Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing kinderpornografie[Regeling vervallen per 01-09-2007.]

Geldend van 04-11-2003 t/m 31-08-2007

Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240b wvsr)

Achtergrond [Vervallen per 01-09-2007]

1. Inleiding [Vervallen per 01-09-2007]

Op 1 oktober 2002 is de partiële wijziging van de zedelijkheidswetgeving, waaronder die van artikel 240b Wetboek van Strafrecht (WvSr), in werking getreden.

Hierdoor is de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens van zestien jaar verhoogd naar achttien jaar. Tevens is met behulp van computertechniek gefabriceerde kinderpornografie strafbaar gesteld, ook als daar geen echt kind voor gebruikt is. Het ‘in voorraad hebben’ is vervangen door ‘in bezit’ hebben.

Strafbaar is ook het in bezit hebben voor eigen gebruik en/of het in bezit hebben in een niet-commerciële context.

De exceptie van lid 2 (‘dergelijke afbeeldingen in voorraad hebben voor een wetenschappelijk, educatief of therapeutisch doel’) is komen te vervallen.

Daarnaast is aan artikel 5 WvSr lid 1een nieuw onderdeel, onder 3°, toegevoegd. Dit onderdeel regelt de toepassing van de Nederlandse strafwet op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan onder meer overtreding van artikelen 240b WvSr en 242 tot en met 250a WvSr gepleegd ten aanzien van een minderjarige.

Geheel nieuw is artikel 5a WvSr: een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de artikelen 240b WvSr en 242 tot en met 250a WvSr, gepleegd ten aanzien van een minderjarige, kan hiervoor in Nederland worden vervolgd, ook als hij eerst na het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen.

De invoering van dit onderdeel/dit artikel biedt politie en justitie een extra instrument om sekstoerisme naar met name derdewereldlanden te bestrijden.

Voor zowel artikel 5, lid 1, onderdeel 3, WvSr als voor artikel 5a WvSr is geen dubbele strafbaarheid vereist.

De verhoging van de leeftijd van zestien jaar naar achttien jaar vloeit voort uit de ratificatie door Nederland van het ILO-verdrag uit 1999 inzake kinderarbeid. Dit verplicht de verdragspartijen onder meer tot strafbaarstelling van ‘the use, procuring or offering of a child for the production of pornography’. Artikel 2 van dit verdrag bepaalt dat ‘For the purposes of this Convention, the term “child” shall apply to all persons under the age of 18’.

Het strafbaarstellen van virtuele kinderpornografie is ondermeer een gevolg van de Convention on Cyber-Crime en een kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en van kinderpornografie.

Het vervallen van de exceptie van het tweede lid van artikel 240b WvSr staat er niet aan in de weg dat het bezit van kinderpornografische afbeeldingen voor deze doeleinden straffeloos blijft wegens het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Wel is enige controle op dit bezit en gebruik noodzakelijk. De procedure die gevolgd dient te worden, is omschreven in bijlage 3.

In deze aanwijzing wordt onderscheid gemaakt tussen (pre)puberale en postpuberale kinderpornografie. In de puberteit treden er lichamelijke veranderingen op zoals het ontstaan van lichaamsbeharing, de ontwikkeling van schouders (jongens) en de ontwikkeling van borsten en heupen (meisjes). In het geval van (pre)puberale kinderpornografie gaat het om kinderen bij wie deze secundaire geslachtskenmerken niet of nauwelijks aanwezig zijn. Na de puberteit lijken kinderen in lichamelijk opzicht op jonge volwassenen en wordt het moeilijk om nog een nauwkeurige indicatie te geven van de leeftijd van de minderjarige.

De grens tussen (pre)puberale en postpuberale kinderpornografie ligt in de praktijk rond de leeftijd van veertien jaar.

Met ‘jeugdige’ wordt in deze aanwijzing gedoeld op iemand die de leeftijd van achttien jaar kennelijk nog niet heeft bereikt.

2. Strekking van artikel 240b Wetboek van Strafrecht [Vervallen per 01-09-2007]

Artikel 240b WvSr strekt er toe, aldus de Kamerstukken

TK 2000/01 27 745, nr. 6 Nota naar aanleiding van het verslag, ontvangen 5 november 2001.

, te voorkomen dat:

  • a. een jeugdige in een situatie wordt gebracht waarin hij/zij wordt gebruikt voor het op beeldmateriaal vastleggen van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr waarbij hij/zij alleen of met een ander/anderen is betrokken,

  • b. beeldmateriaal dat onder het bereik van artikel 240b WvSr valt, na vervaardiging (verder) wordt verspreid, openlijk wordt tentoongesteld, of in bezit gehouden wordt,

  • c. jeugdigen worden aangemoedigd of verleid om deel te nemen aan seksueel gedrag en gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.

Samenvatting [Vervallen per 01-09-2007]

In de aanwijzing wordt na een korte inleiding aandacht geschonken aan de wettekst en strekking van artikel 240b WvSr. Aansluitend worden in het onderdeel Opsporing de prioriteiten (1.), het verband met het strafrechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik (2.), het contact met de politie en het Openbaar Ministerie (3.), beslag (4. & 5.) en kinderpornografie op Internet (6.) besproken. Daarop worden in het onderdeel Vervolging de rechtsmacht zedenmisdrijven met minderjarigen (1.), de tenlastelegging (2.) en de bepaling van de eis (3.) besproken. Ten slotte wordt aandacht besteed aan het overgangsrecht, waarin onder meer wordt aangegeven hoe instellingen die op of na 1 oktober 2002 in het bezit zijn van kinderpornografisch materiaal voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden het bezit en gebruik van deze collectie dienen aan te melden bij het Landelijk Parket.

In bijlage 1 wordt een toelichting gegeven op een aantal voor de opsporings- en vervolgingspraktijk belangrijke delictsbestanddelen van artikel 240b WvSr (seksuele gedraging, kennelijk de leeftijd van achttien jaar, schijnbaar is betrokken). In bijlage 2 is vervolgens een vragenlijst opgesteld aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een afbeelding een seksuele gedraging is in de zin van artikel 240b WvSr. Bijlage 3 bevat de procedure die gevolgd moet worden met betrekking tot instellingen die kinderpornografisch materiaal wensen te verwerven en gebruiken voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden. Bijlage 4 bestaat uit de Checklist voor kinderporno-onderzoeken. Tot slot bevat bijlage 5 een korte adressenlijst met voor het onderwerp van deze aanwijzing relevante adressen en telefoonnummers.

Opsporing [Vervallen per 01-09-2007]

1. Prioriteiten [Vervallen per 01-09-2007]

Bij de opsporing en vervolging bij verdenking van artikel 240b WvSr in en/of buiten Nederland moet een evenwicht worden gevonden tussen enerzijds het belang van de jeugdige en anderzijds de rechten van de verdachte die strafvordering en het EVRM hem toekennen.

Onderscheid wordt gemaakt in (pre)puberale kinderpornografie (leeftijd slachtoffer tot ongeveer vijftien jaar) en postpuberale kinderpornografie (leeftijd slachtoffer van ongeveer vijftien tot achttien jaar).

Hoge prioriteit (in elk geval en niet limitatief):

  • de productie, de verspreiding en het bezit van (grote hoeveelheden) (pre)puberale kinderpornografie (concrete slachtoffers van veertien jaar en jonger)

    De productie van kinderpornografie kan er op duiden dat de bezitter van vervaardigde kinderporno ofwel zelf misbruik heeft gepleegd, ofwel relaties heeft met iemand die misbruik heeft gepleegd. Uiteraard dient nog voortdurend misbruik direct gestopt te worden.

    ,

  • de inhoud, met name afgebeelde en toegepaste gewelddadigheid dan wel een evidente afhankelijkheidsrelatie,

  • de grootschaligheid en toegankelijke verspreiding,

  • de commerciële productie van postpuberale kinderpornografie (slachtoffers 15-18 jaar) waarbij tevens gedacht kan worden aan artikel 250a WvSr (commerciële seksuele uitbuiting van minderjarigen).

Identificatie van slachtoffers en daders die betrokken zijn bij afbeeldingen die zijn gemaakt en gepubliceerd in de periode van vóór 1980, heeft geen prioriteit.

2. Verband met strafrechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik [Vervallen per 01-09-2007]

Bij strafrechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik dient men daarnaast te onderzoeken of het misbruik is vastgelegd op beeldmateriaal en of er dus (ook) sprake kan zijn van verdenking van artikel 240b WvSr. Indien er aanwijzingen zijn dat het seksueel misbruik is vastgelegd op beeldmateriaal, dient de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris de plaats te doorzoeken.

3. Contact tussen politie en Openbaar Ministerie [Vervallen per 01-09-2007]

Het Openbaar Ministerie (OM) dient serieuze aandacht te besteden aan elke door de politie gemelde indicatie van vervaardigen, bezit en verspreiding van kinderpornografie en dient de politie te instrueren zulke aanwijzingen diepgaand te onderzoeken en aan het OM te melden. Bovengenoemde prioriteitstelling dient hierbij in acht genomen te worden. Tevens dient gebruik gemaakt te worden van de ‘Checklist voor kinderporno onderzoeken’ (bijlage 3).

4. Beslag [Vervallen per 01-09-2007]

Afbeeldingen of gegevensdragers bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt betrokken is, worden in beslag genomen.

Het is van belang ook de computer van de verdachte in beslag te nemen. Onderzoek aan de computer kan inzicht geven in het gedrag van de verdachte ten opzichte van kinderpornografie. Contacten en eventuele kinderpornografische netwerken kunnen vastgesteld worden.

In geval van een strafbaar feit als omschreven in artikel 240b WvSr zijn de in artikel 141 Wetboek van strafvordering (WvSv) bedoelde ambtenaren te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen en over te gaan tot in beslagneming van alle hiervoor vatbare voorwerpen. Zij hebben toegang tot alle plaatsen waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan (artikel 551 WvSv). In beginsel wordt in beslaggenomen na voorafgaand overleg met en na toestemming van de officier van justitie. Bij een spoedeisend belang kan rauwelijks – zonder voorafgaand overleg met en toestemming van de officier van justitie – in beslag worden genomen.

5. Behandeling van inbeslaggenomen materiaal [Vervallen per 01-09-2007]

De beoordeling van de elementen ‘seksuele gedraging’ en ‘kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt’ dient zo spoedig mogelijk onder verantwoordelijkheid van het OM te geschieden. In beginsel dient materiaal dat duidelijk niet aan de criteria voldoet, teruggegeven te worden (behoudens het geval dat de verdachte afstand heeft gedaan). De lokale politie dient direct contact op te nemen met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Zoetermeer, groep moord en zeden, en het KLPD inzage te verlenen in het inbeslaggenomen materiaal. Het KLPD vergelijkt het inbeslaggenomen materiaal met de landelijke database kinderpornografie en de database van Interpol. Afbeeldingen waarvan de dader en/of het slachtoffer bekend zijn geworden, worden onmiddellijk aan de database van Interpol doorgegeven.

Het inbeslaggenomen materiaal dient niet in het proces-verbaal opgenomen te worden

Om ieder risico van (verdere) verspreiding van kinderpornografie uit te sluiten – zie ook bij Vervolging, onder Tenlastelegging.

. In plaats daarvan dient de verbalisant de omvang van het aangetroffen materiaal te omschrijven en een selectie daaruit te beschrijven. De beschreven plaatjes worden beschikbaar gesteld aan de officier van justitie die ze als stuk van overtuiging behandelt.

Met name bij grote hoeveelheden gegevensdragers (videobanden, CDroms, DVD’s) die ook niet pornografisch materiaal bevatten, is zorgvuldige registratie van groot belang om te voorkomen dat ‘verkeerde’ bevelen tot teruggave worden gegeven.

Ter zitting dient onttrekking aan het verkeer van de kinderpornografische afbeeldingen gevorderd te worden. In het geval de afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 240b WvSr op de harde schijf van een computer staan, dient onttrekking aan het verkeer van de harde schijf te volgen

Het is niet mogelijk de harde schijf zo te bewerken dat de kinderpornografische afbeeldingen helemaal verwijderd worden. Zo is er software in de handel of van Internet te downloaden, die het mogelijk maakt gewiste of geformateerde bestanden in oude staat te herstellen.

Ten aanzien van de computer (als voorwerp waarmee het misdrijf is gepleegd) dient verbeurdverklaring te volgen.

De afhandeling van het inbeslaggenomen materiaal na onttrekking aan het verkeer, wordt in overleg met het KLPD bepaald.

Het spreekt vanzelf dat, gezien de aard van het inbeslaggenomen materiaal, dit met de uiterste zorgvuldigheid wordt behandeld.

6. Kinderpornografie op Internet [Vervallen per 01-09-2007]

Op Internet circuleert een constante stroom van kinderpornografische afbeeldingen. Onderscheid kan worden gemaakt in ‘oude’ afbeeldingen, gemaakt en gepubliceerd in de periode 1970-1980; ‘recente’ afbeeldingen, vanaf 1980 tot de wetswijziging in 1996 en ‘nieuwe’ afbeeldingen, gemaakt en verspreid vanaf 1996 tot heden.

Dateren kan onder andere aan de hand van haardracht, eventuele kleding, meubels, kleur van de afbeelding. Bij twijfel kan de afbeelding gedateerd worden door het KLPD, groep moord en zeden.

Ongeveer 60 tot 70% van de bekende afbeeldingen vallen in de categorie ‘oud’ en identificatie van slachtoffers en daders heeft geen prioriteit. Overigens zal een groot deel van de feiten die in de categorie ‘oud’ vallen, al verjaard zijn.

Het wereldwijde gebruik van Internet maakt een internationale aanpak en coördinatie van onderzoeken naar de verspreiding van kinderpornografie via Internet noodzakelijk. Het KLPD, groep moord en zeden, coördineert internationale onderzoeken naar kinderpornografie en beheert de nationale database kinderpornografie.

Interpol beheert de internationale database kinderpornografie, waarin alle beelden zijn opgenomen waarvan de slachtoffers en daders zijn geïdentificeerd.

Europol coördineert Europese onderzoeken naar kinderpornografie op Internet in netwerken.

Van belang is dat Internetonderzoeken worden aangemeld bij het KLPD, groep moord en zeden, om te voorkomen dat onderzoeken dubbel worden gedaan.

Digitale technieken, zoals het gebruik van een webcam, geven mogelijkheden beelden van actuele seksuele handelingen te verzenden via het Internet. In chatgroepen wordt kinderen gevraagd zich voor de webcam te ontkleden of seksuele handelingen met zichzelf of met anderen te verrichten. De opnamen daarvan verschijnen vervolgens in kinderpornografische netwerken op het Internet. Het bekijken van zo een webcamvertoning in de privé-sfeer is niet strafbaar.

Echter, degene die kennelijk het bezit over dit bestand wil hebben

Dit is bijvoorbeeld het geval als degene het bestand heeft opgeslagen in een speciale (verborgen) map, of het bestand gecodeerd heeft opgeslagen.

, zodat hij het bestand onafhankelijk van het Internet kan bekijken, valt onder de werking van artikel 240b WvSr.

De klant die via technische hulpmiddelen – bijvoorbeeld het Internet – kinderpornografisch optreden elders bevordert en op een andere plek gadeslaat dan de plaats waar de minderjarige optreedt, kan mogelijk onder de werking van artikel 248a WvSr vallen. Er zijn geen gegevens op landelijk niveau beschikbaar over het optreden van kinderen in peepshows. In Amsterdam zijn peepshows als seksinrichtingen sinds 1989 vergunningplichtig. Bij controles in die periode zijn geen kinderen aangetroffen. Overigens ziet het tweede deel van het nieuw ingevoegde artikel 248c WvSr op de strafbaarstelling van de opzettelijk aanwezige toeschouwer bij een vertoning van kinderpornografische afbeeldingen in een daarvoor bestemde gelegenheid.

Vervolging [Vervallen per 01-09-2007]

1. Rechtsmacht zedenmisdrijven met minderjarigen [Vervallen per 01-09-2007]

Aan artikel 5 WvSr is een derde lid toegevoegd die de Nederlandse strafwet van toepassing verklaart op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan ‘een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b WvSr en 242 tot en met 250a WvSr, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige.’

Deze vervolgbaarheid in Nederland kent niet het vereiste van dubbele strafbaarheid zoals bedoeld in artikel 5 lid 1, onder 2 WvSr. Met name voor bestrijding van sekstoerisme is dit een belangrijke toevoeging aan artikel 5 WvSr.

Geheel nieuw is artikel 5a WvSr. Dit artikel maakt het mogelijk een vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf jegens een minderjarige zoals omschreven in de artikelen 240b WvSr, 242 tot en met 250a WvSr in Nederland te vervolgen indien hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. De vreemdeling die eerst ná het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verkrijgt, valt ook onder de werking van dit artikel. Het vereiste van dubbele strafbaarheid geldt ook hier niet.

2. Tenlastelegging [Vervallen per 01-09-2007]

De Hoge Raad is van oordeel (21 april 1998, NJB 1998, 81/NJ 1998, 782) dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Dit betekent dat ofwel een nadere omschrijving van de gedraging vereist is, ofwel de afbeelding(en) opgenomen (‘geïnsereerd’) dient/dienen te worden in de tenlastelegging. Film- en videomateriaal kunnen geen onderdeel uitmaken van de tenlastelegging.

De Hoge Raad besliste in dit arrest dat film- en videomateriaal geen onderdeel van de tenlastelegging mag uitmaken omdat van de verdachte niet gevergd kan worden te beschikken over de apparatuur en de vaardigheid om films en videobanden te bekijken, terwijl bovendien de banden kunnen vervagen of uitgewist worden.

Om ook in het vervolgingsstadium ieder risico van verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen uit te sluiten, dient geen gebruik gemaakt te worden van de mogelijkheid kinderpornografische afbeeldingen in de tenlastelegging op te nemen. In de tenlastelegging dient, naast een algemene beschrijving, een selectie van de aangetroffen afbeeldingen omschreven te worden, tot een maximum van 25 afbeeldingen. De selectie dient in ieder geval plaatjes uit de prioriteitenlijst te bevatten én een algemeen beeld van de collectie te geven.

Zonodig kunnen film- en videomateriaal en afbeeldingen ter zitting als stuk van overtuiging getoond worden.

3. Bepaling van de eis [Vervallen per 01-09-2007]

Bij bepaling van de eis dient rekening gehouden te worden met factoren als de aard van de afbeeldingen, het al dan niet commerciële karakter, de mate van verspreiding en de wijze waarop het verspreid wordt. Voor het in beslag genomen materiaal, zie paragraaf 5 van het hoofdstuk Opsporing.

Overgangsrecht [Vervallen per 01-09-2007]

Voor 1 oktober 2002 was het vervaardigen, verspreiden of in voorraad hebben van pornografie waarbij kennelijk een zestien- of zeventienjarige is betrokken, of van virtuele kinderpornografie, niet strafbaar. Wel strafbaar is degene die dit voor 1 oktober 2002 vervaardigde materiaal op of na 1 oktober 2002 bezit of verspreidt.

Instellingen die op 1 oktober 2002 in het bezit zijn van een collectie kinderpornografie voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden, dienen dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding van deze aanwijzing, te melden aan de landelijk officier van justitie kinderpornografie bij het Landelijk Parket te Rotterdam onder aanduiding van aard, omvang, herkomst en gebruik van de collectie. De landelijk officier van justitie kinderpornografie zal beoordelen of aan de door het Landelijk Parket opgestelde criteria is voldaan, op grond waarvan niet vervolgd zal worden. Indien het Landelijk Parket kan instemmen met het bezit en gebruik door de meldende instelling, zal de instelling op de hoogte worden gesteld van regels omtrent gebruik en beveiliging. Ook deze regels moeten worden nageleefd om vervolging te voorkomen. De coördinator kinderpornografie van de betreffende politieregio en de zedenaanspreekofficier van justitie in het betreffende arrondissement worden in kennis gesteld van de verleende toestemming aan de instelling voor bezit en gebruik van kinderpornografisch materiaal zonder strafrechtelijke consequenties. Het Landelijk Parket verzorgt de landelijke coördinatie.

Bijlage 1 [Vervallen per 01-09-2007]

Toelichting op een aantal onderdelen van artikel 240b WvSr [Vervallen per 01-09-2007]

In deze bijlage wordt een nadere toelichting gegeven op een aantal voor de opsporings- en vervolgingspraktijk belangrijke delictsbestanddelen van artikel 240b WvSr, te weten de inhoud en reikwijdte van ‘seksuele gedraging’, ‘kennelijk de leeftijd van achttien jaar’ en ‘schijnbaar is betrokken’.

1. Wettekst van artikel 240b WvSr [Vervallen per 01-09-2007]

  • 1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding – of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, of schijnbaar is betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.

  • 2. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een gewoonte maakt.

2. ‘seksuele gedraging’ [Vervallen per 01-09-2007]

Een vragenlijst, te gebruiken bij de vaststelling of een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is afgebeeld, is opgenomen in bijlage 2.

Het delictsbestanddeel ‘seksuele gedraging’ wordt uitgelegd vanuit de strekking van artikel 240b WvSr. Het gaat om gedragingen die – indien vastgelegd – schadelijk kunnen zijn voor de jeugdige:

  • a. hetzij omdat het tot die gedraging brengen al schadelijk is; dit geldt in ieder geval voor een gedraging die onder de werking van de artikelen 242 tot en met 249 WvSr valt,

  • b. hetzij vanwege de publicatie daarvan.

Het volgende onderscheid kan gemaakt worden:

2.1. Afbeelding van een gedraging waarbij de jeugdige en een ander/anderen is/zijn betrokken [Vervallen per 01-09-2007]

Seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b WvSr zijn in ieder geval een afbeelding of afbeeldingen van de in de artikelen 242 e.v. WvSr strafbaar gestelde gedragingen:

  • seksueel binnendringen van het lichaam;

  • ontuchtige handelingen met een ander;

  • dulden van ontuchtige handelingen met een ander;

  • verleiden van een jeugdige, jonger dan achttien jaar tot het plegen van ontuchtige handelingen met of voor een derde;

  • met geweld/bedreiging met geweld de ander dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen – inclusief seksuele handelingen met zichzelf.

2.2. Afbeeldingen van de jeugdige alleen

Zie o.a. arrest HR 4.12.1990, NJ 1991, 312

[Vervallen per 01-09-2007]

Ook de afbeelding van een jeugdige alleen kan een kinderpornografische afbeelding zijn. Of deze afbeeldingen zijn te kwalificeren als afbeeldingen van seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b WvSr, hangt af van het karakter en/of de context van de afgebeelde gedraging. Er zijn hier twee uitersten aan te geven:

  • 1. Seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b WvSr zijn ook afbeeldingen van de in de artikelen 242 e.v. WvSr strafbaar gestelde gedragingen, waarbij de betrokkenheid van de ander niet – onmiddellijk – zichtbaar is op de afbeelding. Denk aan het met geweld/dreiging met geweld brengen van de jeugdige een ontuchtige handeling met zichzelf uit te voeren (artikel 246 WvSr).

  • 2. Geen seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is de normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer.

Tussen deze twee uitersten zit een grensgebied van gedragingen waarvan niet op voorhand kan worden vastgesteld of deze wel of niet onder de delictsomschrijving van artikel 240b WvSr vallen.

Voor vaststelling of een afbeelding (van een jeugdige alleen) een seksuele gedraging is in de zin van artikel 240b WvSr geldt als leidraad dat de afgebeelde gedraging wordt afgezet tegen een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer. Bepalend zijn het karakter en/of de context van de afbeelding. Bij een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer past de afgebeelde gedraging bij de jeugdige van die leeftijd en is de gedraging vastgelegd in een omgeving en in een context waarin de jeugdige normaal verkeert. Een onnatuurlijke pose en/of het toevoegen van bijkomende onnatuurlijke attributen geven de afbeelding een onnatuurlijk karakter en (kunnen) maken dat de afbeelding als een seksuele gedraging moet worden gekwalificeerd.

a. Karakter van de afbeelding

Afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is bijvoorbeeld een afbeelding:

  • van een jeugdige in een onnatuurlijke pose;

  • van een jeugdige in een duidelijk seksueel getinte houding;

  • waarbij de nadruk op de geslachtsdelen is gelegd;

  • waarbij uit het totale beeld duidelijk is dat het gaat om de geslachtsdelen.

b. Context van de afbeelding

Afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is de afbeelding van de jeugdige met bijkomende onnatuurlijke (geregisseerde) factoren, bijvoorbeeld:

  • bepaalde kleding;

  • voorwerpen, attributen;

  • een omgeving waar een kind van jeugdige leeftijd normaal niet in verkeert.

3. ‘kennelijk de leeftijd van achttien jaar’ [Vervallen per 01-09-2007]

Aan de hand van de afbeelding moet een schatting worden gemaakt van de leeftijd. De leeftijd hoeft niet bewezen te worden. De werkelijke leeftijd van de afgebeelde persoon is wel een omstandigheid waarmee bij de beoordeling van de zaak rekening kan worden gehouden.

4. ‘of schijnbaar is betrokken’ [Vervallen per 01-09-2007]

4.1. Virtuele kinderpornografie [Vervallen per 01-09-2007]

Artikel 240b WvSr stelt nu ook strafbaar afbeeldingen die met behulp van (digitale) manipulatie zijn vervaardigd. Hierbij hoeven geen echte kinderen betrokken zijn. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat de afgebeelde persoon op een echt kind lijkt.

4.2. Kunstuitingen [Vervallen per 01-09-2007]

Kunstzinnige afbeeldingen (waaronder cartoons) van seksuele gedragingen van jeugdigen wekken in de regel niet de schijn van echtheid op en vallen daardoor niet onder het bereik van artikel 240b, eerste lid WvSr. Kunstuitingen die a prima vista een kinderpornografische uitstraling hebben, dienen kritisch onderzocht te worden.

Zie ook het Holland Festivalarrest, HR 26 september 2001, NJ 2001, 61

Bijlage 2 [Vervallen per 01-09-2007]

Vragenlijst voor de vaststelling of een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is afgebeeld [Vervallen per 01-09-2007]

Aan de hand van deze vragenlijst kan worden vastgesteld of de afbeelding een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is. In bijlage 1 bij deze aanwijzing wordt onder paragraaf 1 en 2 ingegaan op de inhoud en de reikwijdte van ‘seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b WvSr.

Bij beantwoording van de vragen is niet relevant:

  • a. of de afbeelding een seksuele prikkeling teweeg kan brengen, dan wel kennelijk daarvoor is bedoeld, en

  • b. of de afgebeelde jeugdige, dan wel zijn/haar ouders of wettelijke vertegenwoordigers toestemming hebben gegeven voor vervaardiging en/of verspreiding, et cetera van de afbeelding.

Bezien wordt:

A. Indien uit de afbeelding blijkt van betrokkenheid van een ander/anderen: [Vervallen per 01-09-2007]

Is een van de in de artikelen 242 e.v. WvSr strafbaar gestelde gedragingen afgebeeld?

Zo ja, dan is er sprake van een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr.

Zo nee, dan geldt hetzelfde als bij vaststelling of een afbeelding van een jeugdige alleen is aan te merken als een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr (zie onder B, met name 2 en 3).

B. Indien een jeugdige alleen is afgebeeld: [Vervallen per 01-09-2007]

  • 1. Is een van de in de artikelen 242 WvSr strafbaar gestelde gedragingen afgebeeld? Het gaat met name om artikel 246 WvSr: het met geweld/dreiging met geweld brengen van de jeugdige een ontuchtige handeling met zichzelf uit te voeren. Zo ja, dan is er sprake van een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr.

  • 2. Is het een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer?

    Bijvoorbeeld:

    • past de afgebeelde gedraging bij een jeugdige van die leeftijd?

    • Is de gedraging vastgelegd in een omgeving en in een context waarin een jeugdige van die leeftijd normaal verkeert?

    Zo ja, dan is er geen sprake van een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr.

  • 3. Geven het karakter en/of de context van de afbeelding aanleiding de afbeelding te kwalificeren als een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr?

    Bijvoorbeeld:

    • Is de jeugdige in een onnatuurlijke pose afgebeeld?

    • Is de jeugdige in een duidelijk seksueel getinte houding afgebeeld?

    • Wordt de nadruk op de geslachtsdelen gelegd?

    • Wordt uit het totale beeld duidelijk dat het gaat om de geslachtsdelen?

    • Draagt de jeugdige bepaalde, seksueel getinte, kleding?

    • Zijn er voorwerpen of attributen afgebeeld met een seksueel karakter?

    • Is de jeugdige afgebeeld in een omgeving waar een jeugdige van heel jonge leeftijd normaal niet in verkeert?

      Zo ja, dan is er sprake van een afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr.

Bijlage 3 [Vervallen per 01-09-2007]

Procedure voor de aanvraag en het gebruik van kinderpornografische materiaal voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden [Vervallen per 01-09-2007]

Instellingen die kinderpornografisch materiaal willen gebruiken voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden, richten zich tot de landelijk officier van justitie kinderpornografie bij het Landelijk Parket te Rotterdam. Bij aanvraag wordt aangegeven voor welk doel en voor welke periode de selectie zal worden gebruikt en wie binnen de organisatie bevoegd is de selectie te gebruiken (naam en/of functie). Indien de landelijk officier van justitie aan de hand van door het Landelijk Parket opgestelde criteria tot de conclusie komt dat de aanvraag ingewilligd zal worden, verzoekt zij het KLPD (in overleg met de aanvragende instelling) een selectie kinderpornografische afbeeldingen ter beschikking te stellen. De selectie wordt gezonden aan de landelijk officier van justitie kinderpornografie, die vervolgens zorg draagt voor overdracht aan de aanvrager. Het Landelijk Parket stelt tevens regels voor gebruik en beveiliging op. Deze regels moeten worden nageleefd om vervolging te voorkomen. Deze regels zullen tegelijk met de overdracht van het materiaal aan de instelling bekend worden gemaakt. Instellingen kunnen gecontroleerd worden op niet aangemeld gebruik en/of overtreding van de regels voor gebruik en beveiliging.

De coördinator kinderpornografie van de betreffende politieregio en de zedenaanspreekofficier van justitie in het betreffende arrondissement worden in kennis gesteld van de verleende toestemming aan de instelling voor bezit en gebruik van kinderpornografisch materiaal zonder strafrechtelijke consequenties. Het Landelijk Parket verzorgt de landelijke coördinatie.

Bijlage 4 [Vervallen per 01-09-2007]

Checklist voor kinderporno-onderzoeken [Vervallen per 01-09-2007]

Is er overleg geweest met de landelijke database Kinderporno van het KLPD, groep moord en zeden. ja/nee
   

In de landelijke database Kinderporno zijn ruim 1 miljoen afbeeldingen opgeslagen. Er kunnen relaties worden gelegd tussen nationale en internationale onderzoeken. Tevens is er toegang tot de Interpol database Kinderporno, waarin opgeloste kinderporno is opgeslagen, met een verwijzing naar het land waar het onderzoek heeft plaatsgevonden.

   
Zijn de opnamen te kenmerken als (pre)puberale pornografie (<14 jr) of als postpuberale pornografie (14-18 jr). PreP/PostP
   

De leeftijd kan worden geschat aan de hand van lichaam en geslachtskenmerken (Tannercriteria). Beperking is dat deze kenmerken slechts bruikbaar zijn tot ongeveer 15 jaar.

   
Betreft het bekend of onbekend materiaal. Bek./Onb.
   

Zijn de afbeeldingen reeds bekend en opgeslagen in de landelijke database.

 
   
Betreft het oud, nieuw of recent beeldmateriaal. O/N/R
   

Met oud wordt bedoeld jaren zeventig, recent is van de jaren tachtig tot ongeveer 1996 en nieuw is van 1996 tot heden. Nieuw beeldmateriaal dient onderzocht te worden op de herkomst, de mate van verspreiding en de locatie van internet zoals chatgroepen, communities, enzovoorts.

   
Zijn de slachtoffers en/of daders reeds bekend. SO/dader
   

Het KPLD, groep moord en zeden, heeft kennis van zaken met afbeeldingen die reeds zijn opgelost en waarvan de daders en/of slachtoffers bekend zijn. Naar oud materiaal is het niet zinvol onderzoek te doen naar de identiteit van daders en slachtoffers, bij recent materiaal is dit afhankelijk van het soort afbeeldingen. Met betrekking tot nieuw materiaal is het raadzaam de landelijke database z.s.m. te informeren.

   
Zijn er rechercheerbare elementen zichtbaar op de afbeeldingen. Welke
   

Letten op omgevingskenmerken zoals schilderij, bed, laken, lichten, toetsenborden computer, soort stopcontact, boeken, tijdschriften, natuuromgevingen, inrichting van woningen of vertrekken, merken op apparatuur, enzovoorts.

   
Is bij onderzoeken van computers de digitale expert betrokken en wat is daarvan het resultaat. PV BDE
   

De computer en andere digitale opslagmogelijkheden worden onderzocht door experts. Onderzocht wordt welke middelen en methoden de verdachte heeft gebruikt voor het verkrijgen van de afbeeldingen. Tevens is het van belang te weten of de verdachte deel uitmaakt van een netwerk van verspreiders. Zijn internethandelingen worden onderzocht en bij proces-verbaal vastgelegd.

   
Waaruit bestaat de verzameling kinderpornografie. * Handelingen * Geweld * Poseren * Karakter * Context * Leeftijd
   

Aan de hand van de seksuele handelingen is mogelijk iets te vermelden over de bezitter van de verzameling. Er kan worden vastgesteld welke seksuele voorkeur hij heeft, (jongens/meisjes), lichaamskenmerken (jonge of oudere kinderen), soorten handelingen (mate van geweld, seksueel gedrag, penetratie, seksueel poseren, enzovoorts). Daarbij kan ook in het onderzoek worden betrokken de kans dat de bezitter zich zelf ook aan seksueel misbruik heeft schuldig gemaakt. De context en karakter van de afbeeldingen zijn omschreven in de bijlage.

   
In overleg met het OM wordt bepaald welke aantallen worden beschreven in het proces-verbaal. Overleg ja/nee
   

Landelijk is afgesproken dat geen afbeeldingen bij het proces-verbaal worden gevoegd. In het proces-verbaal worden de afgesproken aantallen afbeeldingen beschreven en de afbeeldingen worden afzonderlijk aan de zaaksofficier van justitie overhandigd. Hiermee wordt voorkomen dat er verdere verspreiding van kinderpornografie plaatsvindt.

   
Is er gebruik gemaakt van de hashcode en wat is daarvan het resultaat. Zijn de onbekende afbeeldingen gecodeerd.  
   

Er is een hashcode tool ontwikkeld en in bezit van de digitale experts. Met behulp van de tool kan worden vastgesteld of er kinderpornografie op harde schijven of andere digitale beelddragers bevinden. Onbekend materiaal wordt met behulp van de Encase software gecodeerd en toegevoegd aan de hashcode database.

Ter toelichting: een ‘hashcode’ is een unieke digitale handtekening van een computerbestand. Met deze handtekening zijn bestanden met elkaar te vergelijken en kunnen identieke bestanden snel worden gedetecteerd.

Bijlage 5 [Vervallen per 01-09-2007]

Adressenlijst [Vervallen per 01-09-2007]

KLPD, groep moord en zeden

contactpersoon dhr. Th. Erents

Postbus 3016

2700 KX ZOETERMEER

Landelijk officier van justitie kinderpornografie mr.

T.H.W. Stein

Landelijk Parket

Postbus 395

3000 AJ ROTTERDAM