Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing vliegen onder invloed[Regeling vervallen per 31-12-2009.]

Geldend van 01-01-2006 t/m 30-12-2009

Aanwijzing vliegen onder invloed

Achtergrond [Vervallen per 31-12-2009]

Op 1 juli 1999 is een wijziging van de Wet luchtvaart (WLv) in werking getreden met als doel het bedienen van een luchtvaartuig en/of het geven van luchtverkeersdienstverlening onder invloed van alcohol of andere middelen of een combinatie van middelen tegen te gaan. De nieuwe regeling toont gelijkenis met de regelingen in de Wegenverkeerswet 1994 en de Scheepvaartverkeerswet, maar gezien het eigen karakter van de Wet Luchtvaart moet de nodige voorzichtigheid worden betracht om te voorkomen dat parallellen worden getrokken die er niet zijn. De wijziging van de Wet luchtvaart heeft voorts tot gevolg dat het College van procureurs-generaal nog een aanwijzing heeft opgesteld, namelijk de aanwijzing invordering bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart (2000A010).

In deze aanwijzing wordt verstaan onder:

Samenvatting [Vervallen per 31-12-2009]

De aanwijzing bestaat uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte gaat over de opsporing van vliegen onder invloed. Hier wordt ingegaan op de tegenonderzoeken bij ademanalyse en de bloedproef. Het tweede gedeelte handelt over het vervolgingsbeleid met betrekking tot vliegen onder invloed.

Opsporing [Vervallen per 31-12-2009]

1. Algemeen [Vervallen per 31-12-2009]

1.1. De verdachte en het moment van controle [Vervallen per 31-12-2009]

Art. 2.12 WLv (en volgende bepalingen) geven een regeling voor het overtreden van het verbod op het gebruik van alcohol, drugs en psychotrope stoffen door leden van het boordpersoneel. Art. 1.1 onder f WLv geeft aan dat daarmee niet alleen het cockpitpersoneel wordt bedoeld, maar ook een ieder die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden verrichten.

In alle gevallen worden werkzaamheden die als voorbereidingshandeling ten behoeve van een vlucht kunnen worden gedefinieerd, geacht te vallen onder art. 1.1, onder f, en dus ook onder art. 2.12 WLv.

In concreto betekent dat, dat een piloot (cockpitpersoneel) strafbaar mag worden geacht vanaf het moment dat hij daadwerkelijk begint aan zijn vluchtvoorbereiding handelingen (bijv. het inzien en indienen van vluchtplannen, het raadplegen van de meteo, etc.). Voor bijvoorbeeld een steward(ess) (boordpersoneel) ligt dit moment bij de briefing voorafgaande aan de vlucht, danwel indien die briefing niet plaatsvindt bij het betreden van niet-publieke gedeelte van een luchthaven.

De luchtvaart heeft een heel ander karakter dan het verkeer over de weg of over het water. Dit heeft gevolgen voor de handhaving. Vliegtuigen kunnen immers niet naar een parkeerplaats geleid worden voor nader onderzoek, noch kunnen opsporingsambtenaren tijdens de vlucht aan boord komen. Veelal zal voor de vlucht of pas na afloop daarvan een onderzoek kunnen worden ingesteld naar mogelijke strafbare gedragingen van het betrokken personeel (en passagiers). Als gevolg daarvan is dan ook in het kader van de alcoholwetgeving gekozen voor het invoeren van een controlemoment waarin het betrokken lid van het boordpersoneel daadwerkelijk zijn of haar dienst heeft aangevangen, en – mocht een controle leiden tot een negatief (dus onder invloed) resultaat – dat de schade voor derden (door onder meer vertragingen) tot een minimum worden beperkt. Uiteraard zijn controles direct na afloop van de vlucht ook mogelijk.

Ten aanzien van diegenen die zich bezig houden met luchtverkeersdienstverlening gelden dezelfde regels als ten aanzien van het boordpersoneel (zie art. 5.17a WLv). Art. 11.4, tweede lid, WLv jo. 11.8a WLv bepaalt dat het voorlopig ademonderzoek – zonder dat er sprake is van een concrete verdenking – reeds mag plaatsvinden wanneer een (assistent-) luchtverkeersdientsverlener ‘aanstalten maakt’ te gaan werken. Anders dan bij het boordpersoneel, is bij de (assistent-)luchtverkeersdienstverlener pas sprake van het plegen van een strafbaar feit wanneer hij feitelijk is begonnen met zijn werkzaamheden. Niettemin kan hem wel op grond van art. 11.5 jo. 11.8a WLv reeds op het moment dat hij aanstalten maakt om met zijn werkzaamheden te beginnen – terwijl hij onvoldoende daartoe in staat moet worden geacht – reeds een vliegverbod worden opgelegd. Het vliegverbod moet dan uitgelegd worden als een verbod tot het geven van luchtverkeersdienstverlening danwel het gebruiken van een grondstation zoals bedoeld in art. 5.17 WLv.

1.2. Het promillage [Vervallen per 31-12-2009]

Met de invoering van de bepalingen inzake het gebruik alcohol-, drugs- en/of psychotrope stoffen in de Wet Luchtvaart heeft men nogmaals willen wijzen op de immense verantwoordelijkheid die het boordpersoneel heeft tegenover de mede-bemanningsleden, de passagiers, het vliegtuig, de lading en niet in de laatste plaats tegenover diegenen waarover heen wordt gevlogen. Het onder invloed van alcohol (drugs en/of psychotrope stoffen) werken door cabinepersoneel is strafbaar gesteld, omdat deze mensen verantwoordelijk zijn voor het punctueel uitvoeren van noodprocedures. De zeer algemene bepaling van art. 8, tweede lid WLv is uitgebreid met een concrete ondergrens ten aanzien van het AAG of het BAG, zijnde 90 µg/l danwel 0.2 ‰. Natuurlijk is de eis dat het boordpersoneel tien uur voorafgaande aan de vlucht geen alcohol mag drinken, blijven bestaan (de zogenaamde ‘bottle to throttle’-eis). Dit afwijkende promillage is ingegeven door twee factoren: de grotere verantwoordelijkheid en het grotere effect dat alcohol heeft op personen die in een drukcabine werkzaam zijn.

Hoewel laatstgenoemde factor niet van toepassing is op diegenen die zich bezig houden met luchtverkeersdienstverlening of lichte luchtvaartuigen bedienen, is hun verantwoordelijkheid dermate groot dat een afwijkende ondergrens niet in de rede ligt.

2. Tegenonderzoek bij ademanalyse [Vervallen per 31-12-2009]

Hieronder wordt nader ingegaan op het door de politie te voeren beleid. Art. 10a van het Besluit alcoholonderzoeken regelt dat dadelijk na het vernemen van het resultaat van de ademanalyse, de verdachte kan verzoeken om een tegenonderzoek. Dit onderzoek wordt voor rekening van de verdachte verricht in de vorm van een bloedproef – of bij medische bezwaren – een vervangende urineproef.

Bij het uitvoeren van het onderzoek dient verder op dezelfde wijze te worden gehandeld als wanneer op initiatief van de politie tot het afnemen van een bloedmonster (of urinemonster) zou zijn overgegaan. De artt. 12 t/m 15, 18 t/m 21 (met uitzondering van het eerste en het tweede lid) en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken, respectievelijk de artt. 3 t/m 7 en 8 t/m 13 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 2005, 188) zijn van (overeenkomstige) toepassing.

De bloedproef is op dit moment als tegenonderzoek het meest doelmatig en biedt de verdachte de meest objectieve vorm van tegenonderzoek.

In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van het OM bij het zgn. ademanalysearrest (HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467).

In de Nota van Toelichting bij bovengenoemd Besluit wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de politie niet verplicht is de verdachte op de mogelijkheid van een tegenonderzoek te wijzen.

Deze opvatting sluit aan bij de regeling inzake het onderzoek van bloed (of urine) en de jurisprudentie ter zake. Verwezen wordt naar de arresten HR 15 februari 1983, NJ 1983, 448 en HR 12 april 1983, NJ 1983, 569, waarin werd beslist dat de verdachte niet behoeft te worden medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). In genoemde arresten is niet het voorbehoud gemaakt dat zulks anders zou zijn bij verdachten die niet beschikken over een raadsman. Betwist verdachte echter het resultaat van de ademanalyse dan moet dat echter wel voor de opsporingsambtenaren reden zijn om hem te wijzen op de mogelijkheid van het tegenonderzoek (arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage 21 november 1997, NJ 1998, 140).

Indien de verdachte om een tegenonderzoek vraagt, dient dit uiteraard in het proces-verbaal te worden vermeld.

In afwachting van het tegenonderzoek wordt de verdachte geacht zich op vrijwillige basis op de plaats van onderzoek (bijvoorbeeld het politiebureau) blijven. Verdachte dient zich daartoe op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen plaats van onderzoek. Verlaat verdachte zonder toestemming deze ruimte, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek, dan wel het aan zichzelf te wijten te hebben dat geen tegenonderzoek is verricht.

Verzoekt verdachte om een tegenonderzoek, dan zal de politie een arts moeten waarschuwen. Indien de verdachte te kennen geeft zelf een arts te willen uitkiezen, dan dient dit verzoek in beginsel te worden gehonoreerd. De verdachte neemt vervolgens contact op met de arts van zijn keuze. Wel wordt de eis gesteld dat dit niet mag leiden tot onredelijke vertraging van het onderzoek. De door de verdachte gekozen arts zal dan ook moeten aangeven of hij naar verwachting binnen een uur aanwezig zal kunnen zijn. Kan hij deze toezegging niet doen en blijft de verdachte bij zijn verzoek om een tegenonderzoek

Uiteraard kan de verdachte zijn verzoek om een tegenonderzoek herroepen, indien de arts van zijn keuze niet binnen een uur beschikbaar blijkt te zijn. Dit dient in het proces-verbaal te worden vermeld.

, dan zal de politie van haar kant een arts waarschuwen.

In de regel zal de arts naar het politiebureau komen om daar de verdachte door middel van een vena-punctie de vereiste hoeveelheid bloed af te nemen, c.q. onder zijn toezicht door verdachte urine af te laten staan. De desbetreffende bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek zijn van toepassing.

Nadrukkelijk wordt er op gewezen dat art. 15 van het Besluit alcoholonderzoeken, houdende de 60-minuten-regeling (lees: 61 minuten), onverkort van toepassing is.

Ook het verzenden van het bloedmonster (of urinemonster) moet overeenkomstig de geldende regels gebeuren. De politie geeft hierbij aan dat het monster is afgenomen in het kader van een tegenonderzoek bij ademanalyse. Dit moet op de thans in gebruik zijnde formulieren aangetekend worden.

Het onderzoek van het bloed of de urine wordt verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Rijswijk. Ingevolge art. 20 van het Besluit alcoholonderzoeken wordt het resultaat van het onderzoek zo spoedig mogelijk aan de verdachte medegedeeld. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het NFI, nu niet de politie, doch de verdachte opdrachtgever is.

De kosten van het tegenonderzoek bij ademanalyse

Een en ander is geregeld in art. 11 van de Regeling bloed- en urineonderzoek.

, te weten die van de arts, van het onderzoek door het NFI en van het bloedblok komen voor rekening van de verdachte.

Art. 11 van de Regeling bloed- en urineonderzoek geeft daar de volgende tarieven voor aan:

a. de bloedafname door een arts bedraagt € 62, dan wel – indien het afnemen van het bloed geschiedt in de periode tussen 18.00 uur ’s avonds en 8.00 uur ’s ochtends of in de periode tussen 18.00 uur vrijdagavond en 8.00 uur maandagochtend – € 81.

b. het onderzoek van het bloedmonster door het NFI bedraagt € 91.

c. het bloedblok bij de politie € 4,50.

De verdachte moet, voordat de arts wordt gewaarschuwd, de kosten van het bloedblok en van de arts op het politiebureau voldoen. De kosten van het onderzoek door het NFI moeten binnen zes weken na de bloedafname aan het NFI worden voldaan. Pas nadat ook deze kosten zijn voldaan, gaat het NFI tot het onderzoek over. Hierbij kan worden aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad 18-10-1983, NJ 1984, 97 waarin werd bepaald dat het resultaat van een bloedproef voor het bewijs mocht worden gebruikt, omdat de verdachte niet tijdig een financiële regeling had getroffen en het daardoor aan zichzelf had te wijten dat het tegenonderzoek (bij bloedproef) niet had plaatsgevonden. De verdachte die dus niet voldoet aan de voorwaarde van betaling van alle kosten binnen de gestelde betalingstermijn, mag worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek.

Aan de verdachte, die om een tegenonderzoek heeft verzocht, wordt door de politie een brief ter hand gesteld waarin de procedure en de verplichtingen met betrekking tot de betaling van de kosten worden vermeld (zie bijlagen 1 en 2).

3. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse [Vervallen per 31-12-2009]

Op basis van de art. 21, eerste en tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken en art. 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek kan de verdachte, die na het tegenonderzoek bij ademanalyse nog een tegenonderzoek wenst, hiertoe een van de daartoe aangewezen laboratoria aanwijzen (zie bijlage 3).

Voor de kosten en de procedure van dit tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyseonderzoek wordt hier verwezen naar het tegenonderzoek bij bloedproef.

4. Tegenonderzoek bij bloedproef [Vervallen per 31-12-2009]

Het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek kent de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloedproef te laten verrichten bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 3). De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de verdachte

Het huidige tarief bedraagt € 136,13.

en dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan. Het Nederlands Forensisch Instituut bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname) het bloedmonster. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloedproef dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.

De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan de afdeling Toxicologie van het NFI. Dit instituut heeft de onderstaande procedure opgesteld:

  • a. De verdachte of diens raadsman geeft de betreffende officier van justitie kennis van de wens een tegenonderzoek te laten uitvoeren. De officier van justitie deelt de verdachte schriftelijk mede welke laboratoria zijn aangewezen om tegenonderzoek uit te voeren. De verdachte of diens raadsman deelt aan de officier van justitie schriftelijk mede welk laboratorium hij heeft gekozen. De verdachte of diens raadsman neemt tevens contact op met het uitgekozen laboratorium.

  • b. Van de zijde van de officier van justitie wordt in vermelde brief (zie bijlage 1) de verdachte of diens raadsman erop gewezen, dat een alcoholbepaling door het aangewezen laboratorium pas wordt uitgevoerd nadat de kosten vooraf zijn voldaan. Over de wijze van betaling worden de nodige gegevens verstrekt.

  • c. De officier van justitie geeft het NFI schriftelijk kennis van de wens van de verdachte een tegenonderzoek te doen verrichten onder vermelding van: naam en adres verdachte; zaaks- en identiteitsnummer, plaats en datum van ‘aanhouding’ en de naam van het uitgekozen laboratorium.

  • d. Het NFI stelt het uitgekozen laboratorium op de hoogte van het te verwachten onderzoek. Na bevestiging van de betaling vindt verzending van het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster plaats.

  • e. Zodra het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster is verzonden, geeft het Nederlands Forensisch Instituut hiervan bericht aan de betreffende officier van justitie.

  • f. Het uitgekozen laboratorium deelt het resultaat van het tegenonderzoek mede aan de verdachte of diens raadsman.

Vervolging [Vervallen per 31-12-2009]

1. Art. 2.12, eerste lid WLv [Vervallen per 31-12-2009]

Een vervolging op basis van art. 2.12, eerste lid WLv komt in aanmerking in de volgende gevallen:

  • a. bij een AAG lager dan 95 µg/liter (BAG lager dan 0,22 ‰), terwijl de verdachte verkeerde onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van werkzaamheden zodanig kon verminderen, dat hij niet tot naar behoren verrichten van die werkzaamheden in staat moest worden geacht

    Dit geval zal zich in de praktijk vrijwel nooit voordoen.

    ;

  • b. wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals drugs en/of psychotrope stoffen;

  • c. wanneer er sprake is van andere omstandigheden dan het weigeren van de ademanalyse/bloedproef waardoor de ademanalyse/bloedproef achterwege is gebleven;

  • d. wanneer er sprake is van (vorm)fouten in de procedure betreffende de ademanalyse of de bloedproef, terwijl wel aan alle vereisten voor een vervolging ex art. 2.12, eerste lid WLv is voldaan.

2. Art. 2.12, tweede lid WLv [Vervallen per 31-12-2009]

In deze bepaling is de zogenaamde ‘bottle to throttle’-regel neergelegd. In de praktijk kan het zo zijn dat de overtreding van dit feit samen valt met de overtreding van andere leden van art. 2.12.

Echter, daarbij dient de voorkeur te worden gegeven aan strafvervolging op grond van de andere bepalingen. Mocht – om welke reden dan ook – de ademanalyse of de bloedproef geen of onvoldoende bewijs leveren voor overtreding van art. 2.12, eerste of derde lid, dan kan nog steeds (mits er een duidelijke sprake was van drinken binnen de tien uur voor aanvang van de vlucht) de overtreding van het tweede lid ten laste gelegd worden.

3. Art. 2.12, derde lid WLv [Vervallen per 31-12-2009]

Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een adem- of bloedmonster is genomen, zodat het resultaat van het onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, zal een vervolging op basis van art. 2.12, derde lid, aanhef en onder a of b WLv dienen te worden ingesteld.

4. Art. 11.6, tweede, zesde en achtste lid WLv [Vervallen per 31-12-2009]

Indien de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd, zijn er twee situaties te onderscheiden:

  • a. de verdachte verkeerde naar het oordeel van de politie onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van werkzaamheden, zodanig kon verminderen, dat hij niet tot het naar behoren kunnen verrichten van dat werk in staat moest worden geacht;

  • b. de politie heeft geen of onvoldoende bijzonderheden met betrekking tot het gedrag van verdachte geconstateerd, zodat niet gezegd kan worden dat verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, dat hij niet tot behoorlijk verrichten van werkzaamheden, in staat moest worden geacht.

Hoewel ten aanzien van het onder a omschreven geval het theoretisch mogelijk is art. 11.6 en art. 2.12, eerste lid WLv cumulatief ten laste te leggen, dient zowel in dit geval als in de situatie genoemd onder b de verdachte te worden vervolgd ter zake van art. 11.6 WLv.

Indien er in een situatie genoemd onder a enige twijfel bestaat of veroordeling ter zake van art.11.6 WLv zal volgen, verdient het aanbeveling art. 2.12, eerste lid WLv subsidiair te laste te leggen.

5. Art. 11.6, negende lid, WLv [Vervallen per 31-12-2009]

Ten aanzien van art. 11.6, negende lid WLv valt met betrekking tot ‘de verdachte die niet in staat is zijn wil kenbaar te maken’ een drietal situaties te onderscheiden.

  • De verdachte die door zijn fysieke dan wel psychische hoedanigheid niet in staat is zijn wil kenbaar te maken. Bestaat de verdenking dat hij onder invloed van alcohol werkzaamheden verricht heeft, dan kan het bloedmonster tegen zijn wil worden afgenomen. Zodra hij wel in staat moet worden geacht om zijn wil kenbaar te maken, moet hem het verzoek tot het geven van toestemming voor het onderzoek van het bloedmonster worden voorgelegd. Weigert hij, dan kan hij vervolgd worden op basis van art. 11.6, negende lid WLv. Het oordeel van de medicus is bepalend voor de beoordeling of verdachte in staat moet worden geacht zijn wil te bepalen. Verleent hij zijn toestemming wel, dan dient de normale procedure omtrent het bloedonderzoek te worden vervolgd.

  • De verdachte die niet in staat moet worden geacht zijn wil kenbaar te maken ten gevolge van overmatig alcoholgebruik.

    Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad in soortgelijke zaken in het wegverkeer, komt ook deze categorie in aanmerking voor de speciale behandeling van art. 11.6, negende lid, WLv.

    Het criterium om te bepalen of verdachte onder het negende lid of onder de regeling van het tweede of het zesde lid valt, ligt met name in de aanspreekbaarheid van de verdachte. Reageert hij niet of geeft hij – al dan niet daarnaar gevraagd – aan dat hij niet begrijpt wat er gebeurt, dan moet worden overgegaan naar de regeling van art. 11.6, negende lid WLv. Ook hier is het oordeel van de arts die de bloedproef moet afnemen een goede maatstaf bij de beantwoording van de vraag of verdachte simuleert. Een en ander moet dan ook in het proces-verbaal verwerkt worden.

  • Indien verdachte is komen te overlijden bestaat er binnen de Wet Luchtvaart geen enkele basis om na het overlijden alsnog bloed af te nemen. Gelet op art. 69 WvSr vervalt het recht op strafvordering bij het overlijden van verdachte. Zou nog steeds onduidelijkheid bestaan omtrent de doodsoorzaak dan kan natuurlijk wel een lijkschouwing plaatsvinden (art. 10, eerste lid van de Wet op de Lijkbezorging). Vanzelfsprekend zal met die bevoegdheid uiterst terughoudend moeten worden omgegaan.

Overgangsrecht [Vervallen per 31-12-2009]

Alle feiten gepleegd na de inwerkingtreding van deze aanwijzing dienen conform deze aanwijzing te worden afgedaan.

Bijlage 1 [Vervallen per 31-12-2009]

Modelbrief [Vervallen per 31-12-2009]

ARRONDISSEMENTSPARKET

TE

Aan:

Betreft:tegenonderzoek bloedalcoholgehalte

Parketnr.:

Naar aanleiding van uw mededeling dat u in bovenvermelde zaak een tegenonderzoek wenst te doen uitvoeren naar het bloedalcoholgehalte, bericht ik u dat u een keuze kunt maken uit de drie op bijgaand informatieblad genoemde laboratoria. Ik verzoek u mij schriftelijk mede te delen op welk laboratorium uw keuze is gevallen, opdat ik ervoor kan zorg dragen dat het bloedmonster naar dat laboratorium wordt verzonden. Ik wijs u er nog op dat de kosten van het tegenonderzoek voor uw rekening komen en dat het laboratorium eerst tot een tegenonderzoek overgaat nadat het verschuldigde bedrag is betaald. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag, de manier waarop kan worden betaald en de gegevens die bij de betaling dienen te worden vermeld, verwijs ik tevens naar bij gaand informatieblad. Het resultaat van het tegenonderzoek wordt u te zijner tijd door het door u aangewezen laboratorium medegedeeld.

Mocht u echter binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief niet schriftelijk hebben gereageerd, ga ik er van uit dat u op het tegenonderzoek geen prijs meer stelt.

De officier van justitie,

Bijlage 2 [Vervallen per 31-12-2009]

Informatieblad tegenonderzoek bloedproef [Vervallen per 31-12-2009]

Bij de betaling aan het laboratorium van uw keuze moet duidelijk worden vermeld: ‘tegenonderzoek bloedalcoholbepaling’ en de naam en het adres van de verdachte. Bij gebruikmaking van een giro- of bankrekening van een ander dan de verdachte zelf (bijvoorbeeld van echtgeno(o)t(e) of raadsman) mag dit geen aanleiding tot misverstanden kunnen geven.

De kosten van het tegenonderzoek bedragen € 136,13. Pas na betaling van dit bedrag voert het laboratorium het tegenonderzoek uit.

Bijlage 3 [Vervallen per 31-12-2009]

Laboratoria [Vervallen per 31-12-2009]

Laboratorium voor Klinische Chemie van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

1e Oosterparkstraat 179

1091 HA Amsterdam-Oost

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt

Dr. Molenwaterplein 40

3015 GD Rotterdam

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen

Oostersingel 59

Postbus 30001

9700 RB Groningen.