Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bestuurlijke [...] lagere overheden vanaf 1945 (Minister van Justitie)

Geldend van 01-02-2007 t/m heden

Vaststelling selectielijst neerslag handelingen minister van Justitie beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden vanaf 1945

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.03203/6 );

Besluiten:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 15 november 2006

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

algemene rijksarchivaris Archiefachterstanden PWAA

,

M.W. van Boven

De

Minister

van Justitie,
namens deze:
de

project directeur Project Wegwerken

,

A. van der Kooij

Basis selectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het terrein van Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden vanaf 1945

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Ministerie van Algemene Zaken

Ministerie van Financiën

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Ministerie van Economische Zaken

Ministerie van Defensie

Ministerie van Justitie

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties PWAA / Rotterdam versie november 2006

Lijst van afkortingen

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

AR: Algemene Rekenkamer

art.: artikel

BoN: Bestuur op Niveau

BSD: basis selectiedocument

BZK: Binnenlandse Zaken

DG: directoraat-generaal

DGOB: Directoraat generaal Openbaar Bestuur

EFRO: Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling

EROP: Europees Ruimtelijke Ontwikkelingsperspectief

ESF: Europees Sociaal Fonds

GS: Gedeputeerde Staten

GSB: Groot Stedenbeleid

IPO: Interprovinciaal Overleg

KB: Koninklijk Besluit

KIR: (adviescommissie) Kostenverrekening en Informatierelaties

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

KPL : (Wet) Kapitaaluitgaven Publiekrechtelijke Lichamen

MIO: Methode van Institutioneel Onderzoek

MvT: Memorie van Toelichting

OCW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PS: Provinciale Staten

Rbb: Raad voor het binnenlands bestuur

ROB: Raad voor het Openbaar Bestuur

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SER: Sociaal Economische Raad

SG: secretaris-generaal

Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Stcrt.: Nederlandse Staatscourant

TK: Tweede Kamer

VINEX: Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VROM: Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Wgr: Wet Gemeenschappelijke Regeling

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

ZBO: Zelfstandig Bestuurs Orgaan

Definitie van het BSD

Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.

Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.

Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).

In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.

Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.

Functies van het BSD

Het BSD heeft de volgende functies:

  • de selectielijsten in het BSD bieden de grondslag voor de vernietiging en overbrenging van archiefbescheiden waarvoor een zorgdrager verantwoordelijk is (Archiefwet 1995, art. 5, eerste lid);

  • voor de zorgdrager is het BSD bovendien van belang voor de bedrijfsvoering en als mogelijke basis voor archiefordening volgens bedrijfsprocessen;

  • voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de terinzagelegging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d);

  • voor de minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c);

  • voor het Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.

Verantwoording

Doel en werking van het BSD

Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel.

Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn.

Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter van blijvende aard zijn. Om dat belang te beschermen schrijft de Archiefwet 1995 aan de Nederlandse overheidsorganen voor dat zij archiefbescheiden slechts mogen vernietigen op grond van een officieel vastgestelde selectielijst, het Basis Selectiedocument (BSD). Het Archiefbesluit 1995 geeft uitvoerige regels om de zorgvuldigheid bij de totstandkoming van de lijsten te waarborgen.

Een basisselectiedocument kan niet los gezien worden van het daaraan ten grondslag liggende rapport institutioneel onderzoek (RIO). In een RIO wordt van een bepaald beleidsterrein de context beschreven samen met de handelingen van de actoren die binnen het beleidsterrein actief zijn. Een actor is een (overheids)orgaan dat verantwoordelijk is voor bepaalde handelingen. Alle handelingen van een bepaalde actor worden in het RIO beschreven in een logische samenhang met de handelingen van de andere actoren binnen het beleidsterrein.

De context en de logische samenhang bieden de mogelijkheid om tot een zo verantwoord mogelijke selectie van handelingen te komen.

Het BSD heeft tot doel voor de Minister van Binnenlandse Zaken als zorgdrager aan te geven of neerslag voortvloeiend uit handelingen zoals beschreven in het ‘rapport institutioneel onderzoek’ (RIO) op een bepaald beleidsterrein voor blijvende bewaring in aanmerking komt of vernietigd kan worden.

Onder neerslag wordt verstaan: alle gegevens voortvloeiend uit een handeling, onafhankelijk van de drager van die gegevens zoals papier, films, tapes of floppies.

In een BSD zijn de handelingen primair geordend op actor. Hierdoor staan alle handelingen van een actor op een bepaald beleidsterrein bij elkaar. Voor deze herordening is gekozen om voor organen bruikbare selectiedocumenten te kunnen maken.

Definitie van het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden

Het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden behandelt de rol van de centrale overheid ten aan aanzien van de lagere overheden op bestuurlijk en financieel vlak. Onder ‘lagere overheden’ worden verstaan de twaalf provincies en de gemeenten.

Afbakening van het beleidsterrein

Het onderzoek naar het beleidsterrein ‘bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden’ heeft raakvlakken met institutionele onderzoeken op andere beleidsterreinen. Hieronder worden de rapporten genoemd waarin deze onderzoeken zijn vervat. Zij gaan vergezeld van een opsomming van onderwerpen die de bedoelde verwantschap vertonen en in die rapporten behandeld worden.

Zie hoofdstuk 9 van het ‘Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein Constitutionele Zaken’, PIVOT-rapport nummer 68, voor een handeling inzake de voorbereiding van wetgeving

  • tot wijziging dan wel herziening van de Provinciale Wet en de provinciewet,

  • tot wijziging respectievelijk herziening van de gemeentewet,

  • met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen,

  • met betrekking tot de indeling van het grondgebied1,

  • met betrekking tot de financiering van lagere overheden.

De handelingen over de twee laatste onderwerpen behelzen ook de voorbereiding van AMvB’s.

Dit rapport behandelt tevens de volgende ‘naburige’ onderwerpen:

  • de benoeming en ambtsinstructie van de Commissaris van de Koningin;

  • benoeming, schorsing en ontslag van de burgemeester;

  • de Raad voor het binnenlands bestuur/Raad voor het Openbaar Bestuur;

  • (andere handelingen inzake) de voorbereiding van relevante wetgeving en AMvB’s;

  • (een handeling met betrekking tot) de instelling van provincies, gemeenten en

  • waterschappen;

  • de rechtspositie van gekozen politieke bestuurders en de organisatie van verkiezingen;

  • Provinciale Statenverkiezingen.

Naar het ‘Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein Waterstaat’, PIVOT-rapport nummer 28, zij verwezen voor:

  • de rol van het Rijk (dat wil zeggen: de Minister van Verkeer en Waterstaat) ten aanzien van de inrichting en samenstelling der waterschappen;

  • de handelingen en problematiek (voorbereiding wetgeving tot instelling openbare lichamen, benoeming van landdrosten, uitoefening van bevoegdheden, advisering met betrekking tot het bestuur) met betrekking tot de openbare lichamen in de IJsselmeerpolders.

Het ‘Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein Politie (deel II)’, PIVOT-rapport nummer 31 bespreekt de regeling van bevoegdheden van de burgemeester vanaf 1957 met betrekking tot handhaving van de openbare orde.

De organisatie van de Rijksoverheid is een beleidsterrein dat zal worden behandeld in een uitsluitend daaraan gewijd, nog te verschijnen Rapport institutioneel onderzoek.

Het grotestedenbeleid neemt een aparte plaats in waar het de begrenzing van het onderzoek betreft. Omdat dit beleid zich richt op de verbetering van de bestuurlijke en sociaal-economische positie van de grote steden, heeft het veel raakvlakken met andere beleidsterreinen, zoals de ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, economie, milieu, volkshuisvesting, minderheden, werkloosheidsbestrijding, enz. Op al deze beleidsterreinen wordt of is een PIVOT-onderzoek uitgevoerd, waarbij dieper op de materie wordt ingegaan dan op deze plaats mogelijk is. Dit onderzoek beperkt zich tot de veranderingen op bestuurlijk niveau en de coördinerende rol van de Minister van Binnenlandse Zaken daarbij.

Het taakgebied waartoe het beleidsterrein behoort

In het beleid voor het openbaar bestuur worden twee dimensies onderscheiden. In de eerste plaats de organisatorische inrichting van het openbaar bestuur, waarbij het gaat om een evenwichtige toedeling van taken en bevoegdheden tussen overheden en om de bestuurlijke schaal. De tweede dimensie is de werkwijze, het functioneren van de overheid. Een kwalitatief hoogwaardig openbaar bestuur – structuur en werkwijze is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en de decentrale overheden.

Het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden behoort tot taakgebied Organisatie openbaar bestuur.

In werkelijkheid zijn de organisatie en het functioneren van het openbaar bestuur uiteraard nauw met elkaar verbonden. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in het grotestedenbeleid. Dit beleid omvat zowel een verruiming van bevoegdheden en middelen voor de grote steden, als een voortvarende ‘cultuuromslag’ in de beleidsuitvoering om kansen te benutten en problemen te lijf te gaan.

De doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein

Nederland wordt veelal gekarakteriseerd als een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Bij een gedecentraliseerde eenheidsstaat is er sprake van ‘een wisselwerking tussen zelfstandige, maar onderling afhankelijke en derhalve gebonden eenheden’.2 Er is sprake van drie bestuurslagen:

  • De rijksoverheid, bestaande uit de beide Kamers van de Staten-Generaal en regering (koningin en ministers);

  • De twaalf provincies met als vertegenwoordigend orgaan de Provinciale Staten en als dagelijks bestuur Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin;

  • De gemeenten met de gemeenteraad als vertegenwoordigend orgaan en het College van Burgemeester en Wethouders.

Het karakter van een eenheidsstaat komt hierin tot uiting dat enkele belangrijke taken en bevoegdheden zijn gecentraliseerd. De wetgevende macht wordt gevormd door Koningin en Staten-Generaal, de uitvoerende macht berust bij de Kroon, en er geldt één rechtsstelsel. Aan de andere kant worden aan Provinciale Staten en de gemeenteraden de regeling en het bestuur van de eigen huishouding overgelaten. Deze territoriale en financiële decentralisatie geeft deze lichamen een zekere autonomie op vrijwel alle gebieden waar de overheid mee te maken heeft. Daarnaast is er de zogenaamde functionele decentralisatie, waarbij bepaalde lichamen, zorg dragen voor de behartiging van bepaalde belangen. Dit zijn waterschappen, product- en bedrijfsschappen en andere lichamen met verordenende bevoegdheid. Ze worden ook wel aangeduid als doelcorporaties.

Om haar taken naar behoren te kunnen vervullen moet de centrale overheid, die functioneert op het niveau van de eenheidsstaat, tot organisatorische splitsingen overgaan. Zo zijn onder meer de departementen ontstaan. De verantwoordelijkheid van de overheid strekte zich steeds meer uit over allerlei aspecten van de samenleving, de overheidstaken werden complexer en de ministeries hebben zich in toenemende mate verzelfstandigd. Dit noodzaakte tot een zo zinvol mogelijke verspreiding van overheidstaken over de ministeries en een goed verlopende samenwerking en coördinatie.

De centrale overheid maakt tevens gebruik van gedeconcentreerde diensten. Deze regionaal gespreide onderdelen van de ministeries vallen hiërarchisch gezien weliswaar onder de centrale overheid, maar hebben ook decentrale kenmerken. Ten slotte treft men bij de lagere overheden diensten aan met grote zelfstandigheid waardoor ook hier de coördinatie en afstemming de nodige aandacht vraagt.3

De bevoegdheid om het bestuur op een bepaald niveau in te richten berust in beginsel bij het betreffende bestuur. Voor de organisatie van de rijksoverheid is dit dus de regering. Deze bevoegdheid is onderworpen aan parlementaire controle. Bij de lagere bestuurslagen worden sommige zaken ook bij wet geregeld.

De karakterisering van Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat geldt vanaf 1848. Daarbij zijn drie kenmerken van belang. Eén van de kenmerken daarbij is autonomie. Door de toenemende bemoeienis van de rijksoverheid is dit begrip echter verwaterd. In dit kader valt ook de term medebewind. Dit is de verplichting van de staatsonderdelen om mee te werken aan de uitvoering van regelingen van een hogere bestuurslaag. De afbakening tussen enerzijds autonomie en anderzijds medebewind is niet statisch, maar staat onder invloed van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Ten slotte is er bij een gedecentraliseerde eenheidsstaat de noodzaak tot toezicht op een lagere bestuurslaag. (repressief toezicht: o.a. schorsing of vernietiging van besluiten van lagere overheden; preventief toezicht: goedkeuring vooraf door hogere overheid)4

In de huidige bestuursverhoudingen is er sprake van complementair bestuur. Bestuurslagen dienen elkaar aan te vullen en te corrigeren bij de uitvoering van taken en bevoegdheden. Daarbij zijn er zowel centraliserende als deconcentrerende tendensen. Anderzijds streeft de overheid er naar om overheidstaken zoveel mogelijk gedecentraliseerd en dichtbij de burger moeten worden gebracht.

Dwars door centralisatie en territoriale decentralisatie heen neemt het functioneel bestuur in omvang en betekenis toe. Bepaalde belangen worden in eigen bestuurlijke organisaties ondergebracht. Ook richten gemeenten, maar ook rijk en provincies stichtingen en verenigingen op ter uitvoering van bepaalde overheidstaken.

Maatschappelijke ontwikkelingen hebben bij deze tendensen een rol gespeeld. Ook de opvattingen over wat aan het particulier initiatief kan en aan de overheid moet worden toevertrouwd zijn veranderd. Het takenpakket van de overheid is enerzijds groter geworden. Anderzijds is zij soms bereid taken af te stoten aan particulier initiatief of die daar te laten, hoewel er dan vaak wel (financiële) banden blijven bestaan.5 Deze veranderingen in het takenpakket van de overheid en de opvattingen over de vervulling ervan zijn van invloed op de organisatie van de Rijksoverheid.

De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen

Hier wordt alleen een overzicht gegeven. Voor nadere informatie over afzonderlijke actoren zij verwezen naar het complete actorenoverzicht.

Actoren waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorgdrager is

Minister van Binnenlandse Zaken

Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid

Minister voor Nederlands-Antilliaanse zaken

Beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen

Commissie onderzoek herziening verdeelmaatstaven algemene uitkering Gemeentefonds

Commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften

Commissie voor de gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften

Commissie voor de provinciale comptabiliteitsvoorschriften

Externe Commissie Grote Stedenbeleid (Commissie Montijn)

Interdepartementale Commissie Grotestedenbeleid

Interdepartementale commissie openbaar bestuur

Raad van advies voor de gemeentefinanciën (1955–1960)

Raad voor de Territoriale Decentralisatie

Rijkscommissaris van advies voor de gemeentefinanciën

Werkgroep herziening gemeentewet (Werkgroep Van Kinschot)

Actoren waarvoor de Minister van Algemene Zaken zorgdrager is

Minsterraad

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)

Overige Ministers

Minister van Buitenlandse Zaken

Minister van Defensie

Minister van Financiën

Minister van Jusstitie

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Verkeer en Waterstaat

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Vakminister

Lagere overheden

Van de actoren die hiertoe behoren, zijn wel handelingen geformuleerd, maar niet gewaardeerd, omdat volgens de Methode Institutioneel Onderzoek in een BSD alleen actoren worden opgenomen die vallen onder de centrale rijksoverheid.

Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden.

Dit BSD Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden behandelt de periode 1945–1999. In die jaren was de Minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het archiefbeheer van het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden en daarmee ook voor het laten opstellen en vaststellen van een BSD.

Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

Algemene selectiecriteria

Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)

Algemeen selectiecriterium

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen door de zorgdrager(s) en het Nationaal Archief, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, gezamenlijk beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7).

Conform het Archiefbesluit 1995, art. 5, onder d 1° worden in het BSD de algemene criteria en eventuele beleidsterrein-specifieke criteria opgesomd om verantwoording te geven van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het selectiebeleid.

Overigens verlangt art. 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in speciale gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. Hiertoe wordt de volgende formule in het BSD opgenomen:

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Vernietigingstermijnen

De toepassing van de vernietigingstermijnen is als volgt:

  • a. een dossier wordt afgesloten (bijv. op 30 januari 1999);

  • b. de bijbehorende vernietigingstermijn wordt hierbij opgeteld (bijv. 10 jaar);

  • c. het dossier wordt bewaard tot en met 31 december 2009 (1999 + 10);

  • d. de betrokken directeur wordt in de loop van dat jaar (in dit voorbeeld 2009) op de hoogte gesteld van de voorgenomen vernietiging van dit dossier;

  • e. het dossier wordt vernietigd per 2 januari 2010, tenzij de betrokken directeur zwaarwichtige redenen heeft voor uitstel van vernietiging (administratief of juridisch belang).

Verslag van de vaststellingsprocedure

In 2004 is het ontwerp-BSD door N. Gietema van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties namens de betrokken zorgdragers aan destijds de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RVC is verstuurd.

Vanaf 1 september 2006 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals bij de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 1 november 2006 bracht de RvC advies uit (arc-2006.03203/6) hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 15 november 2006 door de algemene rijksarchivaris namens de Minister van Onderwijs, Cultuur voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/06/3022) en de Project Directeur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/06/3017), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S&A/06/3018), de Minister van Economische Zaken (C/S&A/06/3019), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/06/3020), de Minister van Defensie (C/S&A/06/3021), de Minister van Algemene Zaken (C/S&A/06/3023), de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/06/3024), de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S&A/06/3025), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/06/3026), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/06/3027), de Minister van Financiën (C/S&A/06/3028) en de Minister van Justitie (C/S&A/06/3029) vastgesteld.

Leeswijzer

(X): Dit is het volgnummer van de handeling.

Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Bijvoorbeeld:

Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945 – genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend,.

kan op twee manieren worden vermeld.

(1)

  • de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de ministeriële regeling;

  • het betreffende artikel en lid daarvan;

  • de vindplaats of bron;

  • wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

(2)

  • naam van de wet, de algemene Maatregel van bestuur, het Koninklijk Besluit of ministeriële regeling;

  • het betreffende artikel en het lid daarvan.

De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product: Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.

Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

Waardering Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

Actorenoverzicht

Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op een bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de Minister van Binnenlandse Zaken vallen worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijksoverheid behoren.

Actoren die worden voorafgegaan door * zijn geen actor in de zin van PIVOT. Van de belangrijkste actoren binnen deze groep wordende handelingen wel weergegeven. Deze actoren zijn aangeduid met *’.

Actoren waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorgdrager is

Minister van Binnenlandse Zaken

De minister is en was de belangrijkste actor op het beleidsterrein van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden. Zijn taak op dit terrein is de bevordering van een doelmatig, doeltreffend en democratisch openbaar bestuur. Hiertoe richt zijn beleid zich op de inrichting, werking en financiering van het binnenlands bestuur, in het bijzonder de provincies en gemeenten, en voorts op decentralisatie, grote stedenbeleid (tot 1998)6, sociale vernieuwing en de indeling van het grondgebied.

Minister voor Grote steden- en Integratiebeleid

Deze houdt zich sinds 1998 bezig met het grote stedenbeleid. De coördinerende bevoegdheden van de minister zijn groter dan die van zijn voorganger, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken7. Anders dan deze heeft de minister budgettaire medeverantwoordelijkheid voor rijksuitgaven op het gebied in kwestie.

Minister voor Nederlands-Antilliaanse zaken

Samen met de Minister van Buitenlandse Zaken was deze minister in de jaren tachtig betrokken bij de uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen, alsmede bij de vaststelling van de zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba.

Adviescommissie ex artikel 285, tweede lid, Gemeentewet.

Ingesteld op 7 april 1994 (Stcrt. van 14 april 1994/72). Opvolger van de Adviescommissie Wet algemene regels herindeling. Taak was de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren omtrent het oordeel dat aan hem werd gevraagd in het kader van artikel 285, tweede lid, eerste volzin, van de Gemeentewet. [Het archief wordt na beëindiging van de werkzaamheden bewaard door het Ministerie van Binnenlandse Zaken.]

Adviescommissie Kostenverrekening en Informatierelaties.

Ingesteld op 1 februari 1998 (Stcrt. 1998/227). Taak was de regering uiterlijk 31 juli 1998 een eenmalig advies te geven over de vraag of en, zo ja, op welke wijze de financiële gevolgen van verplichte informatieverstrekking door gemeenten en provincies aan departementen en zelfstandige bestuursorganen kunnen worden gecompenseerd. Voorzitter was dhr. Tops, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant. [Na opheffing van de cie. is het secretariaatsarchief overgedragen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken.]

Adviescommissie Wet algemene regels herindeling.

Ingesteld op 25 november 1992 (Stcrt. van 9 december 1992/239). Taak was de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren omtrent het oordeel dat aan hem werd gevraagd door colleges van burgemeester en wethouders over een voorstel van Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 83 van de Wet algemene regels herindeling. In deze commissie zaten vooral (oud-)burgemeesters, en voorts onder meer medewerkers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De commissie werd opgevolgd door de Adviescommissie ex artikel 258, tweede lid, Gemeentewet (Stcrt. van 14 april 1994/72), die bijna identiek was samengesteld. [Het archief zou na beëindiging van de werkzaamheden worden bewaard door het Ministerie van Binnenlandse Zaken.]

Beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen.

In 1981 ingesteld. Taak: het beleidsmatige beheer van het gegevensbestand specifieke uitkeringen. Dat wil zeggen: het actualiseren van de gegevens, de feitelijke aanpak van de gegevensverkrijging op de departementen, de splitsing van het gegevensbestand in een historisch en een lopend deel, de uitbesteding van de gegevensverwerking voor zover die niet in eigen beheer kan worden gerealiseerd, en de gegevensverstrekking. [De Minister van Binnenlandse Zaken voert het secretariaat.]

Commissie Christiaanse

Op 1 juni 1981 is bij beschikking van 26 mei 1981 (Stcrt. 1981/104) door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken de Commissie Christiaanse ingesteld. De commissie kreeg een drieledige opdracht:

  • onderzoek naar de omvang, samenstelling en de inhoud van het belastinggebied van provincies en gemeenten;

  • advies over mogelijke inkrimping van het rijksbelastinggebied in verband met een uitbreiding van het belastinggebied van de provincies en gemeenten;

  • onderzoeken of de formeelrechterlijke bepalingen inzake de heffing en de invordering van de belastingen aanpassing behoefden.

Commissie onderzoek herziening verdeelmaatstaven algemene uitkering Gemeentefonds.

Ingesteld in 1981 ter begeleiding van door het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven te verrichten onderzoek naar de gemeentelijke financiën, en ter advisering daarover aan de betrokken bewindslieden. [Het secretariaat lag mogelijk bij de Raad voor de gemeentefinanciën – vertegenwoordigers van het secretariaat van de Raad hebben nl. zitting in de Commissie]

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

Commissie reorganisatie bestuur regio Rotterdam.

Ingesteld in 1994 voor een periode van vier jaar (Kaderwet bestuur in verandering, Stb.1994/396, art. 37 e.v.). Deze commissie bereidde de totstandkoming voor van een overeenkomst tussen de besturen in deze regio (gemeentebestuur van Rotterdam, bestuur van de provincie Zuid-Holland, bestuur van het regionaal openbaar lichaam). Bovendien bevorderde zij de goede uitvoering van die overeenkomst. De Minister van Binnenlandse Zaken was voorzitter-lid. [Het archief wordt bij opheffing van de commissie overgedragen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken.]

Commissies voor de provinciale comptabiliteitsvoorschriften

De commissies adviseerden de Minister van Binnenlandse Zaken over de werking en inrichting van provinciale begrotingen, rekeningen en de controle daarop. In 1994 werd de laatste, sinds 1980 bestaande provinciale commissie samengevoegd met de gemeentelijke commissie. Zie: Commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften.

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

Commissie voor de gemeentelijke comptabiliteitvoorschriften

Ingesteld in 1950 (bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 1950 nr. 32485). Deze adviseerde de Minister van Binnenlandse Zaken over alle onderwerpen die te maken hebben met de werking en de inrichting van de gemeentebegroting, de gemeenterekening en de controle daarop. Deze commissie heeft talloze adviezen uitgebracht. Belangrijkste doel daarvan was het brengen van eenheid in de begrotings- en rekeningsopzet van de gemeenten. In 1994 is deze commissie samengevoegd met de provinciale commissie. Zie: Commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften.

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

Commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften.

In 1994 ontstaan uit het samengaan van de gemeentelijke commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften en de provinciale commissie voor de comptabiliteitvoorschriften. De voorzitter en overige leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister.

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

* Commissie Grotestedenbeleid (Visitatiecommissie Brinkman)

Deze commissie adviseerde over de samenwerking tussen de steden en het rijk. Dit advies mondde uit in het rapport ‘Groot onderhoud der steden: Samenwerking in samenhang’. [Het secretariaat van de commissie werd gevoerd door BenA Groep Beleidsonderzoek en -Advies bv.]

* Gemengde werkgroep grote steden (commissie Schuyt)

Deze ambtelijke werkgroep adviseerde de Minister van Binnenlandse Zaken over de vraag hoe op korte termijn de bestuurskracht en de bestuursvrijheid van het plaatselijke bestuur kon worden vergroot. Het advies van deze werkgroep, verwoord in het rapport ‘Een Schuyt, die tegen de stroom wordt opgeroeyt’, verscheen in 1982 en werd gezien als een belangrijke stap voorwaarts binnen het kader van het grote stedenbeleid.

Externe Commissie Grote Stedenbeleid (Commissie Montijn)

Deze commissie werd ingesteld op 13 juni 1988 door de Minister van Binnenlandse Zaken en stond onder voorzitterschap van de heer J.A.P. Montijn. De taak van de commissie bestond uit het adviseren van de regering en de colleges van burgemeester en wethouders van de vier grote steden over de inrichting, inhoud, effectiviteit en voortgang van het grote stedenbeleid, in het bijzonder ter versterking van de sociaal-economische positie van de steden. Op 7 maart 1989 werd het rapport ‘Grote steden, grote kansen’ uitgebracht. [De Minister van Binnenlandse Zaken is zorgdrager.]

Interdepartementale Commissie Grotestedenbeleid

Deze commissie adviseert en doet voorstellen aan de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, de Raad voor het Grote Stedenbeleid, de Ministerraad of de vakminister inzake de ontwikkeling en de uitvoering van het grotestedenbeleid. Hierbij schenkt zij bijzondere aandacht aan de interdepartementale en interbestuurlijke samenhang in dat beleid. De commissie vormt het ambtelijk voorportaal van de Raad voor het Grote Stedenbeleid. [Het secretariaat van de commissie berust bij de directie Interbestuurlijke Betrekkingen en Informatievoorziening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.]

Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur

Ingesteld 12 april 1999 (Stcrt. 1999/84) als opvolger van de Interdepartementale commissie binnenlands bestuur. De commissie is ambtelijk voorportaal voor de Raad voor Justitie, Bestuur en Veiligheid voor zover het betreft de voorbereiding van de besluitvorming in die raad over belangrijke wetgeving en beleidsonderwerpen op het terrein van de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur. Tevens heeft de commissie tot taak de Minister van Binnenlandse Zaken en de minister die het aangaat te adviseren over zowel bestaande als voorgenomen wet- en regelgeving en beleidsinitiatieven.

Raad van advies voor de gemeentefinanciën (1955–1960)

Deze raad is de opvolger van de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën en de voorloper van de Raad voor de gemeentefinanciën. Hij werd ingesteld bij de wet van 8 januari 1955, Stb.1955/17. Zijn taak bestond uit het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, alsmede de overige Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, over de uitvoering van de Wet van 8 Januari 1955 betreffende de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten voor de jaren 1953 tot en met 1957 (Stb.1955/17), en over de onderwerpen waarbij de financiën der gemeenten in betekenende mate waren betrokken.

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

Raad voor de financiële verhoudingen

Bij de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen 21 februari 1997, is deze raad ingesteld. Deze raad is geen ongewijzigde voortzetting van de Raad voor de gemeentefinanciën die bij de Herzieningswet adviesstelsel 1993/94, 24232 (Stb.) is opgeheven. De raad adviseert bij ‘majeure’ vraagstukken, m.a.w. alleen bij zaken waarbij of grote bedragen of grote (veel) belangen mee gemoeid zijn, en over Provinciale financiën

Overigens bestaat er geen verplichting voor de overheid om advies bij de Raad in te winnen.

Raad voor de gemeentefinanciën

De Raad voor de gemeentefinanciën, ingesteld bij de Financiële-Verhoudingswet 1960 en voortgezet onder de Financiële-Verhoudingswet 1984, adviseerde de ministers over aangelegenheden van algemene aard waaraan belangrijke financiële consequenties voor de gemeenten zijn verbonden. Publiekrechtelijke lichamen waren verplicht de door de Raad gevraagde informatie te verschaffen.

De voorlopers van de Raad, de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën (1929–1955) en de Raad van advies voor de gemeentefinanciën (1955–1960), hadden in feite dezelfde taak.

Raad voor de Territoriale Decentralisatie.

Ingesteld in 1964 (Wet van 25 juni 1964, Stb. 1964/236). Taak was de ministers desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over aangelegenheden betreffende territoriale decentralisatie. Ten minste de helft van de leden was afkomstig uit de kringen van het provinciaal en het gemeentelijk bestuur. In 1980 hield de Raad op te bestaan (Stb. 1979/784).

Zorgdrager is de Minister van Binnenlandse Zaken.

Raad voor het binnenlands bestuur.

Opgericht in 1980 (Stb. 1979/784). Opgeheven en opnieuw ingesteld in 1986 (Stb. 1986/104). Taak: advisering aan de ministers en, vanaf 1986, de Tweede Kamer inzake de hoofdpunten van de inrichting en werking van het binnenlands bestuur. Tot 1986 werd ook geadviseerd over kwesties in het kader van decentralisatie. Over het bestuur in grootstedelijke gebieden bracht de Raad op 8 maart 1989 het rapport ‘Het bestuur in grootstedelijke gebieden’ uit.

*Raad voor het openbaar bestuur

Ingesteld bij wet van 12 december 1996 (Stb. 1996/623). Zij heeft tot taak het adviseren van de regering en de beide Kamers van de Staten Generaal over de inrichting en het functioneren van de overheid met het oog op het vergroten van haar doeltreffendheid en doelmatigheid en met bijzondere aandacht voor de uitgangspunten van de democratische rechtstaat.

Het BSD voor Constutionele Zaken, dat nog niet is vastgesteld, behandelt de Raad voor het openbaar bestuur.

Raad voor het Grote Stedenbeleid

Deze raad is in de Ministerraad van 2 oktober 1998 ingesteld ter versterking van de (coördinatie)structuur van het grote stedenbeleid te versterken. De raad bereidt de besluiten inzake het grotestedenbeleid in de Ministerraad voor.

Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën

Bij de wet van 15 juli 1929 ingesteld betreffende de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten (Stb. 1929/388) en had tot taak de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken en de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur te adviseren over de vaststelling van de uitkeringen aan de gemeenten en over andere onderwerpen inzake gemeentefinanciën. Deze commissie bestond tot 1955 (Stb. 1955/17, art. VII) en ging vooraf aan de Raad van advies voor de gemeentefinanciën.

Zorgdrager was de Minister van Binnenlandse Zaken

Werkgroep Herziening Gemeentewet (Werkgroep Van Kinschot)

Ingesteld in 1977 door de Minister van Binnenlandse Zaken (beschikking van 14 maart 1977). Samengesteld uit onder meer rijks-, provincie- en gemeenteambtenaren, medewerkers van universiteiten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Taak: het, zo mogelijk binnen een jaar, voorbereiden van een nieuwe gemeentewet met memorie van toelichting. Op 31 maart 1978 bracht de werkgroep een tussentijds rapport uit. Op 20 oktober 1980 verscheen het eindrapport.

Actoren waarvoor de Minister van Algemene Zaken zorgdrager is

Ministerraad

In 1949 werd door de commissie voor de westelijke grenzen van Duitsland een protocol ondertekend naar aanleiding waarvan de oostelijke grens van ons land een reeks correcties onderging door toevoeging van Duits grondgebied. Een aantal gemeenten onderging hierdoor gebiedsuitbreiding. Voor een gedeelte van het toegevoegde gebied werden echter drostambten ingesteld. Zo ontstond ten zuidoosten van de gemeente Zevenaar het drostambt Elten en ten oosten van de gemeenten Nieuwstadt en Sittard het drostambt Tudderen (Tüddern).

De Ministerraad was betrokken bij de benoeming van landdrosten in drostambten.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Zij adviseert de regering sinds 1990 over het grote stedenbeleid. Het advies in kwestie verscheen in het rapport ‘Van de stad en de rand’. Zorgdrager is de Minister van Algemene Zaken.

Overige Ministers

Minister van Buitenlandse Zaken

Deze hield zich midden jaren tachtig bezig met de grenzen van de Nederlandse territoriale zee. Voorts was hij in die tijd, samen met de Minister van Nederlands-Antilliaanse zaken, betrokken bij de uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen, alsmede bij de vaststelling van de zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba.

Minister van Defensie

Tot in 1957 was in de gemeentewet opgenomen dat de burgemeester bij handhaving van de openbare orde bevoegd was de hulp van krijgsvolk te vorderen. Deze vordering werd gericht tot het door de Minister van Defensie aan te wijzen gezag. De burgemeester gaf van de vordering terstond kennis aan de Commissaris van de Koningin. De burgemeester bepaalde, zoveel mogelijk in overleg met het aangewezen gezag, de sterkte en de soort van het krijgsvolk. Werden ze het niet eens, dan besliste de burgemeester, behoudens beroep van het aangewezen gezag op de met de uitvoering van de gemeentewet belaste minister (de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw). Hangende de beslissing van deze minister werd, voor zover mogelijk, aan de vordering van de burgemeester gevolg gegeven.

Voor het vaststellen van bebouwingsgegevens zijn luchtfoto’s nodig. De Minister van Defensie moet toestemming geven voor het maken daarvan.

Minister van Economische Zaken

Vanaf 1995 draagt de Minister van EZ, samen met de Minister van BZK (vanaf minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid) regelingen voor voor het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid. Ook voert de minister sinds 1996 overleg over de verdeling van de Europese middelen. Sinds 1994 (1945?) is de Minister van EZ mede-verantwoordelijk voor het bij AMvB aangeven hoe financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking worden gecompenseerd.

Minister van Financiën

Deze minister is een belangrijke actor op het deelterrein van de financiële organisatie van de lagere overheden. Meestal is hij mede-actor van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Minister van Justitie

Deze minister is als vakminister betrokken bij het beleidsterrein bestuurlijk en financiële organisatie lagere overheden.

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

In 1994 werd door de Europese Commissie het Urban-initiatief gelanceerd, een communautair initiatief om achterstandswijken in de Europese steden een sociaal-economische impuls te geven. De door de Europese Commissie gereserveerde gelden voor het Urban-programma (URBAN I) werden conform de afspraken in het convenant door de Europese structuurfondsen (het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling) (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) toegekend aan o.a. de wijken Delfshaven in Rotterdam en Lombok in Utrecht (alleen EFRO) als de wijk Bijlmermeer in Amsterdam en de Schilderswijk in Den Haag (zowel EFRO als ESF).

De Minister van LNV bepaalt samen met de Minister voor het Grote Stedenbeleid de verdeling van de Europese Middelen.

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Uit het Gemeentefonds, ingesteld in 1931, werden jaarlijks betalingen aan gemeenten verricht ten behoeve van de algemene uitkering en enige doel-uitkeringen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bepaalde mede welke gemeenten recht hadden op een uitkering.

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Uit het Gemeentefonds, ingesteld in 1931, werden jaarlijks betalingen aan gemeenten verricht ten behoeve van de algemene uitkering en enige doel-uitkeringen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid leverde kwantitatieve gegevens aan ter berekening van enkele van die uitkeringen.

Minister van Verkeer en Waterstaat

De minister is mede-actor van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van onderwerpen die met de Waterstaat te maken hebben.

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Begin jaren zestig werd de noodzaak gevoeld het beleid van de gemeentebesturen te coördineren, hetgeen vanaf 1965 resulteerde in de instelling van gewesten. De Minister van Volkshuisvesting bereidde wetgeving voor met betrekking tot instelling en opheffing van gewesten en de bevoegdheden ervan.

Uit het Gemeentefonds, ingesteld in 1931, werden jaarlijks betalingen aan gemeenten verricht ten behoeve van de algemene uitkering en enige doel-uitkeringen. Het Ministerie van Volkshuisvesting bepaalde mede welke gemeenten recht hadden op een uitkering.

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Uit het Gemeentefonds, ingesteld in 1931, werden jaarlijks betalingen aan gemeenten verricht ten behoeve van de algemene uitkering en enige doel-uitkeringen. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport leverde kwantitatieve gegevens aan ter berekening van enkele van die uitkeringen.

Vakminister

Actoren lagere overheden

*’Openbare lichamen

Dit zijn provincies, gemeenten, en waterschappen. Binnen dit beleidsterrein moeten zij zich verantwoorden aan controlerende instanties, zoals Rijk en Gedeputeerde Staten.

*’Commissaris van de Koningin

De commissaris wordt benoemd door de Kroon en maakt deel uit van het provinciaal bestuur. Hij is voorzitter van Gedeputeerde Staten en tevens is hij de vertegenwoordiger van het Rijk in de provincie. Hij heeft het toezicht over de ambtelijke organisatie en over eventuele provinciale bedrijven.

*’Gedeputeerde Staten

Het college van Gedeputeerde Staten vormen het dagelijks bestuur van een provincie. Haar voornaamste taak is het voorbereiden en uitvoeren van besluiten van Provinciale Staten. Provinciale Staten kunnen aan Gedeputeerde Staten bevoegdheden van henzelf overdragen, bijvoorbeeld de bevoegdheid tot het maken van verordeningen of het houden van toezicht op een ander publiekrechtelijk lichaam.

In dit BSD komen de GS van de volgende drie provincies nader in beeld:

  • Gedeputeerde Staten van Noord Brabant

  • Gedeputeerde Staten van Overijssel

  • Gedeputeerde Staten van Zuid Holland

*’Provinciale Staten

Zij vormen het algemeen bestuur van de provincie. Alle bevoegdheid met betrekking tot regeling en bestuur van de provinciale huishouding die door de wet niet aan Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koningin is toegekend, valt toe aan Provinciale Staten. Als voornaamste taken hebben zij het vaststellen van het provinciaal beleid en het toezien op de uitvoering ervan.

In dit BSD komen de PS van twee provincies nader in beeld:

  • Provinciale Staten van Noord Brabant

  • Provinciaal bestuur Zuid Holland

*’ Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland

Dit openbaar lichaam is ingesteld in 1985 door de Minister van Binnenlandse Zaken (Wet instelling provincie Flevoland, Stb. 1985/360, art. 16). Tot de datum van instelling van de nieuwe provincie verrichte dit lichaam de handelingen en nam zij besluiten die nodig waren opdat het bestuur van deze provincie vanaf de instelling zijn taken kon verrichten.

Het voorbereidingslichaam bestond uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.

Deel a. actoren waarvoor de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties zorgdrager is

1. Minister van Binnenlandse Zaken

Algemene handelingen

1.

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: nota Sociale Vernieuwing, opdracht en Handreiking

Waardering: B (1,2)

2.

Handeling: Het evalueren van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Notities, evaluaties

Waardering: B (2)

3.

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Grondslag: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Product: Wet, algemene maatregel van bestuur, koninklijk besluit

Opmerking: Het betreft hier wet- en regelgeving die niet als product van een andere handeling in dit onderzoek zijn opgenomen.

Waardering: B (1)

4.

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Serie jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Opmerking: Vanaf 1998 wordt deze handeling met betrekking tot grote steden- en integratiebeleid door de Minister van Grote steden- en Integratiebeleid uitgevoerd.

Waardering: B (3)

5.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anders op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet 1938/1946/1948, art. 97; Grondwet 1953/1956/1963/1972, art. 104; Grondwet 1983/1987/1995, art. 68

Product: Brief, notitie

Waardering: B (2, 3)

6.

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Waardering: B (3)

7.

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen

Periode: 1945–

Product: Beschikking, verweerschrift

Waardering: V 10 jaar

8.

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–

Product: Internationale regeling, nota, rapport

Waardering: B (1)

9.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Brief, notitie

Waardering: V 5 jaar

10.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Opmerking: Zie voor het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid handeling 1.

Waardering: B (5) 1 exemplaar (N.B.: van het voorlichtingsmateriaal wordt één exemplaar bewaard; de andere voorbereidende stukken worden vernietigd)

V 5 jaar overige neerslag

11.

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Offerte, brief, rapport

Waardering: B (1, 2)

12.

Handeling: Het begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Notitie, notulen, brief

Opmerking: Vanaf 1998 wordt deze handeling met betrekking tot grote steden- en integratiebeleid door de Minister van Grote steden- en Integratiebeleid uitgevoerd.

Waardering: V 5 jaar

13.

Handeling: Het verzamelen van gegevens ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Waardering: V 5 jaar

14.

Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Rekening, declaratie

Waardering: V 10 jaar

15.

Handeling: Het op aanvraag om ondersteuning verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Waardering: V 10 jaar

16.

Handeling: Het (bij KB) instellen van commissies voor advisering over het beleid en wet- en regelgeving ten aanzien van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Grondslag: Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 1950, nr. 32485; Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979, art. 28; Provinciewet 1992, art. 188 lid 1

Producten: – Instellingsbeschikking Werkgroep Herziening Gemeentewet, Stcrt. 22 maart 1977/57, p.17;

– Instellingsbeschikking Externe Commissie Grote Stedenbeleid, 13 juni 1988, nr. IBI88/11/U15, Stcrt. 1988/126;

– Instelling adviescommissie Wet algemene regels herindeling, Stcrt. van 9 december 1992/239;

– Instelling adviescommissie ex artikel 285, tweede lid, Gemeentewet, Stcrt. van 14 april 1994/72;

– Besluit adviescommissie KIR, Stcrt. 1998/227; Besluit BIO98/U97;

– Instelling Interdepartementale commissie Grote Stedenbeleid, 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, Stcrt. 1999/3

Waardering: B (4)

17.

Handeling: Het (bij KB) benoemen van leden, plaatsvervangende leden, secretaris en adjunct-secretaris(sen) van adviescommissies

Periode: 1945–

Grondslag: Koninklijk Besluit, instellingsbeschikking

Waardering: V 5 jaar na einde benoeming

18.

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van organisatie-eenheden op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: Instellingsbeschikking van 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, directie Grote Stedenbeleid (GSB), Stcrt. 1999/32

Waardering: B (4)

19.

Handeling: Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over de vergaderingen van nationale en internationale commissies, werkgroepen, advies- en overlegorganen op het beleidsterrein bestuurlijke en financiële organisatie van de lagere overheden, waarvan het voorzitterschap en/of het secretariaat bij Binnenlandse Zaken berust

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeelden zijn de Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur en de Interdepartementale Commissie Grotestedenbeleid

– Vanaf 1998 wordt deze handeling met betrekking tot grote steden- en integratiebeleid door de Minister van Grote steden- en Integratiebeleid uitgevoerd.

Waardering: B (1)

22.

Handeling: Het op het beleidsterrein van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden deelnemen aan een advies- of overlegcommissie waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij het ministerie berust

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeeld is de interdepartementale Commissie Ontwikkeling Beleidsanalyse (Stcrt. 1971/213/p.3).

Waardering: V 5 jaar

23.

Handeling: Het deelnemen aan het bestuur van privaatrechtelijke instellingen op het gebied van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Waardering: V 5 jaar

24.

Handeling: Het oprichten en in stand houden van privaatrechtelijke instellingen op het gebied van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Opmerking: Te denken valt aan stichtingen die door de overheid (mede) zijn opgericht ten behoeve van een beleidsdoelstelling.

Waardering: B (4)

25.

Handeling: Het voeren van gestructureerd overleg op het beleidsterrein van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeelden zijn overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO). Voorbeelden met betrekking tot het grote stedenbeleid zijn: overleg met de vier grote gemeenten en overleg met de G 21 of de G5 (aanleungemeenten).

Waardering: B (1,2)

26.

Handeling: Het voeren van overleg met mede-ministers over maatregelen en voornemens met betrekking tot het rijksbeleid inzake gemeenten

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 116.2

Opmerking: – Het betreft hier mede-ministers die verantwoordelijk zijn voor de maatregelen en voornemens in kwestie.

Waardering: V 5 jaar

Bestuurlijke organisatie

2.1.1. Indeling grondgebied, Rijk

27.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beoordelingsnormen, beleidsregels en wetsinterpreterende regels betreffende de indeling van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden

Periode: 1945–

Grondslag: Bestuurlijk/financieel model gemeentelijke herindelingen (21-5-1985)

Product: Circulaire van 21 mei 1985, BBS85/U542, DGBB, aan de Colleges van Gedeputeerde Staten betreffende Bestuurlijk/financieel model gemeentelijke herindelingen

Waardering: B (1)

28.

Handeling: Het corrigeren van de oostelijke grens van het Koninkrijk der Nederlanden door toevoeging van Duits grondgebied

Periode: 1949, 1963

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 1; Grenscorrectiewet, 1951 art. 3; Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag 1963, art. 2–3

Waardering: B (1)

29.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot goedkeuring van overeenkomsten die voortvloeien uit het tussen Nederland en Duitsland gesloten Grensverdrag

Periode: 1963–

Grondslag: Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag, Stb. 1963/238, art. 22

Product: Besluit van 30 januari 1995, houdende goedkeuring van een overeenkomst inzake het onderhoud van de Rode Beek, de Grensgraaf, de vroegere Rigolbach en de Ruisscherbeek, Stb. 1995/207

Opmerking: Het Besluit van 30 januari 1995 behelst de op 24 maart 1994 te Sittard ondertekende overeenkomst tussen het Duitse Rodebachverband en het Nederlandse waterschap Roer en Overmaas.

Waardering: B (5)

30.

Handeling: Het instellen van drostambten

Periode: 1949

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 3.1 en 3.2

Product: Instellingsbeschikkingen

Waardering: B (4)

32.

Handeling: Het instellen, samenstellen en bepalen van de bevoegdheid en werkwijze van een commissie van advies die een landdrost in een drostambt moet bijstaan

Periode: 1949–1963

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 40; Grenscorrectiewet 1951, art. 39.4

Product: Instellingsbeschikkingen

Waardering: B (4)

33.

Handeling: Het toekennen van vergoedingen aan gemeenten in het kader van bij het Koninkrijk der Nederlanden gevoegd gebied

Periode: 1963

Grondslag: Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag, art. 4

Product: Beschikkingen

Opmerking: Hierbij waren de in art. 3 van de Grenscorrectiewet genoemde gemeenten betrokken. Daaronder bevonden zich ook de drostambten Elten en Tudderen. Het betrof vergoedingen wegens nog niet afgeschreven kapitaalsuitgaven ten behoeve van en in verband met de krachtens de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag aan het Rijk toegevoegde gebieden, alsmede een vergoeding van de kosten van de ter uitvoering van het met Duitsland in 1960 gesloten Grensverdrag nog te verrichten werken. De vergoedingen kwamen ten laste van de Rijksbegroting.

Waardering: V 10 jaar

2.2.1. Indeling grondgebied, provincie

39.

Handeling: Het voorbereiden van een wijziging van de provinciale indeling

Periode: 1945–

Grondslag: Wet algemene regels herindeling, Stb. 1984/475, zoals gewijzigd 13 mei 1991, art. 86; Provinciewet 1992/1998, art. 278

Opmerking: – De minister nodigt de betrokken provinciebesturen uit om de voorbereiding van de desbetreffende wijziging ter hand te nemen, reageren zij echter niet binnen 3 maanden, dan kan de minister de voorbereiding zelf doen.

– Zie voor het voorbereiden van wetgeving en AMvB’s inzake de provinciale indeling het PIVOT-rapport nr. 68: Constitutionele zaken, Een institutioneel onderzoek over de periode 1945–1997, vastgesteld februari 2000.

Waardering: B (1)

42.

Handeling: Het instellen van het voorbereidingslichaam provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 16.1

Waardering: B (4)

43.

Handeling: Het toevoegen van niet-provinciaal ingedeeld gebied ten zuidwesten van de dijk Lelystad-Enkhuizen aan de provincie Noord-Holland

Periode: 1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 2.3

Waardering: B (1)

45.

Handeling: Het opstellen van overzichten van de door het Rijk uitgeoefende provincietaken en de daarmee gemoeide ambtelijke functies, rechten en verplichtingen

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 32.1, art. 33.1

Product: Overzichten

Opmerking: Het betreft hier provincietaken voor zover deze betrekking hadden op het gebied van de provincie Flevoland.

Het dagelijks bestuur van het Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland moest op het tijdstip van zijn benoeming over deze overzichten kunnen beschikken. Het overzicht vermeldde tevens de kosten van het Rijk van de uitoefening van de in het overzicht genoemde taken, alsmede de boekwaarde van de rechten en verplichtingen.

Ook de colleges van burgemeester en wethouders van Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde stelden elk een dergelijk overzicht op.

Waardering: V 10 jaar

46

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van de onroerende rijkseigendommen die overgaan naar de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 36.1

Waardering: B (5)

47.

Handeling: Het aanwijzen van de roerende rijkseigendommen die overgaan naar de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 36.2

Waardering: V 10 jaar

48.

Handeling: Het treffen van een voorziening voor de voorbereidingskosten van de instelling van de provincie Flevoland

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 54

Waardering: V 30 jaar

49.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter beslissing in geschillen omtrent de toepassing van de Wet instelling provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 67

Waardering: B (5)

2.2.2. Inrichting en samenstelling provincie

50.

Handeling: Het vaststellen van het aantal Provinciale Statenleden van de provincie Flevoland

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 10

Waardering: V 5 jaar

52.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van het reglement van orde van Provinciale Staten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 84

Waardering: B (5)

53.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van de plaats waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 63.2

Waardering: V 10 jaar

57.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter machtiging van de Commissaris van de Koningin Provinciale Staten op te roepen tot een buitengewone zitting

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 66

Waardering: B (5)

63.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot vaststelling van het aantal Gedeputeerde Statenleden in de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 15.2

Product: KB van 29 januari 1987

Waardering: V 10 jaar na intrekking

67.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s waarbij regels worden gesteld omtrent benoeming, schorsing, ontslag e.d. van de Commissaris van de Koningin

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 61.4 en 61.5, art. 72.1

Waardering: B (1)

68.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij de Commissaris van de Koningin wordt toegestaan elders in de provincie zijn vaste woonplaats te hebben

Periode: 1962–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 56.2

Opmerking: Vooraf worden Gedeputeerde Staten gehoord.

Waardering: V 5 jaar

69.

Handeling: Het (bij KB) geven van toestemming aan de Commissaris van de Koningin langere tijd buiten zijn provincie te verblijven

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van de 28sten September 1850, houdende vaststelling van een reglement betreffende het hooger beroep aan de Hoogen Raad der Nederlanden, van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie, art. 19 (Stb. 1850 no. 62); Provinciewet 1992/1998, art. 71.1

Opmerking: Toestemming van de minister was nodig bij een afwezigheid van langer dan achtenveertig uur, toestemming van de Kroon bij een afwezigheid van langer dan veertien dagen. Tegenwoordig is alleen toestemming nodig van de minister, en wel bij een verblijf van langer dan zes weken buiten de provincie.

Waardering: V 5 jaar

74.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter vervanging van de Commissaris van de Koningin

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet, art. 35; Provinciewet 1962, art. 62.2

Waardering: B (5)

76.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot machtiging van een bijzondere commissie van Provinciale Staten haar werkzaamheden na sluiting van de statenzitting voort te zetten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 95.3

Waardering: B (5)

93.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan een lid van Provinciale Staten of de Commissaris van de Koningin voor het rechtstreeks of middelijk aangaan van overeenkomsten waarbij belangenverstrengeling optreedt

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 15.2, art. 68

Opmerking: Bij Wijziging Gemeentewet, Provinciewet en Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1998/433) art. II, is art. 15.1, onderdeel 3e gewijzigd.

Waardering: B (5)

2.2.3. Bevoegdheden provincie

98.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van een instructie voor Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 150

Waardering: V 10 jaar

2.3.1. Indeling grondgebied gemeente

106.

Handeling: Het besluiten dat rechten, lasten en verplichtingen van een openbaar lichaam of gemeente overgaan op een gemeente

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 25 maart 1971, art. 8 lid 2; Stb. 1979/378, art. 8.2; Stb. 1983/ 328, art. 11.3; Wet van 12 december 1985, Stb. 1985/648, art. 4.1

Opmerking: – Het betreft het openbaar lichaam of de gemeente waarvan het grondgebied van de nieuwe gemeente deel uitmaakte.

– Een activiteit onder deze handeling is de vaststelling van het bedrag en de wijze van betaling ter zake van de verrekening van hiermee gemoeide kosten.

Waardering: V 10 jaar

107.

Handeling: Het doen van opgaven aan hypotheekbewaarders ter verandering van de tenaamstelling in de kadastrale leggers in het kader van de overgang van onroerende zaken op een gemeente

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Stb. 1962/11, art. 8.2; Wet van 25 maart 1971, art. 13.2; Stb. 1979/378, art. 8.4; Stb. 1983/328, art. 11.6, art. 16.2; Wet van 12 december 1985, Stb. 1985/648, art. 4.3

Opmerking: Met betrekking tot rijkseigendommen is de minister actor.

Waardering: V 5 jaar

108.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door een lagere overheid, tegen een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van de instelling van een gemeente

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Wet van 25 maart 1971, art. 11

Waardering: B (5)

109.

Handeling: Het besluiten tot de uitoefening van aan de Provincie toekomende bevoegdheden ten aanzien van een nieuwe gemeente

Periode: 1971–

Grondslag: o.a. Wet van 25 maart 1971, art. 4 lid 1; Stb. 1979/378, art.4.1; Stb. 1983/328, art. 4.1

Product: besluit

Waardering: B (5)

110.

Handeling: Het aan de Commissaris van de Koningin overdragen van bevoegdheden ten aanzien van een nieuwe gemeente

Periode: 1971–

Grondslag: Wet van 25 maart 1971, art. 4.2; Stb. 1979/378, art. 4 lid 2; Stb. 1983/328, art. 4.2

Product: Uitoefening bevoegdheden Commissaris van de Koningin in de provincie Gelderland in de gemeente Dronten, Stcrt. 1973/241/p.2; Uitoefening bevoegdheden Commissaris van de Koningin in Gelderland in de gemeente Dronten, Stcrt. 1974/178; Regeling uitoefening bevoegdheden Commissaris der Koningin ten aanzien van de gemeente Lelystad, Stcrt 1979/245/p.4

Waardering: B (5)

111.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van de rijkseigendommen die in eigendom, beheer en onderhoud op een nieuwe gemeente overgaan

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Stb. 1962/11, art. 8.1; Wet van 25 maart 1971, art. 13.1; Besluit van 22 mei 1974, art. 1; Stb. 1979/378, art. 13.1; Besluit van 22 juni 1983, art. 1.1; Stb. 1983/328, art. 16.1

Waardering: B (5)

114.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij wordt beslist dat gemeentelijke verzoeken tot wijziging van gemeentegrenzen niet verder in behandeling worden genomen

Periode: 1960 en wellicht eerder–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 14 april 1960, Stb. 176,

Waardering: B (5)

119.

Handeling: Het beoordelen of Gedeputeerde Staten gemeentebesturen in voldoende mate de gelegenheid hebben gegeven te reageren op voorstellen tot vaststelling van ontwerpregelingen ter voorbereiding van wijzigingen van de gemeentelijke indeling

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 282.2

Product: Behoorlijkheidstoetsingen, instellingsbesluiten, benoemingen

Opmerking: Hieronder valt ook de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen ter uitvoering van een ‘behoorlijkheidtoetsing’.

Waardering: V 10 jaar

121.

Handeling: Het besluiten tot wijziging van gemeentegrenzen

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 285.2

Product: AMvB’s

Opmerking: Grenscorrecties door de minister komen bij AMvB tot stand. In het geval van de recente Den Haag-annexatie werd in eerste instantie de Provincie verzocht de grenscorrectie door te voeren. Na strubbelingen gaf deze de zaak terug aan de minister, die vervolgens besloot de procedure zelf uit te voeren.

Waardering: B (1)

122.

Handeling: Het beoordelen van inspraakreacties op een voorgenomen wijziging van de gemeentelijke indeling

Periode: 1994–

Product: o.m. burgerbrieven Haaglanden

Waardering: V 5 jaar

2.3.2. Inrichting en samenstelling gemeente

125.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beoordelingsnormen, beleidsregels en wetsinterpreterende regels betreffende burgemeesters

Periode: 1945–

Product: – Circulaire no. MNBK/8200458 (18-10-1982) (betreft het wonen binnen de gemeente)

– Procedure bij burgemeestersbenoemingen (Stcrt. 1983, nr. 86)

– Ontheffing aan burgemeesters tot wonen buiten de gemeente

– Verhuiskostenvergoeding van burgemeesters bij verlaten van ambtswoning (17-7-1987)

Waardering: B (1)

126.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB voor het stellen van nadere regels omtrent de te volgen procedure bij (her)benoemingen van burgemeesters

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 61.4 en 61.5

Waardering: B (5)

131.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij bepaald wordt welke onderscheidingstekenen burgemeesters dragen en bij welke gelegenheden

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1851, art. 76.1; gemeentewet 1931, art. 83; Gemeentewet, art. 76

Product: KB van 16 november 1852, Stb. 201, ‘houdende bepalingen omtrent de door den Burgemeester te dragen onderscheidingsteekenen’

Waardering: B (5)

132.

Handeling: Het voorbereiden en intrekken van een KB ter bepaling van het kostuum dat burgemeesters desgewenst bij plechtige gelegenheden kunnen dragen

Periode: 1945–1994

Product: KB van 24 februari 1853, ‘mededeelende het costuum, hetwelk de burgemeesters, des verkiezende, bij plegtige gelegenheden kunnen dragen’; Besluit ambtskostuum burgemeesters

Waardering: B (5)

134.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot verlening van ontheffing van de verplichting voor burgemeesters de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 81.2

Waardering: V 10 jaar

135.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot verlening van ontheffing van de verplichting voor gemeentesecretarissen de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 106.1

Waardering: V 10 jaar

138.

Handeling: Het geven van toestemming aan burgemeesters langere tijd buiten hun gemeente te verblijven

Periode: 1945–1994

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 82.1; Gemeentewet, art. 72.1

Opmerking: Voor 1994 was toestemming van de Commissaris nodig bij een afwezigheid van langer dan acht dagen, en toestemming van de minister bij een afwezigheid van langer dan een maand. Vanaf 1994 is de Commissaris de enige actor en betreft het een periode langer dan zes weken.

Waardering: V 5 jaar

139.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van gemeenten waar het ontvangersambt door dezelfde persoon wordt uitgeoefend

Periode: 1945–1966

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 113.3

Waardering: B (5)

141.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot benoeming, schorsing of ontslag van gemeenteontvangers

Periode: 1945–1966

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 113.4

Waardering: V 10 jaar

143.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot verlening van ontheffing van de verplichting voor gemeenteontvangers de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 114.1

Waardering: V 10 jaar

145.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beoordelingsnormen, beleidsregels en wetsinterpreterende regels betreffende nevenfuncties van openbare ambtsdragers

Periode: 1945–

Product: Publikatie van gegevens over nevenfuncties van openbare ambtsdragers, Stcrt. 1988, nr. 144

Waardering: B (1)

149.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot machtiging van burgemeesters tot uitoefening van een functie die volgens de wet onverenigbaar wordt geacht met hun ambt

Periode: 1945 – 1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 69.2

Waardering: B (5)

150.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot machtiging van gemeentesecretarissen tot uitoefening van een functie die volgens de wet onverenigbaar wordt geacht met hun ambt

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 69.2, art. 106.1, art. 114.1

Opmerking: Deze handeling kan ook betrekking hebben op het machtigen van de secretaris van een gewest.

Waardering: B (5)

151.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot machtiging van gemeenteontvangers tot uitoefening van een functie die volgens de wet onverenigbaar wordt geacht met hun ambt

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 114

Waardering: B (5)

152.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van gemeenten waarin de burgemeester ook de functie van gemeentesecretaris bekleed

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 29 november 1935 tot verlaging van de openbare uitgaven, Stb. 685, art. 2.2

Waardering: B (5)

153.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van gemeenten waar de burgemeester of gemeentesecretaris ook het ambt van gemeenteontvanger bekleedt

Periode: 1945–1966

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 29 november 1935 tot verlaging van de openbare uitgaven, Stb. 685, art. 105.2

Opmerking: Omvat ook het intrekken van aanwijzingen. (3.2, 105.2)

Waardering: B (5)

2.4.1. Inrichting en samenstelling regionaal

157.

Handeling: Het, eventueel in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat, voorbereiden van een AMvB waarbij voorschriften worden gegeven omtrent gemeenschappelijke regelingen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, o.a. art. 3.6, art. 27.5, art. 33.3, art. 57.5

Opmerking: Het kan ook voorschriften betreffen omtrent de vaststelling van een samenwerkingsgebied.

Waardering: B (1)

158.

Handeling: Het (bij KB) benoemen van de voorzitter van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld orgaan

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 3, art. 18, art. 25

Waardering: V 5 jaar na beëindiging benoeming

159.

Handeling: Het aan een bestuurslid van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam verlenen van ontheffing van het verbod overeenkomsten aan te gaan die tot belangenverstrengeling kunnen leiden

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 20.2, art. 41.1, art. 52.1

Product: Beschikkingen

Opmerking: Gedeputeerde Staten zijn actor in geval van een openbaar lichaam dat bij intergemeentelijke regeling is opgesteld. De Minister van Binnenlandse Zaken verleent ontheffing wanneer sprake is van een interprovinciale regeling, een regeling tussen gemeenten en provincies, of een regeling tussen gemeenten, provincies en waterschappen.

Het betreft bijvoorbeeld het verbod werk aan te nemen ten behoeve van het openbaar lichaam of het verbod onderhands onroerende goederen van het openbaar lichaam te verwerven.

Waardering: B (5)

160.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 6.1, art. 11.2, art. 27, art. 20; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 35.13, art. 36.1, art. 38.2, art. 60.1, art. 82.1, art. 92.1, Kaderwet bestuur in verandering, art. 7.1

Opmerking: – Deze handeling omvat ook goedkeuring van wijziging, verlenging en opheffing van een gemeenschappelijke regeling, alsmede van de toetreding en uittreding van een deelnemer.

– Goedkeuring gebeurt bij KB. Voor regelingen tussen gemeenten geldt echter dat Gedeputeerde Staten actor zijn, tenzij het een regeling tussen burgemeesters betreft. In dat geval is de Commissaris actor.

– Tot 1984 gold voor regelingen tussen gemeenten in de situatie waarin de betrokken gemeenten in verschillende provincies lagen, dat de minister, na overleg met Gedeputeerde Staten, een KB voorbereidde. Dit gebeurde eveneens wanneer De Kroon Provinciale Staten had verzocht een gemeenschappelijke regeling op te leggen.

Waardering: B (5)

162.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij Provinciale Staten worden uitgenodigd gemeenten aan te wijzen waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen, wijzigen of opheffen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 100.1

Product: Ministeriële regeling

Opmerking: De voordracht vindt plaats door de vakminister in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: B (5)

165.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij rechtspersonen bevoegd worden verklaard een gemeenschappelijke regeling te treffen met rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen die een dergelijke regeling uitvoeren

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 30.1; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 93

Waardering: B (5)

169.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot opheffing van een gemeenschappelijke regeling waaraan gemeenten uit de agglomeratie Eindhoven deelnemen, of waarbij wordt bepaald dat de agglomeratie in plaats van deze gemeenten aan de regeling deelneemt

Periode: 1976–1985

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 39.3

Waardering: V 5 jaar

170.

Handeling: Het voorbereiden van wetgeving met betrekking tot instelling en opheffing van gewesten

Periode: ca. 1963–1985

Producten: – Wet openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1964/427;

– Wet agglomeratie Eindhoven, Stb. 1976/344;

– Wet opheffing agglomeratie Eindhoven, Stb. 1985/690;

– Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1986/47

Opmerking: De Minister van Volkshuisvesting speelde alleen een rol bij de voorbereiding van de Wet openbaar lichaam Rijnmond.

Waardering: B (1,5)

171.

Handeling: Het bepalen van de eerste vergaderdag van de raad van een gewest

Periode: 1964–1965, 1976

Grondslag: o.a. Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 69.1; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 91.2

Opmerking: In deze vergadering werden de geloofsbrieven onderzocht.

Waardering: V 5 jaar

172.

Handeling: Het voorbereiden van wet- en regelgeving met betrekking tot bestuurlijke samenwerkingsvormen anders dan een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1945–

Bron: Handelingen TK 1990–1991, 21 062 nr. 4

Product: Wetten, AMvB’s

Opmerking: Zo werd begin jaren negentig een interim-wet inzake de vorming van structurele boven-lokale/regionale bestuursvormen voorbereid. Deze wet is echter niet tot stand gekomen.

Waardering: B (1)

173.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij gemeenten worden toegevoegd aan de agglomeratie Eindhoven

Periode: 1976–1986

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 3.1

Waardering: B (1)

181.

Handeling: Het afsluiten van convenanten met de grote steden en de middelgrote steden

Periode: 1995–1997

Waardering: B (5)

182.

Handeling: Het deelnemen aan internationale symposia over het grote stedenbeleid binnen Europa

Periode: 1996–1997

Product: Correspondentie, uitnodigingen, brochures

Waardering: V 5 jaar

183.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Financiën en Minister van Economische Zaken, voordragen van regelingen voor het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1995–1997

Product: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248

Opmerking: Bij de eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid was door de Minister van Binnenlandse Zaken overeenstemming bereikt met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken.

Waardering: B (5)

185.

Handeling: Het voordragen van een regeling voor het verstrekken van bijdragen aan programma’s i.h.k.v. de Europese structuurfondsen

Periode: 1996–1997

Product: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249

Opmerking: De URBAN-programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: B (5)

186.

Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan expertgroepen van de Europese Commissie inzake het grote stedenbeleid en het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage

Periode: 1996–1997

Product: Notities, agenda’s, verslagen, departementale standpunten

Waardering: V 10 jaar

187.

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het grote stedenbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen

Periode: 1996–1997

Product: – instructies

– departementale standpunten

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

Waardering: B (5) verslagen

V 3 jaar overige neerslag

188.

Handeling: Het opstellen van Nederlandse standpunten en bijdragen ten behoeve van het grote stedenbeleid aan internationale commissies, niet zijnde de Europese Commissie

Periode: 1996–1997

Product: Notities, agenda’s, verslagen, departementale standpunten

Waardering: B (1)

189.

Handeling: Het aangaan van en leveren van bijdragen aan bilaterale samenwerkingsverbanden met landen binnen Europa

Periode: 1996–1997

Product: Notities, agenda’s, verslagen, departementale standpunten

Waardering: V 10 jaar

190.

Handeling: Het deelnemen aan Comité’s van Toezicht en Stuurgroepen/Technische Comité’s voor de uitvoering van de URBAN-programma’s.

Periode: 1996–1997

Product: Agenda’s, verslagen, departementale standpunten

Waardering: V 10 jaar

191.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, verdelen van de Europese middelen

Periode: 1996–1997

Waardering: V 10 jaar

193.

Handeling: Het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1995–1997

Grondslag: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248, art. 7

Waardering: V 10 jaar

194.

Handeling: Het verstrekken van bijdragen aan URBAN-programma’s

Periode: 1996–1997

Grondslag: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249, art. 2 en 3

Opmerking: Deze programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: V 10 jaar

195.

Handeling: Het terugvorderen van bijdragen aan URBAN-programma’s

Periode: 1996–1997

Grondslag: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249, art. 6, 7 en 10

Opmerking: Deze programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: V 10 jaar

196.

Handeling: Het voorbereiden van een ontwerpbesluit tot vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 3.1

Product: Ontwerpbesluiten, agenda’s, notulen

Opmerking: Deze handeling wordt gezamenlijk uitgevoerd. Ook vindt overleg plaats met de betrokken gemeentebesturen.

Waardering: B (5) ontwerpbesluit,

V 5 jaar overige neerslag

199.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB ter vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 3.1

Produkt: AMvB’s

Waardering: V 10 jaar

200.

Handeling: Het vaststellen van de indeling in samenwerkingsgebieden

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 4.1 en 4.3

Opmerking: De minister is actor wanneer Provinciale Staten niet (tijdig) tot vaststelling overgaan.

Waardering: V 10 jaar

203.

Handeling: Het besluiten dat bepaalde bevoegdheden niet in een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten in een samenwerkingsgebied behoeven te worden opgenomen danwel voorlopig niet behoeven te worden uitgeoefend

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 19

Opmerking: Het besluit wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met de betrokken ministers genomen.

Waardering: B (5)

205.

Handeling: Het rapporteren aan de commissie reorganisatie bestuur regio Rotterdam met betrekking tot het samenwerkingsgebied Rotterdam

Periode: 1994–1998

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 39.2

Opmerking: Elk van de betrokken besturen – dat wil zeggen ook het gemeentebestuur van Rotterdam en het bestuur van het regionaal openbaar lichaam – had de plicht de commissie te informeren over de uitvoering van het werkprogramma, dat onderdeel was van de overeenkomst.

Waardering: V 5 jaar

2.4.2. Bevoegdheden regionaal

206.

Handeling: Het, op voorstel van de raad van een gewest, voorbereiden van een AMvB waarbij de bevoegdheden van dat gewest worden verruimd

Periode: 1965–1985

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 31.1; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 39.2

Opmerking: – Voor het voorstel was instemming nodig van de raden van ten minste de helft van de betrokken gemeenten.

– De Minister van Volksgezondheid was mede-actor ten aanzien van Rijnmond.

Waardering: B (1)

209.

Handeling: Het aanwijzen van rechten en verplichtingen die bij de opheffing van het openbaar lichaam Rijnmond overgaan op gemeenten, alsmede het aanwijzen van die gemeenten

Periode: 1986

Grondslag: Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, art. 12.2

Waardering: V 10 jaar

211.

Handeling: Het aanwijzen van taken en bevoegdheden van het samenwerkingsorgaan Agglomeratie Eindhoven

Periode: 1976

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 90.1

Opmerking: Deze taken en bevoegdheden werden verricht respectievelijk uitgeoefend tot de dag waarop de raad, het college van voorzitter en gedelegeerden, en de voorzitter van de Agglomeratie Eindhoven in functie traden.

Waardering: B (5)

212.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij taken en bevoegdheden van vakministers en van het provinciaal bestuur van Noord-Brabant worden aangewezen als taken en bevoegdheden van het bestuur van de agglomeratie Eindhoven

Periode: 1976–1985

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 65.1

Opmerking: Hierbij werd een regeling getroffen omtrent de financiële gevolgen van een aanwijzing.

Waardering: B (1,5)

2.5.1. Raad voor de Territoriale Decentralisatie

214.

Handeling: Het instellen en samenstellen van de Raad voor de Territoriale Decentralisatie

Periode: 1964–1980

Grondslag: Wet van 25 juni 1964, art. 1 3

Product: Instellingsbesluiten, benoemingen

Opmerking: De voorzitter werd op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken door de Kroon benoemd. De overige leden, waaronder zich de adviserende leden bevonden, werden benoemd door de minister. Onder deze handeling valt ook de benoeming van secretarissen van de Raad.

Waardering: B (4)

216.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB omtrent de samenstelling, werkwijze en bevoegdheid van de Raad voor de Territoriale Decentralisatie

Periode: 1964–1980

Grondslag: Wet van 25 juni 1964, art. 5

Product: Besluit van 30 december 1964, houdende nadere regelen omtrent de werkwijze en de bevoegdheid van de Raad voor de Territoriale Decentralisatie, Stb. 1964/578

Waardering: B (1)

2.5.2. Raad voor het binnenlands bestuur

219.

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van een Raad voor het binnenlands bestuur

Periode: 1980–1997

Grondslag: Wet Raad voor het binnenlands bestuur (Stb. 1979/784), art. 2.1

Opmerking: – Met ‘samenstelling’ wordt onder meer bedoeld: het bij Koninklijk Besluit benoemen en ontslaan van de voorzitter en de aanwijzing van plaatsvervangende voorzitters.

– De rol van de vakministers beperkte zich tot het benoemen en aanwijzen van vertegenwoordigers van hun departement in de Raad.

– De benoeming van de secretaris van de Raad, die daarvan geen lid is, wordt ook tot deze handeling gerekend.

Waardering: B (4)

V 5 jaar na einde benoeming

Financiële organisatie

3.1.2. De financiering van openbare lichamen

222.

Handeling: Het vaststellen van regelgeving betreffende de financiering van lagere overheden

Periode: 1945–

Producten: – Regeling vaste schuld lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling kasgeldlimiet lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling modelstaten financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– regeling overgangstermijn Wet financiering lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127

Waardering: B (1,5)

224.

Handeling: Het aanwijzen van openbare lichamen die geen (of: niet alle) gegevens behoeven te verstrekken ter uitvoering van de Wet financiering lagere overheid

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit gegevens financiering lagere overheid, Stb. 1986/662, art. 1.3

Product: Regeling vrijstelling financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, no. 386-14127, Stcrt. 252

Waardering: B (5)

228.

Handeling: Het beslissen dat een publiekrechtelijk lichaam financieringsmiddelen moet gebruiken om de overschrijding van de kasgeldlimiet ongedaan te maken

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.3

Product: Beschikkingen

Opmerking: Een dergelijke beslissing kon worden genomen bij een overschrijding van 50% of meer, of wanneer de overschrijding een half jaar lang voortduurde.

Waardering: V 10 jaar

229.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van besluiten van publiekrechtelijke lichamen tot het ramen van uitgaven (ten laste van de kapitaaldienst van hun begrotingen)

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.1

Opmerking: Dit gebeurt wanneer vaste financiering is verzekerd.

Waardering: B (5)

230.

Handeling: Het bepalen dat besluiten van publieke lichamen tot het ramen van kapitaaluitgaven geen goedkeuring behoeven

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.4

Opmerking: Dit gebeurde al of niet op verzoek van het betrokken publieke lichaam. Ten aanzien van de provincie gebeurde dit door de Kroon/bij KB.

Dit is in feite een ontheffing van de eis (voorwaarde voor goedkeuring) van vaste financiering voor een nieuwe kapitaaluitgave.

Waardering: V 30 jaar

231.

Handeling: Het aan openbare lichamen verlenen van vergunning tot overschrijding van de kasgeldlimiet

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 4.2

Product: Circulaire van 30 jan. 1987, no. BMV87/U12

Opmerking: Dit gebeurt met inachtneming van ministeriële regels.

Vergunningverlening door een minister vindt plaats als het gaat om openbare lichamen waarvan de begroting onderworpen is aan toezicht door de regering. De aanvraag wordt gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken. Ten aanzien van de overige openbare lichamen zijn Gedeputeerde Staten vergunningverlener.

Waardering: V 10 jaar

232.

Handeling: Het (bij ministeriële regeling) vaststellen van maxima voor het aangaan en garanderen van geldleningen door openbare lichamen

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 4.1, art. 5.1; Wet financiering lagere overheid, art. 7.1

Waardering: V 30 jaar

233.

Handeling: Het aanwijzen van instellingen waarbij publieke lichamen leningen mogen aangaan die aan een maximum gebonden zijn

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Waardering: V 5 jaar

236.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan publieke lichamen in het kader van de vaststelling van maxima voor geldleningen en de aanwijzing van leningverstrekkende instellingen

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Product: Beschikkingen

Waardering: V 30 jaar

237.

Handeling: Het verlenen van vergunningen voor het aangaan en garanderen van geldleningen

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 7.5

Product: Beschikkingen

Waardering: V 30 jaar

239.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beoordelingsnormen, beleidsregels en wetsinterpreterende regels betreffende de financiële verhouding tussen het Rijk en de lagere overheden

Periode: 1945–

Product: o.m.

Circulaire van 18 juli 1984, BMV84/U829, betreffende aanvullende bijdragen en aanvullende uitkeringen

Regeling vaststelling bedragen per eenheid Provinciefonds 1992, Stcrt. van 14 april 1994/72

Waardering: B (1, 5)

240.

Handeling: Het overleggen met vakministers over en coördineren van aangelegenheden met belangrijke financiële consequenties voor publiekrechtelijke lichamen

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit belangrijke aangelegenheden financiën lagere overheid, Stcrt. 1973/123/p. 4

Opmerking: In 1973 werd aan de Minister van Binnenlandse Zaken een coördinerende taak toegekend bij de behandeling van belangrijke aangelegenheden waarbij de financiën van de lagere overheid zijn betrokken. Deze coördinerende rol werd in 1973 in een besluit vastgelegd, maar bestond, zij het in mindere mate, al veel langer. Doel was de verbetering van de samenhang van het beleid. Het betreft vraagstukken die in de ogen van de Ministerraad een krachtige samenhangende aanpak op velerlei gebied vroegen: volkshuisvesting, stadsvernieuwing, beheersing van de ontwikkeling van het verkeer, het openbaar vervoer, het onderwijs, de vergrijzing van de bevolking, de zorg voor speciale groepen, ook van buiten de landsgrenzen, en vooral ook de welzijnstaak in oude stadswijken.

Waardering: B (5)

3.1.3. Comptabiliteitsvoorschriften

242.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s voor provinciale en gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale Wet 1928, art. 108 en 118, art. 123; Provinciewet 1962, art. 123; art. 132.2, art. 134.1 en 134.3, art. 135.3, art. 137.3, art. 140.3, art. 143; Provinciewet 1992/1998, art. 190; gemeentewet 1931, art. 123.2, art. 241; Gemeentewet 1992, art. 185.4, art. 186

Producten: – Besluit van den 13den maart 1928, tot uitvoering van artikel 118 en 123 der Provinciale Wet, Stb. 1928/57;

– Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1947, Stb. 1947/H 315;

– Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979, Stb. 1979/324 (o.m. gewijzigd: Stb. 1984/499);

– Gemeentelijke Begrotingsvoorschriften 1931 en Rekeningsvoorschriften 1931, zoals gewijzigd bij het Besluit van 6 mei 1949, Stb. 1949/J195, en bij het Besluit van 1950/K261;

– KB van 5 oktober 1982, Stb. 594

– Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995, Stb. 1994/363

Opmerking: Vanaf 1995 geldt één gezamenlijke AMvB, en daarmee één gezamenlijke handeling voor Provincie en Gemeente.

Waardering: V 10 jaar

245.

Handeling: Het instellen van een commissie voor de gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften

Periode: 1950–1994

Grondslag: Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 1950, nr. 32485

Waardering: V 10 jaar na opheffing

247.

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beoordelingsnormen, beleidsregels en wetsinterpreterende regels betreffende interne financiële aangelegenheden van lagere overheden

Periode: 1945–

Producten: – Circulaire van 13 januari 1978, FB77/U630, betreffende diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen

– Circulaire van 12 augustus 1981, FB81/U594, betreffende diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen

– Circulaire van 20 augustus 1987, FB87/U301, betreffende woonforensenbelasting, Stcrt. 172

Waardering: B (1)

3.1.4. Eigen inkomsten gemeenten en provincies

248.

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van commissies of werkgroepen met betrekking tot provinciale en gemeentebelastingen

Periode: 1945–

Product: o.m.

Commissie Oud

Commissie Christiaanse, ingesteld op 1 juni 1981 bij beschikking van 26 mei 1981 (Stcrt. 1981/104)

Werkgroep commissie Haks

Interdepartementale werkgroep provinciaal belastinggebied

Commissie inzake de gemeentelijke belastingen

Besluit adviescommissie KIR, Stcrt 1998, nr. 227

Waardering: B (4)

3.1.5. Kostenverrekening informatie uitwisseling

250.

Handeling: Het bij AMvB aangeven hoe financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking worden gecompenseerd

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 215.6; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 215; Gemeentewet 1994/1998, art. 119.1-4, art. 120.1; Provinciewet 1992/1998, art. 117.4

Opmerking: Er wordt bij of krachtens de wet bij AMvB geregeld in welke gevallen een gemeente of provincie verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan de vakminister. In die maatregel kan worden bepaald, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken, dat deze gegevens ten behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden verstrekt.

Voorbereiding van een AMvB gebeurt in overleg. Voor 1994 was alleen de Minister van Binnenlandse Zaken actor.

Waardering: B (1)

251.

Handeling: Het instellen, wijzigen of opheffen van de adviescommissie Kostenverrekening en Informatierelaties

Periode: 1998

Grondslag: Besluit adviescommissie KIR, Stcrt 1998, nr. 227

Waardering: Komt te vervallen

3.1.6. Adviesraden

253.

Handeling: Het voorbereiden van een KB voor de samenstelling en instructie van de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën respectievelijk de Raad van advies voor de gemeentefinanciën

Periode: 1945–1960

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.2; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37

Product: Besluit van 13 mei 1955 tot vaststelling van het Reglement voor de Raad van advies voor de gemeentefinanciën, Stb. 1955/17

Opmerking: – De samenstelling omvat de benoeming van de leden en de aanwijzing respectievelijk de benoeming van een voorzitter. De instructie respectievelijk het reglement regelt de werkwijze van de commissie respectievelijk raad.

– Bij deze handeling was ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) betrokken. Haar rol beperkte zich tot de voordracht voor benoeming van de helft der leden van de Raad.

– Deze handeling kan ook het verlenen van ontslag omvatten.

Waardering: V 5 jaar na einde lidmaatschap

255.

Handeling: Het samenstellen van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 19.4, art. 21 lid 1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 40, art. 42.3, art. 43.1, art. 44.1, art. 53

Opmerking: – De voorzitter en de gewone leden worden benoemd door het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de adviserende leden door de – Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken.

– Deze handeling kan ook het verlenen van ontslag omvatten. Zo konden beide ministers van 1960–1984 buitengewone leden ontslaan.

– De VNG kon in deze periode, als activiteit onder deze handeling, het aantal leden verhogen, waarvoor goedkeuring nodig was van beide andere actoren.

Waardering: V 5 jaar

464.

Handeling: Het ontvangen van de jaarlijkse begroting van de Raad voor de gemeentefinancien, alsmede een afrekening van de kosten over het verstreken kalenderjaar.

Periode: 1963–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 25.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16

Waardering: V 7 jaar na ontvangst

258.

Handeling: Het goedkeuren van benoeming en ontslag door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van de voorzitter van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 21.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 44.1

Waardering: V 5 jaar

259.

Handeling: Het goedkeuren van de verhoging door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van het aantal leden van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 19.5

Opmerking: Het bestuur van de VNG kon eventueel meer dan negen gewone leden benoemen. Bij de Financiële-Verhoudingswet 1984 werd het aantal gewone leden op elf gebracht. De Raad en de VNG beschouwden dit aantal als niet voor verdere verhoging vatbaar.

Waardering: V 5 jaar

465.

Handeling: Het beoordelen van het reglement van orde voor de werkzaamheden van de raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1963–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 25.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16

Waardering: V 10 jaar na intrekking van het reglement

262.

Handeling: Het raadplegen van de Raad voor de gemeentefinanciën en zijn voorloper inzake gemeentefinanciën

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41.1

Opmerking: Het betreft plannen en maatregelen die belangrijke financiële gevolgen voor de gemeenten hebben

Waardering: B (1)

263.

Handeling: Het vaststellen van de vergoeding voor kosten van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 23-24; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 46; Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16.2

Opmerking: De Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) dient jaarlijks bij de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken een begroting en een afrekening in ter zake van de kosten van de Raad voor de gemeentefinanciën. Het betreft secretariaats- en vergaderkosten en kosten betreffende het jaarsalaris van of de vergoeding voor de voorzitter van de Raad.

Waardering: V 10 jaar

466.

Handeling: Het kennisnemen van benoeming en ontslag van (buitengewone) leden van de Commissie van Advies.

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1935, art. 41.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1948, art. 31.3 en 32.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1953, art. 14.3

Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 24.1 en 24.2

Waardering: V 5 jaar na beëindiging lidmaatschap

467.

Handeling: Het inwinnen van advies van de Commissie van Advies

Periode: 1945–

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1935, art. 43.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1948, art. 34.1

Waardering: B (1)

264.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij de voorzitter en de andere leden van de Raad voor de financiële verhoudingen worden benoemd

Periode: 1997–

Grondslag: Kaderwet adviescolleges art. 10

Waardering: V 5 jaar

265.

Handeling: Het voordragen van de voorzitter en andere leden van de Raad ter benoeming aan de Kroon

Periode: 1997–

Bron: Memorie van Toelichting op de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen 1997

Opmerking: Over de voordracht zal overleg gevoerd worden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Inter Provinciaal Overleg (IPO).

Waardering: V 5 jaar

266.

Handeling: Het vergoeden van door de Raad voor de financiële verhoudingen gemaakte kosten

Periode: 1997–

Bron: Memorie van Toelichting op de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen 1997

Waardering: V 10 jaar

268.

Handeling: Het vaststellen van het jaarlijkse werkprogramma van de Raad voor de financiële verhoudingen in het Periodiek onderhoudsrapport (POR)

Periode: 1997–

Grondslag: Kaderwet

Waardering: V 10 jaar

3.2.1. Eigen inkomsten provincie

271.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van het besluit een provinciale belasting in te voeren, te wijzigen of af te schaffen

Periode: 1945–1998

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 126undecies lid 1; Provinciewet 1962, art. 145.2; Provinciewet 1992, art. 220.2

Waardering: B (5)

272.

Handeling: Het jaarlijks, in overleg bepalen van het stijgingspercentage van de opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 147.4; Provinciewet 1992/1998, art. 222.4

Product: onder meer Beschikking van 16 september 1986, Stcrt. 1986/186

Waardering: V 5 jaar

273.

Handeling: Het in overleg aanwijzen van provincies waar houders van motorrijtuigen worden geacht te wonen of te zijn gevestigd in verband met de heffing van opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 152.6; Provinciewet 1992, art. 228.6; Provinciewet 1998, art. 222a.4

Opmerking: Deze aanwijzing gebeurt in bijzondere gevallen.

Waardering: V 10 jaar

274.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB inzake de heffing en de opbrengst van opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–1995

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 152.10; Provinciewet 1992, art. 228.10

Opmerking: Met ingang van 1995 is de Wet op de Motorrijtuigenbelasting in werking getreden.

Waardering: V 10 jaar

276.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij de gevallen worden aangewezen waarin door de Provincie rechten kunnen worden gevorderd zonder dat deze voor belastingen worden gehouden

Periode: 1962–1998

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 148.4; Provinciewet 1992, art. 223.4

Waardering: V 10 jaar

277.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij voorschriften worden gegeven voor vrijdom van provinciale belastingen

Periode: 1962–1998

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 151.1; Provinciewet 1992, art. 227

Opmerking: Deze vrijdom kan worden genoten door vertegenwoordigers en functionarissen van vreemde mogendheden en volkenrechtelijke organisaties, alsmede door hun personeel en gezinsleden.

Waardering: B (1)

278.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij nadere regels inzake de belastingen worden gegeven

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 226, 232h

Waardering: V 10 jaar

279.

Handeling: Het gezamenlijk vaststellen van regels waarbij vrijstelling van provinciale belastingen wordt verleend

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 229a, 229b

Opmerking: – Dit gebeurt slechts in gevallen waarin het volkenrecht of het internationaal gebruik daartoe noodzaakt.

– Een aangewezen provincieambtenaar kan een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.

Waardering: B (5)

281.

Handeling: Het in overleg vaststellen van regels waarbij in ruimere mate kwijtschelding van provinciale belasting wordt verleend, in afwijking van wat door Provinciale Staten is bepaald

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 232e .4

Waardering: B (5)

3.2.2. Provinciefonds (tot 1998)

283.

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van de begroting van het Provinciefonds

Periode: 1948–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126septies decies lid 2; Provinciewet 1962, art. 159; Provinciewet 1992, art. 234

Opmerking: Het vaststellen gebeurt bij wet.

Waardering: B (5)

285.

Handeling: Het vaststellen van uitkeringen aan de provincies

Periode: 1945–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126septies decies lid 1, art. 126undevicies lid 6; Provinciewet 1962, art. 160b, art. 160f lid 2; Provinciewet 1992, art. 238 lid 2, art. 239 lid 1

Opmerking: Vanaf 1948 betreft het uitkeringen uit het Provinciefonds.

Het vaststellen van betalingsschema’s is een activiteit onder deze handeling.

Waardering: V 10 jaar

286.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot uitkeringen uit het Provinciefonds

Periode: 1948–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126undevicies lid 6; Provinciewet 1962, art.160d lid 3, art. 160h lid 2; Provinciewet 1992, art. 241 lid 5 en 6

Product: Besluit van 3 juli 1964 tot uitvoering van artikel 160 der Provinciewet, Stb. 1964/261 (ingetrokken: Stb. 1981/413); Besluit van 22 mei 1981 tot uitvoering van artikel 160 der Provinciewet, Stb. 1981/413 (ingetrokken: Stb. 1986/400); Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provincie, Stb. 1986/400; Besluit uitkering Provinciefonds, Stb. 1995/212

Opmerking: Vanaf 1998 wordt bij de voorbereiding tot het vaststellen van een uitkering de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure gevolgd (Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9 lid 2)

Waardering: B (1)

287.

Handeling: Het jaarlijks verrichten van betalingen uit het Provinciefonds

Periode: 1945–1997

Grondslag: Provinciale wet 1928, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126undevicies; Provinciewet, zoals gewijzigd bij de wet van 26 oktober 1983, Stb. 1983/575, art.160b lid 1; Provinciewet 1992, art. 238 lid 1

Waardering: V 10 jaar

3.3.1. Eigen inkomsten gemeente

288.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s voor het geven van aanvullende regels inzake heffing en invordering van gemeentelijke belastingen

Periode: 1970–

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 (Stb. 1970/ 608) tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 303; Gemeentewet, art. 257; Gemeentewet, zoals gewijzigd bij de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, art. 246a

Product: Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, Stb. 1971/ 616; Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing, Stb. 1995/346

Waardering: B (1)

290.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot goedkeuring van raadsbesluiten tot invoering, wijziging of afschaffing van een gemeentelijke belasting

Periode: 1945–1996

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 271.1; Gemeentewet, art. 218.1

Waardering: V 10 jaar

291.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s voor aanwijzing van gevallen waarin door een gemeente bepaalde rechten kunnen worden gevorderd zonder dat deze als belastingen worden aangemerkt

Periode: 1970–1996

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 277.4; Gemeentewet, art. 227.4

Waardering: B (1)

292.

Handeling: Het vaststellen van regelgeving betreffende de gemeentelijke onroerend-zaakbelasting

Periode: 1970–1996

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 273.4 en 273.7; art. 302.1d en 302.3; Gemeentewet, art. 220.9 en 220.12; art. 258.2; Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, art. 7.3; art. 10.2; art. 14; Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, zoals gewijzigd bij besluit van 10 september 1973, Stb. 458, art. 2, lid 3; art. 10, lid 2

Producten: Regeling van de minister en de Staatssecretaris van Financiën van 19 januari 1978, no. 078/94, Stcrt. 15 (Eerste uitvoeringsbeschikking gemeentelijke onroerendgoedbelastingen 1978) [actor: Minister van Financiën]; Tweede Uitvoeringsbeschikking gemeentelijke onroerendgoedbelastingen

Opmerking: Deze regels worden gesteld bij AMvB of bij ministeriële regeling.

Waardering: B (5)

294.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gesteld inzake werkzaamheden en/of kosten ter zake van naheffingsaanslagen in het kader van de parkeerbelastingen

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art 234.7; art. 235.13 en 235.15

Product: o.a.

– Besluit van 15 december 1998 tot wijziging van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Stb. 1998/696)

– Besluit van 9 april 1999 houdende wijziging van het besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing en van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen in verband met de aanpassing aan de 3e tranche Awb (Stb. 1999/179)

Opmerking: Die werkzaamheden omvatten overbrenging, bewaring, verkoop, eigendomsoverdracht en vernietiging van voertuigen, alsmede hetgeen voor de uitvoering van de bevoegdheid tot overbrenging en in bewaring stellen nodig is, zoals het inrichten en aanhouden van een register. Onder de hier bedoelde kosten zijn mede begrepen de kosten van de eventuele nasleep van de heffing.

Waardering: V 10 jaar

295.

Handeling: Het bepalen van gevallen waarin colleges van burgemeester en wethouders kennis moeten geven van de overbrenging en bewaring van voertuigen met betrekking waartoe parkeerbelasting verschuldigd is

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 235.9

Product: Beschikkingen

Waardering: V 10 jaar

296.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij voorschriften worden gegeven betreffende het verlenen van vrijdom van plaatselijke belastingen

Periode: 1945–1970

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 289

Product: Besluit van 13 mei 1957 betreffende vrijstelling van gemeentelijke belastingen voor vertegenwoordigers van andere mogendheden en voor vertegenwoordigers en functionarissen van volkenrechtelijke organisaties (Stb. 1957, 173)

Waardering: B (1)

297.

Handeling: Het in overleg vaststellen van regelgeving betreffende vrijstelling van gemeentelijke belastingen

Periode: 1970–

Grondslag: wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Stb. 1970/608), art. 290; Gemeentewet, art. 243

Product: – Beschikking diplomatieke vrijstellingen gemeentelijke belastingen, Stcrt. 1978/42

– Eerste beschikking bijzondere internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen

– Tweede beschikking bijzondere internationale vrijstelling gemeentelijke belastingen

– Derde beschikking bijzondere internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen)

Waardering: B (5)

3.3.2. Gemeentefonds (tot 1998)

298.

Handeling: Het instellen van het Gemeentefonds

Periode: 1948

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1948, art. 1.1

Waardering: B (4)

299.

Handeling: Het indienen van wetsontwerpen tot vaststelling of wijziging van de begroting van het Gemeentefonds

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 3.3; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 26

Opmerking: Tot 1998 is het overleggen aan de Staten-Generaal van begrotingsadviezen van de Raad voor de gemeentefinanciën een activiteit onder deze handeling. Daarna wordt advies ingewonnen bij de Raad voor de Financiële Verhoudingen.

Waardering: B (1)

300.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 7; Wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 1983, Stb. 649, art. 237b.1 en 8; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 11.1, art. 12.2, art. 16.3 en 16.4, art. 18.3, art. 37.2, art. 38.2; Gemeentewet, art. 182.1 en 182.7, art. 183.3

Producten: o.a. – Besluit verfijningen algemene uitkering 1984 (Stb. 1984, 179);

– Besluit interdepartementale bijdragen achterstandsgebiedenbeleid, Stb. 1988/160;

– Besluit wijziging tijdelijke verfijning laag inkomen, Stb. 1995/584;

– Besluit integratie-uitkering kinderopvang Gemeentefonds, Stb. 1996/346

Opmerking: Vanaf 1998 wordt bij de voorbereiding tot het vaststellen van een uitkering de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure gevolgd (Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9 lid 2)

Waardering: B (1)

301.

Handeling: Het overleggen met gemeenten over de financiële gevolgen van beleidsvoornemens van het Rijk die tot een taak- of activiteitenwijziging van gemeenten leidt

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 2.3

Opmerking: In een dergelijk overleg kunnen vooral de motivering, de compensatie en de wijze van bekostiging nader worden bezien.

Waardering: V 5 jaar

302.

Handeling: Het bepalen van het rentepercentage voor de jaarlijkse rentevergoeding over de reserve van het Gemeentefonds

Periode: 1945–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 14

Opmerking: De rentevergoeding kwam ten laste van de Rijksbegroting. Vanaf 1984 wordt alle geld verdeeld en is er dus geen reserve meer.

Waardering: V 5 jaar

304.

Handeling: Het in overeenstemming met de Minister van Defensie stellen van eisen aan luchtfoto’s met behulp waarvan bebouwingsgegevens worden vastgesteld

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 2

Waardering: B (5)

306.

Handeling: Het aanwijzen van gemeenten als groeikernen in het kader van de verkrijging van een verfijningsuitkering uit het Gemeentefonds

Periode: 1975–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.1.1 lid 1; art. 2.1.3 lid 1

Opmerking: Omvat ook de verlenging van de aanwijzing. Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: V 10 jaar

307.

Handeling: Het verstrekken van kwantitatieve gegevens aan de Minister van Financiën in het kader van de berekening van verfijningsuitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.4.3 lid 2

Opmerking: Het betreft gegevens over de sociale structuur van een gemeente, die niet kunnen worden ontleend aan publicaties van organisaties als het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: V 5 jaar

308.

Handeling: Het in overleg met de Minister van Onderwijs vaststellen van bedragen waaruit de uitkering uit het Gemeentefonds ter bestrijding van gemeentelijke onderwijskosten is samengesteld

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 5

Opmerking: Het betrof bijvoorbeeld een bedrag per lokaal in verband met de uitgaven voor onderhoud, verlichting, verwarming en schoonmaak van schoolgebouwen.

Waardering: V 10 jaar

310.

Handeling: Het vaststellen van uitkeringen aan gemeenten (uit het Gemeentefonds)

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit, art. 6.1, art. 12.2, art. 25.1, art. 27.1; Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 10.2; Financiële-verhoudingsbesluit 1948, art. 5.3, art. 11.1, art. 18.1, art. 23.1, art. 29.4; Financiële-Verhoudingsbesluit 1953, art. 6.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 8.1, art. 9.1, art. 29.1

Product: Beschikking

Opmerking: Ter vaststelling van de algemene uitkering worden elk jaar voor elke gemeente de uitkeringsbasis en het uitkeringspercentage vastgesteld. Andere activiteiten zijn onder meer het vaststellen van bebouwingsgegevens en het vaststellen van betalingsschema’s.

Waardering: V 10 jaar

311.

Handeling: Het verrichten van betalingen aan gemeenten (uit het Gemeentefonds)

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 3; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 5.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 5; art. 27

Waardering: V 10 jaar

312.

Handeling: Het aanwijzen van deskundigen ter verkrijging van gegevens die ten grondslag liggen aan de algemene uitkering aan gemeenten

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 5

Waardering: V 5 jaar

314.

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van bedragen per eenheid voor de algemene verdeelmaatstaven en de verfijningen

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 13.1

Producten: – Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1984, Stcrt. 34, 11-2-1985

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1985, Stcrt. 26, 27-1-1986

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1986, Stcrt. 83, 8-4-1987

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1995, Stcrt. 2 (1996), 20-12-1995

Waardering: V 10 jaar

315.

Handeling: Het in bijzondere gevallen verlenen van ontheffing van wetsbepalingen in het Financiële-Verhoudingsbesluit 1953 bij toekenning van verhogingen van de algemene uitkering

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 32.4

Product: Beschikking

Opmerking: Het betrof bepalingen met betrekking tot de ingangsdatum van de verhogingen.

Waardering: V 10 jaar

316.

Handeling: Het opbouwen, beheren en actualiseren van een gegevensbestand van specifieke uitkeringen

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instelling beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen, Stcrt. 1981/100/p.9; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 37.1

Product: Jaarlijks overzicht

Opmerking: – De samenstelling van het overzicht van de specifieke uitkeringen kan houvast geven bij de periodieke evaluatie daarvan. Voor aanvang van elk begrotingsjaar publiceren de ministers dit overzicht. Het wordt tegelijkertijd aangeboden aan de Staten-Generaal.

– Indien de commissie niet tot een besluit kan komen, beslissen de ministers. Hiertoe raadplegen zij de Raad voor de gemeentefinanciën.

Waardering: V 10 jaar

318.

Handeling: Het vaststellen van betalingsschema’s op basis van door vakministers verstrekte gegevens met betrekking tot door hen vastgestelde uitkeringen aan gemeenten

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 39

Product: Betalingsschema’s

Waardering: V 10 jaar

3.3.4. Sociale vernieuwing

319.

Handeling: Het voorbereiden van wetgeving met betrekking tot sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Product: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, Stb. 1993/682

Waardering: B (1)

320.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB met betrekking tot sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 2; art. 3.1 en 3.2; art. 4; art. 6.2; art. 26

Product: Uitvoeringsbesluit stimulering sociale vernieuwing, Stb. 1993/737

Waardering: B (1)

321.

Handeling: Het afsluiten van convenanten met gemeenten in het kader van de sociale vernieuwing

Periode: 1990–1991

Grondslag: Memorie van Toelichting op de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing

Product: Convenanten

Opmerking: Omvat ook het wijzigen en beëindigen van convenanten.

In de tweede helft van 1990 werd met circa 350 gemeenten een convenant afgesloten. Dit aantal groeide uiteindelijk tot circa 500.

Waardering: B (5)

322.

Handeling: Het instellen van het fonds sociale vernieuwing

Periode: 1993

Grondslag: Memorie van toelichting bij de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing

Opmerking: Het fonds stond aanvankelijk bekend als de ‘doeluitkering sociale vernieuwing’.

Waardering: B (4)

324.

Handeling: Het in overleg met de vakminister beslissen op gemeentelijke verzoeken af te mogen wijken van wettelijke voorschriften inzake sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 14.1

Product: Beschikking

Opmerking: Het betreft voorschriften over de besteding van de rijksbijdrage en de reservering van niet-bestede gelden. Afwijking moest in het belang zijn van de sociale vernieuwing.

Waardering: B (5)

325.

Handeling: Het periodiek informeren van de Staten-Generaal over sociale vernieuwing

Periode: 1991–1997

Grondslag: Besluit sociale vernieuwing, art. 10.2 en 10.3; Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 15

Product: Verslagen

Opmerkin: – Het betrof een financieel verslag over de besteding van de doeluitkering respectievelijk de Rijksbijdrage door de gemeenten in kwestie. Verder betrof het een verslag over (de uitkomsten van) het beleid inzake sociale vernieuwing.

– Het ontvangen van rapportages van convenantgemeenten is een activiteit onder deze handeling.

Waardering: B (2,3)

326.

Handeling: Het vaststellen van bedragen per eenheid voor de verdeelmaatstaven van de Rijksbijdrage inzake sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Uitvoeringsbesluit stimulering sociale vernieuwing, art. 9

Product: Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 december 1993, nr. SVN92/12/U105, tot vaststelling van bedragen in het kader van de stimulering sociale vernieuwing, Stcrt. 250

Waardering: V 5 jaar

3.3.5. Aanvullende uitkeringen

327.

Handeling: Het aan noodlijdende gemeenten verlenen van voorschotten, financiële bijdragen en garanties met betrekking tot door anderen te verlenen voorschotten

Periode: 1945–1961

Grondslag: Wet van den 22sten December 1933, tot steun aan noodlijdende gemeenten, art. 1, art. 4.1

Opmerking: – Het kon zowel een renteloos als een rentedragend voorschot betreffen. Rentedragende voorschotten en garanties werden alleen in bijzondere gevallen verleend.

– De voorschotten hadden een ander karakter dan de ‘voorlopige uitkeringen’ uit het Gemeentefonds. Deze werden verleend in afwachting van de vaststelling van de uitkering in kwestie.

Waardering: V 10 jaar

329.

Handeling: Het verlenen van aanvullende bijdragen en aanvullende uitkeringen aan gemeenten

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 12.1 en 12.2; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 12.1 en 12.6; Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 9.5

Opmerking: – Het opleggen van bijzondere voorschriften aan gemeenten wie een aanvullende bijdrage is verleend of die daarom hebben verzocht, is een activiteit onder deze handeling.

– Onder verlening wordt ook verstaan: het weigeren, verminderen, intrekken e.d. van een aanvullende bijdrage of uitkering.

Waardering: V 10 jaar

330.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan gemeenten die een aanvullende bijdrage krijgen met betrekking tot het verbod besluiten te nemen die bepaalde financiële consequenties hebben

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 10.3

Product: Beschikking

Opmerking: Het kan ook gaan om gemeenten waarvan het verzoek om een aanvullende bijdrage nog loopt. De ontheffing kan voor bepaalde uitgaven en onder voorwaarden worden verleend.

Waardering: V 10 jaar

3.4.1. Gemeentefonds en provinciefonds vanaf 1998

332.

Handeling: Het overleggen met provincies en gemeenten over de financiële gevolgen van beleidsvoornemens van het Rijk die tot een taak- of activiteitenwijziging van gemeenten leidt

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997 art. 2

Waardering: V 5 jaar

333.

Handeling: Het, bij AMvB, regelen van tijdelijk in de begroting van de fondsen op te nemen bedragen om aan provincies en gemeenten uit te keren op een andere wijze dan door middel van de algemene uitkering

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 13

Waardering: V 10 jaar

334.

Handeling: Het bij of krachtens AMvB vaststellen van nadere regels omtrent het verzamelen en vaststellen van gegevens ten behoeve van de uitkeringen

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1997, art. 22.c

Waardering: V 10 jaar

335.

Handeling: Het indienen van wetsontwerpen tot vaststelling van een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van elk fonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1997, art. 4

Waardering: B (1)

336.

Handeling: Het beheren van de begroting van het Gemeente- en Provinciefonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 3.2

Waardering: V 10 jaar

337.

Handeling: Het verdelen van algemene uitkeringen over de provincies en gemeenten aan de hand van in de wet genoemde verdeelmaatstaven

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 7 en 8

Waardering: V 10 jaar

338.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot het hanteren van welke verdeelmaatstaven en hoe deze worden gehanteerd

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 8.3, art. 17

Opmerking: Krachtens de maatregel kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de bij de bepaling gebruikte begrippen en omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf. De maatregel treedt niet eerder in werking dan 8 weken na publicatie in het Staatsblad.

Waardering: V 10 jaar

339.

Handeling: Het vaststellen van bedragen per eenheid, die behoren bij de verdeelmaatstaven over ieder uitkeringsjaar

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9.1

Product: Ministeriële Beschikking

Waardering: V 10 jaar

340.

Handeling: Het vaststellen van de algemene uitkeringen uit het Gemeente- en Provinciefonds over ieder uitkeringsjaar aan de provincies en gemeenten.

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 10

Waardering: V 10 jaar

341.

Handeling: Het verrichten van betalingen aan gemeenten en provincies uit het Gemeente- en Provinciefonds

Periode: 1998

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 15

Waardering: V 10 jaar

3.4.2. Specifieke uitkeringen van het Rijk aan gemeenten en provincies vanaf 1998

342.

Handeling: Het voorbereiden van een wet tot regeling van een specifieke uitkering uit het Gemeente- of Provinciefonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 17 en 18

Waardering: B (5)

343.

Handeling: Het publiceren van jaarlijkse overzichten van de specifieke uitkeringen uit het Gemeente- en Provinciewet

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 20

Product: Jaarlijkse overzichten

Waardering: B 3

3.4.3. Aanvullende uitkering (artikel 12)

344.

Handeling: Het, op aanvraag van de gemeente, verlenen van een aanvullende uitkering over een uitkeringsjaar uit het Gemeente- of Provinciefonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 12

Product: Beschikking

Opmerking: – Het opleggen van bijzondere voorschriften aan gemeenten wie een aanvullende bijdrage is verleend of die daarom hebben verzocht, is een activiteit onder deze handeling.

– Onder verlening wordt ook verstaan: het weigeren, verminderen, intrekken e.d. van een aanvullende bijdrage of uitkering.

Waardering: V 10 jaar

3.5.1. Begroting en jaarrekening provincie intern

347.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van provinciale begrotingen

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 127.1, art. 130.1, art. 134.3

Waardering: B (5)

348.

Handeling: Het goedkeuren van provinciale begrotingen

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 207.1

Waardering: V 15 jaar

349.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring inzake uitgaven van het provinciaal bestuur zonder dat de provinciale begroting is goedgekeurd

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 1937/311; Provinciale wet, art. 111; Provinciewet 1962, art. 128.2, art. 134.3

Opmerking: Hierbij kon ook worden ingestemd met de ontvangst van inkomsten

Waardering: B (5)

350.

Handeling: Het toestemmen in uitgaven van het provinciaal bestuur zonder dat de provinciale begroting is goedgekeurd

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 212.1

Waardering: B (5)

351.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring inzake verplichte uitgaven dan wel een bedrag voor onvoorziene uitgaven op een provinciale begroting of het bevelen tot het doen van die uitgaven

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet, art. 112.1; Provinciewet 1962, art. 129.1 en 129.3; art. 134.3

Waardering: B (5)

352.

Handeling: Het brengen van verplichte uitgaven dan wel een bedrag voor onvoorziene uitgaven op een provinciale begroting of het bevelen tot het doen van die uitgaven

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 198.1

Waardering: V 10 jaar

353.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van vermindering van niet-verplichte uitgaven op een provinciale begroting

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet, art. 112.2; Provinciewet 1962, art. 129.2

Waardering: B (5)

354.

Handeling: Het verminderen van niet-verplichte uitgaven op een provinciale begroting

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 198.2

Waardering: V 10 jaar

356.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring voor het persoonlijk aansprakelijk stellen van leden van Provinciale Staten tegenover de provincie, voor een uitgave waaraan goedkeuring onthouden wordt

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 131.1, art. 134.3

Waardering: B (5)

357.

Handeling: Het persoonlijk aansprakelijk stellen van leden van Provinciale Staten tegenover de provincie, voor een uitgave waaraan goedkeuring onthouden wordt

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 214.1

Waardering: B (5)

358.

Handeling: Het instellen van rechtsvorderingen tot schadevergoeding in geval van aansprakelijkheid van leden van Provinciale Staten tegenover de provincie

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 131.2, art. 134.3; Provinciewet 1992/1998, art. 214.3

Waardering: B (5)

360.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van het besluit van Provinciale Staten om aan Gedeputeerde Staten toe te staan uit de post voor onvoorziene uitgaven bedragen over te schrijven naar andere uitgaafposten op een provinciale begroting

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 132.1, art. 134.3

Waardering: B (5)

362.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van de aanwijzing door Provinciale Staten van onderdelen van de provinciale huishouding als tak van dienst

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 133.1

Waardering: V 10 jaar

363.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gegeven voor de instelling van takken van dienst

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 200.1

Waardering: V 10 jaar

367.

Handeling: Het aan Provinciale Staten verlenen van ontheffing van de verplichting een provinciale rekening binnen een bepaalde termijn vast te stellen

Periode: 1980–1994

Grondslag: Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979, art. 22.3

Product: Beschikking

Opmerking: Gedeputeerde Staten doen het verzoek tot ontheffing.

Waardering: V 10 jaar

368.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van provinciale rekeningen

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 135.3, art. 140.3

Waardering: V 10 jaar

369.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van het besluit van Provinciale Staten een provinciale rekening vast te stellen

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 121; Provinciewet 1962, art. 137.1, art. 141.2; Provinciewet 1992/1998, art. 207

Waardering: V 10 jaar

370.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij nadere voorschriften worden gegeven ter verkrijging van goedkeuring door de Kroon van het besluit van Provinciale Staten een provinciale rekening vast te stellen

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 137.3, art. 141.2

Waardering: V 10 jaar

373.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van een vertegenwoordiger van de provincie in geval van rechtsgedingen waarbij schadevergoeding wordt geëist van de voorzitter en de leden van Gedeputeerde Staten

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 139.4, art. 141.2

Waardering: V 10 jaar

376.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij ontheffing wordt verleend van de verplichting op een bevelschrift tot betaling uit de provinciale kas de desbetreffende begrotingspost te vermelden

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 123; Provinciewet 1962, art. 143

Waardering: V 10 jaar

379.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij nadere regels worden gegeven omtrent de gegevensverstrekking aan de Provincie over de in het komende begrotingsjaar te verwachten uitkeringen

Periode: 1983–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 144c.3; art. 144d.2

Opmerking: Het kan bijvoorbeeld de samenstelling betreffen van het overzicht van de regelingen op grond waarvan uitkeringen worden verstrekt.

Waardering: B (1)

3.6.1. Begroting en jaarrekening gemeente intern

380.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door een gemeenteraad, tegen een besluit van Gedeputeerde Staten met betrekking tot de gemeentelijke begroting

Periode: 1945–1994

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 244; Gemeentewet, art. 194.3, art. 204.1

Opmerking: Het kan hier besluiten betreffen die voortvloeien uit de weigering van de gemeente wettelijke plichten ten aanzien van de gemeentelijke begroting na te komen. Tot en met 1993 kon beroep worden ingesteld tegen de weigering van Gedeputeerde Staten de begroting goed te keuren.Het kan ook het besluit betreffen preventief toezicht in te stellen met betrekking tot een gemeentelijke begroting of wijziging daarvan.

Waardering: V 5 jaar

386.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door gemeenteraadsleden, tegen het besluit van Gedeputeerde Staten hen tegenover de gemeente aansprakelijk te stellen voor het besluit een spoedeisende uitgave te doen

Periode: 1966–1994

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 15 december 1966, Stb. 564, art. 248a.2, Gemeentewet, art. 210.2

Waardering: V 5 jaar

388.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter goedkeuring van een besluit of een regeling inzake afzonderlijke financiële gemeentelijke huishoudingen

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 254.2 en 254.3

Opmerking: – Gedeputeerde Staten wordt hierbij eerst gehoord.

– Het betreft hier ofwel een raadsbesluit waarbij afzonderlijke lasten en inkomsten in bepaalde afdelingen van een gemeente worden toegelaten, ofwel de door Gedeputeerde Staten getroffen regeling van de verhouding tussen de algemene en de afzonderlijke financiële gemeentelijke huishoudingen.

Waardering: V 10 jaar

390.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gegeven voor gemeenten die een bedrijf of een andere tak van dienst instellen

Periode: 1994–1996

Grondslag: Gemeentewet, art. 196.1

Opmerking: Deze handeling is vervallen bij de Wet van 6 juni tot vaststelling van bedragen in verband met uitkeringen uit het Provinciefonds voor de uitkeringsjaren 1992 en 1993 alsmede wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten in verband met de nieuwe comptabiliteitsvoorschriften voor provincies en gemeenten (Stb. 1996/313)

Waardering: B (1)

393.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door een lid van een college van burgemeester en wethouders, tegen het besluit van de gemeenteraad onrechtmatig geachte uitgaven buiten de gemeenterekening te laten

Periode: 1994

Grondslag: Gemeentewet, art. 198.4

Waardering: B (1)

3.6.2. Administratie en controle gemeenten intern

395.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB ten aanzien van het verlenen van ontheffing van de verplichting tot vermelding van de begrotingspost op de bevelschriften tot betaling

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 121.2

Waardering: B (5)

397.

Handeling: Het geven van voorschriften omtrent de inrichting van verslagen van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van de gemeente

Periode: 1950–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 13 december 1950, Stb. K 575, art. 265quater lid 4

Waardering: V 5 jaar

472.

Handeling: Het aanvragen van vernietiging van ingediende verzoeken om een ontheffing van artikel 1506 van het Burgerlijk Wetboek

Periode: 1945–

Grondslag: Burgerlijk wetboek, art. 1506

Opmerking: Dit betreft een aanvullende handeling op verzoek van de CAS, aangezien niet alle onderwerpen uit de oude vernietigingslijsten ook in de selectielijsten voorkomen.

Waardering: V 5 jaar

3.7.2. Financiële verhouding Rijkgewesten

400.

Handeling: Het aan pre-gewesten verlenen van bijdragen en uitkeringen in de algemene kosten van die pre-gewesten

Periode: 1971–

Grondslag: Rijksbijdrageregeling pre-gewesten, art. 2.1; art. 4; toelichting; Bijdrageregeling pre-gewesten 1981, art. 2.1; art.4

Waardering: V 10 jaar

401.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gesteld met betrekking tot gewesten

Periode: 1965–1985

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 55; Wet agglomeratie Eindhoven, div.art.

Product: Financieel besluit openbaar lichaam Rijnmond 1965, Stb. 1966/61; Besluit agglomeratie Eindhoven, Stb. 1977/4; Financieel besluit openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1908/614

Waardering: V 10 jaar

402.

Handeling: Het vaststellen van uitkeringen aan gewesten

Periode: 1976–1986

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 68; Besluit agglomeratie Eindhoven, art. 12.4 en 12.6

Opmerking: Het verrichten van betalingen is een activiteit onder deze handeling.

Waardering: V 10 jaar

403.

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van het maximum van de provinciale bijdrage aan de gemeenten die deel uitmaken van het openbaar lichaam Rijnmond

Periode: 1979–1986

Grondslag: Financieel besluit openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1980/614, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar

Toezicht

4.2.1. Provinciale besluiten

408.

Handeling: Het (al of niet bij KB) goedkeuren van provinciale besluiten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 98.1, art. 133, art. 151; Provinciewet 1962, art. 82.3, art. 91, art. 93.1, art. 100; Provinciewet 1992, art. 254, art. 259.1; Provinciewet 1998, art. 259

Opmerking: De vakminister doet de voordracht tot goedkeuring door de Kroon. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring door de Kroon wordt door of mede door de Minister van Binnenlandse Zaken gedaan.

Waardering: B (5)

409.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter bepaling van de mate waarin besluiten van Gedeputeerde Staten geen goedkeuring van de Kroon behoeven

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 92

Opmerking: Het betrof besluiten betreffende het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courant-overeenkomsten, en besluiten betreffende het waarborgen der renten en aflossingen van geldleningen, door anderen aan te gaan.

Waardering: B (5)

411.

Handeling: Het, in overleg, voorbereiden van een KB tot schorsing of vernietiging van een provinciaal besluit

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 32.2, art. 166, art. 169; Provinciewet 1962, art. 104.3, art. 165, art. 169.3, Provinciewet 1992/1998, art. 261, art. 267.1, art. 271.1

Product: Besluit van 4 mei 1965 tot vernietiging van een artikel der verordening, regelende de behandeling door Gedeputeerde Staten van Friesland van administratieve geschillen, Stb. 1965/197

Opmerking: Onder deze besluiten vallen ook door provinciale ambtenaren uitgevoerde besluiten, alsmede uitspraken door Gedeputeerde Staten in beroepszaken, ingesteld tegen uitvoering van deze besluiten. De voordracht tot vernietiging wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken of mede door deze minister gedaan.

Waardering: B (5)

4.2.2. Gemeentelijke besluiten

413.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot schorsing of vernietiging van een gemeentelijk besluit

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 185; Gemeentewet, art. 268; art. 278.1

Opmerking: De voordracht tot vernietiging wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken of mede door deze minister gedaan. Het betreft gemeentelijke besluiten die met het recht of het algemeen belang in strijd zijn.

Waardering: B (5)

417.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB ter goedkeuring van besluiten van gemeentebesturen tot instelling of verandering van jaarmarkten of gewone marktdagen

Periode: 1945–1987

Grondslag: Provinciale wet, art. 144; gemeentewet 1931, art. 229

Waardering: V 10 jaar

4.3.1. Bestuursdwang vanwege het Rijk

424.

Handeling: Het (bij KB) aan de Commissaris van de Koningin opdragen medewerking te verlenen aan de uitvoering van een wet of AMvB

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 129; Provinciewet 1962, art. 97

Opmerking: Tot 1992 gebeurde dit bij KB.

Waardering: B (5)

425.

Handeling: Het geven van aanwijzingen aan een gemeentebestuur

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 108.2

Waardering: V 10 jaar

426.

Handeling: Het doen vaststellen van een plan of een beleidsverslag door een gemeentebestuur

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 110.2

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

4.3.4. Bestuursdwang ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen

433.

Handeling: Het (bij KB) aanwijzen van gemeenten waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen, wijzigen of opheffen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 99.1; art. 100.3

Opmerking: Aanwijzing gebeurt alleen als een zwaarwegend openbaar belang dit vereist. Een aanwijzing kan ook de toetreding tot of uittreding uit een regeling betreffen. Wanneer Provinciale Staten niet tijdig ingaan op de uitnodiging van de Kroon tot het verrichten van een aanwijzing, bereidt de Minister een KB voor.

Waardering: B (5)

434.

Handeling: Het (bij KB) aan gemeenten opleggen van een onderlinge gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 11.1-3; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 99.2 en 99.5; Kaderwet bestuur in verandering, art. 23.1; art. 24.1; art. 26

Product: Besluit van 7 juni 1995, tot oplegging van de Gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht, Stb. 1995/311

Opmerking: – De gemeenten kunnen in een samenwerkingsgebied liggen.

– Onder ‘opleggen’ wordt ook verstaan de wijziging of opheffing van een bestaande regeling, de toetreding tot of de uittreding uit een regeling.

Oplegging gebeurde tot 1984 door Provinciale Staten. Vanaf 1984 gebeurt het, op aanwijzing van Provinciale Staten, door Gedeputeerde Staten. Liggen de betrokken gemeenten echter in verschillende provincies, dan gebeurt het opleggen door de Kroon (de minister bereidt een KB voor). Bleven Provinciale Staten ten aanzien van het opleggen in gebreke, dan gebeurde het opleggen eveneens door de Kroon. De Commissaris treedt in de plaats van Gedeputeerde Staten (voor 1984: Provinciale Staten) wanneer het een regeling tussen uitsluitend burgemeesters betreft.

Waardering: B (5)

435.

Handeling: Het (bij KB) geven van opdracht aan besturen van gemeenten aan wie een onderlinge gemeenschappelijke regeling wordt opgelegd daarover in overleg te treden

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 12

Opmerking: Wanneer de regeling is opgelegd vanwege de Kroon, vindt ook de opdracht tot overleg vanwege de Kroon plaats. Bij een regeling tussen burgemeesters treedt de Commissaris van de Koningin in de plaats van Provinciale Staten.

Waardering: V 10 jaar Ministerie van VWS

V 5 jaar overige actoren

436.

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan Gedeputeerde Staten ter zake van het opnieuw opleggen van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten in een samenwerkingsgebied

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 25.1

Opmerking: De Minister van Binnenlandse Zaken handelt in overeenstemming met de betrokken ministers.

Waardering: V 5 jaar

437.

Handeling: Het uitnodigen van Gedeputeerde Staten het bestuur van een regionaal openbaar lichaam een aanwijzing te geven hoe een bevoegdheid of taak moet worden uitgeoefend

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 28.1

Opmerking: De vakminister handelt in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 5 jaar

438.

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan het bestuur van een regionaal openbaar lichaam hoe een bevoegdheid of taak moet worden uitgeoefend.

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 28.3

Opmerking: Wanneer Gedeputeerde Staten geen gevolg geven aan de uitnodiging van de vakminister en de Minister van Binnenlandse Zaken tot het geven van een aanwijzing, geven zij, in overeenstemming met elkaar, de aanwijzing zelf.

Waardering: V 5 jaar

4.4 Geschillen en beroepsmogelijkheden

446.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter beslissing in een geschil tussen lagere overheden

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Provinciale wet, art. 148; gemeentewet 1931, art. 235; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb.1950/K 120, art. 6.2; art. 7.1; art. 21; art. 28; Provinciewet 1962, art. 86.1; art. 121; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 2 maart 1966, Stb. 94, art. 105.4; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 51.2; art. 86.1; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 36.4; Gemeentewet, art. 264

Opmerking: Een gemeente kan bijvoorbeeld beroep instellen tegen een beslissing van het provinciaal bestuur.

Waardering: V 5 jaar

447.

Handeling: Het beslissen op een beroep, ingesteld door vanwege de Minister van Defensie aangewezen gezag, tegen de beslissing van een burgemeester inzake de sterkte of de soort van het krijgsvolk dat ter beteugeling van verstoring van de openbare orde is gevorderd

Periode: 1945–1957

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 218.2

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

449.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter beslissing in geschillen omtrent de toepassing van een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 42; art. 53; art. 75; art. 85

Waardering: B (5)

450.

Handeling: Het beslissen in geschillen betreffende de vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 4; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, zoals gewijzigd Stb. 1984/668, art. I, sub D

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

451.

Handeling: Het schorsen van een besluit tot vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 4.5

Opmerking: Op verzoek van een belanghebbend provinciaal bestuur kan een voorlopige voorziening worden getroffen.

Waardering: V 5 jaar

453.

Handeling: Het beslissen op een bezwaarschrift van Gedeputeerde Staten tegen de ontwerp-beschikking tot vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 4.3

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

455.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep door Gedeputeerde Staten tegen de vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 6.1

Opmerking: Het bezwaar moet zich richten tegen de vaststelling van het aantal eenheden (zoals het aantal inwoners of hectaren land van een gemeente). Tot dusverre vond een dergelijk beroep niet plaats.

Waardering: V 5 jaar

456.

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften van gemeenten tegen de vaststelling van uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1945–

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 13.2; art. 24.3, art. 25.4; art. 28.2, 36bis4; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 6.2, art. 10.3; art. 12.2; art. 19, art. 26.2; Financiële-Verhoudingsbesluit 1953, art. 7.2; Financiele Verhoudingsbesluit, art. 17.3, art. 21.4; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 22.1; art. 31.1

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

457.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s waarbij gemeentebesturen in de gelegenheid worden gesteld bij de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken bezwaar te maken tegen de vaststelling van gegevens die ten grondslag liggen aan verfijningen

Periode: 1984–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 30.1

Opmerking: Bezwaar wordt gemaakt bij de beide actoren, aangezien zij de beheerders van het Gemeentefonds zijn. Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de Minister van Financiën.

Waardering: B (1)

460.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door een gemeentebestuur, tegen de vaststelling van een uitkering uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 34.1; art. 38.3

Waardering: V 5 jaar

462.

Handeling: Het beslissen op beroepschriften van Commissarissen van de Koningin tegen besluiten van Gedeputeerde Staten in het kader van uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1945–

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 24.3; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 10.3

Product: Beschikking

Waardering: V 5 jaar

468.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Financiën, stellen van nadere regels omtrent de jaarlijks door gemeenten aan het CBS te verstrekken gegevens inzake de vastgestelde waarden van onroerende zaken.

Periode: 1997-

Grondslag: Besluit financiele verhouding Rijk-gemeenten, art. 2

Besluit financiele verhouding, art. 2

Waardering: B (1)

469.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Financiën, kennisgeven van de provincies en gemeenten van:

1. de verwachte bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar;

2. de verwachte uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar;

3. de verwachte ontwikkeling van de uitkeringsfactor over de 4 jaren na het uitkeringsjaar.

Periode: 1998-

Grondslag: Besluit financiele verhouding Rijk-gemeenten, art. 3

Besluit financiele verhouding, art. 3

Waardering: V 5 jaar na het uitkeringsjaar

470.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Financiën, vaststellen van de historische vergoeding per gemeente voor huisvesting van onderwijs.

Periode: 1997-

Grondslag: Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds, art. 2.2

Waardering: V 10 jaar

471.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Financiën, verstrekken van een uitkering aan gemeenten, in verband met de toevoeging aan het gemeentefonds van middelen betreffende onderwijs in de jaren 1997 t/m 2001.

Periode: 1997-

Grondslag: Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds, art. 4.1

Waardering: V 5 jaar

2. Minister voor Grote steden- en Integratiebeleid

1.2 Algemene handelingen

1.

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Product: nota Sociale Vernieuwing, opdracht en Handreiking

Waardering: B (1, 2)

2.

Handeling: Het evalueren van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: B (5)

3.

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Grondslag: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Opmerking: Het betreft hier wet- en regelgeving die niet als product van een andere handeling in dit onderzoek zijn opgenomen.

Waardering: B (1)

4.

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Opmerking: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B (3)

5.

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anders op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Grondslag: Grondwet 1938/1946/1948, art. 97; Grondwet 1953/1956/1963/1972, art. 104; Grondwet 1983/1987/1995, art. 68

Waardering: B (2, 3)

6.

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: B (3)

7.

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen

Periode: 1998–

Waardering: V 5 jaar

8.

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1998–

Waardering: B (1)

9.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 5 jaar

10.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Opmerking: Zie voor het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid handeling 1.

Waardering: V 5 jaar

11.

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: B (5)

12.

Handeling: Het begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 5 jaar

13.

Handeling: Het verzamelen van gegevens ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 5 jaar

14.

Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

15.

Handeling: Het op aanvraag om ondersteuning verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

16.

Handeling: Het (bij KB) instellen van commissies voor advisering over het beleid en wet- en regelgeving ten aanzien van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Grondslag: Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 1950, nr. 32485; Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979, art. 28; Provinciewet 1992, art. 188 lid 1

Producten: – Instellingsbeschikking Werkgroep Herziening Gemeentewet, Stcrt. 22 maart 1977/57, p. 17;

– Instellingsbeschikking Externe Commissie Grote Stedenbeleid, 13 juni 1988, nr. IBI88/11/U15, Stcrt. 1988/126;

– Instelling adviescommissie Wet algemene regels herindeling, Stcrt. van 9 december 1992/239;

– Instelling adviescommissie ex artikel 285, tweede lid, Gemeentewet, Stcrt. van 14 april 1994/72;

– Besluit adviescommissie KIR, Stcrt. 1998/227; Besluit BIO98/U97;

– Instelling Interdepartementale commissie Grote Stedenbeleid, 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, Stcrt. 1999/32

Waardering: B (5)

17.

Handeling: Het (bij KB) benoemen van leden, plaatsvervangende leden, secretaris en adjunct-secretaris(sen) van adviescommissies

Periode: 1998–

Grondslag: Koninklijk Besluit, instellingsbeschikking

Waardering: V 5 jaar na einde benoeming

18.

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van organisatie-eenheden op het beleidsterrein financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Product: Instellingsbeschikking van 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, directie Grote Stedenbeleid (GSB), Stcrt. 1999/32

Waardering: B (4)

19.

Handeling: Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over de vergaderingen van nationale en internationale commissies, werkgroepen, advies- en overlegorganen op het beleidsterrein bestuurlijke en financiële organisatie van de lagere overheden, waarvan het voorzitterschap en/of het secretariaat bij Binnenlandse Zaken berust

Periode: 1998–

Opmerking: Voorbeelden zijn de Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur en de Interdepartementale Commissie Grotestedenbeleid

– Vanaf 1998 wordt deze handeling met betrekking tot grote steden- en integratiebeleid door de Minister van Grote steden- en Integratiebeleid uitgevoerd.

Waardering: B (1)

22.

Handeling: Het op het beleidsterrein van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden deelnemen aan een advies- of overlegcommissie waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij het ministerie berust

Periode: 1998–

Opmerking: Voorbeeld is de interdepartementale Commissie Ontwikkeling Beleidsanalyse (Stcrt. 1971/213/p.3).

Waardering: V 5 jaar

23.

Handeling: Het deelnemen aan het bestuur van privaatrechtelijke instellingen op het gebied van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Waardering: V 5 jaar

24.

Handeling: Het oprichten en in stand houden van privaatrechtelijke instellingen op het gebied van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Opmerking: Te denken valt aan stichtingen die door de overheid (mede) zijn opgericht ten behoeve van een beleidsdoelstelling.

Waardering: B (4)

25.

Handeling: Het voeren van gestructureerd overleg op het beleidsterrein van de financiële en bestuurlijke organisatie van de lagere overheden

Periode: 1998–

Opmerking: Voorbeelden zijn overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO). Voorbeelden met betrekking tot het grote stedenbeleid zijn: overleg met de vier grote gemeenten en overleg met de G 21 of de G5 (aanleungemeenten).

Waardering: B (1,2)

26.

Handeling: Het voeren van overleg met mede-ministers over maatregelen en voornemens met betrekking tot het rijksbeleid inzake gemeenten

Periode: 1998–

Grondslag: Gemeentewet, art. 116.2

Opmerking: – Het betreft hier mede-ministers die verantwoordelijk zijn voor de

maatregelen en voornemens in kwestie.

Waardering: V 5 jaar

2.4.1 Inrichting en samenstelling regionaal

181.

Handeling: Het afsluiten van convenanten met de grote steden en de middelgrote steden

Periode: 1998 –

Waardering: B (5)

182.

Handeling: Het deelnemen aan internationale symposia over het grote stedenbeleid binnen Europa

Periode: 1998 –

Waardering: V 5 jaar

183.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Financiën en Minister van Economische Zaken, voordragen van regelingen voor het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1998–

Product: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248

Opmerking: Bij de eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid was door de Minister van Binnenlandse Zaken overeenstemming bereikt met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken.

Waardering: B (5)

185.

Handeling: Het voordragen van een regeling voor het verstrekken van bijdragen aan programma’s i.h.k.v. de Europese structuurfondsen.

Periode: 1998–

Product: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249

Opmerking: De URBAN-programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: B (5)

86.

Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan expertgroepen van de Europese Commissie inzake het grote stedenbeleid en het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

187.

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het grote stedenbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen

Periode: 1998–

Product: – instructies

– departementale standpunten

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerd bedrijfsleven.

Waardering: B (1,2)

188.

Handeling: Het opstellen van Nederlandse standpunten en bijdragen ten behoeve van het grote stedenbeleid aan internationale commissies, niet zijnde de Europese Commissie

Periode: 1998–

Waardering: B (1)

189.

Handeling: Het aangaan van en leveren van bijdragen aan bilaterale samenwerkingsverbanden met landen binnen Europa

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

190.

Handeling: Het deelnemen aan Comité’s van Toezicht en Stuurgroepen/Technische Comité’s voor de uitvoering van de programma’s i.h.k.v. de Europese structuurfondsen.

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

191.

Handeling: Het, in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verdelen van de Europese middelen

Periode: 1998–

Waardering: V 10 jaar

193.

Handeling: Het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1998–

Grondslag: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248, art. 7

Waardering: V 10 jaar

194.

Handeling: Het verstrekken van bijdragen aan de programma’s i.h.k.v. de Europese structuurfondsen

Periode: 1998–

Grondslag: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249, art. 2 en 3

Opmerking: De URBAN-programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: V 10 jaar

195.

Handeling: Het terugvorderen van bijdragen aan de programma’s i.h.k.v. de Europese structuurfondsen

Periode: 1998–

Grondslag: Regeling bijdragen URBAN-programma’s, 18 december 1996, Stcrt. 1996/249, art. 6, 7 en 10

Opmerking: De URBAN-programma’s werden uitgevoerd door de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.

Waardering: V 10 jaar

3. Minister voor Nederlands-Antilliaanse zaken

2.1.1 Indeling grondgebied Rijk

36.

Handeling: Het vaststellen van de grenzen van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen

Periode: 1985–

Grondslag: Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, art. 1

Waardering: B (1)

37.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gesteld inzake de uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen

Periode: 1985–

Grondslag: Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, art. 1

Product: Besluit van 23 oktober 1985, houdende uitvoering van artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, Stb. 1985/559

Waardering: B (1)

38.

Handeling: Het vaststellen van de grens tussen de zeegebieden, met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond, van de Nederlandse Antillen en Aruba

Periode: 1986–

Grondslag: Rijkswet van 12 december 1985 tot vaststelling van een zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba, art. 1

Waardering: B (1)

4. Adviescommissie ex artikel 285, tweede lid, Gemeentewet.

118.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken bij zijn oordeelsvorming omtrent de vraag of in een voorstel van Gedeputeerde Staten voor een ontwerp-regeling voldoende recht is gedaan aan het belang van de gemeente in kwestie

Periode: 1992–

Grondslag: Instelling adviescommissie Wet algemene regels herindeling, Stcrt. van 9 december 1992/239, art. 1; Instelling adviescommissie ex artikel 258, tweede lid, Gemeentewet, Stcrt. van 14 april 1994/72, art. 1

Opmerking: Eerstgenoemde commissie was de voorloper van de laatstgenoemde. Deze commissie wordt waarschijnlijk op korte termijn opgeheven.

Waardering: B (1)

5. Adviescommissie Kostenverrekening en Informatierelaties

252.

Handeling: Het adviseren van de regering over de compensatie van financiële gevolgen van verplichte informatieverstrekking door gemeenten en provincies aan departementen en ZBO’s

Periode: 1998

Grondslag: Besluit adviescommissie KIR, Stcrt 1998, nr. 227

Product: ‘Betaalde verhoudingen, Advies Commissie Kostenverrekening en Informatierelaties’

Opmerking: Het betreft een éénmalig advies. Het besluit is 1 augustus 1998 vervallen.

Waardering: B (1)

6. Adviescommissie Wet algemene regels herindeling

118.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken bij zijn oordeelsvorming omtrent de vraag of in een voorstel van Gedeputeerde Staten voor een ontwerp-regeling voldoende recht is gedaan aan het belang van de gemeente in kwestie

Periode: 1992–

Grondslag: Instelling adviescommissie Wet algemene regels herindeling, Stcrt. van 9 december 1992/239, art. 1; Instelling adviescommissie ex artikel 258, tweede lid, Gemeentewet, Stcrt. van 14 april 1994/72, art. 1

Waardering: B (1)

7. Beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen.

316.

Handeling: Het opbouwen, beheren en actualiseren van een gegevensbestand van specifieke uitkeringen

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instelling beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen, Stcrt. 1981/100/p. 9; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 37.1

Product: jaarlijks overzicht

Opmerking: – De samenstelling van het overzicht van de specifieke uitkeringen kan houvast geven bij de periodieke evaluatie daarvan. Voor aanvang van elk begrotingsjaar publiceren de ministers dit overzicht. Het wordt tegelijkertijd aangeboden aan de Staten-Generaal.

– Indien de commissie niet tot een besluit kan komen, beslissen de ministers. Hiertoe raadplegen zij de Raad voor de gemeentefinanciën.

Waardering: V 10 jaar

8. Commissie Christiaanse

249.

Handeling: Het adviseren met betrekking tot het belastinggebied van provincies en gemeenten

Periode: 1981–

Grondslag: Instellingsbeschikking van 26 mei 1981 (Stcr. 1981/104)

Product: tussentijds rapport met betrekking tot de provinciale belasting 23 april 1982

Eindrapport inzake de herziening van het belastinggebied van provincies en gemeenten 20 mei 1993

Waardering: B (1)

9. Commissie onderzoek herziening verdeelmaatstaven algemene uitkering Gemeentefonds.

313.

Handeling: Het begeleiden van en adviseren (van de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken) over het onderzoek door het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven naar de wijze waarop gegevens over de bebouwing in een gemeente in de algemene verdeelmaatstaven kunnen worden opgenomen

Periode: 1981–ca. 1984

Grondslag: Instellingsbeschikking onderzoek herziening verdeelmaatstaven algemene uitkering Gemeentefonds

Product: driemaandelijkse verslagen

Waardering: V 10 jaar

10. Commissie reorganisatie bestuur regio Rotterdam

204.

Handeling: Het voorbereiden en doen uitvoeren van een overeenkomst met betrekking tot het samenwerkingsgebied Rotterdam

Periode: 1994–1998

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 38.1, art. 39.1

Waardering: B (1,5)

11. Commissies voor de provinciale comptabiliteitsvoorschriften

243.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake werking en inrichting van provinciale begrotingen, rekeningen en de controle daarop

Periode: 1945–1993

Grondslag: mededeling van Dhr. J.H. van Beurden; Provinciale comptabiliteitsvoorschriften 1979, art. 28

Opmerking: De laatste provinciale commissie was werkzaam sinds 1980.

Waardering: (B 1)

12. Commissie voor de gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften

244.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake werking en inrichting van gemeentelijke begrotingen, rekeningen en de controle daarop

Periode: 1950–1993

Grondslag: Beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 1950, nr. 32485, Gemeentewet 1992, art. 184

Waardering: B (1)

13. Commissie voor de comptabiliteitsvoorschriften

246.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake werking en inrichting van provinciale en gemeentelijke begrotingen, rekeningen en de controle daarop

Periode: 1994–

Grondslag: Besluit van 3 mei 1994, Stb. 363, tot vaststelling van voorschriften ter uitvoering van art. 189 lid 4 en 190 van de Provinciewet (1992) en art. 185.4 en 186 van de Gemeentewet (1994)

Waardering: B (1)

14. Externe Commissie Grote Stedenbeleid (Commissie Montijn)

175.

Handeling: Het adviseren van de regering en de colleges van burgemeesters en wethouders van de vier grote steden over de inrichting, inhoud, effectiviteit en voortgang van het grote stedenbeleid

Periode: 1988–1989

Bron: Instellingsbeschikking Externe Commissie Grote Stedenbeleid, 13 juni 1988, nr. IBI88/11/U15

Product: Rapport Grote steden, grote kansen, 1989

Waardering: B (1)

15. Interdepartementale Commissie Grotestedenbeleid

179.

Handeling: Het adviseren van en het doen van voorstellen aan de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, de Raad voor het Grote Stedenbeleid, de Ministerraad en de vakminister

Periode: 1999–

Grondslag: Instellingsbesluit van 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, directie GSB, Stcrt. 1999/32, art. 2 en 3

Waardering: B (1)

16. Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur

20.

Handeling: Het voorbereiden van de besluitvorming in de Raad voor Justitie, Bestuur en Veiligheid (RJBV) over belangrijke wetgeving en beleidsonderwerpen op het terrein van de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur, art. 2, lid 1 (Stcrt. 1999, 84)

Product: nota’s

Waardering: B 1

21.

Handeling: Het adviseren over bestaande en voorgenomen wet- en regelgeving en beleidsinitiatieven.

Periode: 1994–

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale Commissie Openbaar Bestuur, art. 2, lid 2 (Stcrt. 1999, 84)

Product: adviesnota’s

Waardering: B 1

17. Raad van advies voor de gemeentefinanciën (1955–1960)

254.

Handeling: Het benoemen van buitengewone leden van de Rijkscommissie voor de gemeentefinanciën respectievelijk de Raad van advies voor de gemeentefinanciën

Periode: 1955–1960

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 41 lid 1; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 32.1; Financiële-Verhoudingsbesluit 1953, art. 14.2; Wet van 8 Januari 1955, art. 5

Opmerking: Deze werden aan de commissie respectievelijk de raad toegevoegd voor de behandeling van bepaalde onderwerpen.

Waardering: V 5 jaar

260.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde voor de eigen werkzaamheden

Periode: 1955–1960

Grondslag: Besluit van 13 Mei 1955, Stb. 1955/222, art. 12; Financiële-Verhoudingsbe-sluit 1984, art. 14

Opmerking: Dit wordt medegedeeld aan de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 5 jaar

261.

Handeling: Het adviseren van ministers inzake gemeentefinanciën

Periode: 1955–1960

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingsbesluit, art. 43; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 34; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41

Waardering: B (1)

18. Raad voor de financiële verhoudingen

267.

Handeling: Het adviseren van de regering en het parlement met betrekking tot

totstandkoming en de uitvoering van de wetgeving inzake de financiële

verhoudingen

Periode: 1997–

Grondslag: Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen 1997

Waardering: B (1)

269.

Handeling: Het voorbereiden van het jaarlijks werkprogramma zoals vastgesteld wordt in het Periodiek onderhoudsrapport (POR)

Periode: 1997–

Grondslag: Kaderwet

Waardering: V 5 jaar

19. Raad voor de gemeentefinanciën

257.

Handeling: Het vervangen van de voorzitter van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 21.3; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 44.4

Waardering: V 5 jaar

260.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde voor de eigen werkzaamheden

Periode: 1960–1997

Grondslag: Besluit van 13 Mei 1955, Stb. 1955/222, art. 12; Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 14

Opmerking: Dit wordt medegedeeld aan de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 5 jaar

261.

Handeling: Het adviseren van ministers inzake gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingsbesluit, art. 43; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 34; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41

Waardering: B (1)

20. Raad voor de Territoriale Decentralisatie

217.

Handeling: Het adviseren van ministers over aangelegenheden betreffende territoriale decentralisatie

Periode: 1964–1980

Grondslag: Wet van 25 juni 1964 art. 2

Waardering: B (1)

218.

Handeling: Het instellen van commissies uit eigen midden ter voorbereiding van door de Raad uit te brengen adviezen

Periode: 1964–1980

Grondslag: Besluit van 30 december 1964, art. 1.1

Waardering: V 5 jaar

21. Raad voor het binnenlands bestuur

177.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken over het bestuur in grootstedelijke gebieden

Periode: 1989–1997

Product: Rapport Het bestuur in grootstedelijke gebieden, 1989

Waardering: B (1)

220.

Handeling: Het adviseren van ministers en Tweede Kamer over binnenlands bestuur en decentralisatie

Periode: 1980–1986

Grondslag: Wet Raad voor het binnenlands bestuur (Stb. 1979/784), art. 2.1, art. 3.1

Producten: adviezen, jaarverslagen, meerjaarlijkse rapporten

Opmerking: Deze handeling omvat ook het verslag uitbrengen aan de Kroon van de werkzaamheden en bevindingen van de Raad.

Waardering: B (1)

221.

Handeling: Het instellen en samenstellen van commissies ter voorbereiding van door de Raad voor het binnenlands bestuur uit te brengen adviezen en rapporten

Periode: 1980–1986

Grondslag: Wet Raad voor het binnenlands bestuur (Stb. 1979/784), art. 11.1, art. 12

Opmerking: – In deze commissies kunnen ook personen van buiten de Raad zitting hebben.

– De rol van de vakministers beperkte zich tot het benoemen en aanwijzen van vertegenwoordigers van hun departement in de commissies.

Waardering: V 5 jaar

22. Raad voor het Grote Stedenbeleid

180.

Handeling: Het voorbereiden van besluiten van de Ministerraad inzake het grotestedenbeleid

Periode: 1998–

Bron: Toelichting instellingsbesluit van 21 januari 1999, nr. GSB98/U59716, directie GSB, Stcrt. 1999/32

Waardering: Besluiten B (1), overige neerslag V 5 jaar

23. Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën

254.

Handeling: Het benoemen van buitengewone leden van de Rijkscommissie voor de gemeentefinanciën respectievelijk de Raad van advies voor de gemeentefinanciën

Periode: 1945–1955

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 41 lid 1; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 32.1; Financiële-Verhoudingsbesluit 1953, art. 14.2; Wet van 8 Januari 1955, art. 5

Opmerking: Deze werden aan de commissie respectievelijk de raad toegevoegd voor de behandeling van bepaalde onderwerpen.

Waardering: V 5 jaar

261.

Handeling: Het adviseren van ministers inzake gemeentefinanciën

Periode: 1945–1955

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingsbesluit, art. 43; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 34; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41

Waardering: B (1)

24. Werkgroep Herziening Gemeentewet (Werkgroep Van Kinschot)

112.

Handeling: Het, zo mogelijk binnen een jaar, voorbereiden van een nieuwe gemeentewet met memorie van toelichting

Periode: 1977 – 1980

Grondslag: Instellingsbesluit nr. B77/U840, d.d. 14 maart 1977, I

Product: tussentijds rapport (1978) en eindrapport (1980)

Waardering: B (1)

Deel b. actoren waarvan de minister van algemene zaken de zorgdrager is

25. Ministerraad

31.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot benoeming van landdrosten in drostambten

Periode: 1949–1963

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 39.2; Grenscorrectiewet 1951, art. 39.2

Product: KB’s

Waardering: B (5)

26. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

176.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken over het grote stedenbeleid

Periode: 1990–

Product: Rapport Van de stad en de rand, 1990

Waardering: B (1)

Deel c. overige ministers

27. Minister van Buitenlandse Zaken

34.

Handeling: Het vaststellen van de grenzen van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in Nederland

Periode: 1985–

Grondslag: Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, art.11

Waardering: B (1)

35.

Handeling: Het aanbrengen van preciseringen in de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van Nederland

Periode: 1985–

Grondslag: Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, art. 2.1, art. 3.2

Product: KB

Waardering: B (1)

36.

Handeling: Het vaststellen van de grenzen van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen

Periode: 1985–

Grondslag: Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, art. 1

Product: KB

Waardering: B (1)

37.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gesteld inzake de uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen

Periode: 1985–

Grondslag: Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, art. 1

Product: Besluit van 23 oktober 1985, houdende uitvoering van artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, Stb. 1985/559

Waardering: B (1)

38.

Handeling: Het vaststellen van de grens tussen de zeegebieden, met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond, van de Nederlandse Antillen en Aruba

Periode: 1986–

Grondslag: Rijkswet van 12 december 1985 tot vaststelling van een zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba, art. 1

Product: KB

Waardering: B (1)

296.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij voorschriften worden gegeven betreffende het verlenen van vrijdom van plaatselijke belastingen

Periode: 1945–1970

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 289

Product: Besluit van 13 mei 1957 betreffende vrijstelling van gemeentelijke belastingen voor vertegenwoordigers van andere mogendheden en voor vertegenwoordigers en functionarissen van volkenrechtelijke organisaties (Stb. 1957, 173)

Waardering: B (1)

28. Minister van Defensie

156.

Handeling: Het aanwijzen van gezag waaraan burgemeesters bij (dreigende) verstoring van de openbare orde een vordering van krijgsvolk kunnen richten

Periode: 1945–1957

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 217.2

Waardering: V 10 jaar

307.

Handeling: Het verstrekken van kwantitatieve gegevens aan de Minister van Financiën in het kader van de berekening van verfijningsuitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.4.3 lid 2

Opmerking: Het betreft gegevens over de sociale structuur van een gemeente, die niet kunnen worden ontleend aan publicaties van organisaties als het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: V 5 jaar

29. Minister van Economische Zaken

184.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken respectievelijk de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, inzake het voordragen van regelingen voor het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1995–

Product: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248

Opmerking: Bij de eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid was door de Minister van Binnenlandse Zaken overeenstemming bereikt met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken.

Waardering: V 10 jaar

189.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister voor het Grote Stedenbeleid over de verdeling van de Europese middelen

Periode: 1996–

Opmerking: Voor 1998 werd er overeenstemming bereikt met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 10 jaar

250.

Handeling: Het bij AMvB aangeven hoe financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking worden gecompenseerd

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 215.6; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 215; Gemeentewet 1994/1998, art. 119.1-4, art. 120.1; Provinciewet 1992/1998, art. 117.4

Opmerking: Er wordt bij of krachtens de wet bij AMvB geregeld in welke gevallen een gemeente of provincie verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan de vakminister. In die maatregel kan worden bepaald, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken, dat deze gegevens ten behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden verstrekt.

Voorbereiding van een AMvB gebeurt in overleg. Voor 1994 was alleen de Minister van Binnenlandse Zaken actor.

Waardering: B (1)

30. Minister van Financiën

2.2.1 Indeling grondgebied, provincie

46.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van de onroerende rijkseigendommen die overgaan naar de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 36.1

Waardering: B (5)

2.3.1 Indeling grondgebied gemeente

111.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van de rijkseigendommen die in eigendom, beheer en onderhoud op een nieuwe gemeente overgaan

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Stb. 1962/11, art. 8.1; Wet van 25 maart 1971, art. 13.1; Besluit van 22 mei 1974, art. 1; Stb. 1979/378, art. 13.1; Besluit van 22 juni 1983, art. 1.1; Stb. 1983/328, art. 16.1

Waardering: B (5)

2.4.1 Inrichting en samenstelling regionaal

184.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken respectievelijk de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, inzake het voordragen van regelingen voor het verstrekken van uitkeringen ter realisering van de projecten inzake het grote stedenbeleid

Periode: 1995–

Product: o.m. Eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid, 15 december 1995, nr. GSB/386, Stcrt. 1995/248

Opmerking: Bij de eenmalige bijdrageregeling Stadseconomie Grote Stedenbeleid was door de Minister van Financiën overeenstemming bereikt met de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Economische Zaken.

Waardering: V 10 jaar Ministerie van Financiën

V 15 jaar Overige zorgdragers

3.1 De financiering van openbare lichamen

222.

Handeling: Het vaststellen van regelgeving betreffende de financiering van lagere overheden

Periode: 1945–

Producten: – Regeling vaste schuld lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling kasgeldlimiet lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling modelstaten financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– regeling overgangstermijn Wet financiering lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127

Waardering: B (1, 5)

224.

Handeling: Het aanwijzen van openbare lichamen die geen (of: niet alle) gegevens behoeven te verstrekken ter uitvoering van de Wet financiering lagere overheid

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit gegevens financiering lagere overheid, Stb. 1986/662, art. 1.3

Product: Regeling vrijstelling financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, no. 386-14127, Stcrt. 252

Waardering: B (5)

228.

Handeling: Het beslissen dat een publiekrechtelijk lichaam financieringsmiddelen moet gebruiken om de overschrijding van de kasgeldlimiet ongedaan te maken

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.3

Opmerking: Een dergelijke beslissing kon worden genomen bij een overschrijding van 50 % of meer, of wanneer de overschrijding een half jaar lang voortduurde.

Waardering: V 10 jaar

229.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van besluiten van publiekrechtelijke lichamen tot het ramen van uitgaven (ten laste van de kapitaaldienst van hun begrotingen)

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.1

Opmerking: Dit gebeurt wanneer vaste financiering is verzekerd.

Waardering: V 7 jaar

230.

Handeling: Het bepalen dat besluiten van publieke lichamen tot het ramen van kapitaaluitgaven geen goedkeuring behoeven

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.4

Opmerking: Dit gebeurde al of niet op verzoek van het betrokken publieke lichaam. Ten aanzien van de provincie gebeurde dit door de Kroon/bij KB.

Dit is in feite een ontheffing van de eis (voorwaarde voor goedkeuring) van vaste financiering voor een nieuwe kapitaaluitgave.

Waardering: V 30 jaar

231.

Handeling: Het aan openbare lichamen verlenen van vergunning tot overschrijding van de kasgeldlimiet

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 4.2

Product: Circulaire van 30 jan. 1987, no. BMV87/U12

Opmerking: Dit gebeurt met inachtneming van ministeriële regels.

Vergunningverlening door een minister vindt plaats als het gaat om openbare lichamen waarvan de begroting onderworpen is aan toezicht door de regering. De aanvraag wordt gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken. Ten aanzien van de overige openbare lichamen zijn Gedeputeerde Staten vergunningverlener.

Waardering: V 10 jaar

232.

Handeling: Het (bij ministeriële regeling) vaststellen van maxima voor het aangaan en garanderen van geldleningen door openbare lichamen

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 4.1, art. 5.1; Wet financiering lagere overheid, art. 7.1

Waardering: B (5)

233.

Handeling: Het aanwijzen van instellingen waarbij publieke lichamen leningen mogen aangaan die aan een maximum gebonden zijn

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Waardering: V 5 jaar

236.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan publieke lichamen in het kader van de vaststelling van maxima voor geldleningen en de aanwijzing van leningverstrekkende instellingen

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Waardering: V 7 jaar

237.

Handeling: Het verlenen van vergunningen voor het aangaan en garanderen van geldleningen

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 7.5

Waardering: V 30 jaar

3.1.6 Adviesraden

253.

Handeling: Het voorbereiden van een KB voor de samenstelling en instructie van de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën respectievelijk de Raad van advies voor de gemeentefinanciën

Periode: 1945–1960

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.2; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37

Product: Besluit van 13 Mei 1955 tot vaststelling van het Reglement voor de Raad van advies voor de gemeentefinanciën, Stb. 1955/17

Opmerking: – De samenstelling omvat de benoeming van de leden en de aanwijzing respectievelijk de benoeming van een voorzitter. De instructie respectievelijk het reglement regelen de werkwijze van de commissie respectievelijk raad.

– Bij deze handeling was ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) betrokken. Haar rol beperkte zich tot de voordracht voor benoeming van de helft der leden van de Raad.

– Deze handeling kan ook het verlenen van ontslag omvatten.

Waardering: B (5)

255.

Handeling: Het samenstellen van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 19.4, art. 21 lid 1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 40, art. 42.3, art. 43.1, art. 44.1, art. 53

Opmerking: – De voorzitter en de gewone leden worden benoemd door het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de adviserende leden door de – Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken.

– Deze handeling kan ook het verlenen van ontslag omvatten. Zo konden beide ministers van 1960–1984 buitengewone leden ontslaan.

– De VNG kon in deze periode, als activiteit onder deze handeling, het aantal leden verhogen, waarvoor goedkeuring nodig was van beide andere actoren.

Waardering: V 5 jaar

464.

Handeling: Het ontvangen van de jaarlijkse begroting van de Raad voor de gemeentefinancien, alsmede een afrekening van de kosten over het verstreken kalenderjaar.

Periode: 1963–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 25.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16

Waardering: V 7 jaar na ontvangst

258.

Handeling: Het goedkeuren van benoeming en ontslag door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van de voorzitter van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 21.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 44.1

Waardering: V 5 jaar

259.

Handeling: Het goedkeuren van de verhoging door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van het aantal leden van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 19.5

Opmerking: Het bestuur van de VNG kon eventueel meer dan negen gewone leden benoemen. Bij de Financiële-Verhoudingswet 1984 werd het aantal gewone leden op elf gebracht. De Raad en de VNG beschouwden dit aantal als niet voor verdere verhoging vatbaar.

Waardering: V 5 jaar

465.

Handeling: Het beoordelen van het reglement van orde voor de werkzaamheden van de raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1963–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 25.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16

Waardering: V 10 jaar na intrekking van het reglement

262.

Handeling: Het raadplegen van de Raad voor de gemeentefinanciën en zijn voorloper inzake gemeentefinanciën

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41.1

Opmerking: Het betreft plannen en maatregelen die belangrijke financiële gevolgen voor de gemeenten hebben

Waardering: B (1)

263.

Handeling: Het vaststellen van de vergoeding voor kosten van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 23-24; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 46; Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 16.2

Opmerking: De Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) dient jaarlijks bij de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken een begroting en een afrekening in ter zake van de kosten van de Raad voor de gemeentefinanciën. Het betreft secretariaats- en vergaderkosten en kosten betreffende het jaarsalaris van of de vergoeding voor de voorzitter van de Raad.

Waardering: V 10 jaar

466.

Handeling: Het kennisnemen van benoeming en ontslag van (buitengewone) leden van de Commissie van Advies.

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1935, art. 41.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1948, art. 31.3 en 32.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1953, art. 14.3

Financiele-Verhoudingsbesluit 1960, art. 24.1 en 24.2

Waardering: V 5 jaar na beëindiging lidmaatschap

467.

Handeling: Het inwinnen van advies van de Commissie van Advies

Periode: 1945–

Grondslag: Financiele-Verhoudingsbesluit 1935, art. 43.1

Financiele-Verhoudingsbesluit 1948, art. 34.1

Waardering: B (1)

264.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij de voorzitter en de andere leden van de Raad voor de financiële verhoudingen worden benoemd

Periode: 1997–

Grondslag: Kaderwet adviescolleges art. 10

Waardering: V 5 jaar

265.

Handeling: Het voordragen van de voorzitter en andere leden van de Raad ter benoeming aan de Kroon

Periode: 1997–

Bron: Memorie van Toelichting op de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen 1997

Opmerking: Over de voordracht zal overleg gevoerd worden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Inter Provinciaal Overleg (IPO).

Waardering: V 5 jaar

3.2.1 Eigen inkomsten provincie

272.

Handeling: Het jaarlijks, in overleg bepalen van het stijgingspercentage van de opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 147.4; Provinciewet 1992/1998, art. 222.4

Product: onder meer Beschikking van 16 september 1986, Stcrt. 1986/186

Waardering: V 5 jaar

273.

Handeling: Het in overleg aanwijzen van provincies waar houders van motorrijtuigen worden geacht te wonen of te zijn gevestigd in verband met de heffing van opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 152.6; Provinciewet 1992, art. 228.6; Provinciewet 1998, art. 222a.4

Opmerking: Deze aanwijzing gebeurt in bijzondere gevallen.

Waardering: V 7 jaar

275.

Handeling: Het stellen van regels voor de berekening van de kosten van heffing en invordering van de opcenten op de motorrijtuigenbelasting

Periode: 1962–1998

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 152.11; Provinciewet 1992, art. 228.11

Waardering: V 7 jaar

279.

Handeling: Het gezamenlijk vaststellen van regels waarbij vrijstelling van provinciale belastingen wordt verleend

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 229a, 229b

Opmerking: – Dit gebeurt slechts in gevallen waarin het volkenrecht of het internationaal gebruik daartoe noodzaakt.

– Een aangewezen provincieambtenaar kan een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.

Waardering: B (5)

281.

Handeling: Het in overleg vaststellen van regels waarbij in ruimere mate kwijtschelding van provinciale belasting wordt verleend, in afwijking van wat door Provinciale Staten is bepaald

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 232e .4

Waardering: B (5)

3.2.2 Provinciefonds (tot 1998)

283.

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van de begroting van het Provinciefonds

Periode: 1948–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126septies decies lid 2; Provinciewet 1962, art. 159; Provinciewet 1992, art. 234

Opmerking: Het vaststellen gebeurt bij wet.

Waardering: B (5)

284.

Handeling: Het overhevelen van bedragen van de Rijksbegroting naar het Provinciefonds

Periode: 1994–1997

Grondslag: Nota van Toelichting bij het Besluit integratie diverse uitkeringen Provinciefonds 1994-

Waardering: B (5)

285.

Handeling: Het vaststellen van uitkeringen aan de provincies

Periode: 1948–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126septies decies lid 1, art. 126undevicies lid 6; Provinciewet 1962, art. 160b, art. 160f lid 2; Provinciewet 1992, art. 238 lid 2, art. 239 lid 1

Opmerking: Vanaf 1948 betreft het uitkeringen uit het Provinciefonds.

Het vaststellen van betalingsschema’s is een activiteit onder deze handeling.

Waardering: V 10 jaar

286.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot uitkeringen uit het Provinciefonds

Periode: 1948–1997

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126undevicies lid 6; Provinciewet 1962, art.160d lid 3, art. 160h lid 2; Provinciewet 1992, art. 241 lid 5 en 6

Product: Besluit van 3 juli 1964 tot uitvoering van artikel 160 der Provinciewet, Stb. 1964/261 (ingetrokken: Stb. 1981/413); Besluit van 22 mei 1981 tot uitvoering van artikel 160 der Provinciewet, Stb. 1981/413 (ingetrokken: Stb. 1986/400); Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provincie, Stb. 1986/400; Besluit uitkering Provinciefonds, Stb. 1995/212

Opmerking: Vanaf 1998 wordt bij de voorbereiding tot het vaststellen van een uitkering de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure gevolgd (Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9 lid 2)

Waardering: B (1)

287.

Handeling: Het jaarlijks verrichten van betalingen uit het Provinciefonds

Periode: 1945–1997

Grondslag: Provinciale wet 1928, zoals gewijzigd bij de wet van 25 november 1948, Stb. 1948/I513, art. 126undevicies; Provinciewet, zoals gewijzigd bij de wet van 26 oktober 1983, Stb. 1983/575, art.160b lid 1; Provinciewet 1992, art. 238 lid 1

Waardering: V 10 jaar

3.3.1. Eigen inkomsten gemeente

288.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s voor het geven van aanvullende regels inzake heffing en invordering van gemeentelijke belastingen

Periode: 1970–

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 (Stb. 1970/ 608) tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 303; Gemeentewet, art. 257; Gemeentewet, zoals gewijzigd bij de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet, art. 246a

Product: Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, Stb. 1971/ 616; Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing, Stb. 1995/346

Waardering: B (1)

292.

Handeling: Het vaststellen van regelgeving betreffende de gemeentelijke onroerend-zaakbelasting

Periode: 1970–1996

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 273.4 en 273.7; art. 302.1d en 302.3; Gemeentewet, art. 220.9 en 220.12; art. 258.2; Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, art. 7.3; art. 10.2; art. 14; Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, zoals gewijzigd bij besluit van 10 september 1973, Stb. 458, art. 2, lid 3; art. 10, lid 2

Producten: Regeling van de minister en de Staatssecretaris van Financiën van 19 januari 1978, no. 078/94, Stcrt. 15 (Eerste uitvoeringsbeschikking gemeentelijke onroerendgoedbelastingen 1978) [actor: Minister van Financiën]; Tweede Uitvoeringsbeschikking gemeentelijke onroerendgoedbelastingen

Opmerking: Deze regels worden gesteld bij AMvB of bij ministeriële regeling.

Waardering: B (5)

293.

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar van de rijksbelastingdienst die namens burgemeester en wethouders het kohier en het tegenkohier van de onroerendgoedbelasting ondertekent

Periode: 1971–

Grondslag: onder meer Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, Stb. 1971/616, art. 13; Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen, Stb. 1982/541

Opmerking: Het besluit vermeldde aanvankelijk ook dat de ambtenaar in kwestie voor de verzending van de aanslagbiljetten zorgde.

Waardering: V 5 jaar

297.

Handeling: Het in overleg vaststellen van regelgeving betreffende vrijstelling van gemeentelijke belastingen

Periode: 1970–

Grondslag: wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Stb. 1970/608), art. 290; Gemeentewet, art. 243

Product: – Beschikking diplomatieke vrijstellingen gemeentelijke belastingen, Stcrt. 1978/42

– Eerste beschikking bijzondere internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen

– Tweede beschikking bijzondere internationale vrijstelling gemeentelijke belastingen

– Derde beschikking bijzondere internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen)

Waardering: B (5)

3.3.2 Gemeentefonds (tot 1998)

298.

Handeling: Het instellen van het Gemeentefonds

Periode: 1948

Grondslag: Wet van 15 Juli 1948, tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën, art. I.1.1 (Stb. 1948/I 307)

Waardering: B (1)

299.

Handeling: Het indienen van wetsontwerpen tot vaststelling of wijziging van de begroting van het Gemeentefonds

Periode: 1948–1997

Grondslag: Wet van 15 Juli 1948, tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën, art. I.1.2 (Stb. 1948/I 307)

Opmerking: Tot 1998 is het overleggen aan de Staten-Generaal van begrotingsadviezen van de Raad voor de gemeentefinanciën is een activiteit onder deze handeling. Daarna wordt advies ingewonnen bij de Raad voor de Financiële Verhoudingen.

Waardering: B (1)

300.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1955–1997

Grondslag: Wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 1983, Stb. 649, art. 237b.1 en 8; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 11.1, art. 12.2, art. 16.3 en 16.4, art. 18.3, art. 37.2, art. 38.2; Gemeentewet, art. 182.1 en 182.7, art. 183.3

Producten: o.a. – Besluit verfijningen algemene uitkering 1984 (Stb. 1984, 179);

– Besluit interdepartementale bijdragen achterstandsgebiedenbeleid, Stb. 1988/160;

– Besluit wijziging tijdelijke verfijning laag inkomen, Stb. 1995/584;

– Besluit integratie-uitkering kinderopvang Gemeentefonds, Stb. 1996/346

Opmerking: Vanaf 1998 wordt bij de voorbereiding tot het vaststellen van een uitkering de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure gevolgd (Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9 lid 2)

Waardering: B (1)

301.

Handeling: Het overleggen met gemeenten over de financiële gevolgen van beleidsvoornemens van het Rijk die tot een taak- of activiteitenwijziging van gemeenten leidt

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 2.3

Opmerking: In een dergelijk overleg kunnen vooral de motivering, de compensatie en de wijze van bekostiging nader worden bezien.

Waardering: V 5 jaar

302.

Handeling: Het bepalen van het rentepercentage voor de jaarlijkse rentevergoeding over de reserve van het Gemeentefonds

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 14

Opmerking: De rentevergoeding kwam ten laste van de Rijksbegroting. Vanaf 1984 wordt alle geld verdeeld en is er dus geen reserve meer.

Waardering: V 5 jaar

304.

Handeling: Het in overeenstemming met de Minister van Defensie stellen van eisen aan luchtfoto’s met behulp waarvan bebouwingsgegevens worden vastgesteld

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 2

Waardering: V 5 jaar

306.

Handeling: Het aanwijzen van gemeenten als groeikernen in het kader van de verkrijging van een verfijningsuitkering uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.1.1 lid 1; art. 2.1.3 lid 1

Opmerking: Omvat ook de verlenging van de aanwijzing. Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: V 10 jaar

308.

Handeling: Het in overleg met de Minister van Onderwijs vaststellen van bedragen waaruit de uitkering uit het Gemeentefonds ter bestrijding van gemeentelijke onderwijskosten is samengesteld

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 5

Opmerking: Het betrof bijvoorbeeld een bedrag per lokaal in verband met de uitgaven voor onderhoud, verlichting, verwarming en schoonmaak van schoolgebouwen.

Waardering: V 10 jaar

310.

Handeling: Het vaststellen van uitkeringen aan gemeenten (uit het Gemeentefonds)

Periode: 1948–1997

Grondslag: Wet van 15 juli 1948 tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën art. I.4.1

Product: beschikking

Opmerking: Ter vaststelling van de algemene uitkering worden elk jaar voor elke gemeente de uitkeringsbasis en het uitkeringspercentage vastgesteld. Andere activiteiten zijn onder meer het vaststellen van bebouwingsgegevens en het vaststellen van betalingsschema’s.

Waardering: V 10 jaar

311.

Handeling: Het verrichten van betalingen aan gemeenten (uit het Gemeentefonds)

Periode: 1948–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 3; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 5.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 5; art. 27

Waardering: V 10 jaar

312.

Handeling: Het aanwijzen van deskundigen ter verkrijging van gegevens die ten grondslag liggen aan de algemene uitkering aan gemeenten

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 5

Waardering: V 5 jaar

314.

Handeling: Het jaarlijks vaststellen van bedragen per eenheid voor de algemene verdeelmaatstaven en de verfijningen

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 13.1

Producten: – Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1984, Stcrt. 34, 11-2-1985

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1985, Stcrt. 26, 27-1-1986

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1986, Stcrt. 83, 8-4-1987

– Beschikking tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor het uitkeringsjaar 1995, Stcrt. 2 (1996), 20-12-1995

Waardering: V 10 jaar

315.

Handeling: Het in bijzondere gevallen verlenen van ontheffing van wetsbepalingen in het Financiële-Verhoudingsbesluit 1953 bij toekenning van verhogingen van de algemene uitkering

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 32.4

Opmerking: Het betrof bepalingen met betrekking tot de ingangsdatum van de verhogingen.

Waardering: B (5)

316.

Handeling: Het opbouwen, beheren en actualiseren van een gegevensbestand van specifieke uitkeringen

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instelling beheerscommissie gegevensbestand specifieke uitkeringen, Stcrt. 1981/100/p.9; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 37.1

Product: jaarlijks overzicht

Opmerking: – De samenstelling van het overzicht van de specifieke uitkeringen kan houvast geven bij de periodieke evaluatie daarvan. Voor aanvang van elk begrotingsjaar publiceren de ministers dit overzicht. Het wordt tegelijkertijd aangeboden aan de Staten-Generaal.

– Indien de commissie niet tot een besluit kan komen, beslissen de ministers. Hiertoe raadplegen zij de Raad voor de gemeentefinanciën.

Waardering: V 10 jaar

318.

Handeling: Het vaststellen van betalingsschema’s op basis van door vakministers verstrekte gegevens met betrekking tot door hen vastgestelde uitkeringen aan gemeenten

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 39

Product: betalingsschema’s

Waardering: V 10 jaar

3.3.3. Aanvullende uitkeringen

327.

Handeling: Het aan noodlijdende gemeenten verlenen van voorschotten, financiële bijdragen en garanties met betrekking tot door anderen te verlenen voorschotten

Periode: 1945–1961

Grondslag: Wet van den 22sten December 1933, tot steun aan noodlijdende gemeenten, art. 1, art. 4.1

Opmerking: – Het kon zowel een renteloos als een rentedragend voorschot betreffen. Rentedragende voorschotten en garanties werden alleen in bijzondere gevallen verleend.

– De voorschotten hadden een ander karakter dan de ‘voorlopige uitkeringen’ uit het Gemeentefonds. Deze werden verleend in afwachting van de vaststelling van de uitkering in kwestie.

Waardering: V 10 jaar

473.

Handeling: Het uitvoeren van de financiële en administratieve afhandeling van leningen aan landarbeiders via lagere overheden (in casu gemeenten)

Periode: 1945–

Grondslag: Landarbeiderswet 1918, art. 7 (Stb. 1918/259; Koninklijk Besluit van 24 november 1918, art. 9 en 10 (Stb. 1918/589)

Product: Beschikkingen, Koninklijke Besluiten

Opmerking: De Landarbeiderswet is ingetrokken op 28 mei 1965.

Waardering: V 7 jaar na laatste terugbetaling voorschotten

329.

Handeling: Het verlenen van aanvullende bijdragen en aanvullende uitkeringen aan gemeenten

Periode: 1960–1997

Grondslag: Besluit Financiële verhouding Rijk-gemeenten, art. 4 t/m 8

Opmerking: – Het opleggen van bijzondere voorschriften aan gemeenten wie een aanvullende bijdrage is verleend of die daarom hebben verzocht, is een activiteit onder deze handeling.

– Onder verlening wordt ook verstaan: het weigeren, verminderen, intrekken e.d. van een aanvullende bijdrage of uitkering.

Waardering: V 10 jaar

330.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan gemeenten die een aanvullende bijdrage krijgen met betrekking tot het verbod besluiten te nemen die bepaalde financiële consequenties hebben

Periode: 1984–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 10.3

Opmerking: Het kan ook gaan om gemeenten waarvan het verzoek om een aanvullende bijdrage nog loopt. De ontheffing kan voor bepaalde uitgaven en onder voorwaarden worden verleend.

Waardering: V 10 jaar

3.4.1 Gemeentefonds en Provinciefonds vanaf 1998

332.

Handeling: Het overleggen met provincies en gemeenten over de financiële gevolgen van beleidsvoornemens van het Rijk die tot een taak- of activiteitenwijziging van gemeenten leidt

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997 art. 2

Waardering: V 5 jaar

333.

Handeling: Het, bij AMvB, regelen van tijdelijk in de begroting van de fondsen op te nemen bedragen om aan provincies en gemeenten uit te keren op een andere wijze dan door middel van de algemene uitkering

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 13

Waardering: B (1)

334.

Handeling: Het bij of krachtens AMvB vaststellen van nadere regels omtrent het verzamelen en vaststellen van gegevens ten behoeve van de uitkeringen

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1997 , art. 22.c

Waardering: B (1)

335.

Handeling: Het indienen van wetsontwerpen tot vaststelling van een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van elk fonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1997, art. 4

Waardering: B (1)

336.

Handeling: Het beheren van de begroting van het Gemeente- en Provinciefonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 3.2

Waardering: V 10 jaar

337.

Handeling: Het verdelen van algemene uitkeringen over de provincies en gemeenten aan de hand van in de wet genoemde verdeelmaatstaven

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 7 en 8

Waardering: V 10 jaar

338.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s met betrekking tot het hanteren van welke verdeelmaatstaven en hoe deze worden gehanteerd

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 8.3, art. 17

Opmerking: Krachtens de maatregel kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de bij de bepaling gebruikte begrippen en omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf. De maatregel treedt niet eerder in werking dan 8 weken na publicatie in het Staatsblad.

Waardering: B (1)

339.

Handeling: Het vaststellen van bedragen per eenheid, die behoren bij de verdeelmaatstaven over ieder uitkeringsjaar

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 9.1

Product: Ministeriële Beschikking

Waardering: V 10 jaar

340.

Handeling: Het vaststellen van de algemene uitkeringen uit het Gemeente- en Provinciefonds over ieder uitkeringsjaar aan de provincies en gemeenten.

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 10

Waardering: V 10 jaar

341.

Handeling: Het verrichten van betalingen aan gemeenten en provincies uit het Gemeente- en Provinciefonds

Periode: 1998

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 15

Waardering: V 10 jaar

3.4.2 Specifieke uitkeringen van het Rijk aan gemeenten en provincies

342.

Handeling: Het voorbereiden van een wet tot regeling van een specifieke uitkering uit het Gemeente- of Provinciefonds

Periode: 1998

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 17 en 18

Waardering: B (5)

343.

Handeling: Het publiceren van jaarlijkse overzichten van de specifieke uitkeringen uit het Gemeente- en Provinciewet

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 20

Product: jaarlijkse overzichten

Waardering: V 10 jaar

3.4.3 Aanvullende uitkeringen (artikel 12)

344.

Handeling: Het, op aanvraag van de gemeente, verlenen van een aanvullende uitkering over een uitkeringsjaar uit het Gemeente- of Provinciefonds

Periode: 1998–

Grondslag: Financiële-verhoudingswet 1997, art. 12

Product: Beschikking

Opmerking: – Het opleggen van bijzondere voorschriften aan gemeenten wie een aanvullende bijdrage is verleend of die daarom hebben verzocht, is een activiteit onder deze handeling.

– Onder verlening wordt ook verstaan: het weigeren, verminderen, intrekken e.d. van een aanvullende bijdrage of uitkering.

Waardering: V 10 jaar

3.5.2 Betalingen en controle provincie intern

379.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij nadere regels worden gegeven omtrent de gegevensverstrekking aan de Provincie over de in het komende begrotingsjaar te verwachten uitkeringen

Periode: 1983–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 144c.3; art. 144d.2

Opmerking: Het kan bijvoorbeeld de samenstelling betreffen van het overzicht van de regelingen op grond waarvan uitkeringen worden verstrekt.

Waardering: B (1)

4.4 Geschillen en beroepsmogelijkheden

453.

Handeling: Het beslissen op een bezwaarschrift van Gedeputeerde Staten tegen de ontwerp-beschikking tot vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 4.3

Waardering: V 5 jaar

455.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep door Gedeputeerde Staten tegen de vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 6.1

Opmerking: Het bezwaar moet zich richten tegen de vaststelling van het aantal eenheden (zoals het aantal inwoners of hectaren land van een gemeente). Tot dusverre vond een dergelijk beroep niet plaats.

Waardering: V 5 jaar

456.

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften van gemeenten tegen de vaststelling van uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1945–

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 13.2; art. 24.3, art. 25.4; art. 28.2, 36bis4; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 6.2, art. 10.3; art. 12.2; art. 19, art. 26.2; Financiële-Verhoudingsbesluit 1953, art. 7.2; Financiele Verhoudingsbesluit, art. 17.3, art. 21.4; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 22.1; art. 31.1

Waardering: V 5 jaar

457.

Handeling: Het voorbereiden van AMvB’s waarbij gemeentebesturen in de gelegenheid worden gesteld bij de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken bezwaar te maken tegen de vaststelling van gegevens die ten grondslag liggen aan verfijningen

Periode: 1984–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 30.1

Opmerking: Bezwaar wordt gemaakt bij de beide actoren, aangezien zij de beheerders van het Gemeentefonds zijn. Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de Minister van Financiën.

Waardering: B (1)

458.

Handeling: Het in overeenstemming met de Raad voor de gemeentefinanciën aanwijzen van deskundigen die onderzoek doen naar aanleiding van gemeentelijke bezwaarschriften betreffende verfijningen

Periode: 1984–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 32.1

Waardering: V 5 jaar

460.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot behandeling van een beroep, ingesteld door een gemeentebestuur, tegen de vaststelling van een uitkering uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 34.1; art. 38.3

Waardering: V 5 jaar

462.

Handeling: Het beslissen op beroepschriften van Commissarissen van de Koningin tegen besluiten van Gedeputeerde Staten in het kader van uitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1945–

Grondslag: Financieele-Verhoudingsbesluit, art. 24.3; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 10.3

Waardering: V 5 jaar

468.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Binnenlandse Zaken, stellen van nadere regels omtrent de jaarlijks door gemeenten aan het CBS te verstrekken gegevens inzake de vastgestelde waarden van onroerende zaken.

Periode: 1997–

Grondslag: Besluit financiele verhouding Rijk-gemeenten, art. 2

Besluit financiele verhouding, art. 2

Waardering: B (1)

469.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Binnenlandse Zaken, kennisgeven van de provincies en gemeenten van:

1. de verwachte bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar;

2. de verwachte uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar;

3. de verwachte ontwikkeling van de uitkeringsfactor over de 4 jaren na het uitkeringsjaar.

Periode: 1998–

Grondslag: Besluit financiele verhouding Rijk-gemeenten, art. 3

Besluit financiele verhouding, art. 3

Waardering: V 5 jaar na het uitkeringsjaar

470.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Binnenlandse Zaken, vaststellen van de historische vergoeding per gemeente voor huisvesting van onderwijs.

Periode: 1997–

Grondslag: Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds, art. 2.2

Waardering: V 10 jaar

471.

Handeling: Het, gezamenlijk met de Minister van Binnenlandse Zaken, verstrekken van een uitkering aan gemeenten, in verband met de toevoeging aan het gemeentefonds van middelen betreffende onderwijs in de jaren 1997 t/m 2001.

Periode: 1997–

Grondslag: Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds, art. 4.1

Waardering: V 5 jaar

31. Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

192.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister voor het Grote Stedenbeleid over de verdeling van de Europese middelen

Periode: 1996–

Opmerking: Voor 1998 werd er overeenstemming bereikt met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 5 jaar

32. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

309.

Handeling: Het in overleg met de Minister van Financiën, Minister van Binnenlandse Zaken vaststellen van bedragen waaruit de uitkering uit het Gemeentefonds ter bestrijding van gemeentelijke onderwijskosten is samengesteld

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 5

Waardering: V 10 jaar

33. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

307.

Handeling: Het verstrekken van kwantitatieve gegevens aan de Minister van Financiën in het kader van de berekening van verfijningsuitkeringen uit het Gemeentefonds

Periode: 1984–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.4.3 lid 2

Opmerking: Het betreft gegevens over de sociale structuur van een gemeente, die niet kunnen worden ontleend aan publicaties van organisaties als het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: V 5 jaar

34. Minister van Verkeer en Waterstaat

2.1.1 Indeling grondgebied, Rijk

29.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot goedkeuring van overeenkomsten die voortvloeien uit het tussen Nederland en Duitsland gesloten Grensverdrag

Periode: 1963–

Grondslag: Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag, art. 22

Product: Besluit van 30 januari 1995, houdende goedkeuring van een overeenkomst inzake het onderhoud van de Rode Beek, de Grensgraaf, de vroegere Rigolbach en de Ruisscherbeek, Stb. 1995/207

Opmerking: Het Besluit van 30 januari 1995 behelst de op 24 maart 1994 te Sittard ondertekende overeenkomst tussen het Duitse Rodebachverband en het Nederlandse waterschap Roer en Overmaas.

Waardering: B (5)

2.2.1 Indeling grondgebied, provincie

42.

Handeling: Het instellen van het voorbereidingslichaam provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 16.1

Product: Instellingsbesluit

Waardering: B (4)

43.

Handeling: Het toevoegen van niet-provinciaal ingedeeld gebied ten zuidwesten van de dijk Lelystad-Enkhuizen aan de provincie Noord-Holland

Periode: 1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 2.3

Product: KB

Waardering: B (1)

45.

Handeling: Het opstellen van overzichten van de door het Rijk uitgeoefende provincietaken en de daarmee gemoeide ambtelijke functies, rechten en verplichtingen

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 32.1, art. 33.1

Opmerking: Het betreft hier provincietaken voor zover deze betrekking hadden op het gebied van de provincie Flevoland.

Het dagelijks bestuur van het Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland moest op het tijdstip van zijn benoeming over deze overzichten kunnen beschikken. Het overzicht vermeldde tevens de kosten van het Rijk van de uitoefening van de in het overzicht genoemde taken, alsmede de boekwaarde van de rechten en verplichtingen.

Ook de colleges van burgemeester en wethouders van Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde stelden elk een dergelijk overzicht op.

Waardering: V 10 jaar

46.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van de onroerende rijkseigendommen die overgaan naar de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 36.1

Waardering: B (5)

47.

Handeling: Het aanwijzen van de roerende rijkseigendommen die overgaan naar de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 36.2

Waardering: V 10 jaar

2.3.1 Indeling grondgebied gemeente

111.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot aanwijzing van de rijkseigendommen die in eigendom, beheer en onderhoud op een nieuwe gemeente overgaan

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Stb. 1962/11, art. 8.1; Wet van 25 maart 1971, art. 13.1; Besluit van 22 mei 1974, art. 1; Stb. 1979/378, art. 13.1; Besluit van 22 juni 1983, art. 1.1; Stb. 1983/328, art. 16.1

Waardering: B (5)

201.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB waarbij regels worden gesteld inzake de compensatie van kosten van regionale verkeers- en vervoerplannen

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 16.5 en 16.7

Product: Besluit voorbereidingskosten regionale verkeers- en vervoerplannen, Stb. 1995/281

Opmerking: Het kan zowel regels betreffen voor het verlenen van de bijdrage in de uitvoeringskosten, als regels voor de compensatie van kosten van de voorbereiding en opstelling van het plan.

Waardering: V 10 jaar na vervallen geldigheid

202.

Handeling: Het aan een regionaal openbaar lichaam verlenen van een financiële bijdrage voor de uitvoeringskosten van het regionaal verkeers- en vervoerplan

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 16 lid 5; Besluit voorbereidingskosten regionale verkeers- en vervoerplannen, Stb. 1995/281, art. 2.1

Opmerking: Hieronder valt ook het intrekken van een verlening.

Waardering: V 10 jaar

3.1.2 De financiering van openbare lichamen

222.

Handeling: Het vaststellen van regelgeving betreffende de financiering van lagere overheden

Periode: 1945–

Producten: – Regeling vaste schuld lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling kasgeldlimiet lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– Regeling modelstaten financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127;

– regeling overgangstermijn Wet financiering lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, 252, no. 386-14127

Waardering: B (1,5)

224.

Handeling: Het aanwijzen van openbare lichamen die geen (of: niet alle) gegevens behoeven te verstrekken ter uitvoering van de Wet financiering lagere overheid

Periode: 1987–

Grondslag: Besluit gegevens financiering lagere overheid, Stb. 1986/662, art. 1.3

Product: Regeling vrijstelling financieringsgegevens lagere overheid, Stcrt. van 24 dec. 1986, no. 386-14127, Stcrt. 252

Waardering: B (5)

228.

Handeling: Het beslissen dat een publiekrechtelijk lichaam financieringsmiddelen moet gebruiken om de overschrijding van de kasgeldlimiet ongedaan te maken

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.3

Opmerking: Een dergelijke beslissing kon worden genomen bij een overschrijding van 50 % of meer, of wanneer de overschrijding een half jaar lang voortduurde.

Waardering: V 10 jaar

229.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van besluiten van publiekrechtelijke lichamen tot het ramen van uitgaven (ten laste van de kapitaaldienst van hun begrotingen)

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.1

Opmerking: Dit gebeurt wanneer vaste financiering is verzekerd.

Waardering: V 7 jaar

230.

Handeling: Het bepalen dat besluiten van publieke lichamen tot het ramen van kapitaaluitgaven geen goedkeuring behoeven

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.4

Opmerking: Dit gebeurde al of niet op verzoek van het betrokken publieke lichaam. Ten aanzien van de provincie gebeurde dit door de Kroon/bij KB.

Dit is in feite een ontheffing van de eis (voorwaarde voor goedkeuring) van vaste financiering voor een nieuwe kapitaaluitgave.

Waardering: V 30 jaar

231.

Handeling: Het aan openbare lichamen verlenen van vergunning tot overschrijding van de kasgeldlimiet

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 4.2

Product: Circulaire van 30 jan. 1987, no. BMV87/U12

Opmerking: Dit gebeurt met inachtneming van ministeriële regels.

Vergunningverlening door een minister vindt plaats als het gaat om openbare lichamen waarvan de begroting onderworpen is aan toezicht door de regering. De aanvraag wordt gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken. Ten aanzien van de overige openbare lichamen zijn Gedeputeerde Staten vergunningverlener.

Waardering: V 10 jaar

232.

Handeling: Het (bij ministeriële regeling) vaststellen van maxima voor het aangaan en garanderen van geldleningen door openbare lichamen

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 4.1, art. 5.1; Wet financiering lagere overheid, art. 7.1

Waardering: V 10 jaar

233.

Handeling: Het aanwijzen van instellingen waarbij publieke lichamen leningen mogen aangaan die aan een maximum gebonden zijn

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Waardering: V 5 jaar

236.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan publieke lichamen in het kader van de vaststelling van maxima voor geldleningen en de aanwijzing van leningverstrekkende instellingen

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 5.1

Waardering: V 5 jaar

237.

Handeling: Het verlenen van vergunningen voor het aangaan en garanderen van geldleningen

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 7.5

Waardering: V 30 jaar

35. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

317.

Handeling: Het doen van opgaven aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën ter vaststelling van uitkeringen uit het Gemeentefonds in het kader van de stimulering van de kinderopvang

Periode: 1996–1997

Grondslag: Besluit integratie-uitkering kinderopvang Gemeentefonds, art. 2.2

Waardering: V 10 jaar

36. Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu

170.

Handeling: Het voorbereiden van wetgeving met betrekking tot instelling en opheffing van gewesten

Periode: ca. 1963–1985

Producten: – Wet openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1964/427;

– Wet agglomeratie Eindhoven, Stb. 1976/344;

– Wet opheffing agglomeratie Eindhoven, Stb. 1985/690;

– Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, Stb. 1986/47

Opmerking: De Minister van Volkshuisvesting speelde alleen een rol bij de voorbereiding van de Wet openbaar lichaam Rijnmond.

Waardering: B (1,5)

206.

Handeling: Het, op voorstel van de raad van een gewest, voorbereiden van een AMvB waarbij de bevoegdheden van dat gewest worden verruimd

Periode: 1965–1985

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 31.1; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 39.2

Opmerking: – Voor het voorstel was instemming nodig van de raden van ten minste de helft van de betrokken gemeenten.

– De Minister van Volksgezondheid was mede-actor ten aanzien van Rijnmond.

Waardering: B (1)

306.

Handeling: Het aanwijzen van gemeenten als groeikernen in het kader van de verkrijging van een verfijningsuitkering uit het Gemeentefonds

Periode: 1975–1997

Grondslag: Besluit verfijningen algemene uitkering 1984, art. 2.1.1 lid 1; art. 2.1.3 lid 1

Opmerking: Omvat ook de verlenging van de aanwijzing. Met de Financiële-verhoudingswet 1997 zijn verfijningen vervallen door de invoering van een nieuw verdeelsysteem.

Waardering: B (5)

Deel d. vakminister

2.1.1 Indeling grondgebied Rijk

28.

Handeling: Het corrigeren van de oostelijke grens van het Koninkrijk der Nederlanden door toevoeging van Duits grondgebied

Periode: 1949, 1963

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 1; Grenscorrectiewet, 1951 art. 3; Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag 1963, art. 2–3

Waardering: B (1)

30.

Handeling: Het instellen van drostambten

Periode: 1949

Grondslag: Grenscorrectiebesluit 1949, art. 3.1 en 3.2

Waardering: B (4)

2.4.1 Inrichting en samenstelling regionaal

162.

Handeling: Het voorbereiden van een KB waarbij Provinciale Staten worden uitgenodigd gemeenten aan te wijzen waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen, wijzigen of opheffen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 100.1

Opmerking: De voordracht vindt plaats door de vakminister in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: B (5)

166.

Handeling: Het besluiten tot deelname door het Rijk aan een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 94.1, art. 97.1

Opmerking: Het besluit komt tot stand in overeenstemming met de Ministerraad.

Waardering: B (4)

172.

Handeling: Het voorbereiden van wet- en regelgeving met betrekking tot bestuurlijke samenwerkingsvormen anders dan een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1945–

Bron: Handelingen TK 1990–1991, 21 062 nr. 4

Product: wetten, AMvB’s

Opmerking: Zo werd begin jaren negentig een interim-wet inzake de vorming van structurele boven-lokale/regionale bestuursvormen voorbereid. Deze wet is echter niet tot stand gekomen.

Waardering: B (1)

196.

Handeling: Het voorbereiden van een ontwerpbesluit tot vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 3.1

Opmerking: Deze handeling wordt gezamenlijk uitgevoerd. Ook vindt overleg plaats met de betrokken gemeentebesturen.

Waardering: V 5 jaar

203.

Handeling: Het besluiten dat bepaalde bevoegdheden niet in een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten in een samenwerkingsgebied behoeven te worden opgenomen danwel voorlopig niet behoeven te worden uitgeoefend

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 19

Opmerking: Het besluit wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met de betrokken ministers genomen.

Waardering: B (5)

2.4.2 Bevoegdheden regionaal

213.

Handeling: Het aanwijzen van Rijks- en provinciale diensten waarmee de agglomeratie Eindhoven overlegt in het kader van de voorbereiding van het ontwikkelingsprogramma

Periode: 1977–1985

Grondslag: Besluit agglomeratie Eindhoven, art. 8

Opmerking: Het college van voorzitter en gedelegeerden van de agglomeratie pleegde in dit verband overleg met diverse partijen. Daar maakten ook diensten van Rijk en Provincie deel van uit, die door de vakministers respectievelijk door Gedeputeerde Staten werden aangewezen.

Waardering: V 5 jaar

2.5.1. Raad voor de Territoriale Decentralisatie

215.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die het departement vertegenwoordigen in vergaderingen van de Raad voor de Territoriale Decentralisatie

Periode: 1964–1980

Grondslag: Wet van 25 juni 1964, art. 4.1

Opmerking: Een minister kon zich alleen laten vertegenwoordigen voor zover aangelegenheden werden behandeld met betrekking tot zijn departement. Vertegenwoordiging gebeurde al of niet op verzoek van de Raad.

Waardering: V 5 jaar

2.5.2 Raad voor het binnenlands bestuur

219.

Handeling: Het instellen, wijzigen en opheffen van een Raad voor het binnenlands bestuur

Periode: 1980–1997

Grondslag: Wet Raad voor het binnenlands bestuur (Stb. 1979/784), art. 2.1

Opmerking: – Met ‘samenstelling’ wordt onder meer bedoeld: het bij Koninklijk Besluit benoemen en ontslaan van de voorzitter en de aanwijzing van plaatsvervangende voorzitters.

– De rol van de vakministers beperkte zich tot het benoemen en aanwijzen van vertegenwoordigers van hun departement in de Raad.

– De benoeming van de secretaris van de Raad, die daarvan geen lid is, wordt ook tot deze handeling gerekend.

Waardering: B (4)

221.

Handeling: Het instellen en samenstellen van commissies ter voorbereiding van door de Raad voor het binnenlands bestuur uit te brengen adviezen en rapporten

Periode: 1980–1986

Grondslag: Wet Raad voor het binnenlands bestuur (Stb. 1979/784), art. 11.1, art. 12

Opmerking: – In deze commissies kunnen ook personen van buiten de Raad zitting hebben.

– De rol van de vakministers beperkte zich tot het benoemen en aanwijzen van vertegenwoordigers van hun departement in de commissies.

Waardering: V 5 jaar

3.1.2 De financiering van openbare lichamen

241.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden met belangrijke financiële consequenties voor publiekrechtelijke lichamen

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit belangrijke aangelegenheden financiën lagere overheid, Stcrt. 1973/123/p.4

Opmerking: Zie voor de coördinerende rol van de Minister van Binnenlandse Zaken handeling 216.

Waardering: V 5 jaar

3.1.6 Adviesraden

262.

Handeling: Het raadplegen van de Raad voor de gemeentefinanciën en zijn voorloper inzake gemeentefinanciën

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1929, art. 37.3; Financiële-Verhoudingswet 1929, zoals gewijzigd bij de wet van 8 jan. 1955, Stb. 1955/17, art. 37.2; Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 25.1; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 41.1

Opmerking: Het betreft plannen en maatregelen die belangrijke financiële gevolgen voor de gemeenten hebben

Waardering: B (1)

3.3.2 Gemeentefonds (tot 1998)

305.

Handeling: Het aan gemeenten verstrekken van gegevens met betrekking tot de te verwachten uitkeringen uit het Gemeentefonds in het komende begrotingsjaar

Periode: 1984–1997

Grondslag: Gemeentewet 1992, art. 185.1

Opmerking: Ook geeft hij een indicatie van de in de vier op het begrotingsjaar volgende jaren te verwachten wijzigingen in de uitkeringen.

Waardering: V 10 jaar

3.3.3 Sociale vernieuwing

319.

Handeling: Het voorbereiden van wetgeving met betrekking tot sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Product: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, Stb. 1993/682

Waardering: B (1)

320.

Handeling: Het voorbereiden van een AMvB met betrekking tot sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 2; art. 3.1 en 3.2; art. 4; art. 6.2; art. 26

Product: Uitvoeringsbesluit stimulering sociale vernieuwing, Stb. 1993/737

Waardering: B (1)

322.

Handeling: Het instellen van het fonds sociale vernieuwing

Periode: 1993

Grondslag: Memorie van toelichting bij de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing

Opmerking: Het fonds stond aanvankelijk bekend als de ‘doeluitkering sociale vernieuwing’.

Waardering: B (4)

323.

Handeling: Het vaststellen van bijdragen aan gemeenten uit het fonds sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 6.1; art. 7

Opmerking: Hieronder valt ook de vaststelling van vermeerderingsbedragen.

Waardering: V 10 jaar

463.

Handeling: Het in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken beslissen op gemeentelijke verzoeken af te mogen wijken van wettelijke voorschriften inzake sociale vernieuwing

Periode: 1994–1997

Grondslag: Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing, art. 14.1

Opmerking: Het betreft voorschriften over de besteding van de rijksbijdrage en de reservering van niet-bestede gelden. Afwijking moest in het belang zijn van de sociale vernieuwing.

Waardering: V 5 jaar

4.2.1. Provinciale besluiten

408.

Handeling: Het (al of niet bij KB) goedkeuren van provinciale besluiten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 98.1, art. 133, art. 151; Provinciewet 1962, art. 82.3, art. 91, art. 93.1, art. 100; Provinciewet 1992, art. 254, art. 259.1; Provinciewet 1998, art. 259

Opmerking: De vakminister doet de voordracht tot goedkeuring door de Kroon. Een voordracht tot onthouding van goedkeuring door de Kroon wordt door of mede door de Minister van Binnenlandse Zaken gedaan.

Waardering: B (5)

411.

Handeling: Het, in overleg, voorbereiden van een KB tot schorsing of vernietiging van een provinciaal besluit

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 32.2, art. 166, art. 169; Provinciewet 1962, art. 104.3, art. 165, art. 169.3, Provinciewet 1992/1998, art. 261, art. 267.1, art. 271.1

Product: Besluit van 4 mei 1965 tot vernietiging van een artikel der verordening, regelende de behandeling door Gedeputeerde Staten van Friesland van administratieve geschillen, Stb. 1965/197

Opmerking: Onder deze besluiten vallen ook door provinciale ambtenaren uitgevoerde besluiten, alsmede uitspraken door Gedeputeerde Staten in beroepszaken, ingesteld tegen uitvoering van deze besluiten. De voordracht tot vernietiging wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken of mede door deze minister gedaan.

Waardering: B (5)

4.2.2. Gemeentelijke besluiten

412.

Handeling: Het goedkeuren van gemeentelijke besluiten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 143; gemeentewet 1931, art. 229; Gemeentewet, art. 155.2; art. 218.5; 260; 262.1; 265; 266.1

Product: KB van 4 september 1850, Stb. 57 (ingetrokken bij KB van 23 november 1987, Stb. 563)

Opmerking: Het betreft hier zowel besluiten van de raad als van het gehele gemeentebestuur. Onder deze handeling vallen ook gedeeltelijke goedkeuring, onthouding van goedkeuring en vaststelling van de termijn waarin het besluit geldig is.

Waardering: B (5)

413.

Handeling: Het voorbereiden van een KB tot schorsing of vernietiging van een gemeentelijk besluit

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 185; Gemeentewet, art. 268; art. 278.1

Opmerking: De voordracht tot vernietiging wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken of mede door deze minister gedaan. Het betreft gemeentelijke besluiten die met het recht of het algemeen belang in strijd zijn.

Waardering: B (5)

4.3.4. Bestuursdwang ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen

436.

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan Gedeputeerde Staten ter zake van het opnieuw opleggen van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten in een samenwerkingsgebied

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 25.1

Opmerking: De Minister van Binnenlandse Zaken handelt in overeenstemming met de betrokken ministers.

Waardering: V 10 jaar Minister van VWS

V 5 jaar overige actoren

437.

Handeling: Het uitnodigen van Gedeputeerde Staten het bestuur van een regionaal openbaar lichaam een aanwijzing te geven hoe een bevoegdheid of taak moet worden uitgeoefend

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 28.1

Opmerking: De vakminister handelt in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: V 10 jaar Minister van VWS

V 5 jaar overige actoren

438.

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan het bestuur van een regionaal openbaar lichaam hoe een bevoegdheid of taak moet worden uitgeoefend.

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 28.3

Opmerking: Wanneer Gedeputeerde Staten geen gevolg geven aan de uitnodiging van de vakminister en de Minister van Binnenlandse Zaken tot het geven van een aanwijzing, geven zij, in overeenstemming met elkaar, de aanwijzing zelf.

Waardering: V 5 jaar

4.4. Geschillen en beroepsmogelijkheden

461.

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften van gemeenten tegen de vaststelling van specifieke uitkeringen waarbij meer dan één departement betrokken is

Periode: 1982–

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 39.2; MvT bij art. 39

Waardering: V 5 jaar

Deel e. actoren lagere overheden (vervallen)

37. Openbare lichamen

223.

Handeling: Het berekenen van de kasgeldlimiet

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 2.1

Waardering: Vervallen

225.

Handeling: Het aan Gedeputeerde Staten verstrekken van gegevens omtrent de eigen liquiditeitspositie

Periode: 1963–

Grondslag: Besluit gegevens liquiditeitspositie gemeenten; Besluit financiële gegevens publiekrechtelijke lichamen, art. 7.1

Product: gegevensstaten, specificaties

Waardering: Vervallen

227.

Handeling: Het maandelijks berekenen van de vlottende schuld en de overige korte schuld

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.3; Wet financiering lagere overheid, art. 3

Waardering: Vervallen

234.

Handeling: Het aanvragen van vergunningen voor het aangaan en garanderen van geldleningen en (tot 1987) het verrichten van kapitaaluitgaven

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.4, art. 5.2; Wet financiering lagere overheid, art. 7.4

Opmerking: – Dit gebeurt bij de Minister van Binnenlandse Zaken indien het toezicht op de begroting van het openbaar lichaam in kwestie wordt uitgeoefend door de regering. De overige openbare lichamen dienen een aanvraag in bij Gedeputeerde Staten.

– Alle aanvragen van waterschappen (veenschappen en veenpolders) waren tot 1987 gericht aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Hieronder vallen ook de aanvragen om ontheffing (tot 1987) van de bepaling dat besluiten tot uitgaven goedkeuring behoeven.

Waardering: Vervallen

38. Commissaris van de Koningin

2.2.2. Inrichting en samenstelling provincie

58.

Handeling: Het aan Provinciale Staten overleggen van verklaringen met betrekking tot de (werkelijke) woonplaats van tot Provinciaal Statenlid benoemden

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 1937/311, art. 15.3

Opmerking: De verklaring was afkomstig van de burgemeester van de gemeente waar de benoemde woonde en had betrekking op het voorafgaand aan de benoeming woonachtig zijn in de provincie in kwestie.

Waardering: Vervallen

59.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding aan leden van Provinciale Staten

en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: a. 1962–1978

b. 1979–1993

c. 1994–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 21.1 en 2; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 21.3; Provinciewet 1992/1998, art. 25.1 en 25.2, art. 55

Opmerking: – Het betreft in het geval van alle actoren geheimhouding omtrent de inhoud van stukken welke worden voorgelegd, en in het geval van geheimhouding omtrent het met gesloten deuren behandelde.

Waardering: Vervallen

70.

Handeling: Het aanwijzen van een of meer provinciale ambtenaren die als opdracht hebben uitgaande stukken van Gedeputeerde Staten te ondertekenen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 1937/311, art. 30.2

Waardering: Vervallen

72.

Handeling: Het geven van opdracht aan gedeputeerden en provincieambtenaren tot ondertekening van uitgaande stukken van Gedeputeerde Staten

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992, art. 74.2

Waardering: Vervallen

78.

Handeling: Het instellen van tijdelijke adviescommissies die de Commissaris van de Koningin van advies moeten dienen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 65.2; Provinciewet 1992/1998, art. 90

Opmerking: Het gaat hier om commissies die op een veelal beperkt, specifiek omschreven taakgebied adviseren.

Waardering: Vervallen

79.

Handeling: Het doen van voorstellen aan Provinciale Staten inzake het instellen en het vaststellen van regels en bevoegdheden van vaste commissies van advies aan de Commissaris van de Koningin

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 89

Opmerking: zie ook opmerking bij handeling 77

Waardering: Vervallen

84.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van commissiestukken en zaken die de Commissaris aan de commissie overlegt, aan hen die bij de behandeling aanwezig zijn en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66a.4 en 66a.5, Provinciewet 1992/1998, art. 91.1 en 91.2

Waardering: Vervallen

90.

Handeling: Het aan Gedeputeerde Staten voordragen voor benoeming van provinciale ambtenaren

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 34.2; Provinciewet 1962, art. 76.1

Opmerking: – Tot ‘ambtenaren’ worden hier ook gerekend de ‘bedienden’ waarvan in de Provinciale Wet sprake is.

– Deze handeling heeft geen betrekking op de griffier.

Waardering: Vervallen

2.2.3. Bevoegdheden–provincie

94.

Handeling: Het vaststellen van provinciale verordeningen

Periode: 1945–

Grondslag: provinciale wet, art. 140; Provinciewet 1962, art. 80; Provinciewet 1992/1998, art. 143.1

Opmerking: Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin kunnen hiertoe bij wet of door Provinciale Staten krachtens de wet bevoegdheid voor toegekend worden.

2.3.2 Inrichting en samenstelling gemeente

127.

Handeling: Het adviseren inzake (her)benoemingen van burgemeesters

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 12 jan. 1966, Stb. 1966/25, art. 8; Gemeentewet, art. 61 lid 2 en 5

Opmerking: Hieronder vallen onder meer het opmaken van aanbevelingen en het doen van voorstellen. Waarschijnlijk vond advisering al geruime tijd plaats voordat zij wettelijk geregeld werd.

Waardering: Vervallen

129.

Handeling: Het afnemen van de ambtseed aan (waarnemend) burgemeesters

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 71.1; Gemeentewet, art. 65; art. 78.2

Opmerking: De voorheen af te leggen zuiveringseed en ambtseed zijn hierin samengevoegd.

Waardering:

130.

Handeling: Het aanwijzen van een waarnemend burgemeester

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 84.3; Gemeentewet, art. 78.1

Waardering: Vervallen

136.

Handeling: Het verlenen van ontheffing van de verplichting voor burgemeesters de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 71.2

Waardering: Vervallen

138.

Handeling: Het geven van toestemming aan burgemeesters langere tijd buiten hun gemeente te verblijven

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 82.1; Gemeentewet, art. 72.1

Opmerking: Voor 1994 was toestemming van de Commissaris nodig bij een afwezigheid van langer dan acht dagen, en toestemming van de minister bij een afwezigheid van langer dan een maand. Vanaf 1994 is de Commissaris de enige actor en betreft het een periode langer dan zes weken.

Waardering: Vervallen

147.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan een (waarnemend) burgemeester met betrekking tot het verbod een overeenkomst aan te gaan in de zin van art. 15 lid 1d van de Gemeentewet

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 69, art. 80

Waardering: Vervallen

2.3.3 Bevoegdheden gemeente

155.

Handeling: Het beoordelen van niet-bekrachtigde noodvoorschriften van burgemeesters

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 220.2 en 220.4; Gemeentewet, art. 176.2, 176.4 en 176.5

Opmerking: Het oordeel kan zijn:

– een schorsing van de noodvoorschriften;

– een beslissing op een beroepschrift van een burgemeester inzake het niet-bekrachtigen door de gemeenteraad van de noodvoorschriften

Waardering: Vervallen

158.

Handeling: Het (bij KB) benoemen van de voorzitter van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld orgaan

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 3, art. 18, art. 25

Waardering: Vervallen

160.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 6.1, art. 11.2, art. 27, art. 20; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 35.13, art. 36.1, art. 38.2, art. 60.1, art. 82.1, art. 92.1, Kaderwet bestuur in verandering, art. 7.1

Opmerking: – Deze handeling omvat ook goedkeuring van wijziging, verlenging en opheffing van een gemeenschappelijke regeling, alsmede van de toetreding en uittreding van een deelnemer.

– Goedkeuring gebeurt bij KB. Voor regelingen tussen gemeenten geldt echter dat Gedeputeerde Staten actor zijn, tenzij het een regeling tussen burgemeesters betreft. In dat geval is de Commissaris actor.

– Tot 1984 gold voor regelingen tussen gemeenten in de situatie waarin de betrokken gemeenten in verschillende provincies lagen, dat de minister, na overleg met Gedeputeerde Staten, een KB voorbereidde. Dit gebeurde eveneens wanneer De Kroon Provinciale Staten had verzocht een gemeenschappelijke regeling op te leggen.

Waardering: Vervallen

163.

Handeling: Het treffen van een gemeenschappelijke regeling tussen provincies of tussen provincies en gemeenten

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 16.1, art. 23.1; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 40.1, art. 51.1

Waardering: Vervallen

3.5.1 Begroting en jaarrekening provincie intern

358.

Handeling: Het instellen van rechtsvorderingen tot schadevergoeding in geval van aansprakelijkheid van leden van Provinciale Staten tegenover de provincie

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 131.2, art. 134.3; Provinciewet 1992/1998, art. 214.3

Waardering: Vervallen

371.

Handeling: Het instellen van rechtsvorderingen tot schadevergoeding op de voorzitter en de leden van Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 124.2; Provinciewet 1962, art. 139.3, art. 141.2; Provinciewet 1992/1998, art. 205.3

Opmerking: Tot 1962 was de benoeming door Provinciale Staten van iemand uit hun midden die met de rechtsvervolging werd belast een activiteit onder deze handeling.

3.6.1 Begroting en jaarrekening gemeente intern

394.

Handeling: Het namens en ten laste van een gemeente instellen van een rechtsvordering tot betaling van verschuldigde gelden

Periode: 1966–

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 15 dec. 1966, Stb. 564; Gemeentewet, art. 201.4, art. 210.3

4.2.1. Provinciale besluiten

410.

Handeling: Het richten van een verzoek aan de vakminister een provinciaal besluit ter schorsing of vernietiging voor te dragen aan de Kroon

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 32.3, Provinciewet 1962, art. 170.1; Provinciewet 1992/1998, art. 266.1

Opmerking: De Commissaris stelt het college dat het besluit nam in kennis van zijn handelwijze. De Provinciale wet rept niet expliciet van een verzoek.

Waardering: Vervallen

4.3.2. Bestuursdwang vanwege de Provincie

428.

Handeling: Het geven van opdracht aan daartoe aangewezen personen tot het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 153ter, lid 1; Provinciewet 1962, art. 117.1; Provinciewet 1992, art. 126

Product: machtiging

Waardering: Vervallen

429.

Handeling: Het bij dwangbevel invorderen van de kosten van het wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd is met bepaalde wetten, AMvB’s en besluiten van het provinciaal bestuur

Periode: 1945 –

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 153quinquies, lid 1; Provinciewet 1962, art. 119.1; Provinciewet 1992, art. 129.1

Opmerking: Het dwangbevel wordt op kosten van de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

Waardering: Vervallen

4.3.3. Bestuursdwang vanwege de gemeente

432.

Handeling: Het namens het gemeentebestuur toepassen van bestuursdwang

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 135.1

Waardering: Vervallen

4.3.4. Bestuursdwang ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen

434.

Handeling: Het (bij KB) aan gemeenten opleggen van een onderlinge gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 11.1-3; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 99.2 en 99.5; Kaderwet bestuur in verandering, art. 23.1; art. 24.1; art. 26

Product: Besluit van 7 juni 1995, tot oplegging van de Gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht, Stb. 1995/311

Opmerking: – De gemeenten kunnen in een samenwerkingsgebied liggen.

– Onder ‘opleggen’ wordt ook verstaan de wijziging of opheffing van een bestaande regeling, de toetreding tot of de uittreding uit een regeling.

Oplegging gebeurde tot 1984 door Provinciale Staten. Vanaf 1984 gebeurt het, op aanwijzing van Provinciale Staten, door Gedeputeerde Staten. Liggen de betrokken gemeenten echter in verschillende provincies, dan gebeurt het opleggen door de Kroon (de minister bereidt een KB voor). Bleven Provinciale Staten ten aanzien van het opleggen in gebreke, dan gebeurde het opleggen eveneens door de Kroon. De Commissaris treedt in de plaats van Gedeputeerde Staten (voor 1984: Provinciale Staten) wanneer het een regeling tussen uitsluitend burgemeesters betreft.

Waardering: Vervallen

435.

Handeling: Het (bij KB) geven van opdracht aan besturen van gemeenten aan wie een onderlinge gemeenschappelijke regeling wordt opgelegd daarover in overleg te treden

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 12

Opmerking: Wanneer de regeling is opgelegd vanwege de Kroon, vindt ook de opdracht tot overleg vanwege de Kroon plaats. Bij een regeling tussen burgemeesters treedt de Commissaris van de Koningin in de plaats van Provinciale Staten.

Waardering: Vervallen

4.4 Geschillen en beroepsmogelijkheden

440.

Handeling: Het vertegenwoordigen van de provincie in rechtsgedingen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 33

Opmerking: Hij trad namens Gedeputeerde Staten op als eiser of verweerder

Waardering: Vervallen

441.

Handeling: Het oproepen van getuigen en deskundigen bij administratieve geschillen die onderworpen zijn aan de beslissing van Gedeputeerde Staten

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 110.1

Opmerking: Hieronder valt ook het bevel de personen in kwestie door de openbare macht voor hen te laten brengen.

De Provinciewet noemt als actor ‘de voorzitter van Gedeputeerde Staten’.

Waardering: Vervallen

39 Gedeputeerde Staten

2.2.1 Indeling grondgebied provincie

40.

Handeling: Het doen van een voorstel aan Provinciale Staten tot vaststelling van een ontwerp-regeling voor de provinciale indeling

Periode: 1945–

Grondslag: Wet algemene regels herindeling, Stb. 1984/475, zoals gewijzigd 13 mei 1991, Stb. 1991/315, art. 85; Provinciewet 1992/1998, art. 278

Product: nota

Opmerking: De colleges van burgemeester en wethouders van de bij de desbetreffende wijziging van de provinciale indeling betrokken gemeenten, hebben de mogelijkheid hierover met Gedeputeerde Staten in overleg te treden alvorens Gedeputeerde Staten het voorstel aan Provinciale Staten doet.

Waardering: Vervallen

2.2.2. Inrichting en samenstelling provincie

55.

Handeling: Het voorbereiden van een KB ter aanwijzing van de plaats waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 85

Opmerking: Dit gebeurde in geval van buitengewone omstandigheden

Waardering: Vervallen

56.

Handeling: Het aanwijzen van de plaats waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1962–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 14.2

Opmerking: De aanwijzingsbevoegdheid van Gedeputeerde Staten gold alleen in buitengewone omstandigheden (bijv. watersnood, oorlog)

Waardering: Vervallen

59.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding aan leden van Provinciale Staten en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: a. 1962–1978

b. 1979–1993

c. 1994–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 21.1 en 2; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 21.3; Provinciewet 1992/1998, art. 25.1 en 25.2, art. 55

Opmerking: – Het betreft in het geval van alle actoren geheimhouding omtrent de inhoud van stukken welke worden voorgelegd, en in het geval van geheimhouding omtrent het met gesloten deuren behandelde.

Waardering: Vervallen

60.

Handeling: Het schorsen van leden van Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 58.1

Opmerking: De schorsing duurde tot de eerstkomende vergadering van Provinciale Staten.

Waardering: Vervallen

64.

Handeling: Het vaststellen van het reglement van orde voor de vergaderingen van Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 91; Provinciewet 1962, art. 46; Provinciewet 1992/1998, art. 52

Opmerking: – Dit reglement wordt aan Provinciale Staten toegezonden.

– In de periode 1985–1986 werd deze handeling met betrekking tot de provincie Flevoland door het Voorbereidingslichaam provincie Flevoland verricht.

Waardering: Vervallen

71.

Handeling: Het op verzoek van de Commissaris van de Koningin aanwijzen van een lid van Gedeputeerde Staten dat de uitgaande stukken van dit college ondertekent

Periode: 1962–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 61

Opmerking: In de periode 1985–1986 werd deze handeling met betrekking tot de provincie Flevoland door het Voorbereidingslichaam provincie Flevoland verricht.

Waardering: Vervallen

73.

Handeling: Het aanwijzen van een vervanger van de Commissaris van de Koningin

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 35; Provinciewet 1962, art. 62 lid 1; Provinciewet 1992/1998, art. 75.1

Opmerking: In de periode 1985–1986 werd deze handeling met betrekking tot de provincie Flevoland door het Voorbereidingslichaam provincie Flevoland verricht.

Waardering: Vervallen

77.

Handeling: Het instellen van tijdelijke adviescommissies die Gedeputeerde Staten van advies moeten dienen

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 65 (gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 65.2); Provinciewet 1992/1998, art. 90

Opmerking: – Het gaat hier om commissies die op een veelal beperkt, specifiek omschreven taakgebied adviseren.

Waardering: Vervallen

79.

Handeling: Het doen van voorstellen aan Provinciale Staten inzake het instellen, wijzigen en opheffen van provinciale commissies

Periode: 1979–

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66.2, art. 103a.1; Provinciewet 1992, art. 82 lid 1, art. 89 lid 1

Opmerking: – Het betreft: voorstellen tot instelling van commissies die Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin moeten adviseren, alsmede de regeling van hun bevoegdheden en samenstelling; voorstellen tot toekenning van bevoegdheden van Gedeputeerde Staten aan door Provinciale Staten ingestelde commissies; voorstellen ter vaststelling door Provinciale Staten van regels (betreffende verantwoording, werkwijze, openbaarheid, toezicht e.d.) voor commissies waaraan bevoegdheden van Gedeputeerde Staten worden toegekend.

– In de periode 1985–1986 werd deze handeling met betrekking tot de provincie Flevoland door het Voorbereidingslichaam provincie Flevoland verricht.

Waardering: Vervallen

80.

Handeling: Het doen van voorstellen aan Provinciale Staten inzake het instellen en het vaststellen van regels en bevoegdheden van vaste commissies van advies aan Gedeputeerde Staten

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 89

Opmerking: zie handeling 76: In de wet van 1962 gaat het niet zozeer om het instellen van de commissies (al dan niet vaste commissies) maar om het regelen van de bevoegdheden

Waardering: Vervallen

83.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van commissiestukken en zaken die Gedeputeerde Staten aan de commissie overlegt, aan hen die bij de behandeling aanwezig zijn en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1979–

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66a.4 en 66a.5, Provinciewet 1992/1998, art. 91.1 en 91.2

Waardering: Vervallen

85.

Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming tot provinciale griffier en het doen van voorstellen tot zijn ontslag

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 36; Provinciewet 1962, art. 67; Provinciewet 1992/1998, art. 98.1

Waardering: Vervallen

87.

Handeling: Het schorsen van de provinciale griffier

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 103.2

Opmerking: Schorsing van de griffier kan alleen in spoedeisende gevallen plaatsvinden. Deze schorsing vervalt wanneer Provinciale Staten haar niet bekrachtigen.

Waardering: Vervallen

89.

Handeling: Het aan de provinciale griffier toestaan elders te wonen dan in de gemeente waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1962–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 71.2

Waardering: Vervallen

91.

Handeling: Het benoemen van provinciale ambtenaren en bedienden

Periode: 1945–1993

Grondslag: Provinciale wet, art. 34.2; art. 156; Provinciewet 1962, art. 76.1

Opmerking: – Tot ‘ambtenaren’ worden hier ook gerekend de ‘bedienden’ waarvan in de Provinciale Wet sprake is.

– Deze handeling heeft geen betrekking op de griffier.

Waardering: Vervallen

2.2.3 Bevoegdheden provincie

94.

Handeling: Het vaststellen van provinciale verordeningen

Periode: 1945–

Grondslag: provinciale wet, art. 140; Provinciewet 1962, art. 80; Provinciewet 1992/1998, art. 143.1

Opmerking: Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin kunnen hiertoe bij wet of door Provinciale Staten krachtens de wet bevoegdheid voor toegekend worden.

Waardering: Vervallen

95.

Handeling: Het stellen van nadere regels met betrekking tot in provinciale verordeningen aangewezen onderwerpen

Periode: 1962–1979

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 84

Opmerking: Gedeputeerde Staten werden hiertoe in deze verordeningen door Provinciale Staten bevoegd verklaard.

Waardering: Vervallen

101.

Handeling: Het aanwijzen van provinciale ambtenaren die besluiten van Gedeputeerde Staten moeten uitvoeren

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 104.1

Waardering: Vervallen

102.

Handeling: Het vaststellen van plannen en voorwaarden van aanbesteding inzake leveringen aan de provincie en vanwege de provincie te verrichten werken

Periode: 1945–1993

Grondslag: Provinciale wet, art. 159; Provinciewet 1962, art. 107

Opmerking: Vaststelling door Gedeputeerde Staten vond plaats wanneer Provinciale Staten zich de bevoegdheden daartoe niet hadden voorbehouden.

Waardering: Vervallen

103.

Handeling: Het voorzien in het onderhoud van provinciale werken

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 160

Opmerking: Dit gebeurde wanneer dit geen uitstel lijden kon.

Waardering: Vervallen

105.

Handeling: Het ontwerpen van door Provinciale Staten vast te stellen reglementen van waterschappen, veenschappen en veenpolders

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 157.2

Opmerking: – Deze handeling werd verricht door Gedeputeerde Staten, tenzij een bijzondere commissie hiertoe opdracht kreeg van Provinciale Staten.

– De handeling betreft ook de wijzigingen van reglementen.

Waardering: Vervallen

107.

Handeling: Het doen van opgaven aan hypotheekbewaarders ter verandering van de tenaamstelling in de kadastrale leggers in het kader van de overgang van onroerende zaken op een gemeente

Periode: 1945–

Grondslag: o.a. Stb. 1962/11, art. 8.2; Wet van 25 maart 1971, art. 13.2; Stb. 1979/378, art. 8.4; Stb. 1983/328, art. 11.6, art. 16.2; Wet van 12 december 1985, Stb. 1985/648, art. 4.3

Opmerking: Met betrekking tot rijkseigendommen is de minister actor.

Waardering Vervallen

113.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake wijziging van gemeentegrenzen

Periode: 1960 en wellicht eerder–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 14 april 1960, Stb. 176, art. 158.2, art. 162.3, art. 164.1

Waardering: Vervallen

115.

Handeling: Het behandelen van bezwaarschriften inzake ontwerp-regelingen ter wijziging van gemeentegrenzen

Periode: 1960 en wellicht eerder–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 14 april 1960, Stb. 176, art. 161.2

Waardering: Vervallen

117.

Handeling: Het doen van voorstellen aan Provinciale Staten tot vaststelling van ontwerp-regelingen ter voorbereiding van wijzigingen van de gemeentelijke indeling

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 285.1

Waardering: Vervallen

2.3.2 Inrichting en samenstelling gemeente

123.

Handeling: Het goedkeuren van de instelling van een commissie door een gemeenteraad

Periode: 1966–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 15 december 1966, Stb. 1966/564, art. 64c

Waardering: Vervallen

124

Handeling: Het goedkeuren van de benoeming van een ander aantal wethouders dan wettelijk is voorgeschreven

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 86.3

Waardering: Vervallen

128.

Handeling: Het schorsen van burgemeesters

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 66.2

Waardering: Vervallen

133.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de verlening van ontheffing van de verplichting voor burgemeesters en gemeentesecretarissen de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 81.2; art. 106.1

Opmerking: Hiertoe wordt eerst de gemeenteraad gehoord.

Waardering: Vervallen

137.

Handeling: Het vaststellen van spreekdagen voor burgemeesters die niet in hun gemeente wonen

Periode: 1945–1966

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 81.3

Waardering: Vervallen

140.

Handeling: Het benoemen van gemeenteontvangers

Periode: 1945–1966

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 1937, Stb. 311, art. 113.4; en bij de wet van 1 feb 1904, Stb. 25, art. 113.3

Opmerking: Hieronder valt ook het goedkeuren van door de raad ontslagen ontvangers.

Waardering: Vervallen

142.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de verlening van ontheffing van de verplichting voor ontvangers de eigen gemeente tot woonplaats te hebben

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 114.1

Opmerking: Hiertoe wordt eerst de gemeenteraad gehoord.

Waardering: Vervallen

144.

Handeling: Het verlengen van de termijn waarin het bevoegde gezag in een gemeente een beslissing neemt over de loopbaan van de gemeenteontvanger

Periode: 1966–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, zoals gewijzigd bij de wet van 2 maart 1966, Stb. 94, art. 127b

Waardering: Vervallen

146.

Handeling: Het verlenen van ontheffing aan raadsleden en (plaatsvervangend) gemeentesecretarissen met betrekking tot het verbod een overeenkomst aan te gaan in de zin van art. 15 lid 1d van de Gemeentewet

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 15.2, art. 102, art. 107

Waardering: Vervallen

148.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het machtigen van burgemeesters, gemeentesecretarissen en gemeenteontvangers tot uitoefening van een functie die volgens de wet onverenigbaar wordt geacht met hun ambt

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 69.2, art. 106.1, art. 114.1

Opmerking: Deze handeling kan ook betrekking hebben op advisering omtrent het machtigen van de secretaris van een gewest.

Waardering: Vervallen

154.

Handeling: Het verlenen van ontheffing van het verbod de functies van gemeentesecretaris en gemeenteontvanger in één persoon te verenigen

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 105.3

Waardering: Vervallen

158.

Handeling: Het (bij KB) benoemen van de voorzitter van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld orgaan

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 3, art. 18, art. 25

Waardering: Vervallen

159.

Handeling: Het aan een bestuurslid van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam verlenen van ontheffing van het verbod overeenkomsten aan te gaan die tot belangenverstrengeling kunnen leiden

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 20.2, art. 41.1, art. 52.1

Opmerking: Gedeputeerde Staten zijn actor in geval van een openbaar lichaam dat bij intergemeentelijke regeling is opgesteld. De Minister van Binnenlandse Zaken verleent ontheffing wanneer sprake is van een interprovinciale regeling, een regeling tussen gemeenten en provincies, of een regeling tussen gemeenten, provincies en waterschappen.

Het betreft bijvoorbeeld het verbod werk aan te nemen ten behoeve van het openbaar lichaam of het verbod onderhands onroerende goederen van het openbaar lichaam te verwerven.

Waardering: Vervallen

160.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 6.1, art. 11.2, art. 27, art. 20; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 35.13, art. 36.1, art. 38.2, art. 60.1, art. 82.1, art. 92.1, Kaderwet bestuur in verandering, art. 7.1

Opmerking: – Deze handeling omvat ook goedkeuring van wijziging, verlenging en opheffing van een gemeenschappelijke regeling, alsmede van de toetreding en uittreding van een deelnemer.

– Goedkeuring gebeurt bij KB. Voor regelingen tussen gemeenten geldt echter dat Gedeputeerde Staten actor zijn, tenzij het een regeling tussen burgemeesters betreft. In dat geval is de Commissaris actor.

– Tot 1984 gold voor regelingen tussen gemeenten in de situatie waarin de betrokken gemeenten in verschillende provincies lagen, dat de minister, na overleg met Gedeputeerde Staten, een KB voorbereidde. Dit gebeurde eveneens wanneer De Kroon Provinciale Staten had verzocht een gemeenschappelijke regeling op te leggen.

Waardering Vervallen

161.

Handeling: Het instellen en bijhouden van een register van gemeenschappelijke regelingen waaraan gemeenten, waterschappen en de Provincie deelnemen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 27.2, art. 41.2

Waardering: Vervallen

163.

Handeling: Het treffen van een gemeenschappelijke regeling tussen provincies of tussen provincies en gemeenten

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 16.1, art. 23.1; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 40.1, art. 51.1

Waardering: Vervallen

196.

Handeling: Het voorbereiden van een ontwerpbesluit tot vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 3.1

Opmerking: Deze handeling wordt gezamenlijk uitgevoerd. Ook vindt overleg plaats met de betrokken gemeentebesturen.

Waardering: Vervallen

213.

Handeling: Het aanwijzen van Rijks- en provinciale diensten waarmee de agglomeratie Eindhoven overlegt in het kader van de voorbereiding van het ontwikkelingsprogramma

Periode: 1977–1985

Grondslag: Besluit agglomeratie Eindhoven, art. 8

Opmerking: Het college van voorzitter en gedelegeerden van de agglomeratie pleegde in dit verband overleg met diverse partijen. Daar maakten ook diensten van Rijk en Provincie deel van uit, die door de vakministers respectievelijk door Gedeputeerde Staten werden aangewezen.

Waardering: Vervallen

3.1.2 De financiering van openbare lichamen

226.

Handeling: Het aan de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Verkeer en Waterstaat zenden van verzamelopgaven van gegevens die nodig zijn voor uitvoering van de Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen en de Wet financiering lagere overheid

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 7; Besluit gegevens liquiditeitspositie gemeenten, art. 1.3; Besluit gegevens liquiditeitspositie provinciën, art. 1.1; Besluit gegevens liquiditeitspositie waterschappen, art. 1.3; Besluit gegevens leningen publiekrechtelijke lichamen, art. 1; Besluit financiële gegevens publiekrechtelijke lichamen, art. 3-8; Besluit gegevens financiering lagere overheid, art. 2.1

Product: verzamelstaten

Opmerking: De gegevens zijn afkomstig van publiekrechtelijke lichamen. Het betreft gegevens over kapitaaluitgaven en geldleningen, en over hun liquiditeitspositie.

Waardering: Vervallen

229.

Handeling: Het (bij KB) goedkeuren van besluiten van publiekrechtelijke lichamen tot het ramen van uitgaven (ten laste van de kapitaaldienst van hun begrotingen)

Periode: 1963–1987

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.1

Opmerking: Dit gebeurt wanneer vaste financiering is verzekerd.

Waardering: Vervallen

231.

Handeling: Het aan openbare lichamen verlenen van vergunning tot overschrijding van de kasgeldlimiet

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 4.2

Product: Circulaire van 30 jan. 1987, no. BMV87/U12

Opmerking: Dit gebeurt met inachtneming van ministeriële regels.

Vergunningverlening door een minister vindt plaats als het gaat om openbare lichamen waarvan de begroting onderworpen is aan toezicht door de regering. De aanvraag wordt gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken. Ten aanzien van de overige openbare lichamen zijn Gedeputeerde Staten vergunningverlener.

Waardering: Vervallen

235.

Handeling: Het adviseren van de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Verkeer en Waterstaat inzake geldleningen en (tot 1987) kapitaaluitgaven door openbare lichamen

Periode: 1963–

Grondslag: Wet kapitaaluitgaven publiekrechtelijke lichamen, art. 2.4, art. 5.2; Wet financiering lagere overheid, art. 8.2

Opmerking: Gedeputeerde Staten speelden tot 1987 tevens een bemiddelende rol: de verzoeken om vergunning/ontheffing werden door hun tussenkomst ingediend.

Na vaststelling van een maximum aan het aangaan en garanderen van geldleningen, raadplegen de ministers Gedeputeerde Staten. Heeft het besluit in kwestie betrekking op gemeenten of gemeenschappelijke regelingen, dan horen zij tevens de Raad voor de gemeentefinanciën.

Waardering: Vervallen

238.

Handeling: Het verstrekken van opgaven aan de Minister van Financiën van de door Gedeputeerde Staten verleende vergunningen aan openbare lichamen tot het aangaan en garanderen van geldleningen

Periode: 1987–

Grondslag: Wet financiering lagere overheid, art. 7.6

Waardering: Vervallen

3.1.6 Adviesraden

256.

Handeling: Het indienen van een aanbeveling voor de benoeming van buitengewone leden van de Raad voor de gemeentefinanciën

Periode: 1960–1984

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 20.2

Opmerking: Het betrof de twee buitengewone leden die tevens lid waren van het provinciaal bestuur of in dienst van de provincie.

Waardering: Vervallen

3.2.1 Eigen inkomsten provincie

282.

Handeling: Het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van een provinciale belasting

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 232e.5

Waardering: Vervallen

3.3.1. Eigen inkomsten gemeente

289.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake raadsbesluiten tot invoering, wijziging of afschaffing van een gemeentelijke belasting

Periode: 1945–1996

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 270; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen, art. 271.1; Gemeentewet, art. 218.2

Waardering: Vervallen

3.3.4 Aanvullende uitkering

328.

Handeling: Het adviseren van de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken omtrent de verlening van voorschotten en financiële bijdragen aan noodlijdende gemeenten

Periode: 1945–1961

Grondslag: Wet van den 22sten December 1933, tot steun aan noodlijdende gemeenten, art. 2

Opmerking: De advisering omvatte ook het mede-vaststellen van de voorwaarden voor verlening van rentedragende voorschotten en garanties met betrekking tot door anderen te verlenen voorschotten.

Waardering: Vervallen

3.3.2 Gemeentefonds tot 1998

303.

Handeling: Het beoordelen van opgaven van gemeentebesturen in het kader van uitkeringen uit het Gemeentefonds, en het adviseren daarover aan de Minister van Binnenlandse Zaken

Periode: 1945–1997

Grondslag: Financieële-Verhoudingsbesluit, art. 12.2, art. 23.1; Financiële-Verhoudingsbesluit 1948, art. 5.1, art. 9.

Waardering: Vervallen

3.3.4 Aanvullende uitkeringen

331.

Handeling: Het adviseren van de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken inzake de verlening van aanvullende bijdragen en aanvullende uitkeringen aan gemeenten

Periode: 1960–1997

Grondslag: Financiële-Verhoudingswet 1960, art. 12.1 en 3; Financiële-Verhoudingswet 1984, art. 12 lid 1 en 6; Financiële-Verhoudingsbesluit 1984, art. 9.2

Opmerking: – Gedeputeerde Staten baseren zich op een hen door de ministers toegezonden rapport over de financiële situatie van de desbetreffende gemeente.

– Onder verlening wordt ook verstaan: het weigeren, verminderen, intrekken e.d. van een aanvullende bijdrage of uitkering.

– Een activiteit onder deze handeling is: het aan genoemde ministers richten van verzoeken, afkomstig van gemeenten die een aanvullende bijdrage (wensen te) krijgen, om ontheffing van het verbod besluiten te nemen die bepaalde financiële consequenties hebben.

Waardering: Vervallen

3.5.1 Begroting en jaarrekening provincie intern

345.

Handeling: Het jaarlijks opmaken van provinciale begrotingen

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 103.1; Provinciewet 1962, art. 122.1, art. 134.3 en 134.4; Provinciewet 1992/1998, art. 194

Waardering: Vervallen

365.

Handeling: Het jaarlijks opmaken van de provinciale jaarrekening en het jaarverslag

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 119.1; Provinciale wet 1928, art. 125.1; Provinciewet 1962, art. 135.1, art. 140.1; Provinciewet 1992/1998, art. 201

Product: Jaarrekeningen, jaarverslagen

Waardering: Vervallen

375.

Handeling: Het vaststellen van bevelschriften tot betaling uit de provinciale kas

Periode: 1945–1994

Grondslag: Provinciale wet, art. 122 lid 1; Provinciewet 1962, art. 142.1

Waardering: Vervallen

3.6.1 Begroting en jaarrekening gemeente intern

381.

Handeling: Het opdragen van betaling aan gemeenteambtenaren inzake verplichte begrotingsuitgaven

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 195

Waardering: Vervallen

382.

Handeling: Het opvoeren van verplichte uitgaven of een bedrag voor onvoorziene omstandigheden op de begroting

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 194

Opmerking: Dit geschiedt slechts indien een gemeenteraad dit zelf weigert. Als de raad bovendien weigert in voldoende dekking van de in de handeling bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen Gedeputeerde Staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.

Waardering: Vervallen

383.

Handeling: Het goedkeuren en wijzigen van gemeentelijke begrotingen

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 143; gemeentewet 1931, art. 242.1; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 15 december 1966, Stb. 564, art. 245a; Gemeentewet, art. 191.2, art. 192.2, art. 194.1; art. 203.1 en 203.2

Opmerking: Begrotingswijzigingen kunnen het karakter hebben van een toevoeging of een vermindering van bedragen.

Waardering: Vervallen

384.

Handeling: Het verlenen van toestemming aan gemeentebesturen voor het doen van uitgaven en het ontvangen van inkomsten

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 246 lid 2; Gemeentewet, art. 208.1

Opmerking: Deze toestemming is slechts nodig indien de begroting of een wijziging daartoe niet is goedgekeurd.

Waardering: Vervallen

385.

Handeling: Het persoonlijk aansprakelijk stellen van raadsleden tegenover de gemeente voor steun aan het raadsbesluit tot het doen van een spoedeisende uitgave

Periode: 1966–

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 15 december 1966, Stb. 564, art. 248a.1, Gemeentewet, art. 210.1

Waardering: Vervallen

387.

Handeling: Het aanwijzen van besluiten van gemeentebesturen die naar Gedeputeerde Staten moeten worden gezonden

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 211

Waardering: Vervallen

389.

Handeling: Het regelen van het verband tussen de afzonderlijke financiële gemeentelijke huishoudingen met de algemene financiële huishouding van de gemeente

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 254

Opmerking: Deze regeling moest goedgekeurd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: Vervallen

391.

Handeling: Het goedkeuren van gemeentelijke aanwijzingen van en beheersregels voor afzonderlijke takken van dienst

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 252

Waardering: Vervallen

392.

Handeling: Het vaststellen van gemeentelijke rekeningen

Periode: 1945–

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 258.1; Gemeentewet, art. 202

Opmerking: Met ingang van 1994 werd vaststelling een taak van de gemeenteraad. Gedeputeerde Staten voeren deze taak sindsdien alleen nog uit indien de gemeenteraad deze taak niet of niet naar behoren uitvoert. Wel ontvangen zij alle vastgestelde rekeningen.

Een rekening gaat vergezeld van een verslag van de registeraccountant en een door het college van burgemeester en wethouders opgesteld verantwoordingsverslag.

Waardering: Vervallen

3.6.2 Administratie en controle gemeente intern

396.

Handeling: Het goedkeuren van door gemeenteraden vastgestelde regels met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het kasbeheer

Periode: 1966–1993

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 2 maart 1966, Stb. 94, art. 127a.1

Waardering: Vervallen

398.

Handeling: Het (doen) instellen van een onderzoek naar de wijze waarop gemeenten hun administratie en vermogenswaardenbeheer voeren

Periode: 1950–

Grondslag: gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wet van 13 december 1950, Stb. K 575, art. 265ter, lid 2; Gemeentewet, art. 215

Waardering: Vervallen

3.6.3 Eigendommen, werken en inrichtingen

399.

Handeling: Het aan gemeenten opdracht geven tot het opmaken en bijhouden van staten van de gemeentelijke eigendommen, – werken en – inrichtingen

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 267.2; gemeentewet, zoals gewijzigd bij de wetten van 22 april 1937, Stb. 311, art. LVII, en 25 oktober 1989, Stb. 492, art. 267

Waardering: Vervallen

4.1 Inleiding toezicht

407.

Handeling: Het beoordelen van reglementen van orde voor gemeenteraadsvergaderingen

Periode: 1945–1993

Grondslag: gemeentewet 1931, art. 59

Waardering: Vervallen

4.2.2. Gemeentelijke besluiten

412.

Handeling: Het goedkeuren van gemeentelijke besluiten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 143; gemeentewet 1931, art. 229; Gemeentewet, art. 155.2; art. 218.5; 260; 262.1; 265; 266.1

Product: KB van 4 september 1850, Stb. 57 (ingetrokken bij KB van 23 november 1987, Stb. 563)

Opmerking: Het betreft hier zowel besluiten van de raad als van het gehele gemeentebestuur. Onder deze handeling vallen ook gedeeltelijke goedkeuring, onthouding van goedkeuring en vaststelling van de termijn waarin het besluit geldig is.

Waardering: Vervallen

414.

Handeling: Het richten van verzoeken aan de Kroon tot schorsing of vernietiging van plaatselijke verordeningen die zij strijdig vinden met de wetten of het algemeen provinciaal belang

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 146

Waardering: Vervallen

415.

Handeling: Het adviseren van de vakminister inzake vernietiging van besluiten van gemeentebesturen

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 273.2

Opmerking: Voor 1994 brachten Gedeputeerde Staten alleen verslag uit van het feit dat een burgemeester van oordeel was dat een gemeentelijk besluit strijdig was met de wet of het algemeen belang.

Waardering: Vervallen

416.

Handeling: Het machtigen van gemeentebesturen tot instelling, afschaffing of verandering van jaarmarkten of gewone marktdagen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 144

Waardering: Vervallen

4.2.3. Besluiten van gewesten

418.

Handeling: Het goedkeuren van door het openbaar lichaam Rijnmond vastgestelde streekplannen

Periode: 1965–1986

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 19.1

Waardering: Vervallen

419.

Handeling: Het goedkeuren van gewestelijke besluiten

Periode: 1965–1986

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, o.a. art. 26.5; art. 41.1; Wet agglomeratie Eindhoven, art. 51.2; art. 53.4; art. 55.3

Opmerking: Het betrof onder meer besluiten inzake ruimtelijke ordening, de overheveling van gemeentelijke bevoegdheden, financiële aangelegenheden, en aanwijzingen.

Waardering: Vervallen

4.2.4. Besluiten van deelnemers aan gemeenschappelijke regelingen

420.

Handeling: Het, in plaats van het bestuur van een lichaam of orgaan dat een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten uitvoert, nemen van besluiten ter zake van die regeling

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 28.2

Waardering: Vervallen

421.

Handeling: Het schorsen van een besluit ter zake van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 28.4

Opmerking: Op verzoek van een belanghebbend bestuur kan een voorlopige voorziening worden getroffen.

Waardering: Vervallen

423.

Handeling: Het houden van toezicht op waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 99.2; Provinciewet 1992/1998, art. 152.4

Opmerking: Provinciale Staten kunnen Gedeputeerde Staten met dit toezicht belasten.

Waardering: Vervallen

4.3.2. Bestuursdwang vanwege de Provincie

427.

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren ter invordering van provinciale belastingen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 126quindecies, lid 1

Waardering: Vervallen

428.

Handeling: Het geven van opdracht aan daartoe aangewezen personen tot het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 153ter, lid 1; Provinciewet 1962, art. 117.1; Provinciewet 1992, art. 126

Product: machtiging

Waardering: Vervallen

429.

Handeling: Het bij dwangbevel invorderen van de kosten van het wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd is met bepaalde wetten, AMvB’s en besluiten van het provinciaal bestuur

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 153quinquies, lid 1; Provinciewet 1962, art. 119.1; Provinciewet 1992, art. 129.1

Opmerking: Het dwangbevel wordt op kosten van de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

Waardering: Vervallen

4.3.3. Bestuursdwang vanwege de gemeente

432.

Handeling: Het namens het gemeentebestuur toepassen van bestuursdwang

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 135.1

Waardering: Vervallen

4.3.4. Bestuursdwang ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen

435.

Handeling: Het (bij KB) geven van opdracht aan besturen van gemeenten aan wie een onderlinge gemeenschappelijke regeling wordt opgelegd daarover in overleg te treden

Periode: 1950–1984

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 12

Opmerking: Wanneer de regeling is opgelegd vanwege de Kroon, vindt ook de opdracht tot overleg vanwege de Kroon plaats. Bij een regeling tussen burgemeesters treedt de Commissaris van de Koningin in de plaats van Provinciale Staten.

Waardering: Vervallen

438.

Handeling: Het geven van een aanwijzing aan het bestuur van een regionaal openbaar lichaam hoe een bevoegdheid of taak moet worden uitgeoefend.

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 28.3

Opmerking: Wanneer Gedeputeerde Staten geen gevolg geven aan de uitnodiging van de vakminister en de Minister van Binnenlandse Zaken tot het geven van een aanwijzing, geven zij, in overeenstemming met elkaar, de aanwijzing zelf.

Waardering: Vervallen

4.4 Geschillen en beroepsmogelijkheden

442.

Handeling: Het vormen van kamers uit eigen gelederen voor de behandeling van administratieve geschillen

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 112.1

Opmerking: Samenstelling en werkzaamheden worden door Gedeputeerde Staten geregeld

Waardering: Vervallen

443.

Handeling: Het beslissen in geschillen over de uitvoering van provinciale reglementen en besluiten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 153

Opmerking: Het betreft de geschillen waarin de beslissing niet aan anderen is opgedragen.

Waardering: Vervallen

445.

Handeling: Het ter beslissing aan de Kroon voordragen van geschillen tussen lagere overheden

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 147; Provinciewet 1962, art. 121

Waardering: Vervallen

448.

Handeling: Het beslissen in geschillen omtrent de toepassing van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 28.1

Waardering: Vervallen

452.

Handeling: Het bezwaar maken tegen de ontwerp-beschikking tot vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 4.1

Opmerking: Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de Minister van Binnenlandse Zaken.

Waardering: Vervallen

454.

Handeling: Het instellen van beroep bij de Kroon tegen de beschikking tot vaststelling van een uitkering uit het Provinciefonds

Periode: 1948–

Grondslag: Besluit van 19 juni 1986 tot uitvoering van de artikelen 160d, derde lid, en 160h, tweede lid, van de Provinciewet, art. 6.1

Waardering: Vervallen

40. Gedeputeerde Staten van Gelderland

45.

Handeling: Het opstellen van overzichten van de door het Rijk uitgeoefende provincietaken en de daarmee gemoeide ambtelijke functies, rechten en verplichtingen

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 32.1, art. 33.1

Opmerking: Het betreft hier provincietaken voor zover deze betrekking hadden op het gebied van de provincie Flevoland.

Het dagelijks bestuur van het Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland moest op het tijdstip van zijn benoeming over deze overzichten kunnen beschikken. Het overzicht vermeldde tevens de kosten van het Rijk van de uitoefening van de in het overzicht genoemde taken, alsmede de boekwaarde van de rechten en verplichtingen.

Ook de colleges van burgemeester en wethouders van Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde stelden elk een dergelijk overzicht op.

Waardering: Vervallen

41. Gedeputeerde Staten van Noord Brabant

168.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van de voorbereiding van een KB waarbij wordt bepaald dat de agglomeratie Eindhoven, in plaats van tot de agglomeratie behorende gemeenten, deelneemt aan een gemeenschappelijk regeling

Periode: 1976–1985

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 39.3

Waardering: Vervallen

174.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van diens voorbereiding van een AMvB waarbij gemeenten worden toegevoegd aan de agglomeratie Eindhoven

Periode: 1976–1986

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 3.1

Waardering: Vervallen

406.

Handeling: Het goedkeuren van besluiten van de raad van de agglomeratie Eindhoven met betrekking tot de gemeentelijke bijdrage in de kosten van de agglomeratie

Periode: 1976–1985

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 69.1

Waardering: Vervallen

42. Gedeputeerde Staten van Overijssel

45.

Handeling: Het opstellen van overzichten van de door het Rijk uitgeoefende provincietaken en de daarmee gemoeide ambtelijke functies, rechten en verplichtingen

Periode: 1985

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 32.1, art. 33.1

Opmerking: Het betreft hier provincietaken voor zover deze betrekking hadden op het gebied van de provincie Flevoland.

Het dagelijks bestuur van het Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland moest op het tijdstip van zijn benoeming over deze overzichten kunnen beschikken. Het overzicht vermeldde tevens de kosten van het Rijk van de uitoefening van de in het overzicht genoemde taken, alsmede de boekwaarde van de rechten en verplichtingen.

Ook de colleges van burgemeester en wethouders van Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde stelden elk een dergelijk overzicht op.

Waardering: Vervallen

43. Gedeputeerde Staten van Zuid Holland

207.

Handeling: Het adviseren van de Kroon inzake een AMvB waarbij de bevoegdheden van het openbaar lichaam Rijnmond worden verruimd

Periode: 1965–1985

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 31.3

Waardering: Vervallen

208.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van de overgang van rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam Rijnmond op gemeenten

Periode: 1986

Grondslag: Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, art. 12.2

Waardering: Vervallen

210.

Handeling: Het doen van opgaven aan hypotheekbewaarders ter verandering van de tenaamstelling in de kadastrale legger in het kader van de overgang van registergoederen van het openbaar lichaam Rijnmond op de provincie Zuid-Holland

Periode: 1986

Grondslag: Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, art. 12.6

Waardering: Vervallen

405.

Handeling: Het vereffenen van het vermogen van het openbaar lichaam Zuid-Holland

Periode: 1986–1987

Grondslag: Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond, art. 14.1

Opmerking: Het saldo van de vereffening kwam ten bate respectievelijk ten laste van de provincie Zuid-Holland.

Waardering: Vervallen

444.

Handeling: Het beslissen in een door een gemeente ingesteld beroep tegen een aanwijzing van de raad van Rijnmond

Periode: 1965–1986

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, art. 35

Waardering: Vervallen

44. Provinciale Staten

2.2.1 Indeling grondgebied, provincie

41.

Handeling: Het vaststellen van een ontwerp-regeling voor de provinciale indeling

Periode: 1945–

Grondslag: Wet algemene regels herindeling, Stb. 1984/475, zoals gewijzigd 13 mei 1991, art. 85; Provinciewet 1992/1998, art. 277

Product: Besluit

Waardering: Vervallen

2.2.2. Inrichting en samenstelling provincie

51.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art.84; Provinciewet 1962/1992/1998, art. 16

Waardering: Vervallen

54.

Handeling: Het aanwijzen van de plaats waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1962–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 14.2

Waardering: Vervallen

59.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding aan leden van Provinciale Staten en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: a. 1962–1978

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 21.1 en 2; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 21.3; Provinciewet 1992/1998, art. 25.1 en 25.2, art. 55

Opmerking: – Het betreft in het geval van alle actoren geheimhouding omtrent de inhoud van stukken welke worden voorgelegd, en in het geval van geheimhouding omtrent het met gesloten deuren behandelde.

Waardering: Vervallen

61.

Handeling: Het wijzigen van het aantal Gedeputeerde Statenleden

Periode: 1978–1993

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 25 mei 1978, Stb. 272, art. 29.2 en 29.3

Waardering: Vervallen

65.

Handeling: Het vaststellen van regels omtrent kennisgeving van besluiten van

Gedeputeerde Staten en van de Commissaris van de Koningin aan de

Provinciale Staten

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 60 en 79

Waardering: Vervallen

66.

Handeling: Het goedkeuren van het reglement van orde van Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 91

Waardering: Vervallen

75.

Handeling: Het instellen en samenstellen van (sub)commissies en het regelen van hun bevoegdheden

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 64 lid 1; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66.1, art. 103a.1; Provinciewet 1992/ 1998, art. 80-83

Opmerking: Hieronder valt het toekennen aan deze commissies van bevoegdheden van Provinciale Staten of Gedeputeerde Staten.

Waardering: Vervallen

82.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van commissiestukken en zaken die door de commissie met gesloten deuren behandeld zijn aan hen die bij de behandeling aanwezig zijn en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1979–

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66a.4 en 66a.5, Provinciewet 1992/1998, art. 91.1 en 91.2

Opmerking: – Ook de commisievoorzitter kan optreden als actor. Hij doet daarvan mededeling aan de commissie.

– In de periode 1985–1986 werd deze handeling met betrekking tot de provincie Flevoland door het Voorbereidingslichaam provincie Flevoland verricht.

– De voorzitter v.d. commissie kan ook als actor optreden (zie hierboven)

Waardering: Vervallen

86.

Handeling: Het benoemen van de provinciale griffier

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 36; Provinciewet 1962, art. 67; Provinciewet 1992/1998, art. 98

Waardering: Vervallen

88.

Handeling: Het vaststellen van regels met betrekking tot taak, bevoegdheid en vervanging van de provinciale griffier

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 43; Provinciewet 1962, art. 75.1; Provinciewet 1992/1998, art. 100.2, art. 103

Product: instructie

Waardering: Vervallen

2.2.3 Bevoegdheden

94.

Handeling: Het vaststellen van provinciale verordeningen

Periode: 1945–

Grondslag: provinciale wet, art. 140; Provinciewet 1962, art. 80; Provinciewet 1992/1998, art. 143.1

Opmerking: Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin kunnen hiertoe bij wet of door Provinciale Staten krachtens de wet bevoegdheid voor toegekend worden.

Waardering: Vervallen

97.

Handeling: Het overdragen van bevoegdheden aan Gedeputeerde Staten of een door hen ingestelde commissie

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 88.1; Provinciewet 1992/1998, art. 152

Waardering: Vervallen

99.

Handeling: Het opstellen van een instructie voor Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 150

Opmerking: Zo’n instructie regelt de dagelijkse leiding en uitvoering van zaken door Gedeputeerde Staten.

Waardering: Vervallen

100.

Handeling: Het machtigen van Gedeputeerde Staten de uitvoering van besluiten van Provinciale Staten op te dragen aan provinciale ambtenaren

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 104.1

Opmerking: – Hierbij bepalen Provinciale Staten op welke wijze tegen die uitvoering beroep op Gedeputeerde Staten openstaat.

Waardering: Vervallen

102.

Handeling: Het vaststellen van plannen en voorwaarden van aanbesteding inzake leveringen aan de provincie en vanwege de provincie te verrichten werken

Periode: 1945–1993

Grondslag: Provinciale wet, art. 159; Provinciewet 1962, art. 107

Opmerking: Vaststelling door Gedeputeerde Staten vond plaats wanneer Provinciale Staten zich de bevoegdheden daartoe niet hadden voorbehouden.

Waardering: Vervallen

116.

Handeling: Het besluiten tot correcties van gemeentegrenzen

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 283.3

Waardering: Vervallen

120.

Handeling: Het vaststellen van ontwerpregelingen ter voorbereiding van wijzigingen van de gemeentelijke indeling

Periode: 1994–

Grondslag: Gemeentewet, art. 284.1

Waardering: Vervallen

2.4.1 Inrichting en samenstelling regionaal

163.

Handeling: Het treffen van een gemeenschappelijke regeling tussen provincies of tussen provincies en gemeenten

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 16.1, art. 23.1; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 40.1, art. 51.1

Waardering: Vervallen

164.

Handeling: Het aan Gedeputeerde Staten en Commissarissen van de Koningin afgeven van een verklaring van geen bezwaar ten aanzien van een door hen te treffen gemeenschappelijke regeling

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 40.2, art. 51.2

Waardering: Vervallen

197.

Handeling: Het behandelen van bezwaarschriften tegen een ontwerpbesluit tot vaststelling van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 3.4

Waardering: Vervallen

3.2.1 Eigen inkomsten provincie

270.

Handeling: Het vaststellen van een belastingverordening voor het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 126decies lid 1; Provinciewet 1962, art. 145.1; Provinciewet 1992, art. 220.1; Provinciewet 1998, art 220

Opmerking: Tot 1998 was goedkeuring per KB vereist.

Waardering: Vervallen

280.

Handeling: Het verlenen van gedeeltelijke kwijtschelding met betrekking tot provinciale belastingen

Periode: 1998–

Grondslag: Provinciewet 1998, art. 232e.3

Waardering: Vervallen

3.5.1 Begroting en jaarrekening provincie intern

346.

Handeling: Het vaststellen van provinciale begrotingen

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 109.2; Provinciewet 1962, art. 127.2, art. 134.3 en 134.4; Provinciewet 1992/1998, art. 195

Opmerking: Het betreft hier behalve de begroting van de provinciale inkomsten en uitgaven de begrotingen van takken van dienst die geen bedrijf zijn.

Waardering: Vervallen

355.

Handeling: Het besluiten tot uitgaven waarin door een goedgekeurde provinciale begroting of begrotingswijziging niet wordt voorzien

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 130.2, art. 134.3; Provinciewet 1992/1998, art. 213.1

Opmerking: Het betreft hier gevallen van dringende spoed. Een dergelijk besluit wordt, eventueel met het besluit tot wijziging van de begroting, direct naar de Minister van Binnenlandse Zaken gezonden.

Waardering: Vervallen

359.

Handeling: Het aan Gedeputeerde Staten toestaan uit de post voor onvoorziene uitgaven bedragen over te schrijven naar andere uitgaafposten op een provinciale begroting

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 132.1, art. 134.3

Waardering: Vervallen

361.

Handeling: Het voor afzonderlijke taken en activiteiten van de provincie instellen van takken van dienst

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 133.1; Provinciewet 1992/1998, art. 200.1

Opmerking: Tot 1994 gebeurde dit door aanwijzing.

Waardering: Vervallen

364.

Handeling: Het vaststellen van regels voor het beheer van takken van dienst

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 133.3

Waardering: Vervallen

366.

Handeling: Het vaststellen van provinciale rekeningen

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 120.1; Provinciewet 1962, art. 135.1 en 2, art. 136.1, art. 140.1, art. 141.1; Provinciewet 1992/1998, art. 202

Waardering: Vervallen

372.

Handeling: Het aanwijzen van een vertegenwoordiger van de provincie in geval van rechtsgedingen waarbij schadevergoeding wordt geëist van de voorzitter en de leden van Gedeputeerde Staten

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 139.4, art. 141.2; Provinciewet 1992/1998, art. 205.3

Waardering: Vervallen

3.5.2 Betalingen en controle provincie intern

374.

Handeling: Het stellen van regels voor betalingen uit de provinciale kas

Periode: 1962–1994

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 142.1

Waardering: Vervallen

377.

Handeling: Het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden van de provincie

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 144; Provinciewet 1992/1998, art. 216

Waardering: Vervallen

378.

Handeling: Het aanwijzen van deskundigen voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van de provincie

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 125.1; Provinciewet 1962, art. 135.2, art. 140.2, 144; Provinciewet 1992/1998, art. 217.2

Waardering: Vervallen

4.2.4. Besluiten van deelnemers aan gemeenschappelijke regelingen

422.

Handeling: Het houden van toezicht op waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 136; Provinciewet 1962, art. 99.1; Provinciewet 1962, art. 99.1; Provinciewet 1992/1998, art. 154

Waardering: Vervallen

4.3.2. Bestuursdwang vanwege de Provincie

430.

Handeling: Het vorderen van medewerking van gemeentebesturen en besturen van waterschappen tot uitvoering van provinciale verordeningen

Periode: 1962–

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 85; Provinciewet 1992, art. 146.1

Opmerking: Tot 1992 noemde de wet ook de besturen van veenschappen en veenpolders.

Waardering: Vervallen

4.3.4. Bestuursdwang ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen

433.

Handeling: Het (bij KB) aanwijzen van gemeenten waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen, wijzigen of opheffen

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 99.1; art. 100.3

Opmerking: Aanwijzing gebeurt alleen als een zwaarwegend openbaar belang dit vereist. Een aanwijzing kan ook de toetreding tot of uittreding uit een regeling betreffen. Wanneer Provinciale Staten niet tijdig ingaan op de uitnodiging van de Kroon tot het verrichten van een aanwijzing, bereidt de Minister een KB voor.

Waardering: Vervallen

4.4 Geschillen en beroepsmogelijkheden

439.

Handeling: Het machtigen van Gedeputeerde Staten tot het voeren van een rechtsgeding ten behoeve van de provincie

Periode: 1945–1962

Grondslag: Provinciale wet, art. 155.2

Waardering: Vervallen

45. Provinciale Staten van Noord Brabant

167.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van de voorbereiding van een KB tot opheffing van een gemeenschappelijke regeling waaraan gemeenten uit de agglomeratie Eindhoven deelnemen

Periode: 1976–1985

Grondslag: Wet agglomeratie Eindhoven, art. 39.3

Waardering: Vervallen

198.

Handeling: Het vaststellen van een samenwerkingsgebied

Periode: 1984–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 2.1 en 2.2

Waardering: Vervallen

200.

Handeling: Het vaststellen van de indeling in samenwerkingsgebieden

Periode: 1994–

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 4.1 en 4.3

Opmerking: De minister is actor wanneer Provinciale Staten niet (tijdig) tot vaststelling overgaan.

Waardering: Vervallen

46. Provinciaal bestuur

39.

Handeling: Het voorbereiden van een wijziging van de provinciale indeling

Periode: 1945–

Grondslag: Wet algemene regels herindeling, Stb. 1984/475, zoals gewijzigd 13 mei

1991, art. 86; Provinciewet 1992/1998, art. 278

Product: AMvB

Opmerking: – De minister nodigt de betrokken provinciebesturen uit om de voorbereiding van de desbetreffende wijziging ter hand te nemen, reageren zij echter niet binnen 3 maanden, dan kan de minister de voorbereiding zelf doen.

– Zie voor het voorbereiden van wetgeving en AMvB’s inzake de provinciale indeling het PIVOT-rapport nr. 68: Constitutionele zaken, Een institutioneel onderzoek over de periode 1945–1997, vastgesteld februari 2000.

Waardering: Vervallen

90.

Handeling: Het regelen van de huishouding van de provincie

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1994/1998, art. 105

Opmerking: Hieronder valt ook het benoemen van provinciale ambtenaren

Waardering: Vervallen

92.

Handeling: Het overdragen van bevoegdheden aan de besturen van gemeenten en waterschappen

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992/1998, art. 107

Waardering: Vervallen

431.

Handeling: Het aan gemeenten en waterschappen vergoeden van kosten die voortvloeien uit door Provinciale Staten gevorderde medewerking tot de uitvoering van hun verordeningen

Periode: 1994–

Grondslag: Provinciewet 1992, art. 146.2

Opmerking: Het betreft kosten die ten laste blijven van de betrokken gemeenten of waterschappen.

Waardering: Vervallen

434.

Handeling: Het (bij KB) aan gemeenten opleggen van een onderlinge gemeenschappelijke regeling

Periode: 1950–

Grondslag: Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1950/K 120, art. 11.1-3; Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 1984/667, art. 99.2 en 99.5; Kaderwet bestuur in verandering, art. 23.1; art. 24.1; art. 26

Product: Besluit van 7 juni 1995, tot oplegging van de Gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht, Stb. 1995/311

Opmerking: – De gemeenten kunnen in een samenwerkingsgebied liggen.

– Onder ‘opleggen’ wordt ook verstaan de wijziging of opheffing van een bestaande regeling, de toetreding tot of de uittreding uit een regeling.

Oplegging gebeurde tot 1984 door Provinciale Staten. Vanaf 1984 gebeurt het, op aanwijzing van Provinciale Staten, door Gedeputeerde Staten. Liggen de betrokken gemeenten echter in verschillende provincies, dan gebeurt het opleggen door de Kroon (de minister bereidt een KB voor). Bleven Provinciale Staten ten aanzien van het opleggen in gebreke, dan gebeurde het opleggen eveneens door de Kroon. De Commissaris treedt in de plaats van Gedeputeerde Staten (voor 1984: Provinciale Staten) wanneer het een regeling tussen uitsluitend burgemeesters betreft.

Waardering: Vervallen

47. Provinciaal bestuur Zuid Holland

205.

Handeling: Het rapporteren aan de commissie reorganisatie bestuur regio Rotterdam met betrekking tot het samenwerkingsgebied Rotterdam

Periode: 1994–1998

Grondslag: Kaderwet bestuur in verandering, art. 39.2

Opmerking: Elk van de betrokken besturen – dat wil zeggen ook het gemeentebestuur van Rotterdam en het bestuur van het regionaal openbaar lichaam – had de plicht de commissie te informeren over de uitvoering van het werkprogramma, dat onderdeel was van de overeenkomst.

Waardering: Vervallen

404.

Handeling: Het verlenen van bijdragen in de kosten van het openbaar lichaam Rijnmond

Periode: 1979–1986

Grondslag: Wet openbaar lichaam Rijnmond, zoals gewijzigd Stb. 1979/195, art. 56c

Waardering: Vervallen

48. Voorbereidingslichaam provincie Flevoland

44

Handeling: Het doen van opgaven aan bewaarders van registers ter verandering van de tenaamstelling in die registers in het kader van de overgang van goederen op de provincie Flevoland

Periode: 1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 23.2

Opmerking: – Deze handeling werd uitgevoerd door het dagelijks bestuur van het voorbereidingslichaam.

– De rechten en aangegane verplichtingen van het Voorbereidingslichaam Provincie Flevoland zijn met ingang van de datum van instelling van de provincie Flevoland naar deze provincie overgegaan. Voor overgang van rechten en verplichtingen die betrekking hadden op registergoederen was verandering van de tenaamstelling in de desbetreffende registers nodig.

Waardering: Vervallen

51.

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art.84; Provinciewet 1962/1992/1998, art. 16

Waardering: Vervallen

54.

Handeling: Het aanwijzen van de plaats waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 14.2

Waardering: Vervallen

59.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding aan leden van Provinciale Staten en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 21.1 en 2; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 21.3; Provinciewet 1992/1998, art. 25.1 en 25.2, art. 55

Opmerking: – Het betreft in het geval van alle actoren geheimhouding omtrent de inhoud van stukken welke worden voorgelegd, en in het geval van geheimhouding omtrent het met gesloten deuren behandelde.

Waardering: Vervallen

61.

Handeling: Het wijzigen van het aantal Gedeputeerde Statenleden

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 25 mei 1978, Stb. 272, art. 29.2 en 29.3

Waardering: Vervallen

62.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de vaststelling van het aantal Gedeputeerde Statenleden van de provincie Flevoland

Periode: 1985–1986

Grondslag: Wet instelling provincie Flevoland, art. 15.2

Waardering: Vervallen

64.

Handeling: Het vaststellen van het reglement van orde voor de vergaderingen van Gedeputeerde Staten

Periode: 1945–

Grondslag: Provinciale wet, art. 91; Provinciewet 1962, art. 46; Provinciewet 1992/1998, art. 52

Opmerking: – Dit reglement wordt aan Provinciale Staten toegezonden.

Waardering: Vervallen

71.

Handeling: Het op verzoek van de Commissaris van de Koningin aanwijzen van een lid van Gedeputeerde Staten dat de uitgaande stukken van dit college ondertekent

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 61

Waardering: Vervallen

73.

Handeling: Het aanwijzen van een vervanger van de Commissaris van de Koningin

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet 1928, art. 35; Provinciewet 1962, art. 62 lid 1; Provinciewet 1992/1998, art. 75.1

Waardering: Vervallen

75.

Handeling: Het instellen en samenstellen van (sub)commissies en het regelen van hun bevoegdheden

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 64 lid 1; Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66.1, art. 103a.1; Provinciewet 1992/ 1998, art. 80-83

Opmerking: Hieronder valt het toekennen aan deze commissies van bevoegdheden van Provinciale Staten of Gedeputeerde Staten.

Waardering: Vervallen

77.

Handeling: Het instellen van tijdelijke adviescommissies die Gedeputeerde Staten van advies moeten dienen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 65 (gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 65.2); Provinciewet 1992/1998, art. 90

Opmerking: Het gaat hier om commissies die op een veelal beperkt, specifiek omschreven taakgebied adviseren.

Waardering: Vervallen

78.

Handeling: Het instellen van tijdelijke adviescommissies die de Commissaris van de Koningin van advies moeten dienen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 65.2; Provinciewet 1992/1998, art. 90

Opmerking: Het gaat hier om commissies die op een veelal beperkt, specifiek omschreven taakgebied adviseren.

Waardering: Vervallen

82.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van commissiestukken en zaken die door de commissie met gesloten deuren behandeld zijn aan hen die bij de behandeling aanwezig zijn en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66a.4 en 66a.5, Provinciewet 1992/1998, art. 91.1 en 91.2

Opmerking: – Ook de commisievoorzitter kan optreden als actor. Hij doet daarvan mededeling aan de commissie.

– De voorzitter v.d. commissie kan ook als actor optreden (zie hierboven)

Waardering: Vervallen

83.

Handeling: Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van commissiestukken en zaken die Gedeputeerde Staten aan de commissie overlegt, aan hen die bij de behandeling aanwezig zijn en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, zoals gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 66a.4 en 66a.5, Provinciewet 1992/1998, art. 91.1 en 91.2

Waardering: Vervallen

85.

Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming tot provinciale griffier en het doen van voorstellen tot zijn ontslag

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 36; Provinciewet 1962, art. 67; Provinciewet 1992/1998, art. 98.1

Waardering: Vervallen

86.

Handeling: Het benoemen van de provinciale griffier

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 36; Provinciewet 1962, art. 67; Provinciewet 1992/1998, art. 98

Waardering: Vervallen

88.

Handeling: Het vaststellen van regels met betrekking tot taak, bevoegdheid en vervanging van de provinciale griffier

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 43; Provinciewet 1962, art. 75.1; Provinciewet 1992/1998, art. 100.2, art. 103

Product: instructie

Waardering: Vervallen

89.

Handeling: Het aan de provinciale griffier toestaan elders te wonen dan in de gemeente waar Provinciale Staten vergaderen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 71.2

Waardering: Vervallen

90.

Handeling: Het aan Gedeputeerde Staten voordragen voor benoeming van provinciale ambtenaren

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 34.2; Provinciewet 1962, art. 76.1

Opmerking: – Tot ‘ambtenaren’ worden hier ook gerekend de ‘bedienden’ waarvan in de Provinciale Wet sprake is.

– Deze handeling heeft geen betrekking op de griffier.

Waardering: Vervallen

91.

Handeling: Het benoemen van provinciale ambtenaren en bedienden

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 34.2; art. 156; Provinciewet 1962, art. 76.1

Opmerking: – Tot ‘ambtenaren’ worden hier ook gerekend de ‘bedienden’ waarvan in de Provinciale Wet sprake is.

– Deze handeling heeft geen betrekking op de griffier.

Waardering: Vervallen

97.

Handeling: Het overdragen van bevoegdheden aan Gedeputeerde Staten of een door hen ingestelde commissie

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1979, Stb. 317, art. 88.1; Provinciewet 1992/1998, art. 152

Waardering: Vervallen

100.

Handeling: Het machtigen van Gedeputeerde Staten de uitvoering van besluiten van Provinciale Staten op te dragen aan provinciale ambtenaren

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 104.1

Opmerking: – Hierbij bepalen Provinciale Staten op welke wijze tegen die uitvoering beroep op Gedeputeerde Staten openstaat.

Waardering: Vervallen

101.

Handeling: Het aanwijzen van provinciale ambtenaren die besluiten van Gedeputeerde Staten moeten uitvoeren

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciewet 1962, art. 104.1

Waardering: Vervallen

102.

Handeling: Het vaststellen van plannen en voorwaarden van aanbesteding inzake leveringen aan de provincie en vanwege de provincie te verrichten werken

Periode: 1985–1986

Grondslag: Provinciale wet, art. 159; Provinciewet 1962, art. 107

Waardering: Vervallen

Opmerking: Vaststelling door Gedeputeerde Staten vond plaats wanneer Provinciale Staten zich de bevoegdheden daartoe niet hadden voorbehouden.

  • ^ [1]

    Met betrekking tot de indeling van provincies en gemeenten zijn in de loop der jaren tal van wetten ontworpen, aangezien de Grondwet voorschrijft dat de instelling van nieuwe gemeenten (en provincies), alsmede de wijziging van hun grenzen, bij wet geschiedt.

  • ^ [2]

    Thorbecke, zoals aangehaald in : Breunese, J.N. en L.J. Roborgh (red.) Ministeries van algemeen bestuur Leiden, 1989, p. 12.

  • ^ [3]

    Wetenschappelijke (Voorlopige) Raad voor het Regeringsbeleid De organisatie van het Openbaar Bestuur. Rapport nr. 6 Den Haag (Staatsuitgeverij, Den Haag), 1975, p. 24–25.

  • ^ [4]

    Breunese, J.N. en L.J. Roborgh (red.) Ministeries van algemeen bestuur Leiden, 1989, p. 12–13.

  • ^ [5]

    Wetenschappelijke (Voorlopige) Raad voor het Regeringsbeleid De organisatie van het Openbaar bestuur. Rapport nr. 6 Den Haag (Staatsuitgeverij Den Haag), 1975, p. 16–27.

  • ^ [6]

    De Minister van Binnenlandse Zaken vervulde daarbij een coördinerende functie. Tot 1994 had het grote stedenbeleid geen hoge prioriteit. Wel waren er verscheidene initiatieven om de stedelijke problemen aan te pakken. Na een ‘noodkreet’ van de vier grote gemeenten kwam het grote stedenbeleid hoog op de agenda te staan. Dat leidde in 1994, op het Departement van Binnenlandse Zaken, tot de aanstelling van een Staatssecretaris voor Grote Stedenbeleid. Door de ingewikkelde materie, de samenhang met verscheidene beleidsterreinen, werd het ten slotte noodzakelijk geacht een aparte Minister voor Grote Stedenbeleid te benoemen (zie aldaar in het hoofdstuk ‘Actoren’).

  • ^ [7]

    Zie noot 1