Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Geldend van 04-08-2007 t/m heden

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1);

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 9 juli 2007

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

algemene rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
namens deze:
de

projectdirecteur, Project Wegwerken Archiefachterstanden PWAA

,

A. van der Kooij

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers

Minister van Economische Zaken

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Financiën

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Op het beleidsterrein

Consumentenbeleid

1945 –

Lijst van afkortingen

AAC: Adviescommissie Afbetaling en Colportage

AMVB: Algemene maatregel van bestuur

ANWB: Koninklijke Nederlandse Toeristenbond

ARA: Algemeen Rijksarchief in Den Haag

AROB: Administratieve rechtspraak openbaar bestuur

AWB: Algemene Wet Bestuursrecht

BEUC: Bureau Européen des Unions de Consommateurs.

BSD: Basisselectiedocument

BW: Burgerlijk Wetboek

CAB: Commissie van Advies en Bijstand

CCA: Commissie Consumentenaangelegenheden van de SER

CEN Comité: Européen de Normalisation

CENELEC: Comite Européen de Normalisation Electrotechnique

COCON: Bestuursadviecommissie voor Consumentenzaken bij het NNI

COMAC: Stichting Coördinatiepunt Massamedia Consumentenvoorlichting

CRM: [Ministerie van] Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

CUWAS: Commissie Uitvoeringsvoorschriften Wet op het Afbetalingsstelsel van de SER

EC: Europese Commissie

ECD: Economische Controledienst

EEG: Europese Economische Gemeenschap

EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

EU: Europese Unie

EZ: [Ministerie van] Economische Zaken

FVN: Nederlandse Vereniging Voor Volkskredietwezen

ICC: Interdepartementale Commissie Consumentenaangelegenheden

KB: Koninklijk Besluit

KER: Konsumptie Effect Rapportage

KvK: Kamer van Koophandel

LNV: [Ministerie van] Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

MDW: Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit

MvA: Memorie van Antwoord

MvT: Memorie van Toelichting

Mw: Mededingingswet

NEC: Stichting Nederlandse

NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

Nma: Nederlandse Mededingingsautoriteit

NNI: Nederlands Normalisatie Instituut

NPR: Nederlandse Praktijkrichtlijn.

OC&W: [Ministerie van] Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid

PBO: Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

ROTA: Raad voor Orde en Toezicht voor het Advertentiewezen

SBK: Stichting Bureau Kredietregistratie

SER: Sociaal-economische Raad

SEW: Sociaal-economische wetgeving (tijdschrift).

SKK: Stichting Konsumenten Keurmerk

Stb: Staatsblad

Stcrt: Staatscourant

SWOKA: Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Konsumentenaangelegenheden

TA: Technische bijstand in het kader van Internationale Technische Hulp

TNO: (Nederlandse organisatie voor) Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

Trb: Traktatenblad

VROM: [Ministerie van] Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

WAB: Wet op het afbetalingsbedrijf

WAS: Wet op het afbetalingsstelsel

WBC Wet beperking cadeaustelsel

WCGK: Wet op het consumptief geldkrediet

WCK: Wet op het consumentenkrediet

WTC: Wet Toezicht Kredietwezen

WVC: [Ministerie van] Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

WVS: [Ministerie van] Welzijn, Volksgezondheid en Sport

1. Verantwoording

1.1. Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

1.2. Afbakening van het beleidsterrein

Het consumentenbeleid wordt in het onderzoek, dat aan dit BSD ten grondslag heeft gelegen, gezien als de bescherming van de rechten van de consument binnen de economische markt. Deze beleidstaaktaak berust momenteel in hoofdzaak bij het Ministerie van Economische Zaken. Het beleid heeft in de loop van de onderzoeksperiode een uitgebreidere doelgroep gekregen: oorspronkelijk werden de consumenten aan de onderkant van de samenleving beschermd, die tevens object waren van het maatschappelijk werk. Later breidde dit beleid zich mede op aansturen van de Europese Economische Gemeenschap uit tot de gehele Nederlandse bevolking; thans wordt het gezien als een onderdeel van de markt dat – in overeenstemming met Europese richtlijnen – in de gaten moet worden gehouden.

De Minister van Economische Zaken werd op 1 februari 1974 aangewezen als zorgdrager voor het beleidsterrein consumentenzaken. Het Ministerie speelt een belangrijke rol bij de betrekkingen tussen Nederland en de Europese autoriteiten in zijn geheel: de rol van het Ministerie bij de EG-regelgeving en de implementatie van deze regels in de Nederlandse wordt aangestuurd door een aparte dienst, die met buitenlandse economische betrekkingen is belast.

Het beleid van het Ministerie van Economische Zaken is vooral gericht (geweest) op het tegengaan van praktijken waardoor vroeger vooral aan de onderkant van de samenleving consumenten werden gedupeerd. Voorbeelden hiervan zijn de regulering van het consumentenkrediet en de bevordering van kennis van de consument door onderwijs en voorlichting. Een ander voorbeeld is de regelgeving met betrekking tot productvoorlichting en prijsaanduiding door handelaren, in het bijzonder in de vorm van reclame, uitstalling, etikettering (bijdragen aan de Warenwet en regels, voortkomend uit de Prijzenwet).

1.3. Doelstellingen op het beleidsterrein Consumentenbeleid

In 1962 richtte president Kennedy een Special message aan het congres van de Verenigde Staten, waarin hij opriep tot de handhaving van een aantal ‘fundamentele rechten’ van de consument. Deze opvattingen vonden ook weerklank in Europa. In oktober 1972 hadden de staatshoofden en regeringsleiders op de EEG-topconferentie in Parijs verklaard dat acties tot bescherming van de consument versterkt en gecoördineerd zouden moeten worden. Dit leidde tot een programma dat op 14 april 1975 door de Europese Raad van Ministers werd aanvaard en waarin vijf ‘grondrechten’ van de consument werden geformuleerd:

  • * het recht op bescherming van zijn gezondheid en zijn veiligheid;

  • * het recht op bescherming van zijn economische belangen

  • * het recht op schadevergoeding

  • * het recht op voorlichting en vorming

  • * het recht op vertegenwoordiging (recht om te worden gehoord).

De Minister van Economische Zaken werd op 1 februari 1974 aangewezen als coördinerend bewindsman voor consumentenzaken.

Nederlandsche Staatscourant, 1974, nr. 45 (19 februari), p. 1.

De EG-resolutie van 1975 kreeg een vervolg in Nederland, toen bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken voor het dienstjaar 1976 de motie-Kolthoff werd aangenomen. Daarin verzocht de Tweede Kamer de Minister om een beleidsnota op te stellen ten aanzien van de consumentenbescherming. Dit leidde tot de Nota Consument en consumptie, die in 1979 door de Minister aan de Staten-Generaal werd aangeboden. Deze nota gaf een nieuwe taak aan de Interdepartementale Commissie Consumentenaangelegenheden, ICC, die al vanaf 1974 werkzaam was. Zij moest nu meerjarenplannen opstellen en daarover verslag uitbrengen. Dit is driemaal gebeurd. De stukken die door de commissie werden gepubliceerd, vatten het kader samen van het gehele beleidsterrein en geeft een indruk van de keuzes die de rijksoverheid maakte van de instrumenten die ter beschikking stonden. Hieruit bleek dat er ook in de Nederlandse samenleving een behoefte bestond aan consumentenbescherming.

Voor een gedetailleerde beschrijving van problemen die indertijd nog geregeld moesten worden, zie, Th.A. Broek, Kernpunten van het consumentenrecht. Groningen, 1975.

Naast de rijksoverheid waren er namelijk tal van andere – particuliere – instanties actief, die door belangenbehartiging en regulering op dit terrein een vooraanstaande rol hadden gespeeld en zelfs op een of andere manier bindende voorschriften voor het handelsverkeer hadden opgesteld. Als belangenbehartigers van de consumenten mogen worden genoemd de Nederlandse Consumentenbond (opgericht in 1953), de Stichting Konsumenten Kontact (1962–1981), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting NIBUD en zijn voorgangers.

Een belangrijk adviesorgaan van de ICC was een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie: de Sociaal-economische Raad SER, die reeds in 1965 een aparte Commissie Consumenten Aangelegenheden had gevormd. Deze bestond uit vertegenwoordigingen van de brancheorganisaties en enkele consumentenvertegenwoordigers. Deze commissie kreeg afzonderlijke adviserende bevoegdheid in 1975. Op elke maatregel van de overheid bracht zij – onder meer op aanvraag van de ICC, maar ook zelfstandig – advies uit, maar zij speelde ook een rol bij de onderhandelingen tussen consumenten- en producentenorganisaties over gemeenschappelijke regelingen in het belang van de consument (bijv. standaardcontracten van brancheorganisaties).

Het beleid van het Ministerie van Economische Zaken is vooral gericht (geweest) op het tegengaan van praktijken waardoor vroeger vooral aan de onderkant van de samenleving consumenten werden gedupeerd.

  • de regulering van het consumentenkrediet

  • de regelgeving met betrekking tot productvoorlichting en prijsaanduiding door handelaren, in het bijzonder in de vorm van reclame, uitstalling, etikettering (bijdragen aan de Warenwet en regels, voortkomend uit de Prijzenwet).

  • de bescherming van de consument tegen agressieve vormen van verkoop (colportage, cadeaustelsel)

  • de bevordering van kennis van de consument door onderwijs en voorlichting

  • incidentele voorlichtingscampagnes

1.4. Totstandkoming BSD

Voorafgaand aan het Basisselectiedocument (BSD) is er een institutioneel onderzoek verricht naar de taakontwikkeling van het Ministerie in de periode na 1940. Dit leidde tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Consumentenbeleid. Dit rapport is verschenen 2000 in de PIVOT reeks onder nummer 091. De auteur van dit rapport is dr. J.A.A.Bervoets.

Dit BSD Basisselectiedocument Consumentenbeleid behandelt de periode vanaf 1945. In die jaren was de Minister van Economische Zaken de eerste verantwoordelijke Minister voor het beleidsterrein en daarom verantwoordelijk voor het laten opstellen en vaststellen van een BSD.

In dit BSD is één handeling opgenomen voor de actor Economische Controledienst, voor de periode 1993–1999. De Minister van EZ was toen zorgdrager. Na 1999 viel de Economische Controledienst onder de zorg van de Minister van Financiën. De ECD is in dat jaar samengevoegd met de FIOD. Voor deze organisatie is een concept-BSD opgesteld, met daarin zowel de handelingen van de FIOD als van de ECD. De handeling wordt daarom niet in dit BSD opgenomen.

De handelingen in dit BSD hebben dezelfde nummering als in het RIO.

2. Selectiedoelstelling

In de productbeschrijving BSD van maart 2004 is de selectiedoelstelling van het Nationaal Archief als volgt verwoord. ‘De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste grondslagnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’

2.1. Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het NA.

De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Algemene selectiecriteria

Handelingen die worden gewaardeerd met een B (ewaren)

algemeen selectiecriterium:

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, evenals het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

algemeen selectiecriterium:

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

algemeen selectiecriterium:

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

algemeen selectiecriterium:

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

algemeen selectiecriterium:

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

algemeen selectiecriterium:

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Overigens kan, ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen, betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in overleg met het NA, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7). In dit BSD is geen aanvullend selectiecriterium toegekend.

3. Actorenoverzicht

In deze paragraaf worden de actoren beschreven die in dit BSD zijn opgenomen.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de actoren en de besluitvormingsprocessen wordt verwezen naar het rapport institutioneel onderzoek Consumentenbeleid verschenen in de PIVOT-reeks onder nummer 091.

A. Actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken

De Minister belast met consumentenbeleid

Het Ministerie van Economische Zaken was vanaf 1946 belast met toezichthoudende werkzaamheden zoals vastgelegd in de Wet op het Afbetalingsstelsel (WAS) 1936 en verdergaande wetgeving op de afbetaling. Het Ministerie formuleerde vanaf 1974 een beleid met betrekking tot consumentenaangelegenheden. Vanaf 1984 was het Ministerie belast met alle consumentenaangelegenheden.

Commissie Wet op het consumptief geldkrediet (1984– )

De Commissie Wet op het consumptief geldkrediet is ingesteld ingevolge de gelijknamige wet. In 1982 werden de werkzaamheden in een algemene maatregel van bestuur nader geregeld: de commissie kreeg hierbij de bevoegdheid subcommissies te benoemen om voor de uit te brengen adviezen nader onderzoek in te stellen. In 1984 kwam de commissie onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken.

Economische Controledienst (–1999 EZ)

De Economische Controledienst (ECD) maakt vanaf woensdag 1 september 1999 formeel onderdeel uit van de Belastingdienst van het Ministerie van Financiën. Tot 1 september opereerde de dienst vijftig jaar lang onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken.

Interdepartementale Commissie Consumentenzaken

Deze commissie is in 1974 door de Minister van Economische Zaken ingesteld. De commissie was samengesteld uit ambtenaren van alle Ministeries die met consumentenzaken te maken hadden. Zij had tot taak de Minister te adviseren over het consumentenbeleid en jaarlijks rapport uit te brengen. In dit rapport werden zowel de bevindingen van het afgelopen jaar beschreven als nieuwe voorstellen gedaan. In 1980 werd het instellingsbesluit herschreven: de commissie kreeg nu een meer coördinerende taak, waarbij zij directer bij de beleidsvoorbereiding werd betrokken: het was mogelijk dat vakMinisters waarnemers in de commissie aanwezen en bovendien kon de commissie werkgroepen benoemen.

De Commissie van onderzoek inzake het afbetalingswezen (Commissie-Lichtenauer)

De commissie werd ingesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Economische zaken van 3 juni 1950.

De Adviescommissie Afbetaling en Colportage (AAC)

Deze commissie staat de Minister bij in de uitoefening van het toezicht in het kader van de Colportagewet. Zij adviseert de Minister bij klachten over onbehoorlijk gedrag van colporteurs en colportagebedrijven. In 1995, na de inwerkingtreding van de Colportagewet 1992, waren haar activiteiten overbodig geworden.

Adviescommissie consumentenkrediet

Bij Koninklijk Besluit van 29 maart 1980, Stb. 139 werd een voorlopige Adviescommissie consumentenkrediet ingesteld. Deze instelling liep vooruit op de totstandkoming van de Wet op het consumentenkrediet. Artikel 50 tot en met 56 voorzag in de definitieve instelling van deze adviescommissie, waarvoor nadere regels over werkwijze, samenstelling en bevoegdheden werden vastgesteld in Stb. 1991, 651. De commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van kredietgevers, gemeentelijke kredietbanken, kredietbemiddelaars en consumenten. De Minister is verplicht haar advies in te winnen bij de opstelling van AMvB’s en Ministeriele regelingen. Bij wetswijziging van 1997, Stb. 63 werden de wettelijke bepalingen met betrekking tot de adviescommissie ingetrokken.

B. Actoren onder de zorg van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De Minister belast met consumentenbeleid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, afdeling maatschappelijke zorg (1946–1952), was tezamen met de Minister van Maatschappelijk Werk (1952–1965), de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982), de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994) belast met het toezicht op de uitvoering van de Geldschieterswet en de Wet op het consumptief geldkrediet. De Ministeries hielden zich tot 1984 bezig met consumenten aangelegenheden.

In 1984 zijn de taken van dit Ministerie ten aanzien van het consumentenbeleid overgegaan naar het Ministerie van Economische Zaken.

C. Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën

De Minister van Financiën

De Minister van Financiën schreef tezamen met de Minister van Sociale Zaken in 1946 een eenmalig staatskrediet uit om de consumptie van duurzame goederen te bevorderen. De Minister van Financiën was belast met de afwikkeling van dit krediet tot 1946.

Centrale Raad voor het Consumentencrediet (1946–1952)

De Centrale Raad voor het Consumentenkrediet is ingesteld als bijstandsorgaan van de Ministeries van Financiën en Sociale Zaken voor de uitschrijving van een eenmalig uit te keren krediet voor duurzame goederen aan minder vermogende personen of gezinnen. Een en ander is geregeld in de Wet op het consumentenkrediet Stb. 1946, G 184. De leden werden door de Minister benoemd. Onder deze raad viel een Centraal Bureau voor het Consumentenkrediet, waarvan de directeur en de secretaris eveneens door de Minister werden benoemd. Het bureau trad feitelijk op als het belangrijkste centrale organisatiepunt voor de uitvoering van het krediet. Het werd in zijn dagelijkse leiding bijgestaan door een commissie uit de raad. In de praktijk opereerde de raad als advies en ultiem beslissingsorgaan voor het bureau, dat in 1949 werd opgeheven. De liquidatie werd daarna door het Ministerie van Financiën uitgevoerd en duurde voort tot 1958. De Raad bleef tot 1953 in functie.

Economische Controledienst (1999– )

De Economische Controledienst (ECD) maakt vanaf woensdag 1 september 1999 formeel onderdeel uit van de Belastingdienst van het Ministerie van Financiën. Tot 1 september opereerde de dienst vijftig jaar lang onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken.

D. Actoren onder de zorg van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Minister van Sociale Zaken

De Minister van Sociale Zaken schreef tezamen met het Ministerie van Financiën in 1946 een eenmalig staatskrediet uit om de consumptie van duurzame goederen te bevorderen. De Minister van Financiën was belast met de afwikkeling van dit krediet tot 1946.

E. Actoren onder de zorg van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De Minister belast met consumentenbeleid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, afdeling maatschappelijke zorg (1946–1952), was tezamen met de Minister van Maatschappelijk Werk (1952–1965), de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982), de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994) belast met het toezicht op de uitvoering van de Geldschieterswet en de Wet op het consumptief geldkrediet. De Ministeries hielden zich tot 1984 bezig met consumenten aangelegenheden.

In 1984 zijn de taken van dit Ministerie ten aanzien van het consumentenbeleid overgegaan naar het Ministerie van Economische Zaken.

Commissie Wet op het consumptief geldkrediet (tot 1984)

De Commissie Wet op het consumptief geldkrediet is ingesteld ingevolge de gelijknamige wet. In 1982 werden de werkzaamheden in een AMvB nader geregeld: de commissie kreeg hierbij de bevoegdheid subcommissies te benoemen om voor de uit te brengen adviezen nader onderzoek in te stellen.

Commissie van advies en bijstand voor de Geldschieterswet (1936– )

Voor de opstelling van algemene maatregelen van bestuur en nadere regelingen met betrekking tot de Geldschieterswet 1932 moest de Commissie van Bijstand en Advies worden gehoord.

F. De hoofdgroep banken (vakgroep Volkskrediet- en geldschietersbanken, Woltersomse Organisatiekaders)

De taak van de vakgroep is na de opheffing van de Woltersomse bedrijfsorganisaties overgenomen door particuliere vakorganisaties.

De bedrijfsgroepen van de Woltersomse organisatie hebben verordenende bevoegdheden, die in de bezettingstijd vooral van belang waren geweest om de resultaten van het overleg tussen het bedrijfsleven en de bezetter door te kunnen voeren. Na de oorlog beperkten deze bedrijfsgroepen zich tot het nader verspreiden van besluiten en regels van de diverse Ministeries.

4. Verslag vastellingsprocedure

In januari 2007 is het ontwerp-BSD door de Minister van Economische Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Financiën, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 1 mei 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 28 juni 2007 bracht de RvC advies uit (arc-2007.03942/1), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 9 juli 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/ 1582), de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/1703), de Minister van Financiën (C/S&A/07/1704), de Minister van Sociale Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/1705) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/1706) vastgesteld.

5. Leeswijzer

De selectielijst is primair ingedeeld naar zorgdrager en secundair naar actor. De tertiaire indeling is de volgorde van de handelingen Tussen de handelingen treft u bij de actor Minister van Financiën de titels van de hoofdstukken uit het RIO. Dit is gedaan om het opzoeken van de handelingen van de grootste en eerstverantwoordelijke actor op dit beleidsterrein in de aanvulling op het RIO te vergemakkelijken.

Handelingenblokken

De handelingen zijn verwerkt in uniek genummerde gegevensblokken die als volgt zijn opgebouwd:

Handelingnr. (Dit is het volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.)

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

Vermeld worden:

de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de Ministeriële regeling;

het betreffende artikel en lid daarvan;

de vindplaats, dwz. de vermelding van Staatsblad of Staatscourant;

wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de grondslagworden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product: Waar mogelijk wordt hier vermeld welke documenten uit de handeling zijn voortgekomen.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering: Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

De ‘B’ staat voor bewaren, ofwel: het na afloop van de overbrengingstermijn krachtens de Archiefwet 1995 overdragen aan de Rijksarchiefdienst. De ‘V’ staat voor vernietigen na afloop van de aangegeven termijn. Achter de ‘B’ of ‘V’ is aangegeven welk selectiecriterium, zoals geformuleerd in de inleiding, is toegepast.

Selectielijsten

A. Actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken

Actor: de Minister belast met consumentenbeleid

Algemeen consumentenbeleid

2.

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen coördineren en evalueren van het beleidbetreffende consumentenbescherming..

Periode: 1945–

Product: Nota consument en consumptie

Opmerkingen: Vanaf 1 februari 1974 is de Minister van EZ coördinator van het consumentenbeleid.

Waardering: B1

4.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamer der Staten-Generaal betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1975–

Waardering: B3

6.

Handeling: Het informeren van de Commissie voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamer der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1946–

Waardering: B3

8.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van burgers, ondernemingen en instellingen betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1946–

Waardering: V 3 jaar: Voorlichting en vragen van individuele personen

B 3: Contacten met belangengroepen

9.

Handeling: Het voorbereiden van intern onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten betreffende consumentenzaken

Periode: 1975–

Waardering: V 5 jaar

B 5: eindproduct

10.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern onderzoek betreffende consumentenzaken

Periode: 1975–

Waardering: V 5 jaar

B 5: eindproduct

12.

Handeling: Het instellen van permanente adviescommissies inzake het consumentenbeleid.

Periode: 1946–

Product: Instellingsbeschikking Interdepartementale Commissie

Consumentenzaken. Stcrt 1974, nr. 35;

nstellingsbeschikking Interdepartementale Commissie Consumentenzaken. Stcrt 1980, nr. 156.

Waardering: B4

13.

Handeling: Het aanwijzen van de voorzitter van de ICC

Periode: 1984–1990

Waardering: V 10 jaar

15.

Handeling: Het aanwijzen van de secretaris van de ICC

Periode: 1984–1990

Grondslag: Art. 5 Instellingsbeschikking

Waardering: V 10 jaar

20.

Handeling: Het (mede) voorbereiden van wettelijke regelingen op het beleidsterrein consumentenbescherming

Periode: 1946–

Product: Algemeen

Herziening Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

Herziening Wetboek van koophandel

Herziening Faillissementswet, met name met betrekking tot de schuldsanering van natuurlijke personen (voorstellen aanvaard in 1998)

Algemene Wet Bestuursrecht, Vastgesteld vanaf 1992–

Herziening Warenwet

Wet op de economische delicten, Stb. 1951,

Wet Aanpassing herziening adviesstelsel, Stb. 1997, 63

Civielrechtelijke wetten (specifieke wijzigingen WB en NWB)

Wet Algemene Voorwaarden, Stb. 1987, 327.

Wet […] inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, Stb. 1990, …

Wet op de consumentenkoop (titel 7.1 en 3, 5 en 6 NBW)

Wet op de […] privaatrechtelijke bescherming tegen misleidende reclame, Stb. 1980, 304

Wet […] betreffende pakketreizen met inbegrip van vakantiepaketten en rondreispaketten (boek 7 BW), Stb. 1992, 689.

Op het gebied van consumentenkrediet

Wet op het consumentencrediet 1946, Stb. G 184

Wet houdende opheffing van de particuliere banken van leening, 1946 Stb. G 295.

Wijziging van de Geldschieterswet 1932, 1948, Stb. I 270, 1965, Stb. ???.:

Wet op het consumptief geldkrediet, Sttb. 1972, 399; 1974, 817; 1977, 227; 1983, 297

Wet toezicht kredietwezen, Stb. 1978, 255

Voorontwerp van wet op het consumentenkrediet 1984.

Wet op het consumentenkrediet, Stb. 1990, 395;.

Op het gebied van afbetaling (tot 1990)

Wet, houdende een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1956, 322)

Wet tot handhaving van een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1961, 5).

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213; 1964, ...; 1972, 248; 1976, 515; 1983, 465, 469, 690.

Op het gebied van colportage

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213;

Colportagewet 1973, Stb. 438; 1989, Stb. 301;

Wet houdende wijziging van de Colportagewet in verband met de afschaffing van het registratiestelsel, 1992, Stb. 70.

Inzake het cadeaustelsel

Wet houdende regelen tot beperking van de vrijheid voor het aanbieden en verstrekken van geschenken in verband met het uitoefenen van een bedrijf (Wet beperking cadeaustelsel,) Stb. 1955, 345; 1977, 659

Mededingingswet 1997, Stb. 242.

Opmerkingen: Zie voor nadere uitwerking van de Wet toezicht kredietwezen PIVOT-rapport nr. 40, Zicht op toezicht, passim.

Waardering: B1

23.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s op grond van de Colportagewet

Periode: 1973–1997

Product: Uitvoeringsbesluit colportagewet, Stb. 1975, 394.; Stb. 1983, 653;

1992, 448.

Aanwijzingsbesluit onbehoorlijk gedrag van colporteurs, Stb. 1973, 438; 1975, 448

Aanwijzingsbesluit contantcolportage, Stb. 1975, 396.

Besluit inhoud en dagtekening akten van colportageovereenkomsten, Stb. 1975, 397; 1989, 411; 1992, 448.

Opmerkingen: De Minister is tot 1997 bevoegd om AMvB’s vast te stellen over:

  • * gedragingen die als onbehoorlijk gedrag voor een colporteur kunnen worden aangemerkt (art. 1, lid 3); in 1992 zijn deze gedragingen in de wet omschreven.

  • * de aan de KVK te betalen leges voor (schriftelijke) inlichtingen uit het register (art. 8, lid 3), tot 1992

  • * nadere gevallen waarbij colporteurs verplicht zijn ingeschreven te zijn bij een Kamer van Koophandel (art. 9, lid 2), tot 1992

  • * de aan de KVK te betalen leges voor inschrijving (art. 9. lid1), tot 1992.

  • * gevallen waarbij de inschrijving van colporteurs mogelijk is als zij zelfstandig voor rekening van een ander werken of als de eigenaar geen inschrijving of vergunning heeft als afbetalingsleverancier. (art. 10, lid 4), tot 1992.

  • * gevallen waarbij de inschrijving van colporteurs niet vervalt wanneer de eigenaar van de betrokken onderneming voor rekening van een ander werkzaam is geworden of de eigenaar niet meer is ingeschreven als afbetalingsleverancier. (art. 18, lid 4), tot 1992.

  • * de inhoud van akten en de manier waarop zij moeten worden opgemaakt (art. 24, lid 2 onder b.)

  • * het laten vaststellen van afkoelingsperiodes voor colportageovereenkomsten van colporteurs die niet bij de KVK ingeschreven dienen te zijn, (art. 26, lid 2) In 1989 is deze bevoegdheid vervallen omdat ingevolge een wetswijziging de privaatrechtelijke verplichtingen zinn losgekoppeld van de inschrijvingsverplichting.

  • * de aan de KVK te betalen leges voor de waarmerking van colportagetransacties (art. 25, lid 3).

  • * bedragen waarvoor een afkoeling niet geldt (art. 26, lid 3; na 1992: art. 26, lid 1) In 1989 werden enkele besluiten gewijzigd als gevolg van de vaststelling van EG-richtlijn 85/577. In 1992 werden twee AMVB’s ingetrokken als gevolg van de wetswijziging. In 1992 zijn enkele besluiten ingetrokken als gevolg van herziening van de Colportagewet en de opneming van onbehoorlijk colportagegedrag in de WED.

Grondslag: Colportagewet, passim.

Waardering: B5

24.

Handeling: Het jaarlijks verslag uitbrengen aan de Staten-Generaal over de toepassing van de Colportagewet.

Periode: 1973–1992

Product: Bijlage bij de rijksbegroting.

Grondslag: Art. 29, Colportagewet.

Waardering: B3

25.

Handeling: Het vaststellen van Ministeriële regelingen inzake inschrijving van colporteurs

Periode: 1973–1992

Product: Beschikking aanvraaggegevens Colportagewet, Stcrt. 1975, 144

Beschikking model inschrijvingsbewijs colporteurs, Stcrt. 1975, 141

Opmerkingen: het betreft:

regels inzake de wijze van inschrijving van colporteurs in de registers van Kamers van Koophandel (art. 9, lid 2)

regels inzake het door de Kamer van Koophandel te verstrekken legitimatiebewijs (art. 11, lid 3).

Grondslag: Colportagewet, art. 9, lid 2.

Waardering: V 5 jaar na vervallen

26.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren, belast met de opsporing van vergrijpen tegen de Colportagewet.

Periode: 1973–

Product: Beschikking aanwijzing opsporingsambtenaren overtredingen Colportagewet, 1975 Stcrt. 211.

Opmerkingen: Als opsporingsambtenaren werd de ECD aangewezen.

Grondslag: Colportagewet 1975, art. 29; Colportagewet 1992, art. 32, WED, art. 1 onder 4 en art. 17, lid 1 sub 2.

Waardering: V 10 jaar

27.

Handeling: Het bij AMVB vaststellen van nadere regelingen inzake de Wet beperking cadeaustelsel

Periode: 1955–1997

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMVB

  • groepen vast te stellen die met wederverkopers kunnen

  • worden gelijkgesteld, die geschenken mogen ontvangen;

  • het vergoedingsbedrag vast te stellen voor de toekenning van een ontheffing.

Waardering: B 5

29.

Handeling: Het vaststellen van regels voor de erkenning van geschillenregelingen, standaardvoorwaarden en gedragscodes door brancheorganisaties.

Periode: 1974–

Bron: Nota Consument en consumptie, Verslagen overheidsbeleid

Product: Erkennings- en subsidieregeling klachtencommissies, Stcrt. 1975, nr. 230. Erkenningsregeling geschillencommissies, Stcrt 1980, consumentenzaken.

Waardering: B5

30.

Handeling: Het erkennen van klachtencommissies van brancheorganisaties.

Product: Beschikking

Periode: 1975–

Grondslag: Art.1. Erkennings- en subsidieregeling klachtencommissies

Waardering: B4

31.

Handeling: Het intrekken van de erkenning van klachtencommissies van branche-organisaties.

Periode: 1975–

Product: Beschikking

Grondslag: Art. 7. Erkennings- en subsidieregeling klachtencommissies

Waardering: B4

32.

Handeling: Het voorbereiden van KB’s tot benoeming van leden van de

adviescommissie.

Periode: 1973–1995

Grondslag: Art. 2, lid 2, Colportagewet.

Waardering: V 10 jaar

33.

Handeling: Het stellen van nadere regels voor de adviescommissie.

Periode: 1973–1995

Product: Reglement werkwijze AAC, Stcrt. 1975, 176

Grondslag: Art. 4, Colportagewet.

Waardering:: B4

36.

Handeling: Het administreren van een centraal register van colporteurs.

Periode: 1975–1995

Opmerkingen: Dit register komt tot stand door gegevens, verstrekt door de KVK bij elke inschrijving, wijziging, vervallenverklaring of intrekking van een inschrijving.

Grondslag: Art. 8, lid 4, Colportagewet;

Waardering: B5

37.

Handeling: Het op aanvragen verstrekken van inlichtingen uit het centraal register van colporteurs.

Periode: 1975–1995

Waardering: V 3 jaar

38.

Handeling: Het bij Ministeriele regeling formuleren van de voorgeschreven ontbindingsclausule van een colportagecontract.

Periode: 1975–

Product: Beschikking tot uitvoering van art. 1, onder b, van het Besluit inhoud en dagtekening akten van colportageovereenkomsten, Stcrt. 1975, 144.

Grondslag: Art. 1b, Besluit inhoud en dagtekening akten van colportageover eenkomsten 1975.

Waardering: V 5 jaar na vervallen

40.

Handeling: Het al dan niet gegrond verklaren van klachten tegen een colporteur wegens onbehoorlijk gedrag..

Periode: 1975–1995

Opmerkingen: Een gegrondverklaring houdt tevens een waarschuwing in, als omschreven in art. 13 van de Colportagewet. De klacht kan zowel schriftelijk door een klager zijn ingediend, als wel ambtshalve in behandeling zijn genomen.

Grondslag: Art. 16, Colportagewet

Waardering: B5

41.

Handeling: Het vervallen verklaren van inschrijvingen van colporteurs.

Periode: 1975–1995

Grondslag: Art. 14, Colportagewet;

Waardering: B5

43.

Handeling: Het bij regeling vaststellen van vrijstellingen aan bepaalde branches van het verbod tot het verstrekken van cadeaus

Periode: 1979–1997

Product: Bijvoorbeeld: Regelingen voor detailhandelaren in de platenbranche in het kader van de platenweek, 1983, Stcrt. 196; 1988, Stcrt. 192.

Opmerkingen: Voor vaststelling van deze regeling moet overleg worden gevoerd met de consumentenorganisaties en de Hoofdbedrijfsgroep Detailhandel..

Grondslag: WBC 1955, art. 4, ld 1; 1977, art. 8, lid 1.

Waardering: B5

44.

Handeling: Het wegens bijzondere omstandigheden verlenen van ontheffingen aan winkeliers van het verbod tot het verstrekken van cadeaus

Periode: 1979–1997

Product: beschikking.

Opmerkingen: Voor verkrijging van deze ontheffing worden door de Minister leges geheven die bij AMVB zijn vastgesteld.

Grondslag: WBC 1955, art. 4, lid 1; 1977, art. 8, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

45.

Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van subsidieregelingen

Periode: 1974–1977

Bron: Erkennings- en subsidieregeling klachtencommissies, Stcrt. 1975, nr. 230;

Opmerking: In 1995 werd deze taak gedelegeerd naar het Ministerie van Justitie.

Waardering: B5

46.

Handeling: Het toekennen van subsidies van erkende klachtencommissies van brancheorganisaties.

Periode: 1974–1995

Opmerkingen: De toekenning van de subsidie geschiedt jaarlijks op aanvrage.; de aanvrager dient hierbij een begroting in om de Minister in staat te stellen te beoordelen of hij een subsidie nodig heeft.

Grondslag: Art. 9 E

Waardering: V 7 jaar

47.

Handeling: Het toekennen van institutionele subsidies aan verenigingen en instellingen ten behoeve van consumentenvoorlichting of het onderwijs

Periode: 1974–1995

Opmerkingen: De Minister van (cultuur, recreatie en) Maatschappelijk Werk verleende eveneens subsidie op het gebied van huishoudelijke voorlichting. De SER adviseerde deze Minister over het belang voor de consument bij deze subsidies.

Subsidies werden o.m. verleend aan:

Het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) en zijn voorgangers voor 24%

De Nederlandse Vereniging voor Volksrediet, 1988–1993.

De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Konsumenten Aangelegenheden SWOKA

De Consumentenbond

Konsumenten Kontakt

De Nederlandse Vereniging voor Huisvrouwen

Stichting Konsumenten Keurmerk SKK,

Stichting Coördinatiepunt Massamedia Consumentenvoorlichting COMAC

Bron: Nota Consument en consumptie, Diverse verslagen overheidsbeleid consumentenzaken, begrotingen van het Ministerie van Economische Zaken..

Waardering: V, 7 jaar

48.

Handeling: Het uitbetalen van institutionele subsidies aan verenigingen en instellingen ten behoeve van consumentenvoorlichting of het onderwijs

Periode: 1974–1995

Waardering: V 7 jaar

49.

Handeling: Het toekennen van subsidies aan verenigingen en instellingen voor een vastgesteld onderzoek of project.

Periode: 1974–1992

Product: Bijvoorbeeld: onderzoeksopdrachten aan de Stichting

Wetenschappelijk Onderzoek Consumentenaangelegenheden SWOKA. De SWOKA gaf een genummerde serie publicaties uit onder de titel SWOKA-rapporten over verschillende vraagstukken.

Bron: Nota Consument en consumptie, Verslagen overheidsbeleid consumentenaangelegenheden.

Waardering: V 7 jaar

50.

Handeling: Het jaarlijks uitbetalen van subsidies aan verenigingen en instellingen voor een vastgesteld onderzoek of project.

Periode: 1974–1992

Bron: Nota Consument en consumptie, Verslagen overheidsbeleid consumentenaangelegenheden.

Waardering: V 7 jaar

51.

Handeling: Het jaarlijks uitbetalen van subsidies aan de Stichting Samenwerking Consumentenbond – Konsumenten Kontakt, later aan de Consumentenbond voor projecten.

Periode: 1992–1995

Opmerkingen: In 1992 werd een samenwerkingsverband tussen de twee consumentenorganisaties in stichtingsvorm opgericht, waarin ook de Stuurgroep Zelfregulering, de Consumentencommissie voor Europa en de Stichting Vergelijkend Warenonderzoek waren opgegaan. Deze stichting bundelt alle activiteiten die door de Minister worden gesubsidieerd. De Minister kent jaarlijks een bedrag van zes miljoen toe aan de stichting, die ze op zijn beurt toekent aan door haar goedgekeurde projecten.

Grondslag: Nota Van Rooij, HdTK 1992–1993, 23 162, nr. 1, p. 7.

Waardering: V 7 jaar

52.

Handeling: Het jaarlijks uitbetalen van subsidies aan de Consumentenbond voor een vastgesteld onderzoek of project.

Periode: 1995–

Opmerkingen: De subsidie is bestemd voor projecten op het gebied van product informatie, voorlichting en marktwerking.

Bron: Interview

Waardering: V 7 jaar

Consumentenkrediet

53

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid inzake het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1946–

Waardering: B1

55.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1984–

Waardering: B3

66.

Handeling: Het voorbereiden van vaststelling, wijziging en intrekking van AMvB’s inzake de werkzaamheden van de Commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–1990.

Product: Besluit commissie Wet op het consumptief geldkrediet, Stb. 1982, 643.

Grondslag: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 12.

Waardering: B4

67.

Handeling: Het voorbereiden van KB’s tot benoeming van de voorzitter van de commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–1990.

Grondslag: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 5.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

68.

Handeling: Het benoemen van leden, adviserende leden en secretarissen van de commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–1990.

Opmerkingen: De commissie bestaat uit zeven leden; drie daarvan zijn vergunninghouder als kredietverlener. Twee andere leden worden door representatieve consumentenorganisaties voorgedragen.

Grondslag: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 5.

Waardering: V 10 jaar

69.

Handeling: Het bij AMVB instellen van adviesorganen op het gebied van consumentenkrediet.

Periode: 1980–1997

Product: Besluit van 29 maart 1980, Stb. 139 houdende instelling van een voorlopige Adviescommissie consumentenkrediet.

Besluit van 7 maart 1990, Stb. 139, houdende instelling van een voorlopige Adviescommissie cunsumentenkrediet;

Besluit Adviescommissie consumentenkrediet, 25 november 1991, Stb. 651.

Grondslag: WCK , art. 56.

Waardering: B4

70.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot benoeming voorzitters van de adviescommissie .

Periode: 1980–1991

Grondslag: Besluit voorlopige Adviescommissie consumentenkrediet, art. 4, lid 2; WCK, art. 51, lid 2.

Waardering:: V 10 jaar na pensioen

71.

Handeling: Het benoemen van leden, plaatsvervangende leden en secretarissen van de adviescommissie.

Periode: 1980–1997

Grondslag: WCK, art. 51, lid 3, art. 52; besluit Adviescommissie consumentenkrediet, art. 6.

Waardering: V 10 jaar

75.

Handeling: Het evalueren van werkzaamheden van de commissie.

Periode: 1996–1997

Opmerkingen: Telkens binnen een periode van zes jaar stelt de commissie een rapport op van zijn werkzaamheden over de afgelopen tijd, waarna de Minister een onderzoek kan doen naar zijn taakvervulling en de gewenste verandering. Het eerste evaluatierapport heeft vermoedelijk tot zijn opheffing geleid..

Grondslag: Besluit adviescommissie consumentenkrediet, art. 19.

Waardering: B2

80.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s op grond van de Wet op het afbetalingsstelsel.

Periode: 1961–1990

Product: Uitvoeringsbesluit Wet op het afbetalingsstelsel 1961, Stb. 1963, 547;

1975, 398; 1977, 422.

Opmerkingen: Een in strijd met de wet gesloten transactie is niet nietig, tenzij het regels met betrekking tot vergoedingen voor die transacties geldt.

De Minister is bevoegd om AMvB’s vast te stellen over:

  • * roerende onlichamelijke zaken en diensten die voor afbetaling in aanmerking komen (art. 1 sub a); hierbij werd in de MvT. o.a. gedacht aan vakantiereizen Verder werd verwezen naar art. 555 en 559 van het oude BW.

  • * afbetalingstransacties die in het algemeen als vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt (art. 2 lid 4)

  • * categorieën afbetalingsfinanciers en/of leveranciers, die onder bepaalde voorwaarden kunnen worden geheel of gedeeltelijk kunnen worden vrijgesteld van bepalingen van de WAS (art. 3)

  • * Huurovereenkomsten die in afwijking van het bepaalde in art. 4, lid 1, als afbetalingstransacties dienen te worden aangemerkt (art. 4, lid 1, sub c). De noodzaak van deze bepaling was gebleken door het bestaan van huursystemen met het oogmerk om verplichte minimumaanbetalingen te ontduiken (nota van Toelichting Uitvoeringsbesluit 1963).

  • * het minimumbedrag dat afbetalingsleveranciers ter beschikking dienen te hebben (art. 16, lid 1, sub d.)

  • * de inlichtingen die afbetalingsleverancier of -financier bij een klant moet inwinnen met betrekking tot zijn kredietwaardigheid (art. 32). Uitgangspunt is dat het niet inwinnen van inlichtingen als een misbruik moet worden aangerekend.

  • * de aanbetalingen die er dienen te worden verricht bij een afbetalingstransactie en welke maximumvergoedingen er bij afbetalingen kunnen worden bedongen (art. 33)

  • * de vorm en inhoud van akten van overeenkomsten die een afbetalingstransactie vormen (art. 35). Hierin wordt o.m. vastgelegd dat in een huishouden beide echtgenoten dienen te ondertekenen: ‘de colporteur kan er dus niet mee volstaan, de vrouw te overdonderen in afwezigheid van de man’.

  • * de schriftelijke bevestiging die een leverancier aan de afbetaler dient op te stellen (art. 36, lid 2–3)

  • * de inschrijving van afbetalingstransacties en de daarvoor vast te stellen leges (art. 38)

  • * het verbod van afbetalingstransacties bij nader te bepalen zaken of diensten (art. 39)

  • * de waardebewijzen die door afbetalingsfinanciers kunnen worden verstrekt voor de koop van waar van afbetalingsleveranciers (art. 42)

  • * de leges die bij aanmeldingen of aanvragen van een vergunning moeten worden betaald en voor inzage in de registers (art. 45)

  • * nadere regels in het belang van een goede uitvoering van de wet (art. 48). In vrijwel alle gevallen hoort de Minister een daartoe ingestelde commissie van de Sociaal-economische Raad.

Waardering: B5

81.

Handeling: Het vaststellen van Ministeriële regelingen inzake afbetalingsstelsels.

Periode: 1961–1992

Product: Uitvoeringsbeschikking Wet op het Afbetalingsstelsel 1961, Stcrt. 1963, 251. Beschikking model inschrijvingsbewijs afbetalingsleveranciers Stcrt. 1975, 193

Opmerkingen: het betreft: regels inzake de wijze van inschrijving van afbetalingsleveranciers in de registers van kamers van Koophandel en Fabrieken (art. 6, lid 5) regels inzake de vereiste gegevens voor vergunningsaanvragen voor afbetalingsfinanciers bij de Kamers van Koophandel en – vanaf 1976 – bij de Minister van Economische Zaken (art. 15, lid 2).

regels inzake de vereiste gegevens voor vergunningsaanvragen voor afbetalingscolporteurs aan de gemeente (art. 24). Deze regels dienen door de gemeente te worden toegepast. regels voor de vaststelling van afbetalingsprijzen (art. 30, lid 1). Hiermee is het totaalbedrag bedoeld dat de schuldenaar bij afbetaling moet betalen.

Grondslag: WAS; passim.

Waardering: V 5 jaar na vervallen

82.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s naar aanleiding van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–1990

Product: Besluit aanwijzing zekerheden, Stb. 1976/420

Besluit kassastorting, Stb. 1976/421

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMVB:

a: regels te stellen

  • * voor de verkrijging van gegevens over voorschotbanken ten behoeve van de statistiek (art. 5, lid 1)

  • * Na 1983: voor de vaststelling van de kredietkosten op overeenkomsten van kredietverlening (art. 27, lid 2 sub b)

  • * voor door kredietverleners op te stellen prospectussen en andere aanbiedingen van kredieten (art. 43)

  • * voor centrale kredietregistratie (art. 52)

  • * Na 1983: voor vergoedingen aan kredietbemiddelaars door kredietverleners (artikel 42, lid 3; het vorderen van kosten aan kredietnemers is strafbaar.)

    b: Zekerheden aan te wijzen die voor een kredietverlening als pand mogen worden gesteld (art. 31. lid 1 sub e).

    b: Betaalwijzen van afbetalingen aan te wijzen waarvoor geen kwitantie verschuldigd is (art. 36)

    c: De maximale vergoedingen voor kredieten vast te stellen in tabellen (art. 45–46). Dit betreft zowel de rente als percentsgewijze berekende ‘administratiekosten’ of ‘onkosten’ e.d. alsmede boeterente of vertragingskosten. Een en ander geldt ook wanneer bij dit krediet een afbetaling betrokken is in de zin van de WAS, waarbij de kassastorting nader kan worden geregeld (art. 51)

    d: In verband met de geldsontwaarding de maximumbedragen te wijzigen waarvoor limieten gelden bij bepaalde transacties, in het bijzonder het maximumbedrag waarvoor de wet geldt.

Grondslag: WCGK, passim.

Waardering: B5

84.

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen op basis van van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–1990

Product: Beschikking van 28 juli 1976, Stcrt 158, inzake de berekening van de kredietvergoeding bij vervroegde betaling en vertragingsvergoeding, ingetrokken in Stcrt 1981, 108–114.

Beschikking van 12 sept. 1976, Stcrt. 184, inzake de berekening van de kredietvergoeding

Beschikking inzake prospectussen en overige aanbiedingen, 1976, Stcrt. 158 (ingetrokken in 1983)

Besluit kredietvergoedingen, 1983, Stcrt. 115

Besluit kredietaanbiedingen en akten, 1983, Stcrt. 211.

Beschikkingen, waarbij interest- of vergoedingstabellen worden gewijzigd.

Grondslag: WCGK, passim

Waardering: V 5 jaar

85.

Handeling: Het in bijzondere gevallen van toepassing verklaren van de Wet op het consumptief geldkrediet op instellingen.

Periode: 1984–1990

Opmerkingen: Het betreft hier instellingen die niet voldoen aan de definitie van kredietgevers in de zin der wet (art. 3, lid 1), maar waarvan wordt geconstateerd dat zij feitelijk consumptief geldkrediet verstrekken of daarmee zelfs misbruik plegen. Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Grondslag: WCGK, art. 3, lid 2.

Waardering: B5

86.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s, naar aanleiding van de Wet op het consumentenkrediet.

Periode: 1990–

Product: Besluit aanwijzing diensten WCK, Stb. 1991/515

Besluit provisie kredietbemiddeling, Stb. 1991/516

Besluit kredietaanbiedingen, Stb. 1991/548; 1995/392

Besluit kredietvergoeding, Stb. 1991/549; 1997,/20

Besluit vergunningaanvraag WCK, Stb.1991/550; 1997/201

Wijzigingsbesluiten van in de wet bepaalde maximum- en minimumbedragen

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om de volgende zaken bij AMVB te regelen:

* Nader te bepalen diensten waarop krediet kan worden verleend dan wel een afbetalingsovereenkomst kan worden gesloten (art. 1 sub 2 en 3)

* De vergunningaanvrage van een kredietverlener en de daarvoor verschuldigde leges (art. 10)

* De prospectussen en overige bekendmakingen en aanbiedingen van krediettransacties (art. 26). Het gaat hier met name om de effectieve rentepercentages en de werkelijk verschuldigde totaalbedragen.

* De provisie aan kredietbemiddelaars, zoals die door kredietverleners mogen worden uitgekeerd (Alleen kredietverleners mogen bemiddelaars belonen, art. 27, lid 2).

* De maximale kredietvergoedingen (art. 35)

* De mededelingen over het uitstaande kredietsaldo door kredietverlener aan kredietnemer (art. 39)

* De wijziging van in de wet vastgestelde maximum- en minimumbedragen voor het sluiten van kredietovereenkomsten en het stellen van waarborgen, zulks in verband met de geldsontwaarding.

Grondslag: WCK, passim

Waardering: B5

88.

Handeling: Het bij AMVB wijzigen van in de wet vastgestelde maximum- en minimumbedragen voor het sluiten van consumentenkredieten of het daarbinnen afwijken van voorgeschreven waarborgen.

Periode: 1990–

Beoordeling: V, 10 jaar

90.

Handeling: Het voorbereiden van Ministeriele regelingen naar aanleiding van de Wet op het consumentenkrediet.

Periode: 1990–

Product: Regeling effectief kredietvergoedingspercentage, Stcrt. 1991, nr. 220.

Regeling toezicht WCK, Stcrt 1992, 189 en 215.

Regeling register vergunninghouders WCK

Regeling jaarlijkse opgave WCK, Stcrt. ....

Regeling gegevensverstrekking op grond van art. 14b WCK, Stcrt. 1993, 57.

Regelingen ter aanpassing van de tabellen voor kredietvergoeding.

Opmerkingen: De Minister kan bij regeling bepalen

* Welke gegevens door een kredietverlener bij de aanvrage van een vergunning moeten worden overhandigd

* Welke gegevens een vergunninghouder in de halfjaarlijkse verslaglegging moet toesturen aan de Minister

* Hoe het jaarlijks accountantsonderzoek dient te geschieden

Medebepalend voor de opstelling van deze regels zijn de EG-voorschriften tot harmonisatie van de gegevensregistratie, waarbij kredietinstellingen met over de lidstaten verspreide bijkantoren of met grensoverschrijdende transacties slechts één vergunning behoeven. Blijkens Trb 1992, 132 gelden deze voorschriften ook voor leden van de Europese Vrijhandels Associatie.

Grondslag: Wet op het consumentenkrediet passim

Waardering:: V 5 jaar

92.

Handeling: Het geven van algemene aanwijzingen inzake de toepassing van de wet.

Periode: 1992–

Product: Circulaires, bijvoorbeeld: Mededeling van de Hoofdafdeling Financieel Marktbeleid van januari 1993, nr. 80 inzake driepartijenhuurkoop-transacties.

Opmerkingen: Deze circulaires zijn bedoeld als reacties op vragen over de uitleg van de wet of op eventuele klachten over de interpretatie.

Waardering: B5

93.

Handeling: Het op aanvraag van kredietnemers van toepassing verklaren van bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet op transacties gesloten met de wettelijke rente.

Periode: 1992–

Opmerkingen: Transacties waarvan het effectieve kredietpercentage niet hoger is dan de wettelijke rente hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van de wet. (art. 4, lid 1 sub a) De Minister is echter bevoegd om deze bepalingen alsnog van toepassing te verklaren als de kredietgever malafide blijkt te zijn.

Grondslag: Art. 3, WCK.

Waardering: V 10 jaar

94.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de wet.

Periode: 1990–

Product: Besluit houdende aanwijzing van de Economische Controledienst (ECD) als toezichthoudende ambtenaren, Stcrt. 1992, nr. 7.

Opmerkingen: De taak van de toezichthoudende ambtenaren bestaat vooral uit het toezicht op leveranciers en kredietbemiddelaars.

Grondslag: Art. 57., WCK

Waardering: V 10 jaar

95.

Handeling: Het aanwijzen van accountants, belast met de controle op de ingekomen jaarrekeningen van kredietverleners

Periode: 1990–

Product: Besluit van 16 oktober 1992, Stcrt 205, houdende aanwijzing van toezichthoudende accountants.

Opmerkingen: Als accountants zijn in 1992 aangewezen KPMG Klynveld Accountants te ‘s-Gravenhage.

Grondslag: Art. 62, WCK.

Waardering: V 10 jaar

149.

Handeling: Het verlenen van vergunningen aan particuliere voorschotbanken.

Periode: 1984 –1990

Grondslag: WCGK, art. 11–13

Waardering:: V 5 jaar na vervallen vergunning

150.

Handeling: Het voorbereiden van een uitspraak van de Kroon inzake een beroep tegen het weigeren van een vergunning aan de houder van een voorschotbank.

Periode: 1984–1990.

Grondslag: WCGK, art. 16, lid 2,

Waardering:: V 10 jaar

151.

Handeling: Het op verzoek van een voorschotbank verklaren dat een vergunning na verandering van vestigingsplaats of benaming geldig blijft.

Periode: 1984–1990.

Grondslag: WCGK, art. 15, lid 2.

Waardering:: V 5 jaar

152.

Handeling: Het registreren van toegelaten particuliere voorschotbanken.

Periode: 1984–1990

Grondslag: WCGK, art. 4, lid

Waardering:: B5

153.

Handeling: Het jaarlijks opstellen van lijsten van toegelaten particuliere voorschotbanken

Periode: 1984–1990

Opmerkingen: Deze lijsten worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Grondslag: WCGK, art. 4, lid 2.

Waardering:: V1 jaar

154.

Handeling: Het jaarlijks verzoeken aan vergunninghouders om opgave van de

verleende kredieten.

Periode: 1984–1992

Grondslag: WCGK, art. 17, lid 2.

Waardering: V 7 jaar

155.

Handeling: Het verrichten van jaarlijks onderzoek op toegelaten particuliere voorschotbanken.

Periode: 1984–1992

Grondslag: WCGK, art. 18.

Waardering: V 7 jaar

B 5: eindproduct

156.

Handeling: Het geven van schriftelijke aanwijzingen aan particuliere voorschotbanken.

Periode: 1984–1992

Grondslag: WCGK, art. 20.

Waardering: B 5

157.

Handeling: Het intrekken van vergunningen van particuliere voorschotbanken.

Periode: 1984–1992

Grondslag: WCGK, art. 21.

Waardering:: V 5 jaar na vervallen vergunning

158.

Handeling: Het controleren van de afwikkeling van ontbonden spaarovereenkomsten van vergunninghouders wier vergunning is ingetrokken.

Periode: 1984–1992

Opmerkingen: Een bijzonder geval bij de afwikkeling van lopende zaken van een vergunninghouder, wiens vergunning is ingetrokken, is de afwikkeling van spaarkredieten, waarbij de kredietverlening naar de toekomst is uitgesteld (art. 25); de overeenkomst is dan ontbonden, en de kredietverlener is dan gehouden het reeds betaalde spaargeld terug te storten. De Minister moet door periodieke verslaglegging op de hoogte worden gebracht van het verloop van de terugbetaling.

Grondslag: WCGK, art. 25.

Waardering: V 7 jaar

159.

Handeling: Het voorbereiden van een uitspraak van de Kroon op een beroep tegen een aanwijzing aan een vergunninghouder of intrekking van een vergunning.

Periode: 1984–1992

Grondslag: WCGK art. 19, lid 4, art. 21, lid 2, Wet op het consumptief geldkrediet

Waardering: V 10 jaar

160.

Handeling: Het verlenen van vergunningen aan kredietverleners

Periode: 1990–

Grondslag: WCK, .art. 11–14b.

Waardering: V 5 jaar na vervallen vergunning

161.

Handeling: Het bij Ministeriele regeling vaststellen van legeskosten voor een vergunningaanvraag.

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit vergunningverlening WCK, art. 5.

Waardering: V 10 jaar

162.

Handeling: Het inschrijven, uitschrijven en wijzigen van inschrijvingen van vergunninghouders in een register

Periode: 1990–

Product: Register van vergunninghouders.

Opmerkingen: Het register is openbaar en is ingericht volgens door de Minister vastgestelde voorschriften. De gegevens die daarin zijn opgenomen zijn vastgelegd zoals ze door de Minister zijn vastgesteld.

Grondslag: WCK, art. 20–21.

Waardering: V 10 jaar

163.

Handeling: Het op aanvrage verstrekken van inlichtingen uit het register van vergunninghouders.

Periode: 1990–

Grondslag: WCK, art. 22.

Waardering: V 3 jaar

164.

Handeling: Het op aanvrage verstrekken van berekeningstabellen voor kredietvergoedingen aan vergunninghouders

Periode: 1992–

Opmerkingen: Deze tabellen zijn kosteloos.

Grondslag: Regeling effectief kredietvergoedingspercentage 1991.

Waardering: V 3 jaar

165.

Handeling: Het toetsen van jaarlijkse verslagen van toegelaten kredietverleners

Periode: 1992–

Opmerkingen: De indeling van het jaarverslag wordt in belangrijke mate bepaald door de vraagstelling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die aan de vergunninghouders een enquete toezendt .

Grondslag: WCK, art. 24 .

Waardering: V 7 jaar

166.

Handeling: Het toetsen van de jaarlijkse accountantsverslagen over de toegelaten credietverleners.

Periode: 1992–

Opmerkingen: De toegelaten kredietverleners zijn verplicht elk jaar een verslag van een onafhankelijke accountant aan de Minister toe te zenden. Dit verslag houdt tevens een machtiging in aan de door de Minister ingestelde accountants om nadere inlichtingen in te winnen. Deze accountants hebben tot taak:

* Het verzamelen van gegevens over de bedrijfsvoering

* Vaststellen of de wetsbepalingen met een precieze en concrete normering zijn nageleefd

* Verzamelen van gegevens die nodig zijn om EZ te laten beoordelen of de ‘open’ normen van het goed kredietgeverschap zijn nageleefd.

Grondslag: WCK, art. 25.

Waardering: V 7 jaar

167.

Handeling: Het opstellen en evalueren van nadere richtlijnen voor het door de wet vereiste accountantsonderzoek.

Periode: 1993–

Product: Handboek voor het accountantsonderzoek ten behoeve van de vergunninghouder; Handboek voor het onderzoek door de EZ-accountants.

Grondslag: Regeling toezicht WCK,.art. 2.

Waardering: B5

168.

Handeling: Het goedkeuren van door de EZ-accountants opgestelde jaarlijkse begrotingen van hun werkzaamheden.

Periode: 1993–

Grondslag: Regeling toezicht WCK, art. 4,

Waardering: V7 jaar

169.

Handeling: Het innen van jaarlijkse bijdragen van vergunninghouders..

Periode: 1994–

Opmerkingen: Vergunninghouders zijn verplicht om jaarlijkse bijdragen te betalen aan de EZ-accountants op grond van een door de Minister goedgekeurde kostenberekening voor hun werk, verdeeld over het aantal vergunninghouders. In de regeling van 26 mei 1993, Stcrt. 99 werd de inning voor 1993 buiten toepassing verklaard, zodat zij eerst het jaar daarop van kracht werd..

Grondslag: WCK, art. 63, Regeling toezicht WCK. art. 6..

Waardering: V 7 jaar

170.

Handeling: Het vaststellen van het financieël jaarverslag van EZ-accountants

Periode: 1993–

Grondslag: Regeling toezicht WCK, art. 7.

Waardering: V 7 jaar

171.

Handeling: Het op verzoek van de Minister adviseren bij klachten van kredietnemers over misstanden bij kredietverleningen.

Periode: 1993–

Grondslag: Regeling toezicht WCK, art. 7.

Waardering: V 10 jaar

173.

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan kredietverleners.

Periode: 1990–

Opmerkingen: Hierbij is ook inbegrepen het corresponderen met kredietverleners over ingekomen klachten, waarbij de Minister heeft bemiddeld. Bij de totstandkoming van de WCK is aangetekend dat `in de laatste jaren’ de klachten zodanig zijn afgewikkeld dat het zelden tot een formele aanwijzing is gekomen.

Grondslag: WCK, art. 16.

Waardering: B5

174.

Handeling: Het intrekken of beperken van vergunningen aan kredietverleners.

Periode: 1990–

Grondslag: WCK, art. 17.

Waardering: V 5 jaar na intrekking/beperking

176.

Handeling: Het aanwijzen van instellingen die bevoegd zijn tot schuldbemiddeling

Periode: 1987–1992

Opmerkingen: Bij de toelating kan de Minister vaststellen welke bedragen dienen te worden toegekend als vergoeding voor hun werkzaamheden.

Grondslag: WCGK, art. 48b, lid 1 sub c..

Waardering: V 10 jaar

177.

Handeling: Het bijhouden van een register van instellingen die tot schuldbemiddeling bevoegd zijn.

Periode: 1987–1992

Grondslag: WCGK, art. 48b, lid 2.

Waardering: B5

178.

Handeling: Het periodiek publiceren van lijsten van instellingen die tot schuldbemiddeling bevoegd zijn.

Periode: 1987–1992

Opmerkingen: De lijsten worden tweejaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd.

Grondslag: WCGK, art. 48b, lid 2.

Waardering: V 2 jaar

179.

Handeling: Het bij AMVB aanwijzen van personen of instanties die tot schuldbemiddeling bevoegd zijn.

Periode: 1990–

Opmerkingen: Schuldbemiddeling is vanaf 1992 verboden; van dit verbod zijn slechts gemeentelijke kredietbanken en aangewezen personen bij een faillissement uitgezonderd en bij AMVB – eventueel op voorhand – aan te wijzen instanties.

Grondslag: Art. 48, WCK

Waardering: B5

180.

Handeling: Het beslissen in een beroep tegen een intrekking of weigering van een vergunning van een Kamers van Koophandel aan een afbetalingsleveranciers

Periode: 1946–1961.

Grondslag: WAB, art. 5, lid 3–4, art. 8, lid 2–4.

Waardering: V 10 jaar

181.

Handeling: Het vaststellen van modellen voor door de Kamers van Koophandel te verstrekken vergunningsbewijzen aan afbetalingscolporteurs.

Periode: 1946–1961.

Grondslag: WAB, art. 12, lid 3.

Waardering: V 10 jaar

182.

Handeling: Het registreren van door Kamers van Koophandel aangemelde afbetalingsleveranciers.

Periode: 1976–1992

Waardering: V 10 jaar

183.

Handeling: Het geven van waarschuwingen aan afbetalingsleveranciers bij een vastgestelde misbruik bij afbetalingsregelingen of toegekende vergunningen..

Periode: 1976–1992

Grondslag: WAS 1976, Art. 7 en 17.

Waardering: V 10 jaar

184.

Handeling: Het geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van inschrijvingen van afbetalingsleveranciers in de registers van Kamers van Koophandel.

Periode: 1976–1992

Grondslag: WAS 1961, art. 8,

Waardering: V 10 jaar

187.

Handeling: Het op aanvraag van afbetalingsleveranciers verstrekken van vergunningen om als zodanig op te treden..

Periode: 1961–1992

Grondslag: Art. 14, WAS;

Waardering: V 5 jaar na vervallen vergunning

188.

Handeling: Het inschrijven van de toegelaten afbetalingsfinanciers.

Periode: 1961–1992

Product: Register van vergunningen

Opmerkingen: In het register worden de toekenningen, de wijzigingen, de beperkingen en de intrekkingen bijgehouden. Het register is openbaar. Aan de inschrijving in het register kunnen lege⁠skosten worden verbonden.

Grondslag: Art. 14, lid 2, art. 38, WAS;

Waardering: V 10 jaar

189.

Handeling: Het op aanvraag geven van inlichtingen uit het register van vergunningen voor afbetalingsfinanciers.

Periode: 1961–1992

Opmerkingen: Voor de levering van inlichtingen zijn leges verschuldigd (art. 3b, Uitvoeringsbesluit 1963)

Grondslag: Art. 14, lid 3, WAS;

Waardering: V 3 jaar

190.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarin vergunningen voor afbetalingsfinanciers worden geweigerd..

Periode: 1961–1992

Opmerkingen: Een dergelijk besluit kan ook bij KB worden gewijzigd of ingetrokken.

Grondslag: Art. 16, WAS;

Waardering: V 10 jaar

191.

Handeling: Het intrekken of beperken van vergunningen voor afbetalingsfinanciers

Periode: 1961–1992

Grondslag: Art. 18, WAS

Waardering: V 5 jaar na intrekking/beperking

194.

Handeling: Het stellen van nadere regels voor de aanvrage van een vergunning aan de gemeente door afbetalingscolporteurs

Periode: 1961–1973

Grondslag: Art. 24, WAS

Waardering:: V 5 jaar na vervallen

198.

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot het verlenen of intrekken van algehele of bijzondere vrijstellingen aan kredietgevers van wettelijke verplichtingen.

Periode: 1984–1992

Grondslag: Art. 49–50, Wet op het consumptief geldkrediet.

Waardering: V 5 jaar na verlopen vrijstelling

199.

Handeling: Het verlenen van vrijstellingen of tijdelijke ontheffingen van bij AMVB vastgestelde voorschriften inzake afbetalingscontracten.

Periode: 1961–1992

Grondslag: Art. 33, lid 5, WAS; Art. 7 Uitvoeringsbesluit.

Waardering: V 5 jaar na verlopen vrijstelling

200.

Handeling: Het op aanvrage van een onderneming buiten toepassing verklaren van een afbetalingsregeling krachtens art. 30.

Periode: 1961–1992

Opmerkingen: De regeling (‘beschikking’) wordt buiten toepassing verklaard als de afbetalingsprijs reeds is geregeld door een door de Minister goedgekeurde verordening van een product- of bedrijfschap.

Grondslag: Art. 31, WAS;

Waardering: V 10 jaar

201.

Handeling: Het delegeren van de bevoegdheid van de vaststelling van een regeling inzake afbetalingsprijzen aan een product- of bedrijfschap.

Periode: 1961–1992

Opmerkingen: Aan deze delegatie, toegekend in het kader van de bevoegdheid om ‘medewerking te vorderen’ aan bedrijfslichamen ingevolge de Wet op de Bedrijfsordening, kunnen nadere regels worden gesteld.

Grondslag: Art. 30, WAS;

Waardering: B4

202.

Handeling: Het vaststellen van Ministeriële regelingen op het gebied van afbetalingen.

Periode: 1956–1959

Product: Afbetalingsbeschikking, Stcrt. 1956, 115.

Opmerkingen: De afbetalingsbeschikking regelt het percentage van de eerste aanbetaling en het afbetalingsplan, afhankelijk van de gekochte waar alsmede de wijze waarop afbetaling dient te worden bedongen.

Grondslag: Art. 2, Wet houdende een tijdelijke regeling betreffende

afbetalingsovereenkomsten, 1956.

Waardering: V 5 jaar na vervallen

203.

Handeling: Het vaststellen van tijdelijke Ministeriële regelingen van bijzondere aard met het oog op conjuncturele omstandigheden..

Periode: 1961–1992

Product: Conjunctuur-afbetalingsbeschikking 1963, Stcrt. 1963, 252; 1964, 6; 1964, 24, ingetrokken in Stcrt. 1967, 196

Conjunctuurbeschikking persoonlijke leningen, Stcrt 1964, 24, 71)

Conjunctuur-afbetalingsbeschikking 1969, Stcrt. 14

Conjunctuurbeschikking persoonlijke leningen 1969, Stcrt. 14.

Opmerkingen: Opzettelijk verrichte handelingen in strijd met deze voorschriften gelden als een misdrijf.

Grondslag: Art. 43, WAS;

Waardering: V 5 jaar na vervallen

204.

Handeling: Het op aanvrage verlenen van ontheffingen van tijdelijke regelingen (‘beschikkingen’) inzake afbetalingen, gegeven in bijzondere omstandigheden.

Periode: 1961–1992

Opmerkingen: Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Grondslag: Art. 43, lid 4, WAS;

Waardering: V 5 jaar na verlopen ontheffing

Actor: Commissie wet op het consumptief Geldkrediet

83.

Handeling: Het adviseren van de Minister over AMVB’s en Ministeriele Regelingen naar aanleiding van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1973–1990

Waardering: B1

Actor: Economische Controledienst

172.

Handeling: Het adviseren aan de Minister inzake klachten van kredietnemers inzake misstanden bij kredietverleningen.

Periode: 1993–1999

Waardering: B 5

Actor: Interdepartementale Commissie Consumentezaken

16.

Handeling: Het uitbrengen van adviezen aan de Ministers van Economische Zaken en (Cultuur, recreatie en) Maatschappelijk Werk inzake het consumentenbeleid.

Periode: 1974–1990

Waardering: B1

17.

Handeling: Het opstellen van plannen inzake consumentenbescherming.

Periode: 1980–1990

Waardering: B1

18.

Handeling: Het opstellen van jaarlijkse rapporten over het consumentenbeleid.

Periode: 1974–1990

Waardering: B3

19.

Handeling: Het instellen van werkgroepen.

Periode: 1980–1990

Waardering: V 10 jaar

Actor: De Commissie van onderzoek inzake het afbetalingswezen (Commissie-Lichtenauer)

21.

Handeling: Het adviseren van de Minister inzake wettelijke regelingen op het gebied van afbetaling.

Periode: 1950–1954

Product: Rapport

Waardering: B 1

Actor: De Adviescommissie Afbetaling en Colportage (AAC)

34.

Handeling: Het instellen van subcommissies.

Periode: 1975–1995

Grondslag: Art. 11, Reglement werkwijze AAC, Stcrt. 1975, 176.

Waardering: V 10 jaar

35.

Handeling: Het jaarlijks verslag uitbrengen van hun werkzaamheden aan de Minister van Economische Zaken.

Periode: 1975–1995

Grondslag: Art. 12, Reglement werkwijze AAC, Stcrt. 1975, 176.

Waardering: B3

39.

Handeling: Het adviseren van de Minister over klachten wegens onbehoorlijk gedrag van een colporteur of colportageonderneming.

Periode: 1975–1995

Grondslag: Art. 2, Colportagewet;

Waardering: B5

185.

Handeling: Het adviseren van de Minister bij klachten over misbruiken door of bezwaren tegen afbetalingsleveranciers.

Periode: 1976–1992

Opmerkingen: Dit advies kan unaniem worden uitgebracht, maar ook met meerderheid van stemmen. In het eerste geval kan de Minister, indien zijn advies met de beschikking in overeenstemming is, onmiddellijk in werking doen treden.

Grondslag: WAS 1972, art. 9 en 9a.

Waardering: B5

192.

Handeling: Het adviseren van de Minister bij klachten over misbruiken door toegelaten afbetalingsfinanciers.

Periode: 1976–1992

Opmerkingen: Dit advies kan unaniem worden uitgebracht, maar ook met meerderheid van stemmen. In het eerste geval kan de Minister, indien zijn advies met de beschikking in overeenstemming is, onmiddellijk in werking doen treden.

Grondslag: Art. 18a em 18b, WAS

Waardering: B5

Actor: Adviescommissie Consumentenkrediet

72.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken op het gebied van consumentenkrediet

Periode: 1980–1997

Product: Verslagen van vergaderingen en besluiten.

Waardering: B5

73.

Handeling: Het indienen van jaarlijkse begrotingen.

Periode: 1992–1997

Waardering: B3

74.

Handeling: Het periodiek verslag uitbrengen van zijn werkzaamheden aan de Minister van Economische Zaken.

Periode: 1990–1997

Waardering: B3

75.

Handeling: Het evalueren van werkzaamheden van de commissie.

Periode: 1996–1997

Waardering: B2

87.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake AMVB’s op het gebied van consumentenkrediet.

Periode: 1990–1997

Waardering: B5

91.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake Ministeriele regelingen op het gebied van consumentenkrediet.

Periode: 1990–1997

Waardering: B5

B. Actoren onder de zorg van de Minister van Binnenlandse Zaken

Actor: De Minister belast met consumentenbeleid

20.

Handeling: Het (mede) voorbereiden van wettelijke regelingen op het beleidsterrein consumentenbescherming

Periode: 1946–

Product: Algemeen

Herziening Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

Herziening Wetboek van koophandel

Herziening Faillissementswet, met name met betrekking tot de schuldsanering van natuurlijke personen (voorstellen aanvaard in 1998)

Algemene Wet Bestuursrecht, Vastgesteld vanaf 1992–

Herziening Warenwet

Wet op de economische delicten, Stb. 1951,

Wet Aanpassing herziening adviesstelsel, Stb. 1997, 63

Civielrechtelijke wetten (specifieke wijzigingen WB en NWB)

Wet Algemene Voorwaarden, Stb. 1987, 327.

Wet […] inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, Stb. 1990, …

Wet op de consumentenkoop (titel 7.1 en 3, 5 en 6 NBW)

Wet op de […] privaatrechtelijke bescherming tegen misleidende reclame, Stb. 1980, 304

Wet […] betreffende pakketreizen met inbegrip van vakantiepaketten en rondreispaketten (boek 7 BW), Stb. 1992, 689.

Op het gebied van consumentenkrediet

Wet op het consumentencrediet 1946, Stb. G 184

Wet houdende opheffing van de particuliere banken van leening, 1946 Stb. G 295.

Wijziging van de Geldschieterswet 1932, 1948, Stb. I 270, 1965, Stb.

Wet op het consumptief geldkrediet, Sttb. 1972, 399; 1974, 817; 1977, 227; 1983, 297

Wet toezicht kredietwezen, Stb. 1978, 255

Voorontwerp van wet op het consumentenkrediet 1984.

Wet op het consumentenkrediet, Stb. 1990, 395;.

Op het gebied van afbetaling (tot 1990)

Wet, houdende een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1956, 322)

Wet tot handhaving van een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1961, 5).

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213; 1964, ...; 1972, 248; 1976, 515; 1983, 465, 469, 690.

Op het gebied van colportage

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213;

Colportagewet 1973, Stb. 438; 1989, Stb. 301;

Wet houdende wijziging van de Colportagewet in verband met de afschaffing van het registratiestelsel, 1992, Stb. 70.

Inzake het cadeaustelsel

Wet houdende regelen tot beperking van de vrijheid voor het aanbieden en verstrekken van geschenken in verband met het uitoefenen van een bedrijf (Wet beperking cadeaustelsel,) Stb. 1955, 345; 1977, 659

Mededingingswet 1997, Stb. 242.

Opmerkingen: Zie voor nadere uitwerking van de Wet toezicht kredietwezen PIVOT-rapport nr. 40, Zicht op toezicht, passim.

Waardering: B1

53.

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid inzake het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1946–

Waardering: B1

55.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1946–

Waardering: B3

57.

Handeling: Het benoemen van leden, de voorzitter en een secretaris van de CAB inzake de geldschieterswet..

Periode: 1945–1973.

Bron: Geldschieterswet.art. 45, lid 3–5

Waardering: V 10 jaar

58.

Handeling: Het vaststellen van instructies voor de CAB inzake de Geldschieterswet..

Periode: 1945–1973.

Bron: Geldschieterswet, art. 45, lid 6

Waardering: B5

65.

Handeling: Het stellen van nadere regels over de vergoeding van gemeenten voor de kosten van de daar ingestelde districtsraden,

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 7, lid 5.

Waardering: B5

76.

Handeling: Het voorbereiden van AMVB’s naar aanleiding van de Geldschieterswet

Periode: 1946–1972

Bron: Geldschieterswet, passim

Product: Besluit, houdende wijziging van de tabellen van maximum interest...,

Stb.1952/637. Besluit houdende nadere wijziging van het KB van 13 januari 1933, Stb.12 tot uitvoering van de Geldschieterswet. Stb. 1956, 471

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMVB

  • * tabellen op te stellen die de maximum interest voor een lening door

  • * een geldschieter vaststellen

  • * de informatiekosten die de lener bij de sluiting van een transactie in rekening mogen worden gebracht

  • * gevallen waarin de geldschieter niet verplicht is een kwitantie te verstrekken bij aflossing van een termijn.

  • * krediet verlenende instellingen aan te wijzen die niet onder de geldschieterswet vallen. Een en ander is voor het eerst geregeld in het Geldschietersbesluit van 13 januari 1933, Stb. 12. In 1937 is geprobeerd om in de wet te regelen dat bij AMVB ook nieuwe voorschriften konden worden opgesteld met betrekking tot de kredietovereenkomst. De wet schreef de namelijk de opstelling van een onderhandse akte voor, wat in het toenemende betalingsverkeer nogal omslachtig leek.

Waardering: B5

78.

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan andere overheden met betrekking tot de toepassing van de Geldschieterswet.

Periode: 1932–1973.

Bron: Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling

Maatschappelijke Zorg, inventarisnr. 71; Schoonderbeek, De Geldschieterswet, p. 149.

Product: Circulaire aan Gedeputeerde Staten, 1950

Waardering: V, 10 jaar

96.

Handeling: Het gezamenlijk stellen van nadere regels met betrekking tot de kredietverlening voor de aankoop van duurzame gebruiksgoederen.

Periode: 1946–1947

Product: Uitvoeringsbeschikking I, II en III, Stcrt. 1946, nr. 89, met wijzigingen.

Grondslag: Art. 1, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: B5

105.

Handeling: Het nader vaststellen van districten voor de uitvoering van de Wet het Consumentencrediet en van zijn organisaties.

Periode: 1946.

Opmerkingen: De districten bestaan in beginsel uit gemeentegrenzen; de wet kent aan de Minister de bevoegdheid toe om hiervan af te wijzen. De Minister wijst hierbij het gemeentebestuur aan dat tot benoeming van leden van de districtsraad bevoegd is.

Grondslag: Art. 6, lid 3, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: V 10 jaar

146.

Handeling: Het voorbereiden van een kroonbesluit op een beroep tegen de weigering van de goedkeuring van GS van gemeentelijke besluiten ten aanzien van een gemeentelijke kredietbank.

Periode: 1946–1976

Bron: 3, lid 2, Geldschieterswet.

Product: Bijvoorbeeld: het KB van 10 januari 1953, nr. 28.

Overlegkader: Gemeentebestuur.

Waardering: V 10 jaar

196.

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot het verlenen van vrijstellingen aan geldschietersinstellingen.

Periode: 1946–1976.

Bron: Art. 44. Geldschieterswet

Waardering: V, 5 jaar na verlopen vrijstellingen

C. Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën

Actor: De Minister van Financiën

60.

Handeling: Het benoemen van leden en de voorzitter van de Centrale Raad voor consumentencrediet.

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 5, lid 2,

Waardering: V 10 jaar na pensioen

61.

Handeling: Het benoemen van een directeur van het bureau van de Centrale Raad voor consumentencrediet en een bureausecretaris.

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 5, lid 3.

Waardering: V 10 jaar na pensioen

62.

Handeling: Het benoemen van Ministeriele afgevaardigden in het bureau van de Centrale Raad voor consumentencrediet.

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 5, lid 3,

Waardering: V 10 jaar

63.

Handeling: Het samenvoegen of splitsen van gemeentelijke districten

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 6, lid 5.

Waardering: V 10 jaar

64.

Handeling: Het geven van nadere voorschriften over de samenstelling en de taak van de districtsraden

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 6, lid 7.

Waardering: B5

65.

Handeling: Het stellen van nadere regels over de vergoeding van gemeenten voor de kosten van de daar ingestelde districtsraden,

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 7, lid 5.

Waardering: B5

89.

Handeling: Het voeren van overleg met de Minister van Economische Zaken bij de vaststelling van AMVB’s inzake maximum- en minimumbedragen voor het sluiten van consumentenkredieten of het daarbinnen afwijken van voorgeschreven waarborgen.

Periode: 1990–

Opmerkingen: Deze bepalingen zijn vastgesteld met het oog op de geldontwaarding.

Grondslag: Art. 66. WCK.

Waardering: B5

96.

Handeling: Het gezamenlijk stellen van nadere regels met betrekking tot de kredietverlening voor de aankoop van duurzame gebruiksgoederen...

Periode: 1946–1947

Product: Uitvoeringsbeschikking I, II en III, Stcrt. 1946, nr. 89, met wijzigingen..

Grondslag: Art. 1, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering:: B5

100.

Handeling: Het nader evalueren van de uitvoering van de Wet op het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1953

Product: Rapport betreffende de inrichting van het consumentenkrediet, samengesteld door de Centrale Accountantsdienst van het Ministerie vanFinanciën 31 december 1946; Rapport inzake een enquête over de beweegredenen voor aanvragers van het krediet in tweede termijn. 1947 Verzamelde staten van aanvragen.

Waardering: B2

103.

Handeling: Het instellen van centrale organen en organisaties, belast met de uitvoering van de Wet op het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1953

Product: Instellingsbeschikking van de Raad voor het Consumentenkrediet, het Bureau Consumentenkrediet en de Commissie Consumentenkrediet, 1 augustus 1946, nr. 179; opheffingsbeschikking van het bureau van 22 december 1949, nr. 222; opheffingsbeschikking van de raad van 12 oktober 1953, nr. F 161.

Grondslag: Art. 5, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering:: B4

104.

Handeling: Het benoemen van leden van de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet en zijn organisaties.

Periode: 1946–1953

Opmerkingen: De eerste leden werden benoemd bij de instellingsbeschikking van het orgaan en zijn organisaties.

Grondslag: Art. 5, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering:: V 10 jaar

105.

Handeling: Het nader vaststellen van districten voor de uitvoering van de Wet het Consumentencrediet en van zijn organisaties.

Periode: 1946.

Opmerkingen: De districten bestaan in beginsel uit gemeentegrenzen; de wet kent aan de Minister de bevoegdheid toe om hiervan af te wijzen. De Minister wijst hierbij het gemeentebestuur aan dat tot benoeming van leden van de districtsraad bevoegd is.

Grondslag: Art. 6, lid 3, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering:: V 10 jaar

124.

Handeling: Het mede administreren van het verstrekte crediet.

Periode: 1949–1958

Grondslag: Opheffingsbeschikking Centraal Bureau voor het consumentencrediet, 22

december 1949, nr. 222.

Waardering: V 10 jaar

133.

Handeling: Het navorderen van achterstallige betalingen.

Periode: 1949–1958

Bron: Inleiding inventaris R.E. Telgt c.a.

Waardering: V 5 jaar

137.

Handeling: Het geldig verklaren van kredietbonnen.

Periode: 1946–1949

Product: Circulaire;

Grondslag: Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: B5

Actor: Centrale Raad voor het Consumentencrediet,

97.

Handeling: Het uitvaardigen van nadere voorschriften met betrekking tot het krediet..

Periode: 1946–1949

Product: Instructie voor de inrichting en administratie van de districtsraden voor het consumentenkrediet; instructies voor de werkgevers, de banken, de leveranciers; Toekennings- en afbetalingstabellen Circulaires.

Grondslag: Toelichting op de Eerste Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: B5

98.

Handeling: Het nader ingaan op vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van de wet op het consumentenkrediet.

Periode: 1946–1953

Opmerkingen: Het betreft hier vooral beraadslagingen van de Centrale Raad. en de Commissie

Waardering: B5

99.

Handeling: Het uitschrijven van nieuwe kredietronden aan bijzondere gevallen.

Periode: 1947

Product: Instructie met betrekking tot de tweede ronde..

Grondslag: Art. 1, lid 2a, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: V 5 jaar

100

Handeling: Het nader evalueren van de uitvoering van de Wet op het consumentenkrediet

Periode: 1946–1953

Product: Rapport betreffende de inrichting van het consumentenkrediet, samengesteld door de Centrale Accountantsdienst van het Ministerie van Financiën 31 december 1946;

Rapport inzake een enquête over de beweegredenen voor aanvragers van het krediet in tweede termijn. 1947

Verzamelde staten van aanvragen.

Waardering: B2

101.

Handeling: Het geven van voorlichting over het uit te schrijven krediet

Periode: 1946–1947

Product: Affiches, pers- en radioberichten.

Waardering: B 5: exemplaar van het eindproduct V, 10 jaar overige neerslag

102.

Handeling: Het ontwerpen van modelformulieren voor de uitvoering van het krediet.

Periode: 1946–1947

Product: Aanvraag- en aanmeldingsformulieren, waardebonnen, voorschotboekjes, spaarkaarten, zegels, geleideformulieren e.d.

Grondslag: Instructie aan de districtsraden, circulaires.

Waardering: B5

106.

Handeling: Het machtigen van districtraden tot de benoeming van meer dan zeven leden.

Periode: 1946–1947

Grondslag: Art 2 en 6, Tweede Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 5 jaar

107.

Handeling: Het toetsen van benoemingen van leden van districtsraden..

Periode: 1946–1947

Opmerkingen: De raad heeft ook de bevoegdheid om aan Burgemeester en Wethouders voor te stellen om, na bevindingen van de inspecteur, leden van een districtsraad te ontslaan. (art. 5, lid 4, Tweede Uitvoeringsbeschikking) Van deze bevoegdheid heeft zij echter nimmer gebruik gemaakt.

Waardering: V 5 jaar

108.

Handeling: Het machtigen van commissies van districtsraden tot het verlenen van krediet

Periode: 1946–1947

Opmerkingen: Deze machtiging kan worden verleend aan districtsraden in gemeenten met meer dan 20.000 inwoners.

Grondslag: Art. 6, lid 2, Tweede Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 5 jaar na verlopen machtiging

109.

Handeling: Het periodiek informeren van de Minister over het verloop van het consumentenkrediet.

Periode: 1946–1947

Opmerkingen: Hiervoor zijn statistische gegevens verzameld en rapporten ingewonnen van de districtsraden.

Waardering: B 3

110.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren, belast met de opsporing van strafbare feiten tegen de Wet op het consumentencrediet.

Periode: 1946–1949.

Opmerkingen: De Centrale Raad benoemde inspecteurs, die volgens de Minister aan de gestelde eisen voldeden. Dit antwoord kreeg de directeur van het Centraal Bureau toen hij vroeg om een aanstelling van zijn inspecteurs tot rijksveldwachter.

Grondslag: Art. 10, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: V 10 jaar

112.

Handeling: Het betalen van gedeclareerde vergoedingen voor bijzondere werkzaamheden door instellingen betrokken bij de uitvoering van het krediet.

Periode: 1947–1949

Grondslag: Tweede Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

113.

Handeling: Het vervaardigen, administreren en doen distribueren van gegevensformulieren, waardebewijzen, instructies en geleideformulieren in verband met het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1947

Product: Administratiegegevens en daarmee gepaard gaande correspondentie.

Opmerkingen: Bij de distributie zijn in de instructies uitvoerige voorschriften vastgesteld. Eén daarvan is dat de zending van de formulieren en waardebewijzen op een speciale wijze door de posterijen worden bezorgd. Voor de waardebewijzen worden in verschillende fasen bewijzen van ontvangst bewaard en geregistreerd.

Grondslag: Instructie aan de raden, passim.

Waardering: V 5 jaar

114.

Handeling: Het doen uitoefenen van toezicht op de werkzaamheden van de gemeentebesturen en districtsraden

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Het toezicht wordt uitgeoefend door twaalf Inspecteurs voor het Consumentencrediet, die hierover periodiek verslag aflegden aan de Raad.

Grondslag: Art. 5, Tweede Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: B 5

115.

Handeling: Het op aanvragen verstrekken van inlichtingen over de uitvoering van het krediet.

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Hierbij is inbegrepen het corresponderen over klachten aan de directeur van het Centraal Bureau inzake het niet toekennen van krediet, die uitsluitend tot de uitleg van de bestaande regels heeft geleid; de directeur had geen administratierechtelijke bevoegdheid om op bezwaren te beschikken. Vragen die werden doorgespeeld aan de Centrale Raad leidde tot de opstelling van circulaires met nadere aanwijzingen.

Waardering: V 5 jaar

117.

Handeling: Het machtigen van districtsraden tot het uitreiken van voorschotboekjes aan andere personen dan de krediethouder.

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Het betreft gevallen waarbij de krediethouder onder curatele of om andere redenen onder toezicht staat; hieronder werden ook ‘asocialen’ gerekend.

Waardering: V, 10 jaar

118.

Handeling: Het verlenen van toestemming aan districtsraden om bij de toekenning van een krediet rekening te houden met extra lasten bij de bepaling van een inkomen.

Periode: 1946–1949

Grondslag: Art. 6, lid 2, Eerste Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

119.

Handeling: Het plaatsen van personen, behorend bij een specifieke bevolkingsgroep, in een andere klasse dan de gemeente van hun woonplaats.

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Het gaat hier om bevolkingsgroepen, waarvoor afzonderlijke districtsraden zijn vastgesteld.

Grondslag: Art. 5, lid 2, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

120.

Handeling: Het bemiddelen bij de deblokkering van tegoeden van aanvragers van een krediet..

Periode: 1946–1947

Opmerkingen: Het betreft hier aanvragers, wier tegoeden om redenen van geldzuivering of vanwege de vijandigheid van het vermogen zijn geblokkeerd; deze aanvragers zouden niet in aanmerking komen wanneer zij de beschikking hadden over hun tegoeden.

Bron: Inventarisnummer 113.

Waardering: V 10 jaar

121.

Handeling: Het goedkeuren van de vervanging van bij brand verloren geraakte of beschadigde voorschotboekjes door de districtsraden..

Periode: 1947–1949

Opmerkingen: Indien een voorschotboekje door brand of anderszins werd beschadigd of vernietigd, kon de districtsraad een nieuw voorschotboekje overhandigen; de Centrale Raad moest dan wel hebben vastgesteld dat er geen fraude in het spel was.

Grondslag: Instructie aan de Districtsraden VIII H

Waardering: V 5 jaar

122.

Handeling: Het blokkeren van als vermist of gestolen aangegeven voorschotboekjes,.

Periode: 1947–1949

Product: Lijsten van geblokkeerde voorschotboekjes.

Opmerkingen: Gestolen of vermiste voorschotboekjes werden niet vergoed; het krediet moest echter wel worden afbetaald. De laatste vijftien termijnen werden echter kwijtgescholden toen de laatste drie waardebonnen op 24 juli 1948 bij Circulaire C 141 niet geldig werden verklaard.

Bron: Instructie aan de Districtsraden VIII H

Waardering: V 5 jaar

123.

Handeling: Het centraal administreren van het verstrekte krediet

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Bij deze administratie behoort de ontvangst van gegevens van de districten over finale kwijting van afbetalingen.

Grondslag: Art. 5, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: V 10 jaar

125.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan werknemers voor het bijhouden van spaarkaarten van werknemers die deelnemen aan het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1947

Opmerkingen: Het betreft hier grote werkgevers met werknemers in vaste dienst

Grondslag: Art. 23, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 5 jaar

126.

Handeling: Het dechargeren van de districtsraden voor tussentijds beëindigde kredieten

Periode: 1947–1949

Opmerkingen: Kredieten moeten tussentijds beëindigd worden als de kredietnemer wordt begunstigd door een erfenis, als hij overlijdt of als hij naar het buitenland vertrekt.

Grondslag: Art. 32, Eerste Uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

127.

Handeling: Het kwijtschelden van verschuldigde bedragen voor door de districtsraden ingetrokken kredieten.

Periode: 1947–1949

Opmerkingen: Het betreft hier kredieten die zijn toegekend aan kredietnemers die gedurende de aflooptijd willen emigreren. In deze gevallen worden de kredieten door de Districtsraden ingetrokken en worden de alsdan nog verschuldigde gelden aan de kredietnemer nagevorderd. Als de kredietnemer kennelijk niet in staat is het geld te betalen, kan de districtsraad de centrale raad verzoeken het bedrag kwijt te schelden.

Grondslag: Instructie aan de districtsraden, XC

Waardering: V 5 jaar

128.

Handeling: Het beschikken op verzoeken van districtsraden om herwaardering van het afbetalingskrediet van ‘harde gevallen’, die onevenredig getroffen worden door verhoging van het afbetalingsbedrag.

Periode: 1948–1949

Grondslag: Circulaire C 129; 9 februari 1948.

Waardering: V 10 jaar

129.

Handeling: Het treffen van individuele regelingen bij achterstallige betalingen.

Periode: 1946–1949

Opmerkingen: Achterstallige betalingen kunnen ontstaan doordat de kredietnemer te laat zijn waardepapieren, zoals voorschotboekjes, heeft ontvangen.

Grondslag: Circulaire C 108, 5 augustus 1947.

Waardering: V 5 jaar

130.

Handeling: Het nader regelen van de inning van achterstallige afbetalingsbedragen van insolvente kredietnemers door de districtsraden.

Periode: 1946–1948

Opmerkingen: De raad kan besluiten tot

  • incasso van achterstallige vorderingen

  • nakoming van overeengekomen inhoudingen op het arbeidsloon van kredietnemers

  • verhaal op gezinsleden

Grondslag: Art. 31,lid 2, Eerste Uitvoeringsbesluit.

Waardering: V, 10 jaar

131.

Handeling: Het verlenen van machtiging aan de districtsraden tot openbare verkoop bij executie bij de inning van achterstallige betalingen.

Periode: 1948–1949

Grondslag: Circulaire C 119, C 129; 9 februari 1948.

Waardering: V 5 jaar

132.

Handeling: Het accorderen van door districtsraden verleend uitstel van betaling wegens bijzondere omstandigheden..

Periode: 1947–1949

Opmerkingen: Hierbij is inbegrepen het toekennen van uitstelzegels. De Centrale raad zend deze stukken als zij de bewijsstukken van het uitstel van de districtsraad heeft ontvangen.

Grondslag: Instructie aan de districtsraden, wijziging VI.

Waardering: V 10 jaar

134.

Handeling: Het restitueren van teveel betaalde afbetalingsgelden.

Periode: 1947–1949

Grondslag: Circulaire C 109 van 18 augustus 1947, par. 2.

Waardering: V 5 jaar

135.

Handeling: Het accorderen van de restitutie van overtollige spaarzegels aan werkgevers.

Periode: 1947–1949

Grondslag: Circulaire C 110 van 9 september 1947.

Waardering: V 10 jaar

136.

Handeling: Het vervallen verklaren van door werkgevers bij te houden spaarkaarten..

Periode: 1947–1949

Grondslag: Art. 21, lid 2, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

138.

Handeling: Het mede beslissen inzake het afwijken van het tijdstip van de geldigheid van kredietbonnen voor goederen.

Periode: 1946–1949

Product: Versnelde kredietverlening in de noodgebieden Gelderland, Noord-Brabant en Limburg in verband met de extra textielvoorziening;

Grondslag: Art. 29, lid 3, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: B6

139.

Handeling: Het aanwijzen van de door kredietnemers aan te schaffen goederen.

Periode: 1946–1948

Product: Lijst van onontbeerlijke duurzame gebruiksgoederen

Waardering: B5

140.

Handeling: Het goedkeuren van bijzondere erkenningen van leveranciers door districtsraden.

Periode: 1946–1949

Grondslag: Art. 29, lid 1, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

141.

Handeling: Het doen instellen van een onderzoek bij krediethouders naar aanleiding van buiten het district ingediende waardebonnen bij niet-erkende leveranciers.

Periode: 1947–1949

Opmerkingen: De districtsraden dienen de kredietnemers te benaderen wanneer zij in hun administratie bonnen aantreffen die door een niet-erkende leverancier worden geclaimd. Indien de kredietnemer buiten het district inkopen heeft gedaan, treedt de inspecteur van het Centraal Bureau op.

Grondslag: Instructie aan de districtsraden, IXB, art. 4..

Waardering: B 5

142.

Handeling: Het bij rondvraag doen van een onderzoek naar misbruiken van leveranciers bij de aanvaarding van waardebonnen.

Periode: 1947–1948

Opmerkingen: De districtsraden hebben de bevoegdheid om bij misbruiken de leveranciersverklaringen in te trekken. Misbruiken kunnen zijn: het in onderpand nemen van voorschotboekjes, het vorderen van borgtochten of het overeenkomen met eigen afbetalingsregelingen. Ook het oneigenlijk inwisselen van waardebonnen of het verlenen van baar geld wordt daartoe gerekend,

Grondslag: Circulaire C 120 van 19 december 1947

Waardering: B 5

143.

Handeling: Het machtigen van districtsraden tot de toelating van bestellingen van goederen op krediet na sluiting van de inzendingstermijn van de geldige bonnen.

Periode: 1947–1949

Grondslag: Circulaire C 119, 2 december 1947

Waardering: V 10 jaar

144.

Handeling: Het aanwijzen van bankinstellingen die voor de verzilvering van ingeleverde waardebonnen bevoegd zijn

Periode: 1947–1949

Grondslag: Art. 30, Eerste uitvoeringsbeschikking.

Waardering: V 10 jaar

145.

Handeling: Het doen verzilveren van niet op plakvellen of anderszins onjuist ingeleverde waardebonnen.

Periode: 1948–1949

Grondslag: Circulaire C 142 van 10 augustus 1948.

Waardering: V 5 jaar

D. Actoren onder de zorg van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Actor: de Minister van Sociale Zaken

60.

Handeling: Het benoemen van leden en de voorzitter van de Centrale Raad voor consumentencrediet.

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 5, lid 2,

Waardering: V 10 jaar

62.

Handeling: Het benoemen van Ministeriele afgevaardigden in het bureau van de Centrale Raad voor consumentencrediet.

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 5, lid 3,

Waardering: V 10 jaar

63.

Handeling: Het samenvoegen of splitsen van gemeentelijke districten

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 6, lid 5.

Waardering:: V 10 jaar

64.

Handeling: Het geven van nadere voorschriften over de samenstelling en de taak van de districtsraden

Periode: 1946–1949.

Grondslag: Wet op het consumentencrediet 1946, art. 6, lid 7.

Waardering: B5

96.

Handeling: Het gezamenlijk stellen van nadere regels met betrekking tot de kredietverlening voor de aankoop van duurzame gebruiksgoederen...

Periode: 1946–1947

Product: Uitvoeringsbeschikking I, II en III, Stcrt. 1946, nr. 89, met wijzigingen..

Grondslag: Art. 1, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: B5

100.

Handeling: Het nader evalueren van de uitvoering van de Wet op het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1953

Product: Rapport betreffende de inrichting van het consumentenkrediet, samengesteld door de Centrale Accountantsdienst van het Ministerie van Financiën 31 december 1946;

Rapport inzake een enquête over de beweegredenen voor aanvragers van het krediet in tweede termijn. 1947

Verzamelde staten van aanvragen.

Waardering: B2

103.

Handeling: Het instellen van centrale organen en organisaties, belast met de uitvoering van de Wet op het consumentenkrediet..

Periode: 1946–1953

Product: Instellingsbeschikking van de Raad voor het Consumentenkrediet, het Bureau Consumentenkrediet en de Commissie Consumentenkrediet, 1 augustus 1946, nr. 179; opheffingsbeschikking van het bureau van 22 december 1949, nr. 222; opheffingsbeschikking van de raad van 12 oktober 1953, nr. F 161.

Grondslag: Art. 5, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: B4

104.

Handeling: Het benoemen van leden van de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet en zijn organisaties.

Periode: 1946–1953

Opmerkingen: De eerste leden werden benoemd bij de instellingsbeschikking van het orgaan en zijn organisaties.

Grondslag: Art. 5, Wet op het consumentencrediet 1946

Waardering: V 10 jaar na beëindiging functie

E. Actoren onder de zorg van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Actor: Minister belast met Consumentenbeleid

De Minister van Maatschappelijk Werk (1952–1965) De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982) De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1984)

1.

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen coördineren en evalueren van het beleid betreffende consumentenbescherming.

Periode: 1945–1984.

Waardering: B1

3.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamer der Staten-Generaal betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1945–1984.

Waardering: B3

5.

Handeling: Het informeren van de Commissie voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamer der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1945–1984

Waardering: B3

7.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van burgers, ondernemingen en andere instellingen betreffende consumentenbescherming en daarmee samenvallende zaken.

Periode: 1945–1984.

Waardering: V 3 jaar

Contacten met belangengroepen:

Waardering: B5

11.

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming en ratificatie van internationale verdragen op het gebied van consumentenaangelegenheden.

Periode: 1945–1984.

Bron: MvT bij het wetsvoorstel Aanpassing van het BW aan de richtlijnen van de Raad voor de Europese Gemeenschappen inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken, HdTK 1985–1986, 19 636, nr. 3

Opmerking: In 1977 werd een Europees verdrag gesloten over productaansprakelijkheid ingeval van lichamelijk letsel of overlijden. Dit verdrag verloor zijn geldigheid als gevolg van nader vastgestelde Europese richtlijnen

Waardering: B1

14.

Handeling: Het aanwijzen van de vice-voorzitter van de ICC.

Periode: 1974–1984.

Bron: Art. 5 Instellingsbeschikking

Waardering: V 10 jaar

15.

Handeling: Het aanwijzen van de secretaris van de ICC.

Periode: 1974–1984

Bron: Art. 5 Instellingsbeschikking

Waardering: V 10 jaar

20.

Handeling: Het (mede) voorbereiden van wettelijke regelingen op het beleidsterrein consumentenbescherming.

Periode: 1946–

Product: Algemeen

Herziening Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

Herziening Wetboek van koophandel

Herziening Faillissementswet, met name met betrekking tot de schuldsanering van natuurlijke personen (voorstellen aanvaard in 1998)

Algemene Wet Bestuursrecht, Vastgesteld vanaf 1992–

Herziening Warenwet

Wet op de economische delicten, Stb. 1951,

Wet Aanpassing herziening adviesstelsel, Stb. 1997, 63

Civielrechtelijke wetten (specifieke wijzigingen WB en NWB)

Wet Algemene Voorwaarden, Stb. 1987, 327.

Wet […] inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, Stb. 1990, …

Wet op de consumentenkoop (titel 7.1 en 3, 5 en 6 NBW)

Wet op de […] privaatrechtelijke bescherming tegen misleidende reclame, Stb. 1980, 304

Wet […] betreffende pakketreizen met inbegrip van vakantiepaketten en rondreispaketten (boek 7 BW), Stb. 1992, 689.

Op het gebied van consumentenkrediet Wet op het consumentencrediet 1946, Stb. G 184

Wet houdende opheffing van de particuliere banken van leening, 1946 Stb. G 295.

Wijziging van de Geldschieterswet 1932, 1948, Stb. I 270, 1965, Stb. ???.:

Wet op het consumptief geldkrediet, Sttb. 1972, 399; 1974, 817; 1977, 227; 1983, 297

Wet toezicht kredietwezen, Stb. 1978, 255

Voorontwerp van wet op het consumentenkrediet 1984.

Wet op het consumentenkrediet, Stb. 1990, 395;.

Op het gebied van afbetaling (tot 1990)

Wet, houdende een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1956, 322)

Wet tot handhaving van een tijdelijke regeling betreffende de afbetalingsovereenkomst, Stb. 1961, 5).

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213; 1964, ...; 1972, 248; 1976, 515; 1983, 465, 469, 690.

Op het gebied van colportage

Wet op het afbetalingsstelsel, Stb. 1961, 213;

Colportagewet 1973, Stb. 438; 1989, Stb. 301;

Wet houdende wijziging van de Colportagewet in verband met de afschaffing van het registratiestelsel, 1992, Stb. 70.

Inzake het cadeaustelsel Wet houdende regelen tot beperking van de vrijheid voor het aanbieden en verstrekken van geschenken in verband met het uitoefenen van een bedrijf (Wet beperking cadeaustelsel,) Stb. 1955, 345; 1977, 659

Mededingingswet 1997, Stb. 242.

Waardering: B1

47.

Handeling: Het toekennen van institutionele subsidies aan verenigingen en instellingen ten behoeve van consumentenvoorlichting of het onderwijs

Periode: 1974–1984

Bron: Nota Consument en consumptie, Diverse verslagen overheidsbeleid consumentenzaken, begrotingen van het Ministerie van Economische Zaken..

Opmerkingen: De Minister van (cultuur, recreatie en) Maatschappelijk Werk verleende eveneens subsidie op het gebied van huishoudelijke voorlichting. De SER adviseerde deze Minister over het belang voor de consument bij deze subsidies.

Subsidies werden o.m. verleend aan:

Het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) en zijn voorgangers voor 24%

De Nederlandse Vereniging voor Volksrediet, 1988–1993.

De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Konsumenten Aangelegenheden SWOKA

De Consumentenbond

Konsumenten Kontakt

De Nederlandse Vereniging voor Huisvrouwen

Stichting Konsumenten Keurmerk SKK,

Stichting Coördinatiepunt Massamedia Consumentenvoorlichting COMAC

Waardering: V 7 jaar

48.

Handeling: Het uitbetalen van institutionele subsidies aan verenigingen en instellingen ten behoeve van consumentenvoorlichting of het onderwijs

Periode: 1974–1984

Waardering: V 7 jaar

49.

Handeling: Het toekennen van subsidies aan verenigingen en instellingen voor een vastgesteld onderzoek of project.

Periode: 1974–1984

Bron: Nota Consument en consumptie, Verslagen overheidsbeleid Consumentenaangelegenheden

Product: Bijvoorbeeld: onderzoeksopdrachten aan de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Consumentenaangelegenheden SWOKA. De SWOKA gaf een genummerde serie publicaties uit onder de titel SWOKA-rapporten over verschillende vraagstukken.

Waardering: V 7 jaar

50.

Handeling: Het jaarlijks uitbetalen van subsidies aan verenigingen en instellingen voor een vastgesteld onderzoek of project.

Periode: 1974–1984

Bron: Nota Consument en consumptie, Verslagen overheidsbeleid consumentenaangelegenheden.

Waardering: V 7 jaar

53.

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid inzake het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1945–1984

Waardering: B1

55.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende het consumentenkrediet, het afbetalingsstelsel, de colportage en daarmee in verband staande handelspraktijken.

Periode: 1945–1984

Waardering: B3

56.

Handeling: Het uitwisselen van gegevens met het buitenland inzake het consumentenkrediet.

Periode: 1945–1984

Bron: Staatsalmanak voor 1965.

Waardering: B5

57.

Handeling: Het benoemen van leden, de voorzitter en een secretaris van de CAB inzake de Geldschieterswet.

Periode: 1945–1973

Bron: Geldschieterswet.art. 45, lid 3–5,

Waardering: V 10 jaar na ontslag

58.

Handeling: Het vaststellen van instructies voor de CAB inzake de Geldschieters wet.

Periode: 1945–1973.

Bron: Geldschieterswet, art. 45, lid 6,

Waardering: B5

66.

Handeling: Het voorbereiden van vaststelling, wijziging en intrekking van AMvB’s inzake de werkzaamheden van de Commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1973–1984.

Bron: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 12.

Product: Besluit commissie Wet op het consumptief geldkrediet, Stb. 1982, 643.

Waardering: B 5

67.

Handeling: Het voorbereiden van KB’s tot benoeming van de voorzitter van de commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1973–1984.

Bron: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 5.

Waardering: V 10 jaar na ontslag

68.

Handeling: Het benoemen van leden, adviserende leden en secretarissen van de commissie Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1973–1984.

Bron: Wet op het consumptief geldkrediet, art. 54, lid 5.

Opmerkingen: De commissie bestaat uit zeven leden; drie daarvan zijn vergunninghouder als kredietverlener. Twee andere leden worden door representatieve consumentenorganisaties voorgedragen.

Waardering: V 10 jaar na ontslag

76.

Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van AMvB’s op basis van de Geldschieterswet.

Periode: 1945–1972

Bron: Geldschieterswet, passim

Product: – Besluit, houdende wijziging van de tabellen van maximum interest..., Stb.1952/637

Besluit houdende nadere wijziging van het KB van 13 januari 1933, Stb.12 tot uitvoering van de Geldschieterswet. Stb. 1956, 471

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMvB

  • * tabellen op te stellen die de maximum interest voor een lening door een geldschieter vaststellen

  • * de informatiekosten die de lener bij de sluiting van een transactie in rekening mogen worden gebracht

  • * gevallen waarin de geldschieter niet verplicht is een kwitantie te verstrekken bij aflossing van een termijn.

  • * krediet verlenende instellingen aan te wijzen die niet onder de geldschieterswet vallen.

    Een en ander is voor het eerst geregeld in het Geldschietersbesluit van 13 januari 1933, Stb. 12. In 1937 is geprobeerd om in de wet te regelen dat bij AMVB ook nieuwe voorschriften konden worden opgesteld met betrekking tot de kredietovereenkomst. De wet schreef de namelijk de opstelling van een onderhandse akte voor, wat in het toenemende betalingsverkeer nogal omslachtig leek

Waardering: B 5

78.

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan andere overheden met betrekking tot de toepassing van de Geldschieterswet.

Periode: 1932 – 1973

Bron: Geldschieterswet, art. 45, lid 2,.

Waardering: V, 10 jaar

82.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s naar aanleiding van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1972–1984

Bron: WCGK, passim.

Product: Besluit aanwijzing zekerheden, Stb. 1976/420

Besluit kassastorting, Stb. 1976/421

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMvB:

a: regels te stellen

  • * voor de verkrijging van gegevens over voorschotbanken ten behoeve van de statistiek (art. 5, lid 1)

  • * Na 1983: voor de vaststelling van de kredietkosten op overeenkomsten van kredietverlening (art. 27, lid 2 sub b)

  • * voor door kredietverleners op te stellen prospectussen en andere aanbiedingen van kredieten (art. 43)

  • * voor centrale kredietregistratie (art. 52)

  • * Na 1983: voor vergoedingen aan kredietbemiddelaars door kredietverleners (artikel 42, lid 3; het vorderen van kosten aan kredietnemers is strafbaar.)

    b: Zekerheden aan te wijzen die voor een kredietverlening als pand mogen worden gesteld (art. 31. lid 1 sub e).

    b: Betaalwijzen van afbetalingen aan te wijzen waarvoor geen kwitantie verschuldigd is (art. 36)

    c: De maximale vergoedingen voor kredieten vast te stellen in tabellen (art. 45–46). Dit betreft zowel de rente als percentsgewijze berekende ‘administratiekosten’ of ‘onkosten’ e.d. alsmede boeterente of vertragingskosten. Een en ander geldt ook wanneer bij dit krediet een afbetaling betrokken is in de zin van de WAS, waarbij de kassastorting nader kan worden geregeld (art. 51)

    d: In verband met de geldsontwaarding de maximumbedragen te wijzigen waarvoor limieten gelden bij bepaalde transacties, in het bijzonder het maximumbedrag waarvoor de wet geldt.

Waardering: B5

84.

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen op basis van van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1972–1984

Bron: WCGK, passim

Product: Beschikking van 28 juli 1976, Stcrt 158, inzake de berekening van de kredietvergoeding bij vervroegde betaling en vertragingsvergoeding, ingetrokken in Stcrt 1981, 108–114.

Beschikking van 12 sept. 1976, Stcrt. 184, inzake de berekening van de kredietvergoeding

Beschikking inzake prospectussen en overige aanbiedingen, 1976, Stcrt. 158 (ingetrokken in 1983)

Besluit kredietvergoedingen, 1983, Stcrt. 115

Besluit kredietaanbiedingen en akten, 1983, Stcrt. 211.

Beschikkingen, waarbij interest- of vergoedingstabellen worden gewijzigd.

Waardering: B 5

85.

Handeling: Het in bijzondere gevallen van toepassing verklaren van de Wet op het consumptief geldkrediet op instellingen.

Periode: 1972–1984

Bron: WCGK, art. 3, lid 2.

Opmerkingen: Het betreft hier instellingen die niet voldoen aan de definitie van kredietgevers in de zin der wet (art. 3, lid 1), maar waarvan wordt geconstateerd dat zij feitelijk consumptief geldkrediet verstrekken of daarmee zelfs misbruik plegen. Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Waardering: B5

146.

Handeling: Het voorbereiden van een kroonbesluit op een beroep tegen de weigering van de goedkeuring van GS van gemeentelijke besluiten ten aanzien van een gemeentelijke kredietbank.

Periode: 1945–1976

Bron: 3, lid 2, Geldschieterswet.

Product: Bijvoorbeeld: het KB van 10 januari 1953, nr. 28.

Waardering: V 10 jaar

147.

Handeling: Het voorbereiden van een Kroonbesluit inzake het besluit van Gedeputeerde Staten van een provincie naar aanleiding van een beroep van een particuliere geldschietersbank tegen weigering of intrekking van de toelating door het gemeentebestuur.

Periode: 1945–1976

Bron: Art. 9, lid 3, art. 20, lid 4, Geldschieterswet.

Opmerkingen: Na vernietiging van het besluit van GS zijn deze verplicht opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van de beslissing van de Kroon.

Waardering: V 10 jaar

148.

Handeling: Het toetsen van opgaven van toegelaten kredietbanken.

Periode: 1945–1976

Bron: CAS, conceptinventaris van het archief van het Ministerie van Maatschappelijk Werk (niet uitgegeven).

Opmerkingen: In voorkomende gevallen werden ook adviezen aan de gemeentebesturen gegeven.

Waardering: V 7 jaar

149.

Handeling: Het verlenen van vergunningen aan particuliere voorschotbanken.

Periode: 1976–1984

Bron: WCGK, art. 11–13

Waardering: V 5 jaar na verlopen vergunning

150.

Handeling: Het voorbereiden van een uitspraak van de Kroon inzake een beroep tegen het weigeren van een vergunning aan de houder van een voorschotbank.

Periode: 1976–1984.

Bron: WCGK, art. 16, lid 2.

Waardering: V 10 jaar

151.

Handeling: Het op verzoek van een voorschotbank verklaren dat een vergunning na verandering van vestigingsplaats of benaming geldig blijft.

Periode: 1976–1984.

Bron: WCGK, art. 15, lid 2.

Waardering: V 5 jaar

152.

Handeling: Het registreren van toegelaten particuliere voorschotbanken.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 4, lid 1.

Waardering: B5

153.

Handeling: Het jaarlijks opstellen van lijsten van toegelaten particuliere voorschotbanken

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 4, lid 2..

Waardering: V 1 jaar

154.

Handeling: Het jaarlijks verzoeken aan vergunninghouders om opgave van de verleende kredieten.

Periode: 1972–1984

Bron: WCGK, art. 17, lid 2.

Waardering: V 7 jaar

155.

Handeling: Het verrichten van jaarlijks onderzoek op toegelaten particuliere voorschotbanken.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 18.

Waardering: B 5: eindproduct V 7 jaar

156.

Handeling: Het geven van schriftelijke aanwijzingen aan particuliere voorschotbanken.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 20.

Waardering: B 5

157.

Handeling: Het intrekken van vergunningen van particuliere voorschotbanken.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 21.

Waardering: V 5 jaar na vervallen vergunning

158.

Handeling: Het controleren van de afwikkeling van ontbonden spaarovereenkomsten van vergunninghouders wier vergunning is ingetrokken.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK, art. 25.

Opmerkingen: Een bijzonder geval bij de afwikkeling van lopende zaken van een vergunninghouder, wiens vergunning is ingetrokken, is de afwikkeling van spaarkredieten, waarbij de kredietverlening naar de toekomst is uitgesteld (art. 25); de overeenkomst is dan ontbonden, en de kredietverlener is dan gehouden het reeds betaalde spaargeld terug te storten. De Minister moet door periodieke verslaglegging op de hoogte worden gebracht van het verloop van de terugbetaling.

Waardering: V 7 jaar

159.

Handeling: Het voorbereiden van een uitspraak van de Kroon op een beroep tegen een aanwijzing aan een vergunninghouder of intrekking van een vergunning.

Periode: 1974–1984

Bron: WCGK art. 19, lid 4, art. 21, lid 2, Wet op het consumptief geldkrediet

Waardering: V 10 jaar

196.

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot het verlenen van vrijstellingen aan geldschietersinstellingen.

Periode: 1946–1976.

Bron: Art. 44. Geldschieterswet

Waardering: V, 5 jaar na verlopen vrijstellingen.

198.

Handeling: Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot het verlenen of intrekken van algehele of bijzondere vrijstellingen aan kredietgevers van wettelijke verplichtingen.

Periode: 1976–1984

Bron: Art. 49–50, Wet op het consumptief geldkrediet.

Waardering: V 5 jaar na verlopen vrijstellingen.

Actor: Commissie wet op het consumptief Geldkrediet

83.

Handeling: Het adviseren van de Minister over AMvB’s en Ministeriele regelingen naar aanleiding van de Wet op het consumptief geldkrediet.

Periode: 1984–

Grondslag: WCGK, art. 54, lid 3

Waardering: B5

Actor: Commissie van advies en bijstand voor de Geldschieterswet, 1936–

59.

Handeling: Het jaarlijks informeren van de Kroon over de werkzaamheden van de commissie.

Periode: 1932–1973

Bron: Geldschieterswet, art. 45, lid 7.

Waardering: B3

76.

Handeling: Het voorbereiden van vaststelling, wijziging en intrekking van AMvB’s op basis van de Geldschieterswet.

Periode: 1932–1976

Bron: Geldschieterswet, passim

Product: Besluit, houdende wijziging van de tabellen van maximum interest, Stb.1952/637

Besluit houdende nadere wijziging van het KB van 13 januari 1933, Stb.12 tot uitvoering van de Geldschieterswet. Stb. 1956, 471.

Opmerkingen: De Minister heeft de bevoegdheid om bij AMVB

  • * tabellen op te stellen die de maximum interest voor een lening door een geldschieter vaststellen

  • * de informatiekosten die de lener bij de sluiting van een transactie in rekening mogen worden gebracht

  • * gevallen waarin de geldschieter niet verplicht is een kwitantie te verstrekken bij aflossing van een termijn.

  • * krediet verlenende instellingen aan te wijzen die niet onder de geldschieterswet vallen.

    Een en ander is voor het eerst geregeld in het Geldschietersbesluit van 13 januari 1933, Stb. 12. In 1937 is geprobeerd om in de wet te regelen dat bij AMVB ook nieuwe voorschriften konden worden opgesteld met betrekking tot de kredietovereenkomst. De wet schreef de namelijk de opstelling van een onderhandse akte voor, wat in het toenemende betalingsverkeer nogal omslachtig leek.

    Waardering: B1

197.

Handeling: Het adviseren van de Minister bij aanvragen om vrijstellingen van bepalingen van de Geldschieterswet.

Periode: 1946–1976

Bron: Art. 45, lid 2, Geldschieterswet.

Waardering: B5

F. De hoofdgroep banken (vakgroep Volkskrediet- en geldschietersbanken, Woltersomse Organisatiekaders)

54.

Actor: De hoofdgroep Banken (vakgroep Volkskrediet- en geldschieters banken)

Handeling: Het formuleren van beleid inzake het consumentenkrediet.

Periode: 1946–1950.

Product: Interne richtlijnen.

Overlegkader: Rijksnijverheidsorganisatie

Opmerkingen: De taak van de vakgroep is na de opheffing van de Woltersomse

bedrijfsorganisaties overgenomen door particuliere vakorganisaties.

Waardering: B1

79.

Handeling: Het vaststellen van verordeningen inzake het consumentenkrediet.

Periode: 1946–1950.

Product: Circulaires.

Opmerkingen: De bedrijfsgroepen van de Woltersomse organisatie hebben verordenende bevoegdheden, die in de bezettingstijd vooral van belang waren geweest om de resultaten van het overleg tussen het bedrijfsleven en de bezetter door te kunnen voeren. Na de oorlog beperkten deze bedrijfsgroepen zich tot het nader verspreiden van besluiten en regels van de diverse Ministeries.

Waardering: B1