Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing invordering bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart[Regeling vervallen per 01-02-2008.]

Geldend van 01-05-2000 t/m 31-01-2008

Aanwijzing invordering bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart

Achtergrond [Vervallen per 01-02-2008]

Bij een wijziging van de Wet luchtvaart (hierna: WLv), in werking getreden op 1 juli 1999, is de invorderingsbevoegdheid van bewijzen van bevoegdheid en/of gelijkstelling opgenomen. Deze mogelijkheid is gekoppeld aan het bovenmatig gebruik van alcohol, drugs en/of psychotrope stoffen in de luchtvaart.

In deze aanwijzing wordt verstaan onder:

  • a. Bewijs van bevoegdheid:

    • 1. het bewijs afgegeven door de Minister van Verkeer en Waterstaat dat iemand het recht geeft een Nederlands luchtvaartuig te bedienen (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 2.1, tweede lid, onder a WLv]) alsmede het bewijs van gelijkstelling;

    • 2. een bewijs van bevoegdheid afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen staat of aangewezen internationale organisatie (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 2.1, tweede lid, onder b WLv]), alsmede door die Staat of organisatie afgegeven bewijs van gelijkstelling);

    • 3. het bewijs afgegeven door de Minister van Verkeer en Waterstaat dat iemand het recht geeft luchtverkeersdienstverlening te geven (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 5.16, eerste lid WLv]) alsmede het bewijs van gelijkstelling;

  • b. Ontzegging: het (tijdelijk) krachtens een rechterlijke uitspraak niet meer mogen verrichten van werkzaamheden krachtens de Wet luchtvaart).

  • c. Register: het register van in Nederland afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, ondergebracht bij de Directie Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst.

  • d. Alcoholdelict: een overtreding van de artt. 2.12, eerste, tweede en derde lid, 5.17a, en 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid WLv.

  • e. Politie: algemeen opsporingsambtenaren in de zin van art. 141 WvSv.

Samenvatting [Vervallen per 01-02-2008]

Deze aanwijzing geeft een regeling voor de invordering van bewijzen van bevoegdheid of gelijkstelling in het kader van de Wet luchtvaart.

Opsporing en vervolging [Vervallen per 01-02-2008]

1. Vordering krachtens art. 11.7 WLv [Vervallen per 01-02-2008]

1.1. Algemeen [Vervallen per 01-02-2008]

Art. 11.7, eerste lid WLv, is niet zo expliciet als soortgelijke bepalingen in het eerste en tweede lid van art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Echter, uit de Memorie van Toelichting (MvT) blijkt dat men de mogelijkheid heeft willen creëren om bewijzen van bevoegdheid in te vorderen, en tegelijkertijd die bevoegdheid te beperken tot de gevallen waarbij minimaal de 0,6‰-grens (270 µg/l) wordt overschreden (een grens die overigens ook in het betreffende artikel wordt genoemd). Gelet op de hoge mate van verantwoordelijkheid van de groep tot wie deze bepaling zich richt, meent het openbaar ministerie (hierna: OM) dat men niet moet praten over een mogelijkheid, maar over een verplichting.

In tegenstelling tot de Wegenverkeerswet 1994 spreekt de Wet luchtvaart niet over een inhoudingsgrens. Nu de wetgever geen inhoudingsgrens heeft geformuleerd en dus sprake is van een discretionaire bevoegdheid van het OM, heeft het OM zelf een inhoudingsgrens vastgesteld.

Bij het formuleren van de inhoudingsgrens is tevens de in de Wegenverkeerswet 1994 gehanteerde verhouding van vordering tot overgifte (1,3‰ dan wel 570 µg/l) tot inhouding (1,8‰ dan wel 785 µg/l) betrokken. De grens waarop de officier van justitie wordt geacht het bewijs van bevoegdheid in te houden, is daarmee bepaald op 1,0‰, oftewel 435 µg/l. Bij het bepalen van die grens – die tegelijkertijd aangeeft bij welk bloed- of ademalcoholgehalte het OM een onvoorwaardelijke ontzegging gaat vorderen – is men zich bewust geweest van het ingrijpende karakter van die inhouding. Immers bij bijvoorbeeld cockpitpersoneel is het aantal vlieguren (gevlogen binnen een bepaalde periode) bepalend voor de continuering van het bewijs van bevoegdheid.

Door het doen van de vordering krachtens art. 11.7, eerste lid WLv (vordering tot overgifte) wordt voor de betrokken leden van het boord- en cockpitpersoneel, en de luchtverkeersbeveiliging de verplichting in het leven geroepen tot overgifte

De woorden ‘Op de eerste vordering.........verplicht tot overgifte‘ impliceren dat er sprake moet zijn van een contact tussen de persoon die de overgifte van het bewijs van bevoegdheid vordert en de verdachte zodat de vordering niet mogelijk is, indien en zolang de bestuurder buiten bewustzijn is (HR 13 november 1962, NJ 1963, 26).

van het aan hem afgegeven bewijs van bevoegdheid.

Het is van belang onderscheid te maken tussen ‘de vordering tot overgifte’ enerzijds en de ‘invordering’ anderzijds. De invordering is namelijk pas voltooid indien na de vordering tot overgifte het bewijs van bevoegdheid in handen is gekomen van een van de in art. 141 WvSv bedoelde personen. Eerst bij een voltooide invordering kan de aftrek ex art. 11.13, tweede lid WLv worden toegepast. De enkele vordering tot overgifte heeft echter reeds tot gevolg dat de betrokken persoon werkzaamheden waarvoor het bewijs van bevoegdheid is verleend niet meer mag verrichten (art. 11.12, tweede lid WLv).

1.2. Procedure met betrekking tot de invordering [Vervallen per 01-02-2008]

De politie moet nadrukkelijk de overgifte van het bewijs van bevoegdheid vorderen. Tevens wordt de verdachte erop gewezen dat hij zich schuldig maakt aan het misdrijf van art. 11.12, tweede lid WLv indien deze nadien toch die werkzaamheden waarvoor het bewijs van bevoegdheid is verleend, gaat verrichten.

De vordering tot overgifte is niet beperkt tot het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is aangehouden (zie ook 3.2). Nadat het (hoofd)proces-verbaal is opgemaakt (zie bijlage 2), vervalt voornoemde bevoegdheid. Om excessen hierbij te voorkomen dient een uiterste vorderingstermijn (een termijn van orde) van vier weken na de pleegdatum te worden gehanteerd. Uitzonderingen op de laatstgenoemde termijn (van vier weken na de pleegdatum) kunnen uitsluitend ontstaan door omstandigheden die gelegen zijn in de fysieke hoedanigheid van verdachte (bv. verwondingen).

Indien het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, wint de politie op de kortst mogelijke termijn inlichtingen in over eventueel recidivegevaar ten aanzien van de verdachte wiens bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, zoals:

  • a. eerdere veroordelingen terzake van alcoholdelicten

    Hierbij kan worden gedacht aan de artt. 2.12 en 11.6 van de WLv, de artt. 8 en 163 WVW 1994 en artt. 27 en 27a van de Scheepvaartverkeerswet en de artt. 426 en 453 WvSr.

    gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering;

  • b. de omstandigheid dat betrokkene bekend staat als een notoir gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de vaardigheid tot het verrichten van de hem – op basis van zijn bewijs van bevoegdheid dan wel bewijs van gelijkstelling – toebedeelde werkzaamheden kan verminderen.

Deze of andere relevante informatie dient te worden vermeld in het proces-verbaal van invordering (zie bijlage 1). De politie verstrekt de recente recidivegegevens aan de officier van justitie. Na invordering dient het bewijs van bevoegdheid alsmede het proces-verbaal van invordering uiterlijk de derde dag na de dag waarop het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd in het bezit te zijn van de officier van justitie. Het proces-verbaal van invordering dient in tweevoud te worden aangeboden.

Door de politie wordt zowel van de vordering tot overgifte als van de invordering onverwijld melding gemaakt in het betreffende register. Dit is met name van belang in verband met de controle op de naleving van het verbod gesteld in art. 11.12, tweede lid WLv.

Indien de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering van het bewijs van bevoegdheid

Zie ook paragraaf 1.6.

, wordt het proces-verbaal in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk, maar niet later dan na zes weken, ingezonden aan de officier van justitie met een aanbiedingsbrief waarin op duidelijke wijze melding wordt gemaakt van het feit dat de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering.

Deze regeling is getroffen teneinde de officier van justitie er attent op te maken dat wel de vordering tot overgifte heeft plaatsgevonden, maar de invordering van het bewijs van bevoegdheid achterwege is gebleven en om de verwijdering van de registratie uit het register bij de afdoening van deze zaken te kunnen bewaken.

De officier van justitie is er verantwoordelijk voor dat onverwijld de registratie in het register wordt beëindigd of de teruggave van het bewijs van bevoegdheid wordt geregistreerd in de hierna onder 1.7 te noemen gevallen, alsmede in de gevallen waarin de zaak om andere redenen niet verder zal worden vervolgd.

1.3. Inhouding bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie [Vervallen per 01-02-2008]

De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding van het bewijs van bevoegdheid. De beslissing wordt aangetekend en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximum termijn aangegeven gedurende welke het bewijs van bevoegdheid kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van de ontzegging.

Ten aanzien van het verkrijgen van recidivegegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie, alsmede van actuele gegevens van het register. Van de beslissing tot inhouding wordt door een medewerker van het parket onverwijld melding gemaakt in het register.

1.4. Teruggave van het bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie [Vervallen per 01-02-2008]

Het bewijs van bevoegdheid wordt onverwijld teruggegeven indien:

  • a. het bewijs van bevoegdheid ten onrechte is ingevorderd, of

  • b. de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding heeft beslist (met inachtneming van de Algemene termijnenwet), of

  • c. na een beslissing tot inhouding het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet tijdig is aangevangen (waarbij moet worden aangetekend dat die misdrijven zoals genoemd in art. 11.7 WLv uiterlijk zes maanden na de dag van invordering op de terechtzitting moeten zijn aangebracht

    De termijn waarbinnen zaken op de zitting moeten staan, is afhankelijk van de lengte van de minimumontzegging die standaard voor een dergelijk delict staat.

    ), of

  • d. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging wordt opgelegd, of

  • e. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat een kortere onvoorwaardelijke ontzegging dan de tijd dat het bewijs van bevoegdheid ingevorderd of ingehouden is geweest, zal worden opgelegd, dan wel

  • f. de vastgestelde inhoudingtermijn is verstreken.

Bij het onder d. en e. genoemde moet met name worden gedacht aan bewijzen van bevoegdheid van verdachten die nooit eerder een ontzegging opgelegd hebben gekregen en die om klemmende redenen van persoonlijke aard hun bewijs van bevoegdheid niet kunnen missen.

Het bewijs van bevoegdheid blijft ingehouden totdat door de officier van justitie bepaalde inhoudingstermijn verstreken is. De officier van justitie dient in ieder geval het bewijs van bevoegdheid terug te geven na het verstrijken van de termijn als aangegeven bij de beslissing tot inhouding, ook in die gevallen dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting wel binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, doch nog niet heeft geleid tot een vonnis. Indien de rechter in eerste aanleg een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd, dient bij het instellen van hoger beroep het bewijs van bevoegdheid pas te worden teruggegeven als de termijn van deze ontzegging is verstreken. De beslissing omtrent de teruggave wordt namens de officier van justitie door de bewijs van bevoegdheidmedewerker op het parket onverwijld gemeld aan de beheerder van het register. De houder van het bewijs van bevoegdheid wordt ten spoedigste van de beslissing tot teruggave en van de mogelijkheid het bewijs van bevoegdheid ten parkette in ontvangst te nemen, in kennis gesteld.

1.5. Vermiste en gestolen bewijzen van bevoegdheid [Vervallen per 01-02-2008]

Sommige verdachten kunnen in de problemen komen doordat zij – nadat de politie de vordering tot overgifte had gedaan – moeten constateren dat hun bewijs van bevoegdheid ofwel vermist dan wel gestolen was. Hierdoor is het voor hen onmogelijk om aan de vordering te voldoen en dientengevolge blijft – tot de uitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden – het zwaard van art. 11.12, tweede lid WLv boven hun hoofd hangen.

Met name een bepaalde groep firstoffenders wordt hierdoor bovenmatig zwaar getroffen. Zouden zij hun bewijs van bevoegdheid hebben overgegeven, zou de officier van justitie binnen tien dagen tot een teruggave van het bewijs van bevoegdheid hebben beslist, maar nu geen overgifte heeft plaatsgevonden, is er ook geen officier van justitie die zich over deze zaken buigt.

Voor deze gevallen geldt de volgende procedure:

  • 1. Ook bij niet voltooide vorderingen tot overgifte moet een proces-verbaal van invordering worden opgemaakt en worden opgestuurd naar de officier van justitie.

  • 2. Valt verdachte in de categorie ‘teruggave bewijs van bevoegdheid’ dan laat de officier van justitie zo spoedig mogelijk nadat het proces-verbaal is ontvangen, de melding in het register vervallen.

Bij de categorie ‘inhouding bewijs van bevoegdheid’ moet ernaar worden gestreefd, dat de zaken met een zelfde voortvarendheid worden afgedaan als bij een voltooide vordering tot overgifte.

1.6. Afstemming tussen het ressortsparket en het arrondissementsparket [Vervallen per 01-02-2008]

Na de uitspraak in eerste aanleg en dus ook in geval van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie of veroordeelde past het arrondissementsparket de inhoudingstermijn aan de in eerste aanleg opgelegde (on)voorwaardelijke ontzegging. Het bewijs van bevoegdheid van veroordeelde blijft onder de officier van justitie.

De ressortsparketten zijn niet voorzien van een aansluiting op het register. Bovendien kan in dit register slechts één parketnummer per zaak worden geregistreerd.

Indien door het verloop van de tijd de aangepaste inhoudingstermijn verstrijkt, wordt het bewijs van bevoegdheid namens de hoofdadvocaat-generaal

De hoofdadvocaat-generaal blijft echter wel verantwoordelijk voor de executie van de (on)voorwaardelijke ontzegging.

door de officier van justitie teruggegeven. Deze beslissing moet worden gemeld aan het ressortsparket. Na een onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof verstrekt het ressortsparket een extract van het arrest aan het arrondissementsparket. De aanpassing van het register geschiedt door het arrondissementsparket.

De berekende begin- en einddatum van de ontzegging worden door het arrondissementsparket aan het ressortsparket medegedeeld teneinde aan de executie van de (on)voorwaardelijke ontzegging uitvoering te kunnen geven. In afwijking van de in 1998 ingevoerde procedure omtrent de inwerkingtreding van de ontzegging van de rijbevoegdheid, is in de Wet luchtvaart aansluiting gezocht bij de oude werkwijze waarbij de ontzegging ingaat op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis.

In voorkomende gevallen worden – naar aanleiding van de beslissing op het gratieverzoek – herberekende begin- en einddatum van een ontzegging door het arrondissementsparket aan de beheerder van het register en aan het ressortsparket doorgegeven.

2. Het vliegen onder invloed (art. 11.7, eerste lid WLv) [Vervallen per 01-02-2008]

2.1. Criteria aangaande de vordering tot overgifte [Vervallen per 01-02-2008]

De overgifte van het bewijs van bevoegdheid wordt gevorderd door een van de in artt. 141 en 142 WvSv bedoelde personen wanneer deze tegen de houder van dat bewijs van bevoegdheid een proces-verbaal opmaakt ter zake van een gepleegde overtreding van:

2.2. Ontbreken van een resultaat van ademanalyse [Vervallen per 01-02-2008]

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 µg/l wordt onder meer aanwezig geacht, indien ten tijde van de ademtest het selectieapparaat de waarde ‘fail’

Dit komt overeen met een BAG van 0,6 promille.

aangeeft. Bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek kan een zodanig vermoeden worden gebaseerd op de toestand en het gedrag van verdachte

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een constatering van dranklucht, onzekere gang en belemmerde spraak.

alsmede op verklaringen omtrent de door hem/haar genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank. De politie dient de bevindingen omtrent het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 270 µg/l duidelijk in het invorderingsproces-verbaal te omschrijven.

2.3. Bloed- c.q. urineproef [Vervallen per 01-02-2008]

Indien er sprake is van een bloed- of urineonderzoek, doet de politie het monster terstond per post toekomen aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het monster zal begeleid moeten worden door een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid. De uitslag van het onderzoek wordt door het NFI binnen zeven dagen na datum van de bloed- of urine-afname bij voorkeur per fax doorgegeven aan de officier van justitie onder vermelding van het nummer van het proces-verbaal, naam, geboortedatum en -plaats van de verdachte, opdat de officier van justitie binnen tien dagen kan beslissen tot inhouding dan wel teruggave van het bewijs van bevoegdheid. Daarnaast geeft het NFI de uitslag schriftelijk door aan de politie. De politie voegt een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid bij het bloed- of urineblok. Deze procedure geldt niet voor de bloedproef als tegenonderzoek op verzoek van de verdachte.

2.4. Beslissing tot inhouding van het bewijs van bevoegdheid [Vervallen per 01-02-2008]

De officier van justitie kan het bewijs van bevoegdheid inhouden indien:

  • a. uit het resultaat van de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 435 µg/l, of

  • b. bij ontbreken van het resultaat van een ademanalyse een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 435 µg/l, of

  • c. er op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het eerste lid van art. 11.7 WLv (dan wel feiten als de artt. 8 en/of 163 WVW 1994, dan wel de artt. 27 en 28a van de Scheepvaartverkeerswet) zal begaan (recidivecriterium). Het enkele weigeren van medewerking aan de ademanalyse, de bloedproef of de urineproef is onvoldoende grond om het bewijs van bevoegdheid in te houden.

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 435 µg/l, kan worden onderbouwd met de uitslag van het bloed- of urineonderzoek (met een bloedalcoholgehalte van meer dan 1,0‰) en met de omschrijving van de toestand van verdachte in het invorderingsproces-verbaal.

Aan het recidivecriterium wordt geacht te zijn voldaan indien verdachte binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering:

Overgangsrecht [Vervallen per 01-02-2008]

Alle feiten gepleegd na de inwerkingtreding van deze aanwijzing dienen conform deze aanwijzing te worden afgedaan.

Bijlage 1. : Model proces-verbaal van invordering [Vervallen per 01-02-2008]

[ ] Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

[ ] Regiopolitie (naam Regiokorps),

District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

[ ] Koninklijke MarechausseeDistrict (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

PROCES-VERBAAL

Ik, (naam opsporingsambtenaar) van het Korps landelijke politiediensten /Regiokorps (naam Regiokorps) / Koninklijke Marechaussee relateer het volgende.

Op (dag), (datum), omstreeks (tijdstip) uur is, naar aanleiding van overtreding van

[ ] art. 2.12/11.6 WLv,

[ ] anders, namelijk (art.)

gepleegd op (dag), (pleegdatum), te (pleegplaats), het bewijs van bevoegdheid /bewijs van gelijkstelling ingevorderd van:

(naam verdachte) (adres) (woonplaats) (geboorteplaats/-datum) (beroep)

Het betreft een op naam van verdachte gesteld bewijs van bevoegdheid / bewijsvan gelijkstelling met nummer (Licencenumber), dat voor de categorie(ën) (Title), op (datum) is afgegeven door

[ ] de Minister van Verkeer en Waterstaat.

[ ] (andere instantie).

Het bewijs van bevoegdheid werd ingevorderd omdat bovengenoemd persoonverdacht wordt van overtreding van art. 2.12/11.6 WLv ruit bleek dat verdachte het voertuig heeft bestuurd:

[ ] naar aanleiding van de ademanalyse bleek dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 µg/l., namelijk (aantal) (g/l.

[ ] de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 11.6 tweede, zesde, achtste of negende lid van de WLv, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 270 µg/l., hetgeen bleek uit:

[ ] (omschrijf de omstandigheden)

[ ] het resultaat van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Na beëindigen van de test verscheen op het apparaat de indicatie ‘fail’ (+ 270 µg/l).

[ ] omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte: (omschrijf de omstandigheden)

[ ] De ademanalyse heeft, ondanks de medewerking van de verdachte, niet geleid tot een voltooid ademonderzoek waarna is overgegaan tot een

[ ] bloedonderzoek.

[ ] urineonderzoek.

Het bloed- of urinemonster is overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloeden urineonderzoek verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd bij het bloed- of urineblok

[ ] Bij navraag bleek dat tegen de verdachte wel/niet eerder proces-verbaal is opgemaakt terzake overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv, art. 8/163 WVW 1994 en/of art. 27/28a van de Scheepvaartverkeerswet, namelijk: (beschrijf de recidive)

[ ] Verder zijn er ten aanzien het alcohol- c.q. drugsgebruik van de verdachte wel/geen andere relevante gegevens bekend. (Zo ja, welke?)

[ ] Het bewijs van bevoegdheid wordt tezamen met dit proces-verbaal onverwijld overgedragen aan c.q. opgestuurd naar de officier van justitie te (naam arrondissement).

[ ] Van de invordering is melding gemaakt in het Register te Hoofddorp.

Indien een passage met een [ ] is aangeduid maakt deze deel uit van dit proces-verbaal indien daarin een kruis is gezet.

Hiervan heb ik, (naam verbalisant) op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt dit proces-verbaal te (plaats), op (datum).

Handtekening verbalisant

BESLISSING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

[ ] INHOUDEN (art. 11.2 WLv)

Uiterlijk tot………………………………………………………

[ ] TERUGGEVEN / DOEN TOEKOMEN

[ ] AAN VERDACHTE

[ ] ANDERS DAN AAN VERDACHTE, namelijk …………………………………………………………

Datum beslissing:…………………………………………

De Officier van Justitie

(handtekening)

Dit proces-verbaal in tweevoud indienen bij de Officier van Justitie.

Bijlage 2. : Model proces-verbaal van een vordering tot overgifte (zonder overgifte van het bewijs van bevoegdheid) [Vervallen per 01-02-2008]

[ ] Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

[ ] Regiopolitie (naam Regiokorps),

District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

[ ] Koninklijke Marechaussee

District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)

PROCES-VERBAAL

Ik, (naam opsporingsambtenaar) van het Korps landelijke politiediensten /Regiokorps (naam Regiokorps) / Koninklijke Marechaussee relateer het volgende.

Op (dag), (datum), omstreeks (tijdstip) uur is, naar aanleiding van overtreding

van art. 2.12/11.6 van de WLv gepleegd op (dag), (pleegdatum), te (pleegplaats) aan:

(naam verdachte) (adres) (woonplaats) (geboorteplaats/-datum) (beroep)

de overgifte van het op zijn naam staand bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling gevorderd. Het betreft een bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling met nummer (Licence number), dat voor de categorie(ën) (Title), op (datum) is afgegeven door

[ ] de Minister van Verkeer en Waterstaat

[ ] (andere instantie)

De vordering tot overgifte werd gedaan omdat bovengenoemd persoon verdacht wordt van overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv:

[ ] ik/wij, verbalisant(en) en/of getuige(n) heeft/hebben verdachte daadwerkelijk zien rijden.

[ ] andere omstandigheden waaruit bleek dat verdachte het voertuig heeft bestuurd:

[ ] naar aanleiding van de ademanalyse bleek dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 µg/l., namelijk (aantal) µg/l.

[ ] de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 11.6 tweede, zesde, achtste of negende lid van de WLv, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 270 µg/l, hetgeen bleek uit:

[ ] (omschrijf de omstandigheden)

[ ] het resultaat van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Na beëindigen van de test verscheen op het apparaat de indicatie ‘fail’ (+ 270 µg/l).

[ ] omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte: (omschrijf de omstandigheden)

[ ] De ademanalyse heeft, ondanks de medewerking van de verdachte, niet geleid tot een voltooid ademonderzoek waarna is overgegaan tot een

[ ] bloedonderzoek.

[ ] urineonderzoek.

Het bloed- of urinemonster is overeenkomstig het bepaalde in de Regeling Bloed- en urineonderzoek verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd bij het bloed- of urineblok.

[ ] Bij navraag bleek dat tegen de verdachte wel/niet eerder proces-verbaal is opgemaakt terzake overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv, art. 8/163 WVW 1994 en/of art. 27/28a van de Scheepvaartverkeerswet, namelijk: (beschrijf de recidive)

[ ] Verder zijn er ten aanzien het alcohol- c.q. drugsgebruik van de verdachte wel/geen andere relevante gegevens bekend. (Zo ja, welke?)

[ ] Verdachte verklaart niet in staat te zijn het bewijs van bevoegdheid over te geven, immers

[ ] hij/zij had reeds aangifte gedaan van verlies/diefstal van het bewijs van bevoegdheid

[ ] hij/zij heeft ter plekke aangifte gedaan van verlies/diefstal van het bewijs van bevoegdheid

[ ] hij/zij heeft geen aangifte gedaan en wil dat ook niet ter plekke doen

[ ] Van de vordering tot overgifte is melding gemaakt in het Register te Hoofddorp.

Indien een passage met een [ ] is aangeduid maakt deze deel uit van dit procesverbaal indien daarin een kruis is gezet.

Hiervan heb ik, (naam verbalisant) op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt dit proces-verbaal te (plaats), op (datum).

Handtekening verbalisant

BESLISSING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

[ ] MELDING HANDHAVEN

[ ] MELDING VERWIJDEREN

Datum beslissing:…………………………………………

De Officier van Justitie (handtekening)

Dit proces-verbaal in tweevoud indienen bij de Officier van Justitie

Bijlage 3. Faxbericht [Vervallen per 01-02-2008]

Van:

• Arrondissementsparket te *

Contactpersoon: *

Faxnummer: *

• (politiekorps)

Contactpersoon: *

Faxnummer: *

Aan:

Rijksluchtvaardienst

Afdeling Luchtvaartinspectie

Bureau BB

Faxnummer: 023 – 5663015

Betreft:

Naam: <*>

Voornamen: <*>

Geboortedatum: <*>

Licence number: <*>

Title: <*>

Geldigheidsduur: <*>

Hiermee verzoekt de officier van justitie te <*> de beheerder van het register van bewijzen van bevoegdheid en gelijkstelling, in het kader van strafrechtelijke maatregelen de volgende gegevens in het register te muteren:

• Het bewijs van bevoegdheid werd door verdachte niet overgegeven.

• Het bewijs van bevoegdheid is ingenomen, bevindt zich <*>.

• ‘vordering tot overgifte’ (artikel 11.7, eerste lid Wet Luchtvaart)

c ingangsdatum c einddatum

het bewijs van bevoegdheid werd overgegeven op: <datum>

datum: <*>

parketnummer: <*>

arrondissementsparket te <*>

• ‘inhouding’ (artikel 11.7, tweede lid Wet Luchtvaart)

c ingangsdatum c einddatum

datum: <*>

parketnummer: <*>

arrondissementsparket te <*>

• ‘ontzegging (na vonnis)’ (artikel 11.13 Wet Luchtvaart)

c ingangsdatum c einddatum

datum: <*>

parketnummer: <*>

arrondissementsparket te <*>

De officier van justitie

namens deze