Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling werktijd en overwerkvergoeding personenchauffeurs AZ[Regeling materieel uitgewerkt per 04-12-1998.]

Geldend van 01-01-1991 t/m heden

Besluit van 21 december 1990, houdende een nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor de personenchauffeurs werkzaam bij het Ministerie van Algemene Zaken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 30 november 1990, centrale afdeling Personeel & Organisatie, nr. CPO 90-1.914, mede gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken op 18 december 1990, DGMP/AV/R, nr. AB90/317/1;

Overwegende dat het gewenst is voor personenchauffeurs werkzaam bij het Ministerie van Algemene Zaken een van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248) en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb. 1983, 571) afwijkende regeling te treffen;

Overwegende dat het wenselijk is de gemiddelde werktijd van personenchauffeurs die structureel overwerk verrichten te verlengen, een voorziening te treffen met betrekking tot de bezoldiging van ambtenaren voor wie in verband met hun werkzaamheden als personenchauffeur een verlengde arbeidstijd geldt, alsmede een nadere regeling te treffen ter zake van door hen te verrichten overwerk;

Gelet op artikel 21, zevende en achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en artikel 19, artikel 23, twaalfde lid en artikel 25, eerste en tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

ambtenaar: de persoon, die krachtens aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is bij het Ministerie van Algemene Zaken;

personenchauffeur: de ambtenaar die is aangesteld in de functie van chauffeur/beveiligingsbeambte van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

Bepalingen omtrent de arbeidsduur

Artikel 2

  • 2 De dagelijkse werktijden worden, voor zover de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet wordt ingedeeld in een (semi)continu-rooster, zodanig vastgesteld dat de normale begin- en eindtijden liggen tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

  • 3 De arbeidsduur per dag bedraagt evenzoveel uren als er liggen tussen het aanvangstijdstip van de dienstuitoefening en het einde daarvan, verminderd met driekwart uur voor de lunch.

  • 4 Indien de dagelijkse werktijd aanvangt op het moment dat de personenchauffeur zijn woning verlaat wordt, voor het vaststellen van de arbeidsduur per dag, naast de vermindering als bedoeld in het derde lid, op de werktijd een half uur in mindering gebracht. Hetzelfde geldt indien de dagelijkse werktijd eindigt op het moment waarop betrokkene naar zijn woning is teruggekeerd.

Bepalingen omtrent de toelage

Artikel 3

  • 2 De in het vorige lid bedoelde toelage wordt geacht te zijn ingetrokken vanaf de eerste dag van de maand waarop de personenchauffeur in een andere functie wordt benoemd.

Bepalingen omtrent overwerk en overwerkvergoeding

Artikel 4

  • 1 Aan de personenchauffeur kan, buiten de voor hem geldende werktijden, overwerk worden opgedragen tot een maximum van gemiddeld 45 uren per maand.

  • 2 Bij de bepaling van het aantal uren overwerk wordt het aantal uren overschrijding van de ingevolge artikel 2 vastgestelde arbeidsduur verminderd met één uur indien en voor zover een avondmaaltijd wordt gedeclareerd op basis van het Reisbesluit 1971 (Stb. 1970, 602) dan wel het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk (Stb. 1973, 52).

Artikel 5

  • 1 Aan de personenchauffeur, die overwerk in de zin van artikel 23 van het BBRA 1984 verricht, wordt een vergoeding als bedoeld in dat artikel toegekend, met inachtneming van de navolgende bepalingen.

  • 3 Indien de ambtenaar overuren compenseert met verlof, bestaat de vergoeding voor overwerk uit:

    • a. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de ingevolge artikel 2 vastgestelde arbeidsduur en

    • b. een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding vijftig procent bedraagt van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

  • 4 Per kalendermaand komen ten hoogste 45 uren overwerk in aanmerking voor vergoeding als bedoeld in het tweede lid; eventuele overige uren overwerk worden vergoed op de wijze zoals aangegeven in het derde lid.

Betaalbaarstelling van de overwerkvergoeding

Artikel 6

  • 1 De geldelijke vergoeding voor overwerk als bedoeld in het tweede lid van artikel 5, wordt de personenchauffeur maandelijks uitbetaald en wordt berekend op basis van het conform dit besluit in de voorafgaande twaalf maanden gemiddeld per maand door hem verrichte aantal uren overwerk, met een maximum van 45 uren per maand.

  • 2 Het overwerk als bedoeld in het derde lid van artikel 5 wordt vergoed op basis van een maandelijks door de personenchauffeur in te dienen declaratie.

  • 3 Indien het vaststellen van het gemiddelde als bedoeld in het eerste lid op basis van een periode van korter dan twaalf maanden dient te geschieden, wordt de vergoeding voor overwerk uitbetaald op basis van het in de voorgaande maanden gemiddeld per maand verrichte aantal overuren.

  • 4 Indien het vaststellen van het gemiddelde als bedoeld in het eerste lid op basis van een periode korter dan drie maanden dient te geschieden, wordt de vergoeding voor overwerk uitbetaald op basis van het feitelijk verrichte aantal overuren.

  • 5 Het gemiddeld per maand verrichte aantal overuren als bedoeld in het eerste en in het derde lid, wordt éénmaal per kalenderkwartaal bepaald, voor het eerst op 1 januari 1991.

  • 6 Als peildatum voor vaststelling volgens welk lid de vergoeding voor overwerk plaatsvindt, geldt de eerste dag van elk kalenderkwartaal.

Overige bepalingen

Artikel 7

  • 1 Dit besluit kan worden aangehaald als Regeling werktijd en overwerkvergoeding personenchauffeurs AZ.

  • 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1991.

Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage, 21 december 1990

Beatrix

De Minister-President,

Minister van Algemene Zaken,

R. F. M. Lubbers

De Minister van Binnenlandse Zaken,

C. I. Dales

Uitgegeven de veertiende februari 1991

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin