Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid)

Geldend op 13-05-2010


De regeling die nu getoond wordt is dermate groot van omvang dat automatisch is overgeschakeld naar artikelsgewijze weergave. Klik op de knop hiernaast om over te schakelen naar complete weergave van de regeling. Let op: voor navigatie door de tekst in artikelsgewijze weergave maakt u gebruik van |< < > >| in de balk hierboven.

  • Basisselectiedocument

    Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het beleidsterrein

    OORLOGSGETROFFENEN

    1945–

    Deze selectielijst zal worden vastgesteld voor de zorgdragers:

    • de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

    • de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

    • de Minister van Algemene Zaken;

    • de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

    • de Minister van Buitenlandse Zaken;

    • de Minister van Defensie;

    • de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren;

    • de Minister van Justitie;

    • de Minister van Economische Zaken;

    • de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    • de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • de Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • de Raad voor het Rechtsherstel;

    • de Stichting Het Gebaar;

    • de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP);

    • de Stichting Cogis;

    • de Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF);

    • de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO);

    • de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma;

    Ministerie van VWS

    Directie Informatiehuishouding

    Versie februari ’07

    Lijst van afkortingen

    ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

    AmvB: Algemene Maatregel van Bestuur

    AOW: Algemene Ouderdomswet

    AOR: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië

    AWW: Algemene Weduwen- en Wezenwet

    B&W: Burgemeester en Wethouders

    BSD: Basis Selectiedocument

    b.w.: buiten werking

    CAOR: Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië

    CIDI: Centrum Informatie en Documentatie Israël

    CIV: Commissie Indisch Verzet

    CJO: Centraal Joods Overleg

    COM: Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland

    CRM: (Minister van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

    FNZ: Federatie Nederlandse Zionisten

    ICODO: Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen

    iwtr.: inwerkingtreding

    JMW: (Stichting) Joods Maatschappelijk Werk

    KB: Koninklijk Besluit

    KNIL: Koninklijk Nederlands-Ind(ones)isch Leger

    LVVS: Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat

    Maror: Morele Aansprakelijkheid roof en rechtsherstel

    MaWe: (Minister van) Maatschappelijk Werk

    NJJ: Nederlands Joodse Jeugd (NJJ)

    NIK: Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap

    OCW: (Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

    Pb.: Publicatieblad

    PBOG: Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen

    PIK: Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap

    PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

    PUR: Pensioen- en Uitkeringsraad

    RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

    SAIP: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

    SAMO: Stichting afhandeling Marorgelden Overheid

    SCMI: Stichting Collectieve Maror-gelden Israël

    SIB: Stichting Individuele Bankaanspraken

    SIE: Stichting Individuele Effectenaanspraken

    SIV: Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken

    SJHF: Stichting Joods Humanitair Fonds

    SMO: Stichting Maror-gelden Overheid

    SOTO: Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang

    Stb.: Staatsblad

    Stcrt.: Staatscourant

    Trb.: Tractatenblad

    Uwuv: uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

    VBV: Verbond Belangenbehartiging Vervolgensslachtoffers

    VVRA: Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstält

    VWS: (Minister van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

    WAC: Werk- en Adviescollege immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die tengevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke, schade aan hun gezondheid hebben opgelopen.

    WBP: Wet buitengewoon pensioen

    WBPZ: Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

    WIV: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet

    WRN: Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen

    WUBO: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945

    WUV: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

    WVC: (Minister van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

    Verantwoording

    Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

    Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

    Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

    De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

    In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

    Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

    Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

    • de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

    • de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

    • de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

    • het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

    Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995(Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:

    • een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan;

    • een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan; en

    • (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

    Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de Minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.

    Het doel en de werking van het Basisselectiedocument

    Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

    Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

    Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

    Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD‘s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

    Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

    Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).

    Functies van het BSD

    Voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor ordeningsplannen.

    Voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d).

    Voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c).

    Voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.

    Voor alle duidelijkheid en volledigheid moet op deze plaats worden gewezen op een onderzoek dat onlangs in opdracht van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II van het Ministerie van VWS is verricht door het NIOD: drs. Esther Balkestein, ‘Elf kilometer solidariteitsplicht, de archieven van de Wetten voor Oorlogsgetroffenen’, Amsterdam, 16 september 2005. Het onderzoek richt zich net als dit BSD op de archieven die zijn ontstaan bij de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Er zijn drie belangrijke verschillen tussen dit basisselectiedocument en het NIOD-onderzoek:

    • 1. het NIOD-onderzoeksrapport heeft niet de functie van BSD: archiefselectie mag alleen plaatsvinden op grond van dit wettelijk vastgestelde document;

    • 2. in het NIOD-onderzoek is naar de neerslag van de handelingen zelf gekeken. In die zin kan het onderzoek gezien worden als een archiefanalyse. Een dergelijke analyse wordt vaak ook verricht in het kader van de vaststelling van een BSD, ter verificatie van de waarderingen die daarin voorkomen;

    • 3. het NIOD-onderzoek richt zich enkel op de huidige bestaande uitvoeringsorganen; het BSD geldt daarentegen voor het archief van alle actoren die sinds 1945 hebben bestaan. Daaronder vallen dus onder meer ook Ministeries en commissies.

    De definitie van het beleidsterrein

    De doelstelling van de overheid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ voor de periode tot het einde van de jaren ’70 kan worden omschreven als ‘het materieel ondersteunen van oorlogsgetroffenen’ (financiële ondersteuning). Vanaf het einde van de jaren ’70 wordt dit ‘het materieel en immaterieel ondersteunen van oorlogsgetroffenen alsmede het bevorderen van de bewustwording van jongere generaties met betrekking tot de gevolgen van oorlog’.

    De term ‘oorlogsgetroffenen’ is van toepassing op verschillende categorieën. Op basis van wet- en regelgeving is de volgende indeling te maken:

    • verzetsdeelnemers en zeelieden, die slachtoffer zijn ingevolge hun eigen daad en houding;

    • vervolgden, die slachtoffer zijn als gevolg van hun voor de bezetter niet welgevallige eigen hoedanigheid van ras, geloof etc.;

    • algemene oorlogsslachtoffers, die slachtoffer zijn door uiterlijk oorlogsgeweld.

    Anders gezegd: oorlogsgetroffenen zijn ‘zij, die door of in verband met gebeurtenissen tijdens of ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog schade aan hun gezondheid hebben opgelopen, alsmede hun nagelaten betrekkingen, jegens wie de overheid een bijzondere solidariteitsplicht voelt’. Oorlogsgetroffenen zijn met name Nederlandse staatsburgers en personen uit het voormalige Nederlands-Indië.

    Personen die zich ten tijde van de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederlands standpunt beschouwd ‘onwaardig’ hebben gedragen worden niet tot de ‘oorlogsgetroffenen’ gerekend.

    Afbakening van het beleidsterrein

    De beleidsvoorbereiding van de wet- en regelgeving op het gebied van de oorlogsslachtoffers en verzetsdeelnemers was vanaf de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk in 1953 een onderdeel van zijn taakgebied.

    De voorzieningen die bij speciale wet of groepsregeling waren getroffen ten aanzien van oorlogsslachtoffers en verzetsdeelnemers werden als ‘bijzondere maatschappelijke zorg’ gezien.

    Deze voorzieningen werden als ‘bijzonder’ beschouwd omdat, in tegenstelling tot de Armenwet, de voorzieningen niet uitgaan van het beginsel van individuele ondersteuning, maar van het beginsel waarbij de hoogte van de uitkeringen gebonden is aan vastgestelde normen.

    Vanaf de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk hebben zich twee afzonderlijke onderafdelingen beziggehouden met respectievelijk de Wetten buitengewoon pensioen en met de Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers, vanaf 1961 Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945. Vanaf 1960 nam men eveneens de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor zijn rekening, overgedragen door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

    Nadat in 1965 de Algemene Bijstandswet tot stand was gekomen en de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 daarop werd gebaseerd, werd de beleidsvoering van deze Rijksgroepsregeling bij een afdeling gebracht die ressorteerde onder de Hoofdafdeling Bijstandszaken.

    In 1973 kwam er voor de vervolgingsslachtoffers een aparte wetgeving tot stand, los van de Algemene Bijstandswet: de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Bij de oprichting van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1982 werd bij de herindeling van de departementale taken de zorg voor Bijstandszaken naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgeheveld. De uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 werd echter niet overgenomen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    In 1984 werd met de inwerkingtreding van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers ingetrokken. Dit betekende dat er geen enkele regeling met betrekking tot de oorlogsslachtoffers meer onder het bijstandsrecht viel. De beleidsvorming van de buitengewone pensioenwetten heeft vanaf 1965 een autonome plaats ingenomen binnen de Ministeries van CRM en WVC.

    Vanaf de totstandkoming van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 kwam zowel de beleidsvoorbereiding en de toepassing van de wetten met betrekking tot oorlogsgetroffen en verzetsdeelnemers bij het Ministerie van WVC.

    Het beleidsterrein raakt het beleidsterrein Sociale Voorzieningen. Onder het beleidsterrein Oorlogsslachtoffers valt namelijk ook wetgeving die betrekking heeft op pensioenen van verzetsdeelnemers. Tevens werd de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 vanaf 1965 gebaseerd op de Algemene Bijstandswet.

    Bij de oprichting van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur werd bij de herindeling van de departementale taken de zorg voor Bijstandszaken naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgeheveld. De uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 werd echter niet overgenomen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    De selectielijst op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen is gepubliceerd in Stcrt. 2001, 39. Dat BSD is gebaseerd op het RIO nr. 89.

    Ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft zich met pensioenen, namelijk overzeese pensioenen, en uitkeringen aan oorlogsslachtoffers beziggehouden. De selectielijst op het beleidsterrein Overzeese Pensioenen is gepubliceerd in Stcrt. 1998, 31 en is gebaseerd op RIO nr. 34 Geld(t) voor Overzee, Institutioneel onderzoek naar overzeese pensioenen en eenmalige uitkeringen aan Indische oorlogsslachtoffers.

    De handelingen van de gewone Pensioenraad zijn te vinden in RIO/BSD nr. 73, ‘Overheidspersoneel: arbeidsvoorwaarden’, periode 1945–1996, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gepubliceerd Stcrt. 2001/200 en 201.

    Inmiddels heeft de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) als ZBO een eigen BSD laten opstellen (op het moment van schrijven nog niet vastgesteld).

    De PUR heeft de zorg voor het archief van al haar voorgangers overgenomen. Om die reden is deze actor uit dit BSD verwijderd.

    In opdracht van het Ministerie van Financiën is er institutioneel onderzoek uitgevoerd op het beleidsterrein financieel-economisch beleid, onderdeel vergoeding van geleden materiële oorlogsschaden als gevolg van de Tweede Wereldoorlog en geleden materiële schaden als gevolg van de Watersnoodramp 1953, voor de periode 1940–1980. Het onderzoek heeft zijn beslag gekregen in RIO 127. Het BSD is nog niet wettelijk vastgesteld.

    Daar waar het voorliggende BSD ingaat op het onderwerp rechtsherstel en Indische tegoeden, lijkt er een raakvlak te bestaan met het onderwerp oorlogsschaden. In de paragraaf hierboven is een definitie gegeven van de term oorlogsgetroffenen. In dit verband kan in die definitie worden benadrukt dat oorlogsgetroffenen dus niet in materieel, maar in immaterieel opzicht ernstige schade hebben ondervonden van een oorlog. Daarbij moet gedacht worden aan oorlogsinvaliden en personen die in oorlog aan vervolging hebben blootgestaan. In dit BSD wordt onder meer aandacht besteed aan rechtsherstel voor oorlogsslachtoffers volgens de bovenstaande definitie. Onder rechtsherstel wordt in dit kader verstaan het in materiële zin schadeloosstellen van groepen of individuen oorlogsslachtoffers.

    In het hierboven genoemde RIO 127 is het onderwerp rechtsherstel expliciet buiten de afbakening gehouden.

    Een niet onbelangrijk aandeel van het rechtsherstel houdt verband met de recuperatie van voorwerpen van culturele waarde. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de teruggave van de Goudstikkercollectie.

    Hier lijkt een raakvlak te bestaan met het BSD op het beleidsterrein Kunsten, op basis van RIO 71. De definitie van dat beleidsterrein luidt: ‘De taak van de overheid op het beleidsterrein kunsten behelst het ontwikkelen, regelgeven en uitvoeren van beleid met betrekking tot het scheppen en herscheppen van kunst, de distributie en het toegankelijk maken van kunst en de deelname van het publiek aan kunst.’

    In onderling overleg zijn de diverse departementen en het Nationaal Archief overeengekomen dat de recuperatie van geroofde kunstwerken gezien moet worden als een handeling binnen rechtsherstel en daarom niet in het BSD Kunsten thuishoort.

    Deze selectielijst is gebaseerd op Rapport Institutioneel Onderzoek nr. 3, Oorlogsgetroffenen. In vergelijking met het RIO heeft het BSD wel een groot aantal aanvullingen gekregen en aanzienlijke wijzigingen ondergaan.

    De periode is uitgebreid tot en met 2005. Hieronder is een aanvulling van de context opgenomen. Nieuwe wet- en regelgeving is toegevoegd (bijv. de Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen). Tevens zijn hier en daar de gegevens voor de periode 1945–2000 aangevuld. Het betreft onder andere:

    • Handelingen gebaseerd op het Besluit Rietkerk-uitkering en de Wet Rietkerk-uitkering zijn in het BSD opgenomen. Dit is geschied na overleg met de PIVOT-onderzoekers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waar dit onderdeel niet bleek te zijn meegenomen tijdens het PIVOT-onderzoek betreffende de overzeese pensioenen.

    • De Algemeene Ongevallenregeling Indonesië. In het RIO zijn de handelingen opgenomen voor de periode na 1954, het jaar van de overeenkomst tussen Nederland en Indonesië inzake uitvoering door Nederland van de AOR. Ter completering van het beeld is besloten om ook de handelingen vóór 1954 in het BSD op te nemen, vanaf 1949, het jaar van de soevereiniteitsoverdracht. In hoeverre dit tijdens de selectie veel materiaal ‘oplevert’ is nog maar de vraag, aangezien veel neerslag van deze handelingen zich mogelijk buiten het Koninkrijk bevindt.

    • Handelingen van andere Ministers dan de Minister onder wie Welzijn ressorteert zijn opgenomen in dit BSD.

    Tenslotte kan gezegd worden dat – in vergelijking met het RIO – de handelingen volgens de nieuwe PIVOT-inzichten zijn ge(her)formuleerd. Er is tevens een groot aantal nieuwe handelingen toegevoegd. Aan het einde van dit BSD is een concordantie te vinden waarin de handelingen in dit BSD worden gekoppeld aan de handelingen in het RIO.

    Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein Oorlogsslachtoffers

    De overheid richt haar beleid ten aanzien van de oorlogsgetroffenen in de eerste jaren voornamelijk op de materiële dienstverlening. Zij doet dit met behulp van wet- en regelgeving waarbij de oorlogsgetroffenen financieel ondersteund worden.

    Vanaf eind jaren zeventig wordt het beleid uitgebreid. De overheid begeeft zich dan eveneens op het terrein van de immateriële hulpverlening alsmede op het gebied van het bevorderen van een sociaal-educatief kader met het doel vooral de jongere generaties van de gevolgen van het oorlogsgebeuren bewust te maken.

    Aanvulling op de contextbeschrijving in het RIO

    Vaarplichtbeloning

    In 1942 werd door de Nederlandse regering in ballingschap een commissie ingesteld die zich moest buigen over een toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit. Beide regelingen dienden een ‘bijzondere belooning’ te zijn voor de door de zeelieden gedurende de oorlog bewezen diensten. De commissie diende op 28 mei 1945 een voorlopig rapport in en adviseerde de uitwerking van deze pensioenregeling aan een nieuwe in Nederland in te stellen commissie op te dragen.

    Na de bevrijding van Nederland en de opheffing van de vaarplicht, werd in 1946 een nieuwe commissie in het leven geroepen onder leiding van H.W. Groeneveld, die tot taak had een wetsvoorstel te ontwerpen voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten. Deze commissie diende in 1947 een voorstel in voor een Vaarplichtbeloning.

    In 1952 werd de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteerde gemachtigd om financieel bij te dragen aan de oprichting van een bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij ten behoeve van de uitvoering van een pensioenregeling voor de opvarenden van de Nederlandse koopvaardijvloot. Daarmee werd ook de Vaarplichtbeloning van kracht.

    • Niet alle vaarplichtige zeelieden die gedurende de Tweede Wereldoorlog waren blijven varen, kwamen voor de Vaarplichtbeloning in aanmerking. Alleen de Nederlander op wie de volgende besluiten van toepassing zijn geweest, kon rekenen op deze toelage:

    Stb. A5: vaarplichtbesluit (dienstplicht tijdens de oorlog in de vorm van vaarplicht);

    Stb. C19: uitwerking van het vaarplichtbesluit;

    besluit No. 1 Z van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, art. 1 (Ned. Ind. Stb. 1941, 58) ter uitvoering van de burgerdienstplichtverordening (Ned. Ind. Stb. 1940, 204, zoals gewijzigd bij Ned. Ind. Stb. 1940, 551).

    Bovendien moest de betrokken zeevarende de vaarplicht in de periode 1940 tot 1944 ‘voorzover dat in zijn vermogen lag naar behoren hebben vervuld’, en niet door eigen schuld van de vaarplicht zijn ontslagen.

    De Vaarplichtbeloning werd vastgesteld op 150 gulden per jaar, voor de zeevarende zelf. Weduwen van de betrokken zeelieden ontvingen 90 gulden per jaar, mits zij vóór de oorlog met hen in het huwelijk waren getreden.

    De periode 1990–2005

    Sinds 1990 is de PUR de enige organisatie die van overheidswege belast is met de toepassing en de uitvoering van de wetten voor Oorlogsgetroffenen: de Wet Buitengewoon Pensioen 1940–1945 (1947), de Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden oorlogsslachtoffers (1947), de Wet Buitengewoon Pensioen Indisch verzet (1986), de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1973) en de Wet Uitkeringen Burgeroorlogslachtoffers 1940–1945 (1984). Bij de uitvoering van bovengenoemde wetten zijn ook (belangen)organisaties betrokken die daartoe door de overheid zijn aangewezen zoals Stichting 1940–1945, Stichting Pelita, Stichting joods Maatschappelijk werk en de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen. Laatstgenoemde stichting is per 1 januari 2002 gefuseerd met de Stichting 1940–1945. Deze Stichtingen nemen direct contact op met de aanvragers en verzorgen het merendeel van de sociale rapportages.

    Bij het optreden van de overheid op het terrein van de Oorlogsgetroffenen in de periode 1990–2005 kunnen twee ontwikkelingen van elkaar onderscheiden worden. De eerste ontwikkeling betreft het meer bekendheid geven aan de bestaande wetgeving en het verruimen en beperken van het beleid ten aanzien van groepen oorlogsgetroffenen. Verruiming geldt vooral voor het onderbrengen van bepaalde groepen oorlogsgetroffenen onder de WUBO. De mogelijkheid voor de tweede generatie om als vervolgde aangemerkt te worden in de zin van de WUV werd daarentegen aanzienlijk beperkt. Gezien de verwachte terugloop van aanvragen werden in de onderhavige periode op het gebied van de uitvoering ook nieuwe samenwerkingsverbanden gerealiseerd.

    Een tweede ontwikkeling betreft het instellen van overheidswege van verschillende commissies eind jaren negentig voor het doen van onderzoek naar de Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Van beide ontwikkelingen zal een korte schets gegeven worden.

    Ontwikkelingen op het gebied van de wetten voor Oorlogsgetroffenen

    Na 1990 kan gesproken worden van een groeiend aantal personen dat een beroep op een van de wetten (WBP, WUV, WUBO en WIV) voor Oorlogsgetroffenen doet. Dit heeft enerzijds te maken met het gegeven dat velen die als jongvolwassene de oorlog hebben meegemaakt de pensioengerechtigde leeftijd bereikten en toen pas geconfronteerd werden met hun oorlogsverleden. Anderzijds nam het aantal aanvragen ook toe omdat de voorlichting via de PUR verbeterde en de overheid wetenschappelijk onderzoek naar bepaalde groepen oorlogsgetroffenen, waar weinig over bekend was, liet uitvoeren. Een belangrijke rol bij het informeren van de oorlogsgetroffenen over de bestaande wetten heeft naast de PUR ook de in 1980 opgerichte Stichting ICODO (Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen) gespeeld door het verzorgen van publicaties, het uitgeven van het tijdschrift ICODO INFO (1983) en de juridische uitgave Oorlogsgetroffenen en Recht (vanaf 1991).

    Het beleid ten aanzien van de WUBO werd in de onderhavige periode verruimd. Steeds meer groepen oorlogsgetroffenen werden na juridische aanpassingen van de wet onder de WUBO gebracht. Genoemd kunnen worden de verruiming voor Nederlandse ex-dwangarbeiders die door de Duitse bezetter gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken en voor Nederlanders die in Indië de bersiap- en revolutietijd hebben meegemaakt. Eerder was dat vooral problematisch voor de laatst genoemde groep omdat weinig bekend was over hun lotgevallen na de capitulatie van Japan in augustus 1945. Pas in het begin van de jaren negentig werd systematisch onderzoek gedaan naar de Republikeinse kampen waar veel Nederlanders in Indië in geïnterneerd werden door de Indonesiërs in de periode 1945–1947. De WUV werd daarentegen na jarenlange discussies in 1994 gesloten voor de tweede generatie, dat wil zeggen dat aanvragers die tot de tweede generatie behoorden niet langer als vervolgde werden aangemerkt en alleen aanspraak konden maken op immateriële hulpverlening.

    Van de hausse van aanvragen in de jaren negentig hebben ook de (belangen)organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen de gevolgen ondervonden. Uitbreiding van personeel, vooral rapporteurs voor het opstellen van sociale rapportages en maatschappelijk werkers, bleek noodzakelijk. Deze organisaties, Stichting 1940–1945, Stichting Pelita, Stichting joods Maatschappelijk werk en de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen zien zich sinds het drastisch teruglopen van de aanvragen (vanaf 2000) gedwongen hun werkzaamheden steeds verder af te bouwen en de taken die ze nog hebben op dit gebied over te dragen aan andere instanties. Zo fuseerde de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen per 1 januari 2002 met de Stichting 1940–1945 en startte de PUR in de loop van 2003 besprekingen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om na te gaan of en onder welke voorwaarden te zijner tijd de taken van de PUR aan de SVB kunnen worden uitbesteed. Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht.

    Ontwikkelingen op het gebied van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog

    De vondst van het LIRO-archief

    Begin december 1997 werden in een voormalig pand van het Agentschap van het Ministerie van Financiën in Amsterdam de LIRO-kaartenbakken gevonden. De kaartenbakken zijn een klein deel van het archief van Lippmann-Rosenthalbank, die voor de oorlog joods eigendom was. In de oorlog hebben de bezetters de bank gebruikt om geld en goederen van joden die werden weggevoerd, systematisch te confisqueren. Om onderscheid te maken tussen de periode voor en tijdens de oorlog, wordt daarom niet de volledige naam gebruikt, maar de afkorting: LIRO De kaarten op de zolder in het voormalige pand van het Agentschap bevatten lijsten met persoonlijke eigendommen van weggevoerde joden. Wat werd gevonden, leek niet op het andere, grootste deel van het LIRO-archief, dat bijvoorbeeld lijsten met balanstotalen bevat. De LIRO-kaartenbakken maakten na de oorlog deel uit van het archief van het Waarborgfonds Rechtsherstel. Directeur daarvan was P.J.H.J. Stulemeijer, die in 1961 tevens directeur werd van het Agentschap. Beide diensten waren in hetzelfde pand gehuisvest, dus ook hun archieven. Bij een verhuizing zijn de gevonden kaartenbakken blijven staan.

    Na de vondst van een gedeelte van het LIRO-archief heeft de Minister van Financiën de Commissie onderzoek Liro-archieven verzocht om niet alleen de Liro-archieven te onderzoeken, maar ook een overzicht samen te stellen van andere archieven die van belang zijn geweest voor het afhandelen van de joodse claims. Deze Commissie Kordes, genoemd naar haar voorzitter, heeft dit onderzoek laten uitvoeren met als resultaat de publicatie Onderzoeksgids archieven joodse oorlogsgetroffenen. Overzicht van archieven met gegevens over roof, recuperatie, rechtsherstel en schadevergoeding van vermogens van joden in Nederland in de periode 1940–1987. De auteurs van deze gids zijn J.M.L. Bockxmeer (NIOD), P.C.A. Lamboo (NA) en H.A.J. van Schie.

    Na deze commissie werd van overheidswege nog een groot aantal andere commissies ingesteld ter afwikkeling van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Genoemd kunnen worden: de Commissies Ekkart, Van Kemenade, Scholten en Van Galen. Al deze commissies hebben hun werkzaamheden reeds beëindigd. De archieven die door de werkzaamheden van deze commissies gevormd zijn, bevinden zich op verschillende locaties.

    Recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarde

    Diverse Ministeries hebben zich bezig gehouden met recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de teruggave van de kunstvoorwerpen die behoord hebben tot het privé-vermogen van de heer Jacques Goudstikker en/of mevrouw Desi Goudstikker-Halban aan de nabestaanden. Het betrof schilderijen die in 1940 waren verkocht aan de Duitse Reichsmarschall Hermann Göring, de Duitse zakenman Alois Miedl en E.J. Ostermann. Anno 2005 maakten de kunstvoorwerpen deel uit van de Nederlandse rijkscollectie.

    De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in dit BSD zijn opgenomen

    In dit BSD zijn van de volgende actoren de handelingen opgenomen:

    • de Minister onder wie Welzijn ressorteert

    • het Adviescollege besteding vierde tranche – adviescollege Dolman

    • de Adviescommissie Bijzondere Voorzieningen dienst- en reserveplichtig personeel KNIL

    • de Adviescommissie Huyser

    • de Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden

    • de Adviescommissie uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen

    • de Adviesgroep protocollering medische causaliteitsbeoordeling

    • de Begeleidingscommissie naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen

    • de Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie

    • de Begeleidingscommissie onderzoek Indische tegoeden WO-II in Nederland (Commissie Van Galen)

    • de Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (UWuv) 1940–1945

    • de centrale commissie/de commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Commissie AOR)

    • de Commissie Indisch Verzet (CIV)

    • de Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog

    • de Commissie van Advies

    • de Commissie van Advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945/ Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen

    • de Commissie van Advies inzake Bijstand aan Vervolgden

    • de Commissie Van Namen

    • de Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen (WRN)

    • de Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (Commissie Van Dijke)

    • de Coördinatiecommissie voor gerepatrieerden

    • de Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling

    • de Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen (PBOG)

    • de Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden

    • het Werk- en Advies-College (WAC) immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers

    • de Minister onder wie kunst en cultuur ressorteren

    • de Adviescommissie Restititieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (Restitutiecommissie)

    • het Bureau Herkomst Gezocht

    • de Commissie Ekkart

    • de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert

    • de Minister van Algemene Zaken

    • het Comité Nationale Viering Bevrijding

    • het Nationaal Comité 4 en 5 mei

    • de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    • de Gouverneur-generaal

    • de Directeur van Justitie

    • de Directeur van Financiën

    • de Plaatselijke commissies

    • het Hoofd van het gewestelijk bestuur

    • de Minister van Buitenlandse Zaken

    • de Minister van Defensie

    • de Minister van Financiën

    • de Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland (Commissie Scholten)

    • de Commissie onderzoek Liro-archieven/Commissie Kordes

    • de Commissie voor Overleg inzake effecten-rechtsherstel

    • de Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog – de commissie Van Kemenade

    • het Waarborgfonds rechtsherstel

    • de Minister van Justitie

    • de Minister van Economische Zaken

    • de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

    • de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

    • de Minister van Verkeer en Waterstaat

    • Beroepsinstantie ex. art. 33 lid 3 WBPZ

    • de Raad voor het Rechtsherstel

    • de Stichting Het Gebaar

    • de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

    • de Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)

    • de Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF)

    • de Stichting Maror-gelden Overheid

    • de Stichting Pelita

    • de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma

    • de Stichting 1940–1945

    Voor achtergrondinformatie over deze actoren: zie het actorenoverzicht verderop in dit BSD.

    Selectiedoelstelling

    Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Het doel van de selectie is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zo ver deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

    Selectiecriteria

    Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

    De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

    Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:

    Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

    Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de algemene selectiecriteria, zoals deze op de volgende pagina staan vermeld.

    Algemeen selectiecriterium

    Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

    Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

    Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

    Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

    Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

    Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

    Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

    Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

    Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

    Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.

    Verslag van de vaststellingsprocedure

    Op 12 mei 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Ministers van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Buitenlandse Zaken, van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Justitie, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Verkeer en Waterstaat, en de Stichting Cogis, de Stichting 1940–1945, de Stichting Pelita, de Stichting Het Gebaar, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Administratie Indische Pensioenen en de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid overige zorgdragers aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OCW en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

    Op 18 januari 2007 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03456/6), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

    De waardering van handeling 8 is gewijzigd van ‘B 1’ in ‘V, 10 jaar’.

    Daarop werd het BSD op 5 maart 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (kenmerk C/S&A/07/541), van Algemene Zaken (C/S&A/07/530), van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/531), van Buitenlandse Zaken (C/S&A/07/532), van Defensie (C/S&A/07/533), van Economische Zaken (C/S&A/07/534), van Financiën (C/S&A/07/535), van Justitie (C/S&A/07/536), van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/537), van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/07/538), van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/07/539), van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/540), en de Stichting Cogis (C/S&A/07/542), de Stichting Het Gebaar (C/S&A/07/543), de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (C/S&A/07/544), de Stichting Joods Humanitair Fonds (C/S&A/07/545), de Stichting Administratie Indische Pensioenen (C/S&A/07/546) en de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (C/S&A/07/547) vastgesteld.

    Leeswijzer van de handelingen

    De handelingen worden beschreven in handelingenblokken. Daarin worden de volgende items beschreven:

    Handelingnr.

    Dit is het unieke volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.

    Handeling

    Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

    Periode

    Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

    Grondslag

    Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

    Vermeld worden:

    • de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van bestuur, het Koninklijk Besluit of de Ministeriële regeling;

    • het betreffende artikel en lid daarvan;

    • de vindplaats, dwz. de vermelding van staatsblad of staatscourant

    • wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

    Een paar voorbeelden:

    WBP 1940–1945, art. 36, lid 5, art. 45 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711);

    Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 4 (Stb. 1948, 128)

    Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

    Product

    Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.

    Opmerking

    Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

    Waardering

    Waardering van de handeling als B (bewaren) of V (vernietigen).

    Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

    Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

    Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

    Actorenoverzicht

    De actoren staan in chronologische volgorde. Actoren die zijn gemarkeerd met een *, worden niet beschouwd als actoren in de zin van PIVOT. De handelingen van deze actoren worden niet weergegeven. De handelingen van actoren die zijn gemarkeerd met ° worden niet weergegeven omdat ze al zijn opgenomen in een andere selectielijst.

    Privaatrechtelijke ZBO’s vallen onder de Archiefwet 1995 voor zover het om taken gaat die samenhangen met de uitoefening van openbaar gezag. De Archiefwet is voor privaatrechtelijke ZBO’s niet van toepassing op archiefbescheiden die samenhangen met de uitoefening van commerciële activiteiten of bedrijfsvoering.

    De Minister onder wie Welzijn ressorteert (1945–)

    Het betreft de volgende Ministers:

    • Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) (1994–heden);

    • Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) (1982–1994);

    • Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) (1965–1982);

    • Minister van Maatschappelijk Werk (MaWe) (1952–1965)

    • Minister van Binnenlandse Zaken (1945–1952)

    Bereidt wet- en regelgeving voor op het beleidsterrein van oorlogsgetroffenen, stelt deze vast, wijzigt deze en laat deze uitvoeren.

    Commissies, werkgroepen e.d. die onder het zorgdragerschap vallen van de Minister onder wie Welzijn ressorteert

    (in chronologische volgorde)

    Centrale commissie/ de commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Commissie AOR) (1942–)

    De centrale commissie is na 1942 door de Gouverneur-Generaal aangewezen. Er zijn geen exacte instellingsgegevens bekend. Het werkgebied van deze commissie was alleen Nederlands Indië.

    De belangrijkste taak van deze commissie was het geven van aanwijzingen aan de plaatselijke commissies.

    Na de onafhankelijkwording was er vanuit Nederland geen zicht meer op deze commissie. In 1954 is er een overeenkomst tot stand gekomen tussen Nederland en Indonesië inzake de uitvoering van de AOR door Nederland. In het kader van die overeenkomst is door het Nederlandse Ministerie waaronder welzijn ressorteerde en het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Indonesië de Commissie AOR ingesteld (Stcrt. 1954, 111). Deze commissie heeft gedeeltelijk dezelfde taken als de Centrale commissie, waaraan een aantal nieuwe taken is toegevoegd.

    De commissie houdt zich bezig met het toekennen van uitkeringen, het toezicht op uitvoering van de regeling en het geven van richtlijnen omtrent de uitvoering van de regeling en.

    Commissie van advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 / Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen (1952–1978)

    Ingesteld bij Ministeriële beschikking, 24 januari 1952, nr. 44348.

    De commissie dient de Minister onder wie Welzijn ressorteert van advies inzake het verstrekken van uitkeringen op grond van de WBP 1940–1945, aan invaliden en aan de nagelaten betrekkingen van personen die, t.g.v. door de vijand in verband met het verzet tegen hen genomen maatregelen, invalide zijn geworden dan wel het leven hebben verloren, maar waarin de WBP niet kan voorzien.

    Coördinatiecommissie voor gerepatrieerden (1953–(opheffingsdatum onbekend))

    Ingesteld bij beschikking in 1953.

    In deze interdepartementale commissie worden vraagstukken besproken die verband houden met de sociale en financiële zorg voor de uit Indonesië gerepatrieerden.

    Commissie van Advies inzake Bijstand aan Vervolgden (1969–1973)

    Ingesteld bij besluit (Stcrt. 1969, 98) op grond van Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1968, 596).

    Zij adviseert de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent de toepassing van de voorzieningen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 en omtrent beslissingen op individuele aanvragen. Verder adviseert zij burgemeester en wethouders en van de Algemene Bijstandswet aangewezen beroepsorganen met betrekking tot de toepassing en de beslissing op individuele aanvragen inzake de vraag of een persoon vervolgd is, of invaliditeit of overlijden hieraan is te wijten, welke voorzieningen getroffen dienen te worden en welke voorwaarden aan de uitkeringen dienen te worden verbonden.

    De commissie werd overbodig als gevolg van de instelling van de Uitkeringsraad (zie hieronder)

    Commissie van Advies (1971–1972)

    Ingesteld bij Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1971, 111))

    Zij adviseert de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake het – in individuele gevallen – gelijkstellen van een persoon met een vervolgde. Verder adviseert zij burgemeester en wethouders bij de beslissing op een aanvraag om een uitkering op basis van de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, en de daaraan te verbinden voorwaarden. Tenslotte adviseert zij burgemeester en wethouders en de in de Algemene Bijstandswet aangewezen beroepsorganen bij de behandeling van bezwaar- en beroepschriften op basis van Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers (WAC) (1975–1978)

    Voluit: Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen.

    Ingesteld bij Stcrt. 1975, 93.

    Het college heeft tot taak:

    • a. het verkennen en verdiepen van inzichten in hun problemen door onder meer

      • contacten met hulpverleners/deskundigen en cliëntengroepen;

      • oriëntaties omtrent behandelings- en begeleidingsmethoden in de meest brede zin, mede in de literatuur en via uitwisselingsprogramma’s met het buitenland;

      • organiseren van studies, experimenten en evaluaties, ook ten aanzien van omgevingsfactoren en externe relaties;

      • peilen van de behoefte aan voorzieningen, eventueel door middel van onderzoek (onder meer dossier-analyse).

    • b. Het daarop aansluitend bevorderen van het goed functioneren van voorzieningen door suggesties te doen omtrent onder meer:

      • de bijscholing van het personeel;

      • een doelmatig vastleggen en doorgeven aan (andere) hulpverleners van gegevens die betrekking hebben op de therapie en hulp.

    • c. Het bevorderen dat de voorzieningen voor hen, op vrijwillige basis, komen tot een betere aansluiting op elkaar.

    In 1978 heeft het college een eindrapport opgesteld. Daarna is het college ontbonden.

    Commissie Van Namen (1974–1975)

    Ingesteld in 1974.

    Deze commissie bestaat uit één persoon, namelijk Mr. A.H. van Namen. Hem werd verzocht een studie te maken van de wetten en de regelingen die in het leven zijn geroepen voor deelnemers aan het verzet, voor vervolgden en voor slachtoffers van meer algemene oorzaken tijden de Tweede Wereldoorlog.

    Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen (1975–1976)

    Ingesteld bij Stcrt.1975, 205.

    Deze werkgroep doet beleidsvoorstellen aan de regering naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport van mr. A.H. van Namen inzake harmonisatie/coördinatie van regelingen aangaande hulpverlening oorlogsslachtoffers.

    Commissie Indisch Verzet (1980–2001)

    Ingesteld bij Stb. 1980, 213.

    Adviseerde de Minister onder wie maatschappelijk werk ressorteert, en later de Buitengewone Pensioenraad (BPR, later Raadskamer Wbp van de PUR) met betrekking tot het toelaten van aanvragers tot de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet. Verder gaf ze de verklaring verzet en waardigheid af. Ook adviseerde ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent onderwerpen van wetswijzigingen, AMvB’s en Ministeriële beschikkingen terzake van de WIV.

    Commissie Indisch Verzet is opgeheven in 2001 en opgevolgd door Stichting Pelita.

    Adviescommissie Bijzondere Voorzieningen dienst- en reserveplichtig personeel KNIL (rond 1981)

    (Instelling is niet bekendgemaakt in de Staatscourant)

    Deze adviescommissie heeft tot taak de Minister te adviseren over uitkeringen op de voet van de WUV 1940–1945 aan het daarvoor, krachtens de instellingsbeschikking in aanmerking komend dienst- en reserveplichtig personeel van het voormalig KNIL.

    Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen (PBOG) (1984–1990)

    Ingesteld bij Stcrt. 1985, 11 en Stcrt. 1985, 227 en opgeheven bij Stcrt. 1990, 89.

    Adviseert de Minister waaronder Welzijn ressorteert omtrent het ontwikkelen van een stelsel van voorzieningen voor in Nederland woonachtige personen die ten gevolge van marteling, gijzeling of oorlogshandeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn. Verder stelt ze werkgroepen in voor de uitvoering van onderdelen van het werkprogramma. Tenslotte doet ze voorstellen voor wetenschappelijk onderzoek.

    Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (Commissie van Dijke) (1985–1987)

    Ingesteld bij Stcrt. 1985, 44.

    Deze commissie, onder leiding van de heer P. van Dijke, moest een uitspraak doen over de eindigheid van wet- en regelgeving, en aandacht geven aan de praktijk van de uitvoering.

    Een belangrijke aanbeveling van de Commissie, namelijk de integratie van de verschillende met de toepassing van de wetten belaste Raden, werd overgenomen. Dit leidde in 1990 tot de instelling van ‘de Pensioen- en Uitkeringsraad’ waarin de uitvoeringsorganen opgingen.

    Beleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1986–)

    Ingesteld bij Stcrt. 1986, 128.

    Begeleidt:

    • de implementatie van de bevindingen en aanbevelingen van het interim-rapport van de Begeleidingscommissie Uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers;

    • de maatregelen die moeten kunnen leiden tot een goedkeurende accountantsverklaring over de financiële verantwoording van Wuv betreffende het boekjaar 1986.

    Adviescommissie Huyser (1989)

    Dit is een éénpersoonscommissie in de persoon van de door de Minister onder Welzijn ressorteert aangestelde speciale gemachtigde, generaal b.d. Huyser. De gemachtigde kreeg als opdracht om een publiekrechtelijke organisatie op te richten voor de uitvoering van de wetten met betrekking tot de pensioenen van oorlogsgetroffenen.

    Het voorstel van de heer Huyser heeft geleid tot de oprichting van de Pensioen- en uitkeringsraad voor verzetsdeelnemers (PUR).

    Adviesgroep protocollering medische causaliteitsbeoordeling (1990)

    Ingesteld in 1990.

    Bij een aanvraag in het kader van de wetten voor oorlogsgetroffenen moet het causaal verband tussen de ziekten/gebreken/invaliditeit nu en de oorlogservaringen vroeger worden vastgesteld. Dat geeft regelmatig aanleiding tot klachten van belangenorganisaties, uitvoerders en individuele aanvragers. De adviesgroep had daarom als taak richtlijnen voor het medisch onderzoek op te stellen.

    Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling (1990–1995)

    Ingesteld bij Stcrt. 1990, 244.

    Zet een hulpverleningsnetwerk op voor in Nederland woonachtige personen, die ten gevolge van oorlogshandeling, marteling of gijzeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn geraakt. Verder doet ze voorstellen aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert, dan wel aan de Minister van Defensie over wetenschappelijk onderzoek.

    Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie (1992–)

    Ingesteld bij Stcrt. 1992, 160 en opgeheven na publicatie van het onderzoek in 1994.

    Begeleidt en bewaakt de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van het Instituut voor Psychotrauma. Verder adviseert ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert over te nemen beslissingen ten aanzien eventuele verzoeken van het Instituut voor Psychotrauma die tot overschrijdingen van de gestelde termijnen of de begroting en eventuele inhoudelijke afwijkingen van het onderzoeksvoorstel zouden kunnen leiden.

    Begeleidingscommissie onderzoek naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen (1993–)

    Ingesteld bij Stcrt. 1993, 14.

    Begeleidt en bewaakt de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Utrecht.

    Adviescollege besteding vierde tranche – adviescollege Dolman (1998–1999)

    In 1998 geïnstalleerd (Stcrt. 1998, 164).

    Uit het vierde deel van de goudpool heeft Nederland 22,5 miljoen gulden ontvangen. Dit geld is in overeenstemming met het advies van de commissie Van Kemenade door de regering bestemd voor het nieuw opgerichte Nationaal fonds van de goudpool. Het geld uit dit fonds komt ten goede aan projecten op een drietal terreinen: de zorg en/of dienstverlening aan de huidige nog levende en in Nederland woonachtige groep slachtoffers van de nazi-vervolging die gericht was op vernietiging en hun nabestaanden, het opnieuw leven inblazen van kennis- en cultuurtraditie, die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was én het instandhouden van de herinnering aan de omgekomenen in de Tweede Wereldoorlog.

    Over de toewijzing van het geld aan de projecten is geadviseerd door een onafhankelijk adviescollege onder leiding van de heer dr. D. Dolman. Op 6 juli 1999 is het advies van het college naar de Tweede Kamer gezonden. Het kabinet heeft het advies overgenomen.

    De commissie-Van Galen (Indische tegoeden) (1998–2000)

    Ingesteld bij Stcrt. 1998, 22.

    De commissie heeft onderzoek verricht naar de particuliere Nederlandse bank- en verzekeringstegoeden in het voormalig Nederlands-Indië. Het onderzoek strekte zich ook uit tot het rechtsherstel rond die financiële tegoeden en eventueel naar andere in beslag genomen particuliere bezittingen. De commissie heeft op 17 januari 2000 haar eindrapport gepubliceerd.

    Adviescommissie uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen (1998–)

    Ingesteld bij Stcrt. 1998, 248.

    Deze commissie heeft tot taak de Minister te adviseren over de mogelijkheden van vereenvoudiging van procedures in het kader van de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen zonder dat daardoor de bestaande wetssystematiek zal worden aangetast. In het advies wordt aangegeven welke maatregelen voor deze vereenvoudiging noodzakelijk worden geacht.

    Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden (1998–2005)

    Ingesteld bij Stcrt. 1998, 184.

    In het beleid jeugdvoorlichting van het Ministerie van VWS wordt het tijdperk van de Tweede Wereldoorlog, met daarin de Shoah, het oorlogsgeweld en de teloorgang van vrijheidsrechten, gehanteerd als educatieve achtergrond voor de vorming van jongeren. Zij moeten door deze historisch geschakelde voorlichting waakzaam worden voor de permanent aanwezige dreiging

    van omstandigheden, die voor een herleving van dergelijk onheil als voedingsbodem kunnen gaan dienen.

    Het stimuleringsbeleid heeft geleid tot een gevarieerd aanbod van educatieve en voorlichtende activiteiten. De adviescommissie toetst ingediende educatieve projectvoorstellen aan de criteria die daarvoor zijn opgesteld. Verder adviseert ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert over kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de ingediende educatieve projectvoorstellen.

    De commissie is in maart 2006 opgeheven (Stcrt. 2006, 30)

    Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden (2000)

    Ingesteld bij Stcrt. 2000, 140.

    De commissie heeft tot taak een inventariserend onderzoek op korte termijn te verrichten naar de mogelijkheid tot verder onderzoek naar de gang van zaken rond het naoorlogse rechtsherstel inzake de claims met betrekking tot goederen die hun oorsprong vinden in de periode van de oorlog met Japan en de bezetting door Japan.

    Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (2001–)

    De Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, kortweg Restitutiecommissie, is eind 2001 in het leven geroepen door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Sindsdien brengt de commissie onafhankelijk advies uit aan de staatssecretaris van cultuur over individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen.

    Het gaat daarbij om claims op kunstwerken waarvan de eigenaar onvrijwillig het bezit is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime.

    Vaak zijn het schilderijen van bekende en minder bekende kunstenaars waarvan de eigenaar tijdens de Tweede Wereldoorlog noodgedwongen afstand moest doen. Het merendeel van de kunstwerken waarvoor een restitutieverzoek wordt ingediend, bevindt zich hedentendage in de collectie van de Nederlandse rijksoverheid.

    Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog (2001–2002)

    De commissie is gevraagd aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert voorstellen doen over de uitvoering van het beleid, dat uit drie onderdelen bestaat:

    • nader onderzoek naar de positie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog;

    • de reconstructie van de Schorerbibliotheek;

    • het treffen van een voorziening om de onderzoeksresultaten, de bibliotheek en ander cultureel erfgoed toegankelijk te maken.

    Overige Ministers en bijbehorende commissies

    Minister onder wie kunst en cultuur ressorteren

    Deze Minister de commissie Ekkart en de Restitutiecommissie ingesteld.

    Commissies die onder het zorgdragerschap vallen van de Minister onder wie kunst ressorteert:

    Centrale Commissie voor Oorlogs- of Vredesgedenktekens (1945–1960)

    Ingesteld bij Koninklijk Besluit door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en de Minister van Justitie (Stb. 1945, F231).

    De Commissie heeft tot taak de Minister onder wie kunst ressorteert te adviseren over oprichten, plaatsen of aanbrengen van oorlogs- of vredesgedenktekens op openbare of van de openbare weg af zichtbare plaatsen.

    Het archief van deze commissie is al in het verleden geselecteerd.

    Nationale Monumenten Commissie voor Oorlogsgedenktekens opgericht (1947–)

    Deze commissie moest de regering adviseren over gedenktekens die niet van lokale, maar van nationale betekenis waren. De commissie stelde de regering voor een paar bijzondere monumenten op te richten: onder meer een monument voor de Koopvaardij, een legermonument bij de Grebbeberg en een monument voor de erebegraafplaats in Bloemendaal. Ook moest er volgens de commissie een centraal, nationaal monument in de hoofdstad komen. Zij achtte de Dam de meest geschikte locatie.

    Commissie-Ekkart (kunst) (1997–)

    In het najaar van 1997 stelde staatssecretaris Nuis van OCW een onderzoekscommissie in onder leiding van dr. R.E.O. Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. De commissie-Ekkart kreeg als opdracht een proefonderzoek uit te voeren naar de herkomst van de zg. NK-collectie. Deze afkorting staat voor ‘Nederlands(ch) Kunstbezit’ en slaat op het restant van gerecupereerde kunstwerken dat nog berust bij de staat. In deze rijkscollectie zijn deze schilderijen, beelden en kunstnijverheidsobjecten geïnventariseerd en te herkennen aan hun inventarisnummer dat steeds begint met de letters ‘NK’.

    Het onderzoek richtte zich op de vraag, of de oorspronkelijke eigenaren van deze kunstwerken, voor zover niet bekend, alsnog met hedendaagse methoden en technieken zijn te achterhalen via kunsthistorisch onderzoek en bronnenonderzoek in de oude recuperatiearchieven bij het ARA en het Ministerie van Financiën en onderzoek bij NIOD, gemeentearchief en andere relevante instanties.

    In april 1998 deed de commissie verslag van het onderzoek: Herkomst gezocht: Rapport van het proefonderzoek naar de herkomst van de onder beheer van het Rijk gebleven uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken.

    Bureau Herkomst Gezocht (1998–)

    Het rapport Herkomst gezocht van de commissie Ekkart leidde tot de vervolgopdracht om dit proefonderzoek uit te breiden tot de totale NK-collectie, die ca. 4000 nummers omvat. Voor dit onderzoek is in opdracht van diezelfde commissie in 1998 een projectbureau ingesteld, genaamd Herkomst Gezocht. (Geen bekendmaking in de Staatscourant.) Het bureau ressorteert onder Inspectie Cultuurbezit van het Ministerie van OCW, dat tevens secretaris is van de commissie-Ekkart. De leden van deze begeleidingscommissie worden benoemd bij KB.

    Minister onder wie Volksgezondheid onder ressorteert.

    Hij is medeoprichter van Stichting ICODO.

    Minister van Algemene Zaken

    Deze Minister heeft in 1981 het Comité Nationale Viering Bevrijding ingesteld.

    Actoren die onder het zorgdragerschap van de Minister van Algemene Zaken vallen:

    Comité Nationale Viering Bevrijding (1981–1987)

    Ingesteld bij (Stcrt. 1981, 55.

    Nationaal Comité 4 en 5 mei (1987–)

    Ingesteld in 1987.

    Beide comités initiëren, coördineren en harmoniseren manifestaties op landelijk niveau ter herdenking van de bevrijding, stemmen deze landelijke manifestaties af op plaatselijke en delen geld toe ten behoeve van de landelijke manifestaties uit de middelen die de regering hiervoor beschikbaar stelt.

    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    Met deze benaming wordt ook de Minister voor Antilliaanse en Arubaanse Zaken bedoeld.

    Op grond van Besluit en Wet Rietkerk-uitkering is hij betrokken bij het toekennen van uitkeringen en herdenkingspenningen. Verder was deze Minister in de hoedanigheid van Minister van Overzeese Gebiedsdelen betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Overheid in Nederlands-Indië

    De handelingen van onderstaande actoren zijn in het BSD weergegeven onder de actor die de laatste taakopvolger van de betreffende organen op deze beleidsterreinen is: de Minister onder wie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ressorteren.

    Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië (1948–1954)

    Hij bereidt de vaststelling, wijziging en intrekking van regeringsverordeningen voor op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië (Stb. Ned. Indië, 1948, 308). Hij neemt beslissingen met betrekking tot uitkeringen en andere tegemoetkomingen. Ook stelt hij plaatselijke commissies in die zich met uitkeringen moeten bezighouden en centrale commissies die de plaatselijke commissies weer aanwijzingen kunnen geven.

    Directeur van Justitie van het gouvernement in Nederlands-Indië

    Hij stelt nadere voorschriften vast betreffende de te verstrekken gegevens bij een aanvraag voor tegemoetkomingen ingevolge de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië. Ook stelt hij het model op van het bewijs dat ten bewijze van toekenning van een uitkering ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië wordt uitgereikt.

    Directeur van Financiën van het gouvernement in Nederlands-Indië

    Stelt voorschriften vast voor de betaalbaarstelling en de uitbetaling van uitkeringen ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië.

    Plaatselijke commissies

    Deze commissies zijn door de gouverneur-generaal ingesteld.

    Ze nemen beslissingen ten aanzien van uitkeringen en kunnen dwangvoorschriften uitvaardigen om uitkeringen terug te vorderen op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië.

    Hoofd van het gewestelijk bestuur

    Hij kan de centrale commissie machtigen om af te wijken van bepaalde ordonnanties op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië.

    De Resident

    Vervult de functie van de centrale commissie totdat deze is ingesteld.

    Minister van Buitenlandse Zaken

    In het kader van naoorlogs rechtsherstel ondersteunt de Minister particulieren, bedrijven en organisaties die in het buitenland claims hebben gelegd.

    Minister van Defensie

    Hij verleent samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert een vergoeding voor de door de pensioengerechtigde verschuldigde motorrijtuigenbelasting. Tot 1995 was ook de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierbij betrokken. Tevens is hij medeoprichter van Stichting ICODO.

    Minister van Financiën

    Hij is belast met de controle van en informatievoorziening met betrekking tot verrekenbare inkomsten, genoten door gepensioneerden. Tevens heeft hij onderstaande commissies ingesteld.

    Ten slotte was hij betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Actoren die onder het zorgdragerschap van de Minister van Financiën vallen:

    De Belegging- en garantiemaatschappij voor duplicaten van buitenlandse effecten NV/BV (BELGA) (1956–1977)

    Opgericht in 1956. De maatschappij werd bestuurd door een Raad van Bestuur. De secretaris van de Raad van Bestur vertegenwoordigde in de Algemene Vergadering van Aandelhouders de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten.

    De Belga kreeg een taak toebedeeld in het kader van het bij besluit Herstel Rechtsverkeer aan de Minister van Financiën opgedragen zorg voor het rechtsherstel met betrekking tot buitenlandse effecten dat er op gericht was de eigenaren van de door de bezeteter geroofde en onder dwang aan hem verkochte effecten, in hun rechten te herstellen.

    De Belga rekende af met de gedepossedeerden van niet aangemelde en in Nederland geopponeerde buitenlandse effecten welke niet via schikkingen en procedures waren terugverkregen en waarvoor door de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten duplicaten bij de uitgevende instellingen waren aangevraagd.

    De Commissie voor Overleg inzake effecten-rechtsherstel (1952–1953)

    (Geen instellings- en opheffingsbeschikking of andere informatie vindbaar.)

    De Commissie Duplicaat Effecten (CDE) (1954–1976)

    Ingesteld bij beschikking van de Minister van Financiën van 17 september 1954, Generale Thesaurie, directie Bewindvoering, nr. 147.

    De Commissie duplicaat-Effecten (CDE) onderzocht de gevallen van personen die pas aanspraak wilden maken op effecten die inmiddels tot het manco behoorden en dus ongeldig waren verklaard. Het betrof hier telaatkomers. Niettegenstaande de vele waarborgen waarmee het uiterst ingewikkelde rechtsherstelrecht was omgeven kon het voorkomen dat een rechthebbende ‘achter het net viste’. Daarom is gedurende ruim dertig jaren een buitenwettelijke ex gratia-procedure toegepast die het mogelijk maakte de duplicaten, c.q. de opbrengst van duplicaten die aan de Staat waren toegevallen, af te staan aan personen die door excusabele oorzaken de wettelijke voorschriften niet hadden nageleefd en van wie de vooroorlogse eigendom niet aan twijfel onderhevig was.

    De CDE adviseerde de Minister van Financiën met betrekking tot het verzoek om afstand van een duplicaat. Erkenning als eigenaar en herstel in het eigendomsrecht waren gepasseerde stations. Bij gunstige beslissing stond de Staat soms het duplicaat-effect aan de verzoeker af, maar meestal de opbrengst ervan.

    Als de rechtsgrond voor deze afstand van duplicaten werd aanvaard een natuurlijke verbintenis van de Staat om – voorzover hij door toepassing van louter formeel recht zou worden verrijkt ten koste van bona fide bezitters van niet tijdig aangemelde of geopponeerde effecten – een tegemoetkoming in de vorm van afstand van duplicaten te verlenen, tegen betaling van een bepaald (beperkt) bedrag aan kosten voor de terzake verrichte administratieve werkzaamheden. Voor buitenlandse houders (voornamelijk uit Frankrijk) werd bij de toepassing van deze procedure zelfs vrees voor buitenlandse fiscale consequenties, of onbekendheid met de bepalingen van het Besluit herstel rechtsverkeer, als verschoonbaar verzuim beschouwd.

    De talloze verzoeken werden beoordeeld aan de hand van Ministeriële richtlijnen, neergelegd in een tweetal brieven van 12 mei 1952, nr. 154, van de Minister van Financiën aan de Algemene Rekenkamer en aan de afdeling Effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel.

    De Commissie is opgeheven bij beschikking van 9 februari 1976, directie Juridische Zaken, nr. 37–600630.

    De Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten (CRBE) (1949–1987)

    Ingesteld bij beschikking van 8 november 1949, afdeling Juridische zaken en Bewindvoering, nr. 304.

    Titel IV van hoofdstuk IV van Besluit herstel rechtsverkeer (Stb. E 100, zoals gewijzigd bij Stb. F 272) beschrijft de gevolgen van het niet aanmelden en van het niet inleveren van een als aangemeld doch niet ingeleverd geregistreerd effect. De afdeling deed daarvan opgave aan de Minister van Financiën die zorgdroeg voor bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant (art. 64). Door die publicatie verloor het effect zijn geldigheid en ontstond de verplichting van de uitgevende instelling binnen drie maanden een duplicaat ervan af te geven.

    Het voorschrift inzake de publicatie en het daaraan verbonden rechtsgevolg konden niet van toepassing zijn op buitenlandse effecten, waarover immers de CDE geen jurisdictie kon toekomen. Ten aanzien daarvan bevatte artikel 64 van Besluit herstel rechtsverkeer een voorschrift dat aan de Minister van Financiën de verplichting oplegde stappen te doen teneinde de afgifte van een duplicaat ter uitlevering aan de rechthebbende te verkrijgen. Voor die taak is deze commissie in het leven geroepen.

    De Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten is opgeheven bij beschikking van 25 maart 1987, nr. 187–1434.

    De Commissie Onderzoek Liro-archieven – de commissie Kordes (1997–1998)

    De Commissie van Onderzoek Liro-archieven is in 1997 ingesteld (niet gepubliceerd in de Staatscourant).

    De commissie kreeg opdracht onderzoek te doen naar:

    • de toedracht van de verkoop van kleinoden, afkomstig van Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat, Amsterdam (Liro) aan medewerkers van het Agentschap van het Ministerie van Financiën/Waarborgfonds Rechtsherstel te Amsterdam in 1968;

    • de archieven die van belang zijn (geweest) bij de afwikkeling van joodse claims (Liro-kaartsysteem, andere Liro-archieven en overige archieven).

    Op 29 januari 1998 bracht de commissie Kordes haar eerste rapport uit over de verkoop van kleinoden, afkomstig uit de kluis van Lippman-Rosenthal omstreeks 1968.

    De commissie heeft op 9 december 1998 haar tweede rapport uitgebracht aan de Minister van Financiën: Archieven, tastbare goederen, claims.

    Tegelijkertijd met het rapport-Kordes is de onderzoeksgids Archieven joodse oorlogsgetroffenen verschenen. De commissie-Kordes is inmiddels opgeheven.

    De Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland – De commissie Scholten (1997–1999)

    Ingesteld in 1997 (niet gepubliceerd in de Staatscourant).

    De commissie kreeg als taakopdracht ‘een onderzoek te verrichten naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland.’

    De Begeleidingscommissie heeft haar eindrapport met de definitieve bevindingen op 15 december 1999 gepresenteerd.

    De Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog – de commissie Van Kemenade (1997–2000)

    Ingesteld in 1997 (niet gepubliceerd in de Staatscourant).

    De Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog, de commissie Van Kemenade, heeft zich beziggehouden met het monitoren van onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland, de feitelijke systematiek van het naoorlogse rechtsherstel door nederlandse financiële instellingen (uitgevoerd door de commissie-Scholten), de commissie geeft een oordeel over het verloop van het rechtsherstel na WO II en heeft het onderzoek gedaan naar de nederlandse goudclaim. Op 27 jan 2000 heeft de commissie haar rapport gepubliceerd.

    De Minister van Justitie, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waren in 1948 betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

    Hij is voornamelijk betrokken bij de vaststelling van hoogte van uitkeringen van premiebedragen.

    Minister van Verkeer en Waterstaat

    In 1947 werd de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H420) door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat opgesteld. Deze gold voor zeelieden ter koopvaardij, die in verband met de in 1942 afgekondigde vaarplicht invalide waren of zouden worden en hun nabestaanden.

    In 1960 werden de bevoegdheden van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat overgedragen aan de Minister onder wie Welzijn ressorteerde, destijds de Minister van Maatschappelijk Werk.

    Actor die onder het zorgdragerschap van de Minister van Verkeer en Waterstaat valt:

    Beroepsinstantie ex. art. 33 lid 3 WBPZ (1951–1956)

    Deze beroepsinstantie is in 1952 door de Minister van Verkeer en Waterstaat ingesteld bij Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb. 1950, K554).

    De hoofdtaak van deze instantie bestaat in het nemen van beslissingen op verzoeken om herziening van de beslissing inzake het buitengewoon pensioen.

    Deze beroepsinstantie bestaat uit een geneeskundige en een sociale commissie.

    De sociale commissie is bevoegd op een bezwaarschrift een beslissing te nemen nadat de geneeskundige comissie over de geneeskundige gronden van de bestreden beslissing uitspraak heeft gedaan. Deze uitspraak is voor de sociale commissie bindend voorzover het geneeskundige gronden betreft.

    Commissies door de regering ingesteld

    Commissie (geen naam bekend) (1942–1945)

    Deze commissie werd door de Nederlandse regering in ballingschap ingesteld (Stcrt. 1942, 7 (uitgave Nederlandse regering te Londen)). Zij moest zich buigen over een toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit. Beide regelingen dienden een ‘bijzondere belooning’ te zijn voor de door de zeelieden gedurende de oorlog bewezen diensten. De commissie diende op 28 mei 1945 een voorlopig rapport in.

    Commissie Groeneveld (1946–1947)

    Deze commissie werd ingesteld na de bevrijding van Nederland en de opheffing van de vaarplicht (beschikking van 18 maart 1946) en stond onder leiding van H.W. Groeneveld, die tot taak had een wetsvoorstel te ontwerpen voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten. Deze commissie diende in 1947 een voorstel in voor een Vaarplichtbeloning.

    Overheidsinstellingen

    (in chronologische volgorde; rechtsopvolgers en anderszins gerelateerde organisaties staan echter direct onder elkaar)

    Nederlands Beheersinstituut (1944–1967)

    Voor het herstel van de rechten en teruggave van geroofde bezittingen is de oprichting van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) van belang. Het NBI benoemde de beheerders/vereffenaars die tot taak hadden het vermogen van Liro aan de rechthebbenden uit te keren. Deze nieuwe instantie kreeg de naam Liquidatie van Vermögensverwaltung Sarphatistraat (LVVS). De vermogensbestanddelen van ongeveer dertienduizend joden waren bij Liro terechtgekomen en in eerste instantie dachten de beheerders/vereffenaars dat er slechts een fractie van de oorspronkelijke geroofde bezittingen verdeeld kon worden. Maar, het actief inningsbeleid van de vorderingen van Liro-LVVS, waarbij ook de rechterlijke macht is ingeschakeld, heeft het mogelijk gemaakt dat in het merendeel van de gevallen 85-90 procent van het geroofde bezit is vergoed. Groot probleem bleek echter de identificatie van de afzonderlijke rekeningen. De ontrafeling van deze zogenoemde Sammelkonto nam dan ook vier jaar in beslag.

    Het NBI had overigens ook een belangrijke taak in het toezicht op bezittingen/vorderingen van ‘afwezigen’, vooral gedeporteerde en omgekomen oorlogsslachtoffers. Zo was het NBI bevoegd om bewindvoerders te benoemen over de afwezigen. Tot 1947 werden circa 20.000 bewindvoerders benoemd, waaronder de door het NBI opgerichte Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde Nalatenschappen (BAON).

    In dit BSD wordt het NBI niet als aparte zorgdrager beschouwd, maar als onderdeel van de Raad voor het Rechtsherstel. Het archief van de NBI is samen met het archief van de Raad aan het Nationaal Archief overgedragen.

    Raad voor het Rechtsherstel (1945–1967)

    Ingesteld door de Nederlandse regering in ballingschap. De raad bezit rechtspersoonlijkheid.

    De raad heeft tot taak het Besluit herstel rechtsverkeer uit te voeren.

    De Raad bestond uit een:

    • afdeling effectenregistratie

    • afdeling beheer (o.a. Nederlands Beheersinstituut)

    • afdeling voorzieningen voor afwezigen

    • afdeling voorzieningen voor rechtspersonen

    • afdeling roerende goederen.

    • afdeling rechtspraak

    De vijf eerstgenoemde afdelingen zijn bevoegd beslissingen te nemen waartegen belanghebbenden in beroep konden gaan bij de afdeling Rechtspraak.

    Iedereen in Nederland die kennis droeg van de feiten die tot rechtsherstel konden leiden, was verplicht daarvan aangifte te doen bij de overheid. Dus niet alleen de gedupeerden zelf, maar ook familie, kennissen, vrienden, banken, verzekeringsmaatschappijen etc..

    De afdeling Effectenregistratie ging zelfs tien jaar langer door dan de Raad, als zelfstandige eenheid. De voornaamste taak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bestond uit het wijzen van vonnis bij eigendomsclaims over bezittingen, die burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog waren kwijtgeraakt. Ook bemiddelde de Raad bij de totstandkoming van minnelijke schikkingen.

    De Raad heeft zich in totaal over ruim 200.000 dossiers gebogen, terwijl de afdeling Rechtspraak in ruim 13.000 gevallen een uitspraak heeft gedaan. Achteraf mag worden geconcludeerd dat de Raad voor het Rechtsherstel de basis heeft gelegd voor het rechtsherstel dat zijn uiteindelijke vorm kreeg in jurisprudentie.

    Het archief van de Raad voor het Rechtsherstel is reeds aan het Nationaal Archief overgedragen.

    De rechtsopvolger van de Raad is het Ministerie van Justitie.

    Waarborgfonds rechtsherstel (1948–1976)

    Ingesteld door de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel (Stb. I 21). Het fonds bezit rechtspersoonlijkheid.

    Tot het vermogen van het fonds behoren:

    • de gelden die betaald zijn op grond van de door de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel gestelde voorwaarden;

    • de opbrengst van de heffing op de verkoop van effecten;

    • geld dat wordt verkregen door uitoefening van de rechten van de vorige bezitter op grond van het Besluit herstel rechtsverkeer.

    • de belangen van de door het fonds belegde gelden;

    • toevallige baten.

    • Het fonds heeft in 1953 een regeling (plan ’53) voor de restitutie van tijdens WO II gestolen effecten getroffen, waardoor joden schade hebben geleden. Onder de reikwijdte van het plan vielen namelijk alleen die effecten die door de bezetter waren geroofd en vervolgens in het beursverkeer door of in opdracht van tegenwoordige bezitters waren verkregen. Het rechtsherstel ten aanzien van andere categorieën van geroofde effecten, die buiten de beurs om of in het buitenland waren verhandeld worden door het plan ’53 niet geraakt.

    De Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa heeft een regeling getroffen waarbij dit onvolledige rechtsherstel van het Waarborgfonds wordt gecompenseerd. De regeling heeft geen betrekking op geroofde effecten die na de oorlog niet zijn gerestitueerd.

    Buitengewone Pensioenraad (1947–1990)°

    In de oorspronkelijke wet van 1947 was de Buitengewone Pensioenraad tijdelijk geïncorporeerd als buitengewone afdeling van de Pensioenraad (voorloper van het Abp), ingesteld bij Pensioenwet 1922. De Buitengewone Pensioenraad bestond uit een voorzitter en twee buitengewone leden. De voorzitter was tevens voorzitter van de Pensioenraad. De Buitengewone Pensioenraad werd bijgestaan door de secretaris en door de geneeskundig adviseur van de Pensioenraad en diens plaatsvervanger.

    Bij de totstandkoming van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet bleven de uitvoerende werkzaamheden bij de Buitengewone Pensioenraad als onderdeel van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. De Buitengewone Pensioenraad is dan een zelfstandig bestuursorgaan. De administratie wordt door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verzorgd.

    Taken:

    De Buitengewone Pensioenraad is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.

    Voor de handelingen van de gewone Pensioenraad: zie RIO/BSD nr. 73, ‘Overheidspersoneel: arbeidsvoorwaarden’, gepubliceerd in Stcrt. 2001/200 en 201.

    Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (1951–)

    Ingesteld bij notariële akte.

    Het contact met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties loopt via Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid (DGMOS).

    De taak is opgedragen bij de Wet houdende vaststelling van een regeling ten aanzien van de Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioenaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen (Wet SAIP, Stb. 1955, 189) en de bijbehorende overeenkomst van 31 mei 1951. In 1956 is er een aanvullende overeenkomst gesloten tussen de stichting en de Minister onder wie Welzijn ressorteert, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën.

    Voor het deel van de handelingen die de uitkeringen betreffen aan personen in overzeese gebieden en voor bedrijfsvoeringshandelingen, zie RIO 34, Geld(t) voor Overzee, paragraaf 10.2.4.3, p. 92 e.v., en de bijbehorende selectielijst, vastgesteld bijStcrt. 1998/31.

    In 1976 heeft de SAIP een overeenkomst gesloten met het ABP volgens welke de werkzaamheden die verband houden met de aan de SAIP opgedragen taken door het ABP worden uitgevoerd. Het ABP heeft die werkzaamheden onderuitbesteed aan Loyalis N.V., een zusterorganisatie naast het ABP. Formeel blijft de SAIP echter de betalende instantie en is ook voor onder andere de fiscus de inhoudingsplichtige. De feitelijke geldstromen lopen ook via de SAIP (relatie met min. van Financiën en de banken). Volgens de overeenkomst met VWS betaalt de SAIP ook de AOR uitkeringen.

    De taak van de stichting is:

    • zorgdragen voor de uitvoering van de verplichting tot voldoening van de weduwenpensioenen en wezenonderstanden aan de nagelaten betrekkingen van gewezen overheidspersoneel van Indonesië;

    • namens de Minister nemen van beslissingen ter uitvoering van de regelingen en aangelegenheden welke verband houden met zogenaamde overzeese pensioenen en uitkeringen;

    • uitbetalen van uitkeringen tussen 1954 en 1975 en van 1983 tot heden op grond van de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Stb. Ned. Indië, 1948, 308);

    • bijstaan van de PUR en voorgangers bij de administratieve voorbereiding en uitwerking van haar beslissingen.

    Uitkeringsraad (1972–1990)°

    Ingesteld bij Stb. 1972, 669.

    Tot 1983 bereidt ze beslissingen voor en stelt ze vast op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1972, 669)

    Sinds medio 1983 berusten de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds. Het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt tevens zorg voor het opstellen van geneeskundige adviezen; daartoe wijst de directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een geneeskundig adviseur aan.

    De Uitkeringsraad is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.

    Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (1984–1990)°

    Ingesteld bij Stb. 1984, 94.

    De Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers is een zelfstandig bestuursorgaan.

    Haar taken:

    De Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.

    Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) (1990–)°

    Ontstaan als gevolg van de Wet van 27 juni 1990 (Stb. 1990, 324), uit de samenvoeging van

    • de Buitengewone Pensioenraad;

    • de Uitkeringsraad;

    • de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers.

    Deze PUR is belast met de toepassing en de uitvoering van de

    De PUR neemt de gehele toepassing en uitvoering van de wetten voor zijn rekening. De uitvoeringswerkzaamheden betreffende de drie wetten buitengewoon pensioen zijn ingevolge Wet PUR, art. 16 op contractbasis aan het ABP uitbesteed.

    In artikel 40 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad van 27 juni 1990 wordt bepaald dat archiefbescheiden van de voorgangers van de PUR (te weten de Uitkeringsraad, de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, de Buitengewone pensioenraad en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) – voor zover nog niet overgebracht naar een archiefbewaarplaats – overgaan naar de PUR. Dat betekent dat de PUR zorgdrager wordt voor deze archieven. Daarom zijn de handelingen van de PUR en voorgangers niet in dit BSD opgenomen.

    Van de PUR bestaat inmiddels een apart BSD (nog niet vastgesteld).

    Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO) (1980–2005)

    In 1978 is de Stichting Informatiecentrum voor door de oorlog getroffenen (Stcrt. 1978, 157 en 245), en vervolgens de Stichting Voorlopig ICODO in het leven geroepen. De oprichting van het ICODO is een uitvloeisel van aanbevelingen die het Werk en Advies-College immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegen ras, geloof of wereldbeschouwing (WAC) gedaan heeft. Het WAC adviseerde de regering aan het ICODO een wettelijke status te geven. Dat is gebeurd bij beschikking d.d. 24 september 1984.

    De Stichting wordt bestuurd door een bestuur, waarvan de leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister onder wie Welzijn ressorteert, de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de Minister van Defensie ressorteren. Vertegenwoordigers van deze Ministers zijn aangewezen als adviseurs van het bestuur van Stichting ICODO.

    De Stichting ICODO is een vraagbaak en aanspreekpunt, zowel voor oorlogsgetroffenen als voor professionele en vrijwillige hulpverleners. Het ICODO geeft oorlogsgetroffenen informatie en advies op het gebied van wetten en regelingen en bemiddelt bij het zoeken naar passende hulpverlening bij medische en psychosociale problemen. Voor de hulpverleners worden onder meer cursussen en studiedagen over oorlogs- en geweldsproblematiek georganiseerd, maar ook voor consultatie en verwijzing kunnen zij bij het ICODO terecht.

    De Stichting heeft tevens tot taak besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de Welzijnswet 1994, het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de Subsidieregeling welzijnsbeleid, voor zover de besluiten betrekking hebben op de verstrekking van instellings- en projectsubsidies voor vrijwilligerswerk ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen.

    De Stichting werd voor 100 % door VWS gesubsidieerd. VWS draagt de zorg voor het archief van het ICODO. De subsidietaak van de stichting is in 1998 met een mandaatverklaring gehandhaafd; haar ZBO-status is echter vervallen.

    Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht .

    Stichting Cogis (2005–)

    Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. De stichting is wettelijk gemandateerd om besluiten te nemen tot verstrekking van subsidies aan vrijwilligersorganisaties ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen. Daarnaast worden in dit centrum de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht.

    Particuliere actoren

    Stichting 1940–1945 (1945–)

    De Stichting 1940–1945 is de voortzetting van de op 13 oktober 1944 in het leven geroepen Stichting 1940–1945 en Stichting BurgerOorlogsslachtoffers.

    In 1944 kwam het Stichtingsbestuur iedere 14 dagen in het geheim bijeen totdat verraad in januari 1945 een abrupt einde maakte aan het werk. Drie bestuursleden werden gearresteerd. Zij ondergingen eenzame opsluiting tot de bevrijdingsdag.

    Op 27 juni 1945 werd de Stichting 1940–1945, inmiddels legaal, weer opgericht. Al gauw was er een wijdvertakte organisatie, een federatieve samenwerking van een vijftigtal lokale en regionale organisaties.

    Het werk van de Stichting kreeg in 1947 een wettelijke basis door de totstandkoming van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (WBP 1940–1945). Deze wet kent een pensioenrecht toe aan als gevolg van het verzet invalide geworden personen en aan hun nagelaten betrekkingen. De Stichting 1940–1945 werd mede belast met de uitvoering van deze wet.

    Daarnaast gaf de Stichting immateriële hulp: weduwen en hun gezinnen werden bijgestaan door sociaal werkers, er werden voor hen vakantieweken georganiseerd en de kinderen konden ‘op kamp’ met de stichting ‘Het Vierde Prinsenkind’. Ook werden de kinderen in hun studie gesteund.

    In de jaren ‘50 en ‘60 werd de doelgroep van de Stichting 1940–1945 uitgebreid met Engelandvaarders, gijzelaars en represailleslachtoffers, zoals in Putten.

    Door de totstandkoming in 1972 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV) kreeg de Stichting 1940–1945 een nieuwe doelgroep: zij die tijdens de bezetting vervolging hadden ondergaan vanwege hun ras, geloof, wereldbeschouwing of sexuele geaardheid.

    In 1984 kwam de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) tot stand. Daardoor kwamen ook slachtoffers van bijvoorbeeld bombardementen, evacuatie en verplichte tewerkstelling in contact met de Stichting 1940–1945.

    Samengevat zijn haar taken:

    Sinds 2002 opereert de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (niet te verwarren met de Stichting BurgerOorlogsslachtoffers waarmee het in 1945 fuseerde) onder de vleugels van Stichting 1940–1945.

    De Stichting speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.

    Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting 1940–1945 niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.

    Hoewel de Stichting 1940–1945 dus geen wettelijke verplichting heeft tot het opstellen van een selectielijst voor door haar gevormde archiefbescheiden, heeft zij aangegeven eraan te hechten dat haar handelingen ten aanzien van de uitvoering van de wetten m.b.t. oorlogsgetroffenen in het BSD Oorlogsgetroffenen worden opgenomen. Tevens conformeert zij zich aan de waarderingen van de handelingen.

    Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) (1946–)

    • JMW is een van de instellingen die door de overheid zijn aangewezen om

    • sociale rapportages voor de wetten voor oorlogsslachtoffers op te stellen.

    • de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake wet- en regelgeving te adviseren over de wetten

    • Verder begeleidt de stichting cliënten tijdens het langdurige proces van aanvraag tot beslissing dat doorlopen moet worden.

    De originele dossiers van de sociale rapportages worden door de PUR gearchiveerd en vallen daarmee onder werking van de selectielijst van de PUR.

    Het overige archief van Stichting JMW wordt momenteel beheerd door het gemeentearchief van Amsterdam. Van de adviezen aan de Minister bestaat bij de stichting nauwelijks archiefmateriaal.

    De Joods Maatschappelijk Werk speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.

    Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting Joods Maatschappelijk Werk niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.

    Stichting Pelita (1947–)

    (Het Maleise woord pelita betekent olielamp en is door de oprichters van Pelita gebruikt om aan te geven dat de stichting een lichtje in een duistere toekomst wilde zijn.)

    Stichting Pelita is op particulier initiatief op 17 november 1947 opgericht.

    Doelstelling destijds was het bieden van met name huisvesting maar ook andere vormen van materiële ondersteuning aan de slachtoffers van de oorlog met Japan.

    In de loop van de jaren ’50 werden door Pelita ruim 600 woningen voor naar Nederland gerepatrieerde Indische oorlogsgetroffenen gebouwd. De plaatselijke comités van Pelita hielpen de Indische gerepatrieerden met raad en daad bij het zich in Nederland vestigen. De klanten van Pelita konden bij de stichting terecht voor materiële verstrekkingen in de vorm van kleding, dekens, kolen of studiefaciliteiten.

    In de loop van de jaren ’60 werd het huizenbezit afgestoten ten einde de opbrengsten te kunnen benutten om de materiële hulpverlening zolang mogelijk te kunnen voortzetten.

    Als in de jaren ’70 de Nederlandse samenleving onderkent dat zij een bijzondere solidariteit moet tonen met de Nederlanders die slachtoffer zijn van WO II in Europa en Azië, wordt Pelita ingeschakeld bij de uitvoering van het overheidsbeleid op dit terrein. Pelita verandert hierdoor van een vrijwilligersorganisatie in een professionele organisatie die maatschappelijke hulp- en dienstverlening biedt aan de getroffenen van de oorlog met Japan en de Bersiap-periode (de periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd). De oorspronkelijke vormen van hulpverlening werden ontmanteld en de taken die Pelita in de jaren ’70 toebedeeld kreeg, vormen nog altijd de kerntaak van de stichting.

    De taken van Stichting Pelita zijn:

    • het bieden van aanvraagbegeleiding in het kader van de WUV en WUBO, waarbij Pelita zich specifiek richt op de getroffenen uit voormalig Nederlands-Indië. De aanvraagbeleiding krijgt onder meer vorm door het opstellen van het zgn. sociaal rapport, dat de basis is voor de aanvraagbeoordeling door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

    • Het opstellen van de verzetsrapportage bij aanvragen in het kader van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (WIV). Deze taak bestaat uit het optekenen van de verzetsclaim van de aanvrager.

    • Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent wetsontwerpen en ontwerpen van AMvB’s en Ministeriële regelingen.

    • Het bieden van maatschappelijke hulp en sociale dienstverlening aan Indische oorlogsgetroffenen.

    Pelita speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting Pelita niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.

    Hoewel de Stichting Pelita dus geen wettelijke verplichting heeft tot het opstellen van een selectielijst voor door haar gevormde archiefbescheiden, heeft Pelita aangegeven eraan te hechten dat haar handelingen ten aanzien van de uitvoering van de wetten m.b.t. oorlogsgetroffenen in het BSD Oorlogsgetroffenen worden opgenomen. Tevens conformeert zij zich aan de waarderingen van de handelingen.

    Nederlands Auschwitz Comité (1956–)*

    In september 1956 benaderde het Internationaal Auschwitz Comité de deelnemers aan de Polen-reis in 1952 met de vraag getuigen te zoeken voor het proces tegen de nazi-arts C. Clauberg, berucht om zijn medische experimenten in Auschwitz. Er werd een oproep geplaatst voor een openbare bijeenkomst en daarmee werd het Nederlands Auschwitz Comité geboren.

    Het Comité protesteerde tegen het feit dat oud-nazi’s in Duitsland hoge functies kregen, zamelde geld in voor een internationaal monument in Auschwitz, organiseerde culturele avonden en gaf een blad uit. In de jaren zestig voerde het Comité actie tegen de verjaringstermijn van twintig jaar voor oorlogsmisdaden. Een protestdemonstratie in Amsterdam tegen de vrijlating van de nazi-politiechef Willy Lages, verantwoordelijk voor het wegvoeren van talloze Nederlandse joden, bracht duizenden mensen op de been.

    Het Comité protesteerde tegen het plan van de Nederlandse regering drie andere Duitse nazi’s, Aus der Fünten, Kotälla en Fischer, die hun oorlogsmisdaden in Nederland hadden begaan, vrij te laten uit de gevangenis in Breda. Met succes, maar in 1989 kwamen ze toch vrij. Kotälla was inmiddels overleden.

    De inspanningen van het Nederlands Auschwitz Comité om bij de Nederlandse regering een uitkering voor de overlevenden van de kampen te krijgen werden uiteindelijk in 1972 met succes bekroond: de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV) kwam tot stand.

    Sinai centrum (1960–)*

    Het Sinai Centrum is een joodse instelling voor geestelijke gezondheidszorg en instituut voor verstandelijk gehandicapten. Het enige in Europa en daarnaast gespecialiseerd in psychotraumabehandeling van joodse en niet joodse mensen die door oorlog en geweld zijn getroffen. Het heeft een landelijke en specialistische functie.

    Het Sinai Centrum is opgericht in 1960, maar haar wortels liggen in 1897 toen de Vereniging Het Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht in Nederland (CIK) werd opgericht. De eerste stap op weg naar een instituut voor joodse psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten.

    De CIK heeft het initiatief genomen tot de oprichting van ‘Het Apeldoornsche Bosch’ dat in 1909 geopend werd.

    De instelling ontwikkelde zich tot een voor de oorlogsjaren zeer vooruitstrevend instituut. Rond het begin van de tweede wereldoorlog was het een toevluchtsoord voor vele joodse psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapte kinderen, ook voor hen die als vluchteling afkomstig waren uit de buurlanden. Op 22 januari 1943 werden alle opgenomen patiënten en het op dat moment werkzame, meestal joodse, personeel door de nazi’s gedeporteerd en in Auschwitz vermoord. Vrijwel niemand keerde terug.

    In 1960 werd de Sinai-Kliniek door Koningin Juliana geopend en kon de (klinische) zorg voor joodse mensen met psychische problemen en verstandelijke handicaps worden hervat. Het Sinai Centrum, zoals dat nu bestaat is voortgekomen uit een fusie in 1997 van de joodse Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (JAGGZ, de ‘joodse RIAGG’) en de Sinai-Kliniek.

    Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht.

    Van deze instelling zijn geen handelingen opgenomen omdat ze geen wettelijke taken uitvoert. Ze is dan ook geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet.

    Algemeen burgerlijk pensioenfonds (1966–)

    1966–1987 : Bestuur van het ABP: Directie van het ABP + Raad van toezicht van het ABP, ingesteld bij de ABP-wet (Stb. 1966, art. L 11) De directie bestaat uit ten hoogste vier leden, waarvan een hoofddirecteur, die door de Kroon worden benoemd, geschorst en ontslagen. De Raad bestaat uit 11 leden. De benoeming van deze leden geschiedt door de Kroon.

    1988–1995: Bestuur van het ABP – Hoofddirectie van het ABP. De benoeming van de bestuursleden geschiedt door de Kroon.

    Per 1 januari 1996 is de Stichting Pensioenfonds ABP opgericht. Aan het hoofd van deze private stichting staat het bestuur. De archieven van haar voorgangers vallen onder de zorg van het Bestuur van het ABP.

    Taken in het algemeen:

    • het toepassen van de ABP-wet;

    • het beheren van het ABP;

    • het houden van toezicht op de naleving van de ABP-wet voor zover de uitvoering daarvan aan anderen is opgedragen;

    • naast deze taken mag de directie zich, met machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken, belasten met de uitvoering van andere pensioenregelingen dan die voortvloeiend uit de ABP-wet. De Minister van Binnenlandse Zaken kan de directie werkzaamheden ter uitvoering van andere pensioenregelingen dan die voortvloeiend uit de ABP-wet opdragen;

    • het doen van voorstellen aan de Minister van Binnenlandse Zaken met het oog op de toepassing van de ABP-wet;

    • het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten van de directie van het ABP.

    Taak op het beleidsterrein oorlogsgetroffenen (vanaf 1983):

    • het berekenen en uitbetalen van de uitkering op grond van de

    • het voorbereiden en uitvoeren van de door de PUR te nemen beschikkingen inzake de drie wetten buitengewoon pensioen.

    • het verzorgen van het secretariaat en de administratieve ondersteuning van de Commissie Indisch Verzet.

    In artikel 40 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad van 27 juni 1990 wordt bepaald dat archiefbescheiden van de voorgangers van de PUR (te weten de Uitkeringsraad, de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, de Buitengewone pensioenraad en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) -voor zover nog niet overgebracht naar een archiefbewaarplaats – overgaan naar de PUR. Dat betekent dat de PUR zorgdrager wordt voor deze archieven. Daarom zijn de handelingen van het ABP niet in dit BSD opgenomen.

    Stichting Centrum ’45 (1971–)*

    Stichting Centrum ’45 is het landelijk centrum voor de medisch-psychologische behandeling van verzetsdeelnemers, oorlogsgetroffenen en slachtoffers van georganiseerd geweld.

    Direct na de Tweede Wereldoorlog vroegen medici en psychiaters al aandacht voor de lichamelijke en psychische problemen van overlevenden uit het verzet, uit concentratie- en interneringskampen en van joodse onderduikers. Er werden verschillende hulpverleningsorganisaties opgericht, maar in die tijd was men in Nederland meer bezig met wederopbouw en herstel dan met aandacht voor oorlogservaringen. Overlevenden van de Duitse en Japanse bezetting raakten daardoor in een gecompliceerde situatie, omdat ze hun belevenissen moeilijk kwijt konden. Tegelijkertijd waren hun ervaringen zo gruwelijk dat ze moeilijk te vertellen en te bevatten waren. Wegduwen van de herinneringen leek op dat moment de beste oplossing.

    In de loop der jaren werd duidelijk dat men zulke oorlogservaringen niet zondermeer kan negeren, omdat het niet verwerken ervan het leven op den duur ernstig kan ontwrichten.

    Bij medici en psychologen ontstond aandacht voor het ‘post-concentratiekampsyndroom’ en groeide het inzicht dat overlevenden van de kampen speciale behandeling nodig hebben.

    In 1971 werd daarom de ‘Stichting Centrum Post-concentratiekamp Syndroom’ opgericht, bij de opening in 1973 gewijzigd in Stichting Centrum ’45.

    Stichting Centrum ’45 is gevestigd op vier lokaties: ‘Centrum ’45’ te Oegstgeest, ‘de Vonk-Noordwijkerhout’, ‘De Vonk-Amsterdam’, ‘De Schalm’ te Amsterdam.

    Van deze stichting zijn geen handelingen opgenomen omdat het een particuliere organisatie is die geen wettelijke taken uitvoert. Ze is dan ook geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet.

    Kontaktgroep Van der Heul (1974–)*

    De Kontaktgroep Van der Heul is genoemd naar Bertus van der Heul, die voor de oorlog Duitse immigranten te hulp kwam. Voor zijn verzetswerk in de Tweede Wereldoorlog heeft hij vier jaar in kamp Haaren gezeten.

    Vanaf 1947 adviseerde hij andere verzetsmensen bij het aanvragen van een buitengewoon pensioen, vooral verzetsdeelnemers uit de linkersectie van het verzet. Steeds meer mensen gingen hem daarbij helpen, zodat in 1974 besloten werd de Kontaktgroep Van der Heul op te richten.

    Momenteel legt de Kontaktgroep zich toe op praktische bijstand aan verzetsmensen en hun weduwen en kinderen. Daarnaast spreken de leden over de Tweede Wereldoorlog op scholen en in buurt- en verzorgingshuizen. De groep belegt geregeld interne bijeenkomsten met een deskundige als inleider.

    Op het hoogtepunt had de groep 250 leden. Nu zijn daar ruim honderd leden van over, deels tweede-generatieleden.

    Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO) (1981–)*

    Voor 1972 waren burger-oorlogsgetroffenen niet georganiseerd. Hierdoor werden zij door de overheid niet als gesprekspartner gezien. Dit had tot gevolg dat de strijd om maatschappelijke en politieke erkenning van het leed van de burger-oorlogsslachtoffers weinig effectief was.

    De oprichting van de werkgroep ‘Burger-oorlogsslachtoffers’ was de eerste belangrijke stap op weg naar één gezamenlijke belangenbehartiger voor de gehele ‘vergeten groep’ burger-oorlogsslachtoffers.

    De centrale doelstelling van de werkgroep was politiek van aard: een eigen wettelijke regeling voor burger-oorlogsslachtoffers. Dit probeerde de werkgroep te verwezenlijken door middel van mobilisatie van zowel de achterban als de media en door middel van beïnvloeding van de gezagsdragers. Deze inspanningen kregen uiteindelijk pas op 31 maart 1984 hun bekroning. Op die datum werd de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) van kracht.

    Drie jaar vóór het inwerkingtreden van de WUBO werd de werkgroep ‘Burger-oorlogsslachtoffers’ omgezet in een stichting, de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO).

    Met de oprichting van de SBO ontstond eindelijk een organisatie die namens álle burger-oorlogsslachtoffers kon spreken. De doelen die de SBO ging nastreven waren:

    • voorlichting geven over de WUBO;

    • te komen tot de uitgifte van een regelmatig verschijnend informatiebulletin;

    • te komen tot de vestiging van een eigen bureau van waaruit hulp wordt geboden bij aanvragen en bezwaar- en beroepsprocedures;

    • een netwerk van contactadressen in het land opbouwen en te komen tot vrijwilligerswerk en zelfhulpgroepen;

    • naast deze doelen is het verkrijgen van maatschappelijke erkenning en het streven naar gelijkberechtiging van alle categorieën oorlogsslachtoffers steeds het hoofddoel van de SBO geweest;

    • na de totstandkoming van de WUBO kwam de nadruk meer en meer te liggen op het streven naar verbetering van de wetgeving en het bieden van immateriële hulpverlening.

    • De SBO is per 1 januari 2002 opgegaan in Stichting 1940–1945.

    Het Indisch Platform (1981–)*

    Het Indisch Platform is een overlegcollege van de 23 aangesloten, autonome belangenverenigingen, organisaties en stichtingen, verbonden aan de Indische Gemeenschap in Nederland. Het is gesprekspartner van de rijksoverheid met betrekking tot ‘Indische aangelegenheden’. Het doel van het Indisch Platform is het opkomen voor en het bewaken van de rechten en de belangen van de leden van de aangesloten organisaties.

    Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers (VBV) (1984–)*

    Het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers is in 1984 opgericht, zowel uit onvrede over de WUV (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945) als ook over de uitvoering van die wet door de toenmalige Uitkeringsraad.

    Het VBV is een vereniging met leden. Het stelt zich ten doel de belangen te behartigen van hen die tijdens de bezetting van Nederland en voormalig Nederlands-Indië werden vervolgd en een aanvraag hebben ingediend of willen indienen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR).

    De vereniging heeft een bestuur bestaande uit een voorzitter, secretaris, penningmeester en vier leden. Minstens 1 maal per jaar, komen de leden in de jaarvergadering bijeen, of zo vaak als het bestuur of een groep leden het noodzakelijk vindt.

    Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) (1998–2001)*

    Onafhankelijke stichting, opgericht op voorstel van de directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD).

    Naar aanleiding van een aanbeveling van de commissie-Kordes heeft de Ministerraad besloten tot het houden van een grootschalig onderzoek naar de terugkeer en opvang van de joden en andere groepen oorlogsgetroffenen in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Dit onderzoek, dat is uitgevoerd SOTO, is van start gegaan met twee symposia (december 1998 resp. februari 1999). Eindpublicatie: Dr. M.P. Bossenbroek, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Bij de Meelstreep hoort ook een aantal deelstudies.

    De SOTO is geen zorgdrager omdat het geen wettelijk opgedragen taken uitvoert.

    Centraal Joods Overleg (CJO) (1997–)*

    Het Centraal Joods Overleg is het samenwerkingsverband van de voornaamste joodse organisaties met het doel de belangen van de joodse gemeenschap te behartigen bij de overheid en in de samenleving.

    De Vereniging Centraal Joods Overleg bestaat uit zeven leden. Dat zijn:

    • Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK);

    • Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap (PIK);

    • Verbond van Liberaal-Religieuze joden in Nederland;

    • Federatie Nederlandse Zionisten (FNZ);

    • Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW);

    • Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI);

    • Nederlands Joodse Jeugd (NJJ)

    Het CJO is mede-oprichter van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa en de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa.

    Het CJO is geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet, aangezien het een particuliere instelling is die geen wettelijke taken uitvoert.

    Stichting Platform Israël (SPI)*

    Dit is een stichting naar Israëlisch recht, gevestigd te Israël. De stichting is mede-oprichter van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa en de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa.

    Stichtingen Sjoa*

    De stichtingen Sjoa zijn geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet, aangezien zij geen ZBO zijn en geen wettelijke taken uitvoeren.

    Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa (SIV-Sjoa) (1999–)

    De Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa in 1999 opgericht. Het doel van de Stichting is na te gaan in hoeverre iemand aanspraak heeft op een betaling uit een verzekering van een door de oorlog getroffen verzekerde die vervolgd is vanwege zijn of haar joods-zijn. Deze verzekering moet zijn afgesloten (geweest) bij een verzekeraar die lid is van het Verbond van verzekeraars. In het verlengde hiervan is het doel van de Stichting om – afhankelijk van de beoordeling door het bestuur – iemand een uitkering toe te kennen.

    Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa (SIE-Sjoa) (2001–)

    Opgericht door het Centraal Joods Overleg en het Platform Israël.

    Taken:

    • het vergoeden van de schade die joden hebben geleden door de regeling die het Waarborgfonds Effectenrechtsherstel in 1953 heeft getroffen voor de restitutie van tijdens WO II gestolen effecten.

    • het terugbetalen van een gedeelte van de provisies die Puttkammer rekende voor het geven van ‘sperren’ (uitstel van transport) aan joden en de kosten vergoeden die de banken joden in rekening brachten voor het tijdens WO II openbreken van hun kluizen.

    Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa (SIB-Sjoa) (2002–)

    Opgericht door het Centraal Joods Overleg, Platform Israël, de Nederlandse Vereniging van Banken, de vereniging in liquidatie Vereniging voor de Effectenhandel en de Naamloze Vennootschap Amsterdam Exchanges N.V.

    Taak: het afwikkelen van de individuele hierboven gemelde claims op niet opgevraagde creditgelden van vervolgingsslachtoffers bij banken in Nederland.

    Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland joden door de Duitse bezetter systematisch beroofd van hun goederen en rechten, waaronder ook hun rechten op Banktegoeden.

    Stichting Joodse Oorlogstegoeden*

    Gezien het precedentloze karakter van de Sjoa, menen het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars dat de Joodse gemeenschap de morele rechthebbende is op uitkeringen van levensverzekeringen die niet meer zullen worden opgeëist. Daarom heeft het Verbond namens zijn betrokken leden besloten een bedrag van 25 miljoen gulden ter beschikking te stellen aan de Joodse gemeenschap. Het CJO heeft de Stichting Joodse Oorlogstegoeden opgericht waarin naast de vertegenwoordigers van de bij het CJO aangesloten organisaties in elk geval vertegenwoordigers van specifieke slachtofferorganisaties zitting hebben.

    De gelden van de Stichting kunnen naar individuele oorlogsslachtoffers dan wel naar andere Joodse doelen gaan, zelf te bepalen door de oorlogsslachtoffers middels een referendum. Het gedeelte van het overschot van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa dat na tien jaar zal worden overgedragen aan de Stichting Joodse Oorlogstegoeden zal op overeenkomstige wijze worden besteed. Het Verbond is geen partij bij de verdeling van de gelden van de Stichting Joodse Oorlogsslachtoffers en ondersteunt de visie dat de Joodse gemeenschap zelf moet zorgdragen voor de verdeling van de oorlogsgelden. Het is het voornemen van het CJO om ook het opgerente restant van de afkoopwaarden van polissen van Joodse vervolgden, die door verzekeraars aan de Staat zijn overgedragen, bij de regering op te vragen. Dit bedrag en andere toekomstige uitkeringen zouden dan eveneens naar de stichting gaan.

    Stichting Joodse Oorlogstegoeden voert geen wettelijke taken uit. Daarom zijn de handelingen van deze stichting niet in dit BSD opgenomen.

    Stichtingen Morele Aansprakelijkheid roof en rechtsherstel -gelden (MAROR) (2000–)

    (Het woord Maror betekent ook bitterkruid.)

    Hun taak is het beheer en de verdeling van joodse restitutiegelden.

    Vanwege de verschillende herkomst van deze gelden – overheid en private sector – hebben de joodse partijen in eerste instantie twee stichtingen opgericht. De Stichting Maror-gelden Overheid (SMO), een zelfstandig bestuursorgaan onder toezicht van de Minister van Financiën, voerde het beheer over de gelden die ter beschikking zijn gesteld door de overheid. Deze stichting is per 1 januari 2005 hernoemd naar Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO) die is belast met de afwikkeling van door de SMO genomen besluiten.

    Voor de gelden uit private bron werd de private Stichting Individuele Maror-gelden (SIM) opgericht. De instelling van deze privaatrechtelijke stichting heeft geen wettelijke grondslag. Later kwamen daar ten behoeve van de collectieve gelden nog bij de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland (COM) en de Stichting Collectieve Maror-gelden Israël (SCMI).

    De besluitvorming aangaande de subsidieaanvragen is voor wat betreft het overheidsgeld door de Stichting Maror-gelden Overheid gemandateerd aan haar drie Kamers:

    • Kamer I: individuele uitkeringen;

    • Kamer II: collectieve uitkeringen ten behoeve van doelen in Nederland;

    • Kamer III: collectieve uitkeringen doelen ten behoeve van de Nederlands-joodse gemeenschap, welke doelen zich bevinden in Israël.

    Voor de private gelden is het bestuur van de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland verantwoordelijk.

    De leden van Kamer II en het bestuur van de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland vormen een personele unie.

    Om redenen van efficiëntie en duidelijkheid naar de aanvrager hebben beide stichtingen voor collectieve Maror-gelden besloten gebruik te maken van één verdelingsapparaat en één stelsel van verdelingscriteria. Dat betekent dat de aanvrager met één formulier te maken heeft, en met één loket.

    De uitvoering van de verdeling van zowel de individuele Maror-gelden als de collectieve Maror-gelden, is uitbesteed aan Bureau Maror-gelden, ondersteund door KPMG Management Services. De aanvraagtermijn voor individuele uitkeringen bij Bureau Maror-gelden is met ingang van 1 januari 2002 gesloten.

    Omdat alleen de Stichting Maror-gelden Overheid een zelfstandig bestuursorgaan is dat onder toezicht staat van de Minister van Financiën, wordt in dit BSD alleen van die stichting de handeling opgenomen.

    SAMO is een ZBO en is op grond van de Archiefwet zorddrager voor het eigen archief. Het SAMO-archief is reeds bewerkt (en wordt in 2006 overgedragen).

    Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (2001–)

    Privaatrechtelijke stichting, ingesteld bij notariële akte in 2001. De stichting is door de Minister onder wie Welzijn ressorteert, aangemerkt als ZBO.

    De stichting beheert en verdeelt de gelden welke door de rijksoverheid ter beschikking zijn gesteld aan Sinti en Roma ter compensatie van tekortkomingen in het na de tweede wereldoorlog jegens hen uitgevoerde rechtsherstel.

    Stichting Het Gebaar (2001–)

    Stichting Het Gebaar is als privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) in 2001 bij notariële akte ingesteld. Ze valt als semi-overheidsinstelling onder politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

    De stichting beheert en verdeelt de gelden, welke door de Rijksoverheid eenmalig ter beschikking zijn gesteld aan de Indische Gemeenschap als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de tweede wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake.

    Het betreft individuele uitkeringen en voor collectieve doelen.

    De stichting zal per 1-1-2008 geliquideerd worden.

    Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF) (2002 –)

    Tot 1 januari 2005 was deze stiching een privaatrechtelijke ZBO die ressorteerde onder met Ministerie van Financiën. Vanaf 1 januari 2005 is de stichting geen ZBO meer.

    De instelling is niet gebaseerd op een wettelijke grondslag.

    Haar taak is fondsbeheer en het verlenen van subsidies voor humanitaire projecten in centraal en oost-europa met betrekking tot ondersteuning van joodse gemeenschappen, joods onderwijs, voorlichting en hulp aan slachtoffers van conflictsituaties.

    Nederlandse Museum Vereniging*

    Naast het onderzoek onder begeleiding van de commissie-Ekkart, dat wordt uitgevoerd in opdracht van de staatssecretaris van OCW, bestaat er nog een onderzoek op het terrein van kunstwerken en de Tweede Wereldoorlog. Dit onderzoek is uitgevoerd onder auspiciën van de Nederlandse Museum Vereniging, een landelijke organisatie waar alle ex-rijksmusea en de meerderheid van de Nederlandse overheids- en particuliere musea bij zijn aangesloten. Doel van het onderzoek is zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de herkomst van de objecten die door de musea werden verworven in de genoemde periode. In maart 1998 namen diverse Nederlandse musea het initiatief om de aanwinsten te onderzoeken die door Nederlandse musea werden gedaan in de periode 1940-1948 en werden kaders vastgesteld waarbinnen dit onderzoek zou plaatsvinden. Een eindrapport is op 31 januari 1999 uitgebracht.

    De vereniging is geen ZBO. Aan het onderzoek dat onder haar auspiciën is uitgevoerd ligt geen wettelijke taak ten grondslag. Daarom worden haar handelingen niet in dit BSD opgenomen.

    Decentrale actoren

    Gemeenten*

    Beslissen inzake aanspraken op uitkeringen op grond van de Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945) (1950) en de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226), en berekenen en betalen de uitkering uit.

    Selectielijsten

    Toelichting van de volgorde van de actoren

    In dit BSD worden allereerst de handelingen van de Minister onder wie Welzijn ressorteert weergegeven en daaronder de andere Ministers in alfabetische volgorde. De commissies zijn in alfabetische volgorde geplaatst onder de Minister die ze heeft ingesteld.

    Het BSD wordt afgesloten met de overige actoren.

    Actor: de Minister onder wie Welzijn ressorteert

    NB. In de periode 1945–1953 viel Welzijn onder de Minister van Binnenlandse Zaken.

    Algemene handelingen

    Handelingnr: 1.

    Handeling: Het voorbereiden, (mede-)vaststellen en coördineren van het beleid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 2.

    Handeling: Het evalueren van het beleid betreffende het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Waardering: B 2

    Handelingnr: 3.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: Heeft betrekking op de departementale voorbereiding van wetten die in werking zijn getreden. In werking zijn (geweest):

    – Algemeene Oorlogsongevallenregeling (Stb. van Nederlandsch Indië 1946, 48);

    – Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1947, H313);

    – Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H420);

    – Wet tot tijdelijke verhoging van de buitengewone pensioenen krachtens de WBPZ (Stb. 1951, 365);

    – Wet houdende verhoging met een toeslag van de pensioenen krachtens de WBP 1940–1945 (Stb. 1954, 287);

    – Wetten houdende gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de AOW geheven premie over een pensioen, toegekend krachtens WBP 1940–1945 (Stb. 1957, 446) en WBPZ (Stb. 1957, 447);

    – Wet tot het treffen van een voorziening ten behoeve van degenen, die recht hebben op een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 of de WBPZ (Stb. 1966, 42);

    – Wet tot toekenning van gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de AOW en de AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 en de WBPZ (Stb. 1966, 357).

    – Wet tot toekenning van een uitkering ineens over perioden van het jaar 1966 aan de gerechtigden tot een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 en de WBPZ (Stb. 1967, 308);

    – Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1972, 669);

    – Wet tot herziening van de pensioenbedragen ingevolge de Wetten buitengewoon pensioen, en van de grondslagen en bedragen in de Wuv per 1 juli 1976 en 1 januari 1977 (Stb. 1976, 714);

    – Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588);

    – Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1984, 94);

    – Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360);

    – Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1990, 324);

    – Wet ambtelijke grondslagen Wuv en Wubo (Stb. 1990, 642);

    – Wet vaststelling van herziening van pensioenen, uitkeringen, grondslagen en bedragen ingevolge de Wetten voor oorlogsgetroffenen voor het jaar 1990 (Stb. 1992, 198).

    Heeft tevens betrekking op voorstellen van ‘wetten’ die niet in het Staatsblad zijn verschenen.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 4.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1947–

    Grondslag: Wet Buitengewoon Pensioen 1940–1945, art. 1 lid 2, art. 8 lid 4 en 5, art. 11 sub a, artt. 12, 13, 24, 25 sub a, lid 4, 31, sub a, lid 1, 2, 3, 4, 6, 10 en 11, art. 32, lid 4, art. 36, lid 3, art. 46 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1954, 313, Stb. 1966, 355, Stb. 1971, 497, Stb. 1972, 68, Stb. 1977, 394, Stb. 1979, 711, Stb. 1985, 766, en Stb. 1990, 641); Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden-oorlogsslachtoffers, art. 3 lid 6, 7 en 8, art. 7 lid 4, art. 11 lid 1 en 2 sub b, art. 28a lid 1, 2, 3, 5, 6, 10 en 11, art. 32 lid 3, art. 33, lid 4, art. 39 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1966, 355, Stb. 1971, 497, Stb. 1972, 68, Stb. 1977, 394, Stb. 1979, 711, Stb. 1985, 766, Stb. 1990, 641); Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 2 lid 2, art. 15 lid 1, 2 en 3, art. 16 lid 1, art. 17 lid 1, art. 18 lid 1, art. 29 lid 2, art. 33 lid 2, art. 35 lid 1 en 5, art. 35a lid 2, art. 37 lid 3, art. 43 lid 3, art. 62 lid 1 (Stb. 1986, 360); Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 2 lid 2, art. 3 lid 6, art. 4, art. 10 lid 2, art. 25 lid 2 en 4, art. 26 lid 3, art. 32 lid 6, art. 33 lid 5, art. 39, lid 4 (Stb. 1984, 94); Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 8 lid 9, art. 18 lid 2, 4 en 6, art. 21a, art. 21 lid 4, art. 32a lid 2, art. 55 lid 1 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395 en Stb. 1986, 355); Wet ambtelijke grondslagen Wuv en Wubo, Wet van 13 december 1990, (Stb. 1990, 642); Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 11 lid 2, art. 23 lid 2 (Stb. 1990, 324)

    Product:

    – Besluit tot uitvoering van art. 13 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I27);

    – Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I28);

    – Besluit tot uitvoering van art. 12 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I362);

    – Besluit tot uitvoering van het Vijfde Hoofdstuk der WBP 1940–1945 (Stb. 1951, 76);

    – Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van deelnemers aan het verzet (Stb. 1956, 504);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 31a, eerste, vijfde, zesde en elfde lid van de WBP 1940–1945 en art. 28a, eerste, vijfde, zesde en elfde lid van de WBPZ (Stb. 1967, 126);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, tiende lid, van de WBP 1940–1945 en art. 28a, tiende lid, van de WBPZ (Stb. 1969, 481);

    – Besluit tot uitvoering van art. 11 a der WBP 1940–1945 (Stb. 1972, 99);

    – Besluit begripsomschrijving loonindexcijfer buitengewone pensioenen (Stb. 1972, 480);

    – Besluit draagkracht vervolgden (Stb. 1973, 329, gewijzigd bij Stb. 1979, 787, Stb. 1992, 187, Stb. 1994, 549, Stb. 2003, 325);

    – Besluit ter uitvoering van het bepaalde in art. 1, tweede lid, van de WBP 1940–1945, houdende de omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn (Stb. 1978, 422);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 8, vierde lid, van de Wpb 1940–1945 (Stb. 1978, 552);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 31a, zesde lid, van de WBP 1940–1945 en in art. 28a, zesde lid, van de WBPZ (Stb. 1982, 533 en 681 en Stb. 1983, 86 en 446);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 12, eerste lid, van de WBP 1940–1945 en art. 11, eerste lid, van de WBPZ (Stb. 1982, 682);

    – Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stb. 1984, 94);

    – Besluit houdende regels betreffende de vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën, bedoeld in art. 25a, vierde lid van de WBP 1940–1945, art. 22a, vierde lid, van de WBPZ en art. 32a, tweede lid, van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1987, 386);

    – Besluit tot vaststelling van een AMvB ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen, houdende de vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet, dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds, en voor de Ziektewet (Stb. 1987, 420);

    – Kortingsbesluit (Stb. 1989, 54);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, vierde lid, van de WBP 1940–1945, art. 28a, vierde lid van de WBPZ, art. 18, vierde lid, van de Wuv 1940–1945, art. 25, vierde lid, van de Wubo 1940–1945 en art. 35, vierde lid, van de Wiv (Stb. 1988, 54, Stb. 1988, 409 en Stb. 1989, 534);

    – Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo (Stb . 1991, 619)

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, eerste lid, van de WBP 1940–1945, art. 28a, eerste lid van de WBPZ, art. 35, eerste lid, van de Wiv, art. 18, eerste lid, van de Wuv en art. 25, eerste lid, van de Wubo 1940–1945 (Stb. 1993, 25, Stb. 1995, 304 en 305);

    – Rentevergoedingsbesluit wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 549);

    – Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen (Stb. 1994, 885);

    – Besluit tot uitvoering van art. 11 der WBPZ (Stb. 1949, J418);

    – Besluit tot vaststelling van een AMvB, als bedoeld in art. 3, derde lid, en in art. 39 der WBPZ (Stb. 1949, J469);

    – Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ (Stb. 1950, K554);

    – Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1956, 506);

    – Besluit inzake omschrijving van de categorieën van personen als bedoeld in art.2 tweede lid WIv, op deze wet van overeenkomstige toepassing is (Stb. 1987, 179)

    – Besluit houdende regels betreffende het geneeskundig onderzoek (Stb. 1986, 596)

    – KB houdende regels betreffende de vergoeding van ziektekosten (Stb. 1986, 595);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB bedoeld in art. 39, vierde lid, van de Wubo 1940–1945 (Stb. 1984, 383);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB inzake samenloop wettelijke regelingen bedoeld in art. 4 van de Wubo 1940–1945 (Stb.1984, 384);

    – Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers (Stb. 1984, 385, gewijzigd bij Stb. 1994, 549, Stb. 2003, 235);

    – Besluit houdende begripsomschrijving indexcijfer der lonen voor de toepassing van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1973, 208);

    – Besluit draagkracht vervolgden (Stb. 1973, 329);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, als bedoeld in art. 4, eerste lid, van de Wuv (Stb. 1978, 429);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 18, van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1979, 206);

    – Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. XXXVI, eerste lid, van de Wet van 20 december 1979 (Stb. 711) (Stb. 1981, 522);

    – Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo (Stb. 1991, 619);

    – Besluit ingangsdatum voorzieningen Wuv (Stb. 1995, 269);

    – Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1991, 645);

    – Besluit Raadskamers (Stb. 1991, 677);

    – Besluit vaststelling ex artikel 31a Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1993, 25);

    – Besluit houdende afwijking voor het jaar 1994 van het Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (Stb. 1993, 772)

    – Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 282);

    – Rentevergoedingsbesluit wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 549);

    – Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen (Stb. 1994, 886);

    – Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad 1996 (Stb. 1995, 585);

    – Besluit aanpassing buitengewoon pensioen per 1 januari 1995 (Stb. 1996, 131)

    – Besluit aanpassing buitengewone pensioenen per 1 april 1992 en 1 januari 1993 (Stb. 1995, 304)

    – Besluit aanpassing buitengewone pensioenen per 1 april 1993 (Stb. 1995, 305)

    – Besluit afwijking van het Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen voor 1996 (Stb. 1995, 697)

    – Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996, 691)

    – Aanpassingsbesluit nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1997, 796)

    – Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 2004, 282)

    Waardering: B1

    Handelingnr: 5.

    Handeling: Het (mede-)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’, gebaseerd op wetgeving die het beleidsterrein overstijgt.

    Periode: 1945–

    Product: Op basis van de Grondwet:

    – Besluit vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945 (Stb. 1984, 364).

    Op basis van Algemene Bijstandswet:

    – Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549);

    – Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1971, 111)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 6.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van Ministeriële regelingen op het beleidsterrein ‘Oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1947–

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 8 lid 5, art. 11a lid 2 en 3, art. 12a, art. 36, lid 3 en 5, art. 45 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711); Wijzigingswet WBP, art. VI (Stb. 1993, 325); WBPZ, art. 3 lid 7 en 8, art. 32 lid 3 en 4, 38, art. 35 sub d, lid 5, art. 36 lid 3 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711); AMvB als bedoeld in art. 3 lid 3 en in art. 39 der WBPZ, art. 9 lid 2 (Stb. 1949, J469); Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 10 lid 5 en 6, art. 15 lid 2 en 3, art. 17, art. 35 lid 1, art. 38 lid 5, art. 43 lid 3, art. 53 (Stb. 1986, 360); KB houdende regels betreffende de vergoeding van ziektekosten bedoeld in art. 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, art. 3 lid 2 (Stb. 1986, 595); Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 11 lid 3, art. 13 lid 2, art. 17 lid 3d (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1974, 92); Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, artt. 2a lid 2, art. 5, art. 9, 10 lid 5 en 6, art. 21, 26 lid 3 en 5, art. 27, art. 28 lid 4, artt. 31, art. 33a lid 1 en 2, art. 35, artt. 40, 44a lid 2, 47 lid 2, 66, 78 (Stb. 1984, 94, zoals gewijzigd bij Stb. 1991, 620); Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 12 lid 1 en 3, art. 13 lid 4, art. 17 lid 3, art. 26 (Stb. 1971, 111); Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 7 lid 4b, art. 8 lid 6, art. 18 lid 1, 7, 8 en art. 19 lid 7 en 9, art. 19a lid 2 en 5, art. 21a lid 2 en 3, art. 26a, art. 28 lid 3 en 4, art. 30 lid 5, art. 31 lid 5, art. 53 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395, Stb. 1977, 494, Stb. 1983, 350); Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 18 en 24 lid 3 (Stb. 1990, 324)

    Product:

    – Uitvoeringsbeschikking van art. 11 sub a van de WBP 1940–1945 (Stcrt. 1972, 90);

    regeling nr. CDFEZ U-49002, d.d. 21 augustus 1981, vervangen door Nadere regelen toezicht op uitgaven wetten buitengewoon pensioen (Stcrt. 1989, 111);

    – Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1989, 251; vervangen door: idem (Stcrt. 1991, 243);

    – Overgangsregeling behandeltermijnen (Stcrt. 1993, 120);

    – Vaststelling van regelen betreffende de vergoeding van kosten wegens extra-voeding aan zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1950, 172);

    – Uitvoering van art. 3, derde lid, WBPZ (Stcrt. 1951, 12); vervangen door: Regelen vergoeding kosten geneeskundige behandeling en verpleging zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1973, 185);

    – Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1989, 251);

    – Inkomen uit arbeid (Stcrt. 1987, 137);

    – Jeugdigengrondslag (Stcrt. 1986, 203);

    – Regelen inzake de verlening van vergoedingen van kosten van behandeling en verpleging (Stcrt. 1988, 38);

    – Bepaling begrip ‘inkomen’ bedoeld in art. 10, vijfde lid (Stcrt. 1984, 164);

    – Vaststelling grondslag bedoeld in art. 10, zesde lid (Stcrt. 1984, 164);

    – Nadere regels toezicht op uitgaven uitvoering Wubo 1940–1945 (Stcrt. 1989, 111);

    – Ministeriële Beschikking van 15 december 1989, nr. DVVB/WUPO 15 074 (Stcrt. 1989, 251);

    – Regeling ingangsdatum voorzieningen Wubo (Stcrt. 1995, 93);

    – Richtlijnen aanvraag m.b.t. het in aanmerking komen voor een uitkering (Stcrt. 1975, 186);

    – Verplichting voor uitkeringsgerechtigden inkomsten / vermogen op te geven (Stcrt. 1981, 36);

    – Regeling nr. DVV/BU-U-5194, d.d. 2 juli 1984, vervangen door Nadere regelen toezicht op uitgaven uitvoering Wuv 1940–1945 (Stcrt. 1989, 111);

    – Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1991, 243, gewijzigd bij (Stcrt. 1995, 78);

    – Overgangsregeling behandeltermijnen (Stcrt. 1993, 120);

    – Vaststelling rekenfactoren (jaarlijks in Staatscourant); Vaststelling bedrag bedoeld in art. 21 (Stcrt. 1984, 164, daarna nog wijzigingen);

    – Vaststelling percentage en vrij te laten bedrag bedoeld in art. 28, vierde lid, onder a (Stcrt. 1984, 164) -> ibidem;

    – Vaststelling vrijgesteld bedrag vermogen bij bepaling financiële draagkracht bedoeld in art. 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1987, 15);

    – Vaststelling bedrag genoemd in art. 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1989, 43) -> ibidem

    – Wijziging uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers (Stcrt. 1973, 76, daarna nog diverse wijzigingen);

    – Vaststelling grondslagen voor uitkeringen aan vervolgden (Stcrt. 1975, 110, idem);

    – Aanpassing vrij te stellen bedrag uit inkomsten uit vermogen i.v.m. prijsindexcijfer (Stcrt. 1980, 181, idem);

    – Besluit bedragen wetten uitkeringen en buitengewone pensioenen 1940–1945 en Indisch verzet (Stcrt. 1996, 24);

    – Vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds (jaarlijks in (Stcrt.);

    – Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996, 142, en Stb. 1996, 691);

    – Wijziging bedragen vermogensvrijstelling wetten uitkeringen buitengewone pensioenen 1940–1945 (Stcrt. 1997, 15);

    – Aanpassing bedragen draagkracht en vermogensvrijstelling ingevolge wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 januari 1998 (Stcrt. 1997, 250, (Stcrt. 1999, 25, (Stcrt. 2003, 5,(Stcrt. 2003, 240,(Stcrt. 2005, 3);

    – Aanpassing bedragen Besluiten draagkracht vervolgden en burger-oorlogsslachtoffers per 1 januari 1999 (Stcrt. 1999, 25);

    – Herziening percentage WUVuitkeringen (Stcrt. 1999, 68);

    – Aanpassing bedragen, grondslagen en percentages wetten oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1999, 163, (Stcrt. 2000, 25,(Stcrt. 2000, 128,(Stcrt. 2001, 34, Stcrt. 2001, 245,Stcrt. 2003, 12, (Stcrt. 2004, 22,(Stcrt. 2005, 13);

    – Vaststelling bedrag draagkracht vervolgden per 1 januari 2000 (Stcrt. 1999, 247, (Stcrt. 2000, 246,(Stcrt. 2001, 241);

    – Vaststelling percentage uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Stcrt. 1999, 248);

    – Vaststellingsregeling rekenfactor 2003 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en Wet buitengewoon pensioen zeelieden oorlogsslachtoffers (Stcrt. 2004, 52);

    – Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 2004, 282)

    – Aanpassingsregeling Wuv-uitkeringen Indonesië (Stcrt. 2004, 33, (Stcrt. 2005, 56)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 7.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van ‘zelfstandige’ Ministeriële regelingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product:

    – Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226; vervangt: Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945);

    – Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie, Stcrt. 1994, 198

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 8.

    Handeling: Het verlenen van medewerking aan de voorbereiding van de vaststelling, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ waarvan de Minister onder wie Welzijn ressorteert niet de eerste ondertekenaar is.

    Periode: 1945–

    Product: bijv.:

    – Besluit maatstaf aanpassingsmechanismen 1985 (Stb. 1985, 638 en );

    – Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (Stb. 1992, 733)

    Waardering: V, 10

    Handelingnr: 9.

    Handeling: Het geven van aanwijzingen van algemene aard met betrekking tot de uitvoering van de uitkerings- en pensioenwetten voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1945–

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 10.

    Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: bijvoorbeeld jaarverslagen

    Waardering: B 3

    Handelingnr: 11.

    Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: brieven, notities

    Waardering: B 2, 3

    Handelingnr: 12.

    Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: brieven, notities

    Waardering: B 3

    Handelingnr: 13.

    Handeling: Het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures op het beleidsterrein oorlogsgetroffenen’ en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen.

    Periode: 1945–

    Product: beschikkingen, verweerschriften

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 14.

    Handeling: Het (mede-)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van internationale regelingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

    Periode: 1945–

    Product: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 15.

    Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: brieven, notities

    Waardering: V, 2 jaar

    Handelingnr: 16.

    Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: voorlichtingsmateriaal

    Opmerking: Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (voorlichting als beleidsinstrument) valt onder handeling 1.

    Waardering: V, 2 jaar

    B 3: 1 exemplaar van het voorlichtingsmateriaal. De voorbereidende stukken worden vernietigd.

    Handelingnr: 17.

    Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Grondslag: bijvoorbeeld: Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 22 lid 3 (Stcrt. 1989, 251)

    Product: offertes, brieven, rapporten

    Waardering: B 1, 2

    Handelingnr: 18.

    Handeling: Het begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: notities, notulen, brieven

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 19.

    Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 20.

    Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Product: rekeningen, declaraties

    Waardering: V, 7 jaar

    Handelingnr: 21.

    Handeling: Het (op aanvraag) verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

    Periode: 1945–

    Grondslag: Bijvoorbeeld: Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, artt. 2, 3 en 8 (Stcrt. 1989, 251)

    Waardering: V, 7 jaar

    Handelingnr: 22.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een reglement persoonsregistratie m.b.t. ‘oorlogsgetroffenen’, conform de Wet persoonsregistraties.

    Periode: 1989–

    Bron: Wet persoonsregistraties, art. 19

    Product: Reglement persoonsregistratie Compensatieregeling motorrijtuigenbelasting oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1990, 237)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 23.

    Handeling: Het instellen en opheffen van commissies etc. betreffende het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ en het geven van regelen aangaande werkwijze en de vestigingsplaats van de commissies.

    Periode: 1945–

    Grondslag: Bijvoorbeeld Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid 1 en 2 (Stb. 1971, 111); Instellingsbesluit Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 3 (Stcrt. 1985, 44)

    Product: instellingsbeschikkingen

    Opmerking: Bijvoorbeeld

    – Commissie van advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (1952–1978);

    – Commissie van Advies (1968–1971);

    – Commissie van Advies (1971–1972);

    – Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers (WAC) (1975–1978);

    – Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (1985–1987);

    – Commissie Indisch Verzet (1983–);

    – Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1986–);

    – Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie (1992–);

    – Begeleidingscommissie naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen.

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 24.

    Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van (plv.) voorzitters, (plv.) secretarissen en/of (plv.) leden van commissies etc. op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ die niet bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of Ministerieel besluit zijn ingesteld.

    Periode: 1945–

    Grondslag: Bijvoorbeeld Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid (Stb. 1971, 111)

    Product: besluit

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 25.

    Handeling: Het toekennen van vacatiegeld of een vaste beloning aan de leden van bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of bij Ministerieel besluit ingestelde commissies op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’, aan haar (plv.) secretarissen alsmede aan deskundigen die meewerken aan de werkzaamheden van die commissies.

    Periode: 1945–

    Grondslag: Vacatiegeldenbesluit, artt. 1 en 2 (Stb. 1921, nr. 1452, vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1970, art. 1 (Stb. 1970, 577), vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1988, art. 1 (Stb. 1988, 205); Vacatiegeldenbesluit, art. 3 (Stb. 1921, nr. 1452, vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1970, art. 3 (Stb. 1970, 577), vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1988, art. 3 (Stb. 1988, 205); Regeling houdende regelen maximumbedragen (Sb. 1988, 98)

    Product:

    – Regeling vaststelling vacatiegelden Uitkeringsraad (Stcrt. 1989, 89);

    – Regeling vaststelling vacatiegelden Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1989, 89);

    – Regeling vaststelling vacatiegelden Commissie Indisch Verzet (Stcrt. 1989, 89)

    – Besluit toekenning Vacatiegeld (Stcrt. 1989, 212)

    Opmerking: tot 1988 werd de term ‘Ministeriële beschikking’ gebruikt i.p.v. ‘Ministerieel besluit’.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking van de regeling

    Handelingnr: 26.

    Handeling: Het goedkeuren van door de commissies vastgestelde reglementen, regelende de werkzaamheden van die commissie.

    Periode: 1986–

    Product: beschikking

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (WBP 1940–1945)

    Handelingnr: 27.

    Handeling: Het zorgdragen voor de verstrekking van gegevens omtrent te verrekenen inkomsten van in het Rijk buiten Europa woonachtige gepensioneerden in de zin der WBP 1940–1945 en der WBPZ.

    Periode: 1948–

    Grondslag: KB houdende regels ter uitvoering van art. 12 lid 1 van Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, van 9 augustus 1948, art. 13 (Stb. 1948, I 362); KB van 6 september 1949 als bedoeld in art. 11 lid 1, van de WBPZ, art. 12 (Stb. 1949, J 418)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 28.

    Handeling: Het herzien van het bij de verrekening van inkomsten uit eigen vermogen vrij te stellen bedrag voor een pensioengerechtigde ingevolge de WBP 1940–1945 alsmede de WBPZ.

    Periode: 1977–

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 12 sub a (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394); WBPZ, art. 12 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394)

    Product: Herziening diverse bedragen Wuv 1940–1945, WBP 1940–1945, alsmede WBPZ (Stcrt. 1978, 41, Stcrt. 1990, 30, incl. ook Wiv en Wubo 1940–1945)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 29.

    Handeling: Het doen van een voordracht tot benoeming, schorsing en ontslag, bij koninklijk besluit, van de (plaatsvervangend) voorzitter en de (plaatsvervangende) leden van de Buitengewone Pensioenraad, na de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940–1945 gehoord te hebben.

    Periode: 1947–1990

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 21, lid 2 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1987, 568)

    Product: voordrachten

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 30.

    Handeling: Het doen van een voordracht omtrent de vaststelling, bij koninklijk besluit, van de vergoeding voor de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van de Buitengewone Pensioenraad

    Periode: 1947–1990

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 23 (Stb. 1947, H313)

    Product: KB van 11 juli 1956, nr. 13 (niet gepubliceerd)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 31.

    Handeling: Het goedkeuren van een door de Buitengewone Pensioenraad aan zijn secretaris verleend mandaat, om beslissingen te nemen die voortvloeien uit de toepassing van de WBP 1940–1945.

    Periode: 1985–1990

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 21, lid 7 sub b (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1985, 766)

    Opmerking: De mandaatregels zijn goedgekeurd door de Minister bij besluit van 22 januari 1986.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 32.

    Handeling: Het vaststellen van voorschriften volgens welke verstrekte voorschotten worden verrekend.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 4 (Stb. 1948, I28)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 33.

    Handeling: Het vaststellen van het vergoedingsbedrag voor de Stichting 1940–1945 dat per uitbetaald pensioenbedrag wordt vergoed

    Periode: 1948–1992

    Grondslag: Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 7 (Stb. 1948, I28)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 34.

    Handeling: Het doen uitbetalen van een buitengewoon pensioen aan een verwante van een pensioengerechtigde, totdat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of totdat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd

    Periode: 1947–1986

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 33, lid 2 en 3 (Stb. 1947, H313); WBPZ, art. 30, lid 2 en 3 (Stb. 1947, H420)

    Opmerking: Deze handeling is in 1986 overgegaan op de Buitengewone Pensioenraad, bij wijzigingswet, Stb. 1986, 360

    Waardering: V, 10 jaar na beëindiging

    Handelingnr: 35.

    Handeling: Het doen uitbetalen van een deel van een buitengewoon pensioen aan een pensioengerechtigde, nadat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of nadat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd.

    Periode: 1947–1986

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 3 lid 2 (Stb. 1947, H313, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1985, 766); WBPZ, art. 30, lid 3 (Stb. 1947, H420, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1986, 360)

    Waardering: V, 10 jaar na beëindiging

    Handelingnr: 36.

    Handeling: Het verlenen van een machtiging aan de Buitengewone Pensioenraad om een vervallen buitengewoon pensioen ingevolge de WBP 1940–1945 opnieuw toe te kennen en/of van gehele of gedeeltelijke invordering van vorderingen die uit de WBP 1940–1945 voortvloeien en aan het Rijk toekomen af te zien.

    Periode: 1954–

    Grondslag: WBP 1940–1945, art. 34, lid 2 en 35 sub a (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1954, 313)

    Waardering: V, 10 jaar

    Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (WBPZ)

    Handelingnr: 37.

    Handeling: Het toekennen, herzien of vervallen verklaren van een buitengewoon pensioen aan een zeeman of diens ‘nagelaten betrekkingen’.

    Periode: 1960–

    Grondslag: WBPZ, art. 3, art. 14 en art. 21–27 (Stb. 1947, H420)

    Opmerking: Een buitengewoon pensioen kan blijvend of voorlopig worden toegekend (WBPZ, art. 4); berekening van het pensioen geschiedt op basis van de zgn. ‘pensioengrondslag’ (= jaarbedrag dat naar redelijkheid nodig is om de zeeman in staat te stellen te leven op de voet, waarop gelijksoortige valide personen gemiddeld leven ten tijde van de inwerkingtreding van de WBPZ (WBPZ, art. 7))

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 317.

    Handeling: Het opstellen van een contramemorie.

    Periode: 1960–

    Grondslag: Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ, art. 4 lid 3 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: In deze contramemorie geeft de Minister zijn zienswijze weer ten aanzien van het ingediende bezwaarschrift.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 40.

    Handeling: Het goedkeuren van een besluit van de Buitengewone Pensioenraad inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan een zeeman, die daar op grond van de criteria in de WBPZ geen recht op heeft.

    Periode: 1960–

    Grondslag: WBPZ, art. 3, lid 5 (Stb. 1947, H420)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 41.

    Handeling: Het verlenen van een machtiging aan de BPR om een vervallen buitengewoon pensioen ingevolge de WBPZ opnieuw toe te kennen en/of van gehele of gedeeltelijke invordering van vorderingen die uit de WBPZ voortvloeien en aan het Rijk toekomen af te zien.

    Periode: 1960–

    Grondslag: WBPZ, art. 31 sub a (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1956, 353)

    Waardering: V, 10 jaar

    Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers

    Handelingnr: 42.

    Handeling: Het, op verzoek van de weduwe van een zeeman, herzien van een beslissing van de Buitengewone Pensioenraad omtrent de toekenning, wijziging, intrekking of weigering van een uitkering ingevolge de WBPZ.

    Periode: 1960–1974

    Grondslag: KB, houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers, art. 9 (Stb. 1956, 106)

    Waardering: B 6

    Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW en AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen

    Handelingnr: 43.

    Handeling: Het toekennen van vergoeding van betaalde AOW- en AWW-premie, geheven over een pensioen dat is toegekend krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachoffers

    Periode: 1957–

    Grondslag: Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1957, 446); Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1957, 447); Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW en AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1966, 357)

    Waardering: V, 10 jaar

    Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (WIV)

    Handelingnr: 44.

    Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een door de Buitengewone Pensioenraad ingevolge de WIv genomen besluit, het bepalen van een schorsende werking van dit beroep en het verzoeken aan de CRvB een door de BPR op grond van onjuist gebleken feiten genomen besluit in het nadeel van betrokkene te herzien.

    Periode: 1986–1995

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 46, 48 lid 3, art. 54 (Stb. 1986, 360)

    Opmerking: Vanaf 1990 is ‘BPR’ gewijzigd in ‘PUR’. ‘Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep en het bepalen van een schorsende werking van dit beroep’ is als handeling vervallen in 1993; ‘Het verzoeken aan de Centrale Raad van Beroep een door haar op grond van onjuist gebleken feiten genomen beslissing in het nadeel van betrokkene te herzien’ is als handeling vervallen in 1995.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 45.

    Handeling: Het instemmen met de Buitengewone Pensioenraad met het door deze Raad van toepassing verklaren van de WIv op personen, voor wie het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn indien zij uitgesloten zouden worden van de toepassing van de WIv.

    Periode: 1986–1998

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 3 lid 2 (Stb. 1986, 360, zoals gewijzigd bij Stb. 1997, 510)

    Opmerking: Vanaf 1990 is ‘BPR’ gewijzigd in ‘PUR’.

    Waardering: V, 10 jaar

    Regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen (Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIV)

    Handelingnr: 46.

    Handeling: Het vaststellen of bijstellen van begrotingsvoorstellen van de Buitengewone Pensioenraad/ Pensioen- en uitkeringsraad en het bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

    Periode: 1989–

    Grondslag: Ministeriële regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 3 lid 3 (Stcrt. 1989, 111: Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIv)

    Waardering: V, 7 jaar

    Handelingnr: 47.

    Handeling: Het aanwijzen van een registeraccountant en andere personen voor controle op de financiële verantwoording van de Buitengewone Pensioenraad/ Pensioen- en uitkeringsraad en het bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

    Periode: 1989–

    Grondslag: Ministeriële Regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen, artt. 4 en 5 (Stcrt. 1989, 111: Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIv)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten

    Handelingnr: 48.

    Handeling: Het geven van voorschriften aan de uitvoeringsinstelling ten aanzien van de inrichting van de administratie, van een subsidieaanvraag en van de daarbij mee te sturen begroting, van de jaarrekening, de financiële verantwoording en het verslag van de activiteiten.

    Periode: 1989–

    Grondslag: Ministeriële regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 9 lid 4, art.19 lid 5 en (Stcrt. 1989, 251)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 49.

    Handeling: Het geven van nadere aanwijzingen aan de registeraccountant en de accountant-administratieconsulent met betrekking tot de financiële controle op de naleving van subsidievoorwaarden.

    Periode: 1989–

    Grondslag: Ministeriële regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 13 lid 3 (Stcrt. 1989, 251)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945

    Handelingnr: 50.

    Handeling: Het nemen van een beslissing inzake de verstrekking van voorzieningen.

    Periode: 1950–

    Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 (1950), Hoofdstuk XII

    Opmerking: de voorzieningen betreffen vergoedingen:

    – ter gehele of gedeeltelijke dekking van begrafeniskosten;

    – ter tegemoetkoming in niet door ziekte- of ziekenhuisverzekering gedekte uitgaven in verband met lichamelijke of geestelijke gesteldheid;

    – ter bestrijding van kosten van huishoudelijke hulp bij gehele of gedeeltelijke invaliditeit of ontstentenis van diegene, die gewoonlijk het huishouden voert;

    – in andere bijzondere gevallen waaronder scholing, herscholing, omscholing, kredietverstrekking, uitgaven ter verkrijging of herkrijging van economische zelfstandigheid, enz.

    Het gaat hier expliciet om het beslissen. In de meeste gevallen beslist het uitvoeringsorgaan zelf. Het verstrekken gebeurt ook door het uitvoeringsorgaan.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 51.

    Handeling: Het vaststellen van het bedrag voor de vergoeding van de kosten voortvloeiende uit de werkzaamheden ter uitvoering van de Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1950–

    Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945, Hoofdstuk XVI.4 (1950)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 52.

    Handeling: Het geven van voorschriften aan de uitvoerders van de regeling (B&W van gemeenten) met betrekking tot de juiste uitvoering van de Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 en het toezicht daarop.

    Periode: 1950–1960

    Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 (1950), Hoofdstuk V.5, V.10b, IX.3, XIII, XIV

    Product: Rondschrijven houdende voorschriften en richtlijnen nopens Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945) (1950)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 53.

    Handeling: Het in beroep beslissen omtrent een door het uitvoerend orgaan of door de Directeur van de Dienst voor Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Binnenlandse Zaken genomen beslissing.

    Periode: 1950–1960

    Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945, hfdst. XV (1950)

    Waardering: B 5

    Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945

    Handelingnr: 54.

    Handeling: Het opstellen van nadere regelen met betrekking tot de uitvoering en de kosten verbonden aan de uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid 1, 28 lid 1, 28 lid 2 (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 55.

    Handeling: Het beslissen over een korting op de uitkering van een oorlogsslachtoffer dan wel op een verzoek om vergoeding van uitgaven voor een bijzondere uitkering aan een oorlogsgetroffene door het gemeentebestuur.

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 23 lid 3, art. 13 lid 2 (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 56.

    Handeling: Het beslissen in gevallen waarin ten aanzien van de uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226) twijfel bestaat, dan wel waarin de regeling niet voorziet, na overleg met het gemeentebestuur.

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 26 (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 57.

    Handeling: Het goedkeuren van de voortzetting van de uitbetaling ingevolge de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226) van een uitkering aan een oorlogsslachtoffer gedurende de tijd dat deze zich buiten Nederland bevindt.

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 17b (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 58.

    Handeling: Het beslissen in een beroep van een belanghebbende tegen een door het gemeentebestuur genomen beslissing.

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 27 (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 59.

    Handeling: Het houden van toezicht op de juiste uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226)

    Periode: 1960–1963

    Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 25 (Stcrt. 1960, 226)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 60.

    Handeling: Het herzien van grondslagen (inkomen), percentages en bedragen, genoemd in de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1969–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 3, art. 4 lid 4, art. 4 lid 2 3d (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393, Stb. 1974, 92 en Stb. 1977, 707); KB houdende nadere regelingen betreffende de herziening van uitkeringen etc., art. 1 (Stb. 1976, 456)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 61.

    Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin niet alle overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde en van zijn echtgenote ten volle op de uitkering in mindering worden gebracht.

    Periode: 1964–1974

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 13 lid 1 (Stb. 1964, 549)

    Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 62.

    Handeling: Het bepalen van het bedrag voor persoonlijke uitgaven.

    Periode: 1969–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 7a lid 3 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393)

    Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het ‘persoonlijk bedrag’ vormt een deel van de periodieke uitkering van de alleenstaande uitkeringsgerechtigde wanneer deze verzorging of verpleging met een blijvend karakter krijgt; zie art.7a lid 1 Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffer zoals ingevoegd bij KB van 16 augustus 1969, Stb. 1969, 393.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 63.

    Handeling: Het bepalen dat de termijn (van drie maanden), waarbinnen de toepasselijkheid van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers nièt eindigt bij een verblijf in het buitenland, mag worden overschreden.

    Periode: 1964–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 1 lid 3 (Stb. 1964, 549)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 64.

    Handeling: Het vaststellen en herzien van de grondslag van de pensioenen en uitkeringen, van de percentages en van de bedragen van extra toe te kennen vergoedingen en in te houden bedragen, zoals deze zijn omschreven in de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers.

    Periode: 1969–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 3, art. 4 lid 2 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1974, 92 en Stb. 1977, 707); KB houdende nadere regelingen betreffende de herziening van uitkeringen etc., art. 1 (Stb. 1976, 456)

    Opmerking: De Minister is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 65.

    Handeling: Het (vooraf) instemmen met de verstrekking van een vergoeding in de kosten van bijstand wegens een bijzondere uitkering die een bedrag van ƒ500,- per jaar te boven gaat.

    Periode: 1964–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 20 lid 2 (Stb. 1964, 549)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 66.

    Handeling: Het verlenen van een bijdrage in de aan de uitvoering van Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549) verbonden kosten.

    Periode: 1964–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 21 (Stb. 1964, 549)

    Waardering: V. 10 jaar

    Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO)

    Handelingnr: 67.

    Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een besluit van de Raad uikeringen burgeroorlogsslachtoffers ingevolge de Wubo.

    Periode: 1984–1993

    Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, artt. 47, 57, 61 (Stb. 1984, 94)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 68.

    Handeling: Het bepalen van de plaats waar de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers zijn zetel heeft.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 46 (Stb. 1984, 94)

    Waardering: V, 10 jaar na opheffing

    Handelingnr: 69.

    Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de (plv.) voorzitter en de (plv.) leden van de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 46, lid 3 (Stb. 1984, 94)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 70.

    Handeling: Het goedkeuren van een regeling op basis waarvan de secretaris van de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers het nemen van beslissingen krijgt opgedragen

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 47 lid 2 (Stb. 1984, 94)

    Opmerking: Het gaat hier bijvoorbeeld om de ‘Mandaatregeling secretaris Rubo’; goedgekeurd bij Beschikking van de Staatssecretaris WVC (Stcrt. 1986, 119)

    Waardering: V, 10 jaar

    Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers

    Handelingnr: 71.

    Handeling: Het herzien van het percentage van het vermogen dat als zuivere inkomsten uit vermogen wordt beschouwd bij het bepalen van de draagkracht van het burgeroorlogsslachtoffer, in verband met de verstrekking van voorzieningen, verband houdend met ziekten en gebreken, zoals bedoeld in de Wubo.

    Periode: 1984–

    Grondslag: Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers, art. 5 (Stb. 1984, 385)

    Waardering: V, 10 jaar

    Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945

    Handelingnr: 72.

    Handeling: Het – in individuele gevallen – bepalen dat mag worden afgeweken van het gestelde in de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 1 lid 2, art. 6 lid 2, (Stb. 1971, 111)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 73.

    Handeling: Het herzien van grondslagen, percentages, bedragen en het inkomen, zoals beschreven in de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 12 lid 1 en 3 en art. 13 lid 4 (Stb. 1971, 111)

    Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV)

    Handelingnr: 74.

    Handeling: Het bepalen van de plaats waar de Uitkeringsraad zijn zetel heeft.

    Periode: 1972–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 23 lid 1 (Stb. 1972, 669)

    Waardering: V, 10 jaar na opheffing

    Handelingnr: 75.

    Handeling: Het voordragen voor benoeming, schorsing en ontslag van de (plv.) voorzitter en de (plv.) leden van de Uitkeringsraad.

    Periode: 1972–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 24 (Stb. 1972, 669)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 76.

    Handeling: Het verlenen van goedkeuring aan een reglement waarin de Uitkeringsraad zijn werkzaamheden regelt.

    Periode: 1983–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, 26, lid 2 (Stb. 1972, 669)

    Product: Goedkeuring verleend door de Minister bij brief van 9 januari 1984 (Stcrt. 1984, 70)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 77.

    Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een besluit van de Uitkeringsraad ingevolge de Wuv 1940–1945

    Periode: 1972–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 27 lid 1 t/m 4, art. 45, art. 61 lid 2b (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 78.

    Handeling: Het instemmen met het van toepassing verklaren van de Wuv op personen, voor wie het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn indien zij van de toepassing van de Wuv zouden worden uitgesloten, door de Uitkeringsraad.

    Periode: 1972–1989

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 1 (Stb. 1972, 669)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 79.

    Handeling: Het verlenen van goedkeuring aan door de Uitkeringsraad gestelde regels omtrent het aan het ABP of aan de secretaris verlenen van een mandaat om namens de Uitkeringsraad beslissingen te nemen.

    Periode: 1983–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 26 lid 2 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)

    Product: Beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 27 januari 1989, (Stcrt. 1989, 35)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 80.

    Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de secretaris en ander personeel van het secretariaat alsmede de geneeskundig adviseurs van de Uitkeringsraad.

    Periode: 1972–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 28 lid 2 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)

    Opmerking: handeling in 1983 gewijzigd in ‘het benoemen, schorsen en ontslaan van de secretaris en diens medewerkers’.

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 81.

    Handeling: Het met de Uitkeringsraad en de directie van het ABP gezamenlijk treffen van een regeling waarin afspraken over verantwoordelijkheden, wijze van samenwerken en financiële verhoudingen worden vastgelegd voor zover de Wuv hierin niet voorziet.

    Periode: 1983–1990

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 28 lid 4 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)

    Product: Samenwerkingsregeling (Stcrt. 1984, 70)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 82.

    Handeling: Het beslissen op vragen – voortkomend uit de uitvoering van de Samenwerkingsregeling of anderszins – waarover de Uitkeringsraad en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds niet tot overeenstemming weten te komen.

    Periode: 1983–1990

    Grondslag: Samenwerkingsregeling, art. 10 (Stcrt. 1984, 70)

    Opmerking: Het gaat hier om alle vragen op het gebied van de uitvoering van de samenwerkingsregeling. Bijvoorbeeld competentievragen.

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 83.

    Handeling: Het aan het ABP vergoeden van de kosten van de uitvoering van de W.U.V..

    Periode: 1984–

    Grondslag: Samenwerkingsregeling, § 2.1C (Stcrt. 1984, 70)

    Waardering: V, 7 jaar

    Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR)

    Algemene opmerking mbt. de Aor: De bevoegdheden van de Gouverneur-generaal, zoals deze in de Aor zijn beschreven, worden sinds 1954 uitgeoefend door de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Handelingnr: 84.

    Handeling: Het instellen van plaatselijke commissies die bij uitsluiting beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit de Aor.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48, Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Opmerking: Door de gewijzigde omstandigheden kan deze handeling vanaf 1954 gelezen worden als ‘het instellen van een commissie die met de uitvoering van de Aor wordt belast en voorstellen zal doen met betrekking tot de verder nodige voorzieningen’ (zoals gesteld in de considerans van het Instellingsbesluit Commissie Aor).

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 85.

    Handeling: Het aanwijzen en (mede)inrichten van een centrale commissie die bijzondere aanwijzingen kan geven aan plaatselijke commissies ten aanzien van beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit deze regeling.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 86.

    Handeling: Het nemen van beslissingen ten aanzien van toekenning, herziening en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen aan oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 7 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Product: Beschikking van de Minister van Maatschappelijk Werk van 2 juni 1960, nr. 19278, houdende regels omtrent de toekenning van een uitkering op grond van de AOR aan nabestaanden van oorlogsslachtoffers die niet tengevolge van oorlogsletsel zijn overleden (Stcrt. 1960, 106)

    Opmerking: Bij deze beschikking mag de Commissie pas een uitkering verstrekken aan iemand die overleden is door andere oorzaken dan oorlogsletsel, als zij daartoe gemachtigd is door de Minister.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 87.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een Ministeriële regeling inzake regels omtrent toekenning van een uitkering op grond van de Aor aan nabestaanden van oorlogsslachtoffers die niet tengevolge van oorlogsletsel zijn overleden.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 7 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Product: Beschikking van de Minister van Maatschappelijk Werk van 2 juni 1960, nr. 19278, houdende regels omtrent de toekenning van een uitkering op grond van de AOR aan nabestaanden van oorlogsslachtoffers die niet tengevolge van oorlogsletsel zijn overleden (Stcrt. 1960, 106)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 88.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van regeringsverordeningen met betrekking tot oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 8 lid 3, 11 lid 2, art. 28 lid 1c en art. 52 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 1

    Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motor-rijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945

    Handelingnr: 89.

    Handeling: Het op verzoek verlenen van een vergoeding voor de verschuldigde motorrijtuigenbelasting aan een pensioengerechtigde (ingevolge de WBP 1940–1945, WBPZ, Wuv, Wubo of de Aor) (of diens vervoerder).

    Periode: 1983–

    Grondslag: Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen, art. 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510 en Stb. 1995, 547)

    Opmerking: de Minister is actor met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (tot 1995) en de Minister van Defensie samen.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 90.

    Handeling: Het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling omtrent regels en voorwaarden ten aanzien van de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1983–

    Grondslag: Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945, art. 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510)

    Opmerking: de Minister is actor met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (tot 1995) en de Minister van Defensie samen.

    Waardering: B 1

    Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie naoorlogse generatie

    Handelingnr: 91.

    Handeling: Het instellen van een onderzoek naar de effectiviteit van de Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie naoorlogse generatie

    Periode: 1994–

    Grondslag: Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie, art. 6, lid 2 (Stcrt. 1994, 198)

    Opmerking: Het instellen van dit onderzoek dient plaats te vinden binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling

    Waardering: B 2, 3: onderzoeksopdracht en eindproduct

    V, 10 jaar: rest

    Wijzigingswet Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, enz.

    Wet Stichting ICODO

    Handelingnr: 92.

    Handeling: Het oprichten van de Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Wet Stichting ICODO, art. 1 (Stb. 1983, 588); Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, bijlage bij Wet Stichting ICODO.

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 93.

    Handeling: Het, na overleg met het bestuur, mede benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur van de Stichting ICODO en diens voorzitter, het mede goedkeuren van de aanwijzing van een plaatsvervangend voorzitter door het bestuur alsmede het mede aanwijzen van adviseurs van het bestuur en hun plaatsvervangers.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 4 lid 1, 2, 3 en 5, bijlage bij Wet Stichting ICODO.

    Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de Minister van Defensie.

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 94.

    Handeling: Het bepalen van de vergoeding voor de voorzitter, het goedkeuren van de door het bestuur vastgestelde salarissen en overige arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden van het bureau dat de stichting bijstaat.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 5 lid 3 en 6, bijlage bij Wet Stichting ICODO, (Stb. 1983, 588)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 95.

    Handeling: Het geven van goedkeuring aan voorgenomen besluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen door het bestuur.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 7 lid 3, bijlage bij Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588)

    Waardering: V, 20 jaar na aanpassing

    Handelingnr: 96.

    Handeling: Het goedkeuren van de begroting.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 7 lid 4, bijlage bij Wet Stichting ICODO, (Stb. 1983, 588)

    Product: Beschikking

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 97.

    Handeling: Het mede goedkeuren van een besluit tot statutenwijziging of tot ontbinding van de stichting en het mede bepalen welke bestemming aan een eventueel batig liquidatiesaldo van de stichting zal worden gegeven.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 9 lid 4, art. 10 lid 2, bijlage bij Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588)

    Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de Minister van Defensie.

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 98.

    Handeling: Het mandateren van bevoegdheden aan de Stichting ICODO.

    Periode: 1998–2004

    Product: Mandaatbesluit ICODO (Stcrt. 1998, 84)

    Waardering: B 4

    Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Wet PUR)

    Handelingnr: 99.

    Handeling: Het voordragen, bij Koninklijk Besluit, tot benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter en de leden van het bestuur van de Pensioen- en uitkeringsraad en de voorzitters van elk der Kamers.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 5 lid 2, art. 11 lid 3 (Stb. 1990, 324)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 100.

    Handeling: Het instemmen met het sluiten van contracten voor het door derden laten uitvoeren van werkzaamheden van de PUR.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 16 (Stb. 1990, 324)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 101.

    Handeling: Het goedkeuren van de begroting en de meerjarenraming van de PUR.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 22 lid 4 (Stb. 1990, 324)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 102.

    Handeling: Het aanwijzen van de vestigingsplaats van de PUR.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 18 en 24 lid 3 (Stb. 1990, 324)

    Product: Aanwijzing vestigingsplaats (Stcrt. 1993, 60)

    Waardering: V, 10 jaar na opheffing

    Handelingnr: 103.

    Handeling: Het verlenen van goedkeuring aan door de Pensioen- en Uitkeringsraad opgestelde regels -regelende de werkwijze van de organen en het bureau, het nemen van beslissingen en vergoedingen voor bestuursleden-, voor het laten uitvoeren van werkzaamheden ingevolge de Wet PUR door derden en aan de begroting van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 9 lid 1 en 2, artt. 13, 16 en 22 (Stb. 1990, 324)

    Product:

    Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad, besluit van het bestuur van de Pensioen- en Uitkeringsraad van 14 november 1991, tot vaststelling van de regels bedoeld in art. 9 eerste lid van de Wet PUR (Stcrt. 1992, 98);

    Het nemen van mandaatbeslissingen als bedoeld in art.12, onder b, van de Wet PUR, besluit van het bestuur van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot vaststelling van de regels bedoeld in art. 9 tweede lid van de Wet PUR (Stcrt. 1992, 44)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 104.

    Handeling: Het jaarlijks ter beschikking stellen van budgetten om de verschillen tussen de geraamde kosten uit de goedgekeurde begroting en de inkomsten van de PUR te dekken.

    Periode: 1991–1994

    Grondslag: Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 6 (Stb. 1991, 645)

    Opmerking: Hierbij geldt dat de PUR de geraamde kosten niet mag overschrijden en een tekort gevolg is van te weinig inkomsten.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 105.

    Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden en plaatsvervangende leden van elk der Kamers van de PUR.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 11 lid 4 (Stb. 1990, 324)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 106.

    Handeling: Het aanwijzen van personen die met de uitoefening van controle op de uitvoering van uitkerings- en pensioenwetten betreffende oorlogsgetroffenen worden belast en zijn gerechtigd tot het bijwonen van een vergadering van het bestuur van de PUR.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 17 (Stb. 1990, 324)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen

    Handelingnr: 107.

    Handeling: Het verlenen, wijzigen en intrekken van subsidie in de kosten van activiteiten voor oorlogsgetroffenen aan de begeleidende instellingen op grond van de onderscheiden wetten voor oorlogsgetroffenen uit te voeren taken en de immateriële dienstverlening.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen, art. 2, 3 en 10 (Stcrt. 1989, 251, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1991, 243 en Stcrt. 1995, 78)

    Opmerking: activiteiten zijn: rapportage, uitbetaling, maatschappelijk werk en steunfunctie; wetten voor oorlogsgetroffenen zijn: WBP 1940–1945, WBPZ, WIV, Wuv en Wubo.

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 108.

    Handeling: Het geven van voorschriften aan instellingen die subsidie verlangen ten aanzien van de inrichting van de aanvraag en de begroting, de inrichting van de jaarrekening, de financiële verantwoording en het verslag van de activiteiten en de inrichting van de administratie.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen, art. 9 lid 4, art. 12 lid 3 en art. 19 lid 5 (Stcrt. 1989, 251, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1991, 243 en Stcrt. 1995, 78)

    Opmerking: instellingen dienen hun administratie en de daarbij behorende bewijsstukken minimaal 10 jaar te bewaren (art. 19 lid 4)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 109.

    Handeling: Het geven van nadere aanwijzingen aan de registeraccountant en de accountant-administratieconsulent met betrekking tot de financiële controle op de naleving van de subsidievoorwaarden.

    Periode: 1990–

    Grondslag: Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen, art. 13, lid 3 (Stcrt. 1989, 251, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1991, 243 en Stcrt. 1995, 78)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Handelingnr: 110.

    Handeling: Het bepalen van de vergoeding die een instelling -in bepaalde gevallen- verschuldigd is aan het Rijk bij ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen, bij wijziging van de bestemming van eigendommen, bij vervreemding van eigendommen, bij beëindiging van de activiteiten of bij ontbinding van de instelling.

    Periode: 1989–

    Grondslag: Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen, art. 20, lid 1 en 3 (Stcrt. 1989, 251, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1991, 243 en Stcrt. 1995, 78)

    Waardering: V, 10 jaar

    Herdenking van oorlogsgetroffenen

    Handelingnr: 111.

    Handeling: Het aanwijzen van ambtelijke adviseurs ter toevoeging aan het comité voor de viering van de bevrijding.

    Periode: 1981–

    Grondslag: Instellingsbesluit Comité Nationale Viering Bevrijding, art. 2 lid 4 (Stcrt. 1981, 55, gewijzigd bij Stcrt. 1986, 68)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 112.

    Handeling: Het ter benoeming voordragen van leden van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 3 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Product: voordracht, KB ter benoeming

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 113.

    Handeling: Het goedkeuren van de benoeming van leden van commissies voor de uitvoering van besluiten van het comité, die geen lid zijn van het comité.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, lid 8 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Product: Goedkeuringsbesluit

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 114.

    Handeling: Het goedkeuren van de statuten van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 9 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Handelingnr: 115.

    Handeling: Het goedkeuren van de arbeidsrechtelijke verhoudingen tussen het administratief personeel en de stichting Nationaal Comité 4 en 5 mei.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 11 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Actor: het Adviescollege besteding vierde tranche – adviescollege Dolman

    Handelingnr: 116.

    Handeling: Het adviseren over de toewijzing van het geld uit het vierde deel van de goudpool aan projecten

    Periode: 1998–1999

    Grondslag: (Stcrt. 1998, 164

    Product: adviesrapport (1999)

    Opmerking: de projecten zijn op een drietal terreinen gericht:

    – de zorg en/of dienstverlening aan de huidige nog levende en in Nederland woonachtige groep slachtoffers van de nazi-vervolging die gericht was op vernietiging en hun nabestaanden;

    – het opnieuw leven inblazen van kennis- en cultuurtraditie, die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was;

    – het instandhouden van de herinnering aan de omgekomenen in de Tweede Wereldoorlog

    Waardering: B 6

    Actor: de Adviescommissie Bijzondere Voorzieningen dienst- en reserveplichtig personeel KNIL

    Handelingnr: 117.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert over uitkeringen op de voet van de WUV 1940–1945 aan het dienst- en reserveplichtig personeel van het voormalig KNIL

    Periode: rond 1981

    Grondslag: Staatsalmanak 1981, p. U 19

    Waardering: B 5

    Actor: de Adviescommissie Huyser

    Handelingnr: 118.

    Handeling: Het doen van een voorstel voor de oprichting van een publiekrechtelijke organisatie voor de uitvoering van de wetten met betrekking tot de pensioenen van oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1989

    Product: Adviesrapport ‘In de steigers’

    Waardering: B 1

    Actor: de Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden

    Handelingnr: 119.

    Handeling: Het toetsen van de ingediende educatieve projectvoorstellen aan de in de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 december 1997 genoemde criteria alsmede aan door de Minister vast te stellen wijzigingen van dat beleid en die criteria

    Periode: 1998–2006

    Grondslag: Instellingsbesluit Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden, art. 3 (Stcrt. 1998, 184)

    Product: toetsingsrapport

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 120.

    Handeling: Het adviseren van de Minister over het al dan niet honoreren van de aanvragen projectsubsidie gezien de doelstellingen en de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de ingediende educatieve projectvoorstellen.

    Periode: 1998–2006

    Grondslag: Instellingsbesluit Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden, art. 3 (Stcrt. 1998, 184)

    Product: adviesrapport

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Adviescommissie uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen

    Handelingnr: 121.

    Handeling: Het geven van advies aan de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert over de mogelijkheden van vereenvoudiging van procedures in het kader van de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen zonder dat daardoor de bestaande wetssystematiek zal worden aangetast.

    Periode: 1998–

    Grondslag: Instellingsbesluit (Stcrt. 1998, 14)

    Product: Adviesrapport ‘Eenvoudig beter, aanbevelingen tot verbetering en vereenvoudiging van de (uitvoering van de) wetten voor oorlogsgetroffenen’ (1999).

    Waardering: B 1

    Actor: de Adviesgroep protocollering medische causaliteitsbeoordeling

    Handelingnr: 122.

    Handeling: Het opstellen van richtlijnen voor het medisch onderzoek naar het causaal verband tussen de ziekten/ gebreken/ invaliditeit en de oorlogservaringen van aanvragers van uitkeringen op grond van de wetten voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1990

    Product: Adviesrapport ‘Richtlijnen bij de medische causaliteitsbeoordeling’

    Waardering: B 1

    Actor: de Begeleidingscommissie naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen

    Handelingnr: 123.

    Handeling: Het beoordelen van tussentijdse en eindrapportages van het onderzoeksproject.

    Periode: 1992–1996

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Onderzoek late problematiek Indische Jeugdige Oorlogsgetroffenen, art. 2 (Stcrt. 1993, 14)

    Product: beoordelingsverslagen

    Opmerking: Het bewaken van de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Utrecht valt onder deze handeling.

    Waardering: B 5, inclusief de tussentijdse en eindrapportages die beoordeeld worden en het eindproduct: onderzoeksrapport: G.T.M. Mooren, R.J. Kleber, ‘Gezondheid en herinneringen aan de oorlogsjaren van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen: een empirisch onderzoek’, Utrecht: Universiteit, 1996

    V, 10 jaar: overige neerslag

    Handelingnr: 124.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert, over te nemen beslissingen ten aanzien van eventuele verzoeken van de Rijksuniversiteit Utrecht die tot overschrijdingen van de gestelde termijn of de begroting en eventuele inhoudelijke afwijkingen van het onderzoeksvoorstel zouden kunnen leiden.

    Periode: 1992–1996

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Onderzoek late problematiek Indische Jeugdige Oorlogsgetroffenen, art. 2 (Stcrt. 1993, 14)

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie

    Handelingnr: 125.

    Handeling: Het beoordelen van tussentijdse en eindrapportages van het onderzoek naar de problematiek van de Indische na-oorlogse generatie in Nederland.

    Periode: 1992–1994

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie, art. 2 (Stcrt. 1992, 160)

    Product: beoordelingsverslagen

    Opmerking: Het bewaken van de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van het Instituut voor Psychotrauma (IvP) maakt onderdeel uit van deze handeling.

    Waardering: B 5, inclusief de tussentijdse en eindrapportages die beoordeeld worden en het eindproduct: onderzoeksrapport: P.G. van der Velden, J. Eland, R.J. Kleber, De Indische naoorlogse generatie, Bohn Stafleu Van Lochum, Houten 1994, ISBN 90 313 1787 X/ NUGI 661/758

    V, 10 jaar: overige neerslag

    Handelingnr: 126.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert over te nemen beslissingen ten aanzien van eventuele verzoeken van het Instituut voor Psychotrauma die tot overschrijdingen van de gestelde termijnen of de begroting en eventuele inhoudelijke afwijkingen van het onderzoeksvoorstel zouden kunnen leiden.

    Periode: 1992–1994

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie, art. 2 (Stcrt. 1992, 160)

    Product: adviezen

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Begeleidingscommissie onderzoek Indische tegoeden WO-II in Nederland (Commissie Van Galen)

    Handelingnr: 127.

    Handeling: Het formuleren van een taakopdracht, van onderzoeksopdrachten en de keuze van uitvoerders van die onderzoeksopdrachten, het opmaken van een eindrapportage ten behoeve van de Minister onder wie Welzijn ressorteert

    Periode: 1998–2000

    Grondslag: Instellingsbesluit Begeleidingscommissie onderzoek Indische Tegoeden, art. 2 (Stcrt. 1998, 22)

    Product: taakopdracht, onderzoeksopdrachten, verslag van de keuze van uitvoerders van die onderzoeksopdrachten, eindrapportage

    Opmerking: het onderzoek zelf heeft geresulteerd in het eindrapport: ‘Onderzoek naar de particuliere bank- en levensverzekeringstegoeden van Nederlanders in Nederlands-Indië/Indonesië’, Den Haag, 2000

    Waardering: B 3

    Handelingnr: 128.

    Handeling: Het bewaken van de uitvoering van de onderzoeken conform de taakopdracht en het adviseren aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert over te nemen beslissingen ten aanzien van eventuele inhoudelijke bijstellingen van de taakopdracht.

    Periode: 1998–2000

    Grondslag: Instellingsbesluit Begeleidingscommissie Onderzoek Indische Tegoeden, art. 2 (Stcrt. 1998, 22)

    Product: correspondentie

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (UWuv) 1940–1945

    Handelingnr: 129.

    Handeling: Het opstellen van het ad interimrapport inzake de uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1986–

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 2 (Stcrt. 1986, 128)

    Product: interim-rapport (1985)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 130.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake de implementatie van de bevindingen en aanbevelingen van het ad interimrapport van de Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1986–

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 2 (Stcrt. 1986, 128)

    Product: nota’s

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 131.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake de maatregelen die moeten kunnen leiden tot een goedkeurende accountantsverklaring over de financiële verantwoording van de Wuv betreffende het boekjaar 1986.

    Periode: 1986–

    Grondslag: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 2 (Stcrt. 1986, 128)

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de centrale commissie/de commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Commissie AOR)

    Opmerking: zolang er nog geen centrale commissie was ingesteld mocht de resident de handelingen van deze commissie uitvoeren. Het betreft de handelingen die verricht werden in de periode 1942–1954. Het exacte moment van instelling van de centrale commissie is niet bekend.

    Handelingnr: 132.

    Handeling: Het geven van algemene of bijzondere aanwijzingen aan plaatselijke commissies omtrent het beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië.

    Periode: 1942–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 133.

    Handeling: Het houden van algemeen toezicht op alle op grond van de Aor gedane uitkeringen en overige kosten.

    Periode: 1942–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 4 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 164)

    Product: rapportages, correspondentie

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 134.

    Handeling: Het geven van richtlijnen aan plaatselijke commissies omtrent een doelmatige en uniforme werkwijze ten behoeve van de centrale administratie.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 4 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 164)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 135.

    Handeling: Het toekennen, wijzigen en heroverwegen van periodieke uitkeringen ingevolge de Aor.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Besluit (nr. U7736), art. 1a (Stcrt. 1954, 111); Algemene bij- en toeslagbeschikking, art. 43 (Stcrt. 1984, 53)

    Product: bijvoorbeeld: Besluit van de Commissie AOR van 6 februari 1976

    Opmerking: In deze handeling is ook verwerkt hetgeen onder de opmerkingen van RIO-handeling 81 staat ingevolge het Besluit van de Commissie Aor van 6 februari 1976.

    De uitkeringen worden toegekend door commissie AOR en daadwerkelijk uitbetaald door de SAIP.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 136.

    Handeling: Het geven van richtlijnen en het opstellen van beschikkingen omtrent de uitvoering van de Algemeene Oorlogsongevallenregeling en de daarmee samenhangende ordonnanties en verordeningen.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Besluit nr. U 7736, art. 1a (Stcrt. 1954, 111)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 137.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent het treffen van nadere voorzieningen waartoe de overname door Nederland van de verzorging aanleiding geeft, voortvloeiende uit de Algemeene Oorlogsongevallenregeling en de daarmee samenhangende ordonnanties en verordeningen.

    Periode: 1954–

    Grondslag: Besluit nr. U 7736, art. 1b (Stcrt. 1954, 111)

    Waardering: B 1

    Actor: de Commissie Indisch Verzet (CIV)

    Handelingnr: 138.

    Handeling: Het adviseren van

    – 1980–1986: de Minister onder wie maatschappelijk werk ressorteert;

    – 1986–: de Buitengewone Pensionraad (BPR, later Raadskamer Wbp van de PUR) inzake claims tot toekenning van buitengewoon pensioen krachtens of naar analogie van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 aan daarvoor in beginsel in aanmerking te brengen oud-verzetsdeelnemers uit het voormalige Nederlands-Indië.

    Periode: 1980–2001

    Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie Indisch Verzet, art. 3 (Stcrt. 1980, 213); Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 6 lid 3a (Stb. 1986, 360)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 139.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent ontwerpen van wetswijzigingen, algemene maatregelen van bestuur en Ministeriële beschikkingen.

    Periode: 1980–2001

    Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie Indisch Verzet, art. 3 lid d (Stcrt. 1980, 213); Wet buitengewoon pensioen Indische verzet, art. 5 lid 2 (Stb. 1986, 360)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 140.

    Handeling: Het afgeven van verzets- en waardigheidsverklaringen.

    Periode: 1986–2001

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 27 lid 3 (Stb. 1986, 360)

    Product: verzets- en waardigheidsverklaringen

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 141.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent het benoemen, schorsen en ontslaan van de voorzitter en de (plaatsvervangende) leden.

    Periode: 1983–2001

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 25 (Stb. 1986, 360)

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    Handelingnr: 142.

    Handeling: Het vaststellen van een reglement waarnaar de commissie haar werkzaamheden inricht.

    Periode: 1983–2001

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 25 (Stb. 1986, 360)

    Waardering: B 4

    Actor: de Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog

    Handelingnr: 143.

    Handeling: Het aan de Minister voorstellen doen over de uitvoering van het beleid tot rechtsherstel van homoseksuele vervolgingsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

    Periode: 2001–2002

    Grondslag: Instellingsbeschikking (Stcrt. 2001, 222)

    Product: eindrapport

    Opmerking: Het beleid bestaat uit drie onderdelen:

    • nader onderzoek naar de positie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog;

    • de reconstructie van de Schorerbibliotheek;

    • het treffen van een voorziening om de onderzoeksresultaten, de bibliotheek en ander cultureel erfgoed toegankelijk te maken.

    Waardering: B 6

    Actor: Commissie (m.b.t. vaarplichtbeloning)

    Handelingnr: 144.

    Handeling: Het geven van advies aan de Nederlandse regering in ballingschap over en toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit.

    Periode: 1942–1945

    Grondslag: Beschikking, art. 1 (Stcrt. 1942, 7)

    Product: adviesrapport 28 mei 1945

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie Groeneveld

    Handelingnr: 145.

    Handeling: het ontwerpen van een wetsvoorstel voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten

    Periode: 1946–1947

    Grondslag: Beschikking van 18 maart 1946 (Stcrt. 1946, 119)

    Product: ontwerp wetsvoorstel (1947)

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie van Advies

    Handelingnr: 146.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake het – in individuele gevallen – gelijkstellen van een persoon met een vervolgde

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 22 (Stb. 1971, 111)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 147.

    Handeling: Het adviseren van burgemeester en wethouders bij de beslissing op een aanvraag om een uitkering op basis van de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, en de daaraan te verbinden voorwaarden.

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 23 lid 1 (Stb. 1971, 111)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 148.

    Handeling: Het adviseren van burgemeester en wethouders en de in de Algemene Bijstandswet aangewezen beroepsorganen bij de behandeling van bezwaar- en beroepschriften op basis van Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 23 lid 3 (Stb. 1971, 111)

    Waardering: B 1

    Actor: de Commissie van Advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945/ Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen

    Handelingnr: 149.

    Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945.

    Periode: 1952–1978

    Grondslag: Instellingsbesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 januari 1952, nr. 44348, art. 1

    Product: advies

    Waardering: B 1

    Actor: de Commissie van Advies inzake Bijstand aan Vervolgden

    Handelingnr: 150.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent de toepassing der voorzieningen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 en omtrent beslissingen op individuele aanvragen.

    Periode: 1969–1973

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 18d lid 1 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1968, 596); instelling (Stcrt. 1969, 98); opheffing (Stcrt. 1973, 5)

    Opmerking: Bij ‘beslissingen op individuele aanvragen’ gaat het om adviezen inzake:

    – de vraag of belanghebbende werd vervolgd;

    – de aanwezigheid van invaliditeit en het verband tussen invaliditeit cq. overlijden en vervolging;

    – de met het oog op de invaliditeit te treffen noodzakelijke voorzieningen.

    Waardering: B 1: eindproduct

    Handelingnr: 151.

    Handeling: Het adviseren (van burgemeester en wethouders en van de, in de Algemene Bijstandswet aangewezen, beroepsorganen) met betrekking tot de toepassing en de beslissing op individuele aanvragen inzake de vraag of een persoon vervolgd is, of invaliditeit of overlijden hieraan is te wijten, welke voorzieningen getroffen dienen te worden en welke voorwaarden aan de uitkeringen dienen te worden verbonden.

    Periode: 1969–1973

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 18e lid 1 en 2 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1968, 596) ; instelling (Stcrt. 1969, 98); opheffing (Stcrt. 1973, 5)

    Opmerking: In het RIO staat als bron voor deze handeling abusievelijk vermeld art.18c lid 1 en 2 (Stb. 1968, 596)

    Waardering: B 1

    Actor: de Commissie Van Namen

    Handelingnr: 152.

    Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de wetten en de regelingen die in het leven zijn geroepen voor deelnemers aan het verzet, voor vervolgden en voor slachtoffers van meer algemene oorzaken tijden de Tweede Wereldoorlog.

    Periode: 1975

    Grondslag: Instellingsbeschikking/opdracht (publicatie niet bekend)

    Product: ‘Rapport van Mr. A.H. van Namen inzake harmonisatie/coördinatie van regelingen aangaande hulpverlening oorlogsslachtoffers’

    Waardering: B 1 voor het eindproduct

    V, 10 jaar: overige neerslag

    Actor: de Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (Commissie Van Dijke)

    Handelingnr: 153.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent de vereenvoudiging en coördinatie van wetten voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1985–1987

    Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 2, lid 1 (Stcrt. 1985, 44)

    Product: eindrapport ‘Vereenvoudiging en Coördinatie’ (Stcrt. 1987, 125 en 152)

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 154.

    Handeling: Het opstellen van een tussenverslag betreffende de bevindingen en de voortgang van de werkzaamheden, uit te brengen in juni 1985.

    Periode: 1985–1987

    Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 3 (Stcrt. 1985, 44)

    Waardering: B 1

    Actor: de Coördinatiecommissie voor gerepatrieerden

    Handelingnr: 155.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake sociale en financiële zorg voor de uit Indonesië gerepatrieerden.

    Periode: 1953–

    Grondslag: Instellingsbeschikking van 20 mei 1953, nr. U44629, afd. BMZ

    Product: adviezen

    Waardering: B 5

    Actor: de Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen (WRN)

    Handelingnr: 156.

    Handeling: Het doen van beleidsvoorstellen aan de regering naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport van mr. A.H. van Namen inzake harmonisatie/coördinatie van regelingen aangaande hulpverlening oorlogsslachtoffers.

    Periode: 1975–1976

    Grondslag: Instellingsbeschikking Interdepartementale Werkgroep rapport van Namen, art. 2 (Stcrt. 1975, 205)

    Product: advies d.d. 21 mei 1976

    Waardering: B 1

    Actor: de Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling

    Handelingnr: 157.

    Handeling: Het opzetten van een hulpverleningsnetwerk voor in Nederland woonachtige personen, die ten gevolge van oorlogshandeling, marteling of gijzeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn geraakt.

    Periode: 1990–1995

    Grondslag: Instellingsbeschikking Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling, art. 1 (Stcrt. 1990, 244)

    Product: vergaderverslagen etc.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 158.

    Handeling: Het opstellen van een werkprogramma, voorzien van een tijdschema,

    Periode: 1990–1995

    Grondslag: Instellingsbeschikking Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling, art. 8 (Stcrt. 1990, 244)

    Product: werkprogramma

    Waardering: B 5: eindproducten

    V, 10 jaar: rest

    Handelingnr: 159.

    Handeling: Het doen van voorstellen aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert dan wel de Minister van Defensie tot het laten verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

    Periode: 1990–1995

    Grondslag: Instellingsbeschikking Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling, art. 10 (Stcrt. 1990, 244)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 160.

    Handeling: Het jaarlijks uitbrengen van een verslag van de werkzaamheden aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister van Defensie, alsmede het uitbrengen van een tussentijdse evaluatie van de voortgang van de werkzaamheden.

    Periode: 1990–1995

    Grondslag: Instellingsbeschikking Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling, art. 11 lid 2 (Stcrt. 1990, 244)

    Product: jaarverslagen

    Waardering: B 3

    Actor: de Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen (PBOG)

    Handelingnr: 161.

    Handeling: Het adviseren van de staatssecretaris waaronder Welzijn ressorteert omtrent het ontwikkelen van een stelsel van voorzieningen voor in Nederland woonachtige personen die ten gevolge van marteling, gijzeling of oorlogshandeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 1 (Stcrt. 1985, 11 en Stcrt. 1985, 227)

    Product: eindrapport ‘Hulp bij verwerken van geweld, verleden, heden en toekomst’, oktober 1988

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 162.

    Handeling: Het opstellen van een werkprogramma, met tijdschema.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 4 resp. art. 3 (Stcrt. 1985, 11 en 227)

    Product: werkprogramma

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 163.

    Handeling: Het instellen van werkgroepen voor de uitvoering van onderdelen van het werkprogramma.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 6, lid 1 resp. art. 5, lid 1 (Stcrt. 1985, 11 en 227)

    Opmerking: De werkgroepen rapporteren schriftelijk aan de projectgroep (Stcrt. 1985, 11 en 227).

    De projectgroep kan aanwijzingen geven aan de werkgroepen (Stcrt. 1985, 227).

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 164.

    Handeling: Het benoemen van de leden en de voorzitter van de werkgroepen.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 6, lid 2 resp. art. 5, lid 2 (Stcrt. 1985, 11 en 227)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 165.

    Handeling: Het doen van voorstellen tot het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 7 (Stcrt. 1985, 11 en 227)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 166.

    Handeling: Het halfjaarlijks uitbrengen van een verslag van de werkzaamheden aan de staatssecretaris waaronder Welzijn ressorteert, alsmede het uitbrengen van een ad interim-advies voor 1 juni 1985 resp. 1 juni 1986.

    Periode: 1984–1990

    Grondslag: Instellingsbeschikking Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen, art. 9, lid 1 en 2 (Stcrt. 1985, 11 en 227)

    Opmerking: De datum van 1 juni 1985 staat in de beschikking in Stcrt. 1985, 11; 1 juni 1986 in Stcrt. 1985, 227

    Waardering: B 1: verslag en ad interim-advies

    V, 10 jaar: rest

    Actor: de Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden

    Handelingnr: 167.

    Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de mogelijkheid tot verder onderzoek naar de gang van zaken rond het naoorlogse rechtsherstel inzake de claims met betrekking tot goederen die hun oorsprong vinden in de periode van de oorlog met Japan en de bezetting door Japan.

    Periode: 2000

    Grondslag: Instellingsbesluit Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden (Stcrt. 2000, 140)

    Product: eindrapport

    Waardering: B 6

    Actor: het Werk- en Advies-College (WAC) immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers

    Handelingnr: 168.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert inzake het bevorderen van het goed functioneren en het onderling aansluiten op elkaar van voorzieningen voor verzetsdeelnemers e.a.

    Periode: 1975–1978

    Grondslag: Instellingsbeschikking Werk- en adviescollege immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen, art. 2 (Stcrt. 1975, 93)

    Product: eindrapport (Stcrt. 1978, 219)

    Waardering: B 1: eindproduct

    V, 10 jaar: rest

    Handelingnr: 169.

    Handeling: Het instellen van subcommissies ter uitvoering van een gedeelte van zijn taak.

    Periode: 1975–1978

    Grondslag: Instellingsbeschikking Werk- en adviescollege immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen, art. 5, lid 1 (Stcrt. 1975, 93)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 170.

    Handeling: Het aanwijzen van de voorzitter en de ondervoorzitter van een subcommissie.

    Periode: 1975–1978

    Grondslag: Instellingsbeschikking Werk- en adviescollege immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen, art. 5, lid 2 (Stcrt. 1975, 93)

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Minister onder wie kunst en cultuur ressorteren

    Handelingnr: 171.

    Handeling: Het instellen van commissies op het beleidsterrein oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1945–

    Product: beschikkingen

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 111.

    Handeling: Het aanwijzen van ambtelijke adviseurs ter toevoeging aan het comité t.b.v. de viering van de bevrijding.

    Periode: 1981–

    Grondslag: Instellingsbesluit Comité Nationale Viering Bevrijding, art. 2 lid 4 (Stcrt. 1981, 55, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1986, 68)

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

    Actor: de Adviescommissie Restituitieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (Restitutiecommissie)

    Handelingnr: 172.

    Handeling: Het adviseren van de Minister van OCW over individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Instellingsbeschikking (Stcrt. 2001, 248)

    Waardering: B 6

    Actor: het Bureau Herkomst Gezocht

    Handelingnr: 173.

    Handeling: Het verrichten onderzoek naar de herkomst van de kunstvoorwerpen onder de gehele collectie van het Nederlands Kunstbezit die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog onder het beheer van het Rijk zijn gekomen

    Periode: 1998–

    Grondslag: Rapport Herkomst Gezocht (1998)

    Product: Eindrapport

    Waardering: B 6

    Actor: de Centrale Commissie voor Oorlogs- of Vredesgedenktekens

    Handelingnr: 174.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie kunst ressorteert over het oprichten, plaatsen of aanbrengen van oorlogs- of vredesgedenktekens op openbare of van de openbare weg af zichtbare plaatsen

    Periode: 1945– 1960

    Grondslag: KB houdende vaststelling van het Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens, art. 2 lid 3 (Stb. 1945, F231)

    Waardering: B 6

    Actor: de Nationale Monumenten Commissie voor Oorlogsgedenktekens

    Handelingnr: 175.

    Handeling: Het adviseren van de regering over gedenktekens die niet van lokale, maar van nationale betekenis zijn

    Periode: 1947–

    Grondslag: onbekend

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie Ekkart

    Handelingnr: 176.

    Handeling: Het begeleiden van het onderzoek naar de herkomst van de kunstvoorwerpen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog onder het beheer van het Rijk zijn gekomen

    Periode: 1999–

    Grondslag: besluit (Stcrt. 1999, 203)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 177.

    Handeling: Het adviseren van de Minister van OCW op grond van de resultaten van dat onderzoek over het ten aanzien van zodanige kunstvoorwerpen te voeren beleid

    Periode: 1999–

    Grondslag: besluit (Stcrt. 1999, 203)

    Product: adviezen

    Waardering: B 1

    Actor: de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert

    Handelingnr: 178.

    Handeling: Het machtigen van de Minister onder wie Welzijn ressorteert tot het mede oprichten van de Stichting ICODO.

    Periode: 1983

    Grondslag: Wet Stichting ICODO, art. 1 (Stb. 1983, 588)

    Product: Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588)

    Opmerking: In de wet wordt deze Minister nog ‘Minister van Maatschappelijk Werk’ ressorteert genoemd.

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 93.

    Handeling: Het, na overleg met het bestuur, mede benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur van de Stichting ICODO en diens voorzitter, het mede goedkeuren van de aanwijzing van een plaatsvervangend voorzitter door het bestuur alsmede het mede aanwijzen van adviseurs van het bestuur en hun plaatsvervangers.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 4 lid 1, 2, 3 en 5, bijlage bij Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588).

    Opmerking: De Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister van Defensie.

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 97.

    Handeling: Het mede goedkeuren van een besluit tot statutenwijziging of tot ontbinding van de stichting en het mede bepalen welke bestemming aan een eventueel batig liquidatiesaldo van de stichting zal worden gegeven.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 9 lid 4 en art. 10 lid 2, bijlage bij Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588)

    Opmerking: De Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister van Defensie.

    Waardering: B 4

    Actor: de Minister-president/Minister van Algemene Zaken

    Handelingnr: 179.

    Handeling: Het instellen van comités t.b.v. de viering van de bevrijding.

    Periode: 1981

    Product: besluit (o.a. (Stcrt. 1981, 55)

    Opmerking: Het gaat om het Comité Nationale Viering Bevrijding en het Nationaal Comité 4 en 5 mei

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 111.

    Handeling: Het aanwijzen van ambtelijke adviseurs ter toevoeging aan het comité voor de viering van de bevrijding.

    Periode: 1981–

    Grondslag: Instellingsbesluit Comité Nationale Viering Bevrijding, art. 2 lid 4 (Stcrt. 1981, 55, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1986, 68); Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 12 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Handelingnr: 112.

    Handeling: Het ter benoeming voordragen van leden van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 3 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Product: voordracht, KB ter benoeming

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Handelingnr: 113.

    Handeling: Het goedkeuren van de benoeming van leden van commissies voor de uitvoering van besluiten van het comité, die geen lid zijn van het comité.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, lid 8 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Product: Goedkeuringsbesluit

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Handelingnr: 114.

    Handeling: Het goedkeuren van de statuten van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 9 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Product: Goedkeuringsbesluit

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Handelingnr: 115.

    Handeling: Het goedkeuren van de arbeidsrechtelijke verhoudingen tussen het administratief personeel en de stichting.

    Periode: 1988–

    Grondslag: Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei, art. 11 (Stcrt. 1987, 233, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Actor: het Nationaal Comité 5 mei 1970

    Handelingnr: 180.

    Handeling: het leiding geven aan regionale autoriteiten en plaatselijke comités en een algemene herdenking te stimuleren door middel van voorlichting en hulp.

    Periode: 1969–1970

    Grondslag: Instellingsbeschikking Nationaal Comité 5 mei 1970 (Stcrt. 1969, 86)

    Waardering: B 6

    Actor: het Comité Nationale Viering Bevrijding

    Handelingnr: 181.

    Handeling: Het initiëren, coördineren, harmoniseren van manifestaties en activiteiten op landelijk niveau ter herdenking van de bevrijding van Nederland.

    Periode: 1981–1987

    Grondslag: Instellingsbesluit, art. 5 (Stcrt. 1981, 55)

    Opmerking: Buiten de lustrumjaren wordt telkens in een andere provincie één centrale manifestatie gehouden.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 182.

    Handeling: het toedelen van gelden ten behoeve van de landelijke manifestaties uit de middelen die het Rijk daarvoor beschikbaar heeft gesteld

    Periode: 1981–1987

    Grondslag: Instellingsbesluit, art. 5 sub d (Stcrt. 1981, 55)

    Opmerking: Buiten de lustrumjaren wordt telkens in een andere provincie één centrale manifestatie gehouden.

    Waardering: V, 7 jaar

    Actor: het Nationaal Comité 4 en 5 mei

    Handelingnr: 183.

    Handeling: Het initiëren, coördineren, harmoniseren en financieren van manifestaties en activiteiten op landelijk niveau ter herdenking van de bevrijding van Nederland.

    Periode: 1987–

    Grondslag: Instellingsbesluit (Stcrt. 1988, 27; laatstelijk gewijzigd bij besluiten Stcrt. 1991, 37, en Stcrt. 2001, 230)

    Waardering: B 6

    Actor: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    Handelingnr: 184.

    Handeling: Het instellen van commissies t.b.v. een pensioenregeling voor opvarenden der koopvaardij.

    Periode: 1942

    Product: Instellingsbeschikking (Stcrt. 1942, 7), instellingsbeschikking Commissie Groeneveld (Stcrt. 1946, 119)

    Waardering: B 4

    Besluit Rietkerk-uitkering en Wet Rietkerk-uitkering

    Handelingnr: 185.

    Handeling: Het op aanvraag toekennen van een uitkering ten bedrage van ƒ2000 per jaar en van een herdenkingspenning aan een rechthebbende ingevolge het BRu en de WRu

    Periode: 1986–

    Grondslag: Besluit Rietkerk-uitkering, art. 4 lid 1 en art. 5 lid 3 (Stb. 1986, 523) en Wet Rietkerk-uitkering, art. 1 lid 2 en art. 4 lid 1 (Stb. 1988, 226)

    Opmerking: Op grond van Ministeriële Beschikking van 23 oktober 1986, CW86/U942, art. 1 (Stcrt. 1986, 219) neemt de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) namens de Minister een beslissing op de aanvraag van de uitkering. Zie ook de handeling met hetzelfde nummer van de SAIP.

    Onder deze handeling wordt ook verstaan het aanmerken van een persoon als uitkeringsgerechtigde ingevolge de WRu.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 186.

    Handeling: Het mandateren van de bevoegdheid om te beslissen op verzoeken om een uitkering op grond van het Besluit/de Wet Rietkerk-uitkering, aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.

    Periode: 1986–

    Product: mandaatbesluit

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 187.

    Handeling: Het bepalen van de vormgeving van de herdenkingspenning.

    Periode: 1986–

    Grondslag: Besluit Rietkerk-uitkering, art. 7 lid 5 (Stb. 1986, 523) en Wet Rietkerk-uitkering, art.7 lid 6 (Stb. 1988, 226)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 188.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een Ministeriële regeling met betrekking tot de bij de aanvraag van de uitkering of van de herdenkingspenning te overleggen bescheiden, de wijze van behandeling van deze aanvragen en de wijze en voorwaarden van de betaling van de uitkering.

    Periode: 1986–

    Grondslag: Besluit Rietkerk-uitkering, art. 11 lid 1 (Stb. 1986, 523) en Wet Rietkerk-uitkering, art.11 lid 1 (Stb. 1988, 226)

    Product:

    – Ministeriële regeling van 23 oktober 1986, CW86/U942, Stcrt. 1986, 219, omtrent bevoegdheid behandeling aanvragen om Rietkerk-uitkering;

    – Ministeriële regeling van 23 oktober 1986, CW86/U943, Stcrt. 1986, 219, omtrent aanvraag Rietkerk-uitkering en herdenkingspenning.

    Opmerking: Bovengenoemde producten worden ook wel aangemerkt voort te vloeien uit art. 5 BRu; hierin staat echter geen rechtsgrond waarop dit gefundeerd zou kunnen worden.

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I 21).

    Waardering: B 6

    Actor: de Gouverneur-generaal

    Handelingnr: 190.

    Handeling: Het stellen van regels voor de verstrekking van uitkeringen aan burgers die rechtstreeks als gevolg van het vervullen van de burgerdienstplicht blijvend lichamelijk arbeidsongeschikt worden en, in geval van overlijden van de burgerdienstplichtige, aan degenen die door hem werden onderhouden, in geval zij geen recht op pensioen of bijstand ontlenen aan andere wettelijke regelingen.

    Periode: 1940–1954

    Grondslag: Burgerdienstplichtverordening, art. 23 (Ned. Ind. Stb. 1940, 204)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 84.

    Handeling: Het instellen van plaatselijke commissies die bij uitsluiting beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit de Aor.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 85.

    Handeling: Het aanwijzen en (mede)inrichten van een centrale commissie die bijzondere aanwijzingen kan geven aan plaatselijke commissies ten aanzien van beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit deze regeling.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 86.

    Handeling: Het nemen van beslissingen ten aanzien van toekenning, herziening en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen aan oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 7 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch. Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch. Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 88.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van regeringsverordeningen met betrekking tot oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 8 lid 3, art. 11 lid 2, art. 28 lid 1c en art. 52 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Product: regeringsverordeningen

    Waardering: B 1

    Actor: de Directeur van Financiën

    Handelingnr: 191.

    Handeling: Het vaststellen van voorschriften voor de betaalbaarstelling en de uitbetaling van uitkeringen ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 33 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Actor: de Directeur van Justitie

    Handelingnr: 192.

    Handeling: Het vaststellen van nadere voorschriften betreffende de te verstrekken gegevens bij een aanvraag voor tegemoetkomingen ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 26 lid 2 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 193.

    Handeling: Het vaststellen van het model van het bewijs dat ten bewijze van toekenning van een uitkering ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië wordt uitgereikt.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 32 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Actor: de Plaatselijke commissies

    Handelingnr: 194.

    Handeling: Het bij uitsluiting beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit deze regeling

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 195.

    Handeling: Het vergoeden van gedane uitgaven aan personen, die de kosten van de begrafenis van een ten gevolge van het hem overkomen oorlogsletsel overleden persoon gedragen hebben.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 12 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 196.

    Handeling: Het toekennen van een uitkering ineens, boven de hun rechtens toekomende periodieke uitkering, aan gezinsleden van een overledene.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 13 lid 2 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 197.

    Handeling: Het toekennen van een uitkering ineens in plaats van een kleine periodieke uitkering over langere periode.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 14 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 198.

    Handeling: Het toekennen van een (periodieke) uitkering aan nabestaanden van een overleden uitkeringsgerechtigde.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 35 lid 2 en art. 40 lid 2 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 199.

    Handeling: Het bepalen van de grondslag voor de berekening van het bedrag voor uitkeringen in gevallen waarin de Aor niet voorziet.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 16 lid 2b (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 200.

    Handeling: Het toekennen en het herzien en intrekken van de toekenning van een (periodieke) (invaliditeits)uitkering.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 21, art. 30 lid 1, art. 42 lid 1, art. 43 lid 1 en 4 (Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 201.

    Handeling: Het vaststellen en herzien van de hoogte van het bedrag van een (periodieke)(invaliditeits)uitkering.

    Periode: 1948–

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, artt. 17 en art. 18 lid 1b (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 202.

    Handeling: Het aanwijzen, bij het instellingsbesluit van de plaatselijke commissie, van gezaghebbenden met wier tussenkomst tegemoetkomingen op grond van de ordonnantie bij de plaatselijke commissie kunnen worden aangevraagd.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 25 lid 2 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Opmerking: met ‘de ordonnantie’ wordt gedoeld op de Aor.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 203.

    Handeling: Het uitvaardigen van dwangschriften waarmee terugvorderingen geschieden.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 51a lid 4 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Stb. 1946, 48 en Stb. 1948, 308)

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: het Hoofd van het gewestelijk bestuur

    Handelingnr: 204.

    Handeling: Het machtigen van de centrale commissie om af te wijken van de toepassing van de regeling waarin wordt gesteld dat aanspraak op het bepaalde in de ordonnantie vervalt bij handelen in strijd met redelijkheid.

    Periode: 1948–1954

    Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art.5 lid 2 (Ned. Indisch Stb. 1948, 308)

    Waardering: B 5

    Actor: de Minister van Buitenlandse Zaken/Minister van Ontwikkelingssamenwerking

    Handelingnr: 205.

    Handeling: Het ondersteunen van personen met de Nederlandse nationaliteit of Nederlandse instellingen die andere staten aanspreken op vergoeding van schade als gevolg van oorlogswandaden en/of nationalisaties

    Periode: 1945–1990

    Bron: Notitie ‘Schadeclaims van Nederlandse personen of instanties op derde landen’. Ministerie van Buitenlandse Zaken/Directie Juridische Zaken (december 2004)

    Product: Informatie

    Opmerking: Deze handeling heeft veelal betrekking op claims die worden ingediend in het kader van geleden schade ten tijde van een oorlog

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 206.

    Handeling: Het verstrekken van inlichtingen aan particulieren, bedrijven en organisaties met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Bron: Interview met P.C.A. Lamboo

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 207.

    Handeling: Het faciliteren van de uitvoeringsorganen belast met de verdeling van toegekende vergoedingen in het kader van hernieuwd naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1999–

    Bron: Interview met P.C.A. Lamboo

    Opmerking: Hiermee wordt bedoeld het ter beschikking stellen van huisvesting, middelen, personeel, administratieve ondersteuning e.d.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 208.

    Handeling: Het in het kader van het naoorlogs rechtsherstel onderhandelen met andere landen over de betaling van schadevergoeding, aan Nederland en Nederlandse ingezetenen, en de rechtsgeldigheid van tijdens de oorlog uitgevoerde transacties alsmede de teruggave van Nederlandse bezittingen.

    Periode: 1945–

    Bron: Interview dhr. P.C.A. Lamboo

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 209.

    Handeling: Het voeren van verweer in aangespannen procedures met betrekking tot naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 1 (Stb. E 100); Beschikking 17-9-1945, nr. 147 (instelling CDE); Beschikking 8-11-1949, nr. 304 (instelling CBRE)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 210.

    Handeling: Het, in internationaal verband, onderhandelen over de terugverkrijging van uit Nederland weggevoerd monetair goud (goudpool/Tripartite Commissie).

    Periode: 1945–2003

    Grondslag: o.a. verdragen, afspraken in IARA-verband (International Alied Reportation Agency)

    Declaration Regarding the defeat of Germany and the assumption of Supreme Authority with respect to Germany by the governments of the UK, USA and the provisional Government of te French Republic d.d. 5-6-1945;

    Wet 24-7-1948, Stb I 332, houdende goedkeuring Overeenkomst betreffende de herstelbetalingen, de instelling van een intergeallieerde organisatie voor herstelbetalingen en de teruggave van monetair goud, door Nederland ondertekend te Parijs.

    Waardering: B 1

    Actor: de Minister van Defensie

    Handelingnr: 89.

    Handeling: Het op verzoek verlenen van een vergoeding voor de verschuldigde motorrijtuigenbelasting aan een pensioengerechtigde (ingevolge de WBP 1940–1945, WBPZ, Wuv, Wubo of de Aor) (of diens vervoerder).

    Periode: 1983–

    Grondslag: algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen, art. 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510 en Stb. 1995, 547)

    Opmerking: De Minister van Defensie is actor met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en (tot 1995) de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 90.

    Handeling: Het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling omtrent regels en voorwaarden ten aanzien van de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1983–

    Grondslag: Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945, 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510)

    Opmerking: De Minister van Defensie is actor met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en (tot 1995) de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 93.

    Handeling: Het, na overleg met het bestuur, mede benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur van de Stichting ICODO en diens voorzitter, het mede goedkeuren van de aanwijzing van een plaatsvervangend voorzitter door het bestuur alsmede het mede aanwijzen van adviseurs van het bestuur en hun plaatsvervangers.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 4 lid 1, 2, 3 en 5, bijlage bij Wet Stichting ICODO.

    Opmerking: De Minister van Defensie is hier actor samen met de Ministers onder wie Welzijn en Volksgezondheid ressorteren.

    Waardering: V, 10 jaar na ontslag

    V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden

    Handelingnr: 97.

    Handeling: Het mede goedkeuren van een besluit tot statutenwijziging of tot ontbinding van de stichting en het mede bepalen welke bestemming aan een eventueel batig liquidatiesaldo van de stichting zal worden gegeven.

    Periode: 1983–2004

    Grondslag: Oprichtingsakte van de Stichting ICODO, art. 9 lid 4 en art. 10 lid 2, bijlage bij Wet Stichting ICODO (Stb. 1983, 588)

    Opmerking: De Minister van Defensie is hier actor samen met de Ministers onder wie Welzijn en Volksgezondheid ressorteren.

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 111.

    Handeling: Het aanwijzen van ambtelijke adviseurs ter toevoeging aan het comité voor de viering van de bevrijding.

    Periode: 1981–

    Grondslag: Instellingsbesluit Comité Nationale Viering Bevrijding, art. 2 lid 4 (Stcrt. 1981, 55, zoals gewijzigd bij Stcrt. 1986, 68)

    Waardering: V, 10 jaar na aanwijzing of intrekking

    Actor: de Minister van Financiën

    Handelingnr: 184.

    Handeling: Het instellen van commissies t.b.v. een pensioenregeling voor opvarenden der koopvaardij.

    Periode: 1942

    Product: Instellingsbeschikking (Stcrt. 1942, 7), instellingsbeschikking Commissie Groeneveld (Stcrt. 1946, 119)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 211.

    Handeling: Het geven van aanwijzingen aan inspecteurs belast met de controle op verrekenbare inkomsten, genoten door gepensioneerden in de zin der WBP 1940–1945 en der WBPZ.

    Periode: 1948–

    Grondslag: KB houdende regels ter uitvoering van art.12 lid 1 WBP 1940–1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, van 9 augustus 1948, art.12 (Stb. 1948, I 362); KB van 6 september 1949 als bedoeld in art.11 lid 1, van de WBPZ, art.12 (Stb. 1949, J 418)

    Waardering: V, 10 jaar na vervallen aanwijzing

    Handelingnr: 212.

    Handeling: Het verstrekken van gegevens omtrent te verrekenen inkomsten van buiten het Rijk in Europa woonachtige gepensioneerden in de zin der WBP 1940–1945 en der WBPZ.

    Periode: 1948–

    Grondslag: KB houdende regels ter uitvoering van art.12 lid 1 WBP 1940–1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, van 9 augustus 1948, art. 13 (Stb. 1948, I 362); KB van 6 september 1949 als bedoeld in art. 11 lid 1, van de WBPZ, art.12 (Stb. 1949, J 418)

    Opmerking: De handeling wordt door de belastingdienst uitgevoerd.

    Waardering: V, 12 jaar

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I 21).

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 213.

    Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en implementeren van het beleid betreffende het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1940–

    Bron: Interview met P.C.A. Lamboo

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 214.

    Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en implementeren van het beleid betreffende het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1940–

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 215.

    Handeling: Het instellen van commissies ten behoeve van het rechtsherstel van oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1997–

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d. 11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Product: instellingsbeschikkingen

    Opmerking: Het betreft:

    – de Commissie Onderzoek Liro-archieven – de commissie Kordes;

    – de Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland – De commissie Scholten;

    – de Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog – de commissie Van Kemenade

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 216.

    Handeling: Het houden van toezicht en voeren van overleg met de commissies Kordes, Scholten en van Kemenade inzake door de commissies te verrichten onderzoek van het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1997–2001

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d. 11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Waardering: B 2

    Handelingnr: 217.

    Handeling: Het monitoren van de commissies Kordes, Scholten en van Kemenade inzake door de commissies te verrichten onderzoek van het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1997–2001

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d. 11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Waardering: B 2

    Handelingnr: 218.

    Handeling: Het faciliteren van de Commissies Kordes, Scholten en Van Kemenade.

    Periode: 1997–2001

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d. 11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Opmerking: Hiermee wordt bedoeld het ter beschikking stellen van huisvesting, middelen, personeel, administratieve ondersteuning e.d.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 219.

    Handeling: Het voeren van overleg met joodse belangenorganisaties betreffende de voortgang en resultaten van het onderzoek naar het naoorlogs rechtsherstel door de commissies Kordes, Scholten en Van Kemenade.

    Periode: 1997–2001

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d.  11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 220.

    Handeling: Het voeren van onderhandelingen joodse belangenorganisaties en particuliere sectoren (bankwezen, effectenbeurs en verzekeringswezen) over een toe te kennen bedrag wegens tekortkoming van het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1997–2001

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer, Handelingennr. 25806, nr. 2 d.d. 11 december 1997 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 206.

    Handeling: Het verstrekken van inlichtingen aan particulieren, bedrijven en organisaties met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Bron: Interview met P.C.A. Lamboo

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 221.

    Handeling: Het behandelen van verzoeken van particulieren om tegemoetkomingen of teruggave wegens ondervonden materiële en immateriële schaden in het kader van het naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Rijksmarkenwet, art. 4 (Stb. 1947, H251); Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 1 e.v. (Stb. E 100); Besluit Vijandelijk Vermogen, art 1 e.v (Stb. E 133)

    Opmerking: het betreft hier het (juridisch) afwikkelen van verzoeken i.h.k.v. naoorlogs rechtsherstel m.b.t. roof roerende en onroerende goederen vermogenswaarden en verrichtte transacties.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 222.

    Handeling: Het uitoefenen van toezicht op uitvoeringsorganen belast met de verdeling van toegekende vergoedingen in het kader van hernieuwd naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Opmerking: Hiermee wordt bedoeld het ter beschikking stellen van huisvesting, middelen, personeel, administratieve ondersteuning e.d.

    Waardering: B 1, 6

    Handelingnr: 207.

    Handeling: Het faciliteren van de uitvoeringsorganen belast met de verdeling van toegekende vergoedingen in het kader van hernieuwd naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1999–

    Bron: Interview met P.C.A. Lamboo

    Opmerking: Hiermee wordt bedoeld het ter beschikking stellen van huisvesting, middelen, personeel, administratieve ondersteuning e.d.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 208.

    Handeling: Het in het kader van het naoorlogs rechtsherstel onderhandelen met andere landen over de betaling van schadevergoeding, aan Nederland en Nederlandse ingezetenen, en de rechtsgeldigheid van tijdens de oorlog uitgevoerde transacties alsmede de teruggave van Nederlandse bezittingen.

    Periode: 1945–

    Bron: Interview dhr. P.C.A. Lamboo

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 223.

    Handeling: Het afwikkelen van de recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarde.

    Periode: 1945–1987

    Bron: Interview dhr. P. Lamboo

    Waardering: B 1, 6

    Handelingnr: 224.

    Handeling: Het instellen en opheffen van uitvoeringsorganen die belast zijn met met de uitvoering en afwikkeling van het naoorlogs en hernieuwd naoorlogs (v.a. 1997) rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 41 (Stb. E 100); Beschikking 17-9-1945, nr. 147 (instelling CDE); Beschikking 8-11-1949, nr. 304 (instelling CBRE)

    Opmerking: Het betreft hier bijv. de Commissie Duplicaat Effecten (CDE), de N.V. Beleggings- en Garantie Maatschappij voor Duplicaten van Buitenlandse Effecten (Belga), de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten (CRBE)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 225.

    Handeling: Het benoemen en aanwijzen van leden die zitting hebben in de besturen van uitvoeringsorganen die een taak vervullen m.b.t. naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 4 (Stb. E 100); Beschikking 17-9-1945, nr. 147 (instelling CDE); Beschikking 8-11-1949, nr. 304 (instelling CBRE)

    Waardering: V, 10 jaar na einde functie

    Handelingnr: 226.

    Handeling: Het houden van toezicht op en het afwikkelen van de effectenregistratie (o.a. na-aanmelding)

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 1 (Stb. E 100); Beschikking 17-9-1945, nr. 147 (instelling CDE); Beschikking 8-11-1949, nr. 304 (instelling CBRE)

    Waardering: B 1, 6

    Handelingnr: 209.

    Handeling: Het voeren van verweer in aangespannen procedures met betrekking tot naoorlogs rechtsherstel.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit d.d. 17-9-1944 Vaststelling herstel Rechtsverkeer, art. 1 (Stb. E 100); Beschikking 17-9-1945, nr. 147 (instelling CDE); Beschikking 8-11-1949, nr. 304 (instelling CBRE)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 210.

    Handeling: Het, in internationaal verband, onderhandelen over de terugverkrijging van uit Nederland weggevoerd monetair goud (goudpool/Tripartite Commissie).

    Periode: 1945–2003

    Grondslag: o.a. verdragen, afspraken in IARA-verband (International Alied Reportation Agency)

    – Declaration Regarding the defeat of Germany and the assumption of Supreme Authority with respect to Germany by the governments of the UK, USA and the provisional Government of te French Republic d.d. 5-6-1945;

    – Wet 24-7-1948, Stb I 332, houdende goedkeuring Overeenkomst betreffende de herstelbetalingen, de instelling van een intergeallieerde organisatie voor herstelbetalingen en de teruggave van monetair goud, door Nederland ondertekend te Parijs.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 227.

    Handeling: Het afwikkelen van verzoeken m.b.t. teruggave van vijandelijk vermogen.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit Vijandelijk Vermogen, art. 1 e.v. (Stb. E 133)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 228.

    Handeling: Het voorbereiden en implementeren van het beleid m.b.t. de inbeslagname en teruggave van het vijandelijk vermogen.

    Periode: 1945–

    Grondslag: o.a. Besluit Vijandelijk Vermogen, art. 1 e.v. (Stb. E 133)

    Waardering: B 6

    Actor: de Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland (Commissie Scholten)

    Handelingnr: 229.

    Handeling: Het verrichten van een onderzoek naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland.

    Periode: 1997–1999

    Bron: o.a. brief aan de Tweede Kamer d.d. 7-7-1997, nr. BGW/12997/1446 + persbericht Ministerie van Financiën d.d. 10 maart 1997

    Product: Eindrapport van de Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland, Leiden, 1999

    Waardering: B 6

    Actor: de Belegging- en garantiemaatschappij voor duplicaten van buitenlandse effecten NV/BV (BELGA)

    Handelingnr: 230.

    Handeling: Het met de gedepossedeerden afrekenen van niet aangemelde en in Nederland geopponeerde buitenlandse effecten welke niet via schikkingen en procedures waren terugverkregen en waarvoor door de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten duplicaten bij de uitgevende instellingen waren aangevraagd.

    Periode: 1956–1977

    Grondslag:

    – Akte d.d. 22-10-1956 verleden voor notaris J.P. Noordijk te Amsterdam (houdende wijziging van de statuten van de N.V. Handelsmaatschappij ‘De Adelaar’;

    – besluit Herstel Rechtsverkeer, art. 64 (Stb. E 100)

    Bron: Inventaris van het archief van de NV/BV Beleggings- en garantiemaatschappij voor duplicaten van buitenlandse effecten (BELGA)

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie Duplicaat Effecten (CDE)

    Handelingnr: 231.

    Handeling: Het onderzoeken van de gevallen van personen die pas aanspraak wilden maken op de effecten die inmiddels tot het manco behoorden en dus ongeldig waren.

    Periode: 1954–1976

    Grondslag: Instellingsbeschikking van de Generale Thesaurie, directie Bewindvoering, nr. 147, 17 september 1954

    Product: advies

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie onderzoek Liro-archieven/ Commissie Kordes

    Handelingnr: 232.

    Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de toedracht van de verkoop van kleinoden, afkomstig van Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat, Amsterdam (Liro) aan medewerkers van het Agentschap van het Ministerie van Financiën/Waarborgfonds Rechtsherstel te Amsterdam in 1968 en naar de archieven die van belang zijn (geweest) bij de afwikkeling van joodse claims (Liro-kaartsysteem, andere Liro-archieven en overige archieven)

    Periode: 1997–1998

    Grondslag: Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25806, nr. 2

    Product: eindrapport: Archieven, tastbare goederen, claims, Den Haag, 1998, ISBN 90 – 80466 – 2 – 7

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten (CRBE)

    Handelingnr: 233.

    Handeling: Het bewerkstelligen dat een duplicaat van buitenlandse effecten wordt uitgeleverd aan de rechthebbende.

    Periode: 1949–1987

    Grondslag: Instellingsbeschikking nr. 304 van het Ministerie van Financiën, afdeling Juridische zaken en Bewindvoering, 8 november 1949

    Waardering: B 6

    Actor: de Commissie voor Overleg inzake effecten-rechtsherstel

    Handelingnr: 234.

    Handeling: Het voeren van overleg inzake effecten-rechtsherstel.

    Periode: 1952–1953

    Bron: Eindrapport commissie-Van Galen (2000), p. 397), website van ex-voorzitter Drs. M.M.A.A. Janssen

    Product: notulen

    Waardering: B 6

    Actor: de Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog – de commissie Van Kemenade

    Handelingnr: 235.

    Handeling: Het monitoren van onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland

    Periode: 1997–2000

    Grondslag: Instellingsbeschikking 10-3-1997

    Bron: Eindrapportage contactgroep Tegoeden WO-II

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 236.

    Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de tegoeden van oorlogsslachtsoffers bij Nederlandse banken.

    Periode: 1997–2000

    Grondslag: Instellingsbeschikking 10-3-1997

    Bron: Eindrapportage contactgroep Tegoeden WO-II

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 237.

    Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de systematiek van het oorlogsrechtsherstel bij financiële instellingen en de Nederlandse overheid.

    Periode: 1997–2000

    Grondslag: Instellingsbeschikking 10-3-1997

    Bron: Eindrapportage contactgroep Tegoeden WO-II

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 238.

    Handeling: Het adviseren van de Nederlandse regering.

    Periode: 1997–2000

    Grondslag: Instellingsbeschikking 10-3-1997

    Bron: Eindrapportage contactgroep Tegoeden WO-II

    Waardering: B 6

    Actor: het Waarborgfonds rechtsherstel

    Handelingnr: 239.

    Handeling: Het beheren van een fonds dat is ingesteld ten behoeve van het rechtsherstel van degenen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog schade hebben geleden inzake effecten.

    Periode: 1948–1976

    Grondslag: Wet Waarborgfonds Rechtsherstel en effectenregistratie (Stb. 1948, I 21)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 240.

    Handeling: Het overnemen en liquideren van de boedels van Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS) en Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstält (VVRA).

    Periode: 1953–1959

    Grondslag: o.a. Wetsbesluiten E 100 en E 133

    Waardering: B 6

    Actor: de Minister van Justitie

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I 21).

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 223.

    Handeling: Het afwikkelen van de recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarde.

    Periode: 1945–1987

    Bron: Interview dhr. P. Lamboo

    Waardering: B 1, 6

    Actor: de Raad voor het Rechtsherstel

    Handelingnr: 245.

    Handeling: Het behandelen van aangiften van feiten die tot rechtsherstel kunnen leiden

    Periode: 1945– 1967

    Grondslag: Besluit herstel rechtsverkeer (Stb. E 100)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 246.

    Handeling: Het wijzen van vonnis bij eigendomsclaims over bezittingen, die burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog waren kwijtgeraakt

    Periode: 1945–1967

    Grondslag: Besluit herstel rechtsverkeer (Stb. E 100)

    Product: vonnis

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 247.

    Handeling: Het bemiddelen bij de totstandkoming van minnelijke schikkingen

    Periode: 1945– 1967

    Grondslag: Besluit herstel rechtsverkeer (Stb. E 100)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I21).

    Waardering: B 6

    Actor: de Minister van Economische Zaken

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I 21).

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 223.

    Handeling: Het afwikkelen van de recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarde.

    Periode: 1945–1987

    Bron: Interview dhr. P. Lamboo

    Waardering: B 1, 6

    Actor: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

    Handelingnr: 189.

    Handeling: Het instellen van het Waarborgfonds Rechtsherstel.

    Periode: 1948

    Product: Wet houdende voorzieningen inzake het Waarborgfonds Rechtsherstel en inzake de effectenregistratie (Stb. 1948, I 21).

    Waardering: B 6

    Actor: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

    Handelingnr: 184.

    Handeling: Het instellen van commissies t.b.v. een pensioenregeling voor opvarenden der koopvaardij.

    Periode: 1942

    Product: Instellingsbeschikking (Stcrt. 1942, 7), instellingsbeschikking Commissie Groeneveld (Stcrt. 1946, 119)

    Waardering: B 4

    Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945

    Handelingnr: 89.

    Handeling: Het op verzoek verlenen van een vergoeding voor de verschuldigde motorrijtuigenbelasting aan een pensioengerechtigde (ingevolge de WBP 1940–1945, WBPZ, Wuv, Wubo of de Aor) (of diens vervoerder).

    Periode: 1983–1995

    Grondslag: Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen, art. 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510 en Stb. 1995, 547)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is actor met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister van Defensie samen.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 90.

    Handeling: Het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling omtrent regels en voorwaarden ten aanzien van de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen.

    Periode: 1983–

    Grondslag: Algemene Maatregel van Bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945, art. 5 (Stb. 1984, 364, zoals gewijzigd bij Stb. 1986, 510)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is actor met de Minister onder wie Welzijn ressorteert en de Minister van Defensie samen.

    Waardering: B 1

    Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945

    Handelingnr: 241.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een Ministeriële regeling omtrent de toekenning en berekening van de hoogte van een pensioen en andere tegemoetkomingen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers.

    Periode: 1969–

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 11 lid 3, art. 12 lid 4, 13 lid 2 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393 en Stb. 1974, 92)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 61.

    Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin niet alle overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde en van zijn echtgenote ten volle op de uitkering in mindering worden gebracht.

    Periode: 1964–1974

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 13 lid 1(Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1974, 92)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 62.

    Handeling: Het bepalen van het bedrag voor persoonlijke uitgaven.

    Periode: 1969–1984

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 7a lid 3 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert. Het ‘persoonlijk bedrag’ vormt een deel van de periodieke uitkering van de alleenstaande uitkeringsgerechtigde wanneer deze verzorging of verpleging met een blijvend karakter krijgt; zie art.7a lid 1 Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffer ingevoegd bij KB van 16 augustus 1969, Stb. 1969, 393.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 64.

    Handeling: Het vaststellen en herzien van de grondslag van de pensioenen en uitkeringen, van de percentages en van de bedragen van extra toe te kennen vergoedingen en in te houden bedragen, zoals deze zijn omschreven in de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers.

    Periode: 1969–1974

    Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 11 lid 3, art. 12 lid 4, 13 lid 2 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393 en Stb. 1974, 92)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Waardering: V, 10 jaar na wijziging

    Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945

    Handelingnr: 242.

    Handeling: Het vaststellen, wijzigen of intrekken van een Ministeriële regeling omtrent de toekenning en de berekening van de hoogte van een pensioen, uitkering en andere tegemoetkomingen ingevolge de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers.

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 12 lid 1 en 3, art. 13 lid 4 (Stb. 1971, 111)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 73.

    Handeling: Het herzien van grondslagen, percentages, bedragen en het inkomen, zoals beschreven in de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.

    Periode: 1971–1972

    Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 12 lid 1 en 3, art. 13 lid 4 (Stb. 1971, 111)

    Opmerking: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hier actor samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert.

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Minister van Verkeer en Waterstaat

    Handelingnr: 3.

    Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het beleidsterrein ‘oorlogsslachtoffers’.

    Periode: 1947–1960

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 37.

    Handeling: Het toekennen, herzien of vervallen verklaren van een buitengewoon pensioen aan een zeeman of diens ‘nagelaten betrekkingen’.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 3, art. 14 en art. 21-27 (Stb. 1947, H420)

    Opmerking: Een buitengewoon pensioen kan blijvend of voorlopig worden toegekend (WBPZ, art. 4); berekening van het pensioen geschiedt op basis van de zgn. ‘pensioengrondslag’ (= jaarbedrag dat naar redelijkheid nodig is om de zeeman in staat te stellen te leven op de voet, waarop gelijksoortige valide personen gemiddeld leven ten tijde van de inwerkingtreding van de WBPZ (WBPZ, art. 7))

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 38.

    Handeling: Het aanwijzen van een beroepsinstantie ter behandeling van verzoeken om herziening van een beslissing inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan een zeeman of diens ‘nagelaten betrekkingen’.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 33, lid 3 (Stb. 1947, H420)

    Opmerking: beroepsinstantie bestaat uit een geneeskundige- en een sociale commissie (Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ, art. 2, lid 1 (Stb. 1950, K554)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 39.

    Handeling: Het benoemen en ontslaan van de leden van de beroepsinstantie en van de (plv.) secretaris van de geneeskundige en sociale commissie die samen de beroepsinstantie vormen, en het aanwijzen van de plaatsvervangende leden van de beroepsinstantie en van de voorzitter van de geneeskundige en sociale commissie die samen de beroepsinstantie vormen.

    Periode: 1951–1960

    Grondslag: Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ, art. 3 lid 1 t/m 3 (Stb. 1950, K554)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 317.

    Handeling: Het opstellen van een contramemorie.

    Periode: 1951–1960

    Grondslag: Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ, art. 4 lid 3 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: In deze contramemorie geeft de Minister zijn zienswijze weer ten aanzien van het ingediende bezwaarschrift. Deze contramemorie samen met het bezwaarschrift doorgestuurd aan de beroepscommissie.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 40.

    Handeling: Het goedkeuren van een besluit van de Buitengewone Pensioenraad inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan een zeeman, die daar op grond van de criteria in de WBPZ geen recht op heeft.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 3, lid 5 (Stb. 1947, H420)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 184.

    Handeling: Het instellen van commissies t.b.v. een pensioenregeling voor opvarenden der koopvaardij.

    Periode: 1942

    Product: Instellingsbeschikking (Stcrt. 1942, 7), instellingsbeschikking Commissie Groeneveld (Stcrt. 1946, 119)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 34.

    Handeling: Het doen uitbetalen van een buitengewoon pensioen aan een verwante van een pensioengerechtigde, totdat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of totdat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 30, lid 2 en 3 (Stb. 1947, H420).

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 35.

    Handeling: Het doen uitbetalen van een deel van een buitengewoon pensioen aan een pensioengerechtigde nadat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of nadat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 30, lid 3 (Stb. 1947, H420, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1986, 360)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 243.

    Handeling: Het vaststellen en herzien van de hoogte van pensioenbedragen voor pensioengerechtigden ingevolge de WBPZ.

    Periode: 1947–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 28 sub a, lid 2, 11 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1972, 68)

    Opmerking: Zie ook onder ‘Wet buitengewoon pensioen 1940–1945’ (handeling 5.1)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 244.

    Handeling: Het verlenen van een machtiging aan de BPR om een vervallen buitengewoon pensioen ingevolge de WBPZ opnieuw toe te kennen en/of van gehele of gedeeltelijke invordering van vorderingen die uit de WBPZ voortvloeien en aan het Rijk toekomen af te zien.

    Periode: 1955–1960

    Grondslag: WBPZ, art. 31 sub a (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1956, 353)

    Waardering: V, 10 jaar

    Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers

    Handelingnr: 42.

    Handeling: Het, op verzoek van de weduwe van een zeeman, herzien van een beslissing van de Buitengewone Pensioenraad omtrent de toekenning, wijziging, intrekking of weigering van een uitkering ingevolge de WBPZ.

    Periode: 1956–1960

    Grondslag: KB, houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers, art. 9 (Stb. 1956, 106)

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: Beroepsinstantie ex. art. 33 lid 3 WBPZ

    Handelingnr: 318.

    Handeling: Het nemen van beslissingen op verzoeken om herziening van de beslissing inzake het buitengewoon pensioen.

    Periode: 1951–1956

    Grondslag: Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb. 1947, K 554), art. 2 lid 2 en 3, art. 5 lid 2, art. 6 lid 6 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: Ter verduidelijking van de artikelnummers: op grond van WBPZ, art. 33 lid 3 kan de Minister van Verkeer en Waterstaat een beroepsinstantie aanwijzen; in art. 33 lid 4 wordt de AMvB genoemd waarmee hij de betreffende werkwijze van de beroepsinstantie regelen kan stellen.

    Deze beroepsinstantie bestaat uit een geneeskundige en een sociale commissie.

    Onder deze handeling vallen de volgende activiteiten:

    – het verrichten van onderzoek ter voorbereiding van deze beslissingen;

    – het horen van getuigen ter voorbereiding van deze beslissingen;

    – het opstellen van kennisgevingen aan de indieners van bezwaarschriften, waarin zij hem in kennis stellen van zijn bevoegdheid om zelf een geneeskundige aan te wijzen die bij de behandeling van het bezwaarschrift namens hem mag optreden.

    – het opstellen van kennisgevingen van beslissingen en uitspraken aan de Minister van Verkeer en Waterstaat en (gemachtigde van) de belanghebbende.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 319.

    Handeling: Het doen van een uitspraak over de geneeskundige gronden van de beslissing waartegen bezwaar wordt gemaakt.

    Periode: 1951–1956

    Grondslag: Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb. 1947, K 554), art. 2, lid 4 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: Deze handeling wordt alleen verricht door de geneeskundige commissie.

    Waardering: B 1

    Handelingnr: 320.

    Handeling: Het geneeskundig laten onderzoeken van indieners van bezwaarschriften.

    Periode: 1951–1956

    Grondslag: Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb. 1947, K 554), art. 6 lid 8 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van formulieren t.b.v. dit onderzoek.

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 321.

    Handeling: Het adviseren van de Minister van Verkeer en Waterstaat om van zijn bevoegdheid om één van de leden van de commissie als voorzitter aan te wijzen.

    Periode: 1951–1956

    Grondslag: Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb. 1947, K 554), art. 14 lid 4 (Stb. 1950, K554)

    Opmerking: Deze handeling geldt alleen voor de sociale commissie.

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Stichting 1940–1945

    Handelingnr: 248.

    Handeling: Het opstellen van verzets- en sociale rapportages in het kader van de WBP 1940–1945, de WUV 1940–1945 en de WUBO 1940–1945

    Periode: 1945–

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen, art. 24 lid 3 (Stb. 1947, H313); Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 31 (Stb. 1972, 669); Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1984, 94)

    Product: verzets- en sociale rapportages

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 249.

    Handeling: Het uitbetalen van het pensioen op grond van de WBP 1940–1945

    Periode: 1945–

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1947, H313); Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Stb. Ned. Indië, 1948, 308)

    Product: administratie

    Waardering: B 6

    Actor: de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

    Handelingnr: 185.

    Handeling: Het op aanvraag toekennen van een uitkering ten bedrage van ƒ 2000 per jaar en van een herdenkingspenning aan een rechthebbende ingevolge het BRu en de WRu

    Periode: 1986–

    Grondslag: Besluit Rietkerk-uitkering, art. 4 lid 1 en art. 5 lid 3 (Stb. 1986, 523) en Wet Rietkerk-uitkering, art. 1 lid 2 en art. 4 lid 1 (Stb. 1988, 226)

    Opmerking: Op grond van Ministeriële Beschikking van 23 oktober 1986, CW86/U942, art. 1 (Stcrt. 1986, 219) neemt de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) namens de Minister een beslissing op de aanvraag van de uitkering. Zie ook de handeling met hetzelfde nummer van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

    Onder deze handeling wordt ook verstaan het aanmerken van een persoon als uitkeringsgerechtigde ingevolge de WRu.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 250.

    Handeling: Het uitbetalen van weduwenpensioenen en wezenonderstanden aan de nagelaten betrekkingen van gewezen overheidspersoneel van Indonesië.

    Periode: 1951–

    Grondslag: Wet Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioenaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen, bijlage: Overeenkomst voor het beheer van de ‘Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioenaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië, en hun nagelaten betrekkingen’, art. 2 (Wet SAIP, Stb. 1955, 189)

    Waardering: V, 10 jaar

    Handelingnr: 251.

    Handeling: Het betalen van uitkeringen op grond van de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Stb. Ned. Indië, 1948, 308)

    Periode: 1956–

    Grondslag: Overeenkomst d.d. 5 november 1956 tussen de stichting en de Minister onder wie Welzijn onder valt, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën; Algemene bij- en toeslagregeling A.O.R., art. 10 lid 1, 2b en 3 (Stcrt. 1984, 53)

    Opmerking: De uitkeringen worden toegekend door commissie AOR en daadwerkelijk uitbetaald door de SAIP.

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Stichting Afwikkeling Marorgelden Overheid (SAMO)

    Handelingnr: 252.

    Handeling: Het afhandelen van bezwaarschriften alsmede het voeren van verweer in beroepen.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Opmerking: Het betreft hier bezwaarprocedures van collectieve en individuele (Nederlandse en Israëlische) aanvragers. SAMO wordt hierbij gesteund door de Landsadvocaat.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 253.

    Handeling: Het instellen van of verweer voeren in hoger beroepen.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Opmerking: Het betreft hier procedures van individuele en collectieve (Nederlandse en Israëlische) aanvragers. Dit werd feitelijk uitgevoerd door de Landsadvocaat. SAMO wordt hierbij ondersteund door de Landsadvocaat.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 254.

    Handeling: Het voeren van overleg met de Minister van Financiën over het gevoerde beleid, de taakuitoefening van de Stichting en het desgevraagd periodiek afleggen van verantwoording.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 255.

    Handeling: Het inrichten en toezien op de bedrijfsvoering van de stichting SAMO.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 256.

    Handeling: Het beheren van het uitkeringsvermogen, dat door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking is gesteld

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 3

    Opmerking: Het betref hier het beheren van de ter beschikking gestelde gelden en de opgelopen rente, alsmede de finale verdeling en afrekening met de Stichtingen COM en SCMI.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 257.

    Handeling: Het op basis van de Uitkeringsreglementen doen verstrekken van collectieve uitkeringen en in voorkomend geval van individuele uitkeringen

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 3

    Opmerking: Het betreft hier het uitkeren van de toegekend bedragen aan collectieve projecten in Nederland en Israël en in uitzonderlijke gevallen aan individuele burgers, meer in het bijzonder de gevoerde correspondentie met indivduele aanvragers terzake van nagekomen aanvragen.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 258.

    Handeling: Het uitoefenen van financiële en bedrijfsmatige controle op de afwikkeling van Nederlandse projecten, inclusief in voorkomend geval het horen van de begunstigde.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 3

    Opmerking: Dit zijn de aanvragen die door Kamer II van SMO zijn behandeld. SAMO wordt hierbij ondersteund door KPMG.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 259.

    Handeling: Het zonodig aanpassen van de toegekende bedragen naar aanleiding van het horen, dan wel toezien op/en controleren van de besteding van toegekende bedragen aan collectieve projecten en doelen in Nederland.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 260.

    Handeling: Het uitoefenen van financiële en bedrijfsmatige controle op de afwikkeling van Israëlische projecten, inclusief in voorkomend geval het horen van de begunstigde.

    Periode: 2005–2008

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Opmerking: Dit zijn de aanvragen die door Kamer III van SMO zijn behandeld. SAMO wordt hierbij ondersteund door SCMI.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 261.

    Handeling: Het zonodig aanpassen van de toegekende bedragen naar aanleiding van het horen, dan wel toezien op/en controleren van de besteding van toegekende bedragen aan collectieve projecten en doelen in Israel.

    Periode: 2005–2008

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 262.

    Handeling: Het inrichten en toezien op de bedrijfsvoering van de stichting SAMO, alsmede van het beheer van de uitvoeringssubsidie.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, art. 2 en 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 263.

    Handeling: De bedrijfsvoering van stichting SAMO.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, artt. 2 en 5

    Opmerking: SAMO wordt in zijn bedrijfsvoeringstaken ondersteund door KPMG (monitoringcontract), SCMO (ondersteuning in Israël), een bestuurssecretariaat, een administrateur en een externe accountant.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 264.

    Handeling: Het voorbereiden en effectueren van het uitkeringsbeleid van de Stichting SMO.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 2

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 265.

    Handeling: Benoeming en installatie bestuursleden, en het aftreden van bestuursleden.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SAMO, art. 4

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 266.

    Handeling: Het bijeenroepen en houden van bestuursvergaderingen.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, artt. 5 en 7

    Opmerking: Het betreft hier agenda’s, vergaderstukken en vergaderverslagen.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 267.

    Handeling: Het jaarlijks vaststellen van de begroting, het jaarplan en overige jaarstukken.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, artt. 5 en 9

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 268.

    Handeling: Het desgevraagd periodiek afleggen van verantwoording en verstrekken van inlichtingen aan de Minister van Financiën, CJO en SPI over het beheer van de stichting.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 5

    Waardering: B

    Handelingnr: 269.

    Handeling: Het wijzigen van de statuten, en de raadpleging en schriftelijke goedkeuring daarvan van de Minister van Financiën, het CJO en het SPI.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 10

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 270.

    Handeling: Ontbinding en vereffening van de stichting na raadpleging van de Minister van Financiën, het CJO en het SPI.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 11

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 271.

    Handeling: Overdracht van niet toegekend vermogen en overschotvermogen na vereffening aan stichting COM en stichting SCMI.

    Periode: 2005–2013

    Grondslag: Statuten SAMO, artt. 3 en 11

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 272.

    Handeling: Selectie, voorbereiding en overdracht archief van SMO en SAMO aan het Nationaal Archief.

    Periode: 1997 – 2013

    Grondslag: Statuten SAMO, art. 11

    Waardering: B 6

    Actor: de Stichting Cogis

    Handelingnr: 273.

    Handeling: Het nemen van besluiten in het kader van de uitvoering van de Welzijnswet 1994, het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en het Mandaatbesluit Cogis, voor zover de besluiten betrekking hebben op de verstrekking van instellings- en projectsubsidies voor vrijwilligerswerk ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen.

    Periode: 2005–

    Grondslag: Mandaatbesluit Cogis, art. 2 lid 1 (Stcrt. 2005, 213)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 274.

    Handeling: Het opstellen van een financiële verantwoording betreffende de uitgekeerde bedragen en de uitvoeringskosten

    Periode: 2005–

    Grondslag: Mandaatbesluit Cogis, art. 8 (Stcrt. 2005, 213)

    Product: financiële verantwoording

    Waardering: B 3

    Actor: de Stichting Het Gebaar

    Handelingnr: 275.

    Handeling: Het behandelen van subsidieaanvragen van Indische vervolgingsslachtoffers ten behoeve van hun rechtsherstel.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Mandaatbesluit Stichting Het Gebaar, art. 1; uitkeringsreglement (Stcrt. 2003, 226)

    Product: besluiten

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 276.

    Handeling: Het beheren van de gelden, welke door de Rijksoverheid eenmalig ter beschikking zijn gesteld aan de Indische Gemeenschap

    Periode: 2001–

    Grondslag: Mandaatbesluit Stichting Het Gebaar, artt. 1 en 2; uitkeringsreglement (Stcrt. 2003, 226)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 277.

    Handeling: Het mandateren van de bevoegdheid om besluiten te nemen omtrent aanvragen aan de (plaatsvervangend) directeur van de uitvoeringsorganisatie die belast is met de uitvoering van het uitvoeringsreglement Individuele Uitkeringen.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Mandaatbesluit Stichting Het Gebaar, artt. 1 en 2; uitkeringsreglement (Stcrt. 2003, 226)

    Product: mandaatbesluit

    Waardering: V, 10 jaar

    Actor: de Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)

    Handelingnr: 278.

    Handeling: Het uitbrengen van advies aan overheden, hulpverleningsorganisaties, andere organisaties en individuele hulpverleners met betrekking tot dienstverlening aan oorlogsgetroffenen en de uitvoering van de wetten ten aanzien van oorlogsgetroffenen, na raadpleging van de natuurlijke of rechtspersoon op wie het advies betrekking heeft.

    Periode: 1984–1998

    Grondslag: Statuten ICODO, art. 3 lid 2c (Stb. 1983, 588)

    Opmerking: Vanaf 1998 is de stichting geen ZBO meer. Daarom heeft de stichting vanaf dat moment geen archiefwettelijke verplichtingen betreffende de neerslag van taken die ze verricht op grond van haar statuten.

    Waardering: B 1: 1 exemplaar informatie-/voorlichtings/adviseringsmateriaal

    V, 10 jaar: overige neerslag

    Handelingnr: 279.

    Handeling: Het nemen van besluiten in het kader van de uitvoering van de Welzijnswet 1994, het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de Subsidieregeling welzijnsbeleid, voor zover de besluiten betrekking hebben op de verstrekking van instellings- en projectsubsidies voor vrijwilligerswerk ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen.

    Periode: 1998–2004

    Grondslag: Mandaatbesluit ICODO, art. 2 lid 1 (Stcrt. 1998, 84, gewijzigd bij Stcrt. 2000, 63)

    Waardering: B 5

    Handelingnr: 280.

    Handeling: Het verlenen van ondermandaat tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de bevoegdheid van de directeur.

    Periode: 1998–2004

    Grondslag: Mandaatbesluit ICODO, art. 3 (Stcrt. 1998, 84, gewijzigd bij Stcrt. 2000, 63)

    Waardering: B 4

    Handelingnr: 281.

    Handeling: Het opstellen van een financiële verantwoording betreffende de uitgekeerde bedragen en de uitvoeringskosten

    Periode: 1998–2004

    Grondslag: Mandaatbesluit ICODO, art. 9 (Stcrt. 1998, 84, gewijzigd bij Stcrt. 2000, 63)

    Product: financiële verantwoording

    Waardering: B 3

    Actor: de Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF)

    Handelingnr: 282.

    Handeling: Het behandelen van subsidieaanvragen voor humanitaire projecten in centraal en oost-europa met betrekking tot ondersteuning van joodse gemeenschappen, joods onderwijs, voorlichting en hulp aan slachtoffers van conflictsituaties.

    Periode: 2002–

    Grondslag: Uitkeringsreglement Stichting joods Humanitair Fonds, art. 2 (Stcrt. 2002, 68)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 283.

    Handeling: Het beheren van het fonds.

    Periode: 2002–

    Grondslag: Uitkeringsreglement Stichting joods Humanitair Fonds, art. 2 (Stcrt. 2002, 68)

    Waardering: B 6

    Actor: de Stichting Maror-gelden Overheid (SMO)

    Handelingnr: 284.

    Handeling: Het oprichten van de stichting

    Periode: 1997–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 285.

    Handeling: Het beheren van het uitkeringsvermogen, dat door de rijksoverheid eenmalig ter beschikking is gesteld.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, art. 2 lid 1

    Opmerking: Het betreft hier niet het beheren van de ter beschikking gestelde gelden en de opgelopen rente.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 286.

    Handeling: Het opstellen en wijzigen van uitkeringsreglementen.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 2

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 287.

    Handeling: Het beoordelen of een aanvraag voor een individuele uitkering voldoet aan de in de uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van (individuele) burgers voor tegemoetkomingen met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer I werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 288.

    Handeling: Het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als individuele uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van (individuele) burgers voor tegemoetkomingen met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer I werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 289.

    Handeling: Het beoordelen of een aanvraag door een rechtspersoon voor een collectieve uitkering voor een Nederlands project voldoet aan de in de uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van rechtspersonen voor collectieve projecten in Nederland. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer II werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 290.

    Handeling: Het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als collectieve uitkering aan een Nederlandse aanvrager wordt verstrekt.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van rechtspersonen voor collectieve projecten in Nederland. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer II werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 291.

    Handeling: Het beoordelen of een aanvraag door een rechtspersoon voor een collectieve uitkering voor een Israëlisch project voldoet aan de in de uitkeringsreglementen voor toekenning van een uitkering vermelde criteria.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van rechtspersonen voor collectieve projecten in Israel. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer III werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 292.

    Handeling: Het vaststellen van de hoogte van het bedrag dat als collectieve uitkering aan een aanvrager wordt verstrekt voor een Israëlisch project.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Behandelen van verzoeken van rechtspersonen voor collectieve projecten in Israël. Het betreft hier de aanvragen die door Kamer III werden behandeld.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 293.

    Handeling: Het op basis van de Uitkeringsreglementen doen verstrekken van uitkeringen.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Het betreft hier het uitkering van de toegekende bedragen aan respectievelijk individuele burgers en rechtspersonen voor collectieve projecten in Nederland en Israël.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 294.

    Handeling: Het toezien op/en controleren van de besteding van toegekende bijdragen aan collectieve projecten en doelen in Nederland en Israël.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 11

    Opmerking: Het betreft hier afzonderlijke projecten

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 295.

    Handeling: Het inrichten en toezien op de bedrijfsvoering van de stichting SMO.

    Periode: 2000–2005

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 296.

    Handeling: De bedrijfsvoering van stichting SMO.

    Periode: 2000–2005

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 2 en 5

    Opmerking: De bedrijfsvoering van de stichting SMO werd uitgevoerd door Bureau Maror-gelden Overheid. Het betreft hier personele aangelegenheden, het opzetten van publiciteitscampagnes, etc. .

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 297.

    Handeling: Het voorbereiden en effectueren van het uitkeringsbeleid van de Stichting SMO.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 2 en 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 298.

    Handeling: Benoeming en installatie van bestuursleden, en het aftreden van bestuursleden.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, art. 4

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 299.

    Handeling: Het jaarlijks vaststellen van de begroting, het jaarplan en overige jaarstukken.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 5

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 300.

    Handeling: Het voeren van overleg met de Minister van Financiën over het gevoerde beleid en de taakuitoefening van de Stichting en het periodiek afleggen van verantwoording aan de Minister van Financiën over de uitvoering van de taak van het bestuur en het financiële beheer van de stichting.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 5

    Handelingnr: 301.

    Handeling: Het bijeenroepen en houden van bestuursvergaderingen.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 7

    Opmerking: Het betreft hier agenda’s, vergaderstukken en vergaderverslagen.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 302.

    Handeling: Het instellen, toezicht houden en opheffen van Kamer I, II en III

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Regeringsreactie Nederlandse Regering n.a.v. advisering Commissies Scholten, Van Kemenade en Kordes, 21 maart 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 839, nr. 13

    Statuten SMO, artt. 5 en 11

    Opmerking: Kamers I, II en III hebben voor het bestuur de aanvragen voor uitkeringen beoordeeld en de uitkeringsbedragen bepaald. Het bestuur bepaalde vervolgens of ze de adviezen van de Kamers volgden.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 303.

    Handeling: Het benoemen en ontslaan van leden van de Raad van Advies.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 9

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 304.

    Handeling: Advisering van de Raad van Advies.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 9

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 305.

    Handeling: Het instellen en opheffen van een bezwarencommissie.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 12

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 306.

    Handeling: Het voeren van bezwaarschriftprocedures door de bezwarencommissie.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 12

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 307.

    Handeling: Het voeren van verweer in beroep en hoger beroep.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 12

    Opmerking: Dit werd feitelijk uitgevoerd door de Landsadvocaat. Deze rapporteerde hierover aan SMO.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 308.

    Handeling: Het instellen en opheffen van een commissie van deskundigen.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten SMO, art. 10

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 309.

    Handeling: Advisering van de commissie van deskundigen.

    Periode: 2000–2004

    Grondslag: Statuten, art. 10

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 310.

    Handeling: Het wijzigen van de statuten, en de raadpleging en schriftelijke goedkeuring daarvan van de Minister van Financiën, het CJO en het SPI.

    Periode: 2000–2005

    Grondslag: Statuten SMO, art. 14

    Waardering: B 6

    Actor: de Stichting Pelita

    Handelingnr: 311.

    Handeling: Het bieden van aanvraagbegeleiding in het kader van de WIV, WUV en WUBO aan de getroffenen uit voormalig Nederlands-Indië

    Periode: 1972–

    Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 31 lid 2 (Stb. 1972, 669); Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 36 lid 3 (Stb. 1984, 94); Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, 26 lid 5 (Stb. 1986, 360)

    Product: sociaal rapport t.b.v. van de aanvraagbeoordeling van de PUR

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 312.

    Handeling: Het opstellen van de verzetsrapportage bij aanvragen in het kader van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (WIV).

    Periode: 1986–

    Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, art. 3a, 27 lid 2 en 3 (Stb. 1986, 360)

    Product: verzetsrapportage, verzetsclaim

    Opmerking: Deze taak bestaat uit het optekenen van de verzetsclaim van de aanvrager en sinds 1 januari 1999 het uitvoeren van een verificatieonderzoek en de verslaglegging daarvan (dit onderdeel was voordien door Pelita uitbesteed aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds). Na de opheffing van de Commissie Indisch Verzet is Stichting Pelita met ingang van 1 januari 2001 in het kader van de WIV tevens belast met het afgeven van de verklaring van verzet en waardigheid.

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 313.

    Handeling: Het adviseren van de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent wetsontwerpen en ontwerpen van AMvB’s en Ministeriële regelingen.

    Periode: 1972–

    Bron: interview

    Waardering: B 1

    Actor: de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma

    Handelingnr: 314.

    Handeling: Het behandelen van subsidieaanvragen ter compensatie van tekortkomingen in het na de tweede wereldoorlog jegens Sinti en Roma uitgevoerde rechtsherstel.

    Periode: 2001–

    Grondslag: Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (Stcrt. 2001, 104)

    Waardering: B 6

    Handelingnr: 315.

    Handeling: Het beheren van de gelden welke door de rijksoverheid ter beschikking zijn gesteld aan Sinti en Roma ter compensatie van tekortkomingen in het na de tweede wereldoorlog jegens hen uitgevoerde rechtsherstel

    Periode: 2001–

    Grondslag: Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (Stcrt. 2001, 104)

    Waardering: B 6

    Concordantie

    BSD

    RIO

    Toelichting

    1–3

    Nieuw

    Algemene handelingen

    4

    1, 14, 25, 58, 69, 85

    veralgemeniseerd

    5

    Nieuw

    Algemene handeling

    6

    4.1, 4.2, 5.1, 5.2, 15, 19.1, 19.2, 20.1, 20.2, 20.3, 21, 26, 27, 28, 44.1, 44.4, 44.5, 44.6, 44.8, 54.1, 54.2, 59, 60, 61, 70.1 –11, 71, 72, 86

    Veralgemeniseerd

    7–12

    Nieuw

    Algemene handelingen

    13

    8.3, 18.2, 18.3, 29.1, 29.2, 38

    Veralgemeniseerd

    14–20

    Nieuw

    Algemene handelingen

    21

    6

     

    23

    30, 47, 49, 53.2, 55

    Veralgemeniseerd

    24, 25

    Nieuw

    Algemene handelingen

    26

    29.5

    Veralgemeniseerd

    27

    nieuw

     

    28

    5.3

     

    29

    7

     

    30

    nieuw

     

    31

    8.2

     

    32

    Nieuw

     

    33

    Nieuw

     

    34

    9, 17

     

    35

    Nieuw

     

    36

    10.1 + 10.2

     

    37–40

    Nieuw

     

    38

    16

     

    39

    nieuw

     

    40

    nieuw

     

    41

    22

     

    42

    16

     

    41–43

    Nieuw

     

    44

    29.1 t/m 29.3

     

    45

    29.4

     

    46

    Nieuw

     

    47

    Nieuw

     

    48

    Nieuw

     

    49

    Nieuw

     

    50

    35.1

     

    51

    35.2

     

    52

    37

     

    53

    38

     

    54

    40

     

    55

    41.1 en 41.3

     

    56

    41.2

     

    57

    42.1

     

    58

    42.2

     

    59

    Nieuw

     

    60

    48

     

    61

    44.2

     

    62

    44.3

     

    63

    44.7

     

    64

    45

     

    65

    46.1

     

    66

    46.2

     

    67

    73

     

    68

    75

     

    69

    75

     

    70

    72

     

    71

    74

     

    72

    51.1, 53.1

     

    73

    51.2, 52

     

    74

    Nieuw

     

    75

    64

     

    76

    Nieuw

     

    77

    62

     

    78

    63.1

     

    79

    63.2

     

    80

    64

     

    81

    65

     

    82

    Nieuw

     

    83

    66

     

    84

    Nieuw

     

    85

    79

     

    86

    78

     

    87

    78

     

    88

    80

    Veralgemeniseerd

    89

    2

     

    90

    3

     

    91

    Nieuw

     

    92

    84

     

    93–98

    Nieuw

     

    99

    88.1, 88.2

     

    100

    87.4

     

    101

    87.5

     

    102

    Nieuw

     

    103

    87.1, 87.2 en 87.3

     

    104

    Nieuw

     

    105

    88.3

     

    106

    89

     

    107

    6

     

    108–134

    Nieuw

     

    135

    83

     

    136

    81

     

    137

    82

     

    138

    Nieuw

     

    139

    34

     

    140

    Nieuw

     

    141

    33

     

    142

    33

     

    143

    Nieuw

     

    144

    Nieuw

     

    145

    Nieuw

     

    146

    Nieuw

     

    147

    56.1

     

    148

    56.2

     

    149

    13

     

    150

    49

     

    151

    50

     

    152–

    Nieuw

     

    Niet uit het RIO opgenomen handelingen

    Handeling

    Toelichting

    8.1

    Inzage vorderen, inlichtingen vragen en overleg voeren zijn geen handelingen.

    8.2

    Buitengewone Pensioenraad: voorganger PUR

    8.4

    Centrale Raad van Beroep verzoeken uitspraak te herzien: geen handeling, want het betreft in feite het opnieuw doen van een uitspraak.

    11

    Buitengewone Pensioenraad: voorganger PUR

    12

    Idem, en handeling van Stichting 1940–1945 is opgenomen in 209.

    18.1

    Inzage vorderen is geen handeling.

    Buitengewone Pensioenraad: voorganger PUR

    23

    Buitengewone Pensioenraad: voorganger PUR

    24

    Idem

    29.3

    Inzage vorderen is geen handeling. Het verslag van het overleg kan vallen onder handeling 10.

    31

    Idem

    32

    Idem

    36

    De Directeur opereert onder verantwoordelijkheid van de Minister. De ‘handelingen’ zijn geen handelingen maar bevoegdheden en procedurestappen.

    39

    Gemeente is geen actor

    43

    Idem

    57

    Idem

    67

    Uitkeringsraad: voorganger PUR

    68

    Het horen van actoren is geen handeling.

    76

    Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers: voorganger van de PUR.

    77

    Idem

    83

    Het heroverwegen van een beslissing wordt gezien als herhaling van een bestaande handeling en niet als een nieuwe handeling.

    90

    PUR