Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen[Regeling vervallen per 30-04-2009.]

Geldend van 01-05-2005 t/m 29-04-2009

Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen

Achtergrond [Vervallen per 30-04-2009]

Jaarlijks worden rond de 48.000 misdrijven gepleegd door minderjarigen, waarvan er ongeveer 18.000 worden afgedaan door de HALT-bureaus. De overige ruim 30.000 zaken komen door tussenkomst van de politie bij het openbaar ministerie. Deze Aanwijzing geeft aan, hoe daarmee moet worden omgegaan.

De essentie van een effectief jeugdstrafrecht is dat strafbaar gedrag van jeugdigen wordt tegengegaan door passende interventies. Sancties en maatregelen, die in dat kader worden toegepast, zijn er (in het algemeen) op gericht, een aanmerkelijke recidivereductie te bereiken. Het is dan ook van belang om door middel van wetenschappelijk onderzoek inzicht te verwerven in de effectiviteit ervan. Strafrechtelijk optreden alléén is ontoereikend. Passende interventies kunnen onder omstandigheden ook bestaan in een voorrang voor vrijwillige hulpverlening of civielrechtelijke (beschermings)maatregelen, of in een combinatie van beide. Voor het strafrecht betekent dat doorgaans dat de strafrechtelijke afdoening ‘in de wachtstand wordt geplaatst’, of louter de functie vervult van drukmiddel om te bewerkstelligen dat geboden hulp wordt aanvaard, dan wel dat de jeugdige verdachte zich schikt in een civielrechtelijk kader. Soms ook kunnen een straf- en een civiel traject naast elkaar lopen.1 Afstemming van beide trajecten is in zo’n geval uiteraard wenselijk.

Samenvatting [Vervallen per 30-04-2009]

Deze aanwijzing bevat een regeling voor het effectief afdoen van strafzaken tegen jeugdigen alsmede een model procesbeschrijving.

Overige [Vervallen per 30-04-2009]

1. Passende interventies [Vervallen per 30-04-2009]

Voor een effectieve afdoening van strafzaken tegen minderjarigen is enerzijds van belang de kans dat iemand na één strafbaar feit ophoudt met het plegen van strafbare feiten – die is voor minderjarigen ongunstiger dan voor volwassenen, grofweg 1 op de 2 gaat dóór – en anderzijds de mate waarin de verdachte naar verwachting ontvankelijk zal zijn voor beïnvloeding, verbetering, heropvoeding.

Gegeven de beperking van beschikbare middelen moet een selectie worden gemaakt tussen zaken waarin moet worden geïnvesteerd (leerstraf, intensieve begeleiding, gedragsbeïnvloeding) en zaken waarin kan worden volstaan met een zakelijke afdoening (geldboete, werkstraf, detentie). Van wezenlijk belang is daarbij de informatie waarover men moet beschikken om een dergelijke selectie te kunnen maken. In een substantieel aantal van de gevallen zal met beperkte informatie kunnen worden volstaan.

Straffen en maatregelen zijn pedagogische middelen tot gedragsbeïnvloeding. Naarmate criminaliteit op steeds jongere leeftijd voorkomt, met in toenemende mate gebruik van geweld, is nodig dat de jongere op een zo vroeg mogelijk moment op zijn verantwoordelijkheid wordt aangesproken en wordt gecorrigeerd. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat op de eerste strafbare feiten stevig moet worden gereageerd om te bewerkstellingen dat het criminele pad ook weer snel na het betreden wordt verlaten. Gelet op het doel van de straf zal een dergelijke stevige aanpak niet snel in strijd komen met het proportionaliteitsbeginsel. ‘In proportie’ betekent dan ook mede ‘rekening houdend met wat we met de straf of maatregel beogen’. Het belang van de minderjarige moet in het algemeen niet zo eng worden uitgelegd, dat het zou bestaan in ‘zo min mogelijk straf’; de straf moet functioneel zijn in het kader van het opvoedingsbelang van de minderjarige en, meer in het algemeen, in het streven naar recidivevermindering.

2. Justitieel casusoverleg (JCO) [Vervallen per 30-04-2009]

Een ontwikkeling die een nieuw tijdperk in de jeugdstrafrechtspleging op zaaksniveau inluidt, is de invoering van het justitieel casusoverleg (JCO). Het overleg wordt in beginsel gevoerd tussen vertegenwoordigers van de (primaire) ketenpartners: Politie, OM en Raad voor de Kinderbescherming.2

Het casusoverleg is erop gericht, de kwaliteit van de afdoeningsbeslissing te verbeteren. In het overleg wordt door de ketenpartners relevante informatie bijeengebracht, op grond waarvan door de officier van justitie in het overleg een afdoeningsbeslissing wordt genomen. Het gaat daarbij om lokale achtergrondinformatie van de politie, rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (beschermingsmaatregelen, eerdere bemoeienis met het gezin waartoe de verdachte behoort, informatie uit de casusregie), justitiële gegevens via het OM: documentatie, cliëntvolgsysteem.

Een belangrijke taak van het casusoverleg is voorts het (blijvend) korter maken van de doorlooptijden, en de bewaking daarvan (in het bijzonder in het traject politie/OM). Zie ook onder paragraaf 10.

De regels voor de werkwijze van het JCO zijn opgenomen in paragraaf 9.

3. Arrondissementale platforms jeugdcriminaliteit (APJ) [Vervallen per 30-04-2009]

In elk van de arrondissementen fungeert een Arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ), waarin minimaal zitting hebben het OM (jeugdofficier, voorzitter), de politie (jeugdcoördinator van de politieregio), de Raad voor de Kinderbescherming (teamleider of vestigingsmanager), de jeugdreclassering, de directeur van het regionale HALT-bureau (of een vertegenwoordiger namens méér HALT-bureaus); in een groot aantal APJ’s neemt ook de kinderrechter deel aan het platform, en veelal is ook een in de regio gelegen jeugdinrichting vertegenwoordigd.

Het APJ betreft een overleg tussen de justitiepartners op operationeel niveau. Dat houdt in dat het gaat over samenwerkingsvraagstukken die de uitvoering betreffen, maar het zaaksniveau te boven gaan.

Afstemming over de werkwijze van elke organisatie en de wijze waarop bedrijfsprocessen al dan niet op elkaar aansluiten, capaciteitsproblematiek, bijzondere inzet van capaciteit, toepassing van bijzondere projecten.

Zodra dit overleg uitmondt in te nemen beslissingen die het operationeel niveau te boven gaan, wordt de kwestie voorgelegd aan het Arrondissementaal Justitieel Beraad (AJB)3.

Het APJ is deskundig op het specifieke terrein van jeugdzaken. Het kan besluiten nemen voorzover het niet het beheer raakt van de onderscheiden organisaties. Het APJ is bij uitstek geschikt om landelijk beleid – waaronder nieuwe beleidsnota’s voor de aanpak van jeugdcriminaliteit, toepassing van modellen als casusoverleg, de invoering van het landelijk overdrachtsformulier bij wege van verkort proces-verbaal (LOF) – ingang te doen vinden op arrondissementaal niveau.

4. ‘Voorsorteren’ in de jeugdstrafrechtsketen [Vervallen per 30-04-2009]

De wens, om met passende interventies in te spelen op delinquent gedrag van jongeren, wordt in de procesbeschrijving (bijlage) mede verwerkt door op enkele momenten ‘voor te sorteren’ naar de eerder genoemde factoren evident herhalingsrisico en de beïnvloedbaarheid van de jeugdige verdachte. Die momenten liggen bij achtereenvolgens de politie, in het casusoverleg (JCO) en in een door het JCO geïnitieerd nader onderzoek (in het bijzonder door de Raad voor de Kinderbescherming) naar kansen om de oorzaken van delinquent gedrag weg te nemen.

Is dat herhalingsrisico niet evident aanwezig – en er moet voor worden gewaakt om die evidentie te snel aan te nemen – dan kan veelal worden volstaan met een ‘zakelijke’ afdoening (bij de politie een waarschuwing of een politiesepot, onder meer door een HALT-verwijzing, in het casusoverleg veelal een OM-afdoening in de vorm van een geldboete of een ‘kale’ werkstraf). Datzelfde geldt bij de uitkomst van nader onderzoek, dat geen sprake is van (positieve) beïnvloedbaarheid van de jongere; ook in dat geval is er geen aanleiding te investeren in zware gedragsbeïnvloedende maatregelen of bijzondere, ‘opbouwende’ straffen (bijvoorbeeld in de vorm van gerichte leerstraffen of detentie met een bepaald programma).

Doet zich een evident herhalingsrisico voor bij een verondersteld niet beïnvloedbare jongere, dan wordt volstaan met een interventie, gericht op bescherming van de maatschappij (insluiting, begeleiding en toezicht). Is er geen evident herhalingsrisico, dan is het onderscheid tussen wel of niet beïnvloedbaar uiteraard minder van belang. De vraag of er sprake is van een evident herhalingsrisico, en die naar de al dan niet beïnvloedbaarheid van de verdachte moet worden beantwoord aan de hand van de in het casusoverleg ingebrachte informatie (eerdere afdoeningen, zittingen, rapportages, documentatie; alles eventueel samengebracht in de vorm van een ‘kalender’ of ‘klantenkaart’). Blijkt in het casusoverleg niet van een evident herhalingsrisico, dan kan worden volstaan met een zakelijke OM-afdoening, als een geldboete, een werkstraf, en, na een beslissing tot dagvaarden, een korte vrijheidsstraf. Het accent bij deze afdoening ligt op de snelheid waarmee de interventie volgt op het strafbare feit.

Is er wèl een evident herhalingsrisico, dan wordt nader onderzoek ingesteld naar de kansen om de oorzaken van delinquent gedrag weg te nemen; het accent ligt dan minder op snelheid dan op de passendheid van de interventie. Blijken die kansen er niet te zijn, dan rest een sanctie waarin beveiliging van de maatschappij voorop staat. Zijn die kansen er wèl, dan moeten die zoveel mogelijk worden benut door een sanctie of maatregel aan te bieden, direct toe te snijden op het wegnemen van de oorzaak of oorzaken van delinquent gedrag.

5. Minderjarige veelplegers [Vervallen per 30-04-2009]

Een voorbeeld van kennelijk evident herhalingsgevaar is de (jeugdige) veelpleger.

Als ‘jeugdige veelpleger’ wordt volgens de landelijke definitie beschouwd een jongere in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar, die in zijn gehele criminele verleden (HKS) meer dan 5 processen-verbaal tegen zich opgemaakt ziet, waarvan ten minste 1 in het peiljaar; de gedachte is dat na 5 processen-verbaal zichtbaar is dat een jongere een criminele carrière ontwikkelt.

De (thans in ontwerp zijnde) strategie voor de aanpak van veelplegers houdt in, behalve dat moet worden voorkomen dat jongeren uitgroeien tot veelpleger, het via effectieve sancties stoppen van het veelplegen door jongeren. Die sancties beogen in ieder geval ook het uit de roulatie nemen van (een deel van) de jeugdige veelplegers. Jeugdige veelplegers die aan de hierboven genoemde definitie voldoen, zijn voor ongeveer de helft van het aantal 17 jaar. De sancties voor deze categorie omvatten 36 plaatsen in Den Engh en 14 geoormerkte reguliere plaatsen in opvanginrichtingen. Politieke prioriteit met betrekking tot veelplegers heeft geleid tot het bieden van zogenoemde ‘trekkingsrechten’ – een gegarandeerde aanspraak – op 250 plaatsen in justitiële jeugdinrichtingen (waaronder de genoemde 36 in Den Engh en 14 aan overige opvangplaatsen) ten behoeve van de parketten in de G4-arrondissementen.

Bij de strategie om eerder, of zwaarder, te interveniëren in een criminele carrière blijft als uitgangspunt gelden dat de op te leggen straf steeds in een redelijke verhouding moet staan tot het concrete strafbare feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede tot de persoonlijke omstandigheden; bij veelplegers legt het aantal eerdere veroordelingen echter meer gewicht in de schaal.

6. Wegnemen van oorzaken van delinquent gedrag [Vervallen per 30-04-2009]

Als er slechts één factor is die de oorsprong vormt voor delinquent gedrag, dan moet daarop uiteraard worden ‘ingezoomd’. Is er sprake van een complex aan factoren, bijvoorbeeld ingeval van slechte of zelfs afwezige banden met de samenleving, dan kan een meer algemeen programma volgen gericht op het scheppen van aangepast gedrag en opvattingen.

De toepassing van strafrechtelijke interventies zal in veel gevallen gepaard moeten gaan met maatregelen in de thuissituatie van de jeugdige.

7. Verbaliseringsbeleid [Vervallen per 30-04-2009]

(zie Fig. 3 op blz. 10: Selecteren traject)

7.1. Politiesepot (registratie/waarschuwing) [Vervallen per 30-04-2009]

Strafbare feiten van een bagatelkarakter – minder ernstig dan de HALT-waardige feiten – worden door middel van het politiesepot buiten het justitiële circuit gehouden. Het politiesepot houdt in dat feit en dader worden geregistreerd, en dat er een mondelinge waarschuwing wordt gegeven; daarnaast wordt geen inhoudelijke sanctie toegepast.

Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beslissing om te volstaan met een waarschuwing zijn bijvoorbeeld: zeer jeugdige leeftijd, geestelijke gesteldheid, aard van het gezin, of verdachte naar school gaat, het reeds vergoed zijn van toegebrachte schade. Ter bewaring van het prestige ervan mag maar één keer een waarschuwing worden gegeven.

7.2. Halt-afdoening (inzending lof aan halt-bureau) [Vervallen per 30-04-2009]

De HALT-afdoening is geregeld in art. 77e WvSr, in het Besluit aanwijzing Halt-feiten (laatstelijk in werking getreden per 15 september 2003)4 en de Aanwijzing Halt-afdoening (registratienummer 2004A008, laatstelijk in werking getreden per 1 december 2004). De HALT-feiten worden limitatief opgesomd in het Besluit en in de Aanwijzing. De officier van justitie heeft op basis van art. 2 van het Besluit (en art. 5 van de Aanwijzing) de mogelijkheid, om buiten de aldus genoemde HALT-feiten om, zaken naar HALT te verwijzen. De officier wordt geacht met deze mogelijkheid terughoudend om te gaan; de Aanwijzing verbindt aan de ‘officierstoestemming’ dan ook voorwaarden:

De officier kan de hier bedoelde toestemming verlenen in gevallen waarin het gaat om

  • a. strafbare feiten van geringe ernst

  • b. waarbij de schuldvraag eenvoudig te beantwoorden is, en

  • c. die betrekking hebben op het belangrijkste onderdeel van het strafbare gedrag van de jongere.

In de Aanwijzing is een recidiveregeling na HALT-afdoening opgenomen, die inhoudt dat geen tweede HALT-afdoening toegestaan is voor jeugdigen, tegen wie gedurende 12 maanden voorafgaand aan de pleegdatum van het strafbare feit, een LOF is opgemaakt, waarop een HALT-afdoening, dan wel een strafrechtelijke reactie is gevolgd.

7.3. Inzending LOF (verkort procesverbaal) aan OM (en als melding aan de RvdK) [Vervallen per 30-04-2009]

Buiten de onder 7.1 en 7.2 genoemde gevallen moet steeds een verkort, in rubrieken ingedeeld proces-verbaal, het LOF, worden opgemaakt en ingezonden aan het OM, en als meldingsformulier aan de Raad voor de Kinderbescherming.

LOF’s worden opgemaakt voor zowel zaken die in het JCO worden behandeld, als in geval van voorgeleidingen.

Het JCO is een distributief overleg; dat betekent dat op basis van het LOF in beginsel in het JCO een beslissing moet kunnen worden genomen over een trajectkeuze – wel of niet vervolgen, hulpverlening, nadere informatie inwinnen, beschermingsmaatregelen.

In alle gevallen moet het LOF (al dan niet aangevuld met extra informatie) voldoende zijn voor het nemen van een vervolgingsbeslissing, en voor het uitvoeren van een eenmaal genomen vervolgingsbeslissing. 5

Al naar gelang de ingewikkeldheid van de zaak, of de samenstelling van de dadergroep, worden meer eisen gesteld aan de inhoud van het LOF en de daarbij benodigde extra informatie.

Naar ervaringsregelen kan circa tweederde van de zaken die in het JCO worden gebracht (landelijk gemiddelde) worden afgedaan met een OM-afdoening (transactie ex art. 74, lid 2 onder a. juncto art. 77f, lid 3 WvSr – geldsom – of taakstraf ex art. 77f, lid 1 onder b. WvSr – taakstraf tot ten hoogste 40 uur, volgens het officiersmodel). Het LOF zal in die zaken in beginsel zonder bijlagen kunnen worden aangeleverd.

Om te voorzien in de informatie die – per geval – nodig is voor het nemen van een adequate beslissing, wordt

  • A. in het LOF een korte omschrijving van de toedracht van het strafbare feit opgenomen; en

  • B. de mogelijkheid geboden, bij het ingevulde LOF bijlagen6 te voegen, houdende

    • de aangifte van het strafbare feit

    • de verklaring van de verdachte

    • (evt) verklaringen van medeverdachten

    • (evt) verklaringen van getuigen

    • (evt) proces-verbaal van technisch (in voorkomend geval: laboratorium-)onderzoek en/of

  • C. het Bedrijfsprocessensysteem van de politie voor de andere ketenpartners rechtstreeks (geautomatiseerd) toegankelijk gemaakt, zodat zij zelf hun informatiepositie kunnen aanvullen.

Bedacht moet worden dat daarmee de feitelijke informatiepositie van de ketenpartners steeds ruimer is dan alleen aan het LOF kan worden ontleend, ook al omdat de ketenpartners hun ‘eigen’ informatie in het overleg brengen.

In het JCO zal in een substantieel aantal zaken een beslissing tot dagvaarden worden genomen. In de gevallen waarin een zaak voor de rechter wordt gebracht – dus ook bij voorgeleidingen – moet het LOF steeds worden voorzien van bijlagen. Als er twijfel is over de noodzaak om in een bepaald geval het LOF te completeren met bijlagen, wordt aangeraden overleg met de officier van justitie te voeren.

Bij voorgeleidingen zal het LOF als informatiedrager veelal het karakter hebben van een relaas-proces-verbaal. Bij voorgenomen voorgeleidingen moet steeds worden overlegd met de officier van justitie.

7.4. Minderjarige en meerderjarige verdachten samen [Vervallen per 30-04-2009]

Indien in eenzelfde zaak zowel minderjarigen als meerderjarigen als verdachte zijn aangemerkt, verdient het de voorkeur de minderjarigen steeds bij LOF aan te bieden aan het JCO, onder vermelding welke meerderjarige verdachten bij de zaak betrokken zijn.

8. Landelijk Overdrachts Formulier (LOF) [Vervallen per 30-04-2009]

Het LOF is een standaard formulier, dat de status heeft van een proces-verbaal, en is ingedeeld in vaste rubrieken:

  • persoonsgegevens verdachte;

  • gegevens strafbare feit;

  • korte toedracht van het strafbare feit;

  • toepassing dwangmiddelen, inverzekeringstelling;

  • datum eerste verhoor (van belang voor doorlooptijden, redelijke termijn);

  • bewijsmiddelen ;

  • antecedenten (politiesystemen, eerder HALT, eerder proces-verbaal): HKS, CVS-jc, Aurah, KIS lopende ITB;

  • overdracht aan ouders/voogd;

  • gegevens over schade of letsel;

  • inbeslaggenomen voorwerpen, afstand;

  • signalering risicofactoren;

  • beslissing JCO.

De aan te kruisen risicofactoren in het LOF, zoals verontrustende persoonlijke omstandigheden (gaat niet naar school, heeft geen werk/baantje, moeizaam gezinsverband of onvoldoende gezagspostitie van de ouders, geen vaste woonplaats/zwerfgedrag, omgang met criminele kennissen, middelengebruik – alcohol, blowen, harddrugs- of gokgedrag) vergen geen nader onderzoek van de politie. Het zijn richtinggevende factoren die in het JCO aanleiding kunnen zijn, naast andere informatie, om nader onderzoek te laten instellen. In dat opzicht draagt kennis over de risicofactoren bij tot het nemen van de meest passende afdoeningsbeslissing.

Andere factoren die onveranderlijk moeten leiden tot het opmaken en inzenden van een LOF aan het JCO – ook ingeval van zaken of omstandigheden waaraan strict juridisch geen vervolg kan worden gegeven – zijn:

  • professionele of geraffineerde werkwijze bij het uitvoeren van strafbare feiten;

  • aard of aantal van de gepleegde strafbare feiten (veelplegerkwalificaties kunnen onder omstandigheden ook worden afgeleid van ‘zachte’ informatie;

  • ernstige maatschappelijke verontrusting of overlast tengevolge van het feit, of van aanmerkelijke schade of letsel bij benadeelden;

  • na inverzekeringstelling;

  • indien verdachte (of diens ouders bij minderjarigen beneden 16 jaar) geen afstand doet van inbeslaggenomen voorwerpen;

  • ingeval van strafbare feiten, gepleegd tegen de achtergrond van omstandigheden die op zich aanleiding kunnen geven tot kinderbeschermingsmaatregelen.

Het LOF is naast proces-verbaal voor het casusoverleg, tevens verwijzingsformulier voor een HALT-afdoening en meldingsformulier aan de Raad voor de Kinderbescherming (zie fig. 2).

9. Protocol Justitieel Casusoverleg (JCO) [Vervallen per 30-04-2009]

voeding van het JCO

9.1 intake vindt plaats met behulp van het LOF; de politie registreert elk LOF dat in het casusoverleg wordt ingebracht in de fase vóór de Compasregistratie;

9.2 het LOF wordt ingevuld en ingezonden door de behandelende politiefuntionaris;

9.3 het LOF wordt door de politie ingezonden – bij voorkeur digitaal – aan het parket en aan de Raad voor de Kinderbescherming, en eventueel aan andere deelnemende partners, zodanig, dat het LOF binnen 7 (kalender-) dagen na het eerste verhoor door de JCO-partners wordt ontvangen;

9.4 zaken die ten opzichte van het eerste verhoor ouder zijn dan 3 maanden, worden niet meer door het parket in behandeling genomen, anders dan na uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie

ten behoeve van de beoordeling

9.5 iedere jeugdzaak, niet zijnde een HALT-feit, wordt bij LOF ingezonden aan de deelnemers aan het casusoverleg;

9.6 twee categorieën zaken passeren het JCO: de te bespreken zaken (i) en de ter kennis te brengen zaken, die geen bespreking behoeven (ii); categorie (ii) wordt slechts geagendeerd;

9.7 ook voorgeleidingszaken worden besproken in het JCO; de uitkomsten van die bespreking worden desgewenst ingebracht in het voorlopige hechteniscircuit (bijvoorbeeld ter gelegenheid van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis);

9.8 HALT-afdoeningen worden slechts in het JCO bekend gemaakt voor completering van de informatie over een jongere; zij worden niet in het JCO besproken;

9.9 mislukte HALT-afdoeningen worden in het JCO besproken (oorzaak mislukking; alternatief, taakstraf of dagvaarding); het oorspronkelijke (HALT-)LOF is, met de aanduiding ‘mislukte HALT-zaak’ de informatiedrager voor het JCO;

9.10 mislukte taakstraffen worden in het JCO besproken (oorzaak mislukking; dagvaarding);

9.11 bij mislukte HALT-zaken of mislukte taakstraffen wordt in het JCO in beginsel geen herkansing geboden; uitgangspunt is dat bij het HALT-bureau respectievelijk de Raad voor de Kinderbescherming in de interne procedure reeds (al dan niet met een gele en rode kaartenwerkwijze) herkansingen zijn geboden;

9.12 12-minners met een problematische achtergrond, die zware strafbare feiten plegen – dus níet de STOP-klanten – worden aan het JCO gemeld; zie ook de Aanwijzing 12-minners (2004A14);

9.13 iedere zaak wordt voorafgaand aan de behandeling in het JCO door of vanwege het OM voorzien van een ‘voorgenomen afdoeningsbeslissing’; deze beslissing kan bij de bespreking in het JCO worden gewijzigd op basis van de voorhanden zijnde gegevens, dan wel worden bevestigd; de afdoeningsbeslissing door de officier van justitie kan voor een termijn van ten hoogste 6 weken worden aangehouden voor nadere (basis)rapportage of nader proces-verbaal;

9.14 van de gevraagde rapportage wordt aangegeven op welke termijn deze gereed moet zijn, op welke datum de zaak opnieuw in het JCO wordt gebracht;

informatie ten behoeve van de afdoeningsbeslissing

9.15 de informatie die in het JCO wordt ingebracht kan bestaan in

  • d. de delictsinformatie in het LOF (politieregistraties, mutaties, sepots)

  • e. informatie uit de dossiers van de RvdK (rapportages straf/civiel, beschermingsmaatregelen)

  • f. justitiële documentatie (straflijst, CVS-JC, JCO-supportsysteem)

9.16 nader in te winnen informatie:

  • niet: indien sprake is van een licht strafbaar feit en geen zorgelijke omstandigheden a priori;

  • snel opvraagbare informatie: ingeval van strafbare feiten van relatieve ernst, of wanneer de beschikbare informatie aanleiding geeft tot nazoeken;

  • volledig basisonderzoek door de RvdK (BARO): indien sprake is van een ernstig strafbaar feit of bij gebleken zorgelijke omstandigheden;

9.17 de keuze voor mindere of meerdere rapportage van de RvdK zal eerder worden ingegeven door de uitkomst van een taxatie van zorgelijke omstandigheden (risicofactoren: eerdere politie- of justitiecontacten, justitiële documentatie, middelengebruik, strafbare feiten op jonge leeftijd, spijbelgedrag, slechte schoolresultaten, delinquente vrienden, leeftijdgenoten of familieleden, agressieproblematiek) dan door de aard van het strafbare feit alleen;

9.18 ingeval van gewenste nadere rapportage door (tussenkomst van) de RvdK wordt op de uitkomst ervan gewacht met het nemen van een afdoeningsbeslissing;

beslissingen in het JCO

9.19 de afdoeningsbeslissing wordt genomen in het casusoverleg, maar door de officier;

9.20 de bedoeling is dat het merendeel van de te bespreken zaken tot een OM-afdoening zal leiden; er wordt naar gestreefd, de categorie ‘loopzaken’ – te dagvaarden zaken zonder voorlopige hechtenis – zoveel mogelijk te beperken;

9.21 indien in het casusoverleg besloten wordt tot dagvaarding, wordt ter plaatse (of direct erop volgend) een zittingsdatum vastgesteld op een termijn van ten hoogste 4 maanden, opdat de doorlooptijd onder controle kan worden gehouden, en wordt een dagvaarding aangemaakt tegen die zitting (met oproeping van ouders, indien van toepassing). Ter gelegenheid van het ‘onderhoud ten parkette’ (OTP, zie paragraaf 9.22 e.v.) wordt zo mogelijk de dagvaarding in persoon aan de verdachte uitgereikt;

onderhoud ten parkette (OTP)

9.22 na de beslissing in het JCO wordt een onderhoud ten parkette gehouden, waarvoor verdachte en advocaat7 worden uitgenodigd; bij die gelegenheid wordt in geval van een officiersmodel taakstraf (transactie) besproken of een taakstraf kans van slagen heeft; de advocaat voert verdediging (wel of geen bewijs, hoogte transactievoorstel);

9.23 voor een schikkingsvoorstel met geldboete behoeft géén OTP te worden gehouden;

9.24 indien bij het OTP geen overeenstemming wordt bereikt over taakstraf, wordt er in beginsel gedagvaard;

procesbewaking (OM)

9.25 in het JCO worden de termijnen van inzending LOF en behandeling/(nadere) rapportage, informatie-inwinning/afdoeningsbeslissing (zie doorlooptijden paragraaf 10) bewaakt door het OM, ondersteund door een geautomatiseerd systeem (JCO-supportsysteem, of een casusoverleg-ondersteunend systeem);

individuele casusregie (RvdK)

9.26 De Raad voor de Kinderbescherming ziet onder de noemer van casusregie toe op het verloop van de individuele casus in de jeugdstrafrechtsketen; het doel ervan is zodanig de inhoudelijke samenhang te bevorderen tussen de (effecten van) verschillende activiteiten van de ketenpartners, dat zij gezamenlijk komen tot een adequate reactie op strafbaar gedrag van de jeugdige. Het traject van de casusregie strekt zich uit vanaf de melding aan de Raad door middel van het LOF, tot en met de nazorg;

9.27 Kernactiviteiten in het kader van casusregie zijn informeren (informatie geven aan en krijgen van bij de individuele casus betrokken ketenpartners), bewaken (van afspraken van ketenpartners) en afstemmen van de op de individuele jeugdige gerichte activiteiten, ook ten aanzien van de samenhang tussen eerdere strafrechtelijke afdoening en toekomstige activiteiten, dan wel ten aanzien van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdhulpverlening.

De drie kernactiviteiten zijn verwerkt in deelprocessen binnen de casusregie, zoals het casusoverleg, zittingvertegenwoordiging, de vraagbaakfunctie, regie bij de maatregel Hulp en Steun en ITB, bij detentie/PIJ, bij scholings- en trainingsprogramma’s (STP)/proefverlof en bij nazorg. De casusregie omvat een signaleringsfunctie, die betrekking heeft op al het voorgaande.

9.28 Indien in het JCO tot de conclusie wordt gekomen dat hulpverlening moet worden geïnitieerd, of dat een jeugdreclasseringstraject moet worden ingegaan, rekent de Raad voor de Kinderbescherming het tot zijn taak de verwijzing naar het Bureau Jeugdzorg te regelen.

vrijwillige hulpverlening (Bureau Jeugdzorg)

9.29 Het Bureau Jeugdzorg verzorgt de vrijwillige hulpverlening.

9.30 Het is de verantwoordelijkheid van het Bureau Jeugdzorg om, in het geval dat een vrijwillige hulpverlening niet tot stand komt, daarover een melding te doen aan de Raad voor de Kinderbescherming.

10. Normering doorlooptijden [Vervallen per 30-04-2009]

Voor de onderscheiden trajecten in de jeugdstrafrechtsketen gelden de volgende doorlooptijd-normen8:

Politie/HALT

10.1 Tussen eerste verhoor door de politie en de ontvangst van de HALT-verwijzing (LOF) door het HALT-bureau geldt een maximale termijn van 7 dagen; de oorspronkelijke norm is 5 dagen; met de invoering van het LOF is de verwijzingstermijn voor HALT gelijkgetrokken met de inzending van het LOF aan het JCO. De kwetsbaarheid van de korte termijn voor de invloed van een weekend is daarmee tevens geneutraliseerd.

10.2 Het HALT-traject tussen eerste verhoor en het daadwerkelijke begin van de werkzaamheden bedraagt ten hoogste 2 maanden;

Politie

10.3 Tussen eerste verhoor en ontvangst van het proces-verbaal op het parket geldt een maximale termijn van 1 maand *

(* Voor het inzenden van het LOF aan het casusoverleg geldt een termijn van ten hoogste 7 dagen na het eerste verhoor; voor het bijvoegen van aangiften, verklaringen e.d. kan het nodig zijn een ruimere termijn te nemen, zolang de totale termijn niet de maximale termijn van 1 maand overschrijdt. Een dergelijke termijn wordt afgesproken in het JCO. Zolang het LOF niet gecompleteerd is, loopt de doorlooptijd van de politie dóór)

OM

10.4 Tussen eerste verhoor en afdoeningsbeslissing door het OM geldt een maximale duur van 3 maanden; strict genomen geldt deze termijn alleen voor zaken waarin het OM de afdoeningsbelissing neemt; er is echter geen reden om aan te nemen dat voor een beslissing tot dagvaarding een langere termijn zou gelden;

RvdK

10.5 In de onder 10.4 genoemde periode – 3 maanden na eerste verhoor – moet ook de Raad zijn onderzoek- en adviestaak vervuld hebben;

ZM

10.6 Tussen eerste verhoor en vonnis (eerste aanleg) geldt een termijn van ten hoogste 6 maanden;

Executie

10.7 Tussen onherroepelijk vonnis (geldboete, taakstraf, detentie of PIJ-maatregel) en (begin van) de tenuitvoerlegging geldt een termijn van ten hoogste 1 maand.

Overgangsrecht [Vervallen per 30-04-2009]

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de dag van inwerkingtreding.

Modelprocesbeschrijving jeugdstrafzaken [Vervallen per 30-04-2009]

Datum: 16-9-2004

Naam: Modelprocesbeschrijving jeugdstrafzaken

Versie: 1.0 (EK 04-017)

Status: Definitief

1. Modelprocesbeschrijving jeugdstrafzaken [Vervallen per 30-04-2009]

Inleiding:

In dit stuk vindt u de modelprocesbeschrijving jeugdstrafzaken vanaf de selectie van de te volgen weg tot en met de uitvoering van de beslissing. De essentie van een efficiënt jeugdstrafrecht is dat strafbaar gedrag van jeugdigen wordt tegengegaan door passende interventies, met gebruikmaking van sancties en maatregelen waarvan het nut is vastgesteld en waardoor een aanmerkelijke recidivereductie wordt bereikt.

Omschrijving proces

De zaken worden ingedeeld in 4 hoofdcategorieën: het politiesepot (waarschuwing), de verwijzing naar Halt, behandeling in het Justitieel Casusoverleg (JCO) en de categorie waarbij voorlopige hechtenis wordt toegepast.

De Modelprocesbeschrijving Jeugdstrafzaken kent de volgende subprocessen:

  • Selecteren traject

  • Waarschuwing/Politiesepot

  • Haltverwijzing

  • Inzending LOF aan JCO

  • Voorgeleiden

  • Haltbureau: uitvoering Halt-zaken

  • RvdK: uitvoering taakstraf

  • CJIB: inning geldboete

  • DJI: jeugddetentie

1.1. Selecteren traject [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: politie/Hulpofficier van Justitie

Versie: 1

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving van het proces:

Het traject binnen de strafrechtsketen wordt grotendeels in de voorfase bepaald.

Op basis van een taxatie van de verdachte en/of delict bepaalt de beoordelaar (politie, of bijzondere opsporingsambtenaar, waar nodig in samenspraak met de Officier van Justitie) welk traject de minderjarige zal doorlopen.

Bijlage 242013.png

1.1.1. Registratie minderjarige verdachte [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Minderjarige verdachte van delict.

Activiteit:

De politie neemt de zaak van de minderjarige verdachte in behandeling.

De politie registreert de gegevens van de minderjarige welke wordt verdacht van het plegen van een delict.

Output:

Geregistreerde minderjarige verdacht van delict.

1.1.2. Eerste selectie: politiesepot? [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Minderjarige verdachte van delict.

Activiteit:

Het eerste voorsorteertraject van het strafbare feit wordt door de politie uitgevoerd. Dit vindt plaats op basis van een aantal richtlijnen waaronder de ’Aanwijzing effectieve afdoening van strafzaken tegen jeugdigen’ en ’Aanwijzing Haltafdoening’; factoren als de technische vervolgbaarheid en evident herhalingsgevaar kunnen daarbij een rol spelen.

Zonodig wordt contact opgenomen met de Officier van Justitie. Dit kan leiden tot een van de volgende activiteiten:

  • 1. Waarschuwing/Politiesepot;

  • 2. Haltverwijzing (inzenden LOF aan Haltbureau, Haltbureau: uitvoering Halt-zaken);

  • 3. Inzending LOF aan JCO; en

  • 4. Voorgeleiden bij Officier van Justitie/Kinderrechter/RC.

    Output:

    Geselecteerd traject.

1.1.3. Inzetten politiesepot [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Politiesepot traject.

Activiteit:

Indien een strafbaar feit niet ter kennis van het OM wordt gebracht, kan worden overgegaan tot het vervolg traject ’Waarschuwing/Politiesepot’. In beginsel gaat het daarbij om bagatelzaken. Na registratie van het politiesepot eindigt het proces politiesepot.

Output:

Politiesepot.

1.1.4. Tweede selectie: Haltwaardige zaak? [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Minderjarige verdachte van delict.

Activiteit:

Indien niet kan worden overgegaan tot politiesepot zal worden bekeken of sprake is van een Haltwaardige zaak. Dit vindt plaats op basis van de al eerder genoemde richtlijnen waar onder de ’Aanwijzing effectieve afdoening van strafzaken tegen jeugdigen’ en ’Aanwijzing Haltafdoening’;

factoren als de technische vervolgbaarheid en evident herhalingsgevaar kunnen daarbij een rol spelen.

Zonodig wordt contact opgenomen met de Officier van Justitie.

Output:

Geselecteerd traject.

1.1.5. Inzetten traject Haltbureau [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Halt-zaak.

Activiteit:

Indien een strafbaar feit niet ter kennis van het OM wordt gebracht, kan worden overgegaan tot het vervolgtraject ’Haltbureau: uitvoering Haltzaken’ ook wel inzenden LOF aan Haltbureau genoemd, ex art 77e WvSr (aan de hand van het Halt-Besluit en de Aanwijzing Haltafdoening). De politie verwijst rechtstreeks naar het Haltbureau. De toestemming van de officier van justitie ingevolge de Aanwijzing (art 77e, 3e lid WvSr) wordt bij voorbaat verondersteld; de aanwijzing van opsporingsambtenaren door de officier (art 77e, 1e lid WvSr) is generiek.

Voor een verwijzing naar Halt wordt gebruikt gemaakt van het zogenoemde Landelijk Overdrachts Formulier (LOF). Het formulier wordt ingevuld door de behandelend politiefunctionaris.

Output:

Beslissing naar Haltbureau te verwijzen.

1.1.6. Opstellen LOF t.b.v. Haltbureau [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Beslissing naar Haltbureau te verwijzen.

Activiteit:

Voor een verwijzing naar Halt wordt gebruikt gemaakt van het zogenoemde Landelijk Overdrachts Formulier (LOF). Het formulier wordt ingevuld door de behandelend politiefunctionaris.

Activiteit:

Voor inzending aan het Haltbureau wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Overdrachts Formulier (LOF) als proces-verbaal. Het LOF wordt ingevuld door de behandelend politiefunctionaris.

Van het LOF maken in voorkomend geval deel uit (als bijlagen):

  • aangifte;

  • verklaring van de verdachte;

  • (eventueel) verklaring van getuige(n); en

  • (voorzover van belang) technisch bewijs.

Output:

Opgesteld LOF als verwijzingsformulier Halt.

1.1.7. Versturen LOF naar Haltbureau [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Opgesteld LOF

Activiteit:

De behandelend politiefunctionaris zorgt dat het LOF binnen 7 (kalender) dagen, na het eerste verhoor, in het bezit is van het Haltbureau, zie activiteit ’Inzending LOF aan Haltbureau’.

Output:

Verstuurd LOF naar Haltbureau.

1.1.8. Derde selectie: JCO of voorgeleiding? [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Minderjarige verdachte van delict.

Activiteit:

Indien geen verwijzing plaats vindt naar Haltbureau zal worden overgegaan tot een vervolgingsbeslissing. Dit vindt plaats op basis van de al eerder genoemde richtlijnen waaronder de ‘Aanwijzing effectieve afdoening van strafzaken tegen jeugdigen’ en ‘Aanwijzing Haltafdoening’; factoren als de technische vervolgbaarheid en evident herhalingsgevaar kunnen daarbij een rol spelen. Zonodig wordt contact opgenomen met de Officier van Justitie.

Bij de keuze voor vervolging door het OM zijn twee trajecten mogelijk:

  • 1. Inzending LOF aan JCO (contact tussen politie en OM is in het algemeen niet noodzakelijk); of

  • 2. Voorgeleiden bij de Officier van Justitie (die vervolgens beslist of de verdachte zal worden voorgeleid bij de Kinderrechter/RC). Voor een voorgeleiding bij de Officier van Justitie c.q. de RC vindt steeds overleg van de politie met de Officier van Justitie plaats.

Welk traject gekozen wordt is afhankelijk van:

  • ernst en frequentie van het gepleegde strafbare feit;

  • aangenomen recidivegevaar (documentatie)

  • wel of geen vaste woon- of verblijfplaats van de verdachte;

  • gevallen waarin en gronden voor voorlopige hechtenis (art. 67 en 67a WvSv);

  • verbaliseringsrichtlijn (opgenomen in de Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken tegen jeugdigen).

Output:

Wel of niet voorgeleiden.

1.1.9. Opstellen LOF (ten behoeve van het JCO) [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Gegevens over het gepleegde strafbare feit en persoonlijke gegevens van de verdachte.

Activiteit:

Voor inzending aan het JCO wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Overdrachts Formulier (LOF). In de zaken die naar verwachting met een OM-transactie kunnen worden afgedaan – naar ervaringsregelen circa 2/3 van het aantal zaken dat in het JCO wordt gebracht – zal het LOF in beginsel zonder bijlagen kunnen worden aangeleverd. In geval – naar het oordeel van de officier van justitie dat nodig is voor het nemen van de vervolgingsbeslissing, maken de hieronder genoemde bijlagen deel uit van het LOF

Waar het Bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS) voor andere ketenpartners (in het bijzonder het OM) rechtstreeks (geautomatiseerd) toegankelijk is gemaakt, kunnen zij zelf in de extra informatiebehoefte voorzien. De feitelijke informatiepositie van de ketenpartners op het JCO is steeds ruimer dan kan worden ontleend aan het LOF, omdat zij in ieder geval beschikken over de ‘eigen’ informatie.

:

  • aangifte;

  • verklaring van de verdachte;

  • (eventueel) verklaringen van medeverdachten;

  • (eventueel) verklaringen van getuige(n); en

  • (eventueel) proces-verbaal van technisch onderzoek.

Het LOF wordt ingevuld door de behandelend politiefunctionaris.

Output:

Ingevuld LOF.

1.1.10. Inzenden LOF aan JCO [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Opgesteld LOF.

Activiteit:

De behandelend politiefunctionaris zorgt dat het LOF binnen 7 (kalender)dagen, na het eerste verhoor, in het bezit is van het JCO.

Voor inzending van het LOF aan het JCO wordt de 7-dagentermijn gehanteerd. Indien de beoordeling in het JCO ertoe leidt dat de politie wordt gevraagd om aanvulling van het LOF, wordt daaraan een zodanige termijn verbonden dat inzending van de aanvulling plaatsvindt binnen de norm van 30 dagen na eerste verhoor. Inzending aan het JCO impliceert afzonderlijke toezending van het LOF aan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).

NB: de politie registreert elk LOF dat in het casusoverleg wordt gebracht (ten behoeve van de procesbewaking in de fase vóór de Compasregistratie).

Output:

Ingezonden LOF.

1.1.11. Opstellen LOF (t.b.v. voorgeleiding Officier van Justitie) [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Gegevens over het gepleegde strafbare feit en de persoonlijke gegevens van de verdachte.

Activiteit:

Voor inzending aan het OM wordt (ook ten behoeve van voorgeleiding bij de Officier van Justitie) gebruik gemaakt van het Landelijk Overdrachts Formulier (LOF) als proces-verbaal. Het LOF wordt ingevuld door de behandelend politiefunctionaris. Van het LOF maken in dat geval steeds deel uit:

  • relaasverbaal

  • aangifte(n)

  • verklaring van verdachte

  • (eventueel) verklaring van getuige(n)

  • (eventueel) technisch bewijs

Output:

Opgesteld LOF (met bijlagen)

1.1.12. Inzenden LOF aan OM (t.b.v. voorgeleiding Officier van Justitie) [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Opgesteld LOF met het voorstel aan de Officier van Justitie tot voorgeleiding.

Activiteit:

De behandelend politiefunctionaris zorgt dat het LOF:

  • onverwijld wordt aangereikt aan de Officier van Justitie ten behoeve van de voorgeleiding (in het algemeen opdezelfde dag); en

  • binnen 7 (kalender)dagen, na het eerste verhoor, in het bezit is van het JCO.

  • onverwijld wordt verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming met het oog op de vroeghulp(rapportage)

Inzending aan het JCO impliceert afzonderlijke toezending van het LOF aan de Raad voor de Kinderbescherming.

NB:

De politie registreert elk LOF dat in het casusoverleg wordt gebracht (ten behoeve van de procesbewaking in de fase vóór de Compasregistratie).

Output:

Ingezonden LOF (met bijlagen) als proces-verbaal ten behoeve van de voorgeleiding bij de Officier van Justitie.

1.2. Waarschuwing/ politiesepot [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: Politie

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving van het proces:

Bij een waarschuwing/ politiesepot gaat het in beginsel om bagatelzaken, anders dan Haltwaardige zaken. In het geval van een politiesepot eindigt, nadat per verdachte een registratie heeft plaatsgevonden, de afhandeling bij de politie.

1.3. Haltverwijzing [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: politie

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving van het proces: Haltverwijzing, ex art 77e WvSr, uitgewerkt in het Besluit Aanwijzing Halt-feiten (van 25 augustus 2003, inwerkinggetreden op 15 september 2003) en de Aanwijzing Haltafdoening (van het College van procureurs-generaal). De politie verwijst rechtstreeks naar het Halt-bureau. De toestemming van de officier van justitie wordt ingevolge de Aanwijzing (art 77e, 3e lid WvSr) bij voorbaat verondersteld; de aanwijzing van opsporingsambtenaren door de officier (art 77e, 1e lid WvSr) is generiek.

Voor een verwijzing naar Halt wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Overdrachts Formulier (LOF). Dit LOF dient binnen 7 (kalenderdagen) dagen na het eerste verhoor door het Haltbureau te zijn ontvangen.

NB:

Voor een verdere uitwerking van de Halt-procedure zie ‘Haltbureau: uitvoering Halt-zaken’.

Bijlage 242014.png

1.3.1. Inzending LOF aan Haltbureau [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

LOF.

Activiteit:

De Politie verstuurt het LOF naar het Haltbureau. Het Halt-proces gaat verder bij ’Intake LOF’.

Output:

Verzonden LOF.

1.3.2. Versturen mislukte Halt-zaken naar JCO [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Maandrapportage van Haltbureau.

Activiteit:

Haltbureau rapporteert aan de Politie over mislukte Halt-zaken. De politie verstuurt de mislukte Halt-zaken naar het JCO.

Output:

Mislukte Halt-zaken voor bespreking in het JCO. Het proces gaat vervolgens verder bij ’Registreren ingezonden LOF’.

1.4. Inzending LOF aan JCO [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: politie

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Doelstelling casusoverleg:

  • 1. Het Justitieel Casus Overleg (JCO)-Jeugd, heeft een tweeledig doel. Allereerst verkorting van de doorlooptijden (in het bijzonder in het traject politie/OM), en de bewaking daarvan.

  • 2. Het tweede doel is een kwalitatieve verbetering van de afdoeningsbeslissing, doordat in het casusoverleg door de voornaamste ketenpartners relevante informatie wordt bijeengebracht en op elkaar wordt afgestemd, op grond waarvan door de officier een afdoeningsbeslissing wordt genomen; het gaat daarbij om (lokale) achtergrondinformatie van de politie, rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, justitiële gegevens (via OM), cliëntvolgsysteem jeugdcriminaliteit. De mogelijkheid bestaat dat een aanvullend onderzoek (kort of uitgebreid) moet worden uitgevoerd, door de RvdK, om een gefundeerde afdoeningsbeslissing te kunnen nemen.

    De beslissing om dit onderzoek uit te voeren wordt genomen in het JCO.

    Samenstelling:

    Het casusoverleg wordt in beginsel gevormd door de primaire ketenpartners politie (veelal een jeugdcoördinator), OM (jeugdofficier of gemandateerde parketsecretaris) en de RvdK (vertegenwoordiger van een vestigingsmanager, veelal een casusregisseur).

    Bijlage 242016.png

1.4.1. Registreren ingezonden LOF [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

  • LOF afkomstig van ’Inzenden LOF aan JCO’.

  • LOF mislukte Halt-zaken.

Activiteit:

Het OM draagt zorg voor de registratie van het LOF in het registratiesysteem, het zogenoemde JCO-supportsysteem. De registratie biedt de basis voor verdere termijnbewaking.

Output:

Geregistreerd LOF.

1.4.2. Administratieve controle LOF [Vervallen per 30-04-2009]

Input: Geregistreerd LOF.

Activiteit:

  • 1. Het OM bepaalt of het ontvangen LOF niet van een zaak is die (ten opzichte van het moment van eerste verhoor) ouder is dan 3 maanden. Deze zaken worden niet meer door het parket in behandeling genomen, anders dan na uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie.

  • 2. Het casusoverleg wordt gevoed door middel van het LOF, een landelijk standaardformulier, dat de status heeft van een proces-verbaal. Bij het LOF kunnen de aangifte, verklaring verdachte en getuigenverklaring standaard als bijlage worden toegevoegd.

  • 3. Indien nodig wordt aanvullende informatie opgevraagd door de beoordelaar, zoals aanvullende processenverbaal of justitiële documentatie.

NB:

Indien het JCO constateert dat het ingezonden LOF niet voldoet aan de gestelde criteria wordt het geretourneerd aan de politie, met het verzoek om de ontbrekende gegevens te completeren en het LOF zo spoedig mogelijk weer in te zenden.

Output:

Geregistreerd LOF.

1.4.3. Behandelen zaak in JCO [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

In JCO te behandelen zaak (in de vorm van een LOF)

Activiteit:

Het JCO wordt in beginsel gehouden met een minimale frequentie van één keer per twee weken. In het JCO worden de volgende zaken besproken.

  • 1. Iedere jeugdzaak, niet zijnde een Halt-verwijzing, wordt ingezonden aan de deelnemers van het casusoverleg.

  • 2. Alle voorgeleidingszaken worden tevens in het JCO besproken. Als daartoe aanleiding wordt gevonden, wordt de in het JCO vergaarde informatie over delict (d), de omstandigheden waaronder het is begaan (o) en persoonlijke omstandigheden van de dader (p), tezamen wel aangeduid als de dop-criteria ingebracht in het traject van de voorlopige hechtenis. Zie activiteit ’Inbreng DOP-informatie in voorlopige hechtenis’.

  • 3. Naast zaken waarop een strafrechtelijke reactie moet volgen, worden ook zaken ingebracht, die voor een goede beoordeling van een in gang zijnde ontwikkeling van een jongere nuttig of nodig zijn, zoals:

    • de afloop van al dan niet verrichte taakstraffen,

    • de zorgelijke (gezins-)achtergrond van een jongere of een zich ontwikkelende criminele carrière. Met name de ’jeugdige veelpleger’ en 12-minners met een problematische achtergrond.

  • 4. Besluit tot eventueel extra onderzoek (kort of uitgebreid) door de Raad voor de Kinderbescherming dan wel door de politie.

Output:

In JCO behandelde zaak; het vervolgtraject is steeds een vervolgingsbeslissing door het OM.

1.4.4. Voldoende informatie? [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Geregistreerd LOF.

Activiteit:

Is voor de behandeling van het LOF in het JCO voldoende informatie beschikbaar?

Output:

In JCO te behandelen zaak

1.4.5. Uitvoeren nader onderzoek politie/RvdK [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Geregistreerd LOF.

Activiteit:

Indien onvoldoende informatie beschikbaar is kan de politie en/of de RvdK op verzoek van het JCO een aanvullend onderzoek uitvoeren (kort of uitgebreid).

Output:

Onderzoek politie/RvdK.

1.4.6. OM afdoening? [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

  • In JCO behandelde zaak;

  • (eventueel extra Raadsonderzoek)

Activiteit:

De afdoeningsbeslissing wordt in het JCO op basis van de door de ketenpartners aangeleverde gegevens genomen door de Officier van Justitie. Dit heeft geen betrekking op eerder besproken 12-minners.

Afhankelijk van de voorsortering naar profiel van de verdachte (evident herhalingsgevaar en/of beïnvloedbaarheid) kan de keuze van de procesgang variëren:

  • taakstraftransactie schriftelijk, indien geen herhalingsgevaar, geen zorgpunten;

  • taakstraftransactie in persoon (Onderhoud ten parkette, OTP), indien mogelijk herhalingsgevaar, enige zorgindicatie

  • transactie in de vorm van een geldboete bij geen herhalingsgevaar, geen zorg;

  • schadebemiddelingstraject kan worden toegevoegd als bijzondere voorwaarde bij transactievarianten.

Output:

  • OM-afdoeningsbeslissing;

  • dagvaarding.

1.4.7. Dagvaarding Kinderrechter [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

In JCO behandelde zaak.

Activiteit:

  • Indien in het casusoverleg wordt besloten tot dagvaarding, wordt ter plaatse een zittingsdatum op een termijn van ten hoogste 4 maanden vastgesteld, opdat de doorlooptijd onder controle kan worden gehouden. Tevens wordt een dagvaarding aangemaakt (met oproeping van ouders, indien van toepassing). Zie ook de procedure ’Dagvaarding’;

  • Voor zaken waarin de beslissing ‘dagvaarden’ is genomen, worden in het casusoverleg afspraken gemaakt (en vastgelegd):

  • met de politie worden afspraken gemaakt over de termijn waarbinnen een eventueel aanvullend proces-verbaal wordt ontvangen;

  • met de Raad voor de Kinderbescherming worden afspraken gemaakt over de termijn waarbinnen de rapportage wordt ontvangen (dit geldt niet alleen bij dagvaardingen).

Output:

Vastgelegde zittingsdatum

Kinderrechter of Meervoudige Kamer.

1.4.8. Onderhoud ten parkette (OTP) [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

OM-afdoening.

Activiteit:

Na de beslissing tot OM-afdoening in het JCO, wordt in beginsel steeds een ’Onderhoud ten Parkette’ (OTP) gearrangeerd. De bedoeling is dat de verdachte aanwezig is, en, ingeval van een transactie van meer dan € 115 of meer dan 20 uur taakstraf (art. 489, lid 1 Sv, onder a. en b.), ook diens advocaat. Bezwaren van de verdediging tegen een OM-afdoening kunnen in het JCO worden ingebracht. In het JCO vindt tevens een meer indringende toets plaats of er van de OM-afdoening (taakstraf) resultaat valt te verwachten.

Output:

De vervolgtrajecten kunnen zijn:

  • Dagvaarding Kinderrechter

  • RvdK: uitvoering taakstraf

  • CJIB: inning geldboete

1.5. Voorgeleiden [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar:

OM Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving van het proces:

Beoordelen van de noodzaak van voorlopige hechtenis.

Bijlage 242017.png

1.5.1. Registreren procesdossier [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

  • LOF, afkomstig van ‘Inzenden LOF aan OM (t.b.v. voorgeleiding Officier van Justitie)/Kinderrechter (Rechtercommissaris)’.

  • De voorgeleiding wordt gevoed door middel van het LOF (het LOF dient zowel als informatiedrager voor de voorgeleiding, als voor de bespreking in het JCO).

Activiteit:

Het OM draagt zorg voor de registratie van het LOF in het registratiesysteem, het zogenaamde JCO-supportsysteem. De registratie biedt de basis voor verdere termijnbewaking. Indien nodig wordt aanvullende informatie opgevraagd door de beoordelaar, zoals aanvullende processen-verbaal en justitiële documentatie.

Output:

Geregistreerd LOF/ procesdossier.

1.5.2. Voorgeleiden bij Kinderrechter/ RC? [Vervallen per 30-04-2009]

Ter gelegenheid van de voorgeleiding bij de Officier van Justitie kan worden afgezien van een voorgeleiding bij de Kinderrechter (en daarmee van voorlopige hechtenis). In dat geval wordt de (inverzekeringgestelde) verdachte invrijheidgesteld, en de strafzaak voor verdere beoordeling behandeld in het JCO.

1.5.3. Behandelen in regulier JCO [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Strafzaak van de niet bij de Kinderrechter voorgeleide verdachte.

Activiteit:

Als bij 1.4.3 ‘Behandelen zaak in JCO’

Output:

In JCO te behandelen zaak.

1.5.4. Beslissing voorlopige hechtenis [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

LOF (inclusief verhoor van verdachte)

Activiteit:

De Kinderrechter/RC (Rechter-commissaris) neemt een beslissing over de gevorderde voorlopige hechtenis. Op grond van de bevindingen bij de voorgeleiding en eventueel door het JCO ingebrachte dop-informatie kan de Kinderrechter direct bij het bevel bewaring, of in een later stadium, de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen.

Output:

  • Bevel voorlopige hechtenis;

  • Voorlopige hechtenis met (onmiddellijke) schorsing.

1.5.5. Transactievoorstel of dagvaarden [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Afwijzing vordering tot voorlopige hechtenis.

Activiteit:

Indien de voorlopige hechtenis niet wordt bevolen kan de verdachte een dagvaarding worden uitgereikt (of een transactievoorstel worden gedaan).

Output:

  • dagvaarding.

  • transactievoorstel.

1.5.6. Inbreng DOP-informatie in voorlopige hechtenis [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

dop-criteria.

Activiteit:

De informatie uit het JCO betreffende de dop-criteria wordt ingebracht in het voorlopige hechtenis traject. De inbreng van die informatie is in het bijzonder van belang bij gelegenheid van een verzochte of voorgenomen schorsing van de voorlopige hechtenis.

Output:

In het voorlopige hechtenistraject ingebrachte informatie over de dop-criteria.

1.5.7. Schorsing voorlopige hechtenis? [Vervallen per 30-04-2009]

Indien de voorlopige hechtenis wordt bevolen, dan kan de Kinderrechter/RC – op basis van een onderzoeksrapport van de Raad voor de Kinderbescherming, of op grond van de vanuit het JCO aangeleverde dop-informatie – besluiten tot schorsing van het bevel met onmiddellijke ingang.

1.5.8. Verwerken schorsing [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Activiteit:

Indien de Kinderrechter/RC heeft besloten tot een schorsing van de voorlopige hechtenis, wordt een zittingsdatum bepaald en aan de verdachte zo mogelijk een dagvaarding uitgereikt.

Output:

Dagvaarding.

1.5.9. Dagvaarden KiR/MK [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Ten laste gelegde feit.

Activiteit:

De Officier van Justitie nodigt de verdachte uit ter zitting op een vastgestelde datum.

Output:

Uitgenodigde verdachte.

1.5.10. Uitspreken vonnis [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Behandeling op de zitting.

Activiteit:

De Kinderrechter/RC/Voorzitter van de Meervoudige Kamer spreekt het vonnis uit

Output:

De uitspraak kan zijn:

  • taakstraf (zie RvdK: uitvoering taakstraf)

  • geldboete (zie CJIB: inning geldboete)

  • jeugddetentie (zie DJI: jeugddetentie)

  • PIJ (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen)

NB:

Executie van de uitspraak dient binnen 1 maand na onherroepelijk vonnis aan te vangen.

1.6. Haltbureau: uitvoering Halt-zaken [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: Haltbureau

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving van het proces:

De voorbereiding en organisatie van de Halt-afdoening.

Bijlage 242018.png

1.6.1. Intake LOF [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

LOF afkomstig van de Politie.

Activiteit:

De Halt-medewerker registreert het LOF. Vervolgens wordt gecontroleerd of de Halt-verwijzing voldoet aan de criteria voor inbehandelingname.

  • Indien de Halt-verwijzing voldoet wordt deze in behandeling genomen. Eventueel wordt de Halt-verwijzing doorverwezen naar een ander Haltbureau. Start Halt-afdoening.

  • Indien de Halt-verwijzing niet voldoet wordt deze niet in behandeling genomen en geretourneerd aan de Politie, zie voor vervolg ’Versturen mislukte Halt-zaken naar JCO’.

Output:

LOF.

1.6.2. Voorbereiding Halt-afdoening [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

LOF.

Activiteit:

De Halt-medewerker maakt met betrokken partijen afspraken over de Halt-afdoening, tot 16 jaar is ook instemming van de ouders nodig over het afdoeningsvoorstel. Deze afspraken worden vastgelegd in het afdoeningsvoorstel.

  • Indien het afdoeningsvoorstel is geaccepteerd kan tot uitvoering worden overgegaan.

  • Indien het afdoeningsvoorstel niet is geaccepteerd, daarmee is de Halt-afdoening niet geslaagd, volgt een negatief sepotadvies. De Haltverwijzing wordt in dit geval geretourneerd aan de Politie, zie voor vervolg ’Versturen mislukte Halt-zaken naar JCO’.

Output:

Afdoeningsvoorstel.

1.6.3. Uitvoering Halt-afdoening [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

Afdoeningsvoorstel.

Activiteit:

De cliënt gaat over tot de uitvoering van het afdoeningsvoorstel.

Is het afdoeningsvoorstel volgens afspraak uitgevoerd?

  • het afdoeningsvoorstel is volgens afspraak uitgevoerd, de Halt-afdoening is geslaagd. Dus volgt er een positief sepot-advies. Het sepot-advies wordt geretourneerd aan de verwijzer.

  • het afdoeningsvoorstel is niet volgens afspraak uitgevoerd, de Haltafdoening is niet geslaagd. Dus volgt er een negatief sepot-advies. Dat advies wordt in dit geval geretourneerd aan de Politie.

Output:

Positief of negatief sepot-advies.

1.7. RvdK: uitvoering taakstraf [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: RvdK

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving:

De officier van justitie kan de verdachte ter voorkoming van (verdere) strafvervolging aanbieden om een taakstraf (werkstraf of leerstraf) uit te voeren.

Deze taakstraf kan schriftelijk of in een directe confrontatie tussen het OM en de verdachte (meestal tijdens een Onderhoud ten parkette (OTP)) aan de verdachte worden aangeboden.

NB:

De werkelijke uitvoering van de taakstraf (en de organisatie ervan door de RvdK) begint pas na ’Verzenden opdracht taakstraf aan RvdK’, namelijk bij ’Uitvoeren van de taakstraf’. Nadat de RvdK aan de officier een afloopbericht heeft gestuurd, ligt weer alles bij het OM. De ‘officiële’ vaststelling of een taakstraf geslaagd is of niet, is aan het OM als opdrachtgever. Een eventuele herbeoordeling (na mislukte taakstraf) vindt plaats in het JCO.

Bijlage 242019.png
Bijlage 242020.png

1.7.1. Vastleggen beoordeling [Vervallen per 30-04-2009]

Input:

  • uitspraak ’Onderhoud ten parkette (OTP)’;

  • resultaat ’Uitspreken vonnis’.

Activiteit:

De taakstraf wordt als een ‘bijzondere transactie’ in COMPAS geregistreerd.

1.7.2. Persoonlijk aanbieden [Vervallen per 30-04-2009]

De onbetaalde arbeid of het leerproject kan schriftelijk of in een directe confrontatie tussen het OM en de verdachte (meestal tijdens een OTP) aan de verdachte worden aangeboden.

1.7.3. Plannen en verwerken OTP [Vervallen per 30-04-2009]

Het onderhoud ten parkette is in principe bedoeld om de verdachte onbetaalde arbeid of een leerproject aan te bieden ter voorkoming van verdere strafvervolging.

1.7.4. Aanbieden en verwerken taakstraf [Vervallen per 30-04-2009]

Gaat de verdachte hiermee akkoord, dan bevestigt de verdachte dit op een instemmingsformulier. Gaat de verdachte niet akkoord dan wordt de zaak opnieuw beoordeeld.

1.7.5. Verzenden opdracht taakstraf aan RvdK [Vervallen per 30-04-2009]

Een opgelegde onbetaalde arbeid of leerproject wordt ter uitvoering aangeboden aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad is verantwoordelijk voor de executie van deze onbetaalde arbeid of leerproject en van de termijn waarbinnen executie moet plaatsvinden (3 maanden na instemming).

1.7.6. Uitvoeren van de taakstraf [Vervallen per 30-04-2009]

De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) draagt zorg voor de uitvoering van de taakstraf. Hetgeen betreft:

  • Intakegesprek

  • Planning project

  • Vaststelling voltooiing taakstraf

  • Inzenden afloopbericht aan OM

1.7.7. Ontvangen en verwerken afloopbericht [Vervallen per 30-04-2009]

Het afloopbericht van de RvdK wordt ontvangen. Op basis van het afloopbericht wordt beoordeeld of de taakstraf succesvol is afgerond. Bij een succesvolle afronding is de zaak beëindigd. Bij een niet succesvolle afronding wordt de zaak opnieuw beoordeeld.

1.7.8. Vaststellen taakstraf geslaagd [Vervallen per 30-04-2009]

Op basis van het afloopbericht wordt beoordeeld of de taakstraf succesvol is afgerond. Bij een succesvolle afronding is de zaak beëindigd. Bij een niet succesvolle afronding wordt de zaak opnieuw beoordeeld.

1.7.9. Afsluiten en archiveren [Vervallen per 30-04-2009]

De zaak wordt afgesloten

1.7.10. Herbeoordelen [Vervallen per 30-04-2009]

De zaak wordt opnieuw beoordeeld.

1.8. CJIB: inning geldboete [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: CJIB

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Bijlage 242021.png

Omschrijving:

Een transactie biedt de mogelijkheid om de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting te voorkomen. Overtredingen en eenvoudige misdrijven komen in aanmerking voor een afdoening via een transactie. Het betreft hier een transactie in de vorm van een geldsom. De inning van het transactiebedrag geschiedt door het CJIB te Leeuwarden.

1.8.1. Vastleggen en verwerken beoordeling [Vervallen per 30-04-2009]

De transactie wordt vastgelegd in COMPAS

De zaak wordt ter incasso aan het CJIB overgedragen via het systeem TRIAS. Nadat een bericht ’transactie’ naar het TRIAS is verzonden worden alleen nog status- en afloopberichten uitgewisseld.

1.8.2. Vaststellen betaling [Vervallen per 30-04-2009]

Beoordeel aan de hand van de overzicht ’TRIAS-statusberichten welke transacties zijn betaald.

1.8.3. Afsluiten en archiveren [Vervallen per 30-04-2009]

1.8.4. Herbeoordelen [Vervallen per 30-04-2009]

1.9. DJI: jeugddetentie [Vervallen per 30-04-2009]

Proceseigenaar: DJI

Versie: 1.0

Datum: 16-09-2004

Status: Definitief

Omschrijving:

Zie voor aansluiting op de procesbeschrijving van DJI.

2. Begrippenlijst [Vervallen per 30-04-2009]

Afkorting

Omschrijving

CJIB

Centraal Justitieel Incassobureau

DJI

Dienst Justitiële Inrichtingen

DOP

Delict, Omstandigheden en Persoonlijkheid/ persoonlijke omstandigheden

JCO

Justitieel Casusoverleg

LOF

Landelijk Overdrachts Formulier

OM

Openbaar Ministerie

OvJ

Officier van Justitie

RC

Rechter-commissaris

RvdK

Raad voor de Kinderbescherming

Figuur 1: Justitieel Casusoverleg (JCO)

Bijlage 242022.png

Figuur 2: Verwijzing of overdracht door de politie Figuur 3: Selecteren traject

Bijlage 242023.png

Figuur 3: Selecteren traject

Bijlage 242024.png
Bijlage 242025.png
  • ^ [1]

    Geregeld komen jeugdigen in aanraking met het strafrecht, van wie de achterliggende problematiek zo ernstig is dat een min of meer ingrijpende maatregel – PIJ, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, of de in het wetsvoorstel gedragsbeïnvloeding jeugdigen voorgestelde ‘gedragsbeïnvloedende maatregel’ – nodig is om effect te sorteren. Als een zo ingrijpende interventie, afgezet tegen de aard en de ernst van het strafbare feit, onevenredig zwaar is, zal de vereiste aanpak langs civielrechtelijke weg moeten worden gerealiseerd. Ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing zijn bij uitstek bedoeld om situaties waarin het gezond opgroeien van de jeugdige in gevaar komt, te keren.

  • ^ [2]

    De vraag naar eventuele uitbreiding van de ‘standaard samenstelling’ van het JCO met andere partners, zoals de Bureaus Jeugdzorg (vrijwillige hulpverlening of jeugdreclassering) zal mede worden betrokken bij de evaluatie per 1 januari 2005.

  • ^ [3]

    Het Arrondissementaal Justitieel Beraad(AJB) vormt een strategisch overleg, waarin onderwerpen worden geagendeerd die samenhangen met de hoofdlijnen van het beleid van de organisaties, en waarin de koers wordt bepaald voor de langere termijn, en waarin beslissingen worden genomen over de in te zetten middelen. Deelnemers zijn OM (hoofdofficier, voorzitter), ZM, RvdK, Reclassering, BJZ- jeugdreclassering, Halt, penitentiaire inrichtingen.

  • ^ [4]

    Besluit van 25 augustus 2003, Stb 2003, 341.

  • ^ [5]

    OM-afdoeningen (transacties via het ‘officiersmodel’ ) worden begrepen onder vervolgingsbeslissingen.

  • ^ [6]

    Deze teksten kunnen worden ontleend aan het Bedrijfsprocessensysteem van de politie (BPS).

  • ^ [7]

    Bij afdoeningsvoorstellen tot een bedrag van €115 of ten hoogste 20 uur taakstraf wordt geen advocaat toegevoegd.

  • ^ [8]

    Zie de brief van 23 april 2001 van de staatssecretaris van justitie aan de voorzitter van de TK.