Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland[Regeling vervallen per 12-12-2013.]

Geldend van 01-01-2013 t/m 11-12-2013

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 april 2007, nr. (PO/KO-06.6456), houdende regels met betrekking tot het verlenen van subsidie en het overdragen en opdragen van taken aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikelen 4 en 6 van de Wet overige OCenW-subsidies en artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 12-12-2013]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. stichting: Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te ’s-Gravenhage;

  • c. toezichthouders: door de minister aangewezen toezichthouders op grond van artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies

  • d. onderwijsvoorziening: een in het buitenland gevestigde Nederlandse school, Nederlandse afdeling van een school in het buitenland waar volledig basisonderwijs, volledig voortgezet onderwijs, NTC-PO of NTC-VO wordt gegeven dan wel een voorziening voor onderwijs op afstand als bedoeld in deze regeling;

  • e. raamschoolplan: model van een schoolplan voor hetzij volledig basisonderwijs of volledig voortgezet onderwijs, hetzij NTC-PO, hetzij NTC-VO, vastgesteld door de stichting na goedkeuring door de inspectie

  • f. onderwijs op afstand: voorziening voor onderwijs via schriftelijke, telefonische en elektronische media op grond van een raamschoolplan dan wel raamschoolplan NTC als bedoeld in artikel 12, tweede lid;

  • g. Europese School: school gesticht en in stand gehouden op grond van het Statuut voor de Europese School.

Artikel 2. Doel van de subsidie [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De Minister verstrekt subsidie aan de stichting ten behoeve van het, onder de in deze regeling opgenomen voorwaarden, uitoefenen van het beheer van door de overheid geheel of gedeeltelijk gesubsidieerde activiteiten en voorzieningen van Nederlands onderwijs in het buitenland. Daarbij worden de volgende hoofdtaken onderscheiden:

    • a. het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland waaronder begrepen het ondersteunen van de totstandkoming en de uitvoering van onderwijs op afstand;

    • b. overige activiteiten ten aanzien van specifieke instellingen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 met dien verstande, dat dit geschiedt met inachtneming van het Statuut voor de Europese scholen, voor zover het activiteiten betreft van de Europese scholen;

    • c. het in opdracht van de Minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de Minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen.

  • 2 De in het eerste lid, onder a en b bedoelde activiteiten zijn, met het oog op terugkeer in en aansluiting bij het onderwijs in Nederland en Vlaanderen, primair bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die in het buitenland verkeren.

  • 3 De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a zijn in beginsel gericht op:

    • 1e. basisonderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 4 tot en met uiterlijk het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 14 jaar bereikt, dan wel:

    • 2e. voortgezet onderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 12 tot en met 18 jaar.

  • 4 De stichting draagt tevens zorg voor toegankelijkheid van de onderwijsvoorzieningen voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn en maakt dit tot een voorwaarde voor het verstrekken van subsidie aan de onderwijsvoorzieningen.

Paragraaf 2. Subsidieverlening [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 3. Subsidieverlening basisonderwijs [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De Minister verleent jaarlijks aan de stichting, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, subsidie ten behoeve van de in artikel 2, eerste lid onder a, genoemde ondersteuning van onderwijsvoorzieningen voor basisonderwijs in het buitenland.

  • 2 De subsidie bestaat uit een bedrag per leerling en wordt voor het basisonderwijs als bedoeld in artikel 2, derde lid, berekend op de grondslag van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar als werkelijk schoolgaand bekend is op scholen die bij de stichting zijn aangesloten door middel van ondertekening van een akte van aansluiting, vermeerderd met een in de bijlage bij deze regeling vast te stellen percentage en rekenkundig afgerond op een geheel aantal leerlingen.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde aantal leerlingen wordt voor de periode 2011 tot en met 2015 vastgesteld op maximaal 15.000. Het maximum aantal leerlingen voor een volgende periode wordt uiterlijk 15 december 2015 na overleg met de stichting vastgesteld.

  • 4 Wanneer binnen de eerste drie jaar het maximum aantal leerlingen met meer dan 5% wordt overschreden, wordt dit maximum na overleg met de stichting tussentijds opnieuw vastgesteld.

  • 5 De subsidie wordt jaarlijks verhoogd met de prijsstijging als gevolg van de genormeerde gemiddelde personeelslasten zoals deze gelden voor de schoolleiding.

Artikel 4. Subsidieverlening voortgezet onderwijs [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De minister verleent jaarlijks aan de stichting, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, subsidie ten behoeve van de in artikel 2, eerste lid onder a, genoemde ondersteuning van onderwijsvoorzieningen voor voortgezet onderwijs in het buitenland.

  • 2 De subsidie bestaat uit een bedrag per leerling en wordt voor het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2, derde lid, berekend op de grondslag van het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar als werkelijk schoolgaand bekend is op de scholen die bij de stichting zijn aangesloten door middel van ondertekening van een akte van aansluiting, vermeerderd met een in de bijlage bij deze regeling vast te stellen percentage en rekenkundig afgerond op een geheel aantal leerlingen.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde aantal leerlingen wordt voor de periode 2011 tot en met 2015 op maximaal 3.000 vastgesteld. Het maximum aantal leerlingen voor een volgende periode wordt uiterlijk 15 december 2015 na overleg met de stichting vastgesteld.

  • 4 Wanneer binnen de eerste drie jaar het maximum aantal leerlingen van 3.000 met meer dan 5% wordt overschreden, wordt dit maximum na overleg met de stichting tussentijds opnieuw vastgesteld.

  • 5 De subsidie wordt jaarlijks verhoogd met de prijsstijging als gevolg van de genormeerde gemiddelde personeelslasten zoals deze gelden voor de schoolleiding.

Artikel 5. Aanvullende subsidieverlening [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De Minister verleent jaarlijks aan de stichting in aanvulling op de in artikel 3 en 4 bedoelde subsidies, met inachtneming van het gestelde in de bijlage bij deze regeling, een subsidie ten behoeve van de in artikel 2, onder b en onder c, genoemde activiteiten.

  • 2 De aanvullende subsidie strekt bovendien tot de instandhouding van de stichting, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

    • a. bestrijding van de kosten van beheer en bestuur van de stichting,

    • b. bestrijding van de kosten van de door de stichting in te schakelen organisaties, en

    • c. bestrijding van de kosten van het verstrekken van informatie over het onderwijs aan naar het buitenland vertrekkende en naar Nederland terugkerende Nederlandse staatsburgers,

    • d. ICT.

  • 3 De aanvullende subsidie is opgebouwd uit de elementen die zijn opgenomen in de bijlage van deze regeling.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud [Vervallen per 12-12-2013]

  • 2 In geval van het niet vervullen van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, worden de subsidiebedragen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 elk verlaagd tot een totaalbedrag subsidie dat na vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter beschikking staat.

Paragraaf 3. Verplichtingen [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 7. Aantal vestigingsplaatsen, leerlingen en formatieplaatsen [Vervallen per 05-07-2011]

Artikel 8. Bestedingsverplichting; delegatie [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij blijkens de subsidieverlening bestemd is, waaronder in ieder geval wordt begrepen de verplichting dat de stichting de subsidie bedoeld in de artikelen 3 en 4 jaarlijks geheel beschikbaar stelt aan de in het tweede lid genoemde voorzieningen, door uitkering van een bedrag of door dienstverlening om niet aan deze scholen.

  • 2 De stichting neemt onder eigen naam en eigen verantwoordelijkheid en onder door haar te stellen voorwaarden besluiten met betrekking tot de subsidiëring van de voorzieningen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a.

  • 3 Het verstrekken van subsidies als bedoeld in het vorige lid geschiedt onder de voorwaarden zoals vermeld in artikel 9. De stichting neemt deze voorwaarden op in het door haar vast te stellen subsidiebesluit en verwijst daarbij naar de onderhavige regeling alsmede de vindplaats hiervan.

  • 4 De stichting kan een subsidieplafond vaststellen.

  • 5 In afwijking van het eerste lid besteedt de stichting, indien de aanvullende subsidie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, is uitgeput, maximaal 20% van de subsidie aan de instandhouding van de stichting, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Artikel 9. Voorwaarden subsidieverlening door stichting [Vervallen per 12-12-2013]

De stichting verleent slechts subsidie op aanvraag:

  • a. aan rechtspersonen met volledige rechtspersoonlijkheid, hetzij naar Nederlands recht, hetzij een daarmee overeenkomende rechtsfiguur naar het recht van het land van vestiging;

  • b. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland die aan hun personeel dezelfde eisen van bevoegdheid en (onderhouden van) bekwaamheid stellen als in vergelijkbare gevallen onder de Nederlandse onderwijswetgeving;

  • c. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland die beschikken over een schoolplan dat voldoet aan de eisen die worden gesteld door het door de toezichthouders goedgekeurde raamschoolplan. Het bevoegd gezag van de onderwijsvoorziening zendt het schoolplan, dan wel de wijzigingen daarvan, en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling naar de toezichthouders;

  • d. aan onderwijsvoorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland waar de toezichthouders in voldoende mate toezicht kunnen uitoefenen. In het kader van dit toezicht hebben deze toezichthouders steeds toegang tot de onderwijsvoorziening en dienen de onderwijsvoorzieningen en het daarbij in dienst zijnde personeel de toezichthouders alle gevraagde inlichtingen te verstrekken omtrent de onderwijsvoorziening en het onderwijs.

Artikel 10. Informatieplicht [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De stichting verstrekt de Minister en door haar aangewezen personen de gevraagde inlichtingen.

  • 2 De stichting informeert de Minister in ieder geval zo spoedig mogelijk over mutaties in het bestand van het door de Minister gedetacheerde personeel, de afwikkeling van belangrijke personele zaken, alsmede over eventueel ondernomen acties naar aanleiding van rapporten van de toezichthouders met betrekking tot door hen verrichte bezoeken van onderwijsvoorzieningen.

  • 3 De stichting draagt er zorg voor dat de Minister en door haar aangewezen personen volledige inzage hebben in de boeken en bescheiden, voor zover die niet een vertrouwelijk karakter hebben. De door de Minister aangewezen personen zijn bevoegd tot het maken van kopieën van de aangetroffen bescheiden en documenten.

  • 4 De stichting verleent de Minister en door haar aangewezen personen toegang tot de door de stichting gebruikte lokaliteiten en voorzieningen.

  • 5 De Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de inrichting en toegankelijkheid van de door de stichting gevoerde administratie.

Artikel 11. Egalisatiereserve [Vervallen per 12-12-2013]

  • 2 De Minister kan de subsidieverlening afhankelijk stellen van de omvang van de egalisatiereserve.

Artikel 12. Aansluiting op het Nederlands onderwijs [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De activiteiten van de stichting zijn erop gericht zoveel mogelijk de aansluiting tussen het onderwijs in het buitenland en het onderwijs in Nederland en Vlaanderen te garanderen waardoor aan rapporten, diploma’s en getuigschriften verstrekt door de onderwijsvoorzieningen in het buitenland zoveel mogelijk dezelfde rechten verbonden zijn als wanneer die rapporten, diploma’s of getuigschriften zouden zijn verworven aan een uit de openbare kas bekostigde school in Nederland of Vlaanderen.

  • 2 Teneinde de in het eerste lid bedoelde aansluiting te bevorderen werkt de stichting met een raamschoolplan voor het volledig basisonderwijs dan wel het onderwijs in de Nederlandse Taal en Cultuur dat zoveel mogelijk is afgestemd op de in Nederland geldende voorschriften. Voor het voortgezet onderwijs werkt de stichting met een raamschoolplan Nederlandse Taal en Cultuur VO (NTC-VO) voor de door de voorzieningen op te stellen schoolplannen voor het vak Nederlands en de cultuurcomponent. Het raamschoolplan is zoveel mogelijk afgestemd op de kerndoelen onderbouw VO en is verder gericht op afsluiting, hetzij via een staatsexamen Nederlands, hetzij via een erkend nationaal dan wel internationaal examen waarvan het Nederlands een onderdeel vormt.

  • 3 Het raamschoolplan behoeft de goedkeuring van de toezichthouders.

Paragraaf 4. Toezicht [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 13. Toezichthouders [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouders hun werkzaamheden zodanig kunnen uitvoeren dat zij in voldoende mate toezicht kunnen uitoefenen op de bij de stichting aangesloten scholen.

  • 2 De Minister stelt na overleg met de stichting en in overleg met de toezichthouders vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouders als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5. Verplichtingen ten aanzien van specifieke instellingen [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 14. Lycée International Saint-Germain-en-Laye (Frankrijk) [Vervallen per 12-12-2013]

De stichting voert, met uitzondering van de werkgeverstaken, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, het bevoegd gezag over de Nederlands(talig)e afdeling van het Lycée International te St-Germain-en-Laye met inachtneming van hetgeen is bepaald:

  • a. in regelingen tussen de Staat der Nederlanden en de Franse Staat,

  • b. met betrekking tot de rol van de toezichthouders bij het vaststellen van het schoolplan en de daarop gebaseerde schoolgids voor deze school, alsmede de rol van deze toezichthouders bij aanstelling en ontslag van personeel als beschreven in artikel 17, derde lid.

Artikel 15. Europese school te Bergen (NH) [Vervallen per 12-12-2013]

De stichting beheert namens de Minister de middelen die jaarlijks op de begroting van de Minister zijn bestemd ten behoeve van het groot onderhoud van de Europese school te Bergen alsmede ten behoeve van personele kosten (belastingvrijdom) en materiële kosten (BTW-vrijstelling) als bedoeld in de ‘Overeenkomst betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland’ (Tractatenblad 1970, nr. 95).

Artikel 16. Nederlands Astma Centrum in Davos (Zwitserland) [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De stichting beheert namens de Minister de subsidiemiddelen die zijn bestemd voor de onderwijsvoorziening van het Nederlands Astma Centrum in Davos, een en ander met inachtneming van de voor deze onderwijsvoorziening in een afzonderlijke beschikking vastgelegde subsidieverplichtingen.

  • 2 De stichting informeert de Minister tijdig over relevante wijzigingen in de gegevens waarop de subsidie voor deze instelling gebaseerd is.

Paragraaf 6. Werkgeverstaken [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 17. Werkgeverstaken [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De stichting treedt namens de Minister op als werkgever van het personeel verbonden aan de Nederlandse afdelingen van de Europese scholen alsmede aan de Nederlands(talig)e afdeling van het Lycée International te Saint-Germain-en-Laye. Dit werkgeverschap omvat mede het namens de Minister aanstellen en ontslaan van personeel, het voeren van Decentraal Georganiseerd Overleg over de rechtstoestand van het personeel en het nemen van overige besluiten alsmede het vaststellen van beleidsregels in het kader van de rechtspositie van het personeel, met inachtneming van de rol van de toezichthouders.

  • 3 Het aanstellen, ontslaan dan wel verplaatsen van door de Minister gedetacheerd personeel aan het Lycée International te Saint-Germain-en-Laye geschiedt nadat de toezichthouders zijn gehoord.

Paragraaf 7. Subsidieaanvraag, -verlening en -vaststelling [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 18. Subsidieaanvraag en -verlening [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 De stichting dient jaarlijks uiterlijk 15 december van enig kalenderjaar een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 2 De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op peildatum 1 oktober van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan.

  • 3 Een leerling kan slechts op één onderwijsvoorziening voor bepaling van de subsidiegrondslag worden meegeteld.

  • 4 De minister besluit uiterlijk 15 januari van enig kalenderjaar op de aanvraag tot subsidieverlening voor het desbetreffende kalenderjaar.

  • 5 De subsidie wordt betaald in maandelijkse termijnen, met dien verstande dat voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, tenminste 80% van de subsidie is betaald.

  • 6 De stichting doet jaarlijks aan de minister voor 31 juli een aangepaste opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op basis van peildatum 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en op basis van de peildatum 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar voor zover het betreft de subsidie ten behoeve van het Nederlands Astma Centrum in Davos.

  • 7 De stichting gebruikt voor de opgave, bedoeld in het tweede en zesde lid, het Rekenmodel Subsidiebepaling NOB.

  • 8 In de maand september van enig kalenderjaar wordt de hoogte van de subsidie die voor het desbetreffende kalenderjaar is verleend, bijgesteld op grond van de in het zesde lid bedoelde opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen.

Artikel 19. Subsidievaststelling [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend, dient de stichting bij de minister ten behoeve van de subsidievaststelling een jaarverslag in, bestaande uit een financieel verslag en een activiteitenverslag. Uit het jaarverslag blijkt in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten, alsmede van een doelmatige aanwending van de subsidie.

  • 2 Het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:

    • a. een balans per eind van het kalenderjaar,

    • b. een exploitatierekening over het kalenderjaar,

    • c. een toelichting op balans en exploitatierekening,

    • d. een bestuursverslag.

    • e. een definitieve opgave van het leerlingaantal en aantal formatieplaatsen.

  • 3 Uit het jaarverslag dient een verantwoord inzicht te worden verkregen in

    • a. de grootte en samenstelling van het vermogen,

    • b. de grootte en samenstelling van het resultaat,

    • c. de solvabiliteit en liquiditeit.

  • 4 Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend en van de daarmee behaalde resultaten. Afschrift van dit verslag wordt gezonden aan de toezichthouders.

  • 5 De minister kan een model vaststellen voor het jaarverslag en de begroting.

  • 6 Niet bestede middelen worden verrekend bij de eerstvolgende betaling.

Artikel 20. Accountantsverklaring [Vervallen per 12-12-2013]

Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidieverplichtingen door de stichting. De verklaring van getrouwheid is mede gebaseerd op het voor de scholen in overleg met de stichting opgestelde controleprotocol en geschiedt volgens het in het protocol opgenomen model.

Artikel 21. Termijn vaststelling [Vervallen per 12-12-2013]

De minister stelt de subsidie vast uiterlijk 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend.

Paragraaf 8. Slotbepalingen [Vervallen per 12-12-2013]

Artikel 22. Wijziging activiteiten van de stichting [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 Indien de Minister wijziging noodzakelijk acht in het functioneren van de stichting ten aanzien van de door de Minister gesubsidieerde activiteiten, treedt deze in overleg met de stichting.

  • 2 De stichting voert overeengekomen wijzigingen uit voor zover deze niet in strijd zijn met haar statutaire doelstelling en rekening houdend met reeds aangegane verplichtingen.

  • 3 Ingeval van door de Minister noodzakelijk geachte wijzigingen in het functioneren van de stichting, wordt tevens voorzien in overeenkomstige aanpassing van de subsidie.

Artikel 23. Abp-status [Vervallen per 12-12-2013]

  • 1 Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.

  • 2 Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.

Artikel 24. Intrekking [Vervallen per 12-12-2013]

De Bekostigingsbeschikking Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland, PO/PJ/99/12343, 7 juli 1999, wordt ingetrokken.

Artikel 25. Inwerkingtreding [Vervallen per 12-12-2013]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, behoudens het bepaalde in artikel 3, derde en vierde lid en artikel 4, derde en vierde lid en de bedragen genoemd in de bijlage, terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel 26. Citeertitel [Vervallen per 12-12-2013]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S.A.M. Dijksma

Bijlage [Vervallen per 12-12-2013]

A. De subsidie [Vervallen per 12-12-2013]

1. Basissubsidie ten behoeve van:

  • a. basisonderwijs in het buitenland

  • b. voortgezet onderwijs in het buitenland

  • c. NTC-PO

  • d. NTC-VO

  • e. Afstandsonderwijs

2. Aanvullende subsidie ten behoeve van:

  • a. het werkgeverschap van het personeel verbonden aan de Nederlandstalige afdelingen van de Europese scholen

  • b. de Europese school te Bergen

  • c. de Nederlandstalige afdeling van het Lycée international Saint-Germain-en-Laye (Frankrijk)

  • d. het Nederlands Astmacentrum Davos (Zwitserland)

  • e. het beheer en bestuur van de Stichting NOB

  • f. het in opdracht van de minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen.

3. Opgave aantal leerlingen en aantal formatieplaatsen

  • 3.1 Jaarlijks vóór 15 december van het jaar t-1 dient de voorlopige opgave van het aantal leerlingen op de peildatum 1 oktober t-1 te worden gemeld van de onder 1 en 2 genoemde onderwijsinstellingen, onderverdeeld naar PO en VO, alsmede het aantal formatieplaatsen voor de onder 2.a en 2.d genoemde onderwijsinstellingen.

  • 3.2 Jaarlijks vóór 31 juli van het jaar t dient de opgave van het aantal leerlingen op de peildatum 1 oktober t-1 te worden gemeld van de onder 1 en 2 genoemde onderwijsinstellingen, onderverdeeld naar PO en VO, alsmede het aantal formatieplaatsen voor de onder 2.a en 2.d genoemde onderwijsinstellingen.

  • 3.3 Bij de opgave genoemd onder 3.2 dient ook het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar t van de onderwijsinstelling te Davos gemeld te worden. Voor bepaling van het aantal leerlingen van Davos dat voor bekostiging in aanmerking komt geldt: het leerlingaantal op 1 oktober van jaar t-1 + het leerlingaantal op 1 maart van jaar t gedeeld door 2.

  • 3.4 In het jaarverslag van het jaar t moeten de definitieve opgaven genoemd onder 3.2 en 3. 3 worden opgenomen.

B. Berekening basissubsidie [Vervallen per 12-12-2013]

4.1 Basisonderwijs in het buitenland

Bedrag per leerling vermenigvuldigd met het aantal leerlingen PO op 1 oktober t-1.

Het aantal leerlingen PO (volledig en NTC) per 1 oktober t-1 wordt verhoogd met 2 procent.

Voor het jaar 2009 is het bedrag per leerling vastgesteld op €598,76.

4.2 Voortgezet onderwijs in het buitenland

Bedrag per leerling vermenigvuldigd met het aantal leerlingen VO op 1 oktober t-1

Het aantal leerlingen NTC-VO per 1 oktober t-1 wordt verhoogd met het aantal 10 en 11 jarigen.

Het aantal leerlingen NTC-VO per 1 oktober t-1 wordt verhoogd met 2 procent

Voor het jaar 2009 is het bedrag per leerling vastgesteld op €598,76.

4.3 Afstandsonderwijs

Bedrag per leerling vermenigvuldigd met het aantal leerlingen op 1 oktober t-1

Voor het jaar 2009 is het bedrag per leerling vastgesteld op €598,76.

C. Berekening aanvullende subsidie Europese scholen, Saint-Germain-en-Laye en Davos [Vervallen per 12-12-2013]

I. Personele lasten. [Vervallen per 12-12-2013]

Uitgangspunt is een integrale vergoeding van de werkelijk in een begrotingsjaar gemaakte kosten.

De component personele lasten wordt berekend volgens de formule B = Esf x (P1 x Q1+ P2 x Q2 + ......), waarbij geldt:

B = de bekostiging van de personele lasten voor de Europese scholen en Saint-Germain-en-Laye.

Esf = factor Europese scholen, conform paragraaf 6.2 van deze bijlage.

P = landelijk gemiddelde personeelslast (GPL) per functietype, conform artikel 5.1 van deze bijlage.

Q = het aantal formatieplaatsen per functietype uitgedrukt in fulltime equivalenten (fte’s), vastgesteld conform artikel 6 van deze bijlage.

P x Q = berekening per functietype.

5.1 Gemiddelde personeelslast

De genormeerde gemiddelde personeelslast (GPL) van het personeel voor de Europese scholen wordt per functietype bepaald op de volgende wijze:

  • 1. voor de gemiddelde personeelslast voor het primair onderwijs wordt uitgegaan van de Regeling PO/FenV-207525 en de regelingen die daar (jaarlijks) op volgen op grond van maatregelen in de personele bekostiging

  • 2. voor de gemiddelde personeelslast voor het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van de Regeling VO/FBI-2009/144602 en de regelingen die daar (jaarlijks) op volgen op grond van maatregelen in de personele bekostiging.

5.2 Europese scholen factor

  • 1. De Esf beweegt zich binnen een bandbreedte van: 5‰ ten opzichte van de in de jaarrekening van de Stichting NOB verantwoorde cijfers in jaar t m.b.t. de personele lasten van de Europese scholen en Saint-Germain-en-Laye (PLV). Bij overschrijding van deze bandbreedte wordt de Esf na overleg tussen OCW en Stichting NOB opnieuw vastgesteld voor het jaar t.

  • 2. De door Stichting NOB verantwoorde personele lasten in jaar t genoemd onder punt 1 bestaan uit de volgende componenten:

    • 1. salariskosten op basis van jaaroverzichten uit het salarissysteem,

    • 2. de verhuiskosten en de buitenlandtoelage op basis van jaaroverzichten uit het salarissysteem,

    • 3. de kosten van noodzakelijke scholing en begeleiding van personeel,

    • 4. de dotatie voor een bestemde reserve, voor zover deze risico’s niet worden gedekt door

    respectievelijk het Participatiefonds en het Vervangingsfonds of andere daarvoor ontwikkelde fondsen of voorzieningen.

  • 3. Bij het opnieuw vaststellen van de Esf conform punt 2 van dit artikel worden de conform punt 3 van dit artikel verantwoorde personele lasten (PLV) in jaar t gedeeld door de bijgestelde subsidie van jaar t voor wat betreft het onderdeel bekostiging van de personele lasten, exclusief Esf.

6. Berekening aantal formatieplaatsen

6.1 Europese scholen

Het aantal beschikbare formatieplaatsen voor het jaar t voor de Europese scholen is het aantal formatieplaatsen voor door Nederland te detacheren functietypen: directeur, adjunct-directeur, leraar voortgezet onderwijs, leraar basisonderwijs, overig onderwijzend personeel zoals bijvoorbeeld administrateur, dat is vastgelegd in het meest recente besluit ‘Scheppen en schrappen van posten’ van de Raad van Bestuur Europese Scholen. Dit document wordt elk jaar uiterlijk in de aprilvergadering van jaar t-1 vastgesteld voor het schooljaar t-1/t. Dit aantal wordt uitgebreid met het aantal formatieplaatsen waarvoor de Nederlandse delegatie in de Raad van Bestuur van de Europese scholen een commitment is aangegaan voor het jaar t.

Het in dit artikel genoemde aantal formatieplaatsen moet verantwoord worden in het jaarverslag over het jaar t-1.

6.2 Saint-Germain-en-Laye

Het aantal formatieplaatsen voor het jaar t wordt volgens de hierna volgende algemene bepalingen vastgesteld door de Stichting NOB en voor 1 december van het jaar t-1 aan de minister bekendgemaakt.

Algemeen

Voor bekostiging komt in aanmerking de Nederlandse afdeling van het Lycée International te Saint-Germainen- Laye. De Nederlandse afdeling van het Lycée International te Saint-Germain-en-Laye verzorgt het onderwijs in

2 leerjaren kleuterschool (groep 1 en 2 basisonderwijs) 6 klokuren per week,

5 leerjaren lagere school (groep 3 t/m 7 basisonderwijs) 6 klokuren per week,

4 leerjaren collège (groep 8 basisonderwijs, brugklas,

2 en 3 HAVO/VWO) 6 lesuren (van 50 minuten) per week

en 3 leerjaren lycée (4, 5 en 6 VWO) 8 lesuren (van 50 minuten) per week.

Grondslag formatiebepaling

De omvang van de formatie per schooljaar is afhankelijk van het aantal leerlingen in combinatie met het onderwijsaanbod.

Bepaling aantal leerlingen

Voor de berekening van het aantal leerlingen wordt uitgegaan van het aantal leerlingen met de Nederlandse nationaliteit en het aantal Nederlandstalige leerlingen met de Belgische nationaliteit op 1 oktober van het voorafgaande jaar. De vaststelling van het leerlingenaantal geschiedt door beide toezichthouders (i.c. inspecteurs buitenland) op basis van de door de rector van de Nederlandse afdeling gemaakte opgave.

Bepaling onderwijsaanbod

Het onderwijsaanbod moet zoveel mogelijk voldoen aan de bepalingen hieromtrent in de WPO en de WVO. De eisen die door de Franse overheid aan de inrichting van het onderwijs gesteld worden, zijn vastgelegd in de Franse onderwijswetgeving (Decret) van 19 mei 1981. De inhoud van het moedertaalonderwijs voor het primair onderwijs is beschreven in het Schoolplan van de Nederlandstalige afdeling van het Lycée International, volgens de meest recente richtlijnen van het Raamschoolplan NTC-onderwijs van de Stichting NOB. Het moedertaalonderwijs voor het voortgezet onderwijs is beschreven in het Schoolplan van de Nederlandstalige afdeling van het Lycée International en omvat de vakken Nederlands, delen van aardrijkskunde (géographie) en geschiedenis (histoire). Dit schoolplan is opgesteld volgens de richtlijnen van het Raamschoolplan Nederlandse Taal en Cultuur VO van de Stichting NOB en de richtlijnen opgesteld door Nederlandse en Franse onderwijsinspectie. De cursus leidt op tot het Baccalauréat à l’Option Interntionale avec des épreuves en Néerlandais; dit Franse baccalaureaat is equivalent verklaard met een Nederlands VWO-diploma.

Per leerniveau wordt vanaf jaargroep 3 tot en met jaargroep 8 één uur per week extra onderwijs gegeven aan leerlingen met een (tijdelijke) taalachterstand. Vanaf jaargroep 3 tot en met jaargroep 7 wordt, naast de reguliere zes taaluren per week per leerniveau, één uur onderwijs besteed aan creatieve vorming, sport of boekenuur.

De Nederlandse afdeling (VO) verricht voor 9 lesuren per week werkzaamheden ten behoeve van het Centre de Documentation Internationale (CDI).

Het programma geschiedenis/aardrijskunde voortgezet onderwijs wordt in overleg met de Franse school vastgesteld en onderhouden. Ten behoeve van het overleg tussen de Nederlandse, de Franse en de andere buitenlandse secties wordt één lesuur per week ter beschikking gesteld.

Berekening te bekostigen formatie Per leerniveau is er één groep. Daarboven kan maximaal 1 parallelle groep worden gevormd bij de Nederlandse afdeling. Als er in een leerniveau geen leerlingen zijn, wordt voor dit leerniveau ook geen formatie bekostigd.

Per groep wordt het aantal te bekostigen minuten lesgebonden formatie vastgesteld op basis van de onderstaande tabel. De formatie voor steunuren wordt uitsluitend bekostigd als er op het betreffende leerniveau leerlingen zijn met een (tijdelijke) taalachterstand.

Berekening te bekostigen lesgebonden formatie in minuten per week per groep

Leerniveau Frans

Leerniveau Nederlands

Lesgebonden formatie

Steunuren

Extra activiteiten

T

6 VWO

400

 

450 (CDI)

50 (Coördinatie Aa/Gs)

1ère

5 VWO

400

 

2nde

4 VWO

400

 

3ème

3 HAVO/VWO

300

 

4ème

2 HAVO/VWO

300

 

5ème

Brugklas

300

   

6ème

8 bo

360

60

 

7ème

7 bo

360

60

60

8ème

6 bo

360

60

60

9ème

5 bo

360

60

60

10ème

4 bo

360

60

60

11ème

3 bo

360

60

60

12ème

2 bo

360

   

13ème

1 bo

360

   

Formatie leerkrachten PO

Het aantal minuten basisonderwijs (1 t/m 8) wordt getotaliseerd en vervolgens omgerekend in uren door te delen door 60.

Het aantal formatie-uren per week wordt vervolgens omgerekend naar uren per schooljaar door te vermenigvuldigen met 46,08. De uitkomst hiervan wordt omgerekend naar formatieplaatsen door te delen door 930 uur (lesgebonden normjaartaak). De uitkomst wordt naar boven afgerond op gehele formatieplaatsen.

De minimale formatie bedraagt 1 fte. Als het aantal leerlingen PO gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren kleiner is dan 15, wordt de bekostiging van het basisonderwijs beëindigd.

Formatie leerkrachten VO

Het aantal minuten voortgezet onderwijs (brugklas t/m 6 VWO) wordt getotaliseerd en vervolgens omgerekend in uren door te delen door 60.

Het aantal formatie-uren per week wordt vervolgens omgerekend naar uren per jaar door te vermenigvuldigen met 46,08. De uitkomst hiervan wordt omgerekend naar formatieplaatsen door te delen door 823 uur (lesgebonden normjaartaak). De uitkomst wordt naar boven afgerond op gehele formatieplaatsen.

De minimale formatie bedraagt 1 fte. Als het aantal leerlingen VO gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren kleiner is dan 15 wordt de bekostiging van het voortgezet onderwijs beëindigd.

Overige formatie

Voor schoolleiding wordt 1 fte bekostigd (rector). Door de Stichting NOB wordt de omvang van de lesgevende taak van de schoolleiding vastgesteld. Deze vaststelling behoeft de goedkeuring van de toezichthouders. Bij wijzigingen wordt hiervan terstond mededeling gedaan door de Stichting NOB. Voor administratieve ondersteuning wordt 1 fte bekostigd.

Beëindiging bekostiging

Als het aantal leerlingen van de Nederlandse afdeling gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren kleiner is dan 15, wordt bekostiging van de Nederlandse afdeling beëindigd.

6.3 Nederlands Astmacentrum Davos

Vast aantal formatieplaatsen

Het aantal formatieplaatsen voor het basisonderwijs is vastgesteld op 1. Dit aantal wordt met 0,2 verhoogd ten behoeve van extra formatieondersteuning.

Het aantal formatieplaatsen voor het voortgezet onderwijs is vastgesteld op 2. Dit aantal wordt met 0,4 verhoogd ten behoeve van extra formatieondersteuning.

Gemiddelde personeelslast

Voor het personeel voor het basisonderwijs wordt uitgegaan van de onder 5.1 punt 1 genoemde regeling.

Voor het personeel voor het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van de GPL schoolsoort 1 van de onder 5.1 punt 2 genoemde regeling.

Opslagpercentages

De hierboven genoemde gemiddelde personeelslast voor zowel het personeel voor het basisonderwijs als het personeel voor het voortgezet onderwijs wordt met de volgende percentages verhoogd:

  • a. 7,81% ten behoeve van de arbeidsduurverkorting

  • b. 1,90% ten behoeve van formatieve fricties

  • c. 8,97% ten behoeve van kwaliteitsverbetering en innovatie

  • d. 1,70% ten behoeve van personeelsbeleid.

Aanvullende personele kosten

Vanwege bestedingsbeperkingen die het gevolg zijn van het verschil in de kosten van levensonderhoud dat tussen Nederland en Zwitserland bestaat komt het onderwijspersoneel in aanmerking voor een huurbijdrage en een bijdrage in de koopkrachtregeling. Beide aanvullende bedragen worden in de jaarrekening verantwoord. Grondslag voor deze aanvullende personele kosten is de ‘Nadere uitvoeringsregeling 2005 van het Nederlands Astmacentrum Davos’.

Inhouding vergoeding

Op de totale vergoeding houdt de Stichting NOB 3% voor apparaatskosten in.

7. Component inkomstenbelasting Europese School Bergen

De personele vergoeding wordt verhoogd met de inkomstenbelasting van de Europese school Bergen. Uitgangspunt is integrale vergoeding van de werkelijk in een begrotingsjaar gemaakte kosten. Deze werkelijke kosten blijken uit de beslissingen van de Belastingdienst Alkmaar die medio jaar t bekend zijn en zijn opgenomen in de jaarrekening van jaar t.

8. Component korting salariskosten Europese school München

Van de Europese school in München ontvangt de Stichting NOB jaarlijks een bijdrage in de salariskosten. Deze wordt in mindering gebracht op de personele vergoeding. Voor de bijdrage in de salariskosten door de Europese school in München wordt uitgegaan van het werkelijk ontvangen bedrag. Dit werkelijk ontvangen bedrag blijkt uit de jaarlijkse opgave van de Europese school München en moet worden opgenomen in de jaarrekening van de Stichting NOB van jaar t.

II. Materiële uitgaven en Beheer [Vervallen per 12-12-2013]

9.1 Europese school Bergen en werkgeverschap Europese scholen

De vergoeding voor materiële instandhouding bestaat uit een vergoeding voor het gebouwonderhoud van de Europese school in Bergen op basis van het onderhoudscontract met derden en een vergoeding voor Arbodienst, werving en selectie en reiskosten voor alle Nederlandse afdelingen van de Europese scholen.

Voor het jaar 2009 is de vergoeding vastgesteld op €467.017.

9.2 Saint-Germain-en-Laye

Voor het Lycée international te Saint-Germain-en-Laye bestaat de vergoeding voor materiële instandhouding overwegend uit (incidentele) aanvullingen op de door Frankrijk ter beschikking gestelde leermiddelen.

Voor het jaar 2009 is de vergoeding vastgesteld op €44.507.

9.3 Davos

Voor het Nederlands Astmacentrum Davos wordt de vergoeding voor materiële instandhouding gebaseerd op één bedrag per leerling voor zowel PO als VO.

Voor het jaar 2009 is de vergoeding vastgesteld op €736.

9.4 ICT

De vergoeding voor ICT voor zowel PO- als VO-leerlingen op het basis- en de voortgezet onderwijs in het buitenland, NTC-PO, NTC-VO en het afstandsonderwijs, de Europese Scholen, Saint-Germain-en-Laye en het Nederlands Astma centrum Davos is gebaseerd op de programma’s van eisen voor het basisonderwijs. Daarnaast ontvangen de Europese Scholen per school voor ICT een vast bedrag, in lijn met het bedrag dat bekostigde basisscholen in Nederland hiervoor ontvangen.

Voor het jaar 2009 is het bedrag per leerling voor de Europese Scholen, Saint-Germain-en-Laye en het Nederlands Astma centrum Davos vastgesteld op €86,04 en voor het basis- en de voortgezet onderwijs in het buitenland, NTC-PO, NTC-VO en het afstandsonderwijs op €43,02.

10. Huisvestingskosten Davos

Voor het Nederlands Astmacentrum Davos wordt een vergoeding verstrekt voor de huisvesting van 4 à 5 groepen leerlingen. In deze vergoeding zijn tevens vergoedingen begrepen voor andere voorzieningen en gebouwgebonden materiële instandhouding. Voor het jaar 2009 is de vergoeding voor huisvestingskosten vastgesteld op €93281.

  • 11. Voor het in opdracht van de minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen wordt een vergoeding verstrekt. Voor het jaar 2009 is de vergoeding vastgesteld op €79.875.

12. Bestuur en beheer Stichting NOB

Voor bestuur en beheer van de Stichting NOB wordt een vergoeding verstrekt.

Voor het jaar 2009 is het bedrag vastgesteld op €243.799.

D. Wijzigen van bedragen [Vervallen per 12-12-2013]

  • 13. De bedragen genoemd onder 4.1, 4.2, 4.3, 5.1 en 6.3 worden jaarlijks verhoogd met de prijsstijging maatregelen in de personele bekostiging, zoals deze gelden voor het onderwijspersoneel.

  • 14. De bedragen genoemd onder 9,1, 9.2, 9.3, 9.4, 10 en 12 worden jaarlijks aangepast aan de hand van de macro-economische verkenning voor jaar t zoals deze geldt voor de prijsaanpassing van de materiële vergoedingsbedragen voor het primair onderwijs.

  • 15. Het bedrag genoemd onder 11 wordt jaarlijks aangepast op grond van de uitkomst van het aantal werkelijk bestede uren maal het vaste tarief van € 125,00 per uur.

  • 16. Het bedrag genoemd onder 12 wordt alleen voor het jaar 2013 eenmalig opgehoogd met € 100.000.