Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waardebepaling onroerende zaken vanaf 1991 (Waarderingskamer)

Geldend van 19-07-2007 t/m heden

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waardebepaling onroerende zaken vanaf 1991 (Waarderingskamer)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/3);

Besluit:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 28 mei 2007

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van de voorgangers van de Waarderingskamer (1991–1994), de Waarderingskamer (1995–), en de hieronder ressorterende commissies (1994–)

Vastgesteld: mei 2007

Lijst van afkortingen

ADW: Algemene Databank Wet- en regelgeving

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

BOK: (Commissie) beoordeling omvang kosten

BSD: Basis Selectiedocument

BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CAS: Centrale Archief Selectiedienst

CB: Commissie benchmarking

CEK: Commissie evaluatie kostenverrekening

CEWW: Commissie evaluatie Wet WOZ

CFPO: Commissie financiën, personeel en organisatie

CGU: Commissie gegevensuitwisseling

CKB: Commissie Klankbord

CRC: Commissie regelgeving en controle

GC: Geschillencommissie

IPO: InterProvinciaal Overleg

KB: Koninklijk Besluit

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

NA: Nationaal Archief

OCW: (ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RAD: Rijksarchiefdienst

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Stcrt.: Nederlandse Staatscourant

TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)

VB: Verordeningenblad voor het Nederlandsche bezette gebied

VNG: Vereniging van Nederlandse gemeenten

VROM: (ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

WOZ: (Wet) Waardering Onroerende Zaken

1. Verantwoording

1.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries, de Hoge Colleges van Staat en die van ZBO’s als de Waarderingskamer betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemene Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast, maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal in een vroegtijdig stadium te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

  • de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

  • de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

  • de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

  • het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:

  • een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan,

  • een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan, en

  • (een vertegenwoordiger van) de Algemene Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur, vastgesteld door de Minister van OCW en de minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.

1.2. Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is niet dat van de stukken zelf, maar van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van de rijksoverheid, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van het handelen van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het handelen van de rijksoverheid op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal tevens zorgdrager), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Handelingen van andere overheden dan het rijk en van particuliere actoren worden niet opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van een Rapport institutioneel onderzoek (RIO). Daarin wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein zijn in het RIO in een context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van een actor (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid. Er zjjn al BSD’s beschikbaar van een aantal hiervoor relevante beleidsterreinen: BSD Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel, BSD Arbeidsomstandigheden, BSD Personeelsinformatievoorziening, BSD Overheidsinformatievoorziening, BSD Cultuurbeheer.

1.3. Definitie van het taakgebied van de Waarderingskamer

De Waarderingskamer is ingesteld bij de Wet Waardering: Onroerende Zaken (Wet WOZ, Stb. 1994, 874) als een zelfstandig bestuursorgaan met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Haar belangrijkste taak is het houden van toezicht op de uniforme uitvoering van de waardering van in Nederland gelegen onroerende zaken ten behoeve van belastingheffing door Rijk, gemeenten en waterschappen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van de waardering.

De Waarderingskamer adviseert gevraagd en ongevraagd omtrent uiteenlopende zaken rondom waardebepalingen en behandelt geschillen tussen gemeente en afnemers (Belastingdienst en Waterschappen).

1.4. Afbakening van het BSD Waarderingskamer

Het BSD Waarderingskamer geldt vanaf 1995, het officiële jaar van oprichting. De Waarderingskamer heeft twee rechtsvoorgangers: vanaf 1991 de Voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken; deze raad wordt in 1993 omgedoopt tot de Voorlopige Waarderingskamer.

De handelingen van deze rechtsvoorgangers van de Waarderingskamer zijn beschreven in RIO nr. 65, Belastingen: de geheiligde schuld. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van actoren op het beleidsterrein van de heffing van Rijksbelastingen op grond van de wet- en regelgeving betreffende de zogenoemde heffingswetten, per belastingsoort, met uitzondering van de invoerrechten en accijnzen 1940–1993 (Den Haag 1999). Zie daarin handelingen 40, 45, 46, 48, 49. De voorgangers van de Waarderingskamer hadden primair een adviserende taak ter voorbereiding van het van start gaan van de Waarderingskamer.

De handelingen van de voorgangers van de Waarderingskamer komen ook voor in het BSD dat is gebaseerd op RIO 65 (Stcrt. 2001, 166, gewijzigd bij Stcrt. 2005, 166), maar worden daarin niet gewaardeerd. Daarom zijn ze in dit BSD overgenomen.

In genoemd RIO zijn de handelingen van de Waarderingskamer zelf niet beschreven. Evenmin is voor het BSD Waarderingskamer een apart RIO opgesteld. Vanzelfsprekend is wel het nodige institutionele onderzoek verricht. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden in 2005. Zie daarvoor paragraaf 2.5 t/m 2.7.

Op grond van RIO nr. 65 is een BSD opgesteld en vastgesteld (Stcrt. 2001, 166), dat in 2005 is geactualiseerd (Stcrt. 2005, 167). In de betreffende BSD’s zijn selectievoorstellen voor handelingen van de voorgangers van de Waarderingskamer te vinden. Ook zijn handelingen m.b.t. de uitvoering van de Wet WOZ opgenomen.van de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat (periode 1991–1994), Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (periode 1991–1994) en van de Belastingdienst. Zie: 42, 43, 44, 916 (k), 1092, 1093, 1094, 1095, 1096, 1097, 1098, 1100, 1101. De handelingen van de Minister van Financiën nr. 1092 en 1094–1096 hebben betrekking op benoeming van het bestuur van de Waarderingskamer. Handeling 1097 en 1098 hebben betrekking op de ontwikkeling en uitvoering van beleid.

In handeling 1095 kan de Minister van Binnenlandse Zaken bestuursleden van de Waarderingskamer voordragen.

Verder behoort het toegankelijk maken van WOZ-gegevens tot de doelen van de Waarderingskamer. Deze gegevens kunnen te maken hebben met diverse beleidsterreinen, zoals huurbeleid en veiligheidsbeleid. Dit gaat echter niet zover dat gesteld kan worden dat de Waarderingskamer in de zin van PIVOT actor is op deze beleidsterreinen. Deze taak vindt plaats in het kader van overheidsinformatievoorziening. Er bestaat een selectielijst van het Ministerie van BZK op dit beleidsterrein. Daarin komen echter geen specifieke handelingen voor die gelden voor de Waarderingskamer.

De Waarderingskamer streeft naar optimaal archiefbeheer en is voornemens om na vaststelling van het BSD de selectie van archiefbescheiden al bij de archiefvorming te gaan uitvoeren. In het kader daarvan is ervoor gekozen om in het voorliggende BSD de neerslag van alle handelingen van de Waarderingskamer te waarderen, inclusief informatievoorziening, personeels- en financiële functies en archiefbeheer. Deze keuze werd bevorderd door het feit dat handelingen van andere actoren m.b.t. de uitvoering van de Wet WOZ al gewaardeerd zijn in desbetreffende BSD’s.

1.5. Organisatie van de Waarderingskamer

1.5.1. Het Bestuur van de Waarderingskamer

Het bestuur van de Waarderingskamer bestaat uit elf leden, waaronder de voorzitter, die worden benoemd, geschorst of ontslagen door de Minister van Financiën. Van de andere leden dan de voorzitter worden vier leden op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, twee leden uit de rijksbelastingdienst en twee leden op voordracht van de Unie van Waterschappen benoemd.

De Waarderingskamer wijst uit haar midden een plaatsvervangende voorzitter aan. De leden van de Waarderingskamer worden benoemd voor ten hoogste vier jaren. Na afloop van deze termijn kunnen zij worden herbenoemd.

Het bestuur van de Waarderingskamer heeft drie adviserende leden die worden benoemd door de Minister van Financiën op voordracht van de Minister van Financiën, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het InterProvinciaal Overleg.

1.5.2. Het secretariaat van de Waarderingskamer

De Waarderingskamer heeft een secretariaat onder leiding van een secretaris, die door de Minister van Financiën, op voordracht van de Waarderingskamer, wordt benoemd, geschorst en ontslagen. Benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van het secretariaat geschieden door de Waarderingskamer. Het secretariaat staat de Waarderingskamer in haar werkzaamheden bij. De secretaris en het personeel van het secretariaat zijn niet tevens lid of adviserend lid van de Waarderingskamer. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de Waarderingskamer.

1.5.3. Commissies

Het bestuur kan commissies instellen ter uitvoering van onderdelen van de kerntaken of ondersteunende werkzaamheden op het gebied van bedrijfsvoering. Hierin kunnen ook personen van buiten de Waarderingskamer zitting hebben.

De meeste commissies bestonden reeds voor de instelling van de Waarderingskamer in 1995. Door de opheffing van de voorlopige Waarderingskamer moesten alle commissies opnieuw ingesteld worden en hun taakopdracht en samenstelling bepaald worden.

Als grondslag wordt daarom het instellingsbesluit uit de begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995 aangegeven, hoewel de meeste commissies dus al voor 1995 functioneerden.

De Waarderingskamer kan zaken die geen beleidsmatig karakter hebben aan een commissie delegeren. Tevens kan ze een commissie mandateren om wettelijk aan de Waarderingskamer geattribueerde taken uit te voeren.

Zaken die wel een beleidsmatig karakter hebben, kan het secretariaat van Waarderingskamer ter advisering voorleggen aan de commissies. De commissies geven dan een positief of negatief advies tot doorgeleiding naar de Waarderingskamer, een ‘go- of no go-beslissing’.

Commissies rapporteren uitsluitend aan de Waarderingskamer en treden niet zelfstandig naar buiten op, tenzij de Waarderingskamer daar uitdrukkelijk mee heeft ingestemd.

De Waarderingskamer heeft een commissiereglement opgesteld dat geldt voor alle in te stellen commissies.

Commissie beoordeling omvang kosten (BOK)

Ingesteld in 2000, opgeheven in 2006.

Taakopdracht:

  • het behandelen van verzoeken van gemeenten om een oordeel te geven over de door de gemeente opgestelde berekening van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten ten behoeve van de verrekening van de kosten met toepassing van de vangnetregeling als bedoeld in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken;

  • het bij mandaat van de Waarderingskamer nemen van besluiten over de opgestelde berekeningen van de waarderingskosten. Daarbij geeft de commissie een oordeel over de redelijkheid van de kosten en over de vraag of het totaal van die kosten meer dan 2,5% hoger is dan het totaal van de over het desbetreffende waarderingskostentijdvak in rekening gebrachte bedragen. Het waarderingskostentijdvak is de periode tussen twee waarderingen. Deze periode besloeg tot 2005 vier jaar, van 2005 tot 2007 twee jaar en na 2007 één jaar;

  • het bij mandaat van de Waarderingskamer geven van een voorlopig oordeel over de door de gemeente opgestelde jaarlijkse berekening van de in redelijkheid gemaakte kosten.

Commissie benchmarking (CB)

Ingesteld in 1999.

In deze commissie worden leden afgevaardigd door de Waterschappen, de Ministeries van Financiën en Binnenlandse Zeken, en de VNG.

Taakopdracht:

  • het verzamelen van gegevens betreffende de met ingang van 1 januari 1999 gemeentelijke kosten van de uitvoering van de Wet WOZ in relatie tot de door de gemeenten verrichte activiteiten en in relatie tot het bedrag per object;

  • het analyseren van de gegevens ten einde te bezien of het mogelijk is de kosten verrekening verder te normeren op basis van een gedifferentieerde normering en het doen van voorstellen aan de Waarderingskamer voor conclusies;

  • het zorgdragen voor publicatie van de resultaten van de benchmark om gemeenten een kans te geven de efficiency en de effectiviteit van hun eigen gemeentelijke WOZ-organisatie met andere gemeenten te vergelijken;

  • het op verzoek van de ‘Commissie beoordeling omvang kosten’ of eigener beweging aandragen van gegevens die de ‘Commissie beoordeling omvang kosten’ kan gebruiken bij het beoordelen van de redelijkheid van de gemaakte kosten in het kader van de redelijkheid van de werkelijke kosten.

Commissie begeleiding wetgeving (CBW)

Ingesteld in 1994 en opgeheven in 1997.

Taakopdracht:

  • het voorbereiden van de concept-Aanpassingswet Wet WOZ.

  • het signaleren van de ontwikkeling op fiscaal-juridisch terrein die van belang zijn in het kader van de wetgeving op het terrein van de waardering van onroerende zaken.

  • het adviseren van de Waarderingskamer omtrent overige fiscaal-juridische aangelegenheden op het terrein van de waardering van onroerende zaken.

De opheffing houdt verband met het feit dat met de inwerkintreding van de Aanpassingswet Wet WOZ per 1 januari 1997 (Stg. 1996, 653 en 687) het wetgevingsproces met betrekkin tot de ‘wet WOZ is voltooid. Voor zover de taken van de commissie een permanent karakter hadden, zijn deze overgedragen aan de Commissie regelgeving en controle.

Commissie evaluatie kostenverrekening (CEK)

Ingesteld in 1995 en opgeheven in 2001.

In deze commissie zijn de Waterschappen, de VNG, de Belastingdienst en het Ministerie van Binnenlandse zaken vertegenwoordigd.

Taakopdracht:

  • het op basis van de in 1995 en 1996 door de gemeenten aan de afnemers in rekening gebrachte kosten en op basis van aanvullend onderzoek bij gemeenten nagaan of

    • de in het rekenmodel van het Rapport kostenverrekening opgenomen normen in overeenstemming zijn met de werkelijk te maken kosten;

    • de kosten van de werkzaamheden, die in het rekenmodel van het Rapport kostenverrekening naar de werkelijke kosten verrekend worden, genormeerd kunnen worden;

    • er overigens aanpassingen/ verbeteringen noodzakelijk zijn.

  • op basis van het in de vorige taak genoemde onderzoek voorstellen aan de Waarderingskamer doen voor kostenverrekening;

  • het adviseren van de Waarderingskamer omtrent overige aangelegenheden met betrekking tot kostenverrekening.

Commissie evaluatie Wet WOZ (CEWW)

Ingesteld in 1997 en opgeheven in 2001.

Taakopdracht: het opstellen van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk.

Commissie financiën, personeel en organisatie (CFPO)

Ingesteld in 1994

Deze commissie bestaat overwegend uit leden van de Waarderingskamer, aangevuld met een lid van de Belastingdienst.

Taakopdracht:

  • voorbereiden van de begroting en de jaarrekening van de Waarderingskamer en uitvoeren van de door de Waarderingskamer vastgestelde begroting;

  • voorbereiden van het werkplan en het jaarverslag van de Waarderingskamer en toezien op de uitvoering van het door de Waarderingskamer vastgestelde werkplan;

  • voorbereiden van de reglementen inzake de werkwijze van de Waarderingskamer en haar commissies en vaststellen van de werkwijze van het secretariaat;

  • voorbereiden van het formatieplan, de organisatiestructuur en het rechtspositiereglement van de Waarderingskamer. Het binnen het formatieplan, de organisatiestructuur en het rechtspositiereglement, zoals vastgesteld door de Waarderingskamer, behartigen van de personeelsaangelegenheden;

  • adviseren van de Waarderingskamer omtrent overige aangelegenheden, voor zover die niet tot het werkterrein van andere commissies behoren;

  • ter vervulling van de onder punt 1 tot en met 5 genoemde taken kan de Waarderingskamer bevoegdheden aan de commissie mandateren.

Daar waar het gaat om voorbereidingen van plannen, begrotingen etc. zijn het belangrijkste product go-/ no go-beslissingen: beslissingen ter goedkeuring van deze documenten.

Commissie gegevensuitwisseling (CGU)

Ingesteld in 1994.

Taakopdracht:

  • het voorbereiden, evalueren en bijhouden van uitvoeringsregels in het kader van de Wet WOZ op het terrein van de registratie en levering van gegevens;

  • het begeleiden van de uitvoering van de regels op het terrein van de registratie en de levering van gegevens;

  • het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot de registratie en levering van gegevens in het kader van de Wet WOZ;

  • het op verzoek van partijen toetsen van de mate van verwerkbaarheid van de door gemeenten aan afnemers geleverde bestanden.

Commissie Klankbord (CKB)

Ingesteld in 1994.

In deze commissie zijn vele partijen vertegenwoordigd. Om enkele te noemen: de Raad voor onroerende zaken (ROZ), de Vereniging van taxateurs voor belastingen op onroerende zaken (VETABOZ), Dienstverleners Uitvoering WOZ (DUWOZ), de Nationale Woningraad (NWR).

Taakopdracht:

  • het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot conceptproducten van de Commissie regelgeving en controle;

  • het op hoofdlijnen adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot de uitvoering van het toezicht;

  • het onder de aandacht van de Waarderingskamer brengen van maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van de waardering van onroerende zaken;

  • het op verzoek van de Waarderingskamer adviseren over onderwerpen waar de Waarderingskamer advies van de commissie van belang acht.

Commissie regelgeving en controle (CRC)

Ingesteld in 1994

Taakopdracht:

  • het voorbereiden, evalueren en bijhouden van uitvoeringsregels in het kader van de Wet WOZ op de volgende terreinen:

    • uitvoeren van de waardebepaling;

    • vakbekwaamheid van taxateurs;

    • uitvoeren van de waardevaststelling;

    • gegevensuitwisseling;

    • toezicht door de Waarderingskamer;

  • het voorbereiden en bijhouden van een procedure voor het toezicht door de Waarderingskamer;

  • het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot het inhoudelijke oordeel over de kwaliteit van de vastgestelde waarden in een gemeente;

  • het signaleren van en adviseren van de Waarderingskamer over ontwikkelingen op fiscaal-juridisch terrein die van belang zijn in het kader van de wetgeving op het terrein van de waardering van onroerende zaken;

  • het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot overige aangelegenheden op het terrein van de waardebepaling en de waardevaststelling.

Geschillencommissie (GC)

Ingesteld in 1994.

In deze commissie worden de Waterschappen, de VNG, de Belastingdienst, het Ministerie van Financiën en de Waarderingskamer zelf vertegenwoordigd.

Taakopdracht:

  • het krachtens mandaat van de Waarderingskamer behandelen van de geschillen die overeenkomstig artikel 11 van de Wet WOZ aan de Waarderingskamer voorgelegd worden;

  • het krachtens mandaat van de Waarderingskamer besluiten in de onder punt 1 genoemde geschillen.

Organogram van de Waarderingskamer

Bijlage 242538.png

1.6. Taken van de Raad voor de waardering van onroerende zaken en de Voorlopige Waarderingskamer

De Raad voor de waardering van onroerende zaken en de Voorlopige Waarderingskamer hadden primair een adviserende taak ter voorbereiding van het starten van de Waarderingskamer per 1 januari 1995 inzake de volgende onderwerpen

  • het formuleren van vakbekwaamheidseisen voor taxateurs van onroerende zaken, het opstellen van een waarderingsinstructie

  • het ontwikkelen van een procedure t.b.v. de controle voorafgaand aan en volgend op de waardebepaling van onroerende zaken

  • het ontwikkelen van een procedure voor de uitwisseling van gegevens tussen de colleges van B&W en de afnemers

  • de wijze van verrekening van de, ter zake van de uitvoering van een op te stellen wet voor de waardering van onroerende zaken aan de afnemers in rekening te brengen kosten

  • aangelegenheden die verband houden met de waardering van onroerende zaken, eventueel door tussenkomst van andere ministeries. Zie RIO 65.

Daarnaast waren Raad en Voorlopige waarderingskamer bevoegd tot het voordragen voor benoeming (schorsing of ontslag) van secretaris en andere personeelsleden van het secretariaat en tot het instellen van commissies, benoeming van leden van die commissies, en benoeming van externe deskundigen voor specifieke taken. Andere taken waren: opstellen van een jaarlijkse begroting en van regels voor de werkwijze van Raad/Voorlopige Waarderingskamer, secretariaat en commissies.

1.7. Taken van de Waarderingskamer

De taken van de Waarderingskamer zijn vastgelegd in artikel 4,15 en 21 van de Wet WOZ (Stb.1994, 874) en Uitvoeringsbesluit Kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet WOZ (Stbl 1999, 67, 577). De hoofdtaken zijn:

  • 1. De Waarderingskamer houdt toezicht op de waardebepaling en waardevaststelling van onroerende zaken en op de overige in de Wet WOZ geregelde onderwerpen.

  • 2. De Waarderingskamer geeft desgevraagd of eigener beweging de Minister van Financiën advies over zaken die verband houden met de inhoud en de toepassing van hetgeen bij of krachtens de Wet WOZ is bepaald.

  • 3. Overige taken ter uitvoering van aan de Waarderingskamer is opgedragen:

    • a. de Waarderingskamer behandelt geschillen over de uitvoering van de Wet WOZ tussen afnemers (rijk en waterschappen) en gemeenten.

    • b. de Waarderingskamer ontwikkelt en onderhoudt een benchmark voor de WOZ-kosten

    • c. de Waarderingskamer beoordeelt rekeningen van gemeenten die een beroep doen op het vangnet.

  • 4. Tenslotte is een belangrijke taak van de Waarderingskamer het geven van voorlichting aan gemeenten, afnemers en overige WOZ-belanghebbenden.

In de volgende paragrafen worden voornoemde taken nader toegelicht.

De Minister van Financiën kan algemene aanwijzingen aan de Waarderingskamer geven omtrent de uitvoering van haar taken (artikel 14 Wet WOZ). Na de totstandkoming van de Wet WOZ zijn diverse uitvoeringsregelingen vastgesteld. Zie onderstaand schema en hoofdstuk 8:

Bijlage 242539.png

1.7.1. Toezicht

Herwaardering

Een belangrijk onderdeel van het waardebepalingsproces is de periodieke herwaardering van alle onroerende zaken op de landelijke uniforme peildatum. In totaal gaat het in Nederland daarbij om bijna 8 miljoen objecten. Tijdens de herwaardering moeten gemeenten regelmatig rapporteren aan de Waarderingskamer. In deze voortgangsrapportage geeft de gemeente inzicht in de WOZ-werkzaamheden.

Aan de hand van de informatie die de Waarderingskamer op deze wijze verkrijgt, worden inspecties bij de gemeenten uitgevoerd. Tijdens het bezoek aan een gemeente wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of de gemeente de wettelijke taken correct uitvoert en of er geen achterstanden zijn. Het is niet zo dat de juistheid van de waarde van individuele panden wordt gecontroleerd.

De vragenlijsten die periodiek bij de gemeenten worden uitgezet staan in de Waarderingsinstructie. Een belangrijke randvoorwaarde voor een herwaardering conform de kwaliteitsvereisten van de Wet WOZ is dat de gemeente over een WOZ-administratie beschikt die alle gegevens bevat die nodig zijn voor de herwaardering (objectgegevens, subjectgegevens, marktgegevens etc.). Deze administratie moet permanent worden bijgehouden om deze actueel, correct en volledig te houden.

Een goede WOZ-administratie draagt bij aan de optimale spreiding van werkzaamheden en is een investering die zich terugverdient bij de herwaardering, bij het opmaken van de beschikkingen en bij de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften.

De Waarderingskamer voert regelmatig bestandscontroles uit. Op basis van door de gemeente geleverde STUF-TAX-gegevens worden met behulp van eigen programmatuur kengetallen bepaald en onwaarschijnlijke situaties gesignaleerd. De resultaten van een bestandsonderzoek zijn input voor inspecties ter plaatse dan wel nader onderzoek bij de gemeente.

Van de inspectie wordt een rapport gemaakt. Aan de hand van dit rapport en de overige beschikbare informatie vormt de Waarderingskamer zich een oordeel over de kwaliteit van de waardebepalingen. Van het opgemaakte rapport krijgt de gemeente altijd een afschrift.

Naast de inspecties in het kader van de waardebepaling vinden bij gemeenten ook geregeld procesgerichte inspecties plaats en inspecties naar de kwaliteit van de gemeentelijke WOZ-administratie. Deze inspecties zijn er voornamelijk op gericht om te beoordelen of de gemeente het proces om tot een juiste waardevaststelling te komen goed op orde heeft. Daarbij wordt onder andere onderzoek gedaan naar de voortgang van de werkzaamheden.

Dit type controles vindt plaats aan de hand van een uitgebreide vragenlijst.

Op veel kwantitatieve vragen kunnen de gemeenten zich vooraf voorbereiden.

Normatiek

De Waarderingskamer houdt toezicht op de uitvoering van de Wet WOZ. Maar wanneer vindt de Waarderingskamer nu dat een gemeente het goed of juist niet goed doet? Daarvoor hanteert de Waarderingskamer duidelijke criteria. Een belangrijk deel van die criteria is bijvoorbeeld terug te vinden in de Waarderingsinstructie. De Waarderingskamer vindt het belangrijk dat alle criteria die zij hanteert op eenduidige wijze bekend zijn en legt ze daarom op een gedetailleerde manier vast. Dit is van belang voor de Waarderingskamer zelf, voor gemeenten, maar ook voor bijvoorbeeld afnemers en andere belanghebbenden die dan precies weten ‘waarop de Waarderingskamer let’. De gezamenlijke criteria van de Waarderingskamer worden aangeduid als de normatiek.

Beoordelingsprotocol niet-woningen

Het toezicht van de Waarderingskamer op de taxaties van niet-woningen richt zich primair op de kwaliteit van de onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde. Een kwalitatief goede onderbouwing zal naar verwachting tot een correct vastgestelde waarde leiden. Centraal bij het toezicht op niet-woningen staat de kwaliteitscontrole door de gemeente zelf.

De Waarderingskamer heeft niet de mogelijkheid en ook niet de intentie om alle circa één miljoen taxaties van niet-woningen te beoordelen. De Waarderingskamer wil daarom weten of de gemeenten zelf bewust met de kwaliteitscontrole van niet-woningtaxaties omgaan en wil deze kwaliteitscontrole ook stimuleren. Om deze kwaliteitscontrole door gemeenten te stimuleren, is een opzet gemaakt voor drie ‘beoordelingsprotocollen’.

Aan de hand van deze beoordelingsprotocollen kunnen gemeenten op een systematische wijze de inhoud van taxatieverslagen, de opbouw van taxaties en de aansluiting op het marktniveau controleren. De Waarderingskamer zal in het kader van haar toezicht dan beoordelen of de gemeenten systematisch zelf de kwaliteit van de taxatieverslagen beoordelen, bijvoorbeeld aan de hand van deze protocollen.

1.7.2 Advisering

De adviezen handelen over uiteenlopende onderwerpen in relatie tot de waardebepaling van onroerende zaken. De adviezen kunnen worden gegeven op verzoek van ministeries of organisaties. De Waarderingskamer kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen.

Deze taak heeft zich verbreed naar bepaalde beleidsterreinen van het Ministerie van VROM, zoals huurbeleid, en van het Ministerie van BZK in het kader van de overheidsinformatievoorziening.

1.7.3. Uitvoering overige taken Wet WOZ

Geschillenbehandeling

In artikel 11 van de Wet WOZ wordt aan de Waarderingskamer de bevoegdheid gegeven om geschillen tussen een gemeente en één of meer afnemers (Belastingdienst, waterschappen) over de uitvoering in behandeling te nemen. Voor de behandeling van deze geschillen heeft de Waarderingskamer een afzonderlijke Geschillencommissie ingesteld. Tevens heeft de Waarderingskamer een geschillenregeling vastgesteld waarin de procedure voor de behandeling van geschillen is vastgelegd.

Een geschil wordt alleen door de Waarderingskamer in behandeling genomen indien de betrokken partijen daarmee instemmen. De Waarderingskamer doet een voor alle partijen bindende uitspraak. De kosten van de geschilbehandeling worden door de partijen gedragen. Bij de uitspraak bepaalt de Waarderingskamer de kostenverdeling over de partijen.

De Waarderingskamer behandelt alleen geschillen tussen overheden over de uitvoering van de Wet WOZ.

Deze taak neemt betrekkelijk weinig ruimte in ten opzichte van de andere taken. In de periode 1995–2005 heeft de Waarderingskamer uitspraak gedaan in vijf geschillen. Deze geschillen hadden overwegend allemaal betrekking op onenigheid over de verrekening van de waarderingskosten van gemeenten.

Ontwikkeling en onderhoud benchmark WOZ-kosten

Een van de nieuwe taken die de Waarderingskamer in 1999 heeft gekregen op grond van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, is het opzetten van een benchmark voor de WOZ-kosten van gemeenten.

In de periode 1995–1999 bestonden er grote verschillen in de hoogte van de Waarderingskosten tussen de gemeenten. Er bestond nog onvoldoende inzicht in de verklarende factoren van die verschillen en daarmee in de omvang van de structurele, in redelijkheid te maken waarderingskosten.

Daarom werd het plan opgevat om te komen tot integrale kostenverrekening op basis van volledige normering van de waarderingskosten. De Waarderingskamer heeft een systeem opgezet van benchmarking met betrekking tot de uitvoeringskosten van de Wet WOZ. Dit systeem heeft inzicht gegeven in de omvang van de structurele, in redelijkheid te maken kosten. Daarmee kon uiteindelijk volledige normering van de kosten worden bereikt.

Beoordeling van rekeningen van gemeenten die een beroep doen op het zogenoemde vangnet

Een andere nieuwe taak die de Waarderingskamer in 1999 heeft gekregen op grond van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, is het beoordelen van rekeningen van gemeenten die een beroep doen op het zogenoemde vangnet. Daarvoor is de Commissie beoordeling omvang kosten (BOK) ingesteld. Zie voor de taken van deze commissie het actorenoverzicht.

De aanwezige benchmark-resultaten konden gebruikt worden bij de beoordeling van de redelijkheid van de te maken, dan wel gemaakte waarderingskosten van gemeenten.

1.7.4 Voorlichting

Het feit dat het aantal geschillen in de afgelopen tien jaar beperkt is gebleven is voor deel te danken geweest aan te steeds betere en uitgebreidere voorlichting door de Waarderingskamer.

Deze voorlichting verloopt via verschillende kanalen. Een aantal maal per jaar wordt de nieuwsbrief, het WOZ-journaal uitgebracht.

Ook wordt informatie verstrekt via de website. Deze site voorzien ook in de behoefte van betrokkenen bij de behoefte van betrokkenen bij de uitvoering van de Wet WOZ om inhoudelijk te discussiëren. Hierbij worden drie thema’s onderscheiden namelijk ‘algemeen’, ‘gegevensuitwisseling’ en ‘WOZ-beschikkingen’.

Bovendien brengt de Waarderingskamer ter uitvoering van de WOZ ook regelmatig circulaires, hulpmiddelen en andere publicaties uit.

2. Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring.

Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

3. Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen door de zorgdrager(s) en het Nationaal Archief, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, gezamenlijk beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7).

Conform het Archiefbesluit 1995, art. 5, onder d 1° worden in het BSD de algemene criteria en eventuele beleidsterrein-specifieke criteria opgesomd om verantwoording te geven van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het selectiebeleid.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

4. Verslag van de vaststellingsprocedure

In 2006 is het ontwerp BSD door het bestuur van de Waarderingskamer aangeboden aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waardering van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is gestuurd. Vanaf 1 februari 2007 stond de selectielijst acht weken ter publieke inzage op de website van het Nationaal Archief en lag verder bij in de studiezalen van alle Rijksarchieven/RHC’s, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 29 maart 2007 bracht de RvC advies uit (arc-2007.03635/3), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst. daarop werd het BSD op 28 mei 2007 (C/S&A/07/1084) vastgesteld door de algemene rijksarchivaris, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

5. Leeswijzer voor het handelingenblok

De handelingen zijn verwerkt in uniek genummerde gegevensblokken die als volgt zijn opgebouwd:

(X.): uniek nummer

Handeling: Een complex van activiteiten gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten.

Mandatering is de machtiging tot het uitoefenen van een bestaande bevoegdheid aan een organisatie, hoewel de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van die bevoegdheid blijft bij het orgaan dat die bevoegdheid krachtens de wet heeft gekregen (AWB, hoofdstuk 10)

Periode: Deze geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Het is mogelijk dat na beëindiging van de wettelijke grondslag een handeling nog niet is afgelopen (denk aan bekostiging). Indien geen eindjaar gegeven is, betekent dit dat de handeling ook nog na 2001 verricht kan worden.

Grondslag/bron: Deze geeft de wet of de regeling krachtens een wet weer waarop de handeling gebaseerd is. Een bron wil zeggen dat er geen wettelijke grondslag gevonden is, maar dat uit een andersoortige bron (nota, verslag, Rijksbegroting, literatuur) gebleken is dat het desbetreffende orgaan die handeling uitvoerde/uitvoert.

Product: De neerslag op juridisch-bestuurlijk niveau van de handeling. De producten die hier worden genoemd, hoeven niet de enige te zijn. Het zijn meestal slechts voorbeelden. Indien niet duidelijk is in welke soort documentaire neerslag een handeling heeft geresulteerd of als uit de beschrijving van de handeling al duidelijk is welk product de handeling oplevert, ontbreekt de invulling van dit item.

Opmerkingen: Eventuele bijzonderheden of uitleg over bovengenoemde items.

Waardering: De afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan het Nationaal Archief van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling. Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast.

De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’ oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier, register, databestand) dat behoort tot de neerslag van de handeling, is afgesloten.

De namen van de ministeries zijn in de loop der jaren veranderd. In dit rapport wordt uitgegaan van de namen die anno 2001 werden gebruikt. Dus ook als de actor een minister is, wordt de naamsaanduiding anno 2001 gebruikt, bijvoorbeeld de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en niet de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

6. Actorenoverzicht

a. Actoren waarvan de handelingen in dit BSD zijn opgenomen

De Waarderingskamer (1995–)

De Waarderingskamer is ingesteld bij Wet van 15 december 1994, houdende algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken. Deze wet is in werking getreden op 1 januari 1995. In beginsel als onderdeel van het Ministerie van Financiën vanaf 1 januari 1995 als zelfstandig bestuursorgaan met een publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. De politieke verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van Financiën.

De gemeenten voeren de taxaties uit die in het kader van de Wet Waardering: Onroerende Zaken (hierna: WOZ) worden verricht. De waardegegevens worden door de gemeenten aan de waterschappen en de Belastingdienst geleverd. De Waarderingskamer houdt toezicht op deze werkzaamheden van gemeenten.

De Waarderingskamer kan commissies instellen ter uitvoering van onderdelen van de kerntaken of ondersteunende werkzaamheden op het gebied van bedrijfsvoering. Hierin kunnen ook personen van buiten de Waarderingskamer zitting hebben. Zie voor de taken van deze commissies paragraaf 2.5.3.

Voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken (1991–1993), de voorlopige Waarderingskamer (1993–1995)

De aanleiding voor de instelling van de Voorlopige Raad (Stb. 1991, 565) is de beoogde invoering van een uniform systeem voor de waardering van onroerende zaken ten behoeve van de heffing van belastingen. De instelling van de Raad moet die invoering bespoedigen. In 1993 is de Voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken omgedoopt tot de Voorlopige Waarderingskamer (Stb. 1993, 83).

De taak van de Voorlopige Raad en de Voorlopige Waarderingskamer betreft

  • het adviseren m.b.t. het formuleren van vakbekwaamheidseisen voor taxateurs van onroerende zaken,

  • het opstellen van een waarderingsinstructie,

  • het ontwikkelen van een procedure t.b.v. de controle voorafgaand aan en volgend op de waardebepaling van onroerende zaken,

  • het ontwikkelen van de procedure voor de uitwisseling van gegevens tussen de colleges van B. en W. en de afnemers,

  • de wijze van verrekening van de ter zake van de uitvoering van een op te stellen wet inzake de waardering van onroerende zaken aan de afnemers in rekening te brengen kosten, aangelegenheden die verband houden met de waardering van onroerende zaken eventueel door tussenkomst door andere ministers.

b. Actoren waarvan de handelingen in dit BSD niet zijn opgenomen

Minister van Financiën (1991–)

Zoals reeds vermeld benoemt de Minister van Financiën de voorzitter en de leden van de Waarderingskamer.

Hij mag zelf een adviserend lid benoemen als uitoefening van zijn politieke verantwoordelijkheid. Daarnaast benoemt hij twee leden van de Belastingdienst omdat zij mag heffen op onroerende zaken waarvan de waarde is bepaald op grond van de Wet WOZ.

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (1991–1994)

De Minister van BZK mag een adviserend lid ter benoeming voordragen omdat hij o.g.v. WOZ-regels verantwoordelijk is voor de gemeentefondsenuitkering en omdat hij verantwoordelijk voor de overheidsinformatievoorziening.

InterProvinciaal Overleg (IPO) (1995–)

Ingesteld bij gemeenschappelijke regeling in 1987.

Vanaf 2003 is het IPO een vereniging.

De twaalf provincies werken samen in het Interprovinciaal Overleg. Met die samenwerking willen zij de condities waaronder provincies werken optimaliseren en provinciale vernieuwingsprocessen stimuleren. Het IPO is actief op dezelfde terreinen als de provincies, zoals milieu, landelijk gebied, sociaal beleid, ruimtelijke ordening, wonen, economie en mobiliteit.

Het IPO heeft drie kernfuncties: belangenbehartiging, platform en vernieuwing. De belangenbehartiging wordt vormgegeven door regelmatig te overleggen met onder andere de verschillende overheden en maatschappelijke organisaties. De platformfunctie wordt ingevuld door gelegenheden te creëren kennis en ervaringen uit te wisselen, gezamenlijke standpunten te bepalen en initiatieven te ontplooien. Verder worden vernieuwingsprocessen binnen provincies gestimuleerd en geëntameerd.

Omdat de provincies mogelijk toezicht op de gemeentefinanciën zouden gaan uitoefenen is in de Wet WOZ bepaald dat het IPO een adviserend lid ter benoeming mag voordragen. Tot op heden is er van het toezicht nog niet veel terecht gekomen.

Unie van Waterschappen (1995–)

De Nederlandse waterschappen zijn al sinds 1927 verenigd in de Unie van Waterschappen. De Unie behartigt op nationaal en internationaal niveau de belangen van de waterschappen voor een goede waterstaatsverzorging binnen het waterschapsbestel. De Unie treedt namens de waterschappen op als vertegenwoordiger naar het Parlement, de Rijksoverheid en organisaties als het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De Unie neemt deel aan vele overleg- en adviesorganen en is betrokken bij de ontwikkeling van het rijksbeleid, regelgeving en beleidsnota’s voor waterbeheer. De Unie neemt ook het initiatief zelf onderwerpen op de politieke agenda te zetten.

De waterschappen mogen belasting heffen op onroerende zaken waarvan de waarde is bepaald op grond van de Wet WOZ. Daarom mag de Unie van Waterschappen twee leden van het bestuur van de Waarderingskamer ter benoeming voordragen.

Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) (1995–)

In 1912 hebben 28 gemeenten besloten zich te verenigen om gezamenlijk hun belangen te behartigen bij de regering en parlement. Tevens kon de vereniging dienen als platform voor het uitwisselen van ervaringen en plannen. Thans zijn alle gemeenten lid. Het bureau van de vereniging is een centraal advies- en informatiepunt voor alle Nederlandse gemeenten.

De Nederlandse gemeenten mogen belasting heffen op onroerende zaken waarvan de waarde is bepaald op grond van de Wet WOZ. Daarom mag de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vier leden van het bestuur van de Waarderingskamer ter benoeming voordragen.

7. Selectielijst van de voorlopige Raad voor de waardering van onroerende zaken en van de voorlopige Waarderingskamer

Opmerking over de handelingnummers. Omdat deze handelingen letterlijk zijn gekopieerd uit RIO 65, Belastingen: De geheiligde schuld, zijn ook de nummers daaruit overgenomen. De handelingnummers zijn tweeledig: het eerste deel verwijst naar RIO 65, Belastingen, en het tweede deel naar het handelingnummer uit dat RIO.

(065/40)

Handeling: Het adviseren m.b.t.:

– het formuleren van vakbekwaamheidseisen voor taxateurs van onroerende zaken, het opstellen van een waarderingsinstructie;

– het ontwikkelen van een procedure t.b.v. de controle voorafgaand aan en volgend op de waardebepaling van onroerende zaken;

– het ontwikkelen van de procedure voor de uitwisseling van gegevens tussen de colleges van B. en W. en de afnemers;

– de wijze van verrekening van de, ter zake van de uitvoering van een op te stellen wet inzake de waardering van onroerende zaken aan de afnemers, in rekening te brengen kosten;

– aangelegenheden die verband houden met de waardering van onroerende zaken eventueel door tussenkomst van andere ministers.

Periode: 1991–1994

Grondslag: Besluit, art. 2.1 (Stb. 1991, 565, gewijzigd bij Stb. 1993, 83 en ingetrokken bij Stb. 1994, 965)

Waardering: B (1)

(065/45)

Handeling: Het instellen van commissies en benoemen van haar leden en van externe deskundigen ter vervulling van de taken van de Raad voor de waardering van onroerende zaken.

Periode: 1991–1994

Grondslag: Besluit, art. 5 (Stb. 1991, 565, gewijzigd bij Stb. 1993, 83 en ingetrokken bij Stb. 1994, 965)

Waardering: B (4)

(065/46)

Handeling: Het opstellen van een jaarlijkse begroting.

Periode: 1991–1994

Grondslag: Besluit, art. 6 (Stb. 1991, 565, ingetrokken bij Stb. 1994, 965)

Waardering: B (3)

(065/48)

Handeling: Het voordragen voor benoeming, schorsing of ontslag van de secretaris en andere personeelsleden van het secretariaat van de Raad voor de waardering van onroerende zaken aan de minister.

Periode: 1991–1994

Grondslag: Besluit, art. 7.2 (Stb. 1991, 565, gewijzigd bij Stb. 1993, 83 en ingetrokken bij Stb. 1994, 965)

Waardering: bij benoeming: V, 10 jaar na ontslag of 75 jaar na geboortedatum

V, 10 jaar na afwijzing voordracht

(065/49)

Handeling: Het opstellen van regels m.b.t. de werkwijzen van de Raad voor de waardering van onroerende zaken zelf, het secretariaat en de commissies van de Raad.

Periode: 1991–1994

Grondslag: Besluit, art. 8 (Stb. 1991, 565, gewijzigd bij Stb. 1993, 83 en ingetrokken bij Stb. 1994, 965)

Waardering: B (1, 5)

8. Selectielijst Waarderingskamer

8.1. Algemene handelingen

8.1.1. Inrichting van de organisatie

(1.)

Handeling: Het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 5 lid 3 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 3 lid 3

Waardering: V, 10 jaar na ontslag

(2.)

Handeling: Het doen van een voordracht voor het benoemen, schorsen en ontslaan van een Secretaris

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 8 lid 1 (Stb. 1994, 874)

Waardering: bij benoeming: V, 10 jaar na ontslag of 75 jaar na geboortedatum

V, 10 jaar na afwijzing voordracht

(3.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en wijzigen van een vergoeding voor de voorzitter, zijn plaatsvervanger, de bestuursleden en de plaatsvervangend bestuursleden

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 9 lid 3 (Stb. 1994, 874)

Product: Reglement Waarderingskamer (1995 en 2003)

Waardering: V, 10 jaar na vervallen vergoedingsbeslissing

(4.)

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel van het secretariaat.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 8 lid 2 (Stb. 1994, 874)

Product: benoemingsbesluiten, personeelsdossiers, arbeidscontracten

Waardering: V, 10 jaar na ontslag of 75 jaar na geboortedatum

8.1.2 Instelling van commissies

(5.)

Handeling: Het instellen van een commissie ter uitvoering van de taak van de Waarderingskamer

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 7 lid 1 (Stb.1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 4 lid 1 en 2; Commissiereglement, art. 2 lid 2.

Product: Instellingsbesluiten

Opmerking De Waarderingskamer kan bij het instellen van een commissie wettelijk aan de Waarderingskamer geattribueerde taken aan een commissie mandateren. De waarderingskamer kan bij het instellen van een commissie zaken die geen beleidsmatig karakter hebben aan een commissie delegeren.

Waardering: B (4)

(6.)

Handeling: Het benoemen van de voorzitter en leden van door de Waarderingskamer ingestelde commissies.

Periode: 1995–

Grondslag: Reglement Waarderingskamer, art. 4 lid 5 en 6 (1995, zoals gewijzigd in 2003)

Product: benoemingsbesluiten

Waardering: B (4)

(7.)

Handeling: Het aan de voorzitter en de secretaris gezamenlijk, dan wel aan een ieder afzonderlijk mandateren van de afhandeling van zaken die geen beleidsmatig karakter hebben.

Periode: 1995–

Grondslag: Reglement Waarderingskamer, art. 23

Product: mandaatbesluit

Waardering: B (4)

(8.)

Handeling: Het opstellen van een eindrapport of verantwoording als resultaat van het instellen van de betrokken commissie c.q. van het inschakelen van een deskundige

Periode: 1995–

Waardering: B (3)

8.1.3 Internationale contacten

(9.)

Handeling: Het onderhouden van internationale contacten ter uitwisseling van kennis en gegevens omtrent de waardering van onroerende zaken.

Periode: 1995–

Product: correspondentie, overlegverslagen

Waardering: V, 5 jaar

8.2 Handelingen op het werkterrein

8.2.1 Toezicht

(10.)

Handeling: Het uitvoeren van controles in het kader van toezicht op de uitvoering van de Wet WOZ door gemeenten

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 2 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 2, lid 1; Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, art. 5 (Stcrt. 1994, nr. 252 gewijzigd bij Stcrt. 1996, 139, Stcrt. 1997, 132, Stcrt. 1998, 47, Stcrt. 1998, 62)

Product: gemeentedossiers met plan van aanpak, bestanden met door gemeente aangeleverde gegevens, kwaliteitsanalyses, referentiestelsel, rapporten van bevindingen en analyseresultaten

Opmerking Onder deze handeling wordt verstaan:

– het controleren of een gemeente het proces om tot een juiste waardevaststelling te komen goed op orde heeft;

– het steekproefsgewijs controleren of de WOZ-administratie van een gemeente actueel, correct en volledig is;

– het steekproefsgewijs controleren van de taxaties.

Waardering: V, 5 jaar na einde tijdvak (periode tussen twee peildata)

(11.)

Handeling: Het initiëren en coördineren van onderzoek naar allerlei soorten onroerend goed ten behoeve van regelgeving met betrekking tot toezicht.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 2 (Stb. 1994, 874)

Product: Onderzoeksrapporten over allerlei soorten onroerend goed

Waardering: B (1)

(12.)

Handeling: Het opstellen en bijhouden van producten ter instructie van gemeenten bij de waardering van onroerende zaken.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 2 (Stb. 1994, 874)

Product: Waarderingsinstructie, overlegverslagen, beoordelingsprotocol niet-woningen

Opmerking Criteria voor de waarderingsinstructie worden gegeven in het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (Stcrt. 1994, 252, gewijzigd bij Stb. 1997, 703 en Stb. 2003, 58).

In de waarderingsinstructie worden kwaliteitskenmerken en kwaliteitseisen gegeven voor de waardebepaling ten einde toezicht uit te kunnen oefenen.

In de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, art. 6 wordt het protocol aangeduid met ‘model van het taxatieverslag.

Waardering: B (5): eindproducten, behalve overlegverslagen

V, 5 jaar: overlegverslagen

Na vervallen belang: rest (bijvoorbeeld toelichtingen, handreikingen, modellen)

(13.)

Handeling: Het doen van een aanbeveling omtrent de uitvoering van de wet.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 21 (Stb. 1994, 874)

Product: Aanbeveling

Waardering: B (5)

(14.)

Handeling: Het opstellen van de vakbekwaamheidseisen waaraan degenen moeten voeldoen die de waardebepaling uitvoeren

Periode: 1995–

Grondslag: Toelichting Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken (Stcrt. 1995, 31)

Product: Modelcontracten taxatiebureaus, verslagen van overleg met opleidingsinstituten.

Opmerking Het bestaan van deze eisen wordt voorgeschreven bij Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1994, 954, gewijzigd bij besluit Stb. 1997, 703 en Stb. 2003, 58) Dit besluit is uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken (Stcrt. 1995, 31)

Waardering: B (5): eisen

V, 5 jaar: overlegverslagen

(15.)

Handeling: Het vaststellen van de normatiek met betrekking tot de WOZ voor de afnemers.

Periode: 1999–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, art. 1e (Stb. 1995, 67, gewijzigd bij Stb. 1999, 39, Stb. 1999, 577); Wet WOZ, art. 7 (Stb. 1994, 874)

Waardering: B (5)

(16.)

Handeling: Het coördineren van onderhandelingen tussen gemeenten en afnemers over bestandsformaten ten behoeve van het juist kunnen uitwisselen van gegevens tussen gemeenten en afnemers

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 2 (Stb. 1994, 874)

Product: StufTaxgegevens

Opmerking Voorschriften over het bestandsformaat zijn neergelegd in de Regeling Stuf (Standaard uitwisselingsformaat) -WOZ (Stcrt. 1995, 38, gewijzigd bij Stcrt. 1995, 176, Stcrt. 1999, 37).

Waardering: B (5): eindproduct

V, 5 jaar: voorbereiding

(17.)

Handeling: Het doen van meldingen aan de beheerders van het gemeentefonds bij constatering van afwijkingen van de Wet WOZ, bij het waarderen van objecten door gemeenten.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 2 (Stb. 1994, 874)

Waardering: V, 5 jaar

8.2.2 Advisering

(18.)

Handeling: Het uitbrengen van adviezen aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën, andere ministers en de afnemers over zaken die verband houden met de inhoud en de toepassing van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 4 lid 3 (Stb. 1994, 874), Reglement Waarderingskamer, art. 2 lid 2

Waardering: B (1)

8.2.3 Uitvoering overige taken Wet WOZ

Geschillen

(19.)

Handeling: Het voorbereiden, opstellen, uitvoeren en evalueren van een geschillenregeling.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 11 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 2 lid 4

Product: geschillenregeling, evaluatienota’s

Opmerking Een voorbeeld van het uitvoeren van een regeling is het instellen van de Geschillencommissie.

Waardering: B (1, 2, 5)

Benchmark

(20.)

Handeling: Het opzetten, onderhouden en bekendmaken van gegevens over het proces en de integrale kosten van de uitvoering van de Wet WOZ door gemeenten (Benchmark)

Periode: 1999–

Product: Benchmark

Waardering: B (5): eindproduct

V, 10 jaar: rest

Kostenverrekening

(21.)

Handeling: Behandelen van verzoeken van gemeenten om een oordeel te geven over de door de gemeente opgestelde berekening van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten ten behoeve van de verrekening van de kosten

Periode: 1999–2005

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, artikel 4a (Stb. 1995, 67, zoals gewijzigd bij Stb. 1999, 577); Reglement Waarderingskamer, art. 2 lid 5

Product: Correspondentie, notities met verantwoording van besluiten op de verzoeken

Opmerking Deze handeling leidt niet tot beleidswijzigingen. De activiteiten van de commissie kunnen dat wel tot gevolg hebben.

Waardering: V, 7 jaar

8.2.4 Voorlichting

(22.)

Handeling: Het opstellen van een plan voor externe communicatie

Periode: 1995–

Waardering: B (1)

(23.)

Handeling: Het (laten) uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het gebied van de Wet WOZ

Periode: 1995–

Product: conceptplan, te gebruiken door gemeenten t.b.v. de communicatie met burgers, materiaal van presentaties.

Waardering: B (5): eindproduct

V, 5 jaar

(24.)

Handeling: Het opstellen van circulaires gericht aan gemeenten.

Periode: 1995–

Product: circulaires

Opmerking Onderwerpen in deze circulaires kunnen het gehele WOZ-terrein beslaan.

Waardering: B (5): eindproduct

(25.)

Handeling: Het organiseren van activiteiten ter bevordering van de juiste uitvoering van de Wet WOZ

Periode: 1995–

Product: bijvoorbeeld notities van (telefonische) gesprekken met individuele gemeenten

Opmerking In tegenstelling tot de voorgaande handeling is deze meer facilitair van aard.

Waardering: V, 5 jaar

(26.)

Handeling: Het verzamelen en verstrekken van statistische gegevens van gemeentes betreffende de uitvoering van de Wet WOZ.

Periode: 1995–

Product: Statistische gegevens

Opmerking Deze gegevens worden verstrekt aan alle belanghebbenden. Dat kunnen ministers zijn, de afnemers of het CBS

Waardering: V, 10 jaar

(27.)

Handeling: Het onderhouden van individuele contacten met relaties

Periode: 1995–

Product: overlegverslagen

Opmerking Voorbeelden van deze relaties zijn banken en verzekeringsmaatschappijen. De gespreksonderwerpen kunnen het gehele beleidsterrein van de WOZ betreffen.

Waardering: V, 5 jaar

(28.)

Handeling: Het ondersteunen van bewindslieden bij het beantwoorden van Kamervragen en (op verzoek) incidenteel informeren van leden van commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende het werkterrein van de Waarderingskamer

Periode: 1995–

Grondslag: Grondwet 1995, art. 68

Waardering: B (3)

(29.)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en

instellingen betreffende het werkterrein van de Waarderingskamer

Periode: 1995–

Opmerking Zie handeling 47 voor WOB-verzoeken.

Waardering: B (1), indien vragen aanleiding geven tot aanpassing van beleid

Rest V, 3 jaar

(30.)

Handeling: Het behandelen van klachten van burgers betreffende het werkterrein van de Waarderingskamer.

Periode: 1995–

Opmerking Zie handeling 46 voor klachten van het personeel en 48 voor klachten via de Nationale Ombudsman.

Waardering: B (1), indien klachten aanleiding geven tot aanpassing van beleid

V, 5 jaar

(31.)

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens.

Periode: 1995–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc.

Waardering: B 1, 2

(32.)

Handeling: Het treffen van maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.

Periode: 1994–

Grondslag: Wet persoonsregistraties, art. 8 (Stb. 1988, 665); Wet bescherming persoonsgegevens, art. 13 (Stb. 2000, 302)

Product: maatregelen

Waardering: V, 5 jaar

8.3 Handelingen van de commissies op het werkterrein

Het product van de handelingen van een commissie bestaat meestal slechts in notulen. Bij deze notulen horen ook besluitenlijsten en nota’s. Met het oog op goede hanteerbaarheid van deze selectielijst, is er daarom per commissie meestal slechts één handeling opgenomen.

Zie de paragraaf over de commissies in de inleiding van dit BSD voor inzicht in het verschil in startdata van de commissies.

8.3.1 Commissie beoordeling omvang kosten (BOK)

(33.)

Handeling: Het beoordelen van de door de gemeente opgestelde berekening van de in redelijkheid door de gemeente gemaakte waarderingskosten ten behoeve van de verrekening van de kosten met de afnemers.

Periode: 2000–2006

Grondslag: Instellingsbesluit (2000)

Product: Notulen

Opmerking Deze handeling vindt plaats ten behoeve van de verrekening van de kosten met toepassing van de vangnetregeling als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, art. 4a (Stb. 1995, 67)

Waardering: B (5)

8.3.2 Commissie benchmarking (CB)

(34.)

Handeling: Het doen van voorstellen aan de Waarderingskamer voor conclusies op grond van analyse van gegevens betreffende de met ingang van 1 januari 1999 gemeentelijke gemaakte kosten van de uitvoering van de Wet WOZ in relatie tot de door de gemeenten verrichte activiteiten en in relatie tot het bedrag per object.

Periode: 1999–

Grondslag: Instellingsbesluit (1999)

Product: Notulen

Waardering: B (5)

8.3.3 Commissie begeleiding wetgeving (CBW)

(35.)

Handeling: het voorbereiden van de concept-Aanpassingswet Wet WOZ.

Periode: 1994–1997

Grondslag: instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Opmerking onder deze handeling valt tevens:

– het signaleren van de ontwikkeling op fiscaal-juridisch terrein die van belang zijn in het kader van de wetgeving op het terrein van de waardering van onroerende zaken;

– het adviseren van de Waarderingskamer omtrent overige fiscaal-juridische aangelegenheden op het terrein van de waardering van onroerende zaken

Waardering: B (5)

8.3.4 Commissie evaluatie kostenverrekening (CEK)

(36.)

Handeling: het doen van voorstellen aan de Waarderingskamer voor de kostenverrekening vanaf 1999.

Periode: 1994–2001

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Opmerking Deze voorstellen zijn gebaseerd op onderzoek naar de vragen of

– de in het rekenmodel van het Rapport kostenverrekening opgenomen normen in overeenstemming zijn met de werkelijk te maken kosten;

– de kosten van de werkzaamheden, die in het rekenmodel van het Rapport kostenverrekening naar de werkelijke kosten verrekend worden, genormeerd kunnen worden;

– er overigens aanpassingen/ verbeteringen noodzakelijk zijn.

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de gegevens over de in 1995 en 1996 door de gemeenten aan de afnemers in rekening gebrachte kosten.

Onder deze handeling valt ook: het adviseren van de Waarderingskamer omtrent overige aangelegenheden met betrekking tot de kostenverrekening.

Waardering: B (5)

8.3.5 Commissie evaluatie Wet WOZ (CEWW)

(37.)

Handeling: het opstellen van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk.

Periode: 1997–2001

Grondslag: instellingsbesluit

Product: notulen, verslag, onderzoeksgegevens

Waardering: B (5)

8.3.6 Commissie gegevensuitwisseling (CGU)

(38.)

Handeling: Het voorbereiden, evalueren en bijhouden van uitvoeringsregels in het kader van de Wet WOZ op het terrein van de registratie en levering van gegevens.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: notulen, enquêtes, onderzoeken

Opmerking onder deze handeling valt ook

het voeren van overleg ter begeleiding van de uitvoering van de regels op het terrein van de registratie en de levering van gegevens.

Het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot de registratie en levering van gegevens in het kader van de Wet WOZ

Waardering: B (5)

(39.)

Handeling: Het op verzoek van partijen toetsen van de mate van verwerkbaarheid van de door gemeenten aan afnemers geleverde bestanden.

Periode: 1999–

Product: Toetsingsrapportages

Opmerking Deze taak vloeit voort uit een wijziging van Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. (Stb. 1995, 67, gewijzigd bij Stb. 1999, 577). Daarin wordt bepaald dat afnemers pas hun jaarlijks bijdrage hoeven te betalen als de geleverde bestanden in orde zijn.

Waardering: B (5)

8.3.7 Commissie Klankbord (CKB)

(40.)

Handeling: Het adviseren van de Waarderingskamer inzake conceptproducten van de Commissie regelgeving en controle, en inzake de uitvoering van het toezicht.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Waardering: B (5)

8.3.8 Commissie regelgeving en controle (CRC)

(41.)

Handeling: Het voorbereiden, evalueren en bijhouden van uitvoeringsregels in het kader van de Wet WOZ op de volgende terreinen:

– uitvoeren van de waardebepaling;

– vakbekwaamheid van taxateurs;

– uitvoeren van de waardevaststelling;

– gegevensuitwisseling

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Waardering: B (5)

(42.)

Handeling: Het voorbereiden en bijhouden van een procedure voor het toezicht door de Waarderingskamer.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Opmerking Zie ook handeling 45 van de Waarderingskamer zelf

Waardering: B (5)

(43.)

Handeling: Het adviseren van de Waarderingskamer met betrekking tot het inhoudelijke oordeel over de kwaliteit van de vastgestelde waarden in een gemeente.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Notulen

Waardering: B (5)

8.3.9 Geschillencommissie (GC)

(44.)

Handeling: Het krachtens mandaat van de Waarderingskamer behandelen van de geschillen die overeenkomstig artikel 11 van de Wet WOZ aan de Waarderingskamer voorgelegd worden en het nemen van besluiten.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: Geschillendossiers, notulen

Opmerking De geschillendossiers bevatten ook de uitspraak van de commissie.

Waardering: B (5)

8.4 Handelingen m.b.t. de bedrijfsvoering

(45.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en indienen van het jaarverslag.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 13 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 21 lid 1

Opmerking Onder de stukken m.b.t. het vaststellingstraject bevindt zich ook het concept-jaarverslag dat ter advisering aan de CFPO wordt gestuurd.

Waardering: B (3): eindproduct, stukken m.b.t. vaststellingstraject

V, 3 jaar: rest, bijv. voorbereiding van de publicatie

(46.)

Handeling: Het behandelen van klachten van het personeel van de Waarderingskamer.

Periode: 1995–

Grondslag: Algemene wet bestuursrecht, art. 9 lid 2 (Stb.1992, 315); Wet WOZ, art. 9 lid 3 (Stb. 1994, 874)

Product: Ontvangstbevestigingen, bericht over wel of niet behandelen, besluiten tot beslissing

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling van de klacht

V, 75 na geboortedatum of 10 jaar na overlijden bij klachten met rechtspositionele implicaties

(47.)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en

instellingen betreffende de verrichtingen van de Waarderingskamer

op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet openbaarheid van bestuur 1991, art 5–8, Stb. 1991/703 en regeling

uitvoering Wet openbaarheid van bestuur, Stcrt. 1993/246

Waardering: V, 5 jaar

B (1): indien vragen leiden tot beleidswijziging

(48.)

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid van de Waarderingskamer.

Periode: 1995–

Waardering: B (1/3)

(49.)

Handeling: Het evalueren van de uitvoering van het beleid met betrekking tot bedrijfsvoering.

Periode: 1995–

Waardering: B (2)

8.4.1 Werkwijzen en procedures

(50.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en evalueren van nadere regels betreffende de werkwijze van de Waarderingskamer en haar secretariaat, en de werkwijze van de commissies, subcommissies en werkgroepen van de Waarderingskamer.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 10 (Stb. 1994, 874), Reglement Waarderingskamer, art. 4 lid 3, art. 20 lid 1 Product: Reglement Waarderingskamer, Reglement BOK, Reglement voor een aanbeveling als bedoeld in Wet WOZ, art. 21, Reglement geschillencommissie, commissiereglementen, klanttevredenheidsonderzoeken

Waardering: B (4)

(51.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en evalueren van de wijze waarop overleg wordt gevoerd met de colleges van burgemeester en wethouders en de afnemers of met hun vertegenwoordigers.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 10 (Stb. 1994, 874)

Product: Notitie omgangsvormen

Waardering: B (5)

(52.)

Handeling: Het opstellen van het werkplan voor het volgend jaar.

Periode: 1995–

Grondslag: Reglement Waarderingskamer, art. 18 lid 1

Product: werkplan

Opmerking Onder de stukken m.b.t. het vaststellingstraject bevindt zich ook het concept-werkplan dat ter advisering aan de CFPO wordt gestuurd.

Waardering: B (5): eindproduct, stukken m.b.t. vaststellingstraject

V, direct na afronding werkplan: rest

8.4.2 Financieel beheer

(53.)

Handeling: Het jaarlijks voorbereiden, vaststellen, wijzigen en indienen van de begroting

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 12 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 25 lid 1

Product: Begroting

Waardering: B (1)

(54.)

Handeling: Het jaarlijks opstellen van een meerjarenraming voor het strategisch beleid in de komende drie jaren die volgen op het eerstvolgende.

Periode: 1995–

Grondslag: Reglement Waarderingskamer, art. 25 lid 2

Product: Meerjarenraming

Waardering: B (1)

(55.)

Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van de jaarrekening

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 13 (Stb. 1994, 874)

Product: Jaarrekening

Waardering: B (3)

(56.)

Handeling: Het doen van investeringen en het aangaan of garanderen van geldleningen

Periode: 1995–

Product: overeenkomsten?

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van een overeenkomst?

(57.)

Handeling: Het uitbesteden van werkzaamheden.

Periode: 1995–

Product: overeenkomsten

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging van een overeenkomst

(58.)

Handeling: Het heffen van bedragen ter verrekening van de kosten van de Waarderingskamer aan gemeenten en afnemers

Periode: 1995–

Grondslag: Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling (Stb. 1995, 67); Wet WOZ, art. 15 (Stb. 1994, 874); Reglement Waarderingskamer, art. 24

Waardering: V, 7 jaar

(59.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en wijzigen van modellen voor formulieren die in het administratieve verkeer met derden moeten worden gebruikt

Periode: 1995–

Waardering: V, 6 jaar

(60.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en wijzigen van regels omtrent het beheer van de financiën, de lonen en andere vergoedingen en de vorming van fondsen.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 10 (Stb. 1994, 874)

Waardering: B (1)

(61.)

Handeling: Het voeren van het financieel beheer.

Periode: 1995–

Waardering: V, 7 jaar

(62.)

Handeling: Het uitvoeren van een interne financiële controle.

Periode: 1995–

Waardering: V, 10 jaar

8.4.3 Personeel

(63.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en evalueren van regels omtrent indienstneming en ontslag, alsmede het loon en andere arbeidsvoorwaarden van het personeel.

Periode: 1995–

Grondslag: Wet WOZ, art. 9 lid 2 en 3 (Stb. 1994, 874)

Product: Reglementen

Opmerking Het reglement geeft voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:

a. aanstelling;

b. schorsing;

c. ontslag;

d. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;

e. bezoldiging;

f. wachtgeld;

g. diensttijden;

h. verlof en vakantie;

i. voorzieningen in verband met ziekte;

j. bescherming bij arbeid;

k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;

l. medezeggenschap;

m. overige rechten en verplichtingen van het personeel;

n. disciplinaire straffen;

o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging van het personeel van het secretariaat;

p. een geschillenregeling met betrekking tot de onder l en o genoemde onderwerpen.

Waardering: B (5)

(64.)

Handeling: Het uitvoeren van het arbeidsvoorwaarden- en personeelsbeleid.

Periode: 1995–

Product: personeelsdossiers

Waardering: V, 10 jaar na einde dienstverband

Persoonsdossiers: V, 75 jaar na geboortedatum bij rechtspositionele aangelegenheden (besluiten betreffende aanstelling, bevordering, ontslag etc) of 10 jaar na overlijden

8.4.4 Automatisering en telecommunicatie

(65.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en uitvoeren van het beleid betreffende automatisering en telecommunicatie.

Periode: 1995

Product: auditrapporten, rapportages, beleidsnota’s

Waardering: V, 5 jaar

8.4.6 Huisvesting

(66.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en wijzigen van het huisvestingsbeleid.

Periode: 1995–

Product: beleidsnota’s, selectiecriteria, plannen van eisen

Waardering: V, 10 jaar na vervanging

(67.)

Handeling: Het uitvoeren van het huisvestingsbeleid en (gebruiks)goederenbeheer.

Periode: 1995–

Opmerking Onder de handeling vallen onder andere:

– Het verzorgen en begeleiden van bouwkundige activiteiten en onderhoudswerkzaamheden

– Het verstrekken, in stand houden en inrichten van technische bedrijfsbenodigdheden, installaties, ruimtes en netwerken

– Het nemen van maatregelen op het gebied van de beveiliging van mensen, gebouwen, bedrijfsruimte, middelen en goederen

– Het aanschaffen, onderhouden, repareren en gebruiken van (gebruiks)goederen.

Waardering: V, 5 jaar

8.4.6 Documentaire Informatievoorziening

(68.)

Handeling: Het stellen van regels voor de post en documentatie

Periode: 1995–

Product: regelgeving

Waardering: B (5)

(69.)

Handeling: Het uitvoeren van regelgeving voor de post en documentatie

Periode: 1995–

Product: werkplannen

Waardering: V, 10 jaar, of na vervanging

(70.)

Handeling: Het treffen van voorzieningen voor het beheer van archiefbescheiden.

Periode: 1996–

Grondslag: Archiefbesluit, art. 49 lid 1 (Stb. 1968, 200); Archiefwet 1995, art. 5 lid 1 (Stb. 1995, 276); Archiefbesluit 1995, artt. 2, 3, 5, 14 (Stb. 1995, 671)

Product: archiefbeheersregels, verklaringen van overdracht of vervreemding, Basis Selectiedocument, verslag driehoeksoverleg voor het BSD, ordeningsplan

Opmerking Zie ook BSD Overheidsinformatievoorziening, handeling 116 (Stcrt. 2003, 202)

Waardering: B (5): archiefbeheersregels, verklaringen van overdracht of vervreemding, Basis Selectiedocument, verslag driehoeksoverleg voor het BSD

V, 10 jaar, of na vervanging: o.a. ordeningsplan

(71.)

Handeling: Het beheren van het archief

Periode: 1995–

Grondslag: Archiefbesluit, art. 3 lid 2 (Stb. 1968, 200); Archiefwet 1995, art. 7 (Stb. 1995, 276); Archiefbesluit 1995, art. 2, art. 6, art. 8 (Stb. 1995, 671)

Product: Verklaring van vervanging/substitutie, advies of besluit m.b.t openbaarheid archiefbescheiden

Opmerking Zie ook BSD Overheidsinformatievoorziening, handeling 119 (Stcrt. 2003, 202);

Waardering: V, 10 jaar, of V na vervanging (besluiten/adviezen)

8.5 Handelingen van de commissies m.b.t. de bedrijfsvoering

8.5.1 Commissie financiën, personeel en organisatie (CFPO)

(72.)

Handeling: het behandelen van zaken en het nemen van beslissingen met betrekking tot financiën, personeel en organisatie.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit (begeleidingsnotitie bij agendapunt 12 van vergadering d.d. 20-2-1995)

Product: go-/ no go-beslissingen

Opmerking deze handeling valt uiteen in de volgende activiteiten:

– het voorbereiden van de begroting en de jaarrekening van de Waarderingskamer;

– het uitvoeren van de door de Waarderingskamer vastgestelde begroting;

– het voorbereiden van het werkplan van de Waarderingskamer;

– het voorbereiden van het jaarverslag van de Waarderingskamer;

– het toezien op de uitvoering van het door de Waarderingskamer vastgestelde werkplan;

– het voorbereiden van de reglementen inzake de werkwijze van de Waarderingskamer en haar commissies;

– het vaststellen van de werkwijze van het secretariaat;

– het voorbereiden van het formatieplan en de organisatiestructuur van de Waarderingskamer;

– het voorbereiden van het rechtspositiereglement van de Waarderingskamer;

– het behartigen van de personeelsaangelegenheden.

Waardering: B (5)

9. Overzicht van in het BSD aangehaalde wet- en regelgeving ten aanzien van taakveld van Waarderingskamer

Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) (Stb. 1994, 874, gewijzigd bij Stb. 1995, 32, Stb. 1996, 653 en 654, Stb. 1997, 580 en 735, Stb. 1998, 95, 621 en 728, Stb. 1999, 30, Stb. 2000, 216, 551 en 569, Stb. 2001, 639, Stb. 2003, 528, Stb. 2004, 654, 656 en 672, Stb. 2005, 603)

Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1996, 401, gewijzigd bij 1997, 703)

Regeling Stuf (Standaard uitwisselingsformaat) -WOZ (Stcrt. 1995, 38, gewijzigd bij Stcrt. 1995, 176, Stcrt. 1999, 37)

Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1995, 67, gewijzigd bij Stb. 1999, 39, Stb. 1999, 577, Stb. 2001, 231,

Stb. 2003, 179)

Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1994, 954, gewijzigd bij besluit Stb. 1997, 703 en Stb. 2003, 58)

Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1997, 30)

Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken Stcrt. 1994, 252, gewijzigd bij Stcrt. 1996, 139, Stcrt. 1997, 132, Stcrt. 1998, 47, Stcrt. 1998, 62)

Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken (Stcrt. 2003, 90)

Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (Stcrt. 1994, 252)

Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken

(Stcrt. 1995, 31)

Reglement Waarderingskamer (niet gepubliceerd in de Staatscourant).