Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing witwassen[Regeling vervallen per 01-03-2008.]

Geldend van 01-11-2005 t/m 29-02-2008

Aanwijzing witwassen

Achtergrond [Vervallen per 01-03-2008]

Door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum van het Ministerie van Justitie is evaluatieonderzoek verricht naar de werking van de keten Melding ongebruikelijke transacties. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport met de titel ‘Uit onverdachte bron’. Naar aanleiding van dit rapport is een beleidsreactie opgesteld, waarin een aantal maatregelen ter intensivering van de bestrijding van witwassen is geformuleerd. In dit kader heeft het kabinet het Openbaar Ministerie verzocht om een aanwijzing op te stellen, met als doel vaker over te gaan tot opsporing en vervolging van witwasdelicten.

Prioriteit [Vervallen per 01-03-2008]

In de kabinetsreactie op het Nationaal Dreigingsbeeld 2004, zware of georganiseerde criminaliteit, is de aanpak witwassen genoemd als een van de speerpunten in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Witwassen is onlosmakelijk verbonden met zeer ernstige vormen van criminaliteit, zoals drugshandel, mensenhandel en mensensmokkel. Uit de passages in het Nationaal Dreigingsbeeld over de verweving van onder- en bovenwereld, en de investering van criminele verdiensten in (legale) bedrijven en panden, blijkt dat witwassen de kern vormt van de schijnbare onkwetsbaarheid van een relatief stabiele top van toonaangevende criminelen in Nederland. Er bestaan sterke vermoedens dat bij witwassen legale sectoren worden betrokken waar grote stromen (cash) geld in omgaan, zoals de horeca, autobedrijven en de handel in onroerend goed. Daarbij kan nog worden gevoegd de rol van het semi-legale circuit, zoals coffeeshops en de informele economie rond bijvoorbeeld belhuizen, waar in een aantal gevallen underground banking plaatsvindt. Ook deze netwerken lenen zich voor gebruik door de georganiseerde criminaliteit.

Vast te stellen valt ook dat op de geldstromen die samenhangen met de internationale drugshandel en de productie van (synthetische) drugs nog steeds weinig zicht bestaat. Bij de noodzakelijke prioriteitstelling in de opsporing, werd dikwijls voorrang gegeven aan meer zichtbare kanten van georganiseerde criminaliteit en de opsporing van gronddelicten (bijv. Opiumwetdelicten), in plaats van het witwassen van het geld dat met deze misdrijven wordt verdiend. Aandacht voor de financiële invalshoek was er doorgaans minder, waardoor kennis over en inzicht in de geldstromen dreigden achter te blijven.

De criminele winsten die het plegen van zware misdrijven opleveren moeten effectief en efficiënt worden ontnomen, aangezien de drijfveer van de plegers vrijwel altijd financieel gewin zal zijn. Een intensieve bestrijding van witwassen is daarnaast nodig om te voorkomen dat netwerken van geldkoeriers, maar ook professionele dienstverleners, hun voor de georganiseerde criminaliteit cruciale ondersteuningsrol kunnen blijven vervullen.

Op termijn zou verminderde aandacht voor witwassen en financiële geldstromen, die gepaard gaan met georganiseerde criminaliteit, leiden tot een gevaar voor de integriteit van de samenleving en daarmee tot aantasting van de pijlers van de rechtsstaat.

Samenvatting [Vervallen per 01-03-2008]

Deze aanwijzing regelt de aanpak van witwassen.

De volgende onderwerpen worden aan de orde gesteld:

  • 1. Het wettelijk kader

  • 1.1 Drie vormen van witwassen

  • 1.2 Zelfstandige grond voor vervolging

  • 1.3 Geen verwarring met gronddelict

  • 1.4 Veroordeling voor gronddelict niet nodig

  • 1.5. Toepassen van financieel rechercheren

  • 2. Het MOT-bevragingstraject

  • 2.1 Het raadplegen van het Intranet Verdachte Transacties (IVT)

  • 2.2 Het opvragen van MOT-informatie middels een zogeheten Lovj-verzoek

  • 2.3 Het opvragen van transactieinformatie bij buitenlandse meldpunten

  • 3. Vervolgingsbeleid

  • 4. Landelijk officier van Justitie inzake MOT

Overgangsrecht [Vervallen per 01-03-2008]

Bijlagen [Vervallen per 01-03-2008]

1. De typologieën zoals ze op dit moment gelden

1. Het wettelijk kader [Vervallen per 01-03-2008]

1.1. Drie vormen van witwassen [Vervallen per 01-03-2008]

De volgende drie vormen van witwassen zijn sinds 6 december 2001 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (‘WvSr’):

  • Artikel 420bis WvSr stelt de opzettelijke vorm van witwassen strafbaar. De verdachte dient ten tijde van de gedraging te weten dat het voorwerp dat hij verbergt of verhult uit misdrijf afkomstig is. Ten aanzien van deze wetenschap is voorwaardelijk opzet voldoende.

    De in de delictsomschrijving gebruikte termen ‘verbergen’of ‘verhullen’ impliceren eveneens opzet. Ook hierbij is voorwaardelijk opzet voldoende1.

  • Het zogenoemde opzet-witwassen is de generalis van de specialis gewoonte-witwassen dat strafbaar gesteld is in artikel 420ter WvSr. Iemand maakt zich schuldig aan gewoonte-witwassen wanneer hij zich herhaaldelijk schuldig maakt aan opzet-witwassen.

  • Tot slot bestaat er nog de schuldvariant van witwassen, opgenomen in artikel 420quater WvSr. In dit laatste geval dient bewezen te worden dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. Ten aanzien van de handelingen die de verdachte verricht ten behoeve van het witwassen dient overigens wel de opzet bewezen worden. Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende; het zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat men door zijn handelen iets verbergt, verhult enzovoort.

1.2. Zelfstandige grond voor vervolging [Vervallen per 01-03-2008]

Voordat de artikelen 420bis, 420ter en 420quater WvSr in werking traden, werd witwassen gezien als een species van heling (artikel 416 en 417 WvSr). Het afgelopen decennium is echter het belang van een zelfstandige strafbaarstelling van witwassen in groeiende mate onderkend, niet in de laatste plaats door het toegenomen belang dat er binnen politie en justitie wordt gehecht aan het opsporen van misdaadgelden en het aanpakken van financiële facilitators in de georganiseerde criminaliteit (dit kunnen criminele wisselaars, geldkoeriers, maar ook professionele dienstverleners zijn).

1.3. Geen verwarring met gronddelict [Vervallen per 01-03-2008]

Teneinde witwassen beter te kunnen bestrijden is onder de witwasbepalingen de heler-steler-regel niet van toepassing, zoals dat bij de artikelen 416 en 417 WvSr wel het geval is. Dit betekent dat ook handelingen met betrekking tot voorwerpen die afkomstig zijn uit misdrijven die de witwasser zelf heeft gepleegd, onder de bepalingen van artikel 420 bis en 420 ter van het Wetboek van Strafrecht vallen. De wetgever heeft hier de zelfstandige strafwaardigheid van witwassen mee willen uitdrukken.

1.4. Veroordeling voor gronddelict niet nodig [Vervallen per 01-03-2008]

Het geld of andere voorwerpen die worden witgewassen, dienen afkomstig te zijn uit enig voorafgaand misdrijf. Niet vereist is dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is: ook een voorwerp dat gedeeltelijk met crimineel geld en gedeeltelijk met legaal geld is gefinancierd, wordt beschouwd van misdrijf afkomstig te zijn. Van belang is voorts dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2004 (LJN nr. AP2124, HR 02679/03) bepaalde dat om te bewijzen dat het voorwerp ‘afkomstig is uit enig strafbaar feit’ niet uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan2. Overigens lijkt er niets in de weg te staan om ook een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen te bezigen. Op het moment van het opstellen van deze Aanwijzing heeft de Hoge Raad zich nog niet hoeven te buigen over een strafzaak waarin dit voorkwam. In de lagere rechtspraak zijn al wel voorbeelden te vinden van strafzaken waarin veroordeling plaatsvond wegens onder meer het witwassen van gelden die door middel van het plegen van fiscale feiten waren gegenereerd (zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam, 3 februari 2005; LJN nr. AT5766).

2. Opsporing en financieel onderzoek [Vervallen per 01-03-2008]

Om witwassen strafrechtelijk te kunnen vervolgen en eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen, dient bij elk opsporingsonderzoek naar georganiseerde criminaliteit, drugshandel, mensenhandel, mensensmokkel, wapenhandel en andere lucratieve vormen van criminaliteit, onderzoek te worden verricht naar de geldstromen die gepaard gaan met deze misdrijven. Vaak zullen uit dit onderzoek aanwijzingen van witwaspraktijken naar voren komen. Signalen van witwassen ontstaan verder door meldingen van ongebruikelijke transacties, die na onderzoek door het MOT verdacht zijn verklaard en ter kennis van politie en Bijzondere Opsporings Diensten worden gebracht. Teneinde witwassen beter te kunnen bestrijden zijn de volgende drie punten van belang:

  • Financieel onderzoek dient deel uit te maken van elk substantieel opsporingsonderzoek van politie en/of de bijzondere opsporingsdiensten (BOD’en) naar zware of georganiseerde criminaliteit. De zaaksofficier van justitie ziet er op toe, dat dit financiële onderzoek plaatsvindt.

  • Zo veel mogelijk stellen de politie, de BOD’en en het OM opsporingsonderzoek in naar aanleiding van verdachte transacties aangeleverd door MOT/BLOM.

  • Bij het aantreffen van grote hoeveelheden contant geld of andere ongebruikelijke vermogensbestanddelen dient zoveel mogelijk enig onderzoek te worden verricht naar de herkomst.

Indien bij opsporingsonderzoek verdachte geldstromen en vermogensbestanddelen worden aangetroffen, dient overwogen te worden om een Strafrechtelijk financieel onderzoek (‘SFO’) in te stellen. Dit breidt de strafvorderlijke bevoegdheden inzake het vorderen van financiële gegevens en het leggen van conservatoir beslag verder uit.

Bij de hierboven aangegeven vormen van opsporingsonderzoek ,alsmede in het kader van een Strafrechtelijk financieel onderzoek dient standaard gebruik te worden gemaakt van het MOT-bevragingstraject zoals hieronder vermeld.

3. Het MOT-bevragingstraject [Vervallen per 01-03-2008]

Informatie die wordt gegenereerd uit verdachte transacties kan in alle fasen van een opsporingsonderzoek haar waarde hebben. De informatie kan onder andere van belang zijn voor de ontdekking van misdrijven, voor de vaststelling van de modus operandi in bepaalde zaken,voor de bewijsvoering in witwaszaken en als bewijs voor andere misdrijven, ter voorbereiding van een ontnemingsvordering en ten slotte voor analysedoeleinden.

3.1. Het raadplegen van het Intranet Verdachte Transacties (IVT) [Vervallen per 01-03-2008]

Het BLOM (Bureau ter ondersteuning van de Landelijk officier van Justitie inzake MOT-aangelegenheden (‘Lovj’) beheert een Intranet Verdachte Transacties (‘IVT’). De ongebruikelijke transacties die het MOT, onder andere door een automatische match met het VROS (MRO/CIE) bestand, verdacht verklaart, komen door middel van een geautomatiseerd doormeldsysteem terecht in dit IVT. Alle politiekorpsen beschikken over een online-aansluiting en autorisatie tot dit intranet en hebben de mogelijkheid te allen tijde te bekijken of er verdachte transacties staan opgenomen in het systeem die relevant zijn voor lopende opsporingsonderzoeken. Daarnaast is een aantal personen werkzaam bij de FIOD-ECD, SIOD en de Koninklijke marechaussee geautoriseerd om het IVT te raadplegen. Dit gaat in de nabije toekomst ook gelden voor het BOOM, de AID en de Rijksrecherche.

3.2. Het opvragen van MOT-informatie door middel van een zogeheten Lovj-sub 2 of sub 3-verzoek [Vervallen per 01-03-2008]

Op grond van artikel 12, lid 1, onder b, sub 2, van het Besluit politieregisters (Bpolr) verstrekt het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties informatie uit het register wanneer uit het informatieverzoek (het zogenaamde Lovj sub 2 verzoek) een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaald persoon een misdrijf heeft begaan. Omdat artikel 12, lid 1, onder b, sub 2 Bpolr niet voorschrijft dat het verzoek door het Openbaar Ministerie moet worden ingediend, kan het verzoek worden opgesteld door de opsporingsambtenaar die met het onderzoek naar de te bevragen persoon is belast. Het meldpunt bepaalt of aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, onder b, sub 2 Bpolr is voldaan en of het derhalve de gevraagde informatie kan verstrekken. Er is een standaardformulier ontwikkeld waarmee een Lovj-sub 2-verzoek kan worden ingediend. Dit formulier zal worden opgenomen in het ABRIO-model3.

In ‘zwaardere’ onderzoeken (zie hieronder in welke gevallen hiervan sprake is) maakt de zaaksofficier van justitie gebruik van de mogelijkheid door middel van een zogenoemd Lovj sub 3-verzoek MOT-gegevens te raadplegen. Volgens artikel 12, lid 1, onder b, sub 3, Bpolr vindt (verplichte) verstrekking door het meldpunt uit het MOT register plaats:

  • op grond van artikel 15, lid 1, sub a, van de Wet politieregisters (Wpolr) aan leden van het OM voor zover zij deze behoeven in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie en/of de bijzondere opsporingsdiensten;

    mits

  • de gegevensverstrekking redelijkerwijs van belang kan zijn ter voorkoming of opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub k, van de Wpolr waaruit blijkt dat het moet gaan om:

    • misdrijven als omschreven in artikel 67, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) die in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd en gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in het georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren; of

    • misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld;

      of

    • bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven misdrijven als omschreven in artikel 67, lid 1, WvSv, die gezien hun aard of de samenhang met andere door betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

De zaaksofficier van justitie, die het onderzoek leidt waarbinnen behoefte bestaat aan informatie uit het MOT-register, dient bij de Lovj schriftelijk en gemotiveerd een sub 3 verzoek in. De Lovj controleert of er is voldaan aan de eisen die artikel 12, lid 1, onder b, sub 3, Wpolr stelt aan het verzoek. Is er inderdaad voldaan aan de eisen, dan dient de Lovj het sub 3 verzoek vervolgens in bij het meldpunt. Op grond van artikel 15, eerste lid, sub a, van de Wpolr is het meldpunt verplicht de informatie, door tussenkomst van de Lovj, te verstrekken aan de zaaksofficier van justitie die de leiding heeft over het betreffende onderzoek. Er is een standaardformulier ontwikkeld waarmee een Lovj sub 3 verzoek kan worden ingediend. Dit formulier zal worden opgenomen in het ABRIO-model4.

3.3. Het opvragen van transactie-informatie bij buitenlandse meldpunten [Vervallen per 01-03-2008]

Door middel van het indienen van een Lovj sub 2 of sub 3 -verzoek, kunnen ook buitenlandse meldpunten (zogenoemde Financial Intelligence Units (FIU’s)) worden bevraagd. In het Lovj-verzoek dient te worden aangegeven dat de vragende partij niet slechts is geïnteresseerd in transactie-informatie die aanwezig is in de MOT-database, maar tevens in informatie die mogelijk in land X aanwezig is. De FIU’s hebben zich wereldwijd verenigd in de zogeheten Egmont Groep waarin zij afspraken hebben gemaakt over een uniform verstrekkingsregime op basis waarvan informatie kan worden uitgewisseld. Binnen de Egmont Groep bestaat een online-systeem door middel waarvan de meldpunten elkaar kunnen bevragen om te bezien of personen die onderwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek, in de eigen systemen voorkomen met ongebruikelijke en/of verdachte transacties. Van deze bevragingsmogelijkheid zal gezien de internationalisering van de criminaliteit en het door criminelen veelvuldig gebruikte internationaal betalingsverkeer in veel onderzoeken gebruik dienen te worden gemaakt.

4. Vervolgingsbeleid [Vervallen per 01-03-2008]

Indien uit een opsporingsonderzoek aanwijzingen naar voren komen van criminele geldstromen, het verrichten van financiële handelingen of het eenvoudig voorhanden hebben van geld of voorwerpen die afkomstig zijn van enig misdrijf, dient de zaaksofficier van justitie nadrukkelijk de afweging te maken een vervolging in te stellen terzake van het misdrijf witwassen. Dit geldt ook in het geval verdachten al ter zake van andere strafbare feiten, bijvoorbeeld het plegen van de gronddelicten waarmee het criminele geld is verkregen, zullen worden vervolgd. In dat geval dient overwogen te worden tevens een vervolging terzake van witwassen in te stellen.

Bij ieder parket wordt ‘witwasbestrijding’ benoemd als prioriteit en als taak opgenomen in de organisatie. Ieder parket zal in het kader van deze taak zorg moeten dragen voor een aanspreekpunt, waar informatie kan worden verkregen aangaande witwasonderzoeken die bij het parket draaien, witwasonderzoeken die hebben gedraaid en de resultaten van die witwasonderzoeken. Daarnaast zal het aanspreekpunt de zaaksofficieren van justitie van expertise en advies op het gebied van witwassen voorzien, gelijk de ontnemingsofficier van justitie dit op zijn vakgebied doet.

Uit jurisprudentie zoals deze is ontwikkeld sinds de inwerkingtreding van de witwasartikelen, alsmede uit de jurisprudentie uit inzichten die zijn af te leiden uit jurisprudentie uit de periode dat de helingbepalingen artikel 416 en 417 Sr nog werden gebruikt om witwassen te vervolgen, lijken de volgende elementen te kunnen worden afgeleid die van belang zijn voor de bewijsvoering:

  • Dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is, dient ten laste gelegd en bewezen worden. Het misdrijf hoeft niet nader te worden aangeduid of omschreven; volstaan kan worden met de vermelding van het feit dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen (vgl. HR 28-09-2004 LJN: AP2124).

  • Uit de bewijsmiddelen behoeft niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar het achterliggende misdrijf concreet is begaan (vgl. HR 28-09-2004 LJN: AP2124). Blijkens de conclusie van PG Fokkens bij voornoemd arrest heeft het Hof de mogelijkheid dat het geld ook legaal verkregen zou kunnen zijn als zo onwaarschijnlijk kunnen beschouwen dat het als bewezen heeft kunnen aannemen dat het geld van misdrijf(ven) afkomstig was. Alles wees er immers op dat het hier om geld ging waarvan het bestaan en de herkomst verborgen moesten blijven.

  • Teneinde opzet- en gewoontewitwassen te bewijzen dient voorwaardelijk opzet aangetoond te worden omtrent de wetenschap van de verdachte dat het voorwerp van een misdrijf afkomstig is. Er kan dan ook gebruik gemaakt worden van de formulering dat de verdachte ‘bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde’. Voor wat betreft schuldwitwassen is vereist: schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft dit redelijkerwijs moeten vermoeden. Dit duidt volgens de Hoge Raad (HR 17 december 1985, NJ 1986, 428) op ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’.

  • Volgens de Hoge Raad (vgl. HR 9 februari 1999; NJ 1999, 327) zijn de termen verwerven, voorhanden hebben en overdragen van voldoende feitelijke betekenis om niet nader omschreven te hoeven worden in de tenlastelegging van art. 416 WvSr.. De termen verhullen, verbergen, omzetten en gebruiken zullen daarentegen wel nader omschreven dienen te worden.

  • Het OM en de rechter kunnen voor het bewijs van witwassen gebruik maken van, zoals ze in internationaal verband worden genoemd ‘typologieën’ van witwassen5. Hierbij gaat het om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Door analyse van reeds afgedane zaken en casusvergelijkingen kunnen bepaalde typen van witwassen alsmede de bijbehorende kenmerken worden onderscheiden. In Nederland worden dergelijke typologieën door MOT en BLOM ontwikkeld. Ter illustratie zullen in de bijlage de typologieën die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze aanwijzing actueel zijn, worden gevoegd.

N.B. Er wordt een lijst bijgehouden bij het Functioneel Parket met typologieën, gebaseerd op eigen waarnemingen van MOT en BLOM, alsmede in internationaal (Financial Action Task Force: ‘FATF’) verband vastgestelde typologieën, die te raadplegen is door alle officieren van justitie die deze nodig hebben ten behoeve van de bewijsvoering in witwasonderzoeken6.

5. Landelijk Officier van justitie inzake MOT [Vervallen per 01-03-2008]

De Landelijk officier van justitie inzake MOT-aangelegenheden (hierna: Lovj) bevordert een efficiënt en effectief gebruik van gegevens over verdachte transacties die het MOT doormeldt. Sinds 1999 meldt het MOT verdachte transacties door aan het BLOM, dat staat voor Bureau voor politiële ondersteuning van de Lovj inzake MOT-aangelegenheden. Het BLOM opereert onder gezag van de Lovj en is gevestigd bij de Dienst NRI van het Korps Landelijke Politie Diensten. Op korte termijn zullen MOT en BLOM worden samengevoegd tot één eenheid die zowel meldingen van ongebruikelijke transacties ontvangt, als deze verwerkt tot informatie voor opsporingsinstanties.

BLOM ontplooit ten behoeve van de opsporing van witwassen de volgende activiteiten:

  • Het produceren van opsporingsinformatie ten behoeve van opsporingsdiensten. BLOM krijgt de verdachte transacties doorgemeld van het MOT. Het uiteindelijke doel van deze doormeldingen is aan de opsporingsdiensten (zowel politie als bijzondere opsporingsdiensten) die informatie te verschaffen die ze nodig hebben om onderzoek te verrichten naar onder meer witwaspraktijken. Om dit te bereiken verzamelen de BLOM-medewerkers gegevens uit opsporingsregisters, fiscale registers en open bronnen teneinde de informatie rondom de verdachte transacties aan te vullen en te veredelen, zodat de afnemers, de opsporingsdiensten, beter uit de voeten kunnen met de informatie. Kort gezegd zorgt het BLOM voor halffabrikaten op basis waarvan de opsporingsdiensten kunnen beslissen al dan niet een opsporingsonderzoek te starten. De door het BLOM aangeleverde informatie kan ook worden gebruikt binnen reeds gestarte onderzoeken. BLOM beschikt over accountmanagers die zorgen voor afstemming tussen de vraag van de opsporingsdienst enerzijds en aanbod van BLOM anderzijds, alsmede voor de afzet van zaken bij die opsporingsdienst die gezien het gebied waar zich de zaak afspeelt, danwel qua onderwerp (bestemd voor een bijzondere opsporingsdienst) in aanmerking komt om de zaak te gaan draaien.

  • Beheer van het IVT.

  • Het uitvoeren van criminaliteitsbeeldanalyses op alle bij BLOM voorhanden zijnde informatie. Deze strategische analyses worden drie maal per jaar uitgevoerd.

  • Het in samenwerking met een onderzoeksteam maken van strategische en operationele analyses van verdachte geldbewegingen met relatie naar het aandachtsgebied of het onderwerp waarnaar het desbetreffende team onderzoek wenst uit te gaan voeren. De Lovj is belast met het uitoefenen van het gezag over BLOM. Voorts ziet hij erop toe dat binnen het Openbaar Ministerie voldoende aandacht wordt besteed aan witwasbestrijding, en ook ziet hij toe op de mate waarin door het MOT en BLOM voorbereide zaken door de opsporingsdiensten worden opgepakt. Teneinde deze taak adequaat te kunnen uitvoeren, is het belangrijk zicht te houden op de vervolgen die worden gegeven aan deze aangeboden zaken.

  • Afhankelijk van de overlegstructuur, te weten onder andere het TriPartite Overleg (‘TPO’), driehoeksoverleg of ander afstemmingsoverleg, dienen de onderzoeksvoorstellen zoals deze onder verantwoordelijkheid van de Lovj worden aangeboden door BLOM, te worden besproken, beoordeeld en al dan niet geaccepteerd.

  • De Lovj dient door het witwasaan-spreekpunt bij elk arrondissementsparket, het Landelijk Parket en de accountmanager van de afdeling Beleid van het Functioneel Parket periodiek geïnformeerd te worden over de in het afstemmingsoverleg beoordeelde en al dan niet geaccepteerde onderzoeksvoorstellen. Op deze wijze is de informatiepositie van de Lovj van dien aard dat hij in staat is het College van procureurs-generaal adequaat te informeren over de aanpak van witwaszaken. Gezien het feit dat de Lovj mede bepalend is voor de aandachtsgebieden van MOT en BLOM, is het daarnaast van belang dat veronderstelde nieuwe typologieën en werkwijzen van verdachten die zich bezighouden met financiële transacties, worden gemeld vanuit de opsporingsteams bij de Lovj, teneinde te beoordelen of het noodzakelijk is dat het MOT daar nader onderzoek naar verricht.

Overgangsrecht [Vervallen per 01-03-2008]

Deze aanwijzing heeft gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-03-2008]

De typologieën zoals op dit moment gelden: wanneer een concreet geval kenmerken vertoont als hieronder beschreven kan daaraan een vermoeden van witwassen worden ontleend.

  • het feit dat er geen legale economische verklaring is voor de gewisselde valutasoorten en de frequentie van de wisselingen;

  • het ontbreken van een legale economische verklaring voor het wisselen van grote geldbedragen;

  • het ontbreken van een legale economische verklaring voor het wisselen van buitenlandse valuta;

  • de transacties staan niet in verhouding tot de inkomsten;

  • het contant omwisselen in een witwascyclus wordt vaak gedaan ter onderbreking van de ‘papertrail’;

  • bij grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta: het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta;

  • bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich;

  • het feit dat ten aanzien van de verdachte geen economische activiteit bekend is in relatie tot de verschillende landen waarmee transacties werden verricht;

  • het feit dat meerdere wisseltransacties op één dag bij verschillende wisselkantoren/banken danwel bij verschillende vestigingen van deze wisselkantoren/banken zijn uitgevoerd;

  • het feit dat een aantal malen het geld ongeteld werd aangeleverd;

  • het feit dat diverse malen geld in kleine coupures werd omgewisseld naar grote coupures;

  • het feit dat de handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert;

  • het feit dat de handel in verdovende middelen veel opbrengsten in verschillende valuta oplevert;

  • het feit dat door de verdachte veel contacten werden (worden) onderhouden met personen met criminele antecedenten;

  • de wijze waarop het geld werd vervoerd en/of aangeboden;

  • het feit dat het kennelijk de bedoeling was om de meldgrens te ontduiken;

  • het feit dat er een beloning werd verkregen voor de door verdachte uitgevoerde wisseltransacties;

  • het feit dat het verrichten van vele Money Transfers vanuit Nederland naar verschillende personen in het Caribische gebied dikwijls gepaard gaat met de smokkel van cocaïne van het Caribische gebied naar Nederland;

  • bij (veelvuldig) gebruik van Money Transfers (het is een feit dat het aanmerkelijk duurder is om geld over te maken naar het buitenland via Money Transfers dan via girale transacties);

  • het feit dat Nederlanders in het buitenland geld op aldaar geopende bankrekeningen hebben staan om buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten en / of Nederlandse opsporingsdiensten te blijven;

  • het feit dat de verdachte een bankrekening in het buitenland / Duitsland heeft en een Postversandverbot (zgn correspondentieverbod) heeft bedongen (door op deze wijze te handelen blijft (blijven) de bankrekening(en) buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten en/of Nederlandse opsporingsdiensten);

  • het feit dat uit eerdere onderzoeken is gebleken, dat het wisselen van Britse ponden en Schotse ponden in kleinere coupures buiten het Verenigde Koninkrijk vaak in relatie kan worden gebracht met de handel in verdovende middelen.

  • ^ [1]

    Kamerstukken II 2000/01, 27 159, nr. 5, p 11.

  • ^ [2]

    Bij het Functioneel Parket is een veelheid van (niet gepubliceerde) uitspraken van lagere instanties hieromtrent aanwezig en opvraagbaar bij – de secretaresse van – de contactpersoon genoemd in bijlage 1.

  • ^ [3]

    Zgn. Lovj-sub 2 verzoek

  • ^ [4]

    Zgn. Lovj-sub 3 verzoek

  • ^ [5]

    Kamerstukken nr. 27 159: Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven.

  • ^ [6]

    Deze lijst is te raadplegen via het OMtranet, waarop een doorklikmogelijkheid wordt aangebracht richting dossier ‘Financieel economisch’ van het Functioneel parket, waarin de lijst zal worden opgenomen.