Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Circulaire betrouwbaarheid buitengewoon opsporingsambtenaar[Regeling vervallen per 01-04-2010.]

Geldend van 26-05-2007 t/m 31-03-2010

Circulaire betrouwbaarheid buitengewoon opsporingsambtenaar

1. Samenvatting [Vervallen per 01-04-2010]

In deze circulaire wordt het beleid inzake de toetsing van de betrouwbaarheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar, welke is vastgelegd in de artikelen 2 en 17 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO) nader uiteengezet.

2. Inleiding [Vervallen per 01-04-2010]

In mijn circulaire van 26 mei 2003, kenmerk 5228033/503 heb ik het beleid inzake de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de buitengewoon opsporingsambtenaren toegelicht. In de afgelopen tijd heeft een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden, waardoor de noodzaak is ontstaan deze circulaire te herzien. Gelet op de omvangrijkheid van voornoemde circulaire acht ik het aangewezen de onderwerpen bekwaamheid en betrouwbaarheid te splitsen in twee afzonderlijke circulaires. Onderhavige circulaire ziet op de wijze van toetsing van de betrouwbaarheid van buitengewoon opsporingsambtenaren. Voorts is sprake van een wijziging in de procedure: zowel bij een initiële aanvraag voor opsporingsbevoegdheid als bij een verlengingsaanvraag dient een verklaring omtrent het gedrag te worden overgelegd.

3. Betrouwbaarheid [Vervallen per 01-04-2010]

Ingevolge artikel 2 van het BBO is de betrouwbaarheid één van de vereisten voor beëdiging. Artikel 17 van het BBO bepaalt voorts dat een persoon als betrouwbaar kan worden aangemerkt indien hij van onbesproken gedrag is.

Alvorens iemand kan worden benoemd tot buitengewoon opsporings-ambtenaar, wordt de betrouwbaarheid van de betrokkene getoetst. De toetsing kan eerst plaatsvinden nadat de opleiding is voltooid. Het is namelijk, mede gelet op eisen van privacy en proportionaliteit, niet de bedoeling dat personen gescreend worden die, bijvoorbeeld wegens het niet voltooid hebben van een opleiding, niet in aanmerking kunnen komen voor benoeming tot buitengewoon opsporingsambtenaar.

Voorts wordt periodiek, doch in elk geval iedere vijf jaar, bij een aanvraag voor verlenging van de akte van opsporingsbevoegdheid de betrouwbaarheid van de betrokkene getoetst. Mede gelet op het feit dat de opsporingsbevoegdheid van rechtswege vervalt indien er niet meer wordt voldaan aan de betrouwbaarheidseis, kan er frequenter getoetst worden op betrouwbaarheid, of in incidentele gevallen gericht informatie opgevraagd worden ten behoeve van de toetsing van de betrouwbaarheid.

Mijn oordeel over de betrouwbaarheid wordt zowel bij de initiële aanvraag als bij de verlengingsaanvraag gebaseerd op de overgelegde verklaring omtrent het gedrag. Dit is een wijziging ten opzichte van de oude situatie, waar slechts bij een initiële aanvraag een verklaring omtrent het gedrag werd verlangd.

Indien gewenst kan tevens van informatie, afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit diverse bronnen, gebruik worden gemaakt. Tevens kan advies worden gevraagd aan de toezichthouder of de direct toezichthouder. In het algemeen kan ten aanzien van personen die in een periode van vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag zijn veroordeeld of een transactie zijn aangegaan ter zake van een als misdrijf strafbaar gesteld feit, geen positief oordeel worden gegeven.

Niet uitsluitend veroordelingen ter zake van een als misdrijf strafbaar gesteld feit zijn van belang voor het oordeel of iemand betrouwbaar wordt geacht voor de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar. Het argument dat de betrokkene niet voldoende betrouwbaar is, kan ook worden ontleend aan (een reeks van) veroordelingen ter zake van als overtreding strafbaar gestelde feiten en aan tegen hem opgemaakte processen-verbaal, die niet tot een veroordeling hebben geleid. Ook andere ernstige bezwaren, die niet in een proces-verbaal naar voren komen, kunnen aanleiding vormen voor een negatief oordeel.

Indien wordt vastgesteld dat bij de (beoogde) buitengewoon opsporingsambtenaar de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet (meer) aanwezig is, worden de betrokkene, zijn werkgever, de toezichthouder alsmede de direct toezichthouder hiervan op de hoogte gesteld. Aan de betrokkene wordt geen akte van opsporingsbevoegdheid verleend. In het geval deze al aan hem was verleend, vervalt de opsporingsbevoegdheid met ingang van de dag na de datum waarop is vastgesteld dat de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet meer aanwezig is (artikel 35, eerste lid, onder b, van het BBO).

De

Minister

van Justitie,
namens deze:
de

directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

,

J. van der Vlist