Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007[Regeling materieel uitgewerkt per 01-01-2012.][Regeling vervallen per 01-01-2015.]

Geldend van 01-01-2009 t/m 31-12-2014

Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007

Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 13 september 2007;

Gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2015]

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007, over en verstaat daarnaast onder ondernemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een leghennenbedrijf uitoefent.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2015]

De in artikel 2, derde lid, van de Verordening bedoelde eisen waaraan de ondernemer die zijn leghennen in kooien houdt, heeft te voldoen, zijn opgenomen in Bijlage I.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter dan 2,0 maar kleiner dan of gelijk aan 3,0 is, dan wordt door een professioneel ontsmettingsbedrijf de stal opnieuw ontsmet. Daarna mag een nieuw koppel leghennen worden geplaatst.

  • 3 Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter is dan 3,0 dan dient de stal door een professioneel ontsmettingsbedrijf opnieuw te worden ontsmet. Na het ontsmetten wordt opnieuw een hygiënogram uitgevoerd. Een nieuw koppel leghennen mag alleen dan worden opgezet, indien de uitslag van het hygiënogram kleiner dan of gelijk is aan 2,0.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 3 Indien met de in het eerste lid en tweede lid bedoelde onderzoeken de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium worden aangetoond, handelt de ondernemer overeenkomstig Bijlage II, hoofdstuk 2.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2015]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2015]

Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is bevestigd in een meerleeftijdenleghennenstal, mag de ondernemer geen leghennen in de meerleeftijdenleghennenstal plaatsen voordat de tijdens de besmetting aanwezige leghennen van het bedrijf zijn afgevoerd.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Indien de ondernemer graan aan leghennen voert dat afkomstig is van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig is van een andere teler, bewaart de ondernemer een monster van iedere partij graan. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium is bevestigd bij een koppel leghennen, wordt het bewaarde monster graan onderzocht op de aanwezigheid van de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, overeenkomstig het werkvoorschrift zoals opgenomen in Bijlage III.

  • 2 Indien uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat de partij graan besmet is met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, mag de ondernemer deze partij graan niet aan de leghennen voeren.

  • 3 Indien de ondernemer de in het tweede lid bedoelde partij graan zodanig heeft behandeld dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, en na deze behandeling een tweede onderzoek overeenkomstig het in Bijlage III opgenomen werkvoorschrift bevestigd dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, mag de ondernemer deze partij aan de leghennen voeren.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1 Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007.

  • 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, waarin het wordt geplaatst.

Zoetermeer, 13 september 2007

R.J. Gijsen

plv. voorzitter

B.M. Dellaert

secretaris

Bijlage I. : Hygiënemaatregelen kooihuisvesting [Vervallen per 01-01-2015]

De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:

Optie A: hvgiënesluis per bedrijfsgebouw [Vervallen per 01-01-2015]

Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waarin het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn.

Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden

Optie B: hvgiënesluis per bedrijf [Vervallen per 01-01-2015]

Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.

Bijlage II. : Onderzoeksprogramma leghennenbedrijven [Vervallen per 01-01-2015]

1. Omschrijving van de onderzoeken [Vervallen per 01-01-2015]

De ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent (hierna ondernemer) dient de op het pluimveebedrijf aanwezige koppels leghennen te (laten) onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis (Se) en Salmonella typhimurium (St). De onderzoeken bestaan uit een regulier onderzoek en een officieel onderzoek. In dit hoofdstuk worden deze twee typen onderzoeken nader uitgelegd.

1.1. Regulier onderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

Het reguliere onderzoek in het kort:

Monsternemer

de ondernemer zelf

Wanneer

bij elke koppel leghennen vanaf 24 weken leeftijd ( + 1-2 weken), iedere 15 weken tot einde leg

Hoe

kooihuisvesting: 2x 150 gram mest per stal (methode 1) grondhuisvesting: 2 paar overschoentjes per stal (methode 2)

Analyse

door de voorzitter PPE erkend laboratorium

Uitslag

positieve uitslag direct (uiterlijk de volgende werkdag) melden aan GD, afnemer en Productschap; negatieve uitslag uiterlijk de volgende werkdag melden aan afnemer en het Productschap.

In hoofdstuk 4 staat omschreven hoe een regulier onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit kan volgens 2 methoden: één voor kooihuisvestingssystemen (methode 1) en één voor grondhuisvesting (methode 2). In 4.4 t/m 4.6 staan de vervolgstappen na een onderzoek omschreven.

1.2. Officieel onderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

Het officiële onderzoek in het kort:

Monsternemer

afhankelijk van aanleiding monstername door GD of HOSOWO instantie;

Wanneer

standaard 1 keer per jaar, in bijzondere gevallen vaker (zie 1.2a);

Hoe

stofmonster en indien nodig aangevuld met: kooihuisvesting: 2 x 150 gram mest per stal (methode 1) grondhuisvesting: 2 paar overschoentjes per stal (methode 2)

Analyse

afhankelijk van aanleiding monstername bij GD of door de voorzitter PPE erkend laboratorium

Uitslag

positieve uitslag direct (uiterlijk de volgende werkdag) melden aan GD, afnemer en het Productschap; negatieve uitslag uiterlijk de volgende werkdag melden aan afnemer en het Productschap.

In hoofdstuk 4.3 (methode 3) staat omschreven hoe een officieel onderzoek uitgevoerd dient te worden. In 4.4 t/m 4.6 staan de vervolgstappen na een onderzoek omschreven.

1.2a. Wanneer officieel onderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

In de volgende 5 gevallen vindt er een officieel onderzoek plaats:

  • 1. Bij één koppel per jaar per bedrijf dat tenminste 1000 dieren omvat.

    • a) Aansturing van deze jaarlijkse officiële monstername gebeurt door GD.

    • b) Monstername moet uitgevoerd worden door een HOSOWO-instantie erkend voor het uitvoeren van een officieel onderzoek of door GD.

    • c) Monsters dienen door een de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium geanalyseerd te worden.

    • d) Monster kan ingepland worden in de plaats van het 15-wekelijkse regulier onderzoek voor dat koppel.

  • 2. Op de leeftijd van 24 weken bij een koppel dat gehuisvest is in een gebouw waarin bij een vorig koppel Se of St is aangetroffen.

    • a) Aansturing vanuit de GD.

    • b) Monstername en analyse moet uitgevoerd worden door GD.

    • c) Er wordt tevens gecontroleerd op het gebruik van antimicrobiële stoffen en middelen met een bacteriegroeiremmend effect.

    • d) Onderzoek komt in de plaats van het reguliere onderzoek door de ondernemer bij dat koppel.

  • 3. Bij ieder vermoeden van besmetting met Se of St naar aanleiding van een epidemiologisch onderzoek van uitbraken door voedsel overgedragen zoönoses overeenkomstig Artikel 8 van Richtlijn 2003/99/EG

    • a) Aansturing vanuit het Productschap.

    • b) Monstername en analyse moet uitgevoerd worden door GD.

    • c) Er wordt tevens gecontroleerd op het gebruik van antimicrobiële stoffen en middelen met een bacteriegroeiremmend effect.

    • d) Onderzoek komt niet in de plaats van het reguliere onderzoek door de ondernemer.

  • 4. Bij andere koppels leghennen op een bedrijf indien na een verificatie onderzoek de serotypes Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium op dat bedrijf zijn aangetroffen.

    • a) Aansturing vanuit het Productschap.

    • b) Monstername en analyse moet uitgevoerd worden door GD.

    • c) Er wordt tevens gecontroleerd op het gebruik van antimicrobiële stoffen en middelen met een bacteriegroeiremmend effect.

    • d) Onderzoek komt niet in de plaats van het reguliere onderzoek door de ondernemer

    • e) Dit officieel onderzoek hoeft niet uitgevoerd te worden bij die koppels op het bedrijf, waarvan een negatieve uitslag aanwezig is van een regulier onderzoek niet ouder dan 4 weken op moment van uitslag verificatie onderzoek.

  • 5. Indien het Productschap dit nodig acht.

    • a) Aansturing vanuit Productschap.

    • b) Monstername moet uitgevoerd en geanalyseerd worden door GD.

    Onderzoek komt niet in de plaats van het reguliere onderzoek door de ondernemer.

2. Actie bij positieve bevindingen [Vervallen per 01-01-2015]

In dit hoofdstuk wordt omschreven wat een ondernemer moet doen indien uit een regulier- of officieel onderzoek blijkt dat een monster besmet is met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium.

2.1. Vervolgstappen bij een verdenking [Vervallen per 01-01-2015]

Indien uit het regulier of officieel onderzoek, zoals genoemd onder 1 'Monstername en analyse', blijkt dat een monster met Se of St is besmet, dan krijgt het betreffende koppel de status verdacht. Indien bij een officieel onderzoek geen besmetting met Se of St is aangetoond, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, dan krijgt het betreffende koppel ook de status verdacht. Zodra de ondernemer bericht over een verdenking ontvangt van de GD of het door de voorzitter van het Productschap erkende laboratorium, mogen de eieren van het betreffende koppel vanaf die dag niet meer afgezet worden als consumptieeieren. De ondernemer kan er voor kiezen om de eieren vast te houden op zijn bedrijf óf de eieren te laten verwerken (afzet eiproductenindustrie).

De ondernemer dient een verdenking uiterlijk de volgende werkdag te melden bij het Productschap en GD. Daarnaast brengt de ondernemer de afnemer van de eieren op de hoogte van de verdenking.

2.2. Verificatie onderzoek door GD [Vervallen per 01-01-2015]

Nadat de ondernemer de verdenking van een Se en/of St besmetting heeft gemeld bij het Productschap en GD, voert GD vervolgens in opdracht van de voorzitter van het Productschap een verificatieonderzoek uit. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat uiterlijk de volgende werkdag na het melden van de besmetting aan GD. In Hoofdstuk 4.7 staat omschreven hoe een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd. Indien het verificatieonderzoek de aanwezigheid van Se en/of St bij een koppel bevestigt, krijgt het koppel de status besmet. Indien bij een verificatieonderzoek géén besmetting met Se of St is aangetoond, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, dan krijgt het betreffende koppel ook de status besmet. Indien de uitslag van het verificatieonderzoek de aanwezigheid van Se of St niet bevestigt, wordt de verdenking opgeheven en mogen de eieren weer afgezet worden als consumptie eieren.

Het uitvoeren van een verificatieonderzoek is niet verplicht. Indien de ondernemer geen verificatieonderzoek wil laten uitvoeren, wordt de verdenking direct omgezet in een besmetting, (zie voor de vervolgstappen Hoofdstuk 2.3).

2.3. Vervolgstappen bij een besmetting [Vervallen per 01-01-2015]

2.3.1. Kanalisatie van eieren [Vervallen per 01-01-2015]

Als de uitslag van het verificatie onderzoek een besmetting met Salmonelle enteritidis en/of Samonella typhimurium bij een koppel bevestigt, geeft GD dit onmiddellijk door aan de pluimveehouder en het Productschap. De voorzitter van het Productschap gelast de ondernemer vervolgens de consumptie-eieren van het betrokken koppel te laten verwerken (d.w.z. afzetten naar de eiproductenindustrie of een andere effectieve behandeling laten ondergaan) of te vernietigen. De ondernemer is verder verplicht om afschriften van zijn afleverbonnen van de eieren van het betreffende koppel aan het Productschap te sturen.

2.3.2. Hygiënemaatregelen [Vervallen per 01-01-2015]

Nadat een besmet koppel is afgevoerd uit de stal, dient de ondernemer de in artikel 8 van de Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij (PPE) 2007 omschreven hygiënemaatregelen te nemen. De ondernemer mag pas een nieuw koppel in de stal plaatsen als uit onderzoek zoals bedoeld in artikel 8, lid 7 van deze verordening (het zgn. swabonderzoek) is gebleken dat er geen Se of St in de stal meer wordt aangetoond. Plaatsing van een nieuw koppel in de stal dient binnen 5 werkdagen door de ondernemer aan het Productschap en GD te worden gemeld.

2.3.3. Merken van eieren [Vervallen per 01-01-2015]

Eieren afkomstig van een met Se of St besmet koppel leghennen worden beschouwd als klasse B eieren. Deze eieren moeten op het bedrijf van de ondernemer worden gemerkt volgens Verordening (EG) 557/2007. Hierbij kan gekozen worden uit 2 opties:

  • 1. Een letter "B" met een hoogte van ten minste 5mm met daar om heen een cirkel met een diameter van ten minste 12mm;

  • 2. Een goed zichtbare gekleurde punt met een diameter van ten minste 5mm.

Daarnaast mogen de eieren voorzien worden van de producentencode.

2.4. Opheffen besmetting [Vervallen per 01-01-2015]

Indien bij een volgend mestonderzoek bij een koppel met de status besmet geen besmetting met Se of St wordt aangetoond, dan kan de ondernemer de GD verzoeken een verificatie onderzoek uit te voeren. Indien dit verificatieonderzoek geen besmetting aantoont, dan trekt de voorzitter de last tot verwerking of vernietiging van de consumptie-eieren van het betreffende koppel in.

3. Doorgifte analyse resultaten [Vervallen per 01-01-2015]

3.1. Reguliere onderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

De positieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap, GD en de afnemer van de consumptie-eieren. Daarnaast dienen bij positieve uitslagen de acties als omschreven in 2.1 te worden uitgevoerd. De negatieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap en de afnemer van de consumptie-eieren.

3.2. Officiële monstername [Vervallen per 01-01-2015]

De positieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap, GD en de afnemer van de consumptie-eieren. Daarnaast dienen bij positieve uitslagen de acties als omschreven in 2.1 te worden uitgevoerd. De negatieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap en de afnemer van de consumptie-eieren.

3.3. Verificatieonderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 werkdagen na ontvangst van de monsters bij GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het Productschap. De pluimveehouder meldt de uitslag direct schriftelijk aan de afnemer van de consumptie-eieren.

4. Werkvoorschrift voor het uitvoeren van de onderzoeken [Vervallen per 01-01-2015]

Dit hoofdstuk beschrijft het werkvoorschrift voor de uitvoering van het onderzoek naar Salmonella bij leghennen (zie hoofdstuk 1). De monsters worden genomen door of namens de ondernemer (reguliere monstername) dan wel door GD of een HOSOWO-instantie (officiële monstername). In hoofdstuk 1 is omschreven wie, wanneer een monstername moet uitvoeren. Het reguliere onderzoek door of namens de ondernemer en het officiële onderzoek zoals beschreven onder hoofdstuk 1.2a sub 1 moet, afhankelijk van het huisvestingssysteem, plaatsvinden volgens methode 1 (Hoofdstuk 4.1) of methode 2 (Hoofdstuk 4.2). Het officiële onderzoek door GD als gevolg van een besmetting (Hoofdstuk 1.2a sub 2 tot en met 5) moet plaatsvinden volgens methode 3 (Hoofdstuk 4.3). Van alle monsternames worden steeds de benodigdheden, de werkwijze en de uitvoering van de monstername omschreven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het inzendformulier (Hoofdstuk 4.4), de verzending van de monsters (Hoofdstuk 4.5) en het laboratorium (Hoofdstuk 4.6). Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een omschrijving van het verificatie onderzoek (Hoofdstuk 4.7).

4.1. Methode 1: Monstername bij kooihuisvesting [Vervallen per 01-01-2015]

4.1.1. Benodigdheden [Vervallen per 01-01-2015]

Voor de monstername zijn de volgende benodigdheden noodzakelijk:

  • 1. steriele monsterpotten of plastic zakken;

  • 2. etiketten;

  • 3 inzendformulier.

4.1.2. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1. Per stal dienen twee monsters van elk minimaal 150 gram natuurlijk gemengde mest genomen te worden (dit is bruine, glimmende mest). Afhankelijk van het mestsysteem wordt de volgende werkwijze aangehouden:

    • a) Bij systemen met mestbanden of mestschrapers moeten die op de dag van bemonstering in werking worden gesteld voordat het monster wordt genomen.

    • b) Bij mestschrapers moeten de samengevoegde mestmonsters worden genomen na het afschrapen van de mestschraper.

    • c) Bij rapkooien zonder mestbanden of mestschrapers moeten de samengevoegde mestmonsters in de mestput worden bemonsterd.

    • d) Bij mestbanden worden de samengevoegde mestmonsters aan het eind van de band verzameld.

  • 2. De monsters worden evenredig verspreid over de stal vanaf de mestbanden of mestschrapers verzameld te worden.

4.1.3. Uitvoering [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1. de twee monsters, van elk minimaal 150 gram mest, worden verzameld in een steriele pot of zak zonder dat de mest met de handen aangeraakt wordt;

  • 2. deze pot of zak wordt direct na het vullen zorgvuldig afgesloten;

  • 3. de pot of zak wordt voorzien van een etiket met de volgende gegevens:

    • a) monsterdatum;

    • b) stalnummer;

    • c) type bedrijf (leghennen, kooihuisvesting), en

    • d) KIP-nummer.

Verder zijn voor methode 1, Hoofdstuk 4.4, 4.5 en 4.6 van toepassing.

4.2. Methode 2: Monstername bij grondhuisvesting [Vervallen per 01-01-2015]

4.2.1. Benodigdheden [Vervallen per 01-01-2015]

Voor de monstername zijn de volgende benodigdheden noodzakelijk:

  • 1. steriele overschoentjes die voldoende absorberend zijn;

  • 2. vloeistof (bv. 0,8% keukenzout +0,1% pepton in steriel gedeïoniseerd water, of steriel water)

  • 3. steriele plastic zakken

  • 4. etiketten.

  • 5. inzendformulier.

4.2.2. Werkwijze [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1. er dient per stal tweemaal bemonsterd te worden met een apart paar overschoentjes;

  • 2. het monster moet evenredig verspreid over de stal verzameld worden.

4.2.3. Uitvoering [Vervallen per 01-01-2015]

  • 1. was voor de monstername altijd uw handen;

  • 2. bevochtig het oppervlak van de overschoentjes met de vloeistof (zie 4.2.1, onderdeel 2).

  • 3. trek in de stal over het staleigen schoeisel een paar overschoentjes aan;

  • 4. loop een volledige ronde door de stal;

  • 5. per stal dienen twee paar overschoentjes te worden ingestuurd, herhaal stapt 1 t/m 4;

  • 6. doe de twee paar overschoentjes bij het verlaten van de stal in een steriele plastic pot of zak;

  • 7. sluit de pot of zak direct na het vullen zorgvuldig;

  • 8 voorzie de pot of zak van een etiket met de volgende gegevens:

    • a) monsterdatum;

    • b) stalnummer;

    • c) type bedrijf (leghennen, scharrel of vrije uitloop) en

    • d) KIP-nummer.

Verder zijn voor methode 2, Hoofdstuk 4.4, 4.5 en 4.6 van toepassing.

4.3. Methode 3: Officiële monstername door GD [Vervallen per 01-01-2015]

De uitvoering van de officiële monstername is gelijk aan de reguliere monstername met dien verstande dat per stal een extra mestmonster (bij kooihuisvesting) dan wel een extra paar overschoentjes (bij grondhuisvesting) genomen wordt. Alle monsters worden gepoold tot één.

In enkele gevallen (zie Hoofdstuk 1.2a sub 2 tot en met 4) dienen er per stal aselect 5 dieren te worden meegenomen. Deze worden onderzocht op de aanwezigheid van anti-microbiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.

4.4. Inzendformulier [Vervallen per 01-01-2015]

Elke inzending van reguliere én officiële monsters moet vergezeld gaan van een inzendformulier met minimaal de volgende gegevens:

  • 1. KIP-nummer en/of UBN-nummer;

  • 2. NAW-gegevens pluimveebedrijf

  • 3. type bedrijf (leghennen, kooihuisvesting / scharrel / vrije uitloop);

  • 4. monsterdatum;

  • 5. type monster (reguliere monstername / officiële monstername);

  • 6. stalnummer (per stal dient een apart inzendformulier gebruikt te worden)

  • 7. gewenst onderzoek (analyse op Salmonella en bij positieve uitslag, serotypering op Se/ St);

  • 8. vaccin type + vaccinatie datum (indien van toepassing);

  • 9. geboortedatum koppel.

4.5. Verzending monsters [Vervallen per 01-01-2015]

Bij verzending van monsters worden de volgende regels gehanteerd:

  • 1. de monsters moeten op de dag dat ze genomen worden verzonden worden naar een door de voorzitter erkend laboratorium;

  • 2. de monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden (volgens de landelijke verpakkingsinstructie diagnostische monsters) en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

4.6. Laboratorium [Vervallen per 01-01-2015]

Monsters dienen geanalyseerd te worden door een door de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium in het kader van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007. De monsters van het reguliere onderzoek (via methode 1 en 2) van elke stal worden op het pluimveebedrijf of het laboratorium gepoold tot één monster. Vervolgens dienen de monsters te worden geanalyseerd op alle typen Salmonella volgens de PVE branchemethode (PVESALMONELLA- MSRV-140607). Wanneer de monsters Salmonellapositief zijn, dan dient te worden vastgesteld om welk serotype het gaat (Se of St). Serotypering wordt uitgevoerd door een laboratorium welke door het Productschap erkend is om serotypering uit te voeren volgens de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007. De analyseresultaten dienen overeenkomstig Hoofdstuk 3 te worden doorgegeven.

4.7. Verificatieonderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

In deze paragraaf wordt het verificatieonderzoek omschreven. Het verificatieonderzoek wordt uitgevoerd door GD.

4.7.1. Methoden verificatieonderzoek [Vervallen per 01-01-2015]

Bij het uitvoeren van het verificatieonderzoek kan uit één van de onderstaande 4 methoden gekozen worden:

  • 1. Cloacaswabs: 2 poolmonsters van ieder 150 cloacaswabs. Indien de dieren worden verdacht van een besmetting met Salmonella waartegen ze gevaccineerd zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 9 monsters van ieder 50 worden gepoold

  • 2. Er dienen 7 samengevoegde monsters genomen te worden:

    • a) Kooihuisvesting:

      • i. 5 monsters van natuurlijk gemengde feces afkomstig van mestafvoerbanden, schrapers of open mestopslagen, naar gelang het type kooi. Elk van de 5 monsters moet ongeveer 200-300 gram wegen én

      • ii. 2 stofmonsters genomen onder de kooien (2x250ml);

    • b) Grondhuisvesting:

      • i. 5 paar overschoentjes én

      • ii. 1 stofmonster genomen van de afvoerband voor eieren (250ml) én

      • iii. 1 stofmonster verzameld op diverse plekken in de stal (250ml).

  • 3. Bacteriologisch onderzoek van de blinde darm en eileiders van 300 dieren;

  • 4. Bacteriologisch onderzoek van de schaal en de inhoud van 4000 eieren van elk koppel in verzamelmonsters van maximaal 40 eieren.

4.7.2. Uitvoering monstername [Vervallen per 01-01-2015]

In 4.7.1 zijn de toegelaten methoden voor een verificatieonderzoek opgesomd. In deze paragraaf wordt voor methode 1 en 2 aangegeven hoe de monstername uitgevoerd dient te worden.

Methode 1, cloacaswabs

Benodigdheden

  • -

    wattenstaafjes/swabs (steriel)

  • -

    steriele plastic potten zonder binnendeksel of plastic zakken

  • -

    etiketten

  • -

    inzendformulier

Aantal, soort en locatie te nemen cloacaswabs

  • -

    Er dienen 2 maal 150 monsters (resp. 9 maal 50 monsters) per stal genomen te worden met behulp van wattenstaafjes.. Bij voorkeur moeten dit verse blindedarm-mestmonsters zijn (dat is bruine, glimmende mest). Indien deze niet of onvoldoende aanwezig zijn moet dit vervangen/aangevuld worden door cloaca-monsters.

  • -

    De monsters dienen evenredig verspreid over de stal verzameld te worden.

  • -

    Op deze wijze kan een Salmonella besmetting bij tenminste 10% van de dieren met 95% zekerheid worden aangetoond.

Uitvoering monstername

  • -

    Was voor de monstername altijd uw handen

  • -

    Neem met behulp van een wattenstaafje het blindedarm-mestmonster of cloaca monster (daarbij dient het wattenstaafje duidelijk zichtbaar besmeurd te worden).

  • -

    Zet het wattenstaafje in een plastic pot (per pot 1 50 (of 50) wattendragers bij elkaar).

  • -

    Breek het met de handen aangeraakte eind van het staafje af zonder het deel in de pot aan te raken. Verzamel op deze wijze 2 potten á 150 (of 9 potten á 50) monsters. Wanneer gebruik wordt gemaakt van individueel in buisjes verpakte swabs, worden deze gewoon teruggeplaatst in de buisjes. Deze dienen in het laboratorium tot twee (of 9) monsters worden verwerkt.

  • -

    Sluit iedere pot direct na het vullen zorgvuldig.

  • -

    Voorzie de pot van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, stalnummer en KIP nummer.

Methode 2a, kooihuisvesting

  • 1. Uitvoering 5 monsters van natuurlijk gemengde feces: zie methode 1, paragraaf 4.1 (i.p.v. 2x150 gram, 5x 200-300 gram).

  • 2. Uitvoering 2 stofmonsters genomen onder de kooien (2x250ml):

    Benodigdheden:

    • 1. plastic handschoenen;

    • 2. steriele monsterpotten of plastic zakken;

    • 3. etiketten;

    • 4. inzendformulier.

    Uitvoering monstername:

    • a) Indien de stal meer dan één verdieping heeft; verzamel dan alleen monsters van de onderste verdieping;

    • b) gebruik een nieuw paar plastic handschoenen voor elke monster en verzamel stofmonsters van onder de kooien op 20 afzonderlijke plekken in de stal.

      Alle kooien moeten worden bemonsterd;

    • c) meng met een handschoen of schraper het materiaal op de grond en neem een groot monsters voor de monsterpot- of zak;

    • d) verzamel monsters van beide uiteinden van elke kooi, op ongeveer een vierde van de totale lengte van het hok te rekenen van elke uiteinde van elke kooi;

    • e) het totale monster moet een monsterpot- of zak van 250ml volledig vullen;

    • f) sluit ieder pot of zak direct na het vullen zorgvuldig af;

    • g) voorzie elke pot of zak van een etiket met de volgende gegevens:

      • i. Monsterdatum;

      • ii. Stalnummer;

      • iii. Type bedrijf (leghennen, kooihuisvesting), en

      • iv. KIP-nummer.

Methode 2b, grondhuisvesting

  • 1. Uitvoering 5 paar overschoentjes: zie methode 2, paragraaf 4.2 (i.p.v. 2 paar, 5 paar overschoentjes).

  • 2. Uitvoering 1 stofmonster genomen van de afvoerband voor eieren (250ml):

    Benodigdheden:

    • 1. plastic handschoenen;

    • 2. steriele monsterpotten of plastic zakken;

    • 3. etiketten;

    • 4. inzendformulier.

    Uitvoering monstername:

    • a) De afvoerbanden voor eieren worden normaal gesproken afgeladen in een voorruimte van de stal waar het overtollige stof van de afvoerbanden in een bak of op de vloer aan het eind van de band wordt verzameld. Vaak is het ook mogelijk stof te verzamelen van de borstels op het uiteinde van de afvoerband binnen de stal;

    • b) zorg ervoor dat de pluimveehouder de afvoerbanden vooraf in werking heeft gesteld, maar het stof onaangeroerd laat, tot de monsters zijn genomen;

    • c) indien er meerdere banden zijn, verzamel dan stofmonsters van elke band;

    • d) tracht geen stofmonsters te nemen terwijl de banden lopen;

    • e) bij gebruikmaking van nieuwe plastic handschoenen kan voldoende stofmateriaal van de banden worden geschept om (na compressie) een plastic pot of zak van 250m! te vullen. Indien minder materiaal beschikbaar is, verzamel dan zoveel mogelijk.

    • f) sluit ieder pot of zak direct na het vullen zorgvuldig af;

    • g) Voorzie elke pot of zak van een etiket met de volgende gegevens:

      • i. Monsterdatum;

      • ii. Stalnummer;

      • iii. Type bedrijf (leghennen, kooihuisvesting), en

      • iv. KIP-nummer.

  • 2. Uitvoering stofmonster verzameld op diverse plekken in de stal (250ml):

    Benodigdheden:

    • 1. plastic handschoenen;

    • 2. steriele monsterpotten of plastic zakken;

    • 3. etiketten;

    • 4. inzendformulier.

    Uitvoering monstername:

    • a) Gebruik stofmaskers, liefst tijdens de hele bemonstering, maar in elk geval tijdens de stofbemonstering;

    • b) ga met de pluimveehouder na welke plekken in de stal het meest geschikt zijn voor stofbemonstering. Gewoonlijk zijn dit de ventilatorkeerplaten, maar eventueel ook naburige richels, balken, schotten of buizen;

    • c) mogelijk moet een ladder worden gebruikt om de beste plekken voor het verzamelen van stofmonsters te bereiken, waar voorhanden gaat de voorkeur echter uit naar stof op de vloer;

    • d) raak geen ventilator in werking aan voor het verzamelen van stofmonsters;

    • e) verzamel liefst geen stofmonsters uit de buurt van voedseldistributieinrichtingen, aangezien hier minder fecaal materiaal te verwachten is;

    • f) indien voor het verzamelen van stofmonsters gebruik wordt gemaakt van ventilatorkeerplaten, verzamel dan vier submonsters van het stof waarmee na samenpersing een plastic pot of zak van 250ml kan worden gevuld. Zorg ervoor dat de submonsters representatief over de stal zijn verdeeld.

    • g) indien de stal in hokken is onderverdeeld, moeten uit alle hokken stofmonsters worden verzameld;

    • h) indien er geen ventilatorkeerplaten zijn of indien deze niet toegankelijk zijn, verzamel dan stofmonsters van richels, balken of buizen - verzamel submonsters uit tien verschillende plekken in de stal, waarbij uit alle hokken een monster genomen wordt;

    • i) indien er weinig stof is, bijvoorbeeld in kleine natuurlijk geventileerde stallen voor vrije uitloop, moet het stof worden verzameld vanwaar het beschikbaar is. Gebruik hiervoor indien nodig een schraper. Als er niet voldoende stof is, verzamel dan een extra strooisel- of swabmonster;

    • h) sluit ieder pot of zak direct na het vullen zorgvuldig af;

    • i) voorzie elke pot of zak van een etiket met de volgende gegevens:

      • i. Monsterdatum;

      • ii. Stalnummer;

      • iii. Type bedrijf (leghennen, kooihuisvesting), en

      • iv. KIP-nummer.

4.7.3. Onderzoek op dieren [Vervallen per 01-01-2015]

Per stal worden ook aselect 5 dieren meegenomen. Deze dieren worden onderzocht op antimicrobiële stoffen of middelen met een bacteriegroeiremmend effect.

4.7.4. Verzending en analyse [Vervallen per 01-01-2015]

De monsters en dieren voor het verificatie onderzoek moeten op de dag van bemonstering bij het laboratorium van de GD binnen zijn en dezelfde dag worden ingezet voor analyse. De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage op kan treden (volgens landelijke verpakkingsinstructie diagnostische monsters) en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Monsters worden geanalyseerd op Se en St volgens de PVE branchemethode (PVESALMONELLA- MSRV-140607). De uitslag van het verificatie onderzoek dient binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij GD, doorgegeven te worden aan betrokken ondernemer en aan het Productschap.

Bijlage III. : Werkvoorschrift [Vervallen per 01-01-2015]

Bemonstering van graan ten behoeve van onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella [Vervallen per 01-01-2015]

Van iedere partij graan die op het pluimveebedrijf wordt opgeslagen, afkomstig van eigen teelt of van een andere teler, dient een monster te worden achtergehouden wanneer de partij wordt opgeslagen.

Monstername

  • Zorg voor deugdelijk bemonsteringsgereedschap (schepjes, monsterboren, emmertjes, zakjes).

  • Reinig gebruikte gereedschap voor en na elke monstemame.

  • Ga uit van schone, droge bemonsteringsmaterialen die het onderzoeksresultaat niet beïnvloeden. Zorg ook voor schone handen.

  • Zorg voor een representatief monster uit de partij. Neem hiertoe meerdere ondermonsters (minimaal 5), verspreid over verschillende delen van de partij. Bij het lossen/laden van de partij verdient het de aanbeveling om de ondermonsters gedurende deze totale lostijd/laadtijd te verzamelen.

  • Zorg ervoor dat het totaal van de ondermonsters een voldoende hoeveelheid oplevert (minimaal 500 gram).

  • Bemonster altijd in duplo.

  • Zorg voor goede bewaaromstandigheden (droog, donker)

  • Zorg voor een duidelijke identificatie op het monster. Minimaal dient vastgelegd te worden:

    • datum bemonstering

    • naam product

    • partijgrootte

    • herkomst (eigen teelt, andere eigenaar)

    • plaats bemonstering (bij meerdere partijen per pluimveebedrijf)

Analyse

  • Indien bij een koppel pluimvee een Salmonella besmetting is gevonden, dient het graan te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella.

  • Stuur de genomen monsters die achtergehouden zijn bij opslag in naar een van de Labcode erkende laboratoria (Een lijst is beschikbaar bij het Productschap Diervoeder)

  • De uitslag van het onderzoek dient bij de pluimveehouder bekend te zijn, ingeval van een Salmonella besmetting dient dit te worden doorgegeven aan het productschap.