Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters[Regeling vervallen per 01-11-2016.]

Geldend van 20-04-2016 t/m 31-10-2016

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 januari 2007, nr. WJZ 7007456, houdende regels omtrent de eisen waaraan meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters moeten voldoen voordat zij in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt (Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 5, 8 en 11 van het Meetinstrumentenbesluit II;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 1 [Vervallen per 01-11-2016]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. eerste conformiteitsbeoordeling: conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 6 van de wet;

  • b. meetreservoir: meetinstrument dat is ingericht om, al dan niet met behulp van een ander meetinstrument, door bepaling van de hoogte van de vloeistofspiegel de hoeveelheid vloeistof die het bevat, vast te stellen en dat tevens is bestemd voor bewaring of vervoer daarin of aflevering van die vloeistof, met uitzondering van scheepstanks;

  • c. vloeistofhoogtemeter: meetinstrument voorzover dat is bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in een meetreservoir en dat bestaat uit een meetwaardeopnemer en ten minste één aanwijsinrichting als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b;

  • d. discontinue brandstofmeter: meetinstrument, bestemd voor de discontinue vaststelling van het volume van in tweetaktmotoren gebruikte brandstoffen, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en legen van de meetkamers;

  • e. meetinstrumenten: de onder b, c en d bedoelde meetinstrumenten;

  • f. markering: markering als bedoeld in artikel 21 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers;

  • g. zegelmerk: een verzegeling waarop het kenmerk van een aangewezen instantie of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 11 van de Metrologiewet is vermeld.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 2 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Meetinstrumenten zijn zodanig ingericht dat zij geen aanleiding tot misleiding of misvatting kunnen geven.

  • 2 Meetinstrumenten hebben een doelmatige vorm, zijn uit voor het doel geschikt materiaal van goede hoedanigheid vervaardigd, functioneren goed en verkeren in een goede staat van onderhoud. Zij zijn zodanig samengesteld dat de onveranderlijkheid van de meting zowel door het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd, als door een goede constructie voldoende is gewaarborgd.

  • 3 Meetinstrumenten zijn zodanig samengesteld dat de markering en het afkeurmerkteken, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet, gemakkelijk kunnen worden aangebracht en niet zonder beschadiging kunnen worden verwijderd.

Artikel 3 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Meetinstrumenten dragen geen aanduidingen van andere dan de in het Meeteenhedenbesluit 2006 opgenomen erkende meeteenheden en de aanduiding van de decimale veelvouden en delen van de erkende meeteenheden op de meetinstrumenten stemmen overeen met het Meeteenhedenbesluit 2006.

  • 2 De maat- of gewichtsaanduidingen op de meetinstrumenten bestaat uit een getal, gevolgd door de aanduiding van de meeteenheid, al dan niet in decimale veelvouden of delen, of door een getal, gevolgd door het voor de betrokken meeteenheid of haar decimale veelvoud of deel in het Meeteenhedenbesluit 2006 vastgestelde symbool.

  • 3 Meetinstrumenten die door hun samenstelling of in verband met hun bestemming een beperking in hun gebruik of in de wijze van meten vereisen, dragen een opschrift waaruit die beperking blijkt, tenzij anders is bepaald.

  • 4 Alle bij of krachtens de wet voorgeschreven aanduidingen en opschriften op meetinstrumenten zijn duidelijk, ondubbelzinnig en duurzaam.

Artikel 4 [Vervallen per 01-11-2016]

Meetinstrumenten worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming.

Artikel 5 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien de wijze van opstelling van belang is voor de nauwkeurigheid van de meting, wordt het meetinstrument juist, en in voorkomend geval volgens aanwijzing van een daartoe aanwezige inrichting, opgesteld.

  • 2 Meetinstrumenten die aanwezig zijn op plaatsen waar verkoop aan particulieren plaatsvindt van goederen die bij maat of gewicht worden verkocht, worden zodanig opgesteld dat de koper de aanwijzing van het meetinstrument onbelemmerd kan waarnemen.

Artikel 6 [Vervallen per 01-11-2016]

Meetinstrumenten worden zodanig gecorrigeerd en gejusteerd dat de aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.

Hoofdstuk 3. Meetreservoirs [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 7 [Vervallen per 01-11-2016]

Meetreservoirs zijn naar de wijze, waarop de hoogte van de vloeistofspiegel wordt bepaald, te onderscheiden in:

  • a. reservoirs, waarvan een peilstok, ingedeeld in eenheden van volume, deel uitmaakt;

  • b. reservoirs, waarvan een peilstok, ingedeeld in eenheden van lengte, deel uitmaakt;

  • c. reservoirs, die zijn ingericht om de hoogte van de vloeistofspiegel op andere wijze te bepalen dan met behulp van een van het betrokken reservoir deel uitmakende peilstok.

Artikel 8 [Vervallen per 01-11-2016]

Van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder b, en, voor zover bij het vaststellen van de aanwezige hoeveelheid vloeistof gebruik wordt gemaakt van een meetinstrument dat is ingedeeld in eenheden van lengte, van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder c, moet een certificaat van meting ter plaatse van opstelling beschikbaar zijn.

Artikel 9 [Vervallen per 01-11-2016]

Meetreservoirs zijn naar hun samenstelling en de wijze van opstelling te onderscheiden in:

  • a. reservoirs, welke, behoudens geringe afwijkingen, de vorm hebben van:

    • 1°. een rechte cilinder, waarvan de beschrijvende lijnen verticaal zijn;

    • 2°. een rechthoekig parallellepipedum, waarvan de langste ribben verticaal zijn;

    • 3°. een kubus, waarvan vier ribben verticaal zijn;

    • 4°. een bol;

  • b. reservoirs, welke, behoudens geringe afwijkingen, de vorm hebben van:

    • 1°. een rechte cilinder, waarvan de beschrijvende lijnen horizontaal zijn;

    • 2°. een rechthoekig parallellepipedum, waarvan 4 ribben, doch niet de langste, verticaal zijn;

  • c. andere reservoirs dan die, bedoeld onder a en b, voor zover de samenstelling en de wijze van opstelling ervan naar het oordeel van een aangewezen instantie voldoende doelmatig zijn.

Artikel 10 [Vervallen per 01-11-2016]

In een meetreservoir mogen verwarmingselementen, leidingen en andere hulpinrichtingen, die in verband met het gebruik noodzakelijk zijn, zijn aangebracht, mits deze de goede werking van het meetreservoir niet schaden.

Artikel 11 [Vervallen per 01-11-2016]

Een meetreservoir is zo nodig aan de bovenzijde voorzien van een meetopening of, indien de samenstelling of de opstelling van het meetreservoir van invloed is op de juistheid van de meting, van meer meetopeningen.

Artikel 12 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In een meetopening van een meetreservoir is een kenmerk aangebracht, dat de meetplaats voor de hoogte van de vloeistofspiegel duidelijk aangeeft.

  • 2 Het kenmerk mag achterwege blijven bij meetreservoirs als bedoeld in artikel 7, onder a of b, indien de peilstok is voorzien van een aanslag als bedoeld in artikel 16, en de bovenzijde van de meetopening, meetplaats voor de hoogte van de vloeistofspiegel is.

Artikel 13 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In de nabijheid van een meetopening van een meetreservoir is de hoogte van de meetplaats boven de bodem, boven de meetplaat, bedoeld in artikel 15, eerste lid, of boven de onderzijde van een aan de onderzijde gesloten peilkoker als bedoeld in artikel 15, tweede lid, duidelijk en ondubbelzinnig aangegeven.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde vermelding blijft achterwege, indien het meetreservoir is voorzien van een drijvend dak en de meetopening in dat dak is aangebracht.

Artikel 14 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In een meetopening van een meetreservoir is een verticaal geplaatste en over de gehele hoogte geperforeerde peilkoker aangebracht van zodanige samenstelling, dat de meting van de hoogte van de vloeistofspiegel gemakkelijk en op ondubbelzinnige wijze kan worden uitgevoerd.

  • 2 De peilkoker mag aan de onderzijde gesloten zijn, in welk geval de perforatie onmiddellijk boven de onderzijde moet beginnen.

  • 3 De peilkoker moet achterwege blijven, indien het meetreservoir is voorzien van een drijvend dak en de meetopening in dat dak is aangebracht.

  • 4 De peilkoker mag achterwege blijven, indien de juistheid van de meting daardoor niet kan worden geschaad.

Artikel 15 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien het deel van de bodem van een meetreservoir dat zich loodrecht onder een meetopening bevindt, niet horizontaal of niet nagenoeg horizontaal is, is op die plaats een horizontale meetplaat van voldoende grootte aangebracht.

  • 2 De meetplaat mag achterwege blijven, indien zich in de meetopening een aan de onderzijde gesloten peilkoker bevindt dan wel indien ook zonder zodanige voorziening de juistheid van de meting voldoende gewaarborgd is te achten.

Artikel 16 [Vervallen per 01-11-2016]

Een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, mag zijn voorzien van een aanslag die zijn stand in de meetopening, waarvoor hij bestemd is, tijdens de meting ondubbelzinnig bepaalt.

Artikel 17 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 De meetopening van een meetreservoir is zodanig aangebracht en een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a en b, is zodanig uitgevoerd, dat de juistheid van de meting niet geschaad kan worden.

  • 2 Indien er meer dan één meetopening in een meetreservoir is aangebracht, worden deze openingen door merktekens duidelijk onderscheiden.

Artikel 18 [Vervallen per 01-11-2016]

Een schaaldeel van de verdeling van een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a, heeft een lengte van ten minste 1 mm en ten hoogste 10 mm.

Artikel 19 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder b, is verdeeld in millimeters of in centimeters.

  • 2 Van een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder b, bedraagt de maximaal toelaatbare fout van de afstand van het nulpunt van de verdeling tot een willekeurige deelstreep:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,1 + 0,1L mm,

    • b. nadat het meetreservoir in gebruik is genomen: plus of min 0,2 + 0,2L mm, waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de te meten hoogte van een vloeistofspiegel in meters aangeeft.

  • 3 De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het tweede lid, hoeft niet kleiner te zijn dan

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,6 mm;

    • b. na ingebruikneming: plus of min 1,2 mm.

Artikel 20 [Vervallen per 01-11-2016]

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoeveelheid bedraagt:

  • a. voor de meetreservoirs, bedoeld in artikel 9, onder a:

    • 1°. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,5%;

    • 2°. na ingebruikneming: plus of min 1,0%;

  • b. voor de meetreservoirs, bedoeld in artikel 9, onder b en c:

    • 1°. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,8%;

    • 2°. na ingebruikneming: plus of min 1,0%.

Artikel 21 [Vervallen per 01-11-2016]

De vaststelling van de kleinste door middel van een meetreservoir te meten hoeveelheid dan wel van het kleinste te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de kleinste te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem bij de vaststelling door middel van één meting van de in het meetreservoir aanwezige vloeistof, wordt bepaald door een aangewezen instantie.

Artikel 22 [Vervallen per 01-11-2016]

Het volume van het onderste gedeelte van een meetreservoir wordt volumetrisch door inliteren van water of van het product waarvoor het meetreservoir bestemd is, bepaald.

Artikel 23 [Vervallen per 01-11-2016]

Aan een meetreservoir, dat is ingericht voor het daarop aanbrengen van een meetinstrument, bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in een zodanig meetreservoir, zijn voorzieningen aangebracht, die geschikt zijn om steeds voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met dat meetinstrument gemeten hoogte van de vloeistofspiegels te kunnen uitvoeren.

Artikel 24 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Op een meetreservoir is, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met het meetreservoir is verbonden, vermeld:

    • a. de aanduiding ‘MEETRESERVOIR’;

    • b. een nummer, dat het meetreservoir van andere meetreservoirs onderscheidt;

    • c. de kleinste door middel van het meetreservoir te meten hoeveelheid dan wel het kleinste te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de kleinste te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem bij de vaststelling door middel van één meting van de in het meetreservoir aanwezige vloeistof;

    • d. in die gevallen, waarin ingevolge het bepaalde in artikel 8 van het meetreservoir een certificaat van meting deel uitmaakt: het nummer van dat certificaat.

  • 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, onder c, blijft achterwege, indien het meetreservoir uitsluitend is ingericht ter vaststelling van de volledige inhoud.

Artikel 25 [Vervallen per 01-11-2016]

Op een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, is vermeld:

  • a. het nummer van het meetreservoir waarvan hij deel uitmaakt;

  • b. ingeval het meetreservoir is voorzien van meer meetopeningen: zo nodig een aanduiding van de meetopening, waarbij de peilstok behoort.

Artikel 26 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Het certificaat van meting, bedoeld in artikel 8, vermeldt:

    • a. het nummer van het meetreservoir;

    • b. de naam van de eigenaar en de plaats van opstelling van het meetreservoir;

    • c. de kleinste door middel van het meetreservoir te meten hoeveelheid, dan wel het kleinste te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de kleinste te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem bij de vaststelling door middel van één meting van de in het meetreservoir aanwezige vloeistof;

    • d. de constructieve en de meettechnische bijzonderheden van het meetreservoir, welke voor de meting van enig belang zijn;

    • e. een tabel of tabellen, waarin de betrekkingen tussen de hoeveelheden vloeistof die zich in het meetreservoir bevinden en de hoogten van de vloeistofspiegels zijn vermeld;

    • f. indien het meetreservoir is voorzien van meer meetopeningen: het verband tussen de hoogten van de vloeistofspiegels, welke in de onder e bedoelde tabellen zijn vermeld, en de hoogten van de vloeistofspiegels, gemeten in elk van de meetopeningen;

  • 2 De vermelding, bedoeld in het eerste lid, onder c, blijft achterwege, indien het meetreservoir uitsluitend is ingericht ter vaststelling van de volledige inhoud.

Artikel 27 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Het certificaat van meting draagt een nummer, dat het van andere certificaten van meting onderscheidt.

  • 2 Het certificaat wordt, bij goedkeuring van het meetreservoir, door degene, die het onderzoek verricht, gewaarmerkt, onder vermelding van de datum, waarop het onderzoek heeft plaats gehad.

Hoofdstuk 4. Vloeistofhoogtemeters [Vervallen per 01-11-2016]

§ 1. Algemeen technische voorschriften [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 28 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. meetwaardeopnemer: inrichting die, al dan niet contact makend met de vloeistof, de te meten hoogte van de vloeistof opneemt;

    • b. aanwijsinrichting: inrichting die de gemeten hoogte van de vloeistof aanwijst;

    • c. verre aanwijsinrichting: aanwijsinrichting die gescheiden van het meetreservoir is opgesteld.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt mede verstaan onder:

    • a. aanwijzen: afdrukken;

    • b. aanwijsinrichting: afdrukinrichting;

    • c. aanwijzing: afdruk;

    • d. afleeseenheid: afdrukeenheid.

Artikel 29 [Vervallen per 01-11-2016]

Een vloeistofhoogtemeter is zodanig samengesteld, dat bij een verandering van:

  • a. de volumieke massa van de vloeistof, waarvan de hoogte van de vloeistofspiegel wordt gemeten, wordt voldaan aan artikel 59;

  • b. de temperatuur van de vloeistofhoogtemeter en de voedingsspanning, indien de vloeistofhoogtemeter elektrisch wordt gevoed, wordt voldaan aan artikel 53.

Artikel 30 [Vervallen per 01-11-2016]

De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, geschiedt zodanig, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd.

Artikel 31 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Een vloeistofhoogtemeter neemt een vaste positie ten opzichte van de wand van het meetreservoir in.

  • 2 Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de vloeistofhoogtemeter in de stand, bedoeld in het eerste lid, zodanig worden verzegeld, dat verplaatsing van de vloeistofhoogtemeter ten opzichte van het meetreservoir niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen.

Artikel 32 [Vervallen per 01-11-2016]

Het meetreservoir is voorzien van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 33 [Vervallen per 01-11-2016]

Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden.

Artikel 34 [Vervallen per 01-11-2016]

Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter kan worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet.

Artikel 35 [Vervallen per 01-11-2016]

Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden.

§ 2. Bijzondere voorschriften voor aanwijsinrichtingen [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 36 [Vervallen per 01-11-2016]

Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel 37 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij een vloeistofhoogtemeter kunnen meerdere verre-aanwijsinrichtingen behoren.

  • 2 Een verre-aanwijsinrichting kan bij meerdere vloeistofhoogtemeters behoren, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel 38 [Vervallen per 01-11-2016]

De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn.

Artikel 39 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij een aanwijsinrichting met continue aanwijzing is de onderlinge afstand tussen de verdeelstrepen ten minste 1 mm.

  • 2 Bij een aanwijsinrichting met discontinue aanwijzing is de hoogte van de cijfers van de aanwijzingen ten minste 4 mm.

Artikel 40 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, vindt de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaats, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen.

Artikel 41 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 De aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter is, indien zij ten gevolge van een storing in de voedingsspanning foutief zou kunnen aanwijzen, van een inrichting voorzien, die bij een zodanige storing een duidelijke indicatie geeft dat de aanwijzing foutief is, hetzij door blokkering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal.

  • 2 Verre-aanwijzing dient bij storing in de transmissie of in het instrument zelf niet tot stand te komen dan wel een duidelijke indicatie te bevatten, dat een dergelijke storing is opgetreden.

Artikel 42 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Een vloeistofhoogtemeter is zodanig opgesteld, dat de hoogten van alle niveaustanden in het meetreservoir die redelijkerwijs moeten kunnen worden gemeten, kunnen worden aangewezen.

  • 2 Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.

  • 3 Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.

Artikel 43 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien bij een vloeistofhoogtemeter gegevens handmatig kunnen worden ingebracht, wordt aan de presentatie van de parameter op de aanwijsinrichting toegevoegd het symbool ‘H’ voor handinvoer of ‘M’ voor manual input dan wel een tekst die duidelijk maakt dat het een handmatig ingevoerde parameter betreft.

  • 2 Aan de presentatie van een waarde, welke wordt berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter, wordt op de aanwijsinrichting toegevoegd het symbool ‘B’ voor berekend of ‘C’ voor calculated dan wel een tekst die duidelijk maakt dat de waarde is berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter.

Artikel 44 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In de nabijheid van de aanwijzing is een verklaring van de verschillende symbolen aangebracht of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan deze verklaring kan komen.

  • 2 Alle handmatig ingevoerde parameters die nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen, zijn oproepbaar.

Artikel 45 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting zijn in afwijking van artikel 44 op het afdrukpapier vermeld:

  • a. een verklaring van de verschillende symbolen of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan een verklaring kan komen;

  • b. alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen.

Artikel 46 [Vervallen per 01-11-2016]

De artikelen 43, 44 en 45 zijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting.

Artikel 47 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, wordt dit door middel van een symbool kenbaar gemaakt.

Artikel 48 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte.

Artikel 49 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, zijn de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden.

§ 3. Bijzondere voorschriften voor meetwaarde-opnemers [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 50 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In de directe nabijheid van de meetkoker, die gebruikt wordt voor nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte, is een meetwaarde-opnemer aanwezig.

  • 2 Bij verticale, cilindrische meetreservoirs mag de meetwaarde-opnemer niet binnen een afstand van 500 mm van de reservoirwand zijn gesitueerd.

Artikel 51 [Vervallen per 01-11-2016]

Een meetwaarde-opnemer is zodanig gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen.

Artikel 52 [Vervallen per 01-11-2016]

Een meetwaarde-opnemer wordt op een zodanige wijze beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven.

§ 4. Metrologische voorschriften [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 53 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoogte is:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min ((0,1 + 0,1L) + 2) mm,

    • b. na ingebruikneming: plus of min ((0,2 + 0,2L) + 2) mm, waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte in meters aangeeft.

  • 2 De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet kleiner te zijn dan:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 2,6 mm;

    • b. na ingebruikneming: plus of min 3,2 mm.

Artikel 54 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Als eis van gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter geldt, dat verandering van de hoogte van een vloeistofspiegel van 2,6 mm een verandering in de aanwijzing van die hoogte van ten minste 1 mm veroorzaakt.

  • 2 Indien de gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter afhankelijk is van de volumieke massa van de vloeistof waarvan de hoogte wordt gemeten, wordt die volumieke massa niet kleiner dan 500 kg/m3 verondersteld.

Artikel 55 [Vervallen per 01-11-2016]

De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig artikel 53.

Artikel 56 [Vervallen per 01-11-2016]

Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft.

Artikel 57 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel 58 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel 59 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/m3 en 1000 kg/m3, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/m3 naar 600 kg/m3 geen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel 60 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in artikel 59, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel 61 [Vervallen per 01-11-2016]

Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a.

Artikel 62 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien de voortplantingssnelheid van de elektromagnetische golven door de dampsamenstelling wordt beïnvloed, mag bij een verandering van de dampsamenstelling dan wel van de dampconcentratie in de lege ruimte van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan 1,6 mm × (referentiehoogte – L)/referentiehoogte, waarbij L het hele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte aangeeft en de referentiehoogte gelijk is aan de waarde, bedoeld in artikel 63, onder e.

  • 2 De referentiehoogte en de waarde L worden in gelijke eenheden weergegeven.

§ 5. Opschriften [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 63 [Vervallen per 01-11-2016]

Op iedere vloeistofhoogtemeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, vermeld:

  • a. de naam en de woonplaats van degene die de vloeistofhoogtemeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;

  • b. het jaar waarin de vloeistofhoogtemeter is vervaardigd en het fabrieksnummer;

  • c. het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

  • d. de identificatie van het meetreservoir, waarop de vloeistofhoogtemeter is bevestigd;

  • e. het opschrift ‘het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’;

  • f. elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de vloeistofhoogtemeter door de aangewezen instantie noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Artikel 64 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, is op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat aangebracht, waarop zijn vermeld:

  • a. het identificatienummer van de inrichting;

  • b. een identificatie van het meetreservoir waarop de aanwijzing betrekking heeft.

Artikel 65 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien een verre-aanwijsinrichting behoort bij meerdere vloeistofhoogtemeters, is op of in de onmiddellijke nabijheid van die inrichting een plaat aangebracht, waarop zijn vermeld:

    • a. het identificatienummer van de inrichting;

    • b. met het opschrift ‘De markering heeft betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ...’.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde plaat kan achterwege blijven, indien op andere wijze ondubbelzinnig wordt aangegeven of de aangewezen meetwaarde al of niet is verkregen met behulp van goedgekeurde vloeistofhoogtemeters of meetreservoirs.

Artikel 66 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien twee of meer verre-aanwijsinrichtingen, behorende bij twee of meer vloeistofhoogtemeters, tezamen in één behuizing zijn ondergebracht, is artikel 64 van toepassing op elke inrichting afzonderlijk.

  • 2 In de onmiddellijke nabijheid van de verre-aanwijsinrichting mag daarnaast een plaat zijn aangebracht met het opschrift ‘De markering heeft betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ...’.

Artikel 67 [Vervallen per 01-11-2016]

Inrichtingen als bedoeld in artikel 35, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen zijn voorzien van het opschrift ‘niet geijkte hulpinrichting’.

Artikel 68 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, dragen de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift waaruit die beperkte bestemming blijkt.

§ 6. Markering [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 69 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij een vloeistofhoogtemeter waarbij de inrichtingen in één behuizing zijn ondergebracht, is op de behuizing, in de nabijheid van de opschriften, een duidelijk zichtbare voorziening aanwezig voor het aanbrengen van de markering.

  • 2 Indien de opschriften op een afzonderlijke plaat zijn vermeld, wordt de markering zodanig aangebracht, dat verwijdering van de opschriftenplaat niet mogelijk is zonder de markering te beschadigen.

Artikel 70 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij een vloeistofhoogtemeter waarvan één of meer inrichtingen gescheiden zijn opgesteld, wordt een zegelmerk aangebracht op elke gescheiden opgestelde inrichting.

  • 2 Bij een verre-aanwijsinrichting wordt het zegelmerk zodanig aangebracht, dat verwijdering of verandering van de bij die inrichting vermelde opschriften niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen.

Artikel 71 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, wordt de markering aangebracht als aangegeven in artikel 69.

§ 7. Bijzondere bepalingen voor vloeistofhoogtemeters met elektronische componenten [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 72 [Vervallen per 01-11-2016]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. elektronische inrichting: een vloeistofhoogtemeter, die is voorzien van elektronische componenten en afzonderlijk kan worden getoetst aan de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel een zodanig deel van een vloeistofhoogtemeter;

  • b. correct functioneren: een zodanig functioneren dat de maximaal toelaatbare fouten die gelden bij de eerste conformiteitsbeoordeling niet worden overschreden.

Artikel 73 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij het type-onderzoek, bedoeld in bijlage 2, module B van de richtlijn meetinstrumenten, of de keuring, bedoeld in bijlage 2, module G van de richtlijn meetinstrumenten, functioneren elektronische inrichtingen tijdens blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de artikelen 75, 76 en 78, correct dan wel signaleren elk niet correct functioneren op adequate wijze.

  • 2 Tijdens de blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de artikelen 75, 76 en 78, worden de elektronische inrichtingen gemonteerd en in werking gesteld in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant.

Artikel 74 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Tijdens een proef wordt in beginsel slechts één invloedsfactor gevarieerd, waarbij iedere andere invloedsfactor op de nominale waarde wordt gehouden.

  • 2 Gedurende de proef is de elektronische inrichting normaal in werking.

Artikel 75 [Vervallen per 01-11-2016]

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit:

  • a. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 38% gedurende 2 uur;

  • b. een stabiele omgevingstemperatuur van 5 °C gedurende 2 uur.

Artikel 76 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in de vrije atmosfeer, bestaat uit:

    • a. een stabiele omgevingstemperatuur van +55 °C en een relatieve vochtigheid van 19% gedurende 2 uur;

    • b. een stabiele omgevingstemperatuur van –25 °C gedurende 2 uur;

    • c. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 93% gedurende een periode van 4 dagen;

    • d. plaatsing van de elektronische inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C en een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, gevolgd door twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens:

      • 1°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd tot 55 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 93% bedraagt;

      • 2°. de temperatuur van 55 °C ± 2 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93% ± 3%;

      • 3°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C ± 3 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt;

      • 4°. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.

  • 2 De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.

Artikel 77 [Vervallen per 01-11-2016]

De omgevingstemperaturen, bedoeld in de artikelen 75 en 76, worden als stabiel beschouwd, indien:

  • a. het verschil tussen de tijdens de blootstelling optredende hoogste en laagste temperatuur niet meer bedraagt dan 5 °C, en

  • b. de verandering van de temperatuur tijdens de blootstelling niet meer bedraagt dan 1 °C/min.

Artikel 78 [Vervallen per 01-11-2016]

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit:

  • a. een voedingsspanning, variërend tussen –15% en +10% van de nominale voedingsspanning;

  • b. 10 onderbrekingen en reducties van de voedingsspanning, waarbij, uitgaande van een netfrequentie van 50 Hz en een nominale spanning met een effectieve waarde van 230 V, de amplitude wordt teruggebracht tot:

    • 1°. 0 V gedurende een halve periode,

    • 2°. 115 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt;

  • c. pulsvormige netverontreiniging, waarbij op de voedingsspanning een burst wordt gesuperponeerd, die voldoet aan onderstaande specificaties, zowel in common mode als in differential mode:

    • piekwaarde (V): 1000

    • stijgtijd (ns): 5

    • tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50

    • totale burstlengte (ms): 15

    • herhalingsinterval (ms): 300,

    • waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht;

  • d. ten minste 10 ontladingen via de elektronische inrichting, die tot stand komen, nadat een capaciteit van 150 pF door een gelijkspanningsbron tot 8 kV is opgeladen, door de capaciteit met een elektrostatische lading van 1,2 μC te ontladen door een aansluiting met het geaarde chassis te verbinden en de andere aansluiting via een weerstand van 150 Ω naar een vlak van de elektronische inrichting, waarbij het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende ontladingen ten minste 10 seconden bedraagt, met dien verstande dat elektronische inrichtingen die niet met een geaard chassis zijn uitgevoerd, op een geaarde plaat worden gezet, welke ten minste 0,1 m uitsteekt aan alle zijden van de inrichting;

  • e. een veldsterkte van 10 V/m, 50% AM-gemoduleerd met een blokgolf welke een frequentie heeft van 1 kHz, die wordt aangebracht in het frequentiegebied van 0,1 MHz tot 1 GHz, waarbij ten minste 1 m van de horizontaal vanaf de elektronische inrichting weglopende externe bekabeling tijdens de proef aan het veld wordt blootgesteld.

Artikel 79 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Indien een vloeistofhoogtemeter met controlefaciliteiten is uitgerust, kunnen de actuele werking en de correcte werking van deze faciliteiten worden bepaald.

  • 2 Indien geen significante fouten optreden als de vloeistofhoogtemeter aan verstoringen wordt blootgesteld, is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 80 [Vervallen per 01-11-2016]

Toetsing aan de voorschriften van deze paragraaf vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen.

Hoofdstuk 5. Discontinue brandstofmeter [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 81 [Vervallen per 01-11-2016]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder meetkamer: voor de meting dienende ruimte van een discontinue brandstofmeter, die met behulp van verdeelstrepen, overlopen, aflooppijpen of andere begrenzingen in een of meer volumedelen zijn verdeeld.

Artikel 82 [Vervallen per 01-11-2016]

De delen die de begrenzing vormen van een meetkamer van een discontinue brandstofmeter zijn met elkaar verbonden of voorzien van verzegelingsinrichtingen, waarmee het uit elkaar nemen van die delen kan worden verhinderd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet, indien de eigenschappen van het product waarvoor de discontinue brandstofmeter is bestemd het uit elkaar nemen van de delen noodzakelijk maken.

Artikel 83 [Vervallen per 01-11-2016]

De discontinue brandstofmeters waarvan de delen blijvend uit elkaar genomen moeten kunnen worden, zijn zodanig geconstrueerd, dat onjuiste metingen door onjuist of onvolledig samenvoegen van de verschillende delen zijn uitgesloten, dan wel zijn van zodanige gebruiksaanwijzingen en kenmerken voorzien, dat bij opvolging van de gebruiksaanwijzing juiste metingen zijn gewaarborgd.

Artikel 84 [Vervallen per 01-11-2016]

De discontinue brandstofmeters ten aanzien waarvan de opstelling waarin zij gebruikt moeten worden niet duidelijk uit de samenstelling blijkt, zijn, indien die opstelling van belang is voor een juiste meting, voorzien van een inrichting, die die opstelling duidelijk aanwijst.

Artikel 85 [Vervallen per 01-11-2016]

Telwerken, veiligheidsinrichtingen, terugloopleidingen, justeerinrichtingen en andere hulpinrichtingen die het gebruik van een discontinue brandstofmeter vergemakkelijken, zijn toegestaan, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden en geen aanleiding tot misleiding en misvatting kunnen geven.

Artikel 86 [Vervallen per 01-11-2016]

Een justeerinrichting is voorzien van een verzegelingsinrichting.

Artikel 87 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Op een belangrijk onderdeel van de discontinue brandstofmeter is, op een van buitenaf zichtbare plaats, een voorziening aangebracht voor het aanbrengen van de markering.

Artikel 88 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Verzegelingen mogen zowel door afslagen in lood als met behulp van een tang worden uitgevoerd.

  • 2 Verzegelingen zijn voldoende beschermd tegen risico’s van toevallige verbreking.

  • 3 Verzegelingsinrichtingen zijn gemakkelijk toegankelijk en zodanig uitgevoerd, dat het zegelmerk kan worden aangebracht.

Artikel 89 [Vervallen per 01-11-2016]

Een discontinue brandstofmeter die een geldige markering draagt, is voorzien van een zegelmerk, dat is aangebracht op de verzegelingsinrichting van de justeerinrichting en zo nodig op de verzegelingsinrichtingen van de onderdelen, bedoeld in artikel 85.

Artikel 90 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Kranen, kleppen, schuiven, zuigers en andere afsluitinrichtingen of omschakelinrichtingen zijn zodanig uitgevoerd en gesloten, dat de juistheid van de meting niet geschaad kan worden.

  • 2 Strepen, overlopen, peilglazen en andere instel- en afleesinrichtingen ter bepaling of ter aanwijzing van een grensvlak van de voor de meting dienende ruimte en van de grootte van een dergelijk grensvlak mogen bij de meting geen onzekerheden van enige betekenis in verhouding tot de maximaal toelaatbare fouten veroorzaken.

Artikel 91 [Vervallen per 01-11-2016]

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen kunnen parallaxvrij ingesteld en afgelezen worden. Zo nodig is de discontinue brandstofmeter daartoe voorzien van hulpmiddelen.

Artikel 92 [Vervallen per 01-11-2016]

De vorm en de inrichting van de discontinue brandstofmeters en de aan- en afvoerleidingen waarborgen de volledige aanvoer van de te meten en de volledige levering van de gemeten hoeveelheid. Zo nodig zijn daartoe kijkglazen aangebracht.

Artikel 93 [Vervallen per 01-11-2016]

De delen die dienen voor het vullen en ledigen zijn onveranderlijk en zodanig uitgevoerd en aangebracht, dat de metingen betrouwbaar en eenduidig zijn en bij scheefstellingen geen verschillen van enige betekenis in verhouding tot de maximaal toelaatbare fouten optreden.

Artikel 94 [Vervallen per 01-11-2016]

Omschakelinrichtingen zijn zodanig geconstrueerd en geïnstalleerd, dat de vloeistof bij het meten of omschakelen slechts die richting kan volgen, waarlangs een juiste meting is verzekerd.

Artikel 95 [Vervallen per 01-11-2016]

De discontinue brandstofmeters waarbij de metende ruimte aan de boven- en de onderzijde door een afsluitinrichting wordt begrensd, zijn voorzien van een bijzondere inrichting, die waarborgt dat de afvoerleiding eerst kan worden geopend na volledige vulling van de metende ruimte en eerst kan worden gesloten na volledige lediging.

Artikel 96 [Vervallen per 01-11-2016]

Indien de onderzijde van de metende ruimte wordt begrensd door een afsluitinrichting, hebben de bodem en in voorkomende gevallen de afvoerleiding ten minste de volgende helling:

  • a. bij vast opgestelde discontinue brandstofmeters: in de verhouding 1:10;

  • b. bij niet vast opgestelde discontinue brandstofmeters: in de verhouding 1:5.

Artikel 97 [Vervallen per 01-11-2016]

Terugloopinrichtingen zijn zodanig uitgevoerd, dat gebruik dat leidt tot een meetfout, welke beduidend kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout, onmogelijk is dan wel gemakkelijk kan worden vastgesteld.

Artikel 98 [Vervallen per 01-11-2016]

De discontinue brandstofmeters zijn zodanig ingericht, dat de juiste werking van ingebouwde discontinue brandstofmeters niet wordt geschaad en zij gemakkelijk kunnen worden onderzocht.

Artikel 99 [Vervallen per 01-11-2016]

Bij de discontinue brandstofmeters die bestemd zijn voor het meten van verschillende brandstoffen in wisselende mengverhoudingen kunnen deze brandstoffen zich bij het veranderen van de mengverhouding slechts in geringe mate met elkaar vermengen.

Artikel 100 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 De discontinue brandstofmeters zijn zodanig ingericht, dat bij de levering geen lucht of gassen meegevoerd kunnen worden. Zo nodig zijn de meters ter zake voorzien van een ontluchtings- of ontgassingsinrichting met behulp waarvan een goede verwijdering van niet in de vloeistof opgenomen, meegevoerde lucht of gassen mogelijk is.

  • 2 De ontluchtings- of ontgassingsinrichtingen zijn zodanig ingericht, dat de fout die het gevolg is van de meegevoerde lucht of gassen beduidend kleiner is dan de maximaal toelaatbare fouten.

Artikel 101 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 Bij de eerste conformiteitsbeoordeling bedragen de maximaal toelaatbare fouten in plus of min voor onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaat

    bare fouten

    > 1,0

    1,0 tot 0,5

    0,5%

    5 cm3

    0,5 tot 0,2

    1,0%

    0,2 tot 0,1

    2 cm3

    0,1 tot 0,05

    2,0%

    0,05 tot 0,025

    1 cm3

    ≤ 0,025

    4,0%

  • 2 Na ingebruikneming bedragen de maximaal toelaatbare fouten het dubbele van de waarden, vastgesteld in het eerste lid.

Artikel 102 [Vervallen per 01-11-2016]

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 101 bedragen bij de eerste conformiteitsbeoordeling van discontinue brandstofmeters die uitsluitend zijn ingericht om na inworp van een of meer geldstukken of penningen een hoeveelheid vloeistof af te leveren en waarbij op de meting door een menselijke handeling geen invloed kan worden uitgeoefend, de maximaal toelaatbare fouten bij onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaatbare fouten

     

    van

    tot

    >1,0

    –1,5%

    +0,5%

    1,0 tot 0,5

    –15 cm3

    +5 cm3

    0,5 tot 0,2

    –3,0%

    +1,0%

    0,2 tot 0,1

    –6 cm3

    +2 cm3

    0,1 tot 0,05

    –6,0%

    +2,0%

    0,05 tot 0,025

    –3 cm3

    +1 cm3

    ≤ 0,025

    –12,0%

    +4,0%

  • 2 Na ingebruikneming van de in het eerste lid bedoelde discontinue brandstofmeters bedragen de maximaal toelaatbare fouten bij onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaatbare fouten

     

    van

    tot

    >1,0

    –2,0%

    +1,0%

    1,0 tot 0,5

    –20 cm3

    +10 cm3

    0,5 tot 0,2

    –4,0%

    +2,0%

    0,2 tot 0,1

    –8 cm3

    +4 cm3

    0,1 tot 0,05

    –8,0%

    +4,0%

    0,05 tot 0,025

    –4 cm3

    +2 cm3

    ≤ 0,025

    –16,0%

    +8,0%

Artikel 103 [Vervallen per 01-11-2016]

Op iedere discontinue brandstofmeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat die vast met het meetwerktuig is verbonden, vermeld:

  • a. de naam en de woonplaats van degene die de discontinue brandstofmeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;

  • b. het jaar waarin de discontinue brandstofmeter is vervaardigd en het fabrieksnummer;

  • c. het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

  • d. elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de discontinue brandstofmeter door de aangewezen instantie noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen [Vervallen per 01-11-2016]

Artikel 104 [Vervallen per 01-11-2016]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2007.

Artikel 104a [Vervallen per 01-11-2016]

Deze regeling berust op de artikelen 8, 11 en 14, eerste en derde lid, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers.

Artikel 105 [Vervallen per 01-11-2016]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 22 januari 2007

De

Minister

van Economische Zaken,

J.G. Wijn