordracht tot het bij amvb vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel

    Grondslag: art. 11.3 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 5 jaar

    618.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een ambtenaar van gemeente- of rijkspolitie om de Minister van Justitie bij te staan bij de voorbereiding van de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 14 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

    Waardering: V 5 jaar na aanwijzing (zie opmerking)

    620.

    Handeling: het in verband met de integratie van politie en de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor de betrokken personeelsleden terzake van:

    a. de wijze waarop het personeel wordt geplaatst

    b. flankerend beleid

    c. georganiseerd overleg

    d. medezeggenschap

    Grondslag: art. 15.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Product: – Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 675)

    – Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie (Stb. 1992, 440)

    Opmerking: - Het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie had tot doel te bewerkstelligen dat in verband met de reorganisatie zoveel mogelijk uniforme regels zouden bestaan voor de plaatsing van personeel in de politieregio’s en het KLPD. Zie voor de handelingen die uit dit besluit voortvloeien de handelingen 457 en 458 in Handelen met de sterke arm, deel 2 op bladzijde 185.

    – Zie voor de handelingen die uit het Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.2

    Waardering: B5

    7.1.8.1 Handelingen ingevolge het Besluit Vergoeding Reorganisatiekosten Politie

    (art. 11 WTVRP)

    622.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de verlenging van de periode waarin de politieregio’s een vergoeding van de reorganisatiekosten wordt toegekend

    Grondslag: art. 2.3 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    623.

    Handeling: het goedkeuren van een regionaal projectplan ten behoeve van de feitelijke integratie van de politie

    Grondslag: art. 3.3 en 3.4 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: Projectplan: B5

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    625.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het geven van regels over de indieningstermijn en inrichting van het regionale projectplan

    Grondslag: art. 3.6 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    627.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bijstellen van de raming van de rijksbijdrage in de reorganisatiekosten

    Grondslag: art. 4.3 en 4.4 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    629.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het vaststellen van een meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente

    Grondslag: art. 5.1 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    631.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bijstellen van de meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente binnen de grenzen van de raming van de rijksbijdrage

    Grondslag: art. 5.3 en 5.4 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    636.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het stellen van regels over de inrichting van informatie over de voortgang van de feitelijke integratie van de politie en de realisatie van de activiteiten

    Grondslag: art. 10.4 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V 7 jaar

    7.1.8.2 Handelingen ingevolge het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel

    (art. 15 WTVRP)

    637.

    Handeling: het voeren van overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie

    Grondslag: art. 2.1 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    639.

    Handeling: het voeren van overleg met de Commissie KLD over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie, uitsluitend het KLD betreffen en die bovendien niet ontleend zijn aan het overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd overleg

    Grondslag: art. 2.3 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    641.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Grondslag: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    7.2 Actor: Procureur-Generaal

    32.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent het plaatsen van ambtenaren van gemeentepolitie bij onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen

    Grondslag: art. 5.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: Ministeriële beschikking

    Waardering: V, 5 jaar

    70.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over het bepalen van de standplaats van de ambtenaren van Rijksrecherche, ingedeeld bij de parketten van de procureurs-generaal

    Grondslag: – art. 6.2 Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)

    – art. 4.2 Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)

    – art. 4.1 Organisatiebeschikking rijksrecherche 1974

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    92.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over de bepaling van de grenzen van districten van rijkspolitie

    Grondslag: art. 16.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    96.

    Handeling: het samen met de Commissaris van de Koningin vaststellen van de minimumsterkte van de groep als bedoeld in art. 13 Politiewet 1957

    Grondslag: art. 19.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B4

    104.

    Handeling: het instemmen met de aanwijzing van een groeps- of postcommandant als bedoeld in artikel 13 Politiewet 1957

    Grondslag: art. 21.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    204.

    Handeling: het zo mogelijk overleggen met de Commissaris van de Koningin inzake diens voordracht tot het oproepen van vrijwilligers van gemeente- of rijkspolitie

    Grondslag: art. 2.5 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    433.

    Handeling: het bevorderen van samenwerking tussen personeel van verschillende korpsen bij gezamenlijk optreden anders dan tot handhaving van de openbare orde en rust

    Grondslag: art. 11.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B4

    454.

    Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de rijkspolitie tot het verrichten van taken in gemeenten met gemeentepolitie ter uitvoering van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie belast is

    Grondslag: art. 9 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250) en art. 33.2e-f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1945–1980

    Waardering: B4

    486.

    Handeling: het geven van bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten voor de juiste opsporing van strafbare feiten waarvan de rechtbanken of de kantongerechten kennis nemen

    Grondslag: art. 140 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    498.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen over de wijze waarop daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren gebruik mogen maken van hun bevoegdheid om in aangewezen zaken voor de aanvang van de terechtzitting af te spreken dat de verdachte een bepaalde geldsom (geldboete) betaalt ter voorkoming van strafvervolging

    Grondslag: art. 74bis Wetboek van strafrecht, ingevoegd bij wet van 9 januari 1958 (Stb. 1958, 7)

    Periode: 1959–1993

    Waardering: B5

    505.

    Handeling: het overleggen en indien nodig overeenstemmen met de Commissaris van de Koningin inzake een door de commissaris vast te stellen verkeersregeling

    Grondslag: art. 34f sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V 5 jaar

    512.

    Handeling: het adviseren van de burgemeester bij het vaststellen van de instructie voor de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 37 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1957–1988

    Waardering: V, 10 jaar

    523.

    Handeling: het bepalen van de sterkte en de soort rijkspolitiepersoneel dat bijstand verleent aan gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 15.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    524.

    Handeling: het verstrekken van een opdracht aan de districtscommandant tot het beschikbaarstellen van Rijkspolitiepersoneel in het kader van bijstandsverlening

    Grondslag: art. 44.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    toelichting de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie overlegt met de commissaris van de Koningin over het ter beschikking stellen van rijkspolitiepersoneel om bijstand te verlenen aan de gemeentepolitie en licht de Minister van Justitie in wanneer hij het niet mogelijk acht om met het in zijn ambtsgebied beschikbare rijkspolitiepersoneel aan een aanvraag om bijstand te voldoen

    Waardering: B5

    7.3 Actor: (Hoofd)officier van Justitie

    7.3.1 Handelingen Rijkspolitie

    68.

    Handeling: het verrichten van onderzoek of het verlenen van bijstand in opdracht van:

    – het Hoofd de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

    – Procureur-Generaal, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij het parket van de procureur-generaal

    – Directeur Politie, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 10.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 2444)

    Bron: – Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)

    – Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)

    – Organisatiebeschikking rijksrecherche 1974

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Bepaalde onderzoeken zijn van bijzonder belang en kunnen op basis van artikel 5e van de Archiefwet worden uitgezonderd van vernietiging (zie ook de selectiecriteria)

    Waardering: V, 15 jaar

    78.

    Handeling: het systematisch verzamelen, registreren, beheren, analyseren en verstrekken van alle gegevens met betrekking tot strafbare feiten aangaande het geld- en waardenverkeer

    Bron: – Instellingsbeschikking Recherchedienst Betalingsverkeer (Stcrt. 1989, 222)

    – Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 15 jaar

    79.

    Handeling: het opzetten en beheren van nationale en internationale opsporingsondersteunende systemen

    Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 15 jaar

    82.

    Handeling: het handhaven van wet- en regelgeving op autosnelwegen door middel van ondersteunen van verkeersgeleiding, verkeerstoezicht, berichtgeving en alarmering

    Grondslag: art. 14a Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)

    Bron: Taakbeschikking Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie (Stcrt. 1969, 2)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    83.

    Handeling: het handhaven van wet- en regelgeving op vaarwateren, doorgaande vaarwegen en de Noordzee

    Grondslag: art. 14b Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)

    Bron: – Beschikking organisatie Rijkspolitie te water 1970 (29 januari 1971, nr. 87 S 571) en 1974 (Stcrt. 1974, 128)

    – Taakbeschikking Dienst Rijkspolitie te water (Stcrt. 1991, 8)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    84.

    Handeling: het opsporen van luchtvaartdelicten en delicten die met luchtvaartuigen worden begaan

    Grondslag: art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)

    Bron: art. 2–4 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5: neerslag die aanleiding heeft gevormd voor een proces

    Overige neerslag: V 10 jaar

    85.

    Handeling: het verlenen van bijstand en medewerking aan andere overheidsorganen, in de vorm van luchtverkenning en luchtfotografie, ten behoeve van verkeersregeling en -geleiding, van opsporing van strafbare feiten en van hulpverlening

    Grondslag: – art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)

    – art. 5 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 15 jaar

    86.

    Handeling: het verrichten van onderzoek bij ongevallen in de luchtvaart

    Grondslag: – art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)

    – art. 6 en 7 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213

    Periode: 1945–1993

    Waardering: Eindrapport: B5

    Overig: V, 10 jaar

    446.

    Handeling: het uitvoeren van de politietaken voor de Nederlandse en andere strijdkrachten, voor internationale militaire hoofdkwartieren, en voor tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen

    Grondslag: – art. 32.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    – art. 1.2 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals gewijzigd bij Besluit van 9 juni 1969 (Stb. 1967, 320) en bij besluit van 16 maart 1983 (Stb. 125) en art. 1.2a, zoals bijgevoegd bij besluit van 16 maart 1983 (Stb. 125)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: B5: neerslag betreffende uitgezonden militairen

    Overige neerslag: V, 15 jaar

    450.

    Handeling: het uitvoeren van politietaken op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie, op verboden plaatsen die ingevolge de wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging als zodanig zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van de Minister-president

    Grondslag: – art. 32.1d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1e bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.2 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    459.

    Handeling: het geven van een opdracht of toestemming aan een politieambtenaar om op te treden buiten zijn gebied van aanstelling

    Grondslag: art. 32.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297) en vernummerd tot art. 33.2 bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 1988, 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    460.

    Handeling: het bepalen dat verdachten of veroordeelden aan hun lichaam zullen worden onderzocht

    Grondslag: art 33a.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    491.

    Handeling: het geven van bevelen aan personen die binnen zijn rechtsgebied met de opsporing van strafbare feiten zijn belast

    Grondslag: art. 148.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Waardering: V, 10 jaar

    492.

    Handeling: het opstellen van een proces-verbaal van een strafbaar feit of van een verrichting tot opsporing

    Grondslag: art. 148.3, 152 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal

    493.

    Handeling: het opstellen van een verklaring op een proces-verbaal van beëdiging door een opsporingsambtenaar van het proces-verbaal van het door deze ambtenaar opgespoorde strafbare feit of van diens opsporingsverrichting

    Grondslag: art. 153.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1958–1994

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal

    513.

    Handeling: het leveren van een bijdrage aan het overleg met de burgemeester en de politiechefs ter plaatse (driehoeksoverleg) over:

    – de algemene beleidsbepaling ten aanzien van de voorkoming van strafbare feiten en andere verstoringen van de rechtsorde

    – het optreden van de politie voor zover dit gericht is op de handhaving van de openbare orde, de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de hulpverlening

    – over de taakuitvoering van de politie in het gebied van de gemeente indien daar aanleiding toe is

    Grondslag: art. 37 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B5

    520.

    Handeling: het voeren van overleg met de burgemeester over voorgenomen algemene aanwijzingen met betrekking tot het opsporingsbeleid, die de handhaving van de openbare orde raken

    Grondslag: art. 41 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1958–1988

    Waardering: B1

    542.

    Handeling: het vorderen van militaire bijstand bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde

    Grondslag: art. 146.2 Wetboek van Strafvordering

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V 10 jaar

    602.

    Handeling: het in overleg met de burgemeesters in de politieregio aanwijzen van een burgemeester als plaatsvervanger van de burgemeester die is belast met de feitelijk integratie van de politiekorpsen in de regio

    Grondslag: art. 3 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 5 jaar na aanwijzing

    603.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de burgemeester die is belast met de integratie van politie binnen zijn regio

    Grondslag: art. 4.2 en 5 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 5 jaar na aanwijzing

    609.

    Handeling: het overeenstemmen met de burgemeester inzake een verzoek aan de Minister van Justitie om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 9.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    616.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het regionaal overlegorgaan in de politieregio

    Grondslag: art. 12 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B 5

    7.4 Actor: hulpofficier van Justitie

    493.

    Handeling: het opstellen van een verklaring op een proces-verbaal van beëdiging door een opsporingsambtenaar van het proces-verbaal van het door deze ambtenaar opgespoorde strafbare feit of van diens opsporingsverrichting

    Grondslag: art. 153.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1958–1994

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal

    7.5 Actor: Raad voor het KLPD in oprichting

    598.

    Handeling: het adviseren van:

    – de Minister van Justitie over het beheer van het in oprichting zijnde KLPD

    – de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taken en de taakvervulling van het in oprichting zijnde KLPD

    Grondslag: art. 2 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B1

    599.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD

    Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    7.6 Actor: Adviescommissies verkeerstoezicht

    508.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken met betrekking tot bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B1

    7.7 Actor: Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst

    80.

    Handeling: het houden van toezicht op de CRI

    Grondslag: art. 2 Beschikking instelling voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)

    Periode: 1989–

    Waardering: B3

    81.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Minister van Justitie over de wijze waarop de CRI zijn taak verricht

    Grondslag: art. 2 Beschikking instelling voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)

    Periode: 1989–

    Waardering: B1

    7.8 Actor: Commissie politiewetgeving (commissie Langemeyer)

    2.

    Handeling: het evalueren van de politiewetgeving

    Grondslag: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

    Periode: 1948

    Waardering: B2

    Samenwerking

    7.9 Actor: Begeleidingscommissie samenwerking politie

    464.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen en het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen

    Grondslag: art. 2 beschikking Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, respectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)

    Periode: 1978–1993

    Waardering: B1

    7.10 Actor: Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    470.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken omtrent nadere voorzieningen ten aanzien van de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie bij het opsporen van georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: – Instellingsbeschikking Minister van Justitie 6 september 1976/Nr R 70/26 en Minister van Binnenlandse Zaken 31 augustus 1976/Nr U 14418 (Stcrt. 210, 1976)

    – art. 15.1 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981), vervallen bij beschikking van 16 november 1989 (Stcrt. 229, 1989)

    Periode: 1976–1989

    Waardering: B1

    7.11 Actor: Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    472.

    Handeling: het adviseren van de landelijk officier van justitie die leiding geeft aan de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: – Instellingsbeschikking Minister van Justitie 14 juli 1976/Nr R 70/26 en Minister van Binnenlandse Zaken 28 juni 1976/Nr U 14172 (Stcrt. 140, 1976)

    – art. 16 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981)

    Periode: 1976–1993

    Waardering: B1

    7.12 Actor: Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

    484.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het te voeren beleid inzake misdaadvoorkoming

    Grondslag: – art. 8 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    – art. 2 Beschikking instelling Centrale Commissie Misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    7.13 Actor: Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit

    485.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het treffen maatregelen op het gebied van de voorkoming van criminaliteit

    Grondslag: art. 2 Beschikking instelling Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit (Stcrt. 1980 ,4)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    7.14 Actor: Begeleidingscommissie CID

    476.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken inzake de landelijke politiële samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen

    Grondslag: – art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141)

    – Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie CID d.d. 28 augustus 1987, nr. 1017/587

    Periode: 1987–1990

    Waardering: B1

    7.15 Actor: Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID

    477.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de herverdeling van het RCID-budget

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID d.d. 28 augustus 1990, (Stcrt. 1990, 243)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: B5

    Kleding

    7.16 Actor: Politiekledingcommissie

    423.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie over het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten

    Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Periode: 1977–1993

    Waardering: B4

    424.

    Handeling: het houden van toezicht op het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten

    Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Periode: 1977–1993

    Waardering: B5: jaarverslagen

    V, 10 jaar: overig

    Geneeskundige verzorging

    7.17 Actor: Commissie Geneeskundige Verzorging Politie

    224.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de bepaling van groepen ambtenaren of arbeidscontractanten op wie het besluit geneeskundige verzorging politie van toepassing is

    Grondslag: – art. 2.2 en 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1971–1993

    Waardering: B5

    227.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft.

    Grondslag: art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1984–1993

    Waardering: V 5 jaar

    235.

    Handeling: het beheren van de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

    Grondslag: – art. 9.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 1.2 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B5: de notulen en de begrotingen, jaarverslagen en de jaarrekeningen van de Commissie

    V, 10 jaar: overig

    236.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de geneeskundige verzorging van de politie

    Grondslag: – art. 9.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 1.2 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B1

    239.

    Handeling: het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter en een secretaris

    Grondslag: – art. 9.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 11.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 6 of 7 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1979–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    240.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming, schorsing en ontslag van adviseurs of medewerkers en de administrateur van de commissie GVP

    Grondslag: – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9.3 en 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.4 en 12 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1984

    Waardering: V, 10 jaar

    241.

    Handeling: het afwikkelen van de opheffing per 1 april 1946 van het Nederlands Politieziekenfonds en van de opheffing per 1 januari 1949 van het Fonds Geneeskundige Verzorging.

    Grondslag: art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    Periode: 1949–1951

    Waardering: B4: opheffingsbesluit

    Overig: V, 10 jaar na opheffing

    242.

    Handeling: het doen van een voorstel aan de Minister van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer

    Grondslag: – art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 7.3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    245.

    Handeling: het doen van een voorstel aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer moet bedragen

    Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    248.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP dient te worden afgedragen

    Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    250.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is

    Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    253.

    Handeling: het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen

    Grondslag: art. 10a.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555) en vervallen bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    Periode: 1975–1980

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil

    7.18 Actor: Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie

    254.

    Handeling: het beslissen over geschillen tussen de deelnemer en de commissie GVP inzake de toepassing van de uitvoeringsregelen

    Grondslag: – art. 10a Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 13 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil

    Georganiseerd overleg

    7.19 Actor: Commissie Georganiseerd Overleg Politie

    282.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming van de secretaris van de Commissie GOP

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    288.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    292.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd

    Grondslag: – art. 7.1 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.1 en 7.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 2.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (BOM) (Stb. 1985,

    Periode: 1961–1993

    Waardering: B5: notulen

    V, 10 jaar: overig

    298.

    Handeling: het adviseren van de Centrale Commissie over alle onderwerpen die haar door deze zijn voorgelegd

    Grondslag: art. 7.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Waardering: B4

    308.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie

    Grondslag: art. 20 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    310.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 27.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 23.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1963–1985

    Waardering: V, 10 jaar

    318.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent het treffen van voorzieningen voor het functioneren van een dienstcommissie, voordat het reglement van een dienstcommissie in werking treedt

    Grondslag: art. 43 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B4

    323.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: V, 10 jaar

    648.

    Handeling: het voorbereiden van besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar,

    nclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid;

    het leveren van bijdragen aan het overleg met de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken (CGOA) over nieuwe beleidsvoornemens voor politiepersoneelsaangelegenheden

    Grondslag: art. 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    649.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    650.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken over voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren

    Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V 5 jaar

    Actor: Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    324.

    Handeling: het behandelen van en adviseren over onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van rechtspositieregels ten aanzien van de rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan

    Grondslag: – art. 35.1 en 36 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 25 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    Periode: 1963–1985

    Waardering: V, 5 jaar

    7.20 Actor: College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    310.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 27.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 23.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V

    312.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over een voorgenomen onthouding van goedkeuring van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 24.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    314.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommissie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 25-28, 30.1, 31.2, 33.3, 38.5 en 74.10 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B5

    7.21 Actor: Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

    288.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    294.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

    Politie

    Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    7.22 Actor: Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

    638.

    Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie

    Grondslag: art. 2.1 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    Opleiding

    7.23 Actor: Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut (i.e. Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)

    359.

    Handeling: het voeren van het beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie

    tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)

    Grondslag: art. 2.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: B5: de notulen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen

    V, 7 jaar: overig

    380.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: art. 4 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    381.

    Handeling: het opstellen van jaarverslagen

    Grondslag: – art. 2.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 5.5, 11.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: B3

    383.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut en over toelating tot het volgende cursusjaar

    Grondslag: – art. 5.3, art. 9 of art. 11 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.1 en 19.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 7 jaar

    392.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    396.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    397.

    Handeling: het vaststellen van disciplinaire voorschriften

    Grondslag: – art. 8.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 11 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 5 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    Periode: 1963–1979

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    402.

    Handeling: het verwijderen van een leerling wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

    Grondslag: art. 8.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 7 jaar

    416.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    7.24 Actor: Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie

    360.

    Handeling: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden

    Grondslag: art. 3.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: B5: toezichtrapporten en jaarverslagen

    V, 10 jaar: overig

    362.

    Handeling: het desgevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 9.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: B5

    381.

    Handeling: het opstellen van jaarverslagen

    Grondslag: – art. 2.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 5.5, 11.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: B3

    383.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut en over toelating tot het volgende cursusjaar

    Grondslag: – art. 5.3, art. 9 of art. 11 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.1 en 19.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    390.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de benoeming of ontslag van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding

    Grondslag: art. 13.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    392.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    396.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 7 jaar

    397.

    Handeling: het vaststellen van disciplinaire voorschriften

    Grondslag: – art. 8.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 11 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 5 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    Periode: 1963–1979

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    409.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie

    Grondslag: art. 20.3c Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals gewijzigd Stcrt. 1967, 113)

    Periode: 1967–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    416.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1967

    Waardering: V, 10 jaar

    7.25 Actor: Commissie van Gecommitteerden

    413.

    Handeling: het houden van toezicht op het afnemen van de examens door de examencommissie

    Grondslag: – art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    – art. 23.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1967–1990

    Waardering: V, 5 jaar

    7.26 Actor: Redactieraad APB

    355.

    Handeling: het doen van voorstellen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de uitgaven van het APB

    Grondslag: art. 4.2 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    357.

    Handeling: het jaarlijks uitbrengen van verslag aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 11 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: Verslag: B3

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    Externe adviescommissies

    7.27 Actor: Adviescommissies

    618.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie en/of Binnenlandse Zaken over aspecten op het beleidsterrein politie

    Grondslag: instellingsbesluit

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    8 B: Actoren onder de zorg van de Minister van Binnenlandse zaken

    8.1 Handelingen Minister van Binnenlandse Zaken

    8.1.1 Algemene Handelingen

    8.1.1.1 Beleidsvorming en evaluatie

    1.

    Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: bijvoorbeeld: beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties.

    Waardering: B1

    2.

    Handeling: het evalueren van de politiewetgeving

    Grondslag: Onder meer: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

    Periode: 1945–1993

    toelichting in 1948 kreeg commissie Langemeyer opdracht de na de oorlog in werking getreden Politiewet te evalueren.

    In 1970 kreeg prof. J.M. Polak de aanstelling van regeringscommissaris voor herziening van de politiewetgeving. Zijn onderzoek mondde uit in de in 1972 aan de Tweede Kamer voorgelegde Nota van Vraagpunten.

    Product: Rapport Commissie Langemeyer (1949)

    Nota van vraagpunten (1972)

    Waardering: B2

    3.

    Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot het onderzoek naar sterkte, invulling van de politietaak en bedrijfsvoering.

    Grondslag: begrotingen

    Periode: 1945–1993

    toelichting commissies die zich met deze thema’s hebben bezig gehouden zijn onder meer:

    – Projectgroep Organisatie Structuren 1976-1979

    – Werkgroep Politie Budget (WPB) 1986-1987

    – Werkgroep Kwantitatieve Aspecten (WKA) 1986

    – Projectgroep Kwantificering Politiesterkte (PKP) 1986-1988

    Waardering: B4

    8.1.1.2 Totstandkoming wet- en regelgeving

    4.

    Handeling: het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B 1

    8.1.1.3 Verantwoording van beleid

    5.

    Handeling: het opstellen van periodieke verslagen inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

    Waardering: Verslagen: B3

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    6.

    Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: brieven, notities

    Waardering: B3

    7.

    Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B3

    8.

    Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    8.1.1.4 Internationaal beleid

    9.

    Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    8.1.1.5 Informatieverstrekking

    10.

    Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 3 jaar

    8.1.1.6 Onderzoek

    11

    Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B1

    Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    12.

    Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5: eindproduct

    Overige neerslag: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    8.1.1.7 Overleg met lagere overheden

    644.

    Handeling: Het voeren van (periodiek terugkerend) overleg met lagere overheden aangaande het beleidsterrein politie

    Periode: 1945–1993

    Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

    Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

    Waardering: B 1, 5

    8.1.1.8 Overleg met maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven

    645.

    Handeling: Het consulteren van maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven ten aanzien van onderwerpen op het beleidsterrein politie

    Periode: 1945–1993

    Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

    Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.

    Waardering: B5

    8.1.1.8 Overleg met maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven

    645.

    Handeling: Het consulteren van maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven ten aanzien van onderwerpen op het beleidsterrein politie

    Periode: 1945–1993

    Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

    Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.

    Waardering: B5

    8.1.2 Organisatie en Beheer

    8.1.2.1 Algemene Bepalingen

    13.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie

    Grondslag: art. 1b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Product: KB houdende aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie van 22 december 1945 (Stb. 1945, F 250) en nadere aanwijzingen

    Waardering: B5

    14.

    Handeling: het aanwijzen van burgerlijke of militaire korpsen of onderdelen daarvan, tot politie

    Grondslag: art. 1c Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Opmerking: Dit is alleen geschied voor de Koninklijke Marechaussee in de grenscorrectiegebieden Elten en Tüddern

    Waardering: B4

    15.

    Handeling: het vaststellen van het tijdstip van overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd

    Grondslag: art. 2.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 567)

    Periode: 1957–1968, 1974–1983, 1988–1993

    Opmerking: Van 1969 tot 1973 en van december 1983 tot december 1988 waren de wetten tot opschorting van de overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd van kracht (de zogenaamde Stopwetten in respectievelijk Stb. 1968, 733 en Stb. 1983, 640)

    Waardering: B4

    16.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenwerking indien bij de wet wordt bepaald dat in twee of meer gemeenten een gemeenschappelijk korps van gemeentepolitie is

    Grondslag: art. 2.5 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    17.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van, rechtspositie, tucht, benoembaarheidseisen, opleiding en onderricht, rangindeling, en overige personeelsaangelegenheden

    Grondslag: – art. 4.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 7.3 Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

    – art. 7.3 Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1945–1957

    Product: bijvoorbeeld:

    – Rangenbesluit politiepersoneel (Stb. 1946, G 339)

    – Politieambtenarenreglement (Stb. 1947, H 144)

    – Politietuchtreglement (Stb. 1947, H 145)

    – Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350).

    – Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143)

    – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

    – Besluit bekwaamheidseisen bevordering politieambtenaren (Stb. 1953, 551)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1956, 370)

    Opmerking: - Zie voor de handelingen op grond van de politiewet 1957 die aansluiten op deze handeling de paragrafen 3.2.2 en 3.2.4

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortgevloeid zijn de paragrafen 3.2.5 e.v.

    – In de Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) (Artikel II, sub 2) was bepaald dat de voorschriften ingevolge dit artikel van kracht bleven.

    Waardering: B5

    18.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van indeling en sterkte, werving, kleding en bewapening, geneeskundige keuring en controle, huisvesting en overige uitrusting

    Grondslag: art. 5.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Product: bijvoorbeeld:

    – Voorlopige uniformbeschikking voor de Rijkspolitie (Beschikking van 8 november 1946, APB 1946/12)

    – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie (Stcrt. 1949, 6)

    Waardering: B5

    19.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels zowel voor het korps rijkspolitie als voor de gemeentepolitie ten aanzien van de toekenning van rangen

    Grondslag: art. 19.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    20.

    Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 overplaatsen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie naar een andere gemeente of een ander korps

    Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1946

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    21.

    Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 in rang verlagen van ambtenaren van rijks- of gemeentepolitie

    Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1946

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    22.

    Handeling: het vaststellen van voorschriften die voor een juiste uitvoering van het Politiebesluit 1945 worden gevorderd

    Grondslag: art. 20 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    8.1.2.2 Gemeentepolitie

    23.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 4.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    26.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van het aannemen van vrijwilligers voor de reserve-gemeentepolitie door de burgemeester

    Grondslag: art. 4.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    27.

    Handeling: het goedkeuren van de benoeming of aanwijzing van een korpschef in gemeenten waar geen commissaris van gemeentepolitie is

    Grondslag: art 4.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    29.

    Handeling: het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 5.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: Neerslag met betrekking tot sterkte: B5

    Overige neerslag (waaronder neerslag met betrekking tot rangen): V, 10 jaar

    31.

    Handeling: het plaatsen van ambtenaren van gemeentepolitie bij onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen

    Grondslag: art. 5.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: Ministeriële beschikking

    toelichting: dit gebeurt in overleg met de Procureur-Generaal en de directeur van politie van het Ministerie van Justitie

    Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

    33.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de gemeentepolitie over de inrichting en uitrusting van de onderdelen, meer in het bijzonder belast met recherche-werkzaamheden, alsmede over de aanschaf, het gebruik en onderhoud van middelen ten dienste van de verreberichtgeving

    Grondslag: art. 5.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    34.

    Handeling: het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de reserve-gemeentepolitie

    Grondslag: art. 5.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    35.

    Handeling: het doen van voordrachten tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de gemeentepolitie, onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie en reserve-gemeentepolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

    Grondslag: art. 6.1 en 6.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (Stb. 1957, 547)

    – Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stb. 1957, 553).

    – Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Beloningsreglement reservepolitie (Stb. 1964, 474)

    – Rangenbesluit politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 549)

    – Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie (Stb. 1957, 556)

    – Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1957, 552)

    Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    36.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de (reserve)gemeentepolitie over werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 7.1 en 7.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414) en wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1958–1993

    Product: Ministerieel besluit, onder andere:

    – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Bewapenings- en uitrustingsbeschikking gemeentepolitie 1968

    – Beschikking onderhouden schietvaardigheid pistool gemeentepolitie, nr EA69/U266 van 10 februari 1969

    – Beschikking instelling Centrale Wervingscommissie gemeentepolitie (Stcrt. 1972, 82)

    – Kledingvoorschrift gemeentepolitie 1968

    – Beschikking politiekleding commissie (Stcrt. 1977, 186)

    – Opleidings- en examenbeschikking reservepolitie 1982 (Stcrt. 1983, 23)

    – Beschikking voortgezette vuurwapenopleiding gemeentepolitie 1983 (Stcrt. 1983, 104)

    – Regeling uitrusting Mobiele Eenheden Gemeentepolitie 1986 (Stcrt. 12)

    Opmerking: Zie de opmerkingen bij de vorige handeling

    Waardering: B5

    38.

    Handeling: het verplichten dat een door de burgemeester aangestelde ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn overgaat naar een ander gemeentelijk korps

    Grondslag: art. 8.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    39.

    Handeling: het bij gezamenlijk besluit verplichten dat een ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn, overgaat naar het korps rijkspolitie

    Grondslag: art. 8.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    8.1.2.3 Financiering (gemeente)politie

    Handelingen ingevolge artikel 9 en 9a Politiewet

    40.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ten aanzien van de verdeling van politiekosten

    Grondslag: art. 18 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Product: Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    41.

    Handeling: het vaststellen van het bedrag dat gemeenten waarin de politiedienst door marechaussee of rijkspolitie wordt waargenomen aan het rijk verschuldigd zijn

    Grondslag: art. 2.4 Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)

    Periode: 1943–1947

    Waardering: V 7 jaar

    42.

    Handeling: het vaststellen van het bedrag dat gemeenten met gemeentepolitie van het rijk ontvangen

    Grondslag: art. 4.3 en 5.3 Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)

    Periode: 1943–1947

    Waardering: V 7 jaar

    43.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke aan gemeenten met gemeentepolitie een rijksbijdrage beschikbaar gesteld wordt ter tegemoetkoming in of tot goedmaking van de gemeentelijke kosten terzake van de politie

    Grondslag: a. art. III Wet van 15 juli 1948 tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën (Stb. I 307), vervallen bij Wet van 20 juli 1968 (Stb. 734)

    b. art. 9a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1948–1993

    Product: a. Besluit Vergoeding Politiekosten 1950

    – Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954

    b. Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) houdende dat het Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957

    – Besluit van 5 oktober 1978 (Stb 550, 1978) houdende dat het Besluit Vergoeding kosten reservepolitie 1954 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957

    – Besluit Vergoeding Politiekosten 1986

    – Regeling Bijzondere Opsporingskosten Politie 1989 (Stcrt. 91, 1989)

    Waardering: B5

    45.

    Handeling: het vaststellen van een bijdrage die wordt toegekend ter tegemoetkoming in de kosten voor personeel, opleiding, materieel en exploitatie van de gemeentelijke (reserve)politie

    Grondslag: – art. 3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384)

    – art. 6bis Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij Besluit van 19 juli 1955 (Stb. 333)

    – art. 6 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54)

    – art. 4 en artt. 7-9 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1948–1993

    Waardering: V 7 jaar

    46.

    Handeling: het vaststellen van de gemeentelijke politiekosten voor personeel, kindertoelagen, materieel en opleiding en het zonodig vaststellen van voorlopige uitkeringsbedragen

    Grondslag: art. 3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397)

    Periode: 1961–86

    Waardering: V 7 jaar

    47.

    Handeling: het vaststellen van een model volgens welke de burgemeester regelmatig opgave moet doen van de feitelijke sterkte van de gemeentelijke (reserve)politie

    Grondslag: – art. 6 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384)

    – en art. 6 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54)

    Periode: 1948–1985

    Waardering: V 10 jaar

    48.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van kosten voortvloeiend uit het verlenen van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 6ter Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij Besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397), gewijzigd bij Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    Periode: 1961–1985

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    49.

    Handeling: het vaststellen van het bedrag van de bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten voor verlening van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: – art. 5.1 Beschikking Bijstandskosten Gemeentepolitie (Stcrt. 240, 1964), (Stcrt. 239, 1973) en 1980 (Stcrt, 153, 1980)

    – art. 6.1 Interimregeling Bijstandskosten gemeentepolitie 1989 (Stcrt. 223, 1989)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V 7 jaar

    50.

    Handeling: het overeenstemmen over het vergoeden van bijzondere bijstandskosten van gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 3.1f Beschikking Bijstandskosten Gemeentepolitie (Stcrt. 240, 1964), (Stcrt. 239, 1973)

    Periode: 1964–1980

    Waardering: B5

    51.

    Handeling: het vaststellen van de berekeningswijze van de bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten voor verlening van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 10.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    52.

    Handeling: het vaststellen van de bijdrage die wordt toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van een gemeente waar het politiekorps is aangesloten op de telexverbindingen van de Technische Verbindingsdienst

    Grondslag: art. 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), vervallen bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979)

    Periode: 1948–1979

    Waardering: V 7 jaar

    53.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn

    b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)

    Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)

    b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1980–1993

    Product: – bijdrageregeling automatisering gemeentepolitie (Stcrt. 251, 1988)

    – Besluit Vaststelling ruimtelijke, bouwkundige en financiële normen voor nieuwbouw van politiebureaus voor gemeentelijke korpsen (Stcrt. 5, 1987)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    54.

    Handeling: het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn

    b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)

    Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)

    b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V 7 jaar

    55.

    Handeling: het in plaats van een bijdrage in de investeringskosten aan gemeenten ter beschikking stellen van bijzondere materiële voorzieningen

    Grondslag: – art. 7.3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)

    – art. 13.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V 7 jaar

    56.

    Handeling: het in bijzondere gevallen toekennen aan een gemeente van een buitengewone uitkering, alsmede het vaststellen van het bedrag van die uitkering

    b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)

    Grondslag: a. art. 8 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    a. art. 7 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    b. art. 14.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1948–1993

    Product: Compensatieregeling PKP (Project Kwantificering Politiewerk) Sterktereductie (Stcrt. 157, 1989)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    57.

    Handeling: het opnemen van bijzondere bijdragen in de algemene bijdragen aan gemeenten indien daartoe aanleiding is

    Grondslag: art. 15 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    58.

    Handeling: het beslissen op een bezwaar inzake vaststelling of weigering van een uitkering

    Grondslag: – art. 9.3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), gewijzigd bij besluit van 14 oktober 1963 (Stb. 44)

    – art. 8.3 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54), gewijzigd bij besluit van 5 oktober 1978 (Stb. 550, 1978)

    – art. 16.3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    – art. 13.2 Besluit Bijdragen Bestuurlijke Preventie Criminaliteit

    Periode: 1948–1993

    Waardering: V 7 jaar

    60.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels met betrekking tot de verrekening van kosten welke eerder aan gemeenten waren verstrekt

    Grondslag: art. 10 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54)

    Periode: 1955–1985

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    61.

    Handeling: het verlenen aan een gemeente van een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten

    Grondslag: art. 11.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: V 7 jaar

    62.

    Handeling: het vaststellen van de omstandigheden en voorwaarden waaronder een gemeente in aanmerking komt voor een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten

    Grondslag: art. 11.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: B5

    64.

    Handeling: het jaarlijks vaststellen van het bedrag dat voor de uitvoering van de regeling bijzondere opsporingskosten van rijks- en gemeentepolitie bestemd is

    Grondslag: art. 2.1 regeling bijzondere opsporingskosten 1989 (Stcrt. 91, 1989)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V 7 jaar

    65.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de inhoud en inrichting van de door gemeenten te verstrekken financiële informatie

    Grondslag: – art. 17.5 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    – art. 17a.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986), zoals ingevoegd bij besluit van 8 juli 1991 (Stb. 1991, 408)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    66.

    Handeling: het jaarlijks publiceren van een jaarverslag van de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 18 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1986–1993

    Waardering: B5: publicaties

    Overig: V, 5 jaar

    67.

    Handeling: het toekennen van een bijdrage tot vergoeding van aanloopkosten van projecten ter voorkoming van kleine criminaliteit

    Grondslag: art. 8 Besluit bijdragen bestuurlijke preventie criminaliteit (Stb. 1987, 313)

    Periode: 1987–1990

    Waardering: V 7 jaar

    8.1.2.4 Rijkspolitie

    71.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke bij het korps rijkspolitie vrijwilligers voor de reserve-rijkspolitie worden aangenomen

    Grondslag: art. 10.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    74.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing of ontslag van de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 12.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    76.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van de instructie voor de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

    Grondslag: – art. 39.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    – art. 12.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) zoals bijgevoegd bij Wet 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    94.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de bepaling van de gezamenlijke sterkte van de groepen die meer dan een gemeente omvatten, van de reserve-rijkspolitie, van de verkeersgroepen, van de algemene verkeersdienst rijkspolitie en de Rijkspolitie te water

    Grondslag: art. 15 en art. 18.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    95.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de bepaling van een minimumsterkte voor groepen van de rijkspolitie

    Grondslag: art. 19.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    98.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie t.a.v. de voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van de officieren van het korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 2.3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 20a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    100.

    Handeling: het aanwijzen van een officier als districtscommandant, als commandant van de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie of als districtscommandant van de Rijkspolitie te water

    Grondslag: art. 21.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    105.

    Handeling: het beslissen omtrent de aanwijzing van een groeps- of postcommandant als bedoeld in artikel 13 Politiewet 1957 bij gebrek aan overeenstemming tussen de Algemeen Inspecteur van het korps Rijkspolitie en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie

    Grondslag: art. 21.5 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    107.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het korps rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingseisen

    Grondslag: art. 22.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stcrt. 1957, 553).

    – Rangenbesluit politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 549)

    – Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1957, 552)

    Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

    Waardering: B1

    108.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie en de reserve-rijkspolitie, ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

    Grondslag: art. 22.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Beloningsreglement reservepolitie (Stb. 1964, 474)

    – Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie (Stb. 1957, 557)

    Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

    – Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragraaf 3.2.6

    Waardering: B1

    110.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie over regels voor (reserve-) rijkspolitie ten aanzien van werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

    Grondslag: art. 23.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    111.

    Handeling: het verplichten van rijkspolitie-ambtenaar, door de Minister van Justitie benoemd, over te gaan naar een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: art. 24.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    8.1.2.5 Taakuitvoering

    119.

    Handeling: het houden van toezicht op vreemdelingen

    rondslag art. 27b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: het betreft hier de uitvoering van vreemdelingenvoorschriften: het gaat om handhaving.

    Waardering: V, 10 jaar

    120.

    Handeling: het bevorderen van de verkeersveiligheid op de weg

    Grondslag: art. 34 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: voor wat betreft het Korps Rijkspolitie wordt deze taak uitgevoerd door de Algemene Verkeersdienst van het korps Rijkspolitie: het gaat om handhaving.

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.2.6 Rechtspositie

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 Politiebesluit en de artikelen 6.1 en 26.1 Politiewet

    8.1.2.7 Aanstelling en bevordering

    128.

    Handeling: het in zeer bijzondere gevallen verlenen van een machtiging tot verlenging van de proeftijd van een ambtenaar van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 2.3 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 2.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    130.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model-aanstellingsakte van een ambtenaar van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 4.1 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 4.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging

    8.1.2.8 Bezoldiging

    133.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB stellen van nadere regels omtrent de bezoldiging van politieambtenaren tijdens de vervulling van de dienstplicht

    Grondslag: – art. 16.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 16.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    8.1.2.9 Diensttijden

    138.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen inzake de inrichting van de diensttijden en de uitvoering van de toekenning van vergoedingen voor overwerk aan (bijzondere) rijkspolitieambtenaren

    Grondslag: – art. 39 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 18.5, 19b.3 en 19e ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    141.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de toekenning van een overwerkvergoeding aan bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

    Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    Periode: 1967–1976

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.2.10 Vakantie en verlof

    144.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd van ambtenaren van gemeentepolitie ter vaststelling van verlof

    Grondslag: art. 19.4 ARGP (Stb. 1953, 74)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    146.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling, wijziging of intrekking van nadere regels omtrent de toepassing van de bepaling omtrent vakantie, vakantie-uitkering en (bijzonder) verlof van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 34, 39, 50.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 44 en 55.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 32, 39, 50.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    147.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels omtrent de toepassing van de bepalingen omtrent vakantie, vakantie-uitkering en verlof van ambtenaren van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 34, 39, 50,2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    150.

    Handeling: het geven van toestemming aan de burgemeester tot het verlenen van buitengewoon verlof van langer dan drie maanden aan commissarissen en hoofdcommissarissen van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 43.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    8.1.2.11 Ziekte en geneeskundige keuring

    151.

    Handeling: het met betrekking tot politieambtenaren die bij KB benoemd zijn, doen van voordracht tot KB inzake het gelasten van een geneeskundig onderzoek

    Grondslag: – art. 32.1, 33.1, 35.3, 39, 40.1, 40.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 32.1, 33.1, 35.3, 39, 40.1, 40.2 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 59.1, 60.1, 62.3, 66, 67.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    155.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor ambtenaren van gemeentepolitie omtrent het jaarlijks geneeskundig onderzoek naar het voorkomen van tuberculose

    Grondslag: – art. 34 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 61 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    157.

    Handeling: het in bijzondere gevallen bepalen dat de bezoldiging tijdens afwezigheid door ziekte betaald wordt aan een ander dan de ambtenaar van gemeentepolitie die is aangesteld bij KB

    Grondslag: – art. 43 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 70 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    159.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften omtrent periodiek geneeskundig onderzoek van ambtenaren van rijkspolitie die aan bijzonder gevaar voor hun gezondheid blootstaan, dan wel aan bijzondere gezondheidseisen moeten voldoen

    Grondslag: art. 66.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: B5

    8.1.2.12 Overige rechten en plichten

    161.

    Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie bij het Korps Rijkspolitie of van een ambtenaar van het Korps Rijkspolitie bij een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 58 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 85 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 85 ARRP 1975 (Stb. 1977, 1772)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    162.

    Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie in een andere gemeente

    Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    164.

    Handeling: het te zijner beschikking stellen van een ambtenaar van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 59 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 86 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    166.

    Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een ambtenaar van gemeentepolitie tot het bekleden van een openbaar ambt waartoe de benoeming niet bij KB geschiedt

    Grondslag: – art. 63.1 en 63.1 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 90.1 en 90.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    170.

    Handeling: het bepalen dat een politie-ambtenaar die op kosten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een opleiding heeft genoten, de opleidingskosten terug dient te betalen wanneer hij binnen drie jaar de dienst verlaat

    Grondslag: – art. 95.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 94a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    171.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de berekening van opleidingskosten en de beperking van de betalingsplicht

    Grondslag: – art. 95.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 94a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1967–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    174.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de uitvoering van de toekenning van vergoedingen wegens dienstreis- en verblijfskosten en het vaststellen van tarieven

    Grondslag: – art. 71.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 97.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: De Minister dient hiertoe vooraf advies in te winnen bij het centraal orgaan bedoeld in artikel 12 van het Reisbesluit 1956 (Stb. 43). Dit orgaan beslist ook in individuele gevallen waarin de regelingen niet voorzien. Zie hiervoor het rapport over personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid voor ambtenaren.

    Product: regeling

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    175.

    Handeling: het beslissen op een bezwaar van een ambtenaar van gemeentepolitie tegen een beslissing van het centraal orgaan bedoeld in artikel 12 van het Reisbesluit 1956 (Stb. 43) inzake vergoeding van reis- en verblijfskosten

    Grondslag: art. 97.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    177.

    Handeling: het op voordracht van de burgemeester toekennen van beloningen wegens bijzondere verdiensten aan hoofdcommissarissen en commissarissen van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 76.3 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 102.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 5 jaar

    180.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd ter vaststelling van ambtsjubilea

    Grondslag: – art. 77.6 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – 103.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    8.1.2.13 Straffen

    182.

    Handeling: het opleggen van straffen aan hoofdcommissarissen en commissarissen van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 79.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 105.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    8.1.2.14 Schorsing en ontslag

    186.

    Handeling: het voorbereiden van bij KB te stellen regels voor de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 93.5 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 120.5 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 119.5 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: B4

    188.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden en (plaatsvervangende) secretaris van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 3.2 en 4 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 10 jaar na benoeming

    191.

    Handeling: het overeenstemmen met de voordracht tot KB van de Minister van Justitie inzake het opschorten van de ingangsdatum van het ontslag bij pensionering van rijkspolitieambtenaren

    Grondslag: art. 114a.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    193.

    Handeling: het toestaan van uitzondering op de regel dat de vrouwelijke ambtenaar van gemeentepolitie eervol ontslag verleend wordt daags na haar huwelijk

    Grondslag: – art. 92.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 119.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1975

    Waardering: B5

    195.

    Handeling: het verlenen van medewerking of machtiging tot het in bijzondere gevallen verlenen van eervol ontslag aan een niet bij KB benoemde ambtenaar van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 93.3 of art. 95.1 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 120.3 of 122.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    197.

    Handeling: het doen van voordracht tot het treffen van een regeling of het treffen van een regeling waarbij een ambtenaar van gemeentepolitie die wegens bijzondere omstandigheden eervol is ontslagen een redelijke uitkering verzekerd wordt

    Grondslag: – art. 95.2 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 122.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    201.

    Handeling: het (doen van voordracht tot het) stellen van nadere algemene regels ter uitwerking of aanvulling van het ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 101 ARGP (Stb. 1953, 74)

    Periode: 1953–1957

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    8.1.2.15 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie

    Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.

    203.

    Handeling: het verlenen van toestemming aan de burgemeester om in bijzondere gevallen vrijwilligers van de reserve-gemeentepolitie tot hulpdiensten op te roepen bij de uitoefening van de algemene taak van de gemeentepolitie

    Grondslag: art. 2.3 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: B5

    205.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van medische eisen waaraan vrijwilligers van reservepolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 3.1c en 17.1c Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 3.1c en 19.1b Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 4.1c Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking

    207.

    Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Defensie bepalen dat bepaalde categorieën van personen die tot zee-, land,- of luchtmacht behoren kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van reserve-gemeentepolitie

    Grondslag: art. 4.1d en 40b Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    209.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst

    Grondslag: – Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350)

    – Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363), 1958 (Stb. 1957, 559)

    – Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    – Beloningsreglement reserve-politie (Stb. 1964, 474)

    Periode: 1948–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Beschikking oefenvergoeding leden reserve-politie (Stcrt. 1976, 208)

    – Maximumuitkeringsbeschikking reserve-politie 1969 (Stcrt. 1969, 160)

    – Beschikking vakantiebonnen reserve-politie (Stcrt. 1969, 160)

    – Gratificatiebeschikking Reservepolitie

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    210.

    Handeling: het uitvoeren van de regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst

    Grondslag: – Beschikking oefenvergoeding leden reserve-politie (Stcrt. 1976, 208)

    – Maximumuitkeringsbeschikking reserve-politie 1969 (Stcrt. 1969, 160)

    – Beschikking vakantiebonnen reserve-politie (Stcrt. 1969, 160)

    – Gratificatiebeschikking Reservepolitie

    Periode: 1948–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    211.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van andere rechten en verplichtingen voor de vrijwilliger van politie

    Grondslag: art. 38 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    212.

    Handeling: het bepalen van een tijdstip waarop de verbintenissen vervallen met vrijwilligers van wie het verband, aangegaan onder een vorige regeling, van kracht is gebleven.

    Grondslag: – art. 14.4 Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 25.2 Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 53.2 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1954–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

    213.

    Handeling: het aanwijzen van een object in het kader van een bewakingskern

    Grondslag: – art. 22.2 Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)

    – art. 24.2 Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

    – art. 2.1b en c Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    215.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit adviesraden burgerlijke reserve-organen voor wat vrijwilligers bij de reservepolitie betreft

    Grondslag: Besluit adviesraden burgerlijke reserve-organen (Stb. 1964, 478)

    Periode: 1965–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.2.16 Surveillancehonden

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 van het Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 van de Politiewet 1957.

    217.

    Handeling: het aanwijzen van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging welke het africhten van honden voor surveillancedienst tot doel heeft

    Grondslag: art. 3.1 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    218.

    Handeling: het vaststellen van een gemeenschappelijke beschikking inzake een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt

    Grondslag: art. 4.3 Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1958–1993

    Product: – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie dd. 7/17 februari 1975, nr. 162 S 575/EA75/225

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1977 (Stcrt. 1978, 15)

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1982 (Stcrt. 1983, 21)

    – Beschikking renteloos voorschot aankoop surveillancehonden politie (Stcrt. 1978, 43)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    219.

    Handeling: het toekennen van een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt

    Grondslag: – art. 4.1 en 4.2 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143)

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie dd. 7/17 februari 1975, nr. 162 S 575/EA75/225

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1977 (Stcrt. 1978, 15)

    – Beschikking tegemoetkoming surveillancehonden politie 1982 (Stcrt. 1983, 21)

    – Beschikking renteloos voorschot aankoop surveillancehonden politie (Stcrt. 1978, 43)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    220.

    Handeling: het goedkeuren van de bij het geschiktheidsonderzoek van surveillancehonden te stellen eisen en van de aanwijzing van africhters

    Grondslag: art. 3.3 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    221.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering van het Besluit Surveillancehonden Politie

    Grondslag: art. 3.1 en 5 Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143), 1958 (Stcrt. 1957, 553)

    Periode: 1951–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Beschikking surveillancehonden politie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Beschikking Surveillancehonden Korps rijkspolitie (Stcrt. 1958, 40/58; 203/58)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    222.

    Handeling: het uitvoeren van de Beschikking Surveillancehonden politie en de Beschikking Surveillancehonden Korps rijkspolitie

    Grondslag: – Beschikking surveillancehonden politie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Beschikking Surveillancehonden Korps rijkspolitie (Stcrt. 1958, 40/58; 203/58)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    8.1.2.17 Geneeskundige verzorging

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1f Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.

    642.

    Handeling: Het instellen van een ziekenfonds voor het politiepersoneel.

    Grondslag: – Voorlopige Beschikking Kosten Geneeskundige Verzorging, 15 maart 1946

    – Besluit tot instelling van de Dienst Geneeskundige Verzorging voor de Politie

    Product: instellingsbesluit

    Waardering: B4

    223.

    Handeling: het bepalen dat het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie van toepassing is op andere dan in het besluit genoemde groepen ambtenaren of arbeidscontractanten

    Grondslag: – art. 2.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 4 maart 1952 (Stb. 1952, 96)

    – art. 1.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 2.2 en 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1952–1993

    Waardering: V 2 jaar na wijziging

    225.

    Handeling: het geven van nadere aanwijzingen omtrent hetgeen onder een volledige dagtaak dient te worden verstaan van deelnemers

    Grondslag: – art. 2.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555)

    – art. 5.1b Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    226.

    Handeling: het nader aanwijzen van uitkeringen, toelagen en dergelijke die tot de bezoldiging van politie-ambtenaren gerekend worden

    Grondslag: – art. 3.II.a.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 24 september 1957 (Stb. 1957, 392)

    – art. 1.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    Periode: 1957–1971

    Waardering: V, 7 jaar

    228.

    Handeling: het beslissen dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft

    Grondslag: art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1984–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    229.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke aan (gepensioneerde) politieambtenaren een uitkering inzake geneeskundige verzorging wordt toegekend

    Grondslag: – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 6.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 6.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    230.

    Handeling: het uitvoeren van de Uitvoeringsbeschikkingen GVP en Regelingen GVP

    Grondslag: – Eerste Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1951 en 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Regeling geneeskundige verzorging politie 1975 (Stcrt. 1974, 250)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    231.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen van of tegemoetkomingen in de kosten voor geneeskundige verzorging van politieambtenaren

    Grondslag: – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 2.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 2.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 7.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    232.

    Handeling: het vaststellen van een modelverklaring inzake de aanvraag van een uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verzorging voor gepensioneerde politieambtenaren

    Grondslag: – art. 4.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 4.1 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1949–1971

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    233.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bijstaat bij de uitvoering van de besluiten inzake de geneeskundige verzorging van de politie

    Grondslag: – art. 8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 3.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 8.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 10.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    234.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commissie GVP inzake:

    a. het comptabele beheer van de DGVP

    b. het overige beheer van de DGVP

    b. Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 1.1 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    237.

    Handeling: het goedkeuren van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening van de Commissie GVP

    Grondslag: art. 11 of 12 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: B3: jaarverslag

    Overige stukken: V 7 jaar

    238.

    Handeling: het instellen van een commissie die leiding geeft aan de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

    Grondslag: – art. 9.1 of 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 5.1 en 5.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 en 4.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 en 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.2, 11.4, 11.5 en 12 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B4

    243.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer, en het vaststellen van een maximumbedrag waarboven de betaling niet geschiedt

    Grondslag: – art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 7.3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1951–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stcrt. 1957, 252)

    – Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stcrt. 1971, 238)

    – Derde Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1971, 255)

    – Beschikking premie en plafonds GVP 1975 (Stcrt. 1975, 166), en opeenvolgende jaren

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    244.

    Handeling: het voorzien in de betaling aan de DGVP van het resterende deel van de bijdrage voor een gepensioneerde deelnemer

    Grondslag: art. 9.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 7 januari 1988 (Stb. 1988, 3)

    Periode: 1981–1993

    Opmerking: Dit gewijzigde artikel werkte terug tot 1 oktober 1984 en is bovendien van toepassing op de periode van 1 oktober 1981 tot en met 30 september 1984.

    Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    246.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer bedraagt

    Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    247.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de berekening en wijze van betaling en verhaal van de eigen bijdrage in de kosten van geneeskundige verzorging

    Grondslag: – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 7.5 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.7 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1954–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    249.

    Handeling: het vaststellen van het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP, en van de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag door de deelnemer dient te worden afgedragen

    Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    251.

    Handeling: het vaststellen van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is

    Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    252.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften ter uitvoering of nadere regeling van de geneeskundige verzorging voor gepensioneerden

    Grondslag: – art. 11 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 7.5 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    Periode: 1954–1971

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    255.

    Handeling: het geven van regels over de wijze waarop beroep moet worden ingesteld, behandeld en geregeld

    Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 15 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    Periode: 1975–1993

    Product: – Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)

    – Vaststelling vacatiegelden leden en plv. leden commissie van beroep (Stcrt. 1980, 30)

    Waardering: B5

    256.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenstelling van de commissie van beroep GVP

    Grondslag: art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    Periode: 1980–1984

    Waardering: V 2 jaar na wijziging

    257.

    Handeling: het benoemen, schorsen en ontslaan van (plaatsvervangende) leden, het aanwijzen van de (plaatsvervangend) voorzitter alsmede het toevoegen van een (waarnemend) secretaris van de Commissie van beroep GVP

    Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 14.1 en 14.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    – art. 2.1 of 3 Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)

    Periode: 1980–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    8.1.2.18 Bezoldiging

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.

    258.

    Handeling: het instellen van werkgroepen, commissies etc. met betrekking tot het onderzoeken van de bezoldiging van de gemeente/ en rijkspolitie

    Periode: 1954–1993

    Opmerking: - Interdepartementale Commissie Herziening Bezoldiging Politiepersoneel ICHBP (Commissie Boot) 1946

    – Commissie Werkclassificatie Politiefuncties 1957

    – Commissie Taakverzwaring 1970

    Waardering: B4

    259.

    Handeling: het voor de gemeentepolitie vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ter uitvoering van het bezoldigingsreglement politie

    Grondslag: – art. 8.3 en 20.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)

    – art. 22.4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 11.1 en 21.4 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 13 Toelagebesluit politie (Stb. 1951, 328)

    – art. 27 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art 11.4b en art. 32 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    – art. 1.1 Besluit toekenning extra salarisanciënniteit politieambtenaren (Stb. 1962, 74)

    Periode: 1946–1993

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    260.

    Vervallen (zelfde als 259)

    261.

    Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking treffen van bijzondere regelingen of bepalingen ter uitvoering van het bezoldigingsreglement politie

    Grondslag: – art. 6a Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502, zoals toegevoegd Stb. 1954, 197)

    – art. 4 Eerste aanvulling Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1954, 198)

    – art. 8 en art. XVIII Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art. 8, 21d en art. 37 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    – art. 3 KB van 21 december 1972 houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)

    Periode: 1954–1993

    Product: bijvoorbeeld:

    – Beschikking docententoelage (Stcrt. 1970, 119)

    – Vaststelling berekeningsbasis aflopende toelage, etc. (Stcrt. 1980, 119)

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    264.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de toekenning van een vaste toelage aan ambtenaren van rijkspolitie

    Grondslag: art. 21b Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals toegevoegd bij KB van 7 januari 1963 (Stb. 1963, 3)

    Periode: 1963–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    265.

    Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van bij KB benoemde ambtenaren van gemeentepolitie

    Grondslag: – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 4 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 3.1 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    Periode: 1947–1993

    Opmerking: In het bezoldigingsreglement is deze bepaling nader uitgewerkt. Ondergeschikte handelingen die uit deze uitwerking voortvloeien zijn hier niet opgenomen.

    Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    266.

    Handeling: het toekennen van een garantietoelage aan adspiranten van politie

    Grondslag: art. III Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals bijgevoegd bij KB van 10 januari 1974 (Stb. 1974, 51)

    Periode: 1974–1993

    Product: Garantietoelageregeling adspiranten rijks- en gemeentepolitie (Stcrt. 1974, 54)

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    268.

    Handeling: het aanwijzen van algemene landelijke vakorganisaties van politiepersoneel om te adviseren over wijziging, intrekking en aanvulling van het bezoldigingsreglement politie

    Grondslag: – art. 20.1 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)

    – art. 20.1 Bezoldigingsreglement Politie 1949 (Stb. 1949, J 502)

    – art. 22.1 Bezoldigingsregeling politie 1954/1956 (Stb. 1956, 368)

    – art. 25 Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25)

    Periode: 1947–1993

    Opmerking: Zie verder de paragraaf over Georganiseerd Overleg

    Waardering: B4

    269.

    Handeling: het ten aanzien van gemeentepolitie beslissen in gevallen waarin het bezoldigingsreglement politie niet voorziet

    Grondslag: – art. 23.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)

    – art. 29.1 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151

    Periode: 1946–1956

    Waardering: V 10 jaar na beslissing

    270.

    Vervallen (dezelfde handeling als 269)

    271.

    Handeling: het toekennen van gratificaties op grond van het Gratificatiebesluit Politie

    Grondslag: Gratificatiebesluit Politie 1948 (Stb. 1948, I 353), 1949 (Stb. 1949, J 330), 1950 (Stb. 1950 K 250), 1951 (Stb. 1952, 189), 1952 (Stb. 1952, 470) en 1953 (1953, 282)

    Periode: 1948–1953

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    272.

    Handeling: het toekennen van uitkeringen ineens aan politieambtenaren

    Grondslag: bijvoorbeeld:

    – KB van 21 december 1972, houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)

    – KB van 14 oktober 1991, houdende regels betreffende toekenning van een uitkering ineens aan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie voor 1989 en 1990 (Stb. 1991, 656)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    273.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van verplaatsingskosten voor de politie

    Grondslag: Verplaatsingskostenbesluit politie (Stb. 1992, 248)

    Periode: 1992–1993

    Product: Verplaatsingskostenregeling politie (Stcrt. 1992, 123)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    274.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van de Verplaatsingskostenregeling politie (Stcrt. 1992, 123)

    Grondslag: Verplaatsingskostenregeling politie (Stcrt. 1992, 123)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    275.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van het verplaatsingskostenbesluit politie

    Grondslag: Verplaatsingskostenbesluit politie (Stb. 1992, 248)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    276.

    Handeling: het bepalen van de bedragen ter vergoeding van of tegemoetkoming in de opleidingskosten van een politieambtenaar

    Grondslag: art. 3 en 4 Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren (Stb. 1961, 281)

    Periode: 1961–1979

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    277.

    Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van de Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren

    Grondslag: Regeling vergoeding opleidingskosten politieambtenaren (Stb. 1961, 281)

    Periode: 1961–1979

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    8.1.2.19 Georganiseerd Overleg

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.

    278.

    Handeling: het aanwijzen van de overheidsvertegenwoordiging in de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP)

    Grondslag: art. 2.1a Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Opmerking: de voorzitter van de overheidsvertegenwoordiging is tevens de voorzitter van de commissie

    Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    279.

    Handeling: het aanwijzen van een ander dan de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als voorzitter van het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    280.

    Handeling: het aanwijzen van functionarissen die bij het Georganiseerd Overleg de voorzitter terzijde staan

    Grondslag: – art. 4.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.4 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    281.

    Handeling: het benoemen van de (adjunct)secretaris van de Commissie GOP

    Grondslag: – art. 3 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 4.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 5.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    283.

    Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van de burgemeesters van gemeenten met gemeentepolitie tot het bijwonen van het georganiseerd overleg

    Grondslag: – art. 4.3 en 10.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.4 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: V, 1 jaar

    284.

    Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van het LSOP tot het bijwonen van het Georganiseerd Overleg als waarnemer

    Grondslag: art. 5.5 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 1 jaar

    285.

    Handeling: het benoemen van twee (plaatsvervangende) bijzondere leden van de commissies voor Georganiseerd Overleg voor de behandeling van geschillen inzake het overleg met de commissies

    Grondslag: – art. 13e.2 en 13e.6 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571), zoals ingevoegd bij Besluit van 16 februari 1989 (Stb. 1989, 83)

    – art. 17.2 en 17.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 7 jaar na ontslag uit de commissie

    286.

    Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake het tot de commissie GOP toelaten, schorsen of intrekken van de toelating van representatieve ambtenarenverenigingen

    Grondslag: – art. 4.1d en 4.2 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.4f en 3.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.1e en 3.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    287.

    Handeling: het uitsluiten van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    290.

    Handeling: het aanwijzen van de voorzitter, de leden en de (adjunct)secretaris van het overleg met de commissie-afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie betreffen

    Grondslag: – art. 6.2 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 6.2 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 6.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    291.

    Handeling: het verklaren dat een ambtenarenvereniging niet meer voldoende representatief is voor toelating tot de afdelingen

    b. Minister van Binnenlandse Zaken, voor wat betreft de afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie betreffen

    Grondslag: – art. 6.3 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 6.3 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 6.3 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    293.

    Handeling: het alvorens te beslissen overleggen met de Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (CGO LOSP) over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

    Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    295.

    Handeling: het aanwijzen van functionarissen voor vaste werkgroepen die tot taak hebben voorbereidende besprekingen te voeren of in het Georganiseerd Overleg genomen besluiten uit te werken

    Grondslag: – art. 10.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 10.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 9.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    296.

    Handeling: het alvorens te beslissen in aangelegenheden, welke van belang zijn voor de bijzondere rechtstoestand van respectievelijk de ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie deze ter behandeling voorleggen aan de betreffende afdeling van de commissie GOP alleen ambtenaren van rijkspolitie aangaan

    b. Minister van Binnenlandse Zaken, voor wat betreft de afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie aangaan

    Grondslag: – art. 7.1 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.1 en 7.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 2.1 en 7.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Waardering: V, 5 jaar

    297.

    Handeling: het overleggen met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken over specifieke politie-aangelegenheden indien de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Justitie of de Commissie GOP dit wenselijk achten

    Grondslag: – art. 2.3 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 2.3b Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: B5

    299.

    Handeling: het geven van opdrachten en aanwijzingen aan de overheidsvertegenwoording in de Commissie GOP

    Grondslag: art. 7.6 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Waardering: V, 10 jaar

    300.

    Handeling: het verlenen van bemiddeling om ten behoeve van het Georganiseerd Overleg een lokaliteit in een rijksgebouw ter beschikking te stellen

    Grondslag: – art. 9 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 9 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 8 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    301.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering of aanvulling van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie

    Grondslag: art. 75.1 en 75.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 5 jaar na wijziging of intrekking

    302.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften inzake de dienstcommissie voor zover de bijzondere verhoudingen aan de primaire politie-opleiding daartoe aanleiding geven

    Grondslag: art. 75.4 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 5 jaar na wijziging of intrekking

    304.

    Handeling: het vier jaren na inwerkingtreding van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie instellen van een onderzoek naar de wijze waarop het besluit is toegepast

    Grondslag: art. IV.C.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B2

    8.1.2.20 Dienstcommissie

    305.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij of krachtens KB instellen van dienstcommissies voor het Korps Rijkspolitie, voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en voor gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 18 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), gewijzigd en vernummerd tot art. 39 bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1961–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.2.21 Bekwaamheid, benoeming, bevordering en opleiding

    333.

    Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot de inrichting van het politieonderwijs

    Grondslag: begrotingen

    Periode: 1945–1993

    opmerkingen: Stuurgroep herziening Primaire Politieopleiding 16 oktober 1979

    Waardering: B4

    335.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van eisen waaraan kandidaten voor een aanstelling bij de politie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 1.1.3, art. 1.1.6, art. 3.1 en art. 3.4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)

    – art. 1.1c en 1.1i Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – art. 1c en 2i Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    Periode: 1947–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    336.

    Handeling: het laten verrichten van geneeskundig onderzoek

    Grondslag: Bijvoorbeeld:

    – Geneeskundige keuringsbeschikking gemeentepolitie (Stcrt, 1956, 220) en 1958 (Stcrt. 1957, 251)

    – Geneeskundige keuringsbeschikking korps rijkspolitie 1963 (Stcrt. 1963, 212)

    Periode: 1949–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    338.

    Handeling: het in bijzondere gevallen afwijken van de aanstellings- of bevorderingseisen voor zover het de gemeentepolitie betreft

    Grondslag: – art. 1.2 en art. 4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)

    – art. 4 Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

    – art. 6 Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

    – art 1.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 1.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 2.5 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1956, 369)

    – Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 552)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    341.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften met betrekking tot de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: – art. 4 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 4 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 4.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Product: bijvoorbeeld:

    – Beschikking Politie-examens 1956 (Stcrt. 1956, 113), 1958 (Stcrt. 1958, 134)

    – Beschikkingen examens politiediploma 1964 en 1970 (Stcrt. 1970, 164)

    – Beschikking toelaten leden van het wapen der Koninklijke Marechaussee tot deelneming aan de examens ter verkrijging van het politiediploma (Stcrt. 1970, 164)

    – Experimenteerbeschikking examens politiediploma 1976 (Stcrt. 1976, 113)

    – Beschikking examen politiediploma B 1977 (Stcrt. 1977, 19)

    – Beschikking politie-examens voor de talen 1978 (Stcrt. 1978, 91)

    – Beschikking regeling deelneming examen politiediploma B (Stcrt. 1984, 224)

    – Opleidings- en examenbeschikking Reservepolitie 1982 (Stcrt. 1983, 23)

    – Beschikking regeling deelneming politie-examens voor de talen (Stcrt. 1986, 201), 1989 (Stcrt. 1990, 35)

    Waardering: B 5

    342.

    Handeling: het benoemen van de leden van de examencommissies voor de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    343.

    Handeling: het aanwijzen van gecommitteerden om toezicht te houden op de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s

    Grondslag: art. 5.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1965–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    344.

    Handeling: het vaststellen van een vergoeding voor de leden van de examencommissies en de gecommitteerden

    Grondslag: – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    345.

    Handeling: het aanwijzen van de examenplaatsen

    Grondslag: – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    Periode: 1953–1964

    Waardering: V, 7 jaar

    346.

    Handeling: het vaststellen van een bedrag voor het examengeld

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 6.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 6.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    348.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van het programma van het examen voor het politievaardigheidsexamen

    Grondslag: – art. 7 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 7 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    Periode: 1953–1964

    Waardering: V, 10 jaar

    349.

    Handeling: het aanwijzen van een taalexamen

    Grondslag: – art. 8 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 8 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 4.1 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    350.

    Handeling: het vaststellen van de beschikking primair politie-onderwijs

    Grondslag: Beschikking primair politie-onderwijs (Stcrt. 1983, 214)

    Periode: 1983–1993

    Waardering: B5

    8.1.2.22 Algemeen Politieblad

    351.

    Handeling: het uitgeven van het Algemeen Politieblad (APB)

    1975–1993 Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: – circulaire van de Minister van Justitie van 10 maart 1947 Pol. Kab 3022 (APB 1947, 11)

    – art. 1 en 3 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Waardering: B5: publicaties / eindproducten

    V, 7 jaar: overig

    352.

    Handeling: het benoemen van de leden van de Adviescommissie APB

    Grondslag: art. II Beschikking instelling Adviescommissie APB (APB 1947, 16)

    Periode: 1947–1975

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    353.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden van de redactieraad van het APB en van een eindredacteur

    Grondslag: art. 6, 7.1, 8.1 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Product: Bijvoorbeeld: Beschikking benoeming leden redactieraad en eindredacteur APB (Stcrt. 1977, 71)

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    8.1.2.23 Opleiding hogere politieambtenaren

    361.

    Handeling: het (mede namens de Minister van Justitie) voeren van het beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie (NPA)

    Grondslag: – art. 2.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 4.1 Beschikking Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 3.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1963–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    366.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het overleg in de commissie van overleg aan de NPA

    Grondslag: art. 3 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    367.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de taak, samenstelling en werkwijze van het curatorium NPA

    Grondslag: art. 20.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: B5

    368.

    Handeling: het benoemen of ontslaan van de leden van de Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: art. 2.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    369.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de Raad van Bestuur

    Grondslag: art. 3.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    370.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van het Curatorium voor de NPA

    Grondslag: – art. 3.2 en 4.1 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    – art. 19.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    371.

    Handeling: het treffen van voorzieningen voor vrouwelijke leerlingen die niet in internaatsverband een opleiding volgen aan het instituut

    Grondslag: art 2.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1979

    Waardering: V, 7 jaar

    372.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan de directeur van de NPA inzake het bepalen van welke studenten in het internaat worden gehuisvest

    Grondslag: art. 4 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 5 jaar

    373.

    Handeling: het goedkeuren van het door de directeur van de NPA vastgestelde studierooster

    Grondslag: art. 6.1 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 5 jaar

    374.

    Handeling: het benoemen, aanstellen, schorsen of ontslaan van de (onder)directeur en docerend personeel van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 3.1 en 3.5 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 2 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    Periode: 1949–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    375.

    Handeling: het benoemen, aanstellen, schorsen of ontslaan van niet-leidinggevend en niet-onderwijzend personeel

    Grondslag: art. 3 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    Periode: 1963–1996

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    376.

    Handeling: het vaststellen van de salariëring van het docerend personeel waaraan bij aanstelling geen rang wordt toegekend

    Grondslag: art. 4.4 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104), zoals toegevoegd Stb. 1967, 489.

    Periode: 1963–1969

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    377.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de leerlingen van het instituut een maandgeld of salaris ontvangen

    Grondslag: – art. 13 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104), zoals gewijzigd Stb. 1967, 489.

    – art. 7 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    – art. 9 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1963–1992

    Product: bijvoorbeeld:

    – Vaststelling maandgeld van de leerlingen aan de NPA (Stcrt. 1967, 237)

    – Vaststelling maandgeld adspirant hogere politieambtenaar (Stcrt. 1981, 169)

    Waardering: V, 7 jaar

    378.

    Handeling: het vaststellen van de dienstkleding van leerlingen van de NPA

    Grondslag: – art. 14 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 8 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    – art. 11 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1963–1992

    Waardering: B5

    379.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Raad van Beheer, de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 4 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 7 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking

    382.

    Handeling: het afwijken van de eisen tot toelating tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: – art. 5.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: V, 10 jaar

    384.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan de NPA

    Grondslag: – art. 2 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 6 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 5 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    385.

    Handeling: het aanstellen tot ambtenaar in tijdelijke dienst of ontslaan van tot het instituut toegelaten leerlingen

    Grondslag: – art. 8 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 2 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    – art. 7 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1963–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    387.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding

    Grondslag: – art. 5.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 13.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1973

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    388.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de (buitengewone) leden en de secretaris van de selectiecommissie

    Grondslag: – art. 5.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 9.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 7.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    389.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de selectiecommissie en de subcommissies

    Grondslag: – art. 4.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 8 en 9.4 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 7.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    391.

    Handeling: het vaststellen of goedkeuren van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: V, 10 jaar

    393.

    Handeling: het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V, 7 jaar

    394.

    Handeling: het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van een tegemoetkoming in de studiekosten

    Grondslag: art. 10.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    395.

    Handeling: het bepalen van de hoogte van het bedrag dat leerlingen van de NPA als tegemoetkoming in de studiekosten verschuldigd zijn

    Grondslag: art. 10.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    398.

    Handeling: het aan een leerling van de NPA verlenen van ontslag bij wijze van straf

    Grondslag: art. 13.4 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    399.

    Handeling: het verlenen van vrijstelling van het afleggen van examens in bepaalde vakken alsmede van het volgen van opleidingsonderdelen

    Grondslag: – art. 16 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 14 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 10 jaar

    400.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemene regels omtrent voortgang, doublering en beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 17.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1990

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    401.

    Handeling: het goedkeuren van door de directeur van de NPA vastgestelde regels omtrent voortgang, doublering en beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 15.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    403.

    Handeling: het ontzeggen van verdere deelneming aan de opleiding

    Grondslag: art. 18.1 en 18.3 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1990

    Waardering: V, 7 jaar

    404.

    Handeling: het ontzeggen van verdere deelneming aan de opleiding

    Grondslag: art. 16.1b en 16.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    405.

    Handeling: het beslissen op een bezwaarschrift van een leerling tegen het door de directeur uitgebrachte advies omtrent beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 19.3 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1979–1990

    Waardering: V, 7 jaar

    406.

    Handeling: het beslissen op een bezwaarschrift van een leerling tegen het door de directeur uitgebrachte advies omtrent beëindiging van de studie

    Grondslag: art. 17.3 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    407.

    Handeling: het aanwijzen van een examencommissie

    Grondslag: – art. 10.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1967

    Waardering: V, 10 jaar

    408.

    Handeling: het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie

    Grondslag: art. 20.3c Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals gewijzigd Stcrt. 1967, 113)

    Periode: 1967–1980

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    411.

    Handeling: het aanwijzen van een commissie van gecommitteerden om toezicht te houden op het afnemen van de examens

    Grondslag: – art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    – art. 23.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1967–1990

    Waardering: V, 10 jaar

    412.

    Handeling: het aanwijzen van twee hoofdambtenaren op toezicht te houden op het afnemen van de examens

    Grondslag: art. 28.1 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1990–1992

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    414.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model van het diploma voor de opleiding tot inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Grondslag: art. 20.7 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    Periode: 1967–1980

    Waardering: V, 10 jaar

    415.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de inrichting van en toelating tot het examen, alsmede omtrent het examenprogramma van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Product: Bijvoorbeeld: Examenbeschikking Hogere Politieambtenaren 1967 (Stcrt. 1967, 113) of 1971 (Stcrt. 1971, 170)

    Waardering: V 10 jaar

    417.

    Handeling: het stellen, wijzigen of intrekken van voorwaarden inzake de toelating van extraneï tot de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 13.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 21.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V 10 jaar

    418.

    Handeling: het opstellen van een geschiktheidsverklaring voor geslaagde extraneï

    Grondslag: – art. 13.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 21.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1980

    Waardering: V, 10 jaar

    419.

    Handeling: het bemiddelen bij de plaatsing van geslaagde leerlingen bij een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: – art. 17 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren Stb. 1963, 104)

    – art. 14 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    Periode: 1963–1979

    Waardering: V, 7 jaar

    420.

    Handeling: het bemiddelen bij de plaatsing van geslaagde leerlingen bij het korps rijkspolitie dan wel bij een gemeentelijk politiekorps

    Grondslag: art. 22 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    421.

    Handeling: het toekennen van een uitkering aan niet-geplaatste en ontslagen adjunct-inspecteurs van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 23.1 Ambtenarenreglement NPA 1979 (Stb. 1980, 215)

    Periode: 1979–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    8.1.2.24 Bewapening, kleding en overige uitrusting

    422.

    Handeling: het vaststellen van regelingen voor kleding en overige uitrusting voor de politie

    Grondslag: art. 5.1 van het Politiebesluit en art. 7.1, 23.1, 27 en 63 van de Politiewet 1957.

    Periode: 1945–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie 1948 (Stcrt. 1949, 6), 1958 (1957, 252) en 1968

    – Beschikking invoering kledingverstrekking van dienstwege aan het politiepersoneel (Stcrt. 1977, 103)

    – Kledingbeschikking politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    – Beschikking Instelling Politieverbindingsdienst (Stcrt. 1966, 31)

    – Beschikking Politietechnische Dienst der Rijkspolitie (APB 1952, 23))

    – Beschikking Rijksspeurhonden (APB 1949, nr. 14)

    Waardering: B5

    425.

    Handeling: het vaststellen van de bewapeningsregelingen voor de politie

    Grondslag: art. 5.1 van het Politiebesluit en art. 7.1, 23.1, 27 en 63 van de Politiewet 1957.

    Periode: 1945–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    – Beschikking bewapening beroepspersoneel in politierang Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1970, 31)

    – Beschikking bewapening parketwachters, velddienstassistenten en reserve-rijkspolitie (Stcrt. 1972, 76)

    – Beschikking bewapening bijzondere ambtenaren van Rijkspolitie (Stcrt. 1957, 219 en 1973, 14)

    – Bewapeningsbeschikking Rijkspolitie (Stcrt. 1988, 233)

    – Bewapenings- en uitrustingsbeschikking gemeentepolitie 1968

    – Regeling uitrusting Mobiele Eenheden Gemeentepolitie 1971 (Stcrt. 9) en 1986 (Stcrt. 12)

    Waardering: B5

    432.

    Handeling: het aanwijzen van andere meetmiddelen dan snelheidscontrolemeters, remvertragingsmeters en wiellastmeters

    Grondslag: art. 2d Beschikking Verkeersmeetmiddelen Politie (Stcrt. 1976, 79)

    Periode: 1976–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    8.1.3 Taak & Bevoegdheden

    (art. 28-34)

    8.1.3.1 Taak en bevoegdheden in het algemeen

    434.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 30.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 141)

    Periode: 1958–1993

    Product: Basisregeling Regionale Samenwerking Politie (Stcrt. 244, 1979)

    Opmerking: Zie voor de handelingen die uit de Basisregeling voortvloeien de paragraaf 3.3.2

    Waardering: B1

    435.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee

    Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B1

    438.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie omtrent de voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de samenwerking tussen de politie en zij die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering of ingevolge andere wetten tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn

    Grondslag: art. 30a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B5

    440.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de opdracht aan personeel van de gemeentepolitie tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, tot het betekenen van gerechtelijke stukken en tot de dienst bij de gerechten

    Grondslag: art. 8.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: V, 5 jaar

    442.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke ambtenaren van gemeentepolitie, na verkregen toestemming van de burgemeester, regelmatig kunnen worden belast met het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, met het betekenen van gerechtelijke stukken en met de dienst bij de gerechten

    Grondslag: art 31.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1958–1993

    Product: Beschikking van 23 februari 1959 en 10 maart 1959, nr. 184 S 559 en nr. 12616 houdende regelen met betrekking tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, en met het betekenen van gerechtelijke stukken door ambtenaren van gemeentepolitie.

    Waardering: B5

    448.

    Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen

    Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    Periode: 1954–

    Waardering: B5

    455.

    Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van wegen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer

    Grondslag: art. 33.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1969

    Waardering: V, 10 jaar

    456.

    Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van vaarwateren of luchtvaartterreinen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden

    Grondslag: art. 33.2h Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1958–1980

    Opmerking: de op grond van dit artikel vastgestelde besluiten blijven ook na 1980 van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 30 van de Politiewet

    Waardering: V, 10 jaar

    457.

    Handeling: het aanwijzen van wegen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld

    Grondslag: art. 34.2f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1958–1969

    Waardering: V, 10 jaar

    458.

    Handeling: het aanwijzen van vaarwateren of luchtvaartterreinen of gebiedsdelen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld

    Grondslag: art. 34.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)

    Periode: 1958–1980

    Opmerking: de op grond van dit artikel vastgestelde besluiten blijven ook na 1980 van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 30 van de Politiewet

    Product: bijvoorbeeld: Beschikking wijziging ambtsgebied gemeentelijk politiekorps Delft (Stcrt. 1973, 48)

    Waardering: V, 10 jaar

    461.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie

    Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Product: KB van 14 december 1988 tot vaststelling van de Ambtsinstructie voor de politie (Stb. 1988, 577)

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.3.2 Samenwerking

    Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 29, 30, 32 (nieuw), 33, 34 en 50 Politiewet

    463.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels voor de samenwerking tussen politiekorpsen op de afzonderlijke taakgebieden

    Grondslag: art. 2 Basisregeling Regionale Samenwerking Politie (Stcrt. 244, 1979)

    Periode: 1979–1993

    Opmerking: Op grond van deze regeling en beschikkingen als de Beschikking Samenwerking Politie Agglomeratie Eindhoven (Stcrt. 191, 1977) en de Beschikking samenwerking politie Zuid-Oost-Noord-Brabant (Stcrt. 188, 1984) leveren vertegenwoordigers van de Minister van Justitie, de plaatselijke officieren van Justitie en Procureurs-Generaal bijdragen aan lokale en provinciale commissies en begeleidingsorganen. De hieruit voortvloeiende handelingen op lokaal – en regionaal niveau zijn in dit rapport niet opgenomen.

    Waardering: B5

    646.

    Handeling: het (mede-) voorbereiden en doen uitvoeren van acties t.b.v. opsporing, het beëindigen en voorkomen van terrorisme en het herstel van de orde na een terroristische actie.

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B6

    465.

    Handeling: het bepalen van het aantal ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie dat is belast met de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het aanwijzen van een groepsleider

    Grondslag: art. 2.1 en 2.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1980

    Opmerking: Van 1976 tot 1980 was een groep ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie belast met de opsporing en bestrijding van georganiseerde misdrijven van terroristische aard. Een door de Procureurs-Generaal aangewezen landelijk officier van Justitie had de leiding. Vanaf 1981 nam de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst deze taak over.

    Waardering: B5

    467.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van de sterkte en de formatie de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst.

    Grondslag: art. 2.2 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981)

    Periode: 1981–1993

    Waardering: B5

    468.

    Handeling: het treffen van voorzieningen voor de inrichting, uitrusting, functioneren en huisvesting van een groep gericht op de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: art. 3 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1980

    Waardering: V, 10 jaar

    469.

    Handeling: het instellen van een Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het benoemen van de leden

    Grondslag: – art. 4.1 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    – art. 15.2 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981), vervallen bij beschikking van 16 november 1989 (Stcrt. 229, 1989)

    Periode: 1976–1989

    Waardering: B4

    471.

    Handeling: het instellen van een Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

    Grondslag: art. 4.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)

    Periode: 1976–1981

    Waardering: B4

    474.

    Vervallen.

    475.

    Handeling: het instellen van een begeleidingscommissie CID

    Grondslag: art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141)

    Periode: 1986–1993

    Product: – Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie CID d.d. 28 augustus 1987, nr. 1017/587

    – Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID d.d. 28 augustus 1990, (Stcrt. 1990, 243)

    Waardering: B4

    8.1.3.3 Misdaadvoorkoming

    handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 11 en 30 Politiewet

    478.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke bij de gemeentelijke politiekorpsen en de districten van het korps rijkspolitie één of meer ambtenaren belast zijn met misdaadpreventie

    Grondslag: art. 1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    479.

    Handeling: het geven van aanwijzingen voor de totstandkoming van de regionale bureaus voor misdaadvoorkoming alsmede omtrent aanstellingseisen, sterkte en rangindeling van personeel dat hiervoor boven de organieke sterkte wordt toegekend

    Grondslag: art. 2.3 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    480.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan het hoofd van de afdeling voorkoming criminaliteit van het Ministerie van justitie in zijn hoedanigheid als Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

    Grondslag: art. 6.1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    481.

    Handeling: het in overleg met de Minister van Justitie aanwijzen van een beleidsambtenaar van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als plaatsvervangend Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming

    Grondslag: art. 6.1 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B5

    8.1.3.4 Bijzondere bepalingen betreffende de taak & bevoegdheden ten aanzien van het verkeer

    (art. 34a PW)

    499.

    Handeling: het vaststellen van nadere regelingen voor de vervulling van de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer

    Grondslag: art. 34b sub a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734) en gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1969–1993

    Product: Regeling (taakuitoefening Rijkspolitie en) samenwerking Rijkspolitie en gemeentelijke politiekorpsen (Stcrt. 1976, 227), (Stcrt. 1978, 239) (Stcrt. 1980, 68)

    Opmerking: Artikel 34h van de Politiewet 1957 (zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968) bepaalde dat de Ministers zich bij de voorbereiding van verkeersvoorziening bij doen staan door een interdepartementaal orgaan, samengesteld uit ambtenaren van hun departementen

    Waardering: V, 10 jaar

    500.

    Handeling: het bepalen dat de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer mede wordt vervuld door de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie

    Grondslag: art. 34b sub b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Product: Regeling (taakuitoefening Rijkspolitie en) samenwerking Rijkspolitie en gemeentelijke politiekorpsen (Stcrt. 1976, 227), (Stcrt. 1978, 239) (Stcrt. 1980, 68)

    Waardering: V, 10 jaar

    501.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen met betrekking tot de taak van de politie ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer

    Grondslag: art. 34c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    502.

    Handeling: het overleggen met de betrokken Commissarissen van de Koningin en met de Procureurs-generaal, alvorens verkeersvoorzieningen te treffen

    Grondslag: art. 34d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    503.

    Handeling: het vaststellen van een verkeersregeling voor daartoe aan te wijzen wegen, voor dagen waarop de toestand van het verkeer in meer dan een provincie daartoe aanleiding geeft

    Grondslag: art. 34e sub 1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    504.

    Handeling: het doen van mededeling van een vastgestelde verkeersregeling aan de betrokken Commissarissen van de Koningin en de Procureurs-generaal

    Grondslag: art. 34e sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    506.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over berichtgeving en alarmering in het kader van de verkeerstaak van de politie

    Grondslag: art. 34g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    507.

    Handeling: het instellen van adviescommissies voor zaken van verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B4

    509.

    Handeling: het benoemen en ontslaan van voorzitters en leden van de adviescommissies verkeerstoezicht en het voorzien in het secretariaat

    Grondslag: art. 34i.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    510.

    Handeling: het voorbereiden van het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B5

    8.1.4 Gezag over de Politie

    (art. 35-43 PW)

    514.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van wettelijke voorschriften waarvan de uitvoering ligt op het terrein van de handhaving van de openbare orde en rust en waarmee de burgemeester niet is belast.

    Grondslag: art. 15.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B1

    515.

    Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Justitie vaststellen van de instructie voor het optreden van gemeentepolitie wanneer zij ingevolge de bepalingen van Hoofdstuk IV van de Politiewet bijstand verleent

    Grondslag: art. 38 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1958–1988

    Product: Beschikking Bijstandsinstructie Gemeentepolitie (Stcrt. 1966, 51)

    Waardering: B1

    519.

    Handeling: het overeenstemmen met de door de Minister van Justitie vast te stellen instructie voor het korps rijkspolitie waar het bepalingen betreft die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 39.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)

    Periode: 1958–1988

    Waardering: B5

    521.

    Handeling: het overleggen met en geven van aanwijzingen en inlichtingen aan de Commissaris van de Koningin en de burgemeester met betrekking tot het door hen te voeren beleid ter handhaving van de openbare orde in bijzondere gevallen

    Grondslag: art. 42.2 en 43.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B6

    522.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de burgemeesters, Commissarissen van de Koningin en de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de handhaving van de openbare orde in bijzondere gevallen

    Grondslag: art. 43.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B6

    8.1.5 Verlenen van Bijstand

    8.1.5.1 Bijstand van rijkspolitie

    525.

    Handeling: het vaststellen van de inzet van rijkspolitiepersoneel uit meerdere provincies in het kader van bijstandsverlening

    Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    8.1.5.2 Bijstand van gemeentepolitie bij de handhaving van de openbare orde

    529.

    Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie

    Grondslag: art. 44.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    toelichting hiertoe:

    dient de commissaris van de Koningin een verzoek tot het verlenen van bijstand door

    gemeentelijk politiepersoneel van buiten de provincie in;

    voert de Minister van Binnenlandse Zaken overleg met de Minister van Justitie;

    wordt via de commissaris van de Koningin medegedeeld aan de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie dat gemeentelijk politiepersoneel bijstand zal verlenen buiten de provincie

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    8.1.5.3 Bijstand van Gemeentepolitie bij de handhaving van de rechtsorde

    530.

    Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Justitie inzake het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie

    Grondslag: art. 44.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    533.

    Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Justitie inzake het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Grondslag: art. 50.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    8.1.5.4 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde

    535.

    Handeling: het beslissen op een beroep van de militaire autoriteit tegen een door de commissaris van de Koningin genomen beslissing over sterkte en soort van de in te zetten krijgsmachteenheden

    Grondslag: art. 17.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: B5

    537.

    Handeling: het op verzoek van de commissaris van de Koningin bij de Minister van Defensie vorderen van bijstandsverlening door buiten de betreffende provincie gelegerd personeel van de Koninklijke Marechaussee of ander krijgsvolk

    Grondslag: art. 47.2 en 48.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1958–1993

    Waardering: B5

    539.

    Handeling: het bepalen dat in geval van oorlog of buitengewone omstandigheden de artikelen omtrent bijstandsverlening geheel of gedeeltelijk buiten werking treden

    Grondslag: art. 48a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 4 februari 1988 (Stb. 21)

    Periode: 1961–1993

    Opmerking: Ingevolge de wet van 4 februari 1988 (Stb. 21) wordt deze bevoegdheid afhankelijk gesteld van een terzake afgegeven KB

    Waardering: B5

    540.

    Handeling: het treffen van voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie in gebieden waarin de bijstandsregeling buiten werking is gesteld

    Grondslag: art. 48a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 16 juli 1964 (Stb. 338)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: B5

    8.1.6 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie

    (art 51-54 PW)

    549.

    Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commissaris van de Koningin met betrekking tot de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: art. 51.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1958–1988

    Opmerking: Zie ook de paragraaf 3.5.

    Waardering: B5

    8.1.7 Selectie en Onderwijs

    (art. 65-79 PW)

    556.

    Handeling: het voordragen tot wetten over de landelijke werving, de selectie en het onderwijs van politiepersoneel

    Grondslag: – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984-1985, 18 874)

    – 1991/2: TK 1988-1989, 1989–1990, 1991-1992, 21 013; EK1991-1992, 21 013

    Periode: 1945–1993

    Product: Wet van 24 juni 1992 tot wijziging van de politiewet in verband met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van de werving, de selectie en het onderwijs voor de politie (Stb. 1992, 320). In werking per 1 juli 1992 (Stb. 1992, 321)

    Waardering: B4

    559.

    Handeling: het aanwijzen van andere door het LSOP te verzorgen opleidingen dan de basisopleiding

    Grondslag: art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    562.

    Handeling: het aan het LSOP het beheer opdragen van andere instellingen voor opleidingen

    Grondslag: art. 66.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    563.

    Handeling: het aanwijzen van andere categorieën van personen dan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie waarvoor het LSOP opleidingen moet verzorgen

    Grondslag: art. 67b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    564.

    Handeling: het, met betrekking tot de aan te wijzen categorieën van personen, bepalen dat het LSOP de selectie of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) verzorgt

    Grondslag: art. 68.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: De Ministers kunnen afzonderlijk van deze bevoegdheid gebruik maken.

    Waardering: B5

    566.

    Handeling: het bepalen van de duur en de eindtermen van de opleiding aan het LSOP voor aan te wijzen categorieën van personen of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 68.2 en 75.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    568.

    Handeling: het voordragen tot benoeming of ontslag bij KB van een lid van de Bestuursraad LSOP

    Grondslag: art. 70.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag

    574.

    Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van leden van de directie van het LSOP en van directeuren van de opleidingsinstellingen

    Grondslag: art. 74.2 en 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag

    579.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor het personeel van het LSOP over onderwerpen genoemd in artikel 125.1 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530)

    Grondslag: art. 74.6 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Product: – Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    – Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    – Besluit Overleg en Medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Waardering: V, 10 jaar

    580.

    Handeling: het uitvoeren van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Grondslag: Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    583.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering en over de behandeling van verzoeken van ambtenaren die bezwaar hebben tegen de bepaling van aard en niveau van hun functie, om een waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen

    Grondslag: art. 3.3 en 4.2 Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    584.

    Handeling: het uitvoeren van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Grondslag: Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    585.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Grondslag: Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    587.

    Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 66.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 75.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    588.

    Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 68.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 75.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: De Ministers kunnen afzonderlijk van deze bevoegdheid gebruik maken.

    Waardering: B5

    592.

    Handeling: het goedkeuren van de begroting en de jaarrekening van het LSOP

    Grondslag: art. 76.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5: jaarrekening en begroting

    Overige neerslag: V 7 jaar

    593.

    Handeling: het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop de begroting, de rekening en de verantwoording zijn ingericht en de termijnen waarbinnen deze worden ingezonden

    Grondslag: art. 76.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    594.

    Handeling: het zorgdragen voor de inspectie van de opleidingen die door het LSOP verzorgd worden en het geven van aanwijzingen aan de bestuursraad

    Grondslag: art. 77 en 79 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    595.

    Handeling: het zenden van een evaluatie van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs voor de politie aan de Staten-Generaal

    Grondslag: art. IV.II politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B2

    8.1.8 Reorganisatie

    Handelingen ingevolge Wet Tijdelijke Voorzieningen Reorganisatie Politiebestel

    596.

    Handeling: het instellen van de Stuurgroep reorganisatie van het politiebestel

    Bron: art. 1 Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52) (Stcrt. 1991, 168

    Periode: 1990–1993

    Product: Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52)

    (Stcrt.1991, 168)

    Waardering: B4

    601.

    Handeling: het overeemstemmen met de Minister van Justitie over de goedkeuring van de formatie en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD

    Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    647.

    Handeling: Het oprichten van de KLPD

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Onder deze handeling valt ook de voorbereiding van de

    oprichting.

    Waardering: B4

    604.

    Handeling: het beslissen over een verschil van zienswijze in het regionaal overlegorgaan over het treffen van voorzieningen voor het beheer van de gemeentepolitie in het kader van de integratie

    Grondslag: art. 6.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    606.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een (hoofd)commissaris van gemeentepolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie

    Grondslag: art. 7 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    608.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de voordracht tot het bij KB aanwijzen van een districtscommandant van het Korps Rijkspolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie

    Grondslag: art. 7 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    611.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake zijn beslissing op een verzoek van de burgemeester in de regio om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 9.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    612.

    Handeling: het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel

    Grondslag: art. 11.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    614.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel

    Grondslag: art. 11.3 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Product: Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Opmerking: zie voor de handelingen die uit dit product zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.1

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    619.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de voordracht tot het bij KB aanwijzen van een ambtenaar van gemeente- of rijkspolitie om de Minister van Justitie bij te staan bij de voorbereiding van de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten

    Grondslag: art. 14 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    620.

    Handeling: het in verband met de integratie van politie en de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor de betrokken personeelsleden terzake van:

    a. de wijze waarop het personeel wordt geplaatst

    b. flankerend beleid

    c. georganiseerd overleg

    d. medezeggenschap

    Grondslag: art. 15.1 Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674)

    Periode: 1992–1993

    Product: – Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 675)

    – Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie (Stb. 1992, 440)

    Opmerking: - Het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie had tot doel te bewerkstelligen dat in verband met de reorganisatie zoveel mogelijk uniforme regels zouden bestaan voor de plaatsing van personeel in de politieregio’s en het KLPD. Zie voor de handelingen die uit dit besluit voortvloeien de handelingen 457 en 458 in Handelen met de sterke arm, deel 2 op bladzijde 185.

    – Zie voor de handelingen die uit het Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.2

    Waardering: B5

    8.1.8.1 Handelingen ingevolge het Besluit Vergoeding Reorganisatiekosten Politie

    (art. 11 WTVRP)

    621.

    Handeling: het verlengen van de vierjarige periode waarin de politieregio’s een vergoeding van de reorganisatiekosten wordt toegekend

    Grondslag: art. 2.3 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V, 7 jaar

    623.

    Handeling: het goedkeuren van een regionaal projectplan ten behoeve van de feitelijke integratie van de politie

    Grondslag: art. 3.3 en 3.4 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: Projectplan: B5

    Overige neerslag: V, 5 jaar

    624.

    Handeling: het geven van regels over de indieningstermijn en inrichting van het regionale projectplan

    Grondslag: art. 3.6 Besluit vergoeding reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993–

    Waardering: V, 10 jaar

    626.

    Handeling: het bijstellen van de raming van de rijksbijdrage in de reorganisatiekosten

    Grondslag: art. 4.2 en 4.4 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 7 jaar

    628.

    Handeling: het vaststellen van een meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente

    Grondslag: art. 5.1 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: B5

    630.

    Handeling: het bijstellen van de meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente binnen de grenzen van de raming van de rijksbijdrage

    Grondslag: art. 5.3 en 5.4 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 7 jaar

    632.

    Handeling: het vaststellen van de jaarlijkse uitkering per regio

    Grondslag: art. 7 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 7 jaar

    633.

    Handeling: het opschorten van de betaling van een of meer termijnen van de uitkering

    Grondslag: art. 8.2 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 7 jaar

    635.

    Handeling: het stellen van regels over de inrichting van de door de betrokken burgemeester aan te leveren informatie en verantwoording inzake besteding van de financiën, voortgang van de integratie en realisatie van activiteiten

    Grondslag: art. 10.4 Besluit reorganisatiekosten politie (Stb. 1993, 216)

    Periode: 1993

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.8.2 Handelingen ingevolge het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel

    (art. 15 WTVRP)

    637.

    Handeling: het voeren van overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie

    Grondslag: art. 2.1 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B1,5

    641.

    Handeling: het uitvoeren van het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Grondslag: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    8.1.8.3 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend

    directeur van politie

    (art 51-54 PW)

    550.

    Handeling: het erop toezien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taken met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en ter uitvoering van wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie is belast, naar behoren vervult.

    Grondslag: – art. 11.1 en 12 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 52 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 15 jaar

    553.

    Handeling: het de Minister van Justitie ervan in kennis stellen wanneer hem blijkt dat de politie haar taak niet op juiste wijze vervult

    Grondslag: – art. 11.4 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 53.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B4

    554.

    Handeling: het voeren van overleg met de Commissaris van de Koningin inzake de politie en de vervulling van haar taak

    Grondslag: – art. 11.2 en art. 14 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 54.1 en 54.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    555.

    Handeling: het overleggen met zijn ambtgenoten indien de Minister van Justitie dat wenselijk acht

    Grondslag: art. 11.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    Periode: 1945–1957

    Waardering: V, 10 jaar

    8.2 Actor: Adviescommissies verkeerstoezicht

    508.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken met betrekking tot bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht

    Grondslag: art. 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1969–1993

    Waardering: B1

    8.3 Actor: Commissie Politiewetgeving (commissie Langemeyer)

    2.

    Handeling: het evalueren van de politiewetgeving

    Grondslag: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

    Periode: 1948

    Waardering: B2

    8.4 Actor: Stuurgroep Reorganisatie Politie

    597.

    Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden met betrekking tot het reorganisatieproces

    Grondslag: art. 2 Instellingsbeschikking stuurgroep reorganisatie politie (Stcrt. 1990, 52) (Stcrt. 1991, 168)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: B1

    Financiering politie

    8.5 Actor: Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)

    44.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën over maatregelen om een verantwoord evenwicht te verkrijgen tussen de uitkeringen en uitgaven voor gemeentelijke materiële politiekosten

    Grondslag: art. 2 van de instellingsbeschikking van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën (Stcrt. 172, 1975)

    Periode: 1975-1979

    Waardering: B5

    Samenwerking

    8.6 Actor: Begeleidingscommissie samenwerking politie

    464.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen en het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen

    Grondslag: art. 2 beschikking Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, respectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)

    Periode: 1978–1993

    Waardering: B1

    8.7 Actor: Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

    484.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het te voeren beleid inzake misdaadvoorkoming

    Grondslag: – art. 8 Regeling politiële misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    – art. 2 Beschikking instelling Centrale Commissie Misdaadvoorkoming (Stcrt. 4, 1980)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: B1

    Kleding

    8.8 Actor: Politiekledingcommissie

    423.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie over het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten

    Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Periode: 1977–1993

    Waardering: B5

    424.

    Handeling: het houden van toezicht op het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten

    Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

    Periode: 1977–1993

    Waardering: B5: jaarverslagen

    V, 10 jaar: overig

    Geneeskundige verzorging

    8.9 Actor: Commissie Geneeskundige Verzorging Politie

    224.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de bepaling van groepen ambtenaren of arbeidscontractanten op wie het besluit geneeskundige verzorging politie van toepassing is

    Grondslag: – art. 2.2 en 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 2.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1971–1993

    Waardering: B5

    227.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft.

    Grondslag: art. 6.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1984–1993

    Waardering: V 5 jaar

    235.

    Handeling: het beheren van de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

    Grondslag: – art. 9.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 1.2 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B5: de notulen en de begrotingen, jaarverslagen en de jaarrekeningen van de Commissie

    V, 10 jaar: overig

    236.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de geneeskundige verzorging van de politie

    Grondslag: – art. 9.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 1.2 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1949–1993

    Waardering: B1

    239.

    Handeling: het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter en een secretaris

    Grondslag: – art. 9.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 11.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    – art. 6 of 7 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

    Periode: 1979–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    240.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming, schorsing en ontslag van adviseurs of medewerkers en de administrateur van de commissie GVP

    Grondslag: – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    – art. 4.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 4.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 9.3 en 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 11.4 en 12 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343)

    Periode: 1949–1984

    Waardering: V, 10 jaar

    241.

    Handeling: het afwikkelen van de opheffing per 1 april 1946 van het Nederlands Politieziekenfonds en van de opheffing per 1 januari 1949 van het Fonds Geneeskundige Verzorging.

    Grondslag: art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie (Stb. 1949, J 171)

    Periode: 1949–1951

    Waardering: B4: opheffingsbesluit

    Overig: V, 10 jaar na opheffing

    242.

    Handeling: het doen van een voorstel aan de Minister van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer

    Grondslag: – art. 11 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22)

    – art. 7.4 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel (Stb. 1954, 95)

    – art. 10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stb. 1957, 554)

    – art. 7.3 Interimbesluit Geneeskundige Verzorging Gepensioneerd Politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 555)

    – art. 7.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607)

    – art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    245.

    Handeling: het doen van een voorstel aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer moet bedragen

    Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    248.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP dient te worden afgedragen

    Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    250.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is

    Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    253.

    Handeling: het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen

    Grondslag: art. 10a.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555) en vervallen bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    Periode: 1975–1980

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil

    8.10 Actor: Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie

    254.

    Handeling: het beslissen over geschillen tussen de deelnemer en de commissie GVP inzake de toepassing van de uitvoeringsregelen

    Grondslag: – art. 10a Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)

    – art. 13 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil

    Georganiseerd overleg

    8.11 Actor: Commissie Georganiseerd Overleg Politie

    282.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming van de secretaris van de Commissie GOP

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 4.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1974–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    288.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1961–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    292.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd

    Grondslag: – art. 7.1 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 2.1 en 7.1 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 2.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (BOM) (Stb. 1985,

    Periode: 1961–1993

    Waardering: B5: notulen

    V, 10 jaar: overig

    298.

    Handeling: het adviseren van de Centrale Commissie over alle onderwerpen die haar door deze zijn voorgelegd

    Grondslag: art. 7.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    Periode: 1961–1974

    Waardering: B5

    308.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie

    Grondslag: art. 20 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    310.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 27.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 23.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1963–1985

    Waardering: V, 10 jaar

    318.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent het treffen van voorzieningen voor het functioneren van een dienstcommissie, voordat het reglement van een dienstcommissie in werking treedt

    Grondslag: art. 43 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V 10 jaar

    323.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    Periode: 1963–1974

    Waardering: V, 10 jaar

    648.

    Handeling: het voorbereiden van besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid;

    het leveren van bijdragen aan het overleg met de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken (CGOA) over nieuwe beleidsvoornemens voor politiepersoneelsaangelegenheden

    Grondslag: art. 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    649.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid

    Grondslag: art. 3.1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: B 1

    650.

    Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken over voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren

    Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)

    Periode: 1994–

    Waardering: V 5 jaar

    Actor: Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

    288.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg

    Grondslag: – art. 4.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)

    – art. 3.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 3.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    – art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    294.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

    Politie

    Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

    Periode: 1990–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    8.12 Actor: Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

    638.

    Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie

    Grondslag: art. 2.1 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    8.13 Actor: College van Advies Georganiseerd Overleg

    310.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)

    – art. 27.4 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)

    – art. 23.2 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    312.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over een voorgenomen onthouding van goedkeuring van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 24.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    314.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommissie

    bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

    Grondslag: art. 25-28, 30.1, 31.2, 33.3, 38.5 en 74.10 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

    Periode: 1985–1993

    Waardering: B5

    8.14 Actor: Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de politie

    183.

    Handeling: het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen een disciplinaire straf op te leggen aan bij KB benoemde ambtenaren

    Grondslag: Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie , art. 2 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)

    Periode: 1993–

    Waardering: V, 10 jaar

    185.

    Handeling: het adviseren van de Minister-president, de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie omtrent het ontslag van een ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen

    Grondslag: – art. 93.3 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 120.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 119.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 121.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 119.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    – art. 2 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    8.15 Actor: Commissie KLPD

    640.

    Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie, uitsluitend het KLPD betreffen en die bovendien niet ontleend zijn aan het overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd overleg

    Grondslag: art. 2.3 Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    Opleiding

    8.16 Actor: Commissie van Advies Politiepersoneel

    339.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over voorlichting en werving van lager politiepersoneel

    Grondslag: art. I Beschikking instelling Commissie van Advies Politiepersoneel (Stcrt. 1966, 244)

    Periode: 1966–1991

    Waardering: B5

    8.17 Actor: Centrale wervingscommissie gemeentepolitie

    340.

    Handeling: het ontwerpen van plannen en procedures voor wervingsvoorlichting, werving en voorselectie van adspiranten van gemeentepolitie

    Grondslag: art. 1 Beschikking instelling Centrale wervingscommissie gemeentepolitie (Stcrt. 1972, 82)

    Periode: 1972–1991

    Waardering: B5

    8.18 Actor: Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut

    359.

    Handeling: het voeren van het beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie

    tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)

    Grondslag: art. 2.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: B5: de notulen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen

    V, 7 jaar: overig

    380.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het

    vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut

    Grondslag: art. 4 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    381.

    Handeling: het opstellen van jaarverslagen

    actor de Raad van Beheer

    Grondslag: – art. 2.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 5.5, 11.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: B3: jaarverslag

    Overige neerslag: V 7 jaar

    383.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut en over toelating tot het volgende cursusjaar

    Grondslag: – art. 5.3, art. 9 of art. 11 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.1 en 19.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 7 jaar

    392.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: B5

    396.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    actor Raad van Beheer

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    397.

    Handeling: het vaststellen van disciplinaire voorschriften

    Grondslag: – art. 8.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 11 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 5 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    Periode: 1963–1979

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    402.

    Handeling: het verwijderen van een leerling wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

    Grondslag: art. 8.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 7 jaar

    416.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    actor Raad van Beheer

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1949–1963

    Waardering: V, 10 jaar

    8.19 Actor: Raad van Bestuur Rijksopleidingsinstituut

    360.

    Handeling: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden

    Grondslag: art. 3.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: B5: toezichtrapporten en jaarverslagen

    V, 10 jaar: overig

    362.

    Handeling: het desgevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 9.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: B5

    381.

    Handeling: het opstellen van jaarverslagen

    actor de Raad van Bestuur

    Grondslag: – art. 2.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 5.5, 11.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: B3

    383.

    Handeling: het beslissen over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut en over toelating tot het volgende cursusjaar

    Grondslag: – art. 5.3, art. 9 of art. 11 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 12.1 en 19.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    390.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de benoeming of ontslag van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding

    Grondslag: art. 13.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    392.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    396.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld

    Grondslag: – art. 7.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 17 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1973

    Waardering: V, 7 jaar

    397.

    Handeling: het vaststellen van disciplinaire voorschriften

    Grondslag: – art. 8.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 11 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104)

    – art. 5 Ambtenarenreglement NPA 1971 (Stb. 1973, 119)

    Periode: 1963–1979

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    409.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie

    Grondslag: art. 20.3c Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals gewijzigd Stcrt. 1967, 113)

    Periode: 1967–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    416.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen

    Grondslag: – art. 10.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.2 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    Periode: 1963–1967

    Waardering: V, 10 jaar

    8.20 Actor: Curatorium NPA

    363.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over belangrijke aangelegenheden betreffende de opleiding aan de NPA

    Grondslag: – art. 2.2 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    – art. 18.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: B5

    381.

    Handeling: het opstellen van jaarverslagen

    Grondslag: – art. 2.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 5.5, 11.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: B3: jaarverslag

    Overige neerslag: V 7 jaar

    392.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 6.2 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 16 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 12.1 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 11 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V, 10 jaar

    8.21 Actor: Commissie van Voorbereiding opleidingsinstituut

    386.

    Handeling: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur/Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 5.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 15 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 3.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 6 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 5 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1949–1973

    Waardering: V, 10 jaar

    8.22 Actor: Selectiecommissie opleidingsinstituut

    386.

    Handeling: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur/Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut/NPA

    Grondslag: – art. 5.3 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 15 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

    – art. 3.1 Beschikking toelating NPA (Stcrt. 1973, 249)

    – art. 6 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    – art. 5 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)

    Periode: 1973–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    8.23 Actor: Begeleidingscommissie NPA

    364.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de directeur van de NPA terzake van het onderwijs aan de NPA

    Grondslag: art. 1 Beschikking instelling begeleidingscommissie NPA (APB 1974, 21)

    Periode: 1974–1978

    Waardering: V, 10 jaar

    8.24 Actor: Examencommissie opleidingsinstituut

    410.

    Handeling: het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

    Grondslag: – art. 10.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

    – art. 20.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), vernummerd tot art. 20.3a (Stcrt. 1967, 113)

    – art. 23.1a Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1949–1992

    Waardering: V, 7 jaar

    8.25 Actor: Commissie van Gecommitteerden

    413.

    Handeling: het houden van toezicht op het afnemen van de examens door de examencommissie

    Grondslag: – art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd 1967, 113

    – art. 23.2 Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149)

    Periode: 1967–1990

    Waardering: V, 5 jaar

    8.26 Actor: Begeleidingscommissie Opleidingsinstellingen

    575.

    Handeling: het adviseren van de Bestuursraad LSOP over de aanbevelingen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de voordracht tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van directeuren van de opleidingsinstellingen

    Grondslag: art. 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    589.

    Handeling: het adviseren van de Bestuursraad over het werkplan voor een opleiding die het LSOP verzorgt

    Grondslag: art. 75.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    8.27 Actor: Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren

    365.

    Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de directeur van het politiestudiecentrum terzake van het functioneren van het centrum

    Grondslag: art. 1 Beschikking instelling begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren (APB 1974, 20)

    Periode: 1974–1992

    Waardering: V, 10 jaar

    8.28 Actor: Bestuursraad LSOP

    557.

    Handeling: het verzorgen van basisopleidingen, door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken aan te wijzen vervolgopleidingen en andere opleidingen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie en andere categorieën van personen

    Grondslag: art. 66.1 en 66.6 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5: notulen en jaarverslagen

    V, 10 jaar: overig

    558.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de aanwijzing van andere door het LSOP te verzorgen opleidingen dan de basisopleidingen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie en andere categorieën van personen

    Grondslag: art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    560.

    Handeling: het verzorgen van de selectie en de uitvoering van landelijke wervingsactiviteiten

    Grondslag: art. 66.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5: een exemplaar wervingsmateriaal

    V, 5 jaar: overig

    561.

    Handeling: het voeren van het beheer en de coördinatie van het selectiecentrum, instellingen voor de basisopleidingen en andere door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken aangewezen instellingen voor opleidingen

    Grondslag: art. 66.3 en 66.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5: begrotingen, jaarrekeningen en jaarverslagen

    V, 7 jaar: overig

    565.

    Handeling: het met betrekking tot door de Minister van Justitie of de Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen categorieën van personen verzorgen van de selectie of van een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    actor Bestuursraad LSOP

    Grondslag: art. 68.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    567.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie of de Minister van Binnenlandse Zaken over de bepaling dat met betrekking tot door de Ministers aan te wijzen categorieën van personen het LSOP de selectie of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) verzorgt, of over de duur en eindtermen van deze opleiding

    actor Bestuursraad LSOP

    Grondslag: art. 68.2 en 75.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    569.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden op het gebied van de selectie, het onderwijs en de landelijke werving van de politie

    Grondslag: art. 70.5 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B5

    570.

    Handeling: het instellen, wijzigen of opheffen van een begeleidingscommissie ten behoeve van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs

    Grondslag: art. 72 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B4

    572.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een reglement over het bestuur en de inrichting van het LSOP

    Grondslag: art. 73.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B4

    573.

    Handeling: het doen van aanbevelingen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de voordracht tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van leden van de directie van het LSOP en van directeuren van de opleidingsinstellingen

    Grondslag: art. 74.2 en 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    581.

    Handeling: het toekennen van een non-activiteitswedde aan het ambtenaar aangesteld bij het LSOP

    Grondslag: art. 13.1 Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    582.

    Handeling: het opleggen of verlenen van ontslag van een ambtenaar aangesteld bij het LSOP

    Grondslag: art. 118 van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    586.

    Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 66.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Grondslag: art. 75.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V 10 jaar

    590.

    Handeling: het vaststellen of wijzigen van een werkplan voor iedere opleiding die het LSOP verzorgt, en het vaststellen van het aantal tot de opleidingen toe te laten cursisten

    Grondslag: art. 75.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    591.

    Handeling: het vaststellen van een begroting, een jaarrekening en beleidsoverzichten en het verstrekken van inlichtingen

    Grondslag: art. 76.2, 76.3 en 78 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: B4

    8.29 Actor: Directie LSOP

    571.

    Handeling: het adviseren van de Bestuursraad LSOP over het reglement over het bestuur en de inrichting van het LSOP

    Grondslag: art. 73.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    576.

    Handeling: het benoemen of ontslaan van een ambtenaar in dienst van het LSOP

    Grondslag: art. 74.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering van de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    577.

    Handeling: het verzoeken aan de burgemeester of aan de Minister van Justitie om plaatsing van een ambtenaar van respectievelijk gemeente- of rijkspolitie bij het LSOP

    Grondslag: art. 74.5 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    581.

    Handeling: het toekennen van een non-activiteitswedde aan het ambtenaar aangesteld bij het LSOP

    Grondslag: art. 13.1 Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    582.

    Handeling: het opleggen of verlenen van ontslag van een ambtenaar aangesteld bij het LSOP

    Grondslag: art. 118 van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)

    Periode: 1992–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    8.30 Actor: Redactieraad APB

    355.

    Handeling: het doen van voorstellen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de uitgaven van het APB

    Grondslag: art. 4.2 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    357.

    Handeling: het jaarlijks uitbrengen van verslag aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

    Grondslag: art. 11 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

    Periode: 1975–1993

    Waardering: B3: verslag

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    Externe adviescommissies

    8.31 Actor: Adviescommissies

    618.

    Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie en/of Binnenlandse Zaken over aspecten op het beleidsterrein politie

    Grondslag: instellingsbesluit

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    9. C: Actor onder de zorg van de Minister van Financiën

    9.1 Actor: Minister van Financiën

    43.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke aan gemeenten met gemeentepolitie een rijksbijdrage beschikbaar gesteld wordt ter tegemoetkoming in of tot goedmaking van de gemeentelijke kosten terzake van de politie

    Grondslag: a. art. III Wet van 15 juli 1948 tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën (Stb. I 307), vervallen bij Wet van 20 juli 1968 (Stb. 734)

    b. art. 9a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)

    Periode: 1948–1993

    Product: a. Besluit Vergoeding Politiekosten 1950

    – Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954

    b. Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) houdende dat het Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957

    – Besluit van 5 oktober 1978 (Stb 550, 1978) houdende dat het Besluit Vergoeding kosten reservepolitie 1954 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957

    – Besluit Vergoeding Politiekosten 1986

    – Regeling Bijzondere Opsporingskosten Politie 1989 (Stcrt. 91, 1989)

    Waardering: B5

    46.

    Handeling: het vaststellen van de gemeentelijke politiekosten voor personeel, kindertoelagen, materieel en opleiding en het zonodig vaststellen van voorlopige uitkeringsbedragen

    Grondslag: art. 3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397)

    Periode: 1961–86

    Waardering: V, 7 jaar

    48.

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van kosten voortvloeiend uit het verlenen van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 6ter Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij Besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397), gewijzigd bij Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    Periode: 1961–1985

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    50.

    Handeling: het overeenstemmen over het vergoeden van bijzondere bijstandskosten van gemeentelijke politiekorpsen

    Grondslag: art. 3.1f Beschikking Bijstandskosten Gemeentepolitie (Stcrt. 240, 1964), (Stcrt. 239, 1973)

    Periode: 1964–1980

    Waardering: B5

    51

    Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn

    Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)

    b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1980–1993

    Product: – bijdrageregeling automatisering gemeentepolitie (Stcrt. 251, 1988)

    – Besluit Vaststelling ruimtelijke, bouwkundige en financiële normen voor nieuwbouw van politiebureaus voor gemeentelijke korpsen (Stcrt. 5, 1987)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    54.

    Handeling: het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn

    Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)

    b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1980–1993

    Waardering: V, 7 jaar

    56.

    Handeling: het in bijzondere gevallen toekennen aan een gemeente van een buitengewone uitkering, alsmede het vaststellen van het bedrag van die uitkering

    actor Minister van Financiën (1950-1986)

    Grondslag: a. art. 8 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    a. art. 7 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)

    b. art. 14.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

    Periode: 1948–1993

    Product: Compensatieregeling PKP (Project Kwantificering Politiewerk) Sterktereductie (Stcrt. 157, 1989)

    Waardering: V, 10 jaar

    344.

    Handeling: het vaststellen van een vergoeding voor de leden van de examencommissies en de gecommitteerden

    actor Minister van Financiën

    Grondslag: – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie (Stb. 1953, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

    – art. 5.2 Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964 (Stb. 1964, 397)

    Periode: 1953–1993

    Product: Bijvoorbeeld:

    Beschikking vaststelling vacatiegeld examencommissies politiediploma’s (Stcrt. 1978, 97)

    Waardering: V, 7 jaar

    10. D: Actor onder de zorg van de Minister van Algemene Zaken

    10.1 Actor: Minister-president

    10.1.1 Organisatie en beheer

    10.1.1.1 Schorsing en ontslag

    184.

    Handeling: het doen van voordracht of het machtigen tot het verlenen van eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen

    Grondslag: – art. 93.3 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 120.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 119.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 121.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 119.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.

    Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

    187.

    Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

    Grondslag: – art. 93.4 ARGP (Stb. 1953, 74)

    – art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)

    – art. 120.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)

    – art. 119.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)

    – art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)

    – art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)

    Periode: 1953–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    11. E: Actor onder de zorg van de Minister van Defensie

    11.1 Actor: Minister van Defensie

    11.1.1 Algemene handelingen

    11.1.1.1Beleidsontwikkeling en evaluatie

    1.

    Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: bijvoorbeeld: beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties.

    Waardering: B1

    11.1.1.2 Totstandkoming regelgeving

    4.

    Handeling: het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B1

    11.1.1.3 Verantwoording van beleid

    5.

    Handeling: het opstellen van periodieke verslagen inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

    Waardering: B3

    6.

    Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: brieven, notities

    Waardering: B2

    7.

    Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: brieven, notities

    Waardering: B5

    8.

    Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter

    Periode: 1945–1993

    Waardering: B5

    11.1.1.4 Internationaal beleid

    9.

    Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

    Periode: 1945–1993

    Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

    Opmerking: Voor handelingen voortvloeiend uit de regelingen op het terrein van de internationale politiële samenwerking zij verwezen naar paragraaf 3.2.5 van deel 2.

    Waardering: B5

    11.1.1.5 Informatieverstrekking

    10.

    Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: brieven, notities

    Waardering: V, 3 jaar

    11.1.1.6 Onderzoek

    11.

    Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: nota’s, notities, onderzoeksrapporten

    Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B1

    Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    12.

    Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie

    Periode: 1945–1993

    Product: nota’s, notities

    Waardering: V, 10 jaar na afronding onderzoek

    11.1.2 Organisatie en beheer

    11.1.2.1 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie

    Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.

    208.

    Handeling: het, in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken, bepalen van categorieën van personen behorend tot zee-, land,- of luchtmacht die kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van respectievelijk reserve-rijkspolitie en reserve-gemeentepolitie

    Grondslag: art. 4.1d en 40d Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: B4

    11.1.3 Taak & Bevoegdheden

    (art. 28-34)

    11.1.3.1 Taak en bevoegdheden in het algemeen

    436.

    Handeling: het overeenstemmen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee

    Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V, 5 jaar

    448.

    Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen

    Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    Periode: 1954–

    Waardering: B4

    449.

    Handeling: het voordragen tot Algemene Maatregelen van Bestuur waarbij personen worden aangewezen als behorend tot de andere dan de Nederlandse strijdkrachten en tot internationale hoofdkwartieren

    Grondslag: NAVO-Statusverdrag, (Tractatenblad 1951, 114)

    Periode: 1951–1993

    Waardering: B1

    452.

    Handeling: het geven van opdracht aan de Koninklijke marechaussee tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse bank NV

    Grondslag: – art. 32.1f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1g bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.8 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals bijgevoegd bij besluit van 12 september 1968 (Stb. 470)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    462.

    Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie

    Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B5

    11.1.3.2 Handelingen om de orde strafrechtelijk te handhaven

    Wetboek van strafvordering

    487.

    Handeling: het bepalen van de gevallen waarin de (onder)officieren van de Koninklijke Marechaussee en de door de Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen andere militairen van dat wapen, met de opsporing van strafbare feiten zijn belast

    Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1993

    Waardering: V, 10 jaar

    488.

    Handeling: het aanwijzen van andere militairen van de Koninklijke Marechaussee dan (onder)officieren om strafbare feiten op te sporen in door de Ministers van Justitie en van Defensie te bepalen gevallen

    Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Product: – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)

    – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren politie en marechaussee 1982 (Stcrt. 1981, 251)

    Waardering: V, 10 jaar

    495.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie over de aanwijzing van een onderofficier van de Koninklijke Marechaussee tot hulpofficier van Justitie

    Grondslag: art. 154.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)

    Periode: 1945–1994

    Waardering: V, 5 jaar

    11.1.4 Verlenen van bijstand

    11.1.4.1 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde

    538.

    Handeling: het beschikken op vordering of aanvraag omtrent het verlenen van bijstand door personeel van de Koninklijke Marechaussee of ander krijgsvolk ten behoeve van de handhaving van de openbare orde

    Grondslag: – art. 15 en art. 17 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

    – art. 47.2 en 48.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) en 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1d bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)

    – art. 1.4 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45)

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: hiertoe geeft de Minister van Defensie een last aan de bevelhebber van een krijgsmachtdeel, die de bijstand voorbereidt. Een militaire commandant verleent de feitelijke bijstand.

    Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    541.

    Vervallen.

    543.

    Handeling: het op vordering van het bevoegd gezag, in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, beschikbaar stellen van militair personeel en/of materiaal ten behoeve van het verlenen van militaire bijstand

    Grondslag: art. 146.2 Wetboek van Strafvordering

    Periode: 1945–1993

    Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.

    Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen

    Overige neerslag: V, 10 jaar

    546.

    Handeling: het instemmen met de Minister van Justitie inzake de bepaling van de wijze waarop in bijzondere gevallen door de Koninklijke Marechaussee bijstand wordt verleend voor de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

    Grondslag: art. 50a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

    Periode: 1988–1993

    Waardering: B5

    548.

    Handeling: het overeenstemmen met Procureur-Generaal over de aanwijzing van militairen van de Koninklijke marechaussee om in bijzondere gevallen bijstand te verlenen aan de politie ter opsporing van strafbare feiten

    Grondslag: art. 1.2 of 2.3 Beschikking Opsporingsbijstand Marechaussee (Stcrt. 1989, 222)

    Periode: 1989–1993

    Waardering: B5

    12. F: VakMinister

    214.

    Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de aanwijzing van een bewakingskern

    Grondslag: art. 2.1b en c Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)

    Periode: 1964–1993

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing

  • ^ [1]

    J.M. Boek, 284

  • ^ [2]

    J.M. Boek, 287

  • ^ [3]

    ‘Nauwere samenwerking rijks- en gemeentepolitie in afwachting van gewestvorming’, in APB, 1975, jg. 124, no. 9, 207.

  • ^ [4]

    Zie: W.A.J. Gooren, De organisatie van de reorganisatie, Tilburg.