Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verordening heffing bloemen en planten 2005[Regeling materieel uitgewerkt per 08-09-2007.]

Geldend van 06-01-2007 t/m heden

Verordening van het Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel van 10 november 2004, houdende regels ter zake van aan de groothandelaar, de commissionair, de tussenpersoon, de handelskweker of de exporteur in bloemkwekerijproducten op te leggen heffing voor het jaar 2005 (Verordening heffing bloemen en planten 2005)

Het bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel,

gelet op artikel 126 en artikel 100 lid 3 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie en op artikel 13 van het ]instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel (Staatsblad 2002 nr. 155), heeft na advies van de Commissie Bloemkwekerijproducten de volgende verordening vastgesteld:

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen en toepassingsgebied

Artikel 1

In deze verordening wordt overgenomen de terminologie van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel en wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemer die een onderneming drijft zoals genoemd in artikel 3, tweede lid, onder b, van het instellingsbesluit.

§ 2. De heffing

Artikel 3

  • 1 De grondslag van de heffing is het bedrag van de inkoop van bloemkwekerijproducten door de ondernemer gedurende een begrotingstijdvak.

  • 2 Over bloemkwekerijproducten, die afkomstig zijn uit andere lidstaten van de EU en in Nederland worden verhandeld, wordt niet geheven.

Artikel 4

  • 1 Voor het begrotingstijdvak bedraagt de heffing € 0,50 per € 454,– ingekochte bloemkwekerijproducten tot een maximumbedrag welke is gerelateerd aan de totale betaalde heffing per onderneming.

  • 2 Per onderneming bedraagt het maximumbedrag van de heffing:

    € 22.700 bij een betaalde heffing van € 22.700 tot € 56.700;

    € 34.100 bij een betaalde heffing van € 56.700 tot € 113.400;

    € 45.400 bij een betaalde heffing van € 113.400 en hoger.

  • 3 Iedere ondernemer die over het begrotingstijdvak een heffing van meer dan respectievelijk € 22.700 dan wel € 56.700 dan wel € 113.400 per onderneming heeft betaald, ontvangt van het hoofdbedrijfschap restitutie van datgene waarmee het in lid 2 genoemde maximumbedrag wordt overschreden.

  • 4 De restitutie wordt verleend op schriftelijk verzoek van de ondernemer. Verzoeker stelt het hoofdbedrijfschap in het bezit van een schriftelijke opgave van de volledige en juiste gegevens, waaruit blijkt welk bedrag aan heffing is betaald.

  • 5 De in lid 4 genoemde schriftelijke bescheiden worden binnen 3 maanden na afloop van het begrotingstijdvak aan het hoofdbedrijfschap toegezonden. Op schriftelijk verzoek van de ondernemer kan eenmaal uitstel worden verleend.

  • 6 Indien de ondernemer daarvoor in aanmerking komt wordt binnen 1 maand na ontvangst van het verzoek tot restitutie over gegaan.

  • 7 Het in het tweede lid bepaalde maximum wordt, op verzoek, toegepast op een aantal ondernemingen gezamenlijk, voor zover zij onderdeel uitmaken van een concern.

Artikel 5

  • 1

Aan de ondernemer die lid is van de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijprodukten (VGB) of Plantum NL en over het jaar 2004 aan een van deze of aan beide organisaties contributie heeft betaald, wordt op de heffing een aftrek toegestaan van 50% van de totaal betaalde contributie over 2004, met een maximum van 50% van de verschuldigde heffing.

  • 2 De aftrek wordt slechts toegestaan als aangetoond is dat de ondernemer de in het eerste lid bedoelde contributie heeft voldaan.

  • 3 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ondernemers die lid zijn van een organisatie van ondernemers die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is en die:

    • a. krachtens haar statutaire doelstelling haar werkzaamheid kan uitstrekken tot ten minste een belangrijk gedeelte van het terrein waarop het bedrijfslichaam een taak heeft te vervullen;

    • b. voldoet aan de kwalitatieve representativiteitscriteria, genoemd in de artikelen 3 tot en met 7 van de Verordening representativiteit organisaties;

    • c. tot de werkingssfeer van het bedrijfslichaam behorende leden heeft, waarvan het gewogen aantal niet-onbetekenend is;

    • d. met betrekking tot de behartiging van sociaal-economische belangen van ondernemers een positie van enige betekenis inneemt binnen de groep van ondernemers die zij beoogt te organiseren, hetgeen onder meer kan blijken uit de mate van representativiteit binnen die groep, de deelname aan het arbeidsvoorwaardenoverleg, het verrichten van studies of diensten die ook buiten die groep van belang worden geacht en de deelname aan regelmatig overleg met de overheid;

    • e. en haar activiteiten, al dan niet door middel van een federatie van gelijksoortige organisaties, landelijk ontplooit.

  • 4 De in het vorige lid bedoelde aftrek wordt slechts toegestaan indien daartoe door de desbetreffende organisatie een verzoek is gedaan.

  • 5 Op een verzoek als in het vierde lid van dit artikel bedoeld, wordt door het dagelijks bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel beslist.

Artikel 6

Het dagelijks bestuur van het hoofdbedrijfschap is bevoegd omtrent de bij of krachtens deze verordening geregelde onderwerpen nadere uitvoeringsvoorschriften te stellen.

§ 3. Overige bepalingen en slotbepalingen

Artikel 7

De voorzitter neemt de krachtens deze verordening te nemen besluiten, met uitzondering van het besluit voortvloeiende uit artikel 6, vijfde lid.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van afkondiging in het Verordeningenblad bedrijfsorganisatie.

Artikel 9

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening heffing bloemen en planten 2005.

Aalsmeer, 10 november 2004

B.J.M. ter Haar

voorzitter

P.M.M. van Ostaijen

secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskarner van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 2 januari 2007 en door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 30 oktober 2006, nr. TRCJZ/2004/6264.