Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling energieprestatie gebouwen

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 december 2006, nr. DJZ 2006339319, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, tot vaststelling van nadere voorschriften voor de energieprestatie van gebouwen (Regeling energieprestatie gebouwen)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 3.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • BRL: door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland bindend verklaarde Nationale Beoordelingsrichtlijn;

  • besluit: Besluit energieprestatie gebouwen;

  • bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw: diploma dat wordt afgegeven aan degene die blijkens een examen voldoet aan de in bijlage I opgenomen eisen;

  • deelnemer: deelnemer aan het examen om een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of een diploma EPBD B-airconditioningsystemen te behalen;

  • deskundige: persoon die in het bezit is van een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of een diploma EPBD B-airconditioningsystemen;

  • diploma EPBD A-airconditioningsystemen: diploma dat wordt afgegeven aan degene die blijkens een examen voldoet aan de in bijlage VII opgenomen eisen;

  • diploma EPBD B-airconditioningsystemen: diploma dat wordt afgegeven aan degene die blijkens een examen voldoet aan de in bijlage VIII opgenomen eisen;

  • energie-index: cijfer dat het energiegebruik aangeeft op basis van de hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van een gebouw;

  • energielabelplichtige: degene die op grond van artikel 2.1, eerste tot en met vijfde lid, van het besluit de plicht heeft een energielabel voor een woning beschikbaar te stellen of aanwezig te hebben;

  • EPC: energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012;

  • erkende energielabeldeskundige: persoon die in het bezit is van een geldig bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw;

  • examen: examen om een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of diploma EPBD B-airconditioningsystemen te behalen;

  • examen energielabeldeskundige: examen om een bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw te behalen;

  • exameninstelling: instelling, bedoeld in artikel 7d, eerste lid;

  • exameninstelling voor energielabeldeskundigen: instelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid;

  • klasse 1 airconditioningsystemen: airconditioningsystemen met een totaal, op gebouwniveau, opgesteld nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW tot en met 45 kW;

  • klasse 2 airconditioningsystemen: airconditioningsystemen met een totaal, op gebouwniveau, opgesteld nominaal koelvermogen van meer dan 45 kW tot en met 270 kW;

  • klasse 3 airconditioningsystemen: airconditioningsystemen met een totaal, op gebouwniveau, opgesteld nominaal koelvermogen van meer dan 270 kW;

  • Minister: Minister voor Wonen en Rijksdienst;

  • utiliteitsgebouw: een gebouw of gedeelte daarvan met een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 1.1, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012, niet zijnde een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1, tweede en derde lid van dat besluit met uitzondering van de woonfunctie voor zorg;

  • woning: een gebouw of gedeelte daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012 met uitzondering van de woonfunctie voor zorg.

§ 2. energielabel

Artikel 2

  • 1 De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verstrekt aan een energielabelplichtige op diens verzoek een energielabel voor een woning.

  • 2 Een energielabel voor een woning wordt vastgesteld op basis van de volgende gegevens:

    • a. woningtype

    • b. woningsubtype

    • c. bouwjaar(klasse) van de woning

    • d. woonoppervlak in m²

    • e. beglazing leefruimte

    • f. beglazing slaapruimte

    • g. isolatie van de gevel

    • h. isolatie van het dak

    • i. isolatie van de vloer

    • j. verwarmingstoestel

    • k. tapwatertoestel

    • l. ventilatiesysteem

    • m. zonneboiler

    • n. zonnepaneel

  • 3 Indien in opdracht van de eigenaar van een woning een energie-index voor die woning is vastgesteld en afgegeven door een bedrijf met een geldig NL-EPBD procescertificaat en volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, delen 00 en 01 van 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad van 1 augustus 2015, en is geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, geeft de Minister na de registratie van die energie-index een energielabel voor die woning af.

Artikel 2a

  • 1 Een energielabel voor een utiliteitsgebouw wordt vastgesteld en afgegeven door een bedrijf met een geldig NL-EPBD procescertificaat en volgens de voorschriften, bedoeld in BRL 9500, delen 00 en 03 van 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad van 1 augustus 2015, alsmede deel 06 van 1 augustus 2015.

  • 2 Een energielabel voor een utiliteitsgebouw wordt opgesteld volgens het in bijlage II bij deze regeling opgenomen model ‘energielabel gebouw’.

  • 3 Een energielabel voor een utiliteitsgebouw wordt afgegeven nadat degene die het energielabel heeft vastgesteld dat energielabel heeft geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 2b

  • 1 Een energielabel voor een utiliteitsgebouw wordt bepaald volgens het opnameprotocol, bedoeld in de hoofdstukken 6 en 7 van de ISSO 75.1 publicatie, zoals vastgesteld op 12 september 2013, en de methode, bedoeld in de ISSO 75.3 publicatie, versie 2011.

  • 2 De bij de bepaling van de energie-index gebruikte rekenmethodieksoftware voor een energielabel voor een utiliteitsgebouw voldoet aan BRL 9501 van 6 december 2006, inclusief het wijzigingsblad van 1 januari 2015.

  • 3 De energie-index bij een energielabel voor een utiliteitsgebouw wordt met behulp van de als bijlage III bij deze regeling opgenomen tabel omgezet in een als onderdeel van het energielabel opgenomen energieklasse.

Artikel 2c

  • 1 Voor een nieuw utiliteitsgebouw of een utiliteitsgebouw dat op basis van de bepalingsmethode, bedoeld in artikel 2b, eerste lid, een energielabel met energielabelklasse A heeft, kan in afwijking van artikel 2b, eerste lid, een energielabel worden bepaald volgens:

  • 2 Voor een utiliteitsgebouw waarvoor de berekening Qpres;tot/Qpres;toel ten hoogste 1,35 is en die berekening heeft plaatsgevonden ten behoeve van een bouwaanvraag van voor 1 juli 2012, kan in afwijking van artikel 2b, eerste lid, een energielabel worden bepaald volgens het opnameprotocol, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 3 De bij de bepaling van de EPC gebruikte rekenmethodieksoftware voor een energielabel voor een utiliteitsgebouw dat wordt bepaald volgens de methodiek, bedoeld in het eerste en tweede lid, voldoet aan BRL 9501 van 6 december 2006, inclusief het wijzigingsblad van 1 januari 2015.

  • 4 De EPC bij een energielabel voor een utiliteitsgebouw die wordt bepaald volgens de methodiek, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt met behulp van de als bijlage IIIa bij deze regeling opgenomen tabel omgezet in een energielabelklasse.

Artikel 3

  • 1 De energielabelplichtige stuurt de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan een erkende energielabeldeskundige.

  • 2 De deskundige, bedoeld in het eerste lid, kan ten aanzien van de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, bij de energielabelplichtige bewijsstukken opvragen indien deze noodzakelijk zijn voor de beoordeling van die gegevens.

  • 3 De deskundige controleert de gegevens en de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid, op juistheid en certificeert de gegevens volgens de in bijlage Ia opgenomen werkwijze.

  • 4 De energielabelplichtige dient het verzoek om een energielabel voor een woning in samen met de gecertificeerde gegevens.

Artikel 3a

  • 1 De Minister registreert:

    • a. voor welke gebouwen een geldig energielabel is afgegeven;

    • b. de datum van afgifte van het energielabel;

    • c. de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid;

    • d. de bewijsstukken, bedoeld in artikel 3, tweede lid;

    • e. de motivering van de erkende energielabeldeskundige die ten grondslag ligt aan de certificering, bedoeld in artikel 3, derde lid;

    • f. de gegevens op basis waarvan een energielabel als bedoeld in artikel 2a wordt vastgesteld;

    • g. de gegevens op basis waarvan de energie-index, bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt vastgesteld;

  • 2 De Minister beheert de registratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De gegevens in de registratie worden ten hoogste twintig jaar bewaard, gerekend vanaf de datum van afgifte van een energielabel.

Artikel 4. Zichtbaar ophangen energielabel

Bij toepassing van artikel 2.4 van het besluit wordt ten minste de energieprestatie-indicator van het energielabel opgehangen op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in het gebouw.

§ 2a. Bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw

Artikel 5

  • 1 De Minister wijst de instellingen aan die zijn belast met:

    • a. het afnemen van het examen energielabeldeskundige;

    • b. het afnemen van het herexamen voor een bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw.

  • 2 Een exameninstelling voor energielabeldeskundigen:

    • a. bezit rechtspersoonlijkheid;

    • b. heeft een vestiging in Nederland;

    • c. beschikt over voldoende deskundigheid om examens op te stellen en af te nemen;

    • d. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld.

  • 3 De Minister kan aan de aanwijzing van een exameninstelling voor energielabeldeskundigen voorschriften verbinden.

  • 4 De Minister kan de aanwijzing intrekken indien een exameninstelling voor energielabeldeskundigen niet langer voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.

  • 5 Een exameninstelling voor energielabeldeskundigen verstrekt desgevraagd aan de Minister alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel 5a

  • 1 De exameninstelling voor energielabeldeskundigen stelt een examenreglement en een huishoudelijk reglement vast.

  • 2 De exameninstelling voor energielabeldeskundigen neemt doeltreffende maatregelen om fraude bij het examen energielabeldeskundige te voorkomen.

Artikel 5b

De Minister stelt de inhoud van het examen energielabeldeskundige vast op basis van een voorstel van de exameninstelling voor energielabeldeskundigen.

Artikel 5c

  • 1 De exameninstelling voor energielabeldeskundigen registreert de uitslagen van de afgelegde examens.

  • 2 De exameninstelling voor energielabeldeskundigen bericht de Minister welke deelnemers het examen energielabeldeskundige met goed gevolg hebben afgelegd en daarmee voldoen aan de eisen, bedoeld in bijlage I, binnen drie weken na afloop van dat examen.

  • 3 Na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geeft de Minister het bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw af aan de deelnemers, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5d

  • 1 Indien een deelnemer aan het examen energielabeldeskundige bij een of meer onderdelen van het examen in onvoldoende mate voldoet aan de in bijlage I opgenomen eisen, wordt die deelnemer een keer in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen.

  • 2 Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat een deelnemer als bedoeld in het eerste lid van de uitslag van het afgelegde examen op de hoogte is gesteld.

Artikel 5e

  • 1 Een bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw vermeldt ten minste:

    • a. de volledige naam, geboortedatum en geboorteplaats van de houder van het bewijs van vakbekwaamheid en

    • b. de datum van afgifte.

  • 2 Een bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw is vijf jaar geldig.

Artikel 6

  • 1 De Minister registreert welke personen erkende energielabeldeskundigen zijn.

  • 2 De Minister beheert de registratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De gegevens uit de registratie worden kosteloos aan eenieder verstrekt voor zover dit noodzakelijk is voor het laten uitvoeren van de certificering, bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 5 De gegevens in de registratie worden 5 jaar bewaard.

  • 6 Teneinde voor de eerste keer te worden opgenomen in de registratie, bedoeld in het eerste lid, neemt een erkende energielabeldeskundige deel aan een door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aangeboden instructie over de werkwijze voor de erkende energielabeldeskundige.

Artikel 7. Adviseurs uit andere lidstaten

Met een energielabel als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een energielabel dat is afgegeven of gecertificeerd door een persoon of een bedrijf die voldoet aan beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eis wordt nagestreefd.

§ 3. Keuring airconditioningsystemen

Artikel 7a

  • 1 De eigenaar of huurder van een gebouw waarin een airconditioningsysteem met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW is opgesteld, laat de toegankelijke delen van dit systeem keuren.

  • 2 De eerste keuring vindt plaats voor:

    • a. klasse 1 airconditioningsystemen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling tien jaar of langer in gebruik zijn, uiterlijk op 31 december 2014;

    • b. klasse 2 airconditioningsystemen en klasse 3 airconditioningsystemen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling tien jaar of langer in gebruik zijn, uiterlijk op 30 juni 2015;

    • c. klasse 1 airconditioningsystemen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling tussen vijf en tien jaar in gebruik zijn, uiterlijk op 31 december 2015;

    • d. klasse 2 airconditioningsystemen en klasse 3 airconditioningsystemen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling tussen vijf en tien jaar in gebruik zijn, uiterlijk op 31 december 2015;

    • e. airconditioningsystemen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling maximaal vijf jaar in gebruik zijn, uiterlijk op 30 juni 2016.

  • 3 Bij de toepassing van het tweede lid is het bouwjaar van de oudste in werking zijnde koude-opwekker van het airconditioningsysteem bepalend voor het vaststellen van het tijdstip van in gebruik zijn van het systeem.

Artikel 7b

  • 1 Voor het verrichten van de keuring en het uitbrengen van een keuringsverslag van de keuring van klasse 1 airconditioningsystemen is het diploma EPBD A-airconditioningsystemen vereist.

  • 2 Voor het verrichten van de werkzaamheden voor de keuring van klasse 2 airconditioningsystemen en klasse 3 airconditioningsystemen, bedoeld in onderdelen 1 tot en met 8 van bijlage IV, is het diploma EPBD A-airconditioningsystemen vereist.

  • 3 Voor het verrichten van de werkzaamheden voor de keuring van klasse 2 airconditioningsystemen en klasse 3 airconditioningsystemen, bedoeld in onderdelen 9 tot en met 12 van bijlage IV, en het uitbrengen van een keuringsverslag van de keuring van klasse 2 airconditioningsystemen en klasse 3 airconditioningsystemen is het diploma EPBD B-airconditioningsystemen vereist.

Artikel 7c

  • 2 Degene die de keuring heeft verricht:

    • a. registreert de datum van de keuring en de klasse van het airconditioningsysteem waarop de keuring betrekking heeft in een bij het airconditioningsysteem behorend logboek;

    • b. verstrekt binnen uiterlijk acht weken na de keuring een keuringsverslag volgens het in bijlage VI opgenomen rapportageformulier;

    • c. bewaart het keuringsverslag, bedoeld onder b, ten minste vijf jaar.

  • 3 De eigenaar of huurder van het gebouw waarin het airconditioningsysteem is geïnstalleerd, bewaart het keuringsverslag ten minste vijf jaar.

Artikel 7d

  • 1 De Minister wijst de instellingen aan die zijn belast met:

    • a. het afnemen van het examen;

    • b. het afnemen van het herexamen;

    • c. het afnemen van het bijscholingsexamen.

  • 2 Een exameninstelling:

    • a. bezit rechtspersoonlijkheid;

    • b. heeft een vestiging in Nederland;

    • c. beschikt over voldoende deskundigheid om examens op te stellen en af te nemen;

    • d. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld;

    • e. beschikt over faciliteiten om examens af te nemen.

  • 3 De Minister kan een adviescommissie instellen die de Minister adviseert over de beoordeling van de deskundigheid, bedoeld in het tweede lid, onder c.

  • 4 De adviescommissie, bedoeld in het derde lid, bestaat uit minimaal drie en maximaal zeven leden.

  • 5 De Minister kan aan de aanwijzing van een exameninstelling voorschriften verbinden.

  • 6 De Minister kan de aanwijzing intrekken indien een exameninstelling niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.

Artikel 7e

  • 1 Een exameninstelling stelt een examenreglement en een huishoudelijk reglement vast.

  • 2 Een exameninstelling verstrekt desgevraagd aan de Minister alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, die hij voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.

  • 3 Indien een exameninstelling niet voldoet aan een of meer van haar verplichtingen bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de Minister.

Artikel 7f

  • 1 De Minister stelt de inhoud van het examen vast op basis van een voorstel van een exameninstelling.

  • 2 Het examen bestaat uit een theorietoets en een praktijktoets.

Artikel 7g

  • 1 Indien een deelnemer bij een of meer onderdelen van het examen in onvoldoende mate voldoet aan de in bijlage VII respectievelijk bijlage VIII opgenomen eisen, wordt de deelnemer een keer in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen.

  • 2 Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat een deelnemer van de uitslag van het afgelegde examen op de hoogte is gesteld.

Artikel 7h

  • 1 De exameninstelling bericht de Minister welke deelnemers het examen met goed gevolg hebben afgelegd en daarmee voldoen aan de eisen, bedoeld in bijlage VII onderscheidenlijk bijlage VIII, binnen drie weken na afloop van het examen.

  • 2 De exameninstelling registreert de uitslagen van de afgelegde examens.

  • 3 De exameninstelling neemt doeltreffende maatregelen om fraude bij het examen te voorkomen.

Artikel 7i

  • 1 Na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in artikel 7h, eerste lid, geeft de Minister het diploma EPBD A-airconditioningsystemen of het diploma EBPD B-airconditioningsystemen af aan de deelnemers, bedoeld in artikel 7h, eerste lid.

  • 2 Een diploma is vijf jaar geldig.

Artikel 7j

Een diploma vermeldt ten minste:

  • a. de volledige naam, geboortedatum en geboorteplaats van de houder van het diploma;

  • b. de datum van afgifte en de ondertekening door de Minister;

  • c. de geldigheidsduur.

Artikel 7k

  • 1 De Minister registreert:

    • a. aan welke personen een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of diploma EBPD B-airconditioningsystemen is afgegeven;

    • b. de datum van afgifte van het diploma, bedoeld in onderdeel a;

    • c. de geldigheidsduur van het diploma.

  • 2 De Minister beheert de registratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De gegevens uit de registratie worden desgevraagd kosteloos aan eenieder verstrekt voor zover dit noodzakelijk is voor het laten uitvoeren van de keuring, bedoeld in artikel 7a, eerste lid.

  • 5 De gegevens in de registratie worden vijf jaar bewaard.

Artikel 7l

  • 1 Een deskundige kan een bijscholingsexamen afleggen voordat de geldigheidsduur van het diploma is verstreken.

  • 2 De artikelen 7f, 7g, 7h en 7i, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het examen een bijscholingsexamen wordt gelezen.

  • 3 De Minister verlengt de geldigheidsduur van een diploma met vijf jaar indien een deskundige blijkens een bijscholingsexamen voldoet aan de in bijlage VII respectievelijk bijlage VIII opgenomen eisen.

  • 4 De Minister geeft een getuigschrift af van de verlenging, bedoeld in het derde lid.

§ 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8

  • 1 Een geldig bewijs van vakbekwaamheid EPA-adviseur Energielabel Woningbouw conform BRL9500-01 of een geldig bewijs van vakbekwaamheid EPA-opnemer Energielabel Woningbouw conform BRL9500-01, geldt als een bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw als bedoeld in artikel 5c, derde lid, tot uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte van dat bewijs van vakbekwaamheid.

Artikel 9. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling energieprestatie gebouwen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 21 december 2006

De

Staatssecretaris

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel

Bijlage I. bij de artikelen 1, 5c en 5d van de Regeling energieprestatie gebouwen

Exameneisen bewijs van vakbekwaamheid erkende energielabeldeskundige woningbouw

 

Omschrijving

Aandachtspunten

Kennisniveau

weten

begrijpen

toepassen

1

De erkende energielabeldeskundige heeft kennis van en inzicht in de methodiek voor het energielabel woningen en kan dit uitleggen aan woningeigenaren.

• Achtergrond energielabel

X

X

 

• Voorlopig energielabel versus definitief energielabel

X

X

 

• Meest voorkomende kenmerkwaarden en oorspronkelijke kenmerkwaarden

X

X

 

• Invloedsfactoren van de kenmerkwaarden

X

X

 

• Wettelijke verplichting/sancties

X

X

 

• Energieklasse en lay-out energielabel

X

X

 

• Instructie op de internetapplicatie voor de woningeigenaar

X

X

X

• Registratie energielabel

X

X

X

• Klantvriendelijkheid

X

X

X

2

Communicatie. Het op een weloverwogen en efficiënte manier kunnen communiceren met een woningeigenaar

• Gebruik maken van diverse moderne technische hulpmiddelen zoals scans, pdf’s, digitale foto’s

• Beslissingen op begrijpelijke wijze vastleggen

X

X

X

3

De erkende energielabeldeskundige heeft inzicht in de toepassing van de verschillende technieken bij de verschillende bouwjaren en woningtypen.

• Matrix met aannemelijkheidspercentages kenmerkwaarden

• Matrix met oorspronkelijke kenmerkwaarden (bouwjaarwaarde)

X

X

X

4

Bewijsstukken. De erkende energielabel-deskundige moet kenmerkwaarden kunnen herkennen op basis van visuele of indirecte bewijsstukken of op basis van andere aanwijzingen en het kunnen beoordelen of deze kenmerkwaarden aannemelijk zijn en daadwerkelijk betrekking hebben op de beschouwde woning.

• Foto’s en de beoordeling van deze foto’s

• Facturen en de beoordeling van deze facturen

• Beoordeling verkoopbrochures

• Bewijsvoering aan de hand van gesprekken met woningeigenaar

X

X

X

5

Woningtype. De erkende energielabeldeskundige is in staat om verschillende woningtypen en woningsubtypen te onderscheiden.

• Eengezinswoning

- Vrijstaand

- 2^1 kap woning

• Rijwoning

- Tussenwoning

- Hoekwoning

• Meergezinswoning(woning met 1 of 2 lagen)

- Hoekwoning onder dak

- Tussenwoning onder dak

- Hoekwoning op tussenverdieping

- Tussenwoning op tussenverdieping

- Hoekwoning onderste bouwlaag

- Tussenwoning onderste bouwlaag

- Tussenwoning onder dak en op onderste bouwlaag

• Hoekwoning onder dak en op onderste bouwlaag

X

X

X

6

Bouwjaar/renovatiejaar. De erkende energie-labeldeskundige moet bouwjaar/renovatiejaar kunnen achterhalen

• Kadaster

X

X

X

7

Extreem goede (na)-isolatie. De erkende energielabeldeskundige moet kunnen aangeven wanneer er sprake is van extreem goede (na)-isolatie en wat de consequenties zijn.

• Extreem goede (na)-isolatie

• Gebalanceerd ventilatiesysteem

X

X

X

8

Beglazing. De erkende energielabeldeskundige moet de verschillende type beglazing kunnen onderscheiden.

• Enkel glas

• Dubbel glas

• HR-glas

• Drievoudig HR-glas

X

X

X

9

Isolatie. De erkende energielabeldeskundige moet aan kunnen geven wanneer er sprake is van na-isolatie.

• Na-isolatie gevel

• Na-isolatie dak

• Na-isolatie vloer

• Extreem goede (na) isolatie gevel

• Extreem goede (na) isolatie dak

• Extreem goede (na) isolatie vloer

X

X

X

10

Verwarmingstoestel. De erkende energielabeldeskundige moet de verschillende soorten opwekkers voor ruimteverwarming kunnen onderscheiden.

• Individueel of collectief (gemeenschappelijk)

• Installatiejaar Gasketel

• Lokale gaskachel

• Warmtepomp

• Stadsverwarming

X

X

X

11

Warmtapwatertoestel. De erkende energie-labeldeskundige moet de verschillende soorten opwekkers voor tapwater kunnen onderscheiden.

• Combiketel

• Geiser

• Elektrische boiler

X

X

X

12

Ventilatiesysteem. De erkende energielabel-deskundige moet kunnen onderscheiden of er sprake is van een gebalanceerd ventilatiesysteem of een ander ventilatiesysteem.

• Ventilatie unit voor afzuiging

• Ventilatie unit voor afzuiging en toevoer

X

X

X

13

Zonne-energiesysteem. De erkende energie-labeldeskundige moet kunnen onderscheiden of er sprake is van een zonneboiler en/of PV-panelen

• Zonneboiler

• PV-panelen

• Oppervlakte

X

X

X

Bijlage Ia. bij artikel 3 van de Regeling energieprestatie gebouwen

Werkwijze voor de erkende energielabeldeskundige

INHOUDSOPGAVE

1 Algemene beschrijving
2 Werkzaamheden erkende energielabeldeskundige
3 Controle van bewijsstukken
4 Rapportage

1. Algemene beschrijving

Degene die een verzoek wil indienen voor een energielabel voor een woning (hierna: energielabelplichtige) logt in op de internet applicatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Hij of zij krijgt hier zijn/haar woning te zien met vooraf ingevulde gegevens en het daarbij horende voorlopige energielabel. Deze zijn ingevuld op basis van gegevens van het Kadaster en het Woononderzoek Nederland (WoOn) van de Rijksoverheid. In het geval de gegevens onbekend zijn, is er een onderbouwde aanname gedaan.

De energielabelplichtige heeft de mogelijkheid om de gegevens te wijzigen. Via de internet applicatie krijgt hij of zij te zien welke woningkenmerken hij/zij moet onderbouwen. Dit zijn in principe de kenmerken die afwijken van bouwjaarwaarde. De erkende energielabeldeskundige ontvangt van de energielabelplichtige het verzoek om de aangeleverde bewijsstukken te controleren en te certificeren.

De erkende energielabeldeskundige certificeert, na controle en goedkeuring, de kenmerken waarvoor bewijsstukken zijn aangeleverd. Hij legt zijn beoordeling en daarop betrekking hebbende correspondentie vast in de internetapplicatie van RVO.nl. Indien de bewijsstukken voldoen aan de gestelde eisen geeft de erkende deskundige dit aan in de internetapplicatie. Na certificering wordt een definitief energielabel gegenereerd en door RVO.nl afgegeven.

1.1. Woningkenmerken

De volgende woningkenmerken worden onderscheiden in de internetapplicatie.

Algemene woningkenmerken

 

Nr

Woningkenmerk

Woningkenmerkwaarde

A1

Woningtype

Eengezinswoning (EG):

– Vrijstaand;

– 2 onder 1 kap woning;

– Rijwoning.

Meergezinswoningen (MG):

– Appartement, met 1 woonlaag

– Appartement, met 2 of meer woonlagen

A2

Woningsubtype

Subwoningtypen rijwoning:

– Tussenwoning;

– Hoekwoning.

Subwoningtypen MG:

– Hoekwoning onder dak;

– Tussenwoning onder dak;

– Hoekwoning op tussenverdieping;

– Tussenwoning op tussenverdieping;

– Hoekwoning onderste bouwlaag;

– Tussenwoning onderste bouwlaag;

– Tussenwoning onder dak en op onderste bouwlaag;

– Hoekwoning onder dak en op onderste bouwlaag.

B1

Bouwjaar

Bouwjaarklasse:

– t/m 1945;

– 1946 t/m 1964;

– 1965 t/m 1974;

– 1975 t/m 1982;

– 1983 t/m 1987;

– 1988 t/m 1991;

– 1992 t/m 1999;

– 2000 t/m 2005;

– 2006 t/m 2013;

– 2014 t/m heden.

B2

Renovatie

Is woning uitzonderlijk goed (na) geïsoleerd? ja/nee

 

Woonoppervlakte

Per woningtype ranges met m² woonoppervlakte

Energetische woningkenmerken

 

Nr

Woningkenmerk

Woningkenmerkwaarde

1

Beglazing leefruimte

Glastype:

– Enkelglas;

– Dubbelglas;

HR glas;

– Drievoudig HR-glas*

2

Beglazing slaapruimte

Glastype:

– Enkelglas;

– Dubbelglas;

– HR glas;

– Drievoudig HR-glas*

3

Isolatie gevel

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie gevel? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

4

Isolatie dak

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie dak? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

5

Isolatie vloer

Woningen t/m 1991:

– Is er sprake van naisolatie vloer? [ja/nee]

Woningen 1992 t/m heden: geen invoer benodigd

Uitzonderlijk goede (na) isolatie* (alle bouwjaren)

6

Verwarmingstoestel

– Individuele CV-ketel, installatiejaar voor 1998

– Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998

– Gaskachels

– Warmtepomp

– Stadsverwarming

– Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar voor 1998 (bij appartementen)

– Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 (bij appartementen)

7

Tapwatertoestel

Aparte warmtapwatervoorziening?

– Nee;

– Ja, een geiser;

– Ja, een elektrische boiler.

8

Ventilatiesysteem

Woningen t/m bouwjaar 1999:

– Is er sprake van een mechanisch ventilatiesysteem? [ja/nee]

Woningen vanaf bouwjaar 2000:

– Is er sprake van een gebalanceerd ventilatiesysteem? [ja/nee]

Als een woning uitzonderlijk goed na-geïsoleerd is:

– is er een gebalanceerd ventilatiesysteem aanwezig? [ja/nee]

9

Zonne-energiesysteem

Zonneboilers:

– Is er sprake van een zonneboiler systeem? [ja/nee]

Zonnepanelen (PV systeem):

– Is er sprake van een PV systeem? [ja/nee], zo ja:

° Aantal m2.

* de opties met een * verschijnen alleen als er bij B2 aangegeven is dat er sprake is van een uitzonderlijk goed (na)geïsoleerde woning.

1.2. Kwaliteitsniveau en bewijsstukken

Het minimale kwaliteitsniveau voor het definitieve energielabel is gebaseerd op het volgende principe:

De energielabelplichtige dient bewijsmateriaal te overleggen voor alle kenmerken van de woning die afwijken van de oorspronkelijke bouwjaarkenmerkwaarden. Om te voorkomen dat de administratieve lasten voor een energielabelplichtige te hoog worden, is het soms toegestaan om één of meerdere bewijzen achterwege te laten. De internet applicatie geeft aan welke en hoeveel bewijsstukken aangeleverd dienen te worden.

Als de energielabelplichtige heeft aangegeven dat er sprake is van een ‘uitzonderlijk’ goed geïsoleerde woning dient hij of zij hiervoor altijd bewijsmateriaal aan te leveren.

De erkende energielabeldeskundige ontvangt van de energielabelplichtige het verzoek om de aangeleverde bewijsstukken te controleren en te certificeren.

2. Werkzaamheden erkende energielabeldeskundige

De werkzaamheden voor de erkende energielabeldeskundige zijn:

  • 1. Een erkende energielabeldeskundige beoordeelt of de bewijsstukken ter onderbouwing van de door de energielabelplichtige ingevoerde woninggegevens voldoende zijn. Als dit niet het geval is, koppelt hij dit terug naar de energielabelplichtige via de internetapplicatie en vraagt om andere (betere) bewijsstukken.

  • 2. Zodra de bewijsstukken voldoende zijn bevonden, certificeert de erkende energielabeldeskundige de gegevens.

  • 3. Het definitieve energielabel wordt op basis van de gecertificeerde gegevens van de erkende energielabeldeskundige automatisch in de applicatie gegenereerd en geregistreerd.

2.1. Controle door erkende energielabeldeskundige

De erkende energielabeldeskundige ontvangt de woninggegevens ter controle van de energielabelplichtige. De erkend energielabeldeskundige controleert de aangeleverde bewijsstukken en na zijn goedkeuring certificeert hij deze bewijsstukken. Als de erkend deskundige constateert dat een of meerdere bewijstukken ontbreken en/of hij is niet akkoord met een of meerdere aangeleverde bewijsstukken, vraagt hij de energielabelplichtige voor het betreffende kenmerk een (beter) bewijsstuk aan te leveren. Als er geen (betere) bewijsstukken door de energielabelplichtige (kunnen) worden aangeleverd, wijst de erkend deskundige hem of haar er op te kiezen voor een woningkenmerkwaarde die hoort bij de bouwjaarklasse voor dat specifieke kenmerk.

2.1.1. Algemene werkwijze

De erkende energielabeldeskundige gaat bij een aanvraag als volgt te werk.

Bijlage 256514.png
Figuur 1 Processchema controle en certificatie gegevens door erkende energielabeldeskundige

De erkende energielabeldeskundige moet op alle kenmerkwaarden waarvoor bewijslast geldt akkoord geven. Indien de aangeleverde bewijsstukken akkoord zijn, kunnen deze gecertificeerd worden. Vragen om aanvullende bewijsstukken gaan in principe via de internetapplicatie, maar contact tussen energielabelplichtige en erkende energielabeldeskundige kan ook per telefoon en mail plaatsvinden. Indien geen (goed) bewijsstuk geleverd kan worden, wordt voor dit kenmerk de bouwjaarwaarde aangehouden.

2.2. Bewijsstukken

Het indienen van bewijsstukken is noodzakelijk om de kwaliteit van het definitieve energielabel te kunnen borgen. Onder bewijsstukken worden bijvoorbeeld verstaan foto’s van een installatie of een factuur. Het is voor een erkende energielabeldeskundige niet nodig de woning ter plaatse te bezoeken en kan dus altijd op afstand handelen. Hij dient de betreffende bewijsstukken (en daarmee de kenmerkwaarde) op afstand te controleren via de internet applicatie. Uitsluitend de volgende vier soorten documenten en stukken kunnen als bewijsstuk dienen: foto’s, facturen, bouwdocumenten en rapporten of aankoopdocumenten.

2.2.1. Foto

Een foto dient van voldoende kwaliteit te zijn om het betreffende onderdeel of kenmerk duidelijk te kunnen herkennen.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om foto’s als bewijsstuk te kunnen gebruiken.

2.2.2. Facturen

Op een factuur dient duidelijk omschreven te zijn wat de maatregel is. Daarnaast dient het adres van de betreffende woning vermeld te zijn.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om facturen als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.3. Bouwdocumenten

Onder bouwdocumenten worden verstaan alle relevante tekeningen, revisiestukken of EPC-berekeningen. Het moet aannemelijk zijn dat de geschetste situatie ook echt gerealiseerd is. Dit kan, naar beoordeling van de erkende energielabeldeskundige, betekenen dat aanvullende foto’s nodig zijn ter onderbouwing van de bewijsstukken. In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om bouwdocumenten als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.4. Rapporten of aankoopdocumenten

Rapporten zijn bijvoorbeeld bouwkundige inspectie- of taxatierapporten. Een aankoopdocument kan zijn de verkoopbrochure of woninginformatiemap bij de aankoop van de woning.

De kenmerken van de woning die in deze stukken beschreven zijn – en waarvoor ze als bewijsstukken ingediend worden – moeten helder omschreven zijn en er mag geen discussie zijn of bepaalde woningkenmerken wel of niet aanwezig zijn. Bij twijfel of onduidelijkheid kan aanvullende onderbouwing nodig zijn met behulp van foto’s.

Over de geldigheidsduur en inhoud van de verkoopbrochure zijn met een aantal branche-organisaties afspraken gemaakt.

In hoofdstuk 3 wordt aangegeven wat de minimale eisen zijn om rapporten en aankoopdocumenten (hierna: rapporten) als bewijsstukken te kunnen gebruiken.

2.2.5. Wat te doen bij tegenstrijdige bewijsstukken?

De erkende energielabeldeskundige dient bij het aanleveren van tegenstrijdige bewijsstukken dit terug te koppelen aan de energielabelplichtige. Hij vraagt hem of haar de juiste gegevens te verstrekken en/of toe te lichten waarom de situatie wel juist is. Het wordt aan de kennis en kunde (en ervaring) van de erkende energielabeldeskundige overgelaten om hier een zo objectief mogelijk oordeel over te vellen.

Alle gegevenswisseling in de internet applicatie ten behoeve van het goedkeuren van de bewijsstukken zal worden bewaard in de applicatie, dus ook afgekeurde bewijsstukken of (abusievelijk) verkeerd verstrekte informatie. Dit wordt gedaan omdat de gegevenswisseling leidt tot het wel of niet goedkeuren van het aangeleverde bewijs. Echter, indien een energielabelplichtige per ongeluk een verkeerde foto upload kan hij deze wel verwijderen.

2.2.6. Verantwoordelijkheid aangeleverde bewijsstukken

Het is geen taak van de erkende energielabeldeskundige om fraude met het aanleveren van bewijsstukken aan te tonen. Het is de verantwoordelijkheid van de energielabelplichtige dat hij/zij naar waarheid bewijsstukken aanlevert (vergelijkbaar met de belastingaangifte).

2.3. Onderbouwing van bevindingen

De erkende energielabeldeskundige heeft bij elk woningkenmerk waarvoor bewijslast aangeleverd moet worden, de mogelijkheid om opmerkingen te maken. Dit kan hij gebruiken ter onderbouwing of motivatie van zijn keuze om bepaalde bewijsstukken goed- of juist af te keuren. Daarnaast moet de erkende energielabeldeskundige, wanneer hij een kenmerkwaarde goedkeurt, een toelichting toevoegen waarom hij deze goedkeurt. Indien de erkende energielabeldeskundige bewijsstukken afkeurt, geeft hij de energielabelplichtige de mogelijkheid om nieuwe bewijsstukken aan te leveren of, als dat niet lukt, te kiezen voor een woningkenmerkwaarde die hoort bij de bouwjaarklasse voor dat specifieke kenmerk.

Nadat de erkende energielabeldeskundige zijn opmerkingen en toelichting gemaakt heeft, geeft hij een opdracht in de internetapplicatie van RVO.nl om zijn bevindingen vast te leggen en het woningkenmerk te certificeren.

3. Controle van bewijsstukken

De erkende energielabeldeskundige volgt onderstaande aanwijzingen waar het gaat om controle en certificatie van de bewijsstukken. De energielabelplichtige hoeft niet voor een woningkenmerk alle type bewijsstukken aan te leveren. Dus indien foto’s voldoende bewijs vormen voor het aanwezig zijn van het betreffende woningkenmerk, dan is geen aanvullende factuur of bouwbrochure benodigd.

De erkende labeldeskundige controleert de algemene woningkenmerken (bouwjaar en woning(sub)type) alleen als deze gewijzigd zijn ten opzichte van het voorlopige label (bijvoorbeeld via Google Streetview).

3.1. Uitzonderlijk goed (na-)geïsoleerde woning

Er is sprake van ‘uitzonderlijk’ goede (na-)isolatie bij een woning als:

  • de gevels en/of daken en/of vloeren een Rc-waarde hebben gelijk aan of groter 3.0 m2K/W;

    of

  • leefruimte en/of slaapruimte is (zijn) voorzien van 3 voudig HR-glas.

In onderstaande tabel wordt de minimale dikte voor de Rc-waarden ≥ 3,0 m2K/W aangegeven bij de toepassing van de verschillende isolatiematerialen.

Tabel 3.1 Minimale dikte isolatiemateriaal voor Rc ≥ 3.0 m2K/W

Isolatiemateriaal

Richtwaarde benodigde dikte isolatiemateriaal voor Rc ≥ 3.0 m2K/W.

Glaswol/Steenwol/EPS plaat/PIR- en PUR gespoten

> 12 cm

PIR- en PUR platen

> 8 cm

‘Uitzonderlijk’ goede (na) isolatie van gevels, vloeren en daken moet altijd via facturen, documenten en/of rapporten worden aangetoond. In geval van drievoudig HR-glas kan ook worden volstaan met foto’s.

3.2. Beglazing

De invoermogelijkheden voor beglazing zijn:

  • Enkelglas;

  • Dubbelglas;

  • HR glas;

  • Drievoudig HR-glas

Tevens wordt onderscheid gemaakt tussen de beglazing van de leefruimten en de beglazing van de slaapruimten. De energielabelplichtige moet dit duidelijk aangeven bij de geleverde bewijsstukken.

  • Leefruimte: vertrekken van de woning ingericht voor een langdurig verblijf tijdens de dag, met uitsluiting van de sanitaire voorzieningen, bergingen, wasruimten, etc. Voorbeelden zijn de woonkamer, studieruimte, eetkeuken, eethoek.

  • Slaapruimte: vertrekken van de woning ingericht als slaapkamer, met uitzondering van de vertrekken die eveneens als leefruimte zijn bedoeld (b.v. bij kamers en studio's).

Foto’s

Indien als bewijsstukken foto’s worden aangereikt, dient hierop minimaal te zien te zijn dat het enkel glas of dubbel glas betreft. In het geval van HR-glas moet op de foto de vermelding dat het HR-glas is en bij drievoudig HR-glas de vermelding dat het HR+++ is, op de afstandhouder in het glas te zien zijn (Afb.1) of moet duidelijk te zien zijn dat de coating in het glas aanwezig is (Afb.2).

Bijlage 256515.png
Afb. 1 Aanduiding HR++ glas op afstandshouder
  • Het aantal glaslagen is visueel (op foto) te herkennen en het best waarneembaar door er bij het maken van de foto een vlammetje (aansteker) voor te houden. 2 reflecties betekent één glaslaag, 4 reflecties betekent twee glaslagen en 6 reflecties betekent drie glaslagen.

  • De coating kan herkend worden door een brandende zaklamp of (aansteker)vlammetje voor de ruit te houden. In geval van dubbelglas zijn er 4 reflecties waar te nemen. Hierbij moet er schuin op het raam worden gekeken. Indien mogelijk wordt dit zowel aan de binnenzijde en buitenzijde gedaan, omdat de coating niet altijd goed zichtbaar is. HR coating wordt in de spouw aangebracht. Indien het aanstekervlammetje of de brandende zaklamp voor de ruit wordt gehouden, heeft de tweede of de derde reflectie een andere kleur dan de overige reflecties. Dit is de spouwzijde van de binnenruit of van de buitenruit.

Het aantal reflecties en de afwijkende kleur van de tweede of derde reflectie moet duidelijk waarneembaar zijn op de foto. Is dit niet zichtbaar, dan is het dubbel glas.

Bijlage 256516.png
Afb. 2 Aantonen HR coating door verkleuring van de reflectie (links de derde reflectie, rechts de tweede)

Drievoudig HR-glas bestaat uit 3 lagen glas, met twee HR-coatings, veelal op positie 2 en 5. Positie 5 is de spouwzijde van de binnenruit. Positie 2 is de spouwzijde van de buitenruit. In de afstandshouder staat vaak de codering HR+++ vermeld.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven zijn dat het HR-glas betreft. Als een U-waarde genoteerd staat, kan onderstaande tabel aangehouden worden.

De tabel gaat ervan uit dat enkel glas altijd eenvoudig aangetoond kan worden door foto’s. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen dubbel glas, HR-glas en 3-voudig HR glas.

Tabel 3.2 Onderscheid glastypen bij 2 glaslagen

Beglazing

 

U-waarde glas

Glastype

> 2.3 W/m2K

Dubbel glas

≤ 2.3 W/m2K

HR-glas (2 glasvlakken)

≤ 0,7 W/m2K

3 voudig HR-glas (3 glasvlakken)

3.3. Isolatie

De invoermogelijkheden voor isolatie bij woningen vóór 1992 zijn:

  • Geen na-isolatie;

  • Wel na-isolatie.

  • ‘Uitzonderlijk’ goede na-isolatie1

De invoermogelijkheid voor isolatie zijn bij woningen na 1992 t/m 2013 zijn:

  • ‘Uitzonderlijk’ goede (na)-isolatie1

1 Zie paragraaf 3.1 voor de definitie van ‘uitzonderlijk’ goede (na-)isolatie

3.3.1. Gevel

Gevels kunnen op drie plaatsen nageïsoleerd zijn: aan de binnenkant, aan de buitenkant en/of in de spouw.

De aanwezigheid van na-isolatie is als volgt te achterhalen:

  • Na-isolatie in de spouw is te herkennen aan boorgaten in de gevel, met name op de kruisingen van lint- en stootvoegen. Soms ook aan uitgehakte stenen in een regelmatig patroon. Wanneer het voegwerk integraal is vervangen, is niet meer te zien of er nageïsoleerd is. In dat geval dient ander bewijsmateriaal aangeleverd te worden (facturen, rapporten, etc.). Bij na-isolatie van alleen de spouw kan er geen sprake zijn van ‘uitzonderlijk’ goede isolatie.

  • Na-isolatie aan de buitenzijde is te herkennen aan een verdikking van de gevel dichtbij de kozijnen. De isolatie is dan vaak afgewerkt met een pleisterlaag of steenstrips. Indien er twijfel is, dient ander bewijsmateriaal aangeleverd te worden (facturen, rapporten, etc.).

  • Na-isolatie aan de binnenzijde is te herkennen aan een verdikking van de gevel dichtbij de kozijnen (aan de binnenkant). De isolatie kan aangetoond worden door de dikte van de constructie op te meten nabij kozijnen en/of deuropeningen en door te herleiden wat de muurdikte was zonder isolatie. Van de gemeten totale dikte moet de dikte van binnen- en buitenblad en de spouw afgetrokken worden. Indien er twijfel is bij de erkend deskundige, dient hij aanvullend ander bewijsmateriaal te vragen aan de energielabelplichtige (facturen, rapporten, etc.).

Als de gevel niet uit metselwerk bestaat, zullen bewijsstukken van de energielabelplichtige van het definitieve energielabel uitsluitsel moeten geven.

Foto’s

Op de foto moeten de boorgaten (patroon) in de gevel, het patroon van uitgehakte stenen of andere aanwijzingen die duiden op na-isolatie duidelijk zichtbaar zijn. Als met behulp van de muurdikte de aanwezigheid aangetoond moet worden, dienen op de foto de verdikking bij kozijnen, de dikte van de constructie en het metselwerk zichtbaar te zijn.

Bijlage 256517.png
Afb. 3 Boorgat in de gevel
Bijlage 256518.png
Afb. 4 Totale constructiedikte (in 3 stappen)
Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat de gevel nageïsoleerd is. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.3.2. Dak

Daken kunnen op 3 manieren nageïsoleerd zijn: onder de dakconstructie (al dan niet met luchtspouw), op de dakconstructie of (bij platte daken) bovenop de dakbedekking. In veel gevallen is de isolatie niet meer zichtbaar en zal, naast een foto, aanvullend of ander bewijsmateriaal aangeleverd moeten worden (facturen, rapporten, etc.).

Bijlage 256519.png
Afb. 5 Schuindakisolatie op de dakconstructie (A) en onder de dakconstructie met (C) en zonder (B) spouw

Mogelijke plaatsen of manieren om dakisolatie aan te tonen:

  • Een foto van isolatie zichtbaar bij onafgewerkte delen (achter schotten, bij doorvoeringen of op een vliering);

  • Een foto van isolatie bij de gevelaansluitingen;

  • De dikte van de constructie, gemeten bij dakramen (let op opstaande randen);

  • De dikte van de isolatie tegen het dakbeschot, gemeten bij de gordingen (zie Afb.6), het nog zichtbare deel van de gording opmeten en elders de gehele gordingdikte.

Bijlage 256520.png
Afb. 6 Isolatie op vliering tussen de gordingen
Foto’s

Op de foto moet aannemelijk gemaakt zijn dat isolatie aanwezig is.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat het dak nageïsoleerd is. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.3.3. Vloer of kruipruimte

Vloeren kunnen op 3 manieren (na)geïsoleerd zijn: op de vloer,onder de vloer tegen het dek of op de bodem van de kruipruimte. Vloerisolatie is vaak zichtbaar in de kruipruimte, in de kelder of bij de vloerdoorvoeringen in een (meter)kast.

De volgende situaties kunnen aangetroffen worden:

  • Isolatie in of op de vloer;

  • Isolatie in de kruipruimte, bijvoorbeeld met luchtkussens, parels, schelpen, PUR, etc.

Bijlage 256521.png
Afb. 7 Isolatie in de kruipruimte, met respectievelijk isolatiedekens, parels en schelpen
Foto’s

Op de foto moet de isolatie duidelijk zichtbaar zijn.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk en herkenbaar aangegeven staan dat het gaat om vloer- of kruipruimte-isolatie. Ook moet duidelijk blijken dat het is aangebracht bij het betreffende adres.

3.4. Verwarmingstoestel

De invoermogelijkheden voor het verwarmingstoestel zijn:

  • Individuele CV-ketel, installatiejaar vóór 1998;

  • Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998;

  • Gaskachels;

  • Warmtepomp;

  • Stadsverwarming;

  • Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar vóór 1998 (alleen bij appartementen);

  • Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 (alleen bij appartementen).

Foto’s

Indien als bewijsstukken foto’s worden aangereikt, dient hierop duidelijk vermeld te zijn om wat voor toestel het gaat. Als het een individuele of collectieve CV-ketel betreft moet achterhaald kunnen worden wat het installatiejaar is. De achtergrond hierbij is dat er vanuit gegaan wordt dat in de periode voor 1998 vooral VR-ketels geplaatst werden en vanaf 1998 vooral HR-ketels. Als het installatiejaar niet bekend is, kan de erkende energielabeldeskundige dus uitsluitsel over het toegepaste toestel krijgen door middel van een foto van het type ketel of keurmerksticker.

Tabel 3.3 Onderscheid type CV-ketel

CV-ketels individueel en collectief

 

Type

Invoer opwekkingstoestel

CR- of VR-ketel

installatiejaar vóór 1998

HR100, HR104 of HR107-ketel

installatiejaar in of na 1998

Bijlage 256522.png
Afb. 8 CV-ketel met HR keur (HR107)
Bijlage 256523.png
Afb. 9 Typeplaatje CV-ketel met bouwjaar 2007 (YoP = Year of Production)
Bijlage 256524.png
Afb. 10 a. Stadsverwarmingsunit (tevens tapwater) b. Secundaire stadsverwarmingsaansluiting (alleen CV)

Toelichting bij afleverset stadsverwarming (Afb.10a)

 

De unit heeft in totaal zes aansluitingen, wat duidt op een unit voor zowel verwarming als voor warmtapwater. De rode en blauwe aansluiting (rechts) zijn voor het verwarmingssysteem. De middelste twee koperen leidingen zijn de koudwateraanvoer- en warmwaterleiding. En de linker twee leidingen zijn de aansluitingen op het stadsverwarmingssysteem. In de afleverset zit een warmtemeter en een warmtewisselaar voor de warmtapwaterbereiding.

Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type toestel geplaatst is en op welke datum. Er dient zonder twijfel uit opgemaakt te kunnen worden wat voor opwekkingstoestel het betreft. Dat betekent dat in het geval van een CV-ketel vaak ook de typeaanduiding nodig is. Bij stadsverwarming kan een foto van een energierekening (levering warmte) als bewijs worden gezien.

3.4.1. Niet in de keuze voorkomende toestellen

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van toestellen die niet in de keuzelijst voorkomen. De tweede kolom geeft aan hoe het toestel aangemerkt moet worden.

Tabel 3.4 Niet in de keuze voorkomende CV-toestellen

Niet genoemde CV-toestellen

 

Toestel

Invoeren als

Individuele micro-WKK (HRe-ketel)

‘Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Collectieve WKK

‘Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Moederhaard

‘CV-ketel, installatiejaar voor 1998 ’

Individuele biomassa CV-ketel (houtpellet, bio-ethanol, houtvergassers, etc.)

‘Individuele CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 ’

Collectieve biomassa CV-ketel (houtpellet, bio-ethanol, houtvergassers, etc.)

‘Gemeenschappelijke CV-ketel, installatiejaar in of na 1998’

Luchtverwarming, met ketel van voor 1998

‘CV-ketel, installatiejaar voor 1998 ’

Luchtverwarming, met ketel in of na 1998

‘CV-ketel, installatiejaar in of na 1998 ’

Elektrische verwarming (ook Infrarood)

‘Gaskachels’

Alle typen individuele warmtepompen en WKO installaties (warmte koude opslag)

‘Warmtepomp’

Alle typen collectieve warmtepompen en collectieve WKO-installaties (warmte koude opslag)

‘Warmtepomp’

Geothermie (aardwarmte)

‘Warmtepomp’

3.5. Tapwatertoestel

De invoermogelijkheden voor het tapwatertoestel zijn:

  • Geen aparte warmtapwater voorziening;

  • Geiser;

  • Elektrische boiler.

Het betreft altijd het hoofdtoestel voor tapwater. Close-in boilers of quookers in de keuken tellen dus niet mee.

Foto’s

Als het warmwatertoestel geen geiser en ook geen elektrische boiler is, komt men altijd uit op ‘geen aparte warmtapwatervoorziening’. De geiser en de elektrische boiler kunnen herkend worden met behulp van onderstaande foto’s. In het geval dat de foto van de energielabelplichtige afwijkt van deze onderstaande foto’s, dan kan de optie ‘geen aparte warmtapwatervoorziening’ worden gekozen.

Bijlage 256525.png
Afb. 11 Elektrische boiler (links) en geiser (rechts)
Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type toestel geplaatst is en op welke datum. Er dient zonder twijfel uit opgemaakt te kunnen worden dat het een geiser, een elektrische boiler of een ander toestel voor warmtapwater betreft.

3.5.1. Niet in de keuze voorkomende toestellen

Alle niet in de keuze voorkomende toestellen worden aangemerkt als ‘Geen aparte warmtapwater voorziening’.

3.6. Ventilatiesysteem

De invoermogelijkheden voor ventilatie (voor woningen tot en met bouwjaar 1999) zijn:

  • Wel mechanische afzuiging;

  • Geen mechanische afzuiging;

  • Gebalanceerde ventilatie (alleen indien woning ‘uitzonderlijk’ goed (na) geisoleerd is).

De invoermogelijkheden voor ventilatie voor woningen vanaf bouwjaar 2000 zijn:

  • Wel gebalanceerde ventilatie;

  • Geen gebalanceerde ventilatie.

Bij woningen vanaf bouwjaar 2000 duidt de aanwezigheid van gevelroosters in of boven de kozijnen op mechanische afzuiging zonder balansventilatie en wordt dus gekenmerkt als ‘geen gebalanceerde ventilatie’. Het maakt dan niet uit of deze roosters CO2, tijd en/of drukgestuurd zijn.

Foto’s

Op de foto moet duidelijk de ventilatieunit staan met, bij balansventilatie, herkenbaar de vier kanaalaansluitingen voor toevoerlucht, retourlucht, aanzuig- en afblaaslucht. Een ventilatieunit voor mechanische afzuiging (Afb.13) heeft vaak 2, maar soms ook 3 of 4 kanaalaansluitingen.

Bijlage 256526.png
Afb. 12 Ventilatieunit voor enkel mechanische afzuiging
Bijlage 256527.png
Afb. 13 Ventilatieunit voor mechanische toe- en afvoer van lucht (gebalanceerd ventilatiesysteem)
Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan welk type ventilatiesysteem geplaatst is. Indien nodig (bij twijfel), dient de typeaanduiding van de ventilatieunit vermeld te zijn.

3.7. Zonne-energiesysteem

De invoermogelijkheden voor zonne-energiesysteem zijn:

  • Wel of geen zonneboiler aanwezig;

  • Wel of geen PV-panelen aanwezig (m2 opgeven).

3.7.1. Zonneboiler

Voor een zonneboiler wordt enkel aangegeven of deze wel of niet aanwezig is. Een foto van de collector op dak van de betreffende woning is voldoende. Is dat niet mogelijk dan dient op andere wijze aangetoond te worden dat er een zonneboiler aanwezig is, bijvoorbeeld door middel van facturen.

Foto’s

Uit de foto moet blijken dat het een zonneboiler betreft. Bij vacuümbuizen is dat duidelijk. Bij plaatcollectoren dient de foto van voldoende kwaliteit te zijn om onderscheid te kunnen maken tussen (zwarte) zonnepanelen en zonnecollectoren.

Bijlage 256528.png
Afb. 14 Zonneboiler met vacuümbuizen (links) en vlakke plaat collectoren (rechts)
Facturen, documenten en rapporten

Op facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan dat het een zonneboiler betreft. Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

3.7.2. PV-panelen

Bij PV-panelen wordt, indien aanwezig, ook aangegeven hoeveel m2 het betreft. Omdat zonnepanelen verschillende afmetingen hebben, kan dit niet makkelijk bepaald worden aan de hand van foto’s en zal in de meeste gevallen aanvullende bewijsstukken nodig zijn.

Foto’s

Uit de foto moet blijken hoeveel panelen er geplaatst zijn en hoe groot de panelen zijn. Dat kan bij benadering, bijvoorbeeld door dakpannen te tellen. Deze zijn standaard ongeveer 20-25 cm breed en 30-35 cm hoog. Let wel op dat de schuine plaatsing van de panelen een vertekend beeld kan geven.

Voor panelen op platte daken of daken zonder (zichtbare) dakpannen kan enkel worden volstaan met foto’s waarbij door middel van een meetlint de afmetingen duidelijk gemaakt zijn.

Facturen, documenten en rapporten

Bij facturen, in documenten en in rapporten moet duidelijk aangegeven staan dat het zonnepanelen (PV) betreft en daarbij aangegeven het aantal panelen en de afmetingen per paneel (bijvoorbeeld door bijgeleverde documentatie, met herleidbare typeaanduiding). Ook moet duidelijk blijken dat het geplaatst is bij het betreffende adres.

Bijlage 256529.png
Afb. 15 PV-panelen met afmeting van ongeveer 1,55 x 0,80 meter (4,5 pan hoog, 4 pannen breed)
Facturen, documenten en rapporten

Indien het aantal vierkante meter niet duidelijk van de foto opgemaakt kan worden – of omdat bijvoorbeeld geen foto’s gemaakt kunnen worden – dient de energielabelplichtige facturen of andere documenten aan te leveren om de oppervlakte van de PV-panelen te onderbouwen. Dit moet duidelijk uit de stukken op te maken zijn, bijvoorbeeld door vermelding van het aantal panelen en de afmeting per paneel.

4. Rapportage

De erkende energielabeldeskundige legt zijn bevindingen vast in de rapportage van de internetapplicatie. Deze bevat de volgende gegevens:

  • Gegevens van de erkende energielabeldeskundige:

    • Naam en adres van het bedrijf, alsmede de naam van de erkende energielabeldeskundige.

    • Datum van de registratie.

    • (Digitale) handtekening van de erkende energielabeldeskundige.

  • Gegevens van de gecontroleerde woning:

    • Adres van de woning.

    • Door de energielabelplichtige aangeleverde woningkenmerken.

    • Door de energielabelplichtige aangeleverde bewijsstukken of onderbouwende toelichting.

  • Resultaat van de certificatie:

    • Het akkoord van de erkende energielabeldeskundige voor elk gecertificeerd woningkenmerk dat met bewijs onderbouwd is.

    • De motivatie van de erkende energielabeldeskundige voor goed- of afkeuring van de gecontroleerde bewijsstukken.

  • Alle correspondentie over de bewijsstukken (via de internetapplicatie) tussen de erkende energielabeldeskundige en de energielabelplichtige.

  • Overige informatie:

    • Algemene opmerkingen van de energielabelplichtige.

    • Algemene opmerkingen van de erkende energielabeldeskundige.

Bijlage II. bij artikel 2a van de Regeling energieprestatie gebouwen

Bijlage 253158.png
Bijlage 253159.png
Bijlage 253160.png
Bijlage 253161.png
Bijlage 253162.png
Bijlage 253163.png
Bijlage 253164.png
Bijlage 253165.png
Bijlage 253166.png
Bijlage 253167.png

Bijlage III. bij artikel 2b van de Regeling energieprestatie gebouwen

Inijkingstabel voor de energieprestatie-indicatoren

Tabel voor energieklassen voor utiliteitsgebouwen

Energieprestatie-indicator

Grenswaarden Energie-Index (EI)

Energieprestatie utiliteitsgebouwen

A

Kleiner of gelijk aan 1,05

B

1,06–1,15

C

1,16–1,30

D

1,31–1,45

E

1,46–1,60

F

1,61–1,75

G

Groter dan 1,75

Bijlage IIIa. bij artikel 2c van de Regeling energieprestatie gebouwen

Inijkingstabel voor de energieklassen

Tabel voor energieklassen voor utiliteitsgebouwen

Energieklasse

Grenswaarden EP;tot / EP;adm;tot;nb (E/E)

Energieprestatie utiliteitsgebouwen

A++++

Kleiner of gelijk aan 0,30

A+++

0,31-0,65

A++

0,66-1,00

A+

1,01-1,15

A

1,16-1,35

B

Groter dan 1,35

Bijlage IV. bij artikel 7b van de Regeling energieprestatie gebouwen

De te verrichten werkzaamheden, uitgesplitst per diploma

Systeem

Werkzaamheden

Onderdeel

EPBD-A

EPBD-B

Klasse 1, met vermogen van 12 – 45 kW

Documentatie verzamelen, inspecteren en beoordelen

1

 

Koudeopwekker inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

2

 

Leidingen inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

3

 

Afgifte-units condensorwarmte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

4

 

Afgifte-units warmtewisselaars inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

5

 

Luchtbehandeling in de ruimte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

6

 

Luchtbehandelingssysteem inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

7

 

luchtinlaat inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

8

 

Regeling inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

9

 

Bemetering inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

10

 

Grootte van de installatie inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

11

 

Alternatieven overwegen en advies uitbrengen

12

 

Klasse 2, met vermogen van 45 – 270 kW

Documentatie verzamelen, inspecteren en beoordelen

1

 

Koudeopwekker inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

2

 

Leidingen inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

3

 

Afgifte-units condensorwarmte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

4

 

Afgifte-units warmtewisselaars inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

5

 

Luchtbehandeling in de ruimte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

6

 

Luchtbehandelingssysteem inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

7

 

luchtinlaat inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

8

 

Regeling inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

9

 

Bemetering inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

10

 

Grootte van de installatie inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

11

 

Alternatieven overwegen en advies uitbrengen

12

 

Klasse 3, boven 270 kW

Documentatie verzamelen, inspecteren en beoordelen

1

 

Koudeopwekker inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

2

 

Leidingen inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

3

 

Afgifte-units condensorwarmte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

4

 

Afgifte-units warmtewisselaars inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

5

 

Luchtbehandeling in de ruimte inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

6

 

Luchtbehandelingssysteem inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

7

 

luchtinlaat inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

8

 

Regeling inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

9

 

Bemetering inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

10

 

Grootte van de installatie inspecteren, beoordelen en advies uitbrengen

11

 

Alternatieven overwegen en advies uitbrengen

12

 

Bijlage V. bij artikel 7c van de Regeling energieprestatie gebouwen

Inspectiemethodiek

Inhoud

1

Algemene beschrijving

 

1.1

Klasse-indeling

 

1.2

Installatietypen en definities

 

1.3

Steekproefgrootte

2

Inspectie

 

2.1

Pre-inspectie

 

2.2

Beoordeling systeeminformatie

 

2.3

Inspectie koudeopwekker

 

2.4

Inspectie pompen en leidingen

 

2.5

Inspectie afgifte condensorwarmte

 

2.6

Inspectie warmtewisselaars afgifte-units

 

2.7

Inspectie luchtbehandeling in de ruimte

 

2.8

Inspectie luchtbehandelingssysteem

 

2.9

Inspectie luchtinlaat

 

2.10

Inspectie regeling

 

2.11

Bemetering

 

2.12

Beoordeling grootte

 

2.13

Alternatieven

3

Beoordeling grootte

 

3.1

Bepaling van de grootte op basis van ontwerpspecificaties

 

3.2

Bepaling op basis van kengetallen

 

3.3

Schatting voor categorie 3

4

Alternatieven

 

4.1

Reductie koudevraag

 

4.2

Efficiënte opwekking

5

Rapportage

1. Algemene beschrijving

1.1. Klasse-indeling

In de inspectie wordt de volgende indeling in klassen onderscheiden (op basis van het totaal opgesteld nominaal koelvermogen in een gebouw).

 

Totaal opgesteld nominaal koelvermogen in een gebouw

Klasse 1

12 – 45 kW

Klasse 2

45 – 270 kW

Klasse 3

> 270 kW

1.2. Installatietypen en definities

Een aantal onderdelen van de inspectie zijn niet voor alle systemen relevant. Dit is aangegeven bij de betreffende onderdelen. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende definities.

  • Gekoeld watersysteem: Koelinstallatie waarbij (een deel van) de opgewekte koude wordt getransporteerd via gekoeld water als transportmedium.

  • Lokale koeling: Koelsysteem waarbij op vertrekniveau wordt gekoeld door een systeem aanvullend aan de toevoer van gekoelde ventilatielucht. Voor deze lokale koeling wordt er koude door middel van een gekoeld waternet of een koudemiddelnet gedistribueerd naar de vertrekken.

  • Centrale koeling: Koelsysteem waarbij de temperatuur van de inblaaslucht centraal wordt verlaagd.

  • Multi-splitsysteem: Systeem waarbij meerdere verdampers binnen in het gebouw verbonden zijn via een koudemiddelnet met een centrale condensor buiten het gebouw.

  • Energieopslagsysteem: Installatie die gebruik maakt van seizoensopslag van koude en/of warmte in water. Doorgaans vindt opslag plaats in ondergrondse watervoerende zandlagen.

1.3. Steekproefgrootte

In een aantal gevallen dient er steekproefsgewijs een controle te worden uitgevoerd. De grootte van de steekproef is dan afhankelijk van de grootte van de populatie. In de volgende tabel is de minimaal te hanteren steekproefgrootte weergegeven.

Grootte populatie

Grootte steekproef

1

1

2

2

5

4

10

7

25

13

50

17

100

20

500

23

>500

25

2. Inspectie

2.1. Pre-inspectie

2.1.1. Te verzamelen documentatie

Voorafgaand aan de inspectie dient informatie te worden verzameld. Doorgaans is de eigenaar of technisch beheerder van de installatie de partij die deze informatie kan verstrekken. De te verzamelen informatie bestaat uit de onderdelen zoals benoemd in de onderstaande tabel.

NB: in onderstaande tabel is tussen [ ] aangegeven onder welk diploma dit onderdeel valt.

Omschrijving

Klasse

12–45 kW

Klasse

45–270 kW

Klasse

>270 kW

1. Overzicht koelmachines inclusief locatie van alle componenten ¹ en vermogen [A]

v

v

v

2. Omschrijving zone-indeling [B]

n

v

v

3. Beschrijving van regeling watertemperatuur koelinstallatie [B]

n

v, alleen gekoeld water systemen

v, alleen gekoeld water systemen

4. Beschrijving van de regeling van bedrijfstijden koelinstallatie [A]

v

v

v

5. Beschrijving van de regeling van de stooklijnen voor koeling en verwarming van de zones [B]

n

v

v

6. Onderhoudslogboek koelmachine [A]

v

v

v

7. Onderhoudslogboek luchtbehandeling [A]

v

v

v

8. Energiegebruiksgegevens, inclusief de beschikbare onderbemetering [B]

n

v

v

9. Klachtenregister [B]

n

v

v

10. Monitoringsgegevens (prestatie) [B]

n

v

v

11. Ontwerpspecificaties koelinstallatie met onder andere bepaling benodigd koelvermogen, principeschema’s en revisietekeningen [B]

n

v

v

12. a) Opgave bruto vloeroppervlak, alleen indien ontwerpspecificaties niet beschikbaar zijn [A/B]

v

v

v

12. b) Opgave glasoppervlak als percentage van de gevel [B]

n

n

v

13. Monitoringsgegevens energieopslagsysteem [B]

n

v (uitsluitend energieopslag-systemen)

v (uitsluitend energieopslag-systemen)

¹ de componenten omvatten tenminste: de koudeopwekker, de verdampers, de condensors, de regeling en de hoofddistributie

v = verplicht aanwezig

n = niet nodig voor de inspectie

2.1.2. Beoordeling en advies

De beoordeling van de informatie is opgenomen in de volgende paragrafen. Hier is ook het te geven advies omschreven.

2.1.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.2. Beoordeling systeeminformatie

2.2.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Bij de uitvoering dient de beschikbaarheid en de volledigheid van de documentatie te worden gecontroleerd.

1,2,3

Zie 2.1

2

Ga na of er regelmatig onderhoud wordt uitgevoerd. Controleer of de frequentie en de omvang van het onderhoud overeenkomst met wat gangbaar is in de sector. Tijdens de inspectie dient geverifieerd te worden of het onderhoud ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

1,2,3

A

3

Ga na of er regelmatig klachten zijn over de werking van de installatie en beoordeel of deze op een juiste wijze worden opgepakt. Hierbij dient uitsluitend gekeken te worden naar de klachten die duidelijk een relatie hebben met het energiegebruik.

2,3

B

2.2.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Controleer of de documentatie uit tabel 2.1 beschikbaar, dan wel niet beschikbaar is.

Verplicht aanwezige informatie dient ter plaatse te worden opgesteld, of te worden aanbevolen om alsnog op te stellen.

2

Onderhoud is regelmatig wanneer het tenminste voldoet aan de eisen volgens de F-gasseninspectie. Onderhoud aan de overige componenten dient tenminste jaarlijks plaats te vinden. Controle op de uitvoering vindt plaats door controle van het logboek.

Indien er geen periodiek onderhoud plaatsvindt, dan wel de frequentie te laag is, dient aanbevolen te worden om regelmatig onderhoud uit te voeren.

3

Check of er in het klachtenregister klachten zijn die telkens terugkeren. Controleer of deze daadwerkelijk opgelost worden. Ga na of hierbij geen maatregelen zijn getroffen die in strijd zijn met de geldende Arbo-regels1.

Wanneer er geen klachtenregister wordt bijgehouden, dient aanbevolen te worden deze bij te gaan houden.

Wanneer er klachten zijn die niet opgepakt worden, dient aanbevolen te worden deze adequaat te verhelpen.

1Hierbij kan worden bijv. gedacht worden aan ventilatiehoeveelheden en daglicht op de werkplek

2.2.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.3. Inspectie koudeopwekker

2.3.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Lokaliseer de componenten van de koelinstallatie en controleer de directe omgeving van deze componenten op belemmeringen voor een goede werking.

1,2,3

A

2

Controleer of het principeschema overeenkomt met de werkelijke situatie.

2,3

A

3

Controleer of de koudemiddelleidingen tussen koelmachine en verdamper(s) geïsoleerd zijn (multi-splitsystemen). Controleer daarnaast bij de koudemiddelleidingen in de buitenlucht de staat van de isolatie.

1,2,3 (met uitzondering van energieopslag)

A

4a

Vergelijk de prestatie van de koelinstallatie zoals opgenomen in de documentatie, met de prestaties van een nieuw gelijkwaardig systeem.

1

A

4b

Vergelijk de prestatie van de koelinstallatie zoals opgenomen in de documentatie, met de prestaties van een nieuw gelijkwaardig systeem.

2,3

B

5

Beoordeel de prestatie van het energieopslagsysteem aan de hand van de gemiddelde deltaT tussen de onttrekking en de injectie.

2,3 (alleen energieopslag)

B

2.3.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Er is sprake van een belemmering van de koelinstallatie, wanneer de werking van de installatie beïnvloedt wordt.

Wanneer er sprake is van belemmeringen, dan aanbevelen deze te verwijderen.

2

Controleer bij de controle van het principeschema met name of de zone-indeling overeenkomt met de werkelijke situatie. Aandachtspunt hierbij zijn met name wijzigingen die zijn aangebracht ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

Wanneer er verschillen zijn tussen de werkelijke situatie en het principeschema, dient aanbevolen te worden het principeschema te updaten.

3

Let bij controle van de isolatie van koudemiddelleidingen bij de buitenleidingen met name op veroudering van de isolatie als gevolg van ultraviolette straling (UV-straling).

Bij ongeïsoleerde leidingen of een slechte toestand van de isolatie dient aanbrengen of vervangen van de isolatie te worden aanbevolen.

4

Bepaal de efficiency (COP1) van de huidige opwekker volgens de specificaties en vergelijk dit met wat realistisch is voor een gelijke schaalgrootte bij de huidige stand der techniek. De te bereiken besparing is gelijk aan:

(1-COPhuidig/COPstand der techniek) x 100%.

Geef aan welke besparing te bereiken valt door vervanging van de installatie.

5

Bepaal de gemiddelde deltaT aan de hand van de volgende formule:

DeltaT = geladen energiehoeveelheid (warmte of koude)/(1,16* verpompte waterhoeveelheid in verwarmings- respectievelijk koelbedrijf)

Een gemiddelde deltaT van minder dan 3°C (voor koeling en/of verwarming) duidt op een niet optimaal werkende installatie.

In geval van een niet goed ontworpen of niet goed functionerende installatie, dient te worden aanbevolen dat de installatie wordt gecontroleerd en/of opnieuw ingeregeld.

1 Coëfficient Of Performance (gedefinieerd als eenheden opgewekte koude per gebruikte eenheden energie input)

2.3.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.4. Inspectie pompen en leidingen

2.4.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Controleer in gekoeld watersystemen of de koudwaterleidingen en appendages daar waar toegankelijk geïsoleerd zijn. Beoordeel tevens de staat van de isolatie.

1,2,3

A

2

Bepaal het verschil tussen de aanvoertemperatuur en de retourtemperatuur en vergelijk deze met de ontwerpspecificaties.

2,3

A

2.4.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Een goede isolatie van gekoeld waterleidingen is dampdicht en omsluit de volledige leiding of appendage.

Wanneer de leidingen niet geïsoleerd zijn, of de isolatie beschadigd is, dient vervanging of het aanbrengen van isolatie te worden aanbevolen.

2

Meet het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retourtemperatuur. Vergelijk dit met de ontwerpspecificaties. Wanneer deze niet beschikbaar zijn, mag een verschil tussen de aanvoer en retourtemperatuur van 6°C worden verondersteld. Is het temperatuurverschil meer dan 2°C kleiner dan de (veronderstelde) uitgangspunten, is er sprake van een significante afwijking. Deze controle dient uitgevoerd te worden wanneer de koelinstallatie op tenminste 30% van het vermogen draait. Wanneer deze gegevens gemonitord worden, kan deze data worden gebruikt.

Bij een significante afwijking dient te worden aanbevolen dat de installatie opnieuw wordt ingeregeld.

2.4.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.5. Inspectie afgifte condensorwarmte

2.5.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Lokaliseer de condensorunits en controleer de toestand (onder andere vervuiling) en de werking van de installatie.

1,2,3

A

2

Controleer of de unit zonder belemmeringen door gebouwen, installaties of anderszins lucht kan aanzuigen.

1,2,3

A

3

Controleer of de lucht die aangezogen wordt niet reeds verwarmd is door andere bronnen.

1,2,3

A

4

Wanneer de condensors in bedrijf zijn, controleer dan de draairichting van de ventilatoren, voor zover er 230/400 V draaistroommotoren zijn toegepast.

2,3

A

5

Controleer de afkoeling van het koelwater over de koeltoren, indien dit zonder risico op legionella besmetting kan plaatsvinden.

2,3

B

2.5.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Let met name op of de lucht zich voldoende vrij door de condensors kan bewegen.

Bij afwijkingen dient herstel/reiniging aanbevolen te worden.

2

Let met name op of de lucht voldoende vrij kan worden aangezogen en afgeblazen. Bij plaatsing naast of tussen hoge gebouwen bestaat het risico van kortsluiting van de lucht, waardoor afgeblazen lucht opnieuw wordt aangezogen.

Bij het niet voldoende vrij kunnen aanzuigen van lucht, dient aanbevolen te worden de condensor te verplaatsen dan wel de luchtstroom aan te passen.

3

Er is sprake van (voor)verwarmde lucht, wanneer de lucht die wordt aangezogen door de condensors deels bestaat uit uitblaaslucht uit de luchtbehandeling of uit rookgassen vanuit een verwarmingsinstallatie.

Bij het niet kunnen aanzuigen van onverwarmde lucht, dient aanbevolen te worden de condensor te verplaatsen dan wel de andere verwarmingsbron te verplaatsen.

4

De draairichting van condensorventilatoren is correct wanneer de lucht van onderaf naar boven wordt gezogen. Bij verticale condensors is de correcte richting aangegeven op de condensors.

Wanneer de draairichting incorrect is, beveel dan aan de draairichting om te keren.

5

Meet het temperatuurverschil tussen het water dat de koeltoren ingaat en dat de koeltoren verlaat. Vergelijk dit met de ontwerpspecificaties. Wanneer deze niet beschikbaar zijn, kan een temperatuurverschil van 6°C worden verondersteld als ontwerpwaarde. Wanneer het verschil meer dan 2°C kleiner is dan de (veronderstelde) ontwerpuitgangspunten, is er sprake van een te kleine afkoeling.

Bij een te kleine afkoeling dient te worden aanbevolen de koeltoren te inspecteren op vervuiling.

2.5.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.6. Inspectie warmtewisselaars afgifte-units

2.6.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Controleer de warmtewisselaars in de ruimtes op vervuiling. Deze controle dient steekproefsgewijs te worden uitgevoerd.

1,2,3

A

2

Wanneer er niet aantoonbaar onderhoud plaatsvindt aan de ruimte-units, dienen de filters steekproefsgewijs gecontroleerd te worden.

1,2,3

A

2.6.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Let op of de lucht voldoende goed kan circuleren over de warmtewisselaar van de binnenunits in de ruimtes.

Bij vervuiling dient aanbevolen te worden de installaties te laten reinigen.

2

Onderhoud van de binnenunits kan worden aangetoond door onder andere het logboek, waarin omschreven is welke onderhoud is uitgevoerd. Wanneer dit niet of onvoldoende plaatsvindt dienen de filters te worden geïnspecteerd en visueel te worden beoordeeld.

Wanneer deze (overmatig) vervuild zijn, dient aanbevolen te worden dat de filters vervangen worden en dat dit periodiek gecontroleerd wordt.

2.6.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.7. Inspectie luchtbehandeling in de ruimte

2.7.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Wanneer er regelmatig klachten zijn betreffende tocht of luchtstroming dan dient de locatie en het type van inblaas- en afzuigroosters steekproefsgewijs te worden gecontroleerd.

1,2,3

A

2

Controleer steekproefsgewijs of het luchtbehandelingssysteem zich nog in de oorspronkelijke toestand bevindt. Let met name op afdichtingen, en/of belemmeringen van inblaasopeningen.

1,2,3

A

2.7.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Controleer in geval van klachten over tocht in luchtstroming of de inblaasroosters in de ruimtes werkelijk inblaasroosters zijn en of er voor de afzuiging gebruik gemaakt is van afzuigroosters.

Wanneer de roosters onjuist geplaatst zijn of een onjuist type rooster is gebruikt, dient aanbevolen te worden dit te verhelpen.

2

Er is sprake van significante afwijkingen van de ontwerptoestand van het luchtbehandelingssysteem wanneer roosters zich (half) boven wanden bevinden en/of ze deels of geheel zijn afgedekt. Dit is vaak het gevolg van verbouwingen of klachten.

In geval van significante afwijkingen dient aanbevolen te worden deze te verhelpen.

2.7.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.8. Inspectie luchtbehandelingssysteem

Deze paragraaf dient alleen te worden uitgevoerd wanneer de luchttemperatuur actief verlaagd kan worden1.

2.8.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Controleer de frequentie waarmee onderhoud van het luchtbehandelingssysteem plaatsvindt en ga na of de kwaliteit van de luchtfilters hierbij wordt beoordeeld.

1,2,3

A

2

De filters dienen te worden gecontroleerd op vervuiling. Verder dient de drukval over de filters te worden gemeten en vergeleken met realistische waarden.

1,2,3

A

3

Controleer of de warmtewisselaars in de luchtbehandelingskast vervuild zijn, dan wel dat deze beschadigd zijn of de luchtstroming belemmerd wordt

1,2,3

A

2.8.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

In het algemeen is een onderhoudsfrequentie voor het luchtbehandelingssysteem van tenminste eenmaal per jaar noodzakelijk. Hierbij dient de kwaliteit van de filters te worden beoordeeld.

In geval van een afwijking hiervan dient aanbevolen te worden het onderhoud met de juiste frequentie uit te voeren.

2

Tenzij de productspecificaties van de luchtbehandelingskast anders aangeven, kan in het algemeen gesteld worden dat bij een drukval van meer dan 250 Pascal over de filters om de luchtbehandelingskast er sprake is van vervuilde filters.

Wanneer de filters sterk vervuild zijn dan wel een te grote drukval hebben, dient vervanging aanbevolen te worden.

3

Vervuiling van de warmtewisselaars in de luchtbehandelingskast is vaak het gevolg van het tijdelijk gefunctioneerd hebben zonder filters of met defecte filters. Beoordeling op basis van visuele inspectie.

Is er sprake van vervuiling dan dient aanbevolen te worden de warmtewisselaars te reinigen dan wel te herstellen.

2.8.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.9. Inspectie luchtinlaat

2.9.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Lokaliseer de luchtinlaten van het systeem en controleer of de lucht vrij kan instromen.

1,2,3

A

2

Controleer of de lucht die wordt aangezogen niet opgewarmd kan worden door andere bronnen.

1,2,3

A

2.9.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

De luchtstroom naar de luchtinlaat van de luchtbehandelingskast wordt belemmerd wanneer er in de luchtinlaat grote vervuilingen aanwezig zijn.

Wanneer de luchtinstroom wordt belemmerd, dient aanbevolen te worden deze belemmering te verhelpen.

2

Er is sprake van de aanzuig van (voor)verwarmde lucht, wanneer de door de luchtbehandelingskast aangezogen lucht deels bestaat uit uitblaaslucht uit de luchtbehandeling of uit rookgassen vanuit een verwarmingsinstallatie. De beoordeling dient plaats te vinden door een visuele beoordeling op basis van good practices.

Wanneer dit het geval is, dient aanbevolen te worden dat of de luchtinlaat of de andere warmtebron wordt verplaatst.

2.9.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.10. Inspectie regeling

2.10.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Controleer of de zonenering in de distributie correct is. Een correcte zonering houdt rekening met het verschil in koudevraag als gevolg van verschil in oriëntatie, bedrijfstijden, interne warmtelast et cetera.

2,3

B

2

Controleer of de klok die de installatie aanstuurt de juiste tijd aangeeft.

1,2,3

A

3

Controleer de instellingen van het klokprogramma dat de koelinstallatie aanstuurt. Let hierbij op of de in- en uitschakelmomenten aansluiten bij de bedrijfstijden van het pand. Let ook op of er rekening gehouden wordt met perioden waarin het pand buiten bedrijf is zoals het weekend of vakantieperioden.

1,2,3

A

4a

Controleer steekproefsgewijs de plaats van de temperatuursensoren in het systeem.

1

A

4b

Controleer steekproefsgewijs de plaats van de temperatuursensoren in het systeem.

2,3

B

5

Controleer steekproefsgewijs of de gemeten temperatuur van de temperatuursensoren in het systeem overeenkomt met de werkelijke temperatuur.

1,2,3

A

6a

Controleer op centraal niveau of zones niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming.

1

A

6b

Controleer op centraal niveau of zones niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming.

2,3

B

7

Controleer steekproefsgewijs op ruimteniveau of ruimtes niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming.

1,2,3

A

8

Controleer voor installaties van categorie 2 en 3 de wijze waarop het luchtdebiet wordt geregeld. Vergelijk de energetische efficiëntie hiervan met de huidige stand der techniek.

2,3

B

9

Beoordeel voor gekoeld water systemen de regeling van de watertemperatuur.

2,3

B

2.10.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Bij een goede zone-indeling, zijn ruimtes met een verschillende koudevraag (als gevolg van verschil in zonbelasting, gebruik et cetera) aangesloten op verschillende zones.

Wanneer de zonering onvoldoende rekening houdt met het verschil in koudevraag, dient aanbevolen te worden de zonering aan te passen.

2

De afwijking van de aangegeven en de werkelijke tijd van de bedrijfsklok dient maximaal tien minuten te bedragen.

Wanneer de tijd incorrect is dient deze aangepast te worden of aan dient aanbevolen te worden deze aan te passen.

3

De inschakeling van de koelinstallatie van meer dan één uur voor het begin van de bedrijfstijd is normaal gesproken niet noodzakelijk, tenzij er sprake is van betonkernactivering als koudeafgiftesysteem.

Wanneer er afwijkingen bestaan tussen de huidige instellingen en de optimale instellingen dient aanbevolen te worden deze instellingen aan te passen.

4

De juiste plaats voor de meting van de aanvoertemperatuur is de centrale verdeler van de koude. Controleer bij ruimtetemperatuurmetingen of de aangesloten regeling daadwerkelijk de ruimtetemperatuur in de betreffende ruimte beïnvloed.

Bij een onjuiste plaats van de sensoren dient aanbevolen te worden deze te verplaatsen.

5

Een afwijking van meer dan 1°C tussen gemeten temperaturen en weergegeven temperaturen geldt als een te grote afwijking.

Wanneer er grote afwijkingen zijn dient aanbevolen te worden de sensoren te (laten) kalibreren.

6

Tegelijk koelen en verwarmen is mogelijk bij een 4-pijps distributiesysteem. Controle is mogelijk door controle van de stooklijnen (of andere regeling van de aanvoertemperatuur) van zowel de verwarming als de koeling. Wanneer de koelgrens lager ligt dan de stookgrens is er sprake van gelijktijdige verwarming en koeling.

Wanneer het gelijktijdig koelen en verwarmen het geval is dient de noodzaak hiervan nagegaan te worden. Wanneer dit niet noodzakelijk is, dient aanpassing van de regeling te worden aanbevolen.

7

Gelijktijdige koeling en verwarming op ruimteniveau treedt mogelijk op in hoekvertrekken.

Wanneer er sprake is van gelijktijdige koeling en verwarming dient aanbevolen te worden de instellingen te wijzigen.

8

De huidige wijze van regeling dient te worden vergeleken met de gangbare regeling voor systemen van vergelijkbare grootte. In de meeste gevallen is debietregeling door toerenregeling de ‘stand der techniek’.

Geef aan welke besparing mogelijk is door over te stappen op de huidige stand der techniek.

9

Koelzones die uitsluitend worden gebruikt voor comfortkoeling, kunnen worden voorzien van een stooklijn. Ga na of de watertemperatuur afhankelijk is van de buitentemperatuur en/of zoninstraling.

Wanneer de watertemperatuur altijd gelijk gehouden wordt, beveel dan aan om een stooklijn toe te passen.

2.10.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.11. Bemetering

Deze paragraaf is niet van toepassing voor systemen waarin uitsluitend wordt gekoeld met adiabatische koeling en/of energieopslag (zonder gebruik van een warmtepomp tijdens koelbedrijf) en voor vrije of passieve koeling.

2.11.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1

Controleer of er meters aanwezig zijn voor het bemeten van het energiegebruik van de installatie.

1,2,3

B

2

Controleer of er meters aanwezig zijn voor het bemeten van de prestatie van de installatie.

2,3

B

3

Wanneer er wel meetinstrumenten aanwezig zijn voor de meting van het energiegebruik dan wel de prestatie van de installatie, controleer dan of deze periodiek worden uitgelezen.

1,2,3

B

4a

Wanneer er energiegebruiksmetingen aanwezig zijn, controleer dan of het energiegebruik voor koeling realistisch is gezien de aard en het gebruik van het gebouw.

1

A

4b

Wanneer er energiegebruiksmetingen aanwezig zijn, controleer dan of het energiegebruik voor koeling realistisch is gezien de aard en het gebruik van het gebouw.

2,3

B

5

Wanneer er gegevens bekend zijn betreffende de prestatie monitoring van de installatie, vergelijk dan de werkelijke prestatie met de ontwerpspecificaties van de installatie.

2,3

B

2.11.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Een energiemeting dient uitsluitend het energiegebruik te meten van de koelinstallatie en direct daaraan gekoppelde hulpsystemen.

Wanneer er geen meters aanwezig zijn dan dient voor klasse 2 en 3 aanbevolen te worden deze te plaatsen en periodiek uit te lezen.

2

Een prestatiemeting meet zowel de geleverde koudehoeveelheid als het energiegebruik van de installatie.

Wanneer er geen meters aanwezig zijn dan dient voor klasse 3 aanbevolen te worden deze te plaatsen en periodiek uit te lezen.

3

Controle of aanwezige meters periodiek worden uitgelezen kan door het opvragen van de laatste verbruiken/prestaties aan de beheerder.

Wanneer er wel meters aanwezig zijn, maar er geen data bekend is, dan dient te worden aanbevolen om de meters periodiek uit te lezen.

4

Een redelijke indicatie voor het jaarlijks energiegebruik van de koelinstallatie is circa 500 maal het opgesteld vermogen (kWe). Wanneer het energiegebruik meer dan 20% hoger ligt, zonder aanwijsbare oorzaak is er sprake van een hoog energiegebruik.

In geval van een hoog energiegebruik dient aanbevolen te worden de oorzaak hiervan te achterhalen, en zo mogelijk te verhelpen.

5

Er is sprake van een significant verschil tussen de werkelijke prestaties en ontwerpspecificaties wanneer de werkelijke prestaties van de installatie meer dan 20% afwijken van de ontwerpspecificaties.

Is er een significant verschil tussen de werkelijke prestatie en de ontwerpspecificaties dan dient aanbevolen te worden de oorzaak hiervan te onderzoeken en zo mogelijk te verhelpen.

2.11.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.12. Beoordeling grootte

Deze paragraaf is niet van toepassing voor systemen waarin uitsluitend wordt gekoeld met adiabatische koeling en/of energieopslag (zonder gebruik van een warmtepomp).

2.12.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1a

Controleer of het opgestelde vermogen overeenkomt met het benodigd vermogen.

1

A

1b

Controleer of het opgestelde vermogen overeenkomt met het benodigd vermogen.

2,3

B

2

Beoordeel de systeeminhoud in relatie tot de grootte van de koelinstallatie.

2,3

B

2.12.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Een toelichting met betrekking tot het benodigd vermogen is opgenomen in hoofdstuk 3.

Bij een te hoog opgesteld vermogen dient te worden aanbevolen om bij vervanging van de installatie het vermogen opnieuw te bepalen en de installatiegrootte hierop af te stemmen.

2

De systeeminhoud is te klein wanneer het aantal starts meer bedraagt dan vier per uur.

Bij een te kleine systeeminhoud dient te worden aanbevolen om een buffer op te nemen in het systeem.

2.12.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

2.13. Alternatieven

2.13.1. Inspectie

Nummer

Inspectie

Klassen

Diploma

1a

Overweeg de haalbaarheid van alternatieve oplossingen. Wanneer er een geldig maatwerkadvies beschikbaar is, vervalt de beoordeling van de maatregelen uit hoofdstuk 4.1.

1

A

1b

Overweeg de haalbaarheid van alternatieve oplossingen. Wanneer er een geldig maatwerkadvies beschikbaar is, vervalt de beoordeling van de maatregelen uit hoofdstuk 4.1.

2,3

B

2.13.2. Beoordeling en advies

Nummer

Beoordeling

Advies

1

Een toelichting met betrekking tot alternatieve oplossingen en de haalbaarheid ervan is opgenomen in hoofdstuk 5. Een maatwerkadvies is geldig wanneer dit maximaal tien jaar oud is, en uitgevoerd door een bedrijf dat is gecertificeerd volgende BRL 9500, hoofdstuk 4.

Beveel aan de haalbare maatregelen toe te passen, eventueel bij vervanging of renovatie.

2.13.3. Rapportage

Rapportage zoals omschreven in hoofdstuk 5.

3. Beoordeling grootte

De beoordeling van de grootte van het koelsysteem betreft een vergelijking van het opgesteld vermogen met een indicatie van het benodigd vermogen. Deze indicatie van het benodigd vermogen kan op meerdere manieren worden verkregen.

3.1. Bepaling van de grootte op basis van ontwerpspecificaties

Wanneer de oorspronkelijke ontwerpgegevens van het pand beschikbaar zijn in de vorm van een koellastberekening, bestek of ander ontwerpdocument waarin het benodigd koelvermogen is opgenomen, geldt dit als indicatie voor het benodigd vermogen. Wanneer het opgesteld koelvermogen meer dan 20% afwijkt van dit vermogen dient een herbepaling van het benodigde vermogen en daarbij de afstemming van het opgesteld vermogen geadviseerd te worden.

3.2. Bepaling op basis van kengetallen

Voor koelinstallaties in de categorie 1 en 2, kan een indicatie worden verkregen van het benodigd vermogen op basis van kengetallen. Als eenvoudige vuistregel kan aangehouden worden dat het benodigd vermogen gelijk is aan 125 W/m2 bruto vloer oppervlak. Voor zuid-georiënteerde ruimtes met een glaspercentage van minimaal 60% met lokale koeling zijn waardes tot 140 W/m2 realistisch.

De genoemde waarden gelden voor koeling van de normale functies, inclusief de serverruimte voor normale kantoortoepassingen. Koelvermogen dat benodigd is voor de koeling van bijzondere apparatuur, zoals grote servers et cetera is hierin niet opgenomen. Het benodigd koelvermogen voor deze apparatuur dient bepaald te worden op basis van het opgestelde elektrische vermogen. Hierbij is er voor elke kW opgesteld elektrisch vermogen ook circa 1 kW koelvermogen benodigd.

Wanneer het opgesteld vermogen meer dan 10% groter is dan het benodigd vermogen op basis van kengetallen dient geadviseerd te worden om het koelvermogen nauwkeurig te bepalen en het opgesteld vermogen hierop af te stemmen.

3.3. Schatting voor categorie 3

Voor koelinstallaties van klasse 3 geldt de volgende schatting van het benodigd vermogen. Als eerste wordt een schatting gemaakt van het glaspercentage in de gevel. Hierbij is de zuidgevel leidend. Wanneer de zuidgevel niet representatief is, dient de westgevel als maatgevend te worden beschouwd.

Bepaal het glaspercentage. Dit is het aandeel glas dat aanwezig is in de buitengevel (in formulevorm: glasoppervlak/geveloppervlak x 100%).

Bepaal op basis van het glaspercentage en het feit of er wel of geen buitenzonwering is toegepast het benodigd vermogen volgens de volgende figuur.

Bijlage 252687.png

De waarde volgens de figuur geldt voor koeling van de normale functies, inclusief de serverruimte voor normale kantoortoepassingen. Koelvermogen dat benodigd is voor de koeling van bijzondere apparatuur, zoals grote servers et cetera is hierin niet opgenomen. Het benodigd koelvermogen voor deze apparatuur dient bepaald te worden op basis van het opgestelde elektrische vermogen.

Wanneer het opgesteld vermogen meer dan 10% groter is dan het benodigd vermogen dient geadviseerd te worden om het koelvermogen nauwkeurig te bepalen en het opgesteld vermogen hierop af te stemmen.

4. Alternatieven

In dit hoofdstuk is een overzicht opgenomen van relevante alternatieven die het energiegebruik van de koelinstallatie kunnen reduceren. Per maatregel is aangegeven hoe de haalbaarheid dient te worden afgewogen en of deze geadviseerd dient te worden

4.1. Reductie koudevraag

  • 1 Het toepassen van buitenzonwering. Deze maatregel dient afgewogen te worden bij alle bouw/verbouwplannen. Deze maatregel dient opgenomen te worden in de algemene lijst met energiebesparende maatregelen. Wanneer er specifiek klachten zijn met betrekking tot te hoge ruimtetemperaturen, dient de maatregel expliciet geadviseerd te worden.

  • 2 Dakisolatie. Deze maatregel dient afgewogen te worden bij alle bouw/verbouwplannen. Deze maatregel is opgenomen in de algemene lijst met energiebesparende maatregelen.

  • 3 Toepassing efficiënte apparatuur. De reductie van de interne warmtelast door aanschaf van efficiënte apparatuur is opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

  • 4 Toepassing efficiënte verlichting en verlichtingsregelingen. De reductie van de interne warmtelast door de toepassing van efficiënte verlichting is opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

  • 5 Centraal plaatsen van printers en copiers et cetera, en deze direct afzuigen. Deze optie is opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

  • 6 Het uitvoeren van een energieprestatie advies: Deze optie is opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

4.2. Efficiënte opwekking

  • 7 Verhoog voor zover mogelijk de temperatuur van het koude water. Let bij de selectie van afgifteapparatuur op installaties die geschikt zijn voor hoogtemperatuurkoeling. (aanvoertemperatuur > 10°C). Deze optie is opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

  • 8 Controleer of pompen in het koudwatercircuit voorzien zijn van een automatische toerenregeling. Wanneer dit niet het geval is, dient plaatsing van een toerenregeling te worden aanbevolen.

  • 9 Controleer of er ruimtes zijn die een (bijna) permanente koelvraag hebben. Wanneer dit het geval is, is het zinvol deze ruimtes te voorzien van vrije koeling. Is dit nog niet het geval, dan dient de toepassing van vrije koeling te worden aanbevolen.

  • 10 Ga na of er in de zomerperiode restwarmte op een temperatuur van tenminste 70°C beschikbaar is binnen of nabij het gebouw. Restwarmte is warmte die vrijkomt, zonder dat er een nuttige toepassing voor is. Deze warmte wordt doorgaans afgegeven aan de buitenlucht. Wanneer dit het geval is, dient voor installaties van categorie 2 en 3 aanbevolen te worden de mogelijkheden voor het gebruik van absorptiekoeling te overwegen. Bij deze overweging dient expliciet gecontroleerd te worden of de toepassing van absorptiekoeling leidt tot CO2-reductie.

  • 11 Wanneer het noodzakelijk is dat verwarming en koeling op centraal niveau tegelijk in bedrijf zijn, dient aanbevolen te worden de mogelijkheden voor het gebruik van de condensorwarmte nader te onderzoeken.

  • 12 Ga na voor installaties van categorie 3 of het verwarmingssysteem geschikt is voor laagtemperatuurverwarming (aanvoertemperatuur < 55°C). Wanneer dit het geval is, dient te worden aanbevolen om de mogelijkheden voor warmte-koudeopslag en warmtepompen nader te onderzoeken.

  • 13 Kies bij vervanging van het ventilatiesysteem, of de ventilatoren voor de meest efficiënte ventilatoren. Deze optie dient opgenomen te worden in een algemene lijst met maatregelen.

  • 14 Controleer of compressoren voorzien zijn van een automatische toerenregeling. Deze optie dient opgenomen te worden in een algemene lijst met maatregelen.

  • 15 Verhoog voor zover mogelijk de verdampertemperatuur en verlaag voor zover mogelijk de condensortemperatuur. Deze maatregel dient te worden opgenomen in een algemene lijst met maatregelen.

5. Rapportage

De rapportage dient tenminste de volgende gegevens te bevatten. Het rapportageformat is opgenomen in bijlage VI: rapportageformat.

Gegevens van de inspecteur

  • Naam en adres van het uitvoerende bedrijf, alsmede de naam van de inspecteur.

  • Datum van de inspectie.

  • Handtekening van de inspecteur.

Gegevens van de geïnspecteerde installatie

  • Adres van het pand waarin de installatie zich bevindt.

  • Beschrijving van de installatie, inclusief type installatie en hoofdcomponenten.

  • Overzicht van de relevante documentatie.

Resultaat van de inspectie

  • Van elk aspect uit de inspectie dient te worden aangegeven of dit aspect is uitgevoerd. Indien het is uitgevoerd dient het resultaat te worden aangegeven.

  • Wanneer de inspectie leidt tot een advies dient dit advies te worden opgenomen in de rapportage.

  • Wanneer er metingen worden gedaan, dienen de directe meetwaarden te worden opgenomen in de rapportage.

  • Wanneer er berekeningen gedaan zijn, dient zowel de gebruikte input als het resultaat van de berekeningen te worden opgenomen.

Overige informatie

  • Een algemene lijst met aandachtspunten en maatregelen die van toepassing zijn bij vervanging of wijziging van de installatie.

  • Algemene opmerkingen van aandachtspunten et cetera die tijdens de inspectie zijn gesignaleerd.

Bijlage VI. bij artikel 7c van de Regeling energieprestatie gebouwen

Rapportageformat

Gegevens inspecteur

   

Bedrijfsnaam:

   

Adres

   

Postcode

   

Plaats

   

Naam inspecteur:

   

Registratienummer diploma EPBD A- Airconditioningsystemen:

   

Registratienummer diploma EPBD B- Airconditioningsystemen:

   

Datum inspectie:

   

Gegevens installatie

   

Adres

   

Plaats

   

Omschrijving installatie

   

Type installatie

   

Geïnspecteerde hoofdcomponenten

   

(totaal) vermogen

 

kWth

Klasse

   

Klasse

1

2

3

Aanwezige informatie

   

x

x

x

Overzicht koelmachines, inclusief locatie hoofdcomponenten

O

Beschikbaar

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

   

x

Omschrijving zone-indeling

O

Beschikbaar

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

 

x

x

Beschrijving regeling watertemperatuur

O

Beschikbaar

       

O

Geen gekoeld watersysteem

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

x

x

x

Beschrijving regeling bedrijfstijden

O

Beschikbaar

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

 

x

x

Beschrijving stooklijn koeling en verwarming zones

O

Beschikbaar

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

x

x

x

Onderhoudslogboek koelmachine

O

Beschikbaar

       

O

Niet aanwezig; selecteer advies 1.1

x

x

x

Onderhoudslogboek luchtbehandeling

O

Beschikbaar

       

O

Niet aanwezig; selecteer advies 1.2

x

x

x

Energiegebruiksgegevens

O

Beschikbaar

       

O

Niet aanwezig

x

x

x

Klachtenregister

O

Beschikbaar

       

O

Niet aanwezig; selecteer advies 1.3

x

x

x

Gegevens prestatiemeting

O

Beschikbaar

       

O

Niet aanwezig

 

x

x

Ontwerpspecificaties koeling, principeschema en revisies

O

Beschikbaar

       

O

Niet beschikbaar; ter plaatse opgesteld

x

x

x

Bruto vloeroppervlak

O

Beschikbaar

       

O

Ontwerp koelvermogen beschikbaar dus bruto vloeroppervlak niet nodig

   

x

Glaspercentage

O

Beschikbaar

       

O

Ontwerp koelvermogen beschikbaar dus bruto vloeroppervlak niet nodig

 

x

x

Monitoringsgegevens energieopslag

O

Beschikbaar

       

O

Geen energieopslagsysteem

1

2

3

Beoordeling systeeminformatie

   

x

x

x

Controleer beschikbaarheid informatie

O

Beschikbaar, zie boven

x

x

x

Controleer of er regelmatig onderhoud plaatsvindt

O

Onderhoud vindt periodiek plaats

       

O

Onderhoud vindt niet of onvoldoende plaats; selecteer advies 2.1

 

x

x

Ga na of er klachten zijn en deze goed worden opgepakt

O

Er zijn geen klachten die niet goed worden opgepakt

       

O

Er zijn klachten die telkens terugkeren; selecteer advies 2.2

1

2

3

Inspectie koudeopwekker

   

x

x

x

Lokaliseer hoofdcomponenten en controleer op belemmeringen

O

Er zijn geen belemmeringen

       

O

Er zijn belemmeringen voor een goede werking; selecteer advies 3.1

 

x

x

Controleer principeschema

O

Principeschema komt overeen met werkelijke situatie

       

O

Er zijn afwijkingen tussen de werkelijke situatie en het principeschema; selecteer advies 3.2

x

x

x

Controleer isolatie koudemiddelleidingen

O

Isolatie in orde

       

O

Isolatie niet aanwezig of in slechte staat; selecteer advies 3.3

x

x

x

Beoordeel efficiency

Huidige COP: .................................

Haalbaar volgens stand der techniek:.........

Besparingspotentieel ..............%

       
       
 

x

x

Beoordeel gemiddelde deltaT energieopslag

Verpompt waterdebiet (zomer).............

Geladen warmte (MWh)..........................

Gemiddelde deltaT (°C)..........................

Verpompt waterdebiet (zomer).............

Geladen koude (MWh).............................

Gemiddelde deltaT (°C)..........................

       
       
       
       
       
       

O

DeltaT voldoende groot

       

O

DeltaT te klein; selecteer advies 3.4

1

2

3

Pompen en leidingen

   

x

x

x

Controleer isolatie gekoeld water leidingen

O

Isolatie in orde

       

O

Isolatie niet aanwezig of in slechte staat; selecteer advies 4.1

 

x

x

Bepaal temperatuur verschil tussen aanvoer en retour

Aanvoertemperatuur (°C).................

Retourtemperatuur (°C)............

Verschil (°C).........................................

       
       
       

O

DeltaT voldoende groot

       

O

DeltaT te klein; selecteer advies 4.2

1

2

3

Afgifte condensorwarmte

   

x

x

x

Beoordeel vervuiling en werking condensorunits

O

Units zijn schoon

       

O

Units zijn vervuild; selecteer advies 5.1

x

x

x

Controleer belemmering luchtaanzuiging

O

Er zijn geen belemmeringen

       

O

Er zijn belemmeringen; selecteer advies 5.2

x

x

x

Controleer de aanzuig van onverwarmde lucht

O

De aangezogen lucht is onverwarmd

       

O

De aangezogen lucht is verwarmd;

selecteer advies 5.3

 

x

x

Controleer draairichting ventilatoren

O

Draairichting is correct

       

O

Draairichting is incorrect; selecteer advies 5.4

 

x

x

Controleer afkoeling koeltoren

Aanvoertemperatuur (°C)...................

Retourtemperatuur (°C).....................

Verschil (°C)...........................................

       
       
       

O

DeltaT voldoende groot

       

O

DeltaT te klein; selecteer advies 5.5

1

2

3

Warmtewisselaar afgifte-unit

   

x

x

x

Controle warmtewisselaars op vervuiling

O

De warmtewisselaars zijn schoon

       

O

De warmtewisselaars zijn (soms) vervuild; selecteer advies 6.1

x

x

x

Controle filters op vervuiling

O

De filters zijn schoon

       

O

De filters zijn (soms) vervuild; selecteer advies 6.2

       

O

Onderhoud vindt periodiek plaats; filter niet gecontroleerd

1

2

3

Luchtbehandeling geventileerde ruimten

   

x

x

x

Controleer type roosters

O

Er zijn geen klachten; controle niet uitgevoerd

       

O

Type roosters is correct

       

O

Type roosters is incorrect; selecteer advies 7.1

x

x

x

Controleer toestand luchtbehandeling

O

Systeem nog in oorspronkelijke toestand

       

O

Er zijn significante afwijkingen; die de werking verstoren selecteer advies 7.2

1

2

3

Centrale luchtbehandeling

   

x

x

x

Controleer onderhoudsfrequentie

O

Onderhoudsfrequentie correct

       

O

Onderhoud onvoldoende; selecteer advies 8.1

x

x

x

Drukval over filters

Drukverschil (Pa)................................

       

O

Drukverschil voldoende laag

       

O

Drukverschil te hoog; selecteer advies 8.2

x

x

x

Controleer warmtewisselaars

O

De warmtewisselaar is schoon

       

O

De warmtewisselaar is vervuild; selecteer advies 8.3

1

2

3

Luchtinlaat

   

x

x

x

Controleer luchtinlaat

O

Luchtinlaat schoon

       

O

Luchtinlaat belemmerd; selecteer advies 9.1

x

x

x

Controleer de aanzuig van onverwarmde lucht

O

De aangezogen lucht is onverwarmd

       

O

De aangezogen lucht is verwarmd;

selecteer advies 9.2

1

2

3

Regeling

   
 

x

x

Controleer zone-indeling

O

Zone-indeling correct

       

O

Zone-indeling sluit onvoldoende aan bij situatie; selecteer advies 10.1

x

x

x

Controleer kloktijd

O

Kloktijd correct

       

O

Kloktijd onjuist; adviseer advies 10.2

x

x

x

Controleer bedrijfstijd

O

Klokprogramma correct

       

O

Klokprogramma wijkt af van bedrijfstijden; selecteer advies 10.3

x

x

x

Controleer locatie sensoren

O

Locatie correct

       

O

Locatie incorrect; selecteer advies 10.4

x

x

x

Controleer gemeten temperatuur

O

Temperatuur correct

       

O

Te groot verschil tussen gemeten en aangegeven temperatuur; selecteer advies 10.5

x

x

x

Controleer gelijktijdige koeling en verwarming op zone-niveau

O

Zones niet gelijktijdig verwarmd en gekoeld

       

O

Zones noodzakelijkerwijs gelijktijdig verwarmd en gekoeld

       

O

Zones niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig verwarmd en gekoeld; selecteer advies 10.6

x

x

x

Controleer gelijktijdige koeling en verwarming op ruimteniveau

O

Ruimtes niet gelijktijdig verwarmd en gekoeld

       

O

Ruimtes gelijktijdig verwarmd en gekoeld; selecteer advies 10.7

 

x

x

Controleer regeling luchtdebiet

O

Regeling gebeurt energetisch optimaal

       

O

Regeling niet door toerenregeling. Potentiële besparing ....%

 

x

x

Beoordeel regeling gekoeld watertemperatuur

O

Geen gekoeld water; controle niet uitgevoerd

       

O

Regeling optimaal

       

O

Er zijn mogelijkheden voor toepassing/verbetering stooklijn; selecteer advies 10.8

1

2

3

Bemetering    
 

x

x

Controleer aanwezigheid energiegebruiksmeter

O

Energiemeting aanwezig

       

O

Energiemeting niet aanwezig; selecteer advies 11.1

   

x

Controleer aanwezigheid prestatiemeter

O

Prestatiemeting aanwezig

       

O

Prestatiemeting niet aanwezig; selecteer advies 11.2

x

x

x

Controleer aanwezigheid meetdata

O

Geen meters aanwezig

       

O

Metingen beschikbaar

       

O

Geen metingen beschikbaar; selecteer advies 11.3

x

x

x

Beoordeel energiegebruik

O

Energiegebruik normaal of laag

       

O

Energiegebruik hoog; selecteer advies 11.4

       

O

Geen meetdata beschikbaar

 

x

x

Beoordeel prestatie

O

prestatie normaal of hoog

       

O

Prestatie laag; selecteer advies 11.5

       

O

Geen meetdata beschikbaar

1

2

3

Beoordeling grootte

   

x

x

x

Bepaal benodigd vermogen

O

.... kW volgens ontwerp

       

O

Bruto vloeroppervlak ..... M2

       

O

Wel/geen buitenzonwering

       

O

......% glas in de gevel

       

O

....kW koudevraag

       

O

....kW aanvullende koudevraag

x

x

x

Beoordeel opgesteld vermogen

O

Opgesteld vermogen normaal of laag

       

O

Opgesteld vermogen (te) hoog;

selecteer advies 12.1

 

x

x

Beoordeling systeeminhoud

Aantal start/stops:.................................

Aantal draaiuren:.................................

       
       

O

Aantal start/stops normaal

       

O

Aantal start/stops hoog; selecteer advies 12.2

1

2

3

Alternatieven

   

x

x

x

Toepassing zonwering

O

Er zijn geen klachten

       

O

Er zijn klachten van oververhitting en er is geen buitenzonwering; selecteer advies 13.1

x

x

x

Zijn pompen in het gekoeldwatercircuit voorzien van automatische toerenregeling?

O

Ja

       

O

Nee; selecteer advies 13.2

x

x

x

Zijn er ruimtes met permanente koudevraag?

O

Nee of vrije koeling reeds toegepast

       

O

Ja en vrije koeling is nog niet toegepast; selecteer advies 13.3

 

x

x

is er restwarmte van minimaal 70 °C beschikbaar?

O

Ja; selecteer advies 13.4

       

O

Nee

x

x

x

Is er sprake van gelijktijdige verwarming en koeling?

O

Ja en condensorwarmte wordt nog niet benut; selecteer advies 13.5

       

O

Nee

       

O

Ja, maar condensorwarmte wordt reeds benut

   

x

Is er sprake van een laag temperatuur warmteafgifte?

O

Ja, en warmtepompen worden nog niet

toegepast; selecteer advies 13.6

       

O

Nee

       

O

Ja, maar warmtepompen worden reeds toegepast

Advieslijst

O

1.1

Er is geen logboek bij de koelmachine aanwezig. Stel deze op en houd daarin de gegevens over de installatie bij.

O

1.2

Er is geen logboek bij de luchtbehandelingskast aanwezig. Stel deze op en houd daarin de gegevens over de

installatie bij.

O

1.3

Er is geen klachtenregister aanwezig. Stel deze op en houd daarin klachten over de installatie bij.

O

2.1

Er vind geen of onvoldoende onderhoud plaats aan uw koelinstallatie. U wordt geadviseerd alsnog een onderhoudscontract af te sluiten met uw installateur

O

2.2

Er zijn klachten die onvoldoende worden afgehandeld. Wij adviseren u deze alsnog correct af te handelen. Zie toelichting.

O

3.1

Er zijn belemmeringen voor de goede werking van uw koelinstallatie (zie toelichting). Wij adviseren u deze te laten verwijderen.

O

3.2

Het principeschema komt niet overeen met de werkelijkheid. Wij adviseren u een correct principeschema te (laten) opstellen.

O

3.3

De isolatie van de koudemiddelleidingen is onvoldoende of ondeugdelijk. Wij adviseren u deze te laten aanbrengen en/of herstellen.

O

3.4

Het gemiddelde temperatuurverschil tussen ontrekkingsbron en injectiebron is erg klein. Wij adviseren u de installatie te laten controleren op verbetermogelijkheden en zonodig aan te passen.

O

4.1

De isolatie van de gekoeld water leidingen is onvoldoende of ondeugdelijk. Wij adviseren u deze te laten aanbrengen en/of herstellen.

O

4.2

Het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retour is erg klein. Wij adviseren u uw installatie opnieuw te laten inregelen.

O

5.1

De condensorunit(s) zijn vervuild. Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te laten reinigen.

O

5.2

De condensors kunnen onvoldoende lucht aanzuigen. Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te verhelpen (zie toelichting).

O

5.3

De aanzuiglucht van de condensors is reeds verwarmd (zie toelichting). Wij adviseren dit te verhelpen.

O

5.4

De draairichting van de ventilatoren op de condensors is incorrect. Wij adviseren u de draairichting om te laten keren.

O

5.5

Het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retour van en naar de koeltoren is erg klein. Wij adviseren u de koeltoren te laten inspecteren op vervuiling.

O

6.1

De warmtewisselaar(s) in afgifte-units zijn vervuild (zie toelichting). Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te laten reinigen.

O

6.2

De filters in afgifte-units zijn vervuild (zie toelichting). Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te laten reinigen.

O

7.1

Er zijn onjuiste roosters gebruikt voor de inblaas en/of afzuiging van ventilatielucht (zie toelichting). Dit leidt tot klachten. Wij adviseren u de roosters te vervangen door correcte types.

O

7.2

Er zijn belangrijke wijzigingen aangebracht in de luchtbehandeling in ruimtes, die de werking verstoren. Wij adviseren u hier een correcte oplossing voor te gebruiken.

O

8.1

Er vind geen of onvoldoende onderhoud plaats aan de luchtbehandelingskast. U wordt geadviseerd alsnog een onderhoudscontract af te sluiten met uw installateur

O

8.2

Het drukverschil over de filters in de luchtbehandelingskast is erg hoog. Wij adviseren de luchtfilters te vervangen.

O

8.3

De warmtewisselaar in luchtbehandelingskast is vervuild (zie toelichting). Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te laten reinigen.

O

9.1

De luchtinlaat van de luchtbehandelingsinstallatie is vervuild. Dit belemmert een goede werking. Wij adviseren u deze te verhelpen.

O

9.2

De aanzuiglucht van de luchtbehandelingskast is reeds verwarmd (zie toelichting). Wij adviseren dit te verhelpen.

O

10.1

De zonering sluit niet goed aan bij de specifieke koudevraag van sectoren. Wij adviseren de zonering aan te passen.

O

10.2

De kloktijd van de klok die de koelinstallatie aanstuurt is onjuist. Wij adviseren deze bij te (laten) stellen.

O

10.3

Het klokprogramma sluit onvoldoende aan bij de bedrijfstijden. Wij adviseren het klokprogramma bij te stellen.

O

10.4

De locatie van sensoren is onjuist (zie toelichting). Wij adviseren de locatie aan te passen.

O

10.5

Sommige sensoren (zie toelichting) geven een incorrecte temperatuur weer. Wij adviseren u deze sensoren te laten kalibreren.

O

10.6

Sommige zones (zie toelichting) worden ten onrechte tegelijk verwarmd en gekoeld. Wij adviseren de stooklijnen zodanig aan te passen dat dit voorkomen wordt.

O

10.7

Sommige ruimtes (zie toelichting) worden tegelijk verwarmd en gekoeld. Wij adviseren de regeling zodanig aan te passen dat dit voorkómen wordt.

O

10.8

De stooklijn voor gekoeld water kan waarschijnlijk aangepast worden. Wij adviseren de mogelijkheden hiervoor te laten onderzoeken en de aanpassingen indien mogelijk door te voeren.

O

11.1

Het energiegebruik van de koelinstallatie wordt momenteel niet bemeten. Wij adviseren u energiemeters te plaatsen die het energiegebruik van de installatie meten.

O

11.2

De prestaties van de koelinstallatie wordt momenteel niet bemeten. Wij adviseren u prestatiemeters te plaatsen.

O

11.3

Er zijn meters voor energie en/of prestaties aanwezig die niet periodiek worden uitgelezen. Wij adviseren u dit vanaf heden wel te doen.

O

11.4

Het energiegebruik van de koelinstallatie is erg hoog. Wij adviseren u de oorzaak hiervan te laten onderzoeken en zo mogelijk te verhelpen.

O

11.5

De prestaties van de koelinstallatie zijn erg laag. Wij adviseren u de oorzaak hiervan te laten onderzoeken en zo mogelijk te verhelpen.

O

12.1

Het opgesteld vermogen van de koelinstallatie is erg hoog.

Wij adviseren u het vermogen bij vervanging van de installatie opnieuw te laten bepalen en de installatie daarop af te stemmen.

O

12.2

Het aantal start/stops is erg hoog. Wij adviseren u een buffer te laten plaatsen door uw installateur.

O

13.1

Er zijn momenteel klachten van oververhitting. Deze klachten kunnen worden verminderd door de toepassing van buitenzonwering. Wij adviseren u de mogelijkheden hiervoor na te gaan.

O

13.2

Wij adviseren u de pompen in het gekoeld watersysteem te voorzien van een automatische toerenregeling.

O

13.3

Wij adviseren u de mogelijkheden voor de toepassing van vrije koeling te onderzoeken.

O

13.4

Wij adviseren u de mogelijkheden voor de toepassing van absorptiekoeling te onderzoeken. Let hierbij nadrukkelijk of de toepassing ervan leidt tot CO2-reductie.

O

13.5

Wij adviseren u de mogelijkheden na te gaan voor het gebruik van de condensorwarmte van de koelinstallatie.

O

13.6

Wij adviseren u de mogelijkheden na te gaan voor het gebruik van warmtepompen en energieopslag.

Algemene adviezen

O

Overweeg bij renovatie en/of nieuwbouw de toepassing van buitenzonwering. Dit verlaagt de koudevraag.

O

Overweeg bij renovatie en/of nieuwbouw de toepassing van dakisolatie. Dit verlaagt de koudevraag.

O

Overweeg bij renovatie en/of nieuwbouw de toepassing van efficiënte apparatuur zoals flatscreens, thin clients et cetera. Dit verlaagt de koudevraag.

O

Overweeg de toepassing van efficiënte verlichting, zoals HF-verlichting met aanwezigheidsdetectie en daglichtafhankelijke regeling. Dit verlaagt de koudevraag.

O

Overweeg om printers et cetera centraal te plaatsen en de vrijkomende warmte direct af te zuigen. Dit verlaagt de koudevraag.

O

Wij adviseren u tenminste eenmaal per 10 jaar een maatwerkadvies te laten uitvoeren naar de mogelijke energiebesparende maatregelen door een gecertificeerd bedrijf.

O

Kies bij vervanging van installatiecomponenten voor componenten die geschikt zijn voor hoog temperatuur koeling.

O

Kies bij vervanging van ventilatoren voor de meest energiezuinige varianten.

O

Kies bij vervanging van koelinstallatie voor de meest energiezuinige varianten.

O

Kies bij vervanging van de koelinstallatie voor de toepassing van een efficiënte toerenregeling.

O

Overweeg het gebruik van toerenregeling op de ventilatoren

O

Onderzoek de mogelijkheden voor verhoging van de verdampertemperatuur. Neem dit onderdeel op in het onderhoudscontract

O

Onderzoek de mogelijkheden voor verlaging van de condensortemperatuur. Neem dit onderdeel op in het onderhoudscontract

Toelichting bij advies

Nummer

Toelichting

     
     
     
Overige opmerkingen inspecteur
     
     
     
     
Ondertekening

Plaats:

   

Datum:

   

Handtekening:

   
     
     
     
     
     

Bijlage VII. bij de artikelen 1, 7g, 7h en 7l van de Regeling energieprestatie gebouwen

Exameneisen diploma EPBD-A

In de onderstaande tabel zijn de exameneisen opgenomen voor het diploma EPBD-A

Omschrijving

Klassen

Theoretisch / Praktisch

De inspecteur kan onderscheid maken tussen de verschillende installatietypen en klassen

1,2,3

T

De inspecteur kan de voor de inspectie benodigde gegevens verzamelen.

Zie Bijlage 1: tabel 2.1

P

De inspecteur kan de door de opdrachtgever aangeleverde gegevens op waarde schatten

Zie Bijlage 1: tabel 2.1

P

De inspecteur heeft voldoende kennis van en inzicht in de F-gassen inspectie

1,2,3

T

De inspecteur is in staat de verplicht aanwezige documentatie op te stellen

1,2,3

 

De inspecteur kan de beschikbaarheid en de volledigheid van de documentatie controleren

1,2,3

P

De inspecteur kan zorgdragen voor de juiste voorbereiding op de inspectie

1,2,3

P

De inspecteur is in staat om te bepalen of onderhoud met de juiste regelmaat wordt uitgevoerd door bevoegde instanties

1,2,3

P

De inspecteur kan de componenten van de koelinstallatie lokaliseren en controleren op belemmeringen voor goede werking

1,2,3

P en T

De inspecteur kan de werkelijke situatie verifiëren met het principeschema

2 en 3

P en T

De inspecteur is in staat de aanwezigheid en conditie van isolatie te controleren

1,2,3

P en T

De inspecteur heeft inzicht in de prestatie van de koelinstallatie in vergelijking met een gelijkwaardig systeem

1

P en T

De inspecteur is in staat de aanwezigheid en conditie van isolatie te controleren

1,2,3

P en T

De inspecteur heeft voldoende inzicht om het verschil tussen de aanvoertemperatuur en de retourtemperatuur te bepalen en te beoordelen

2 en 3

P

De inspecteur kan de condensorunits lokaliseren en controleren

1,2,3

P en T

De inspecteur heeft voldoende ervaring om te controleren of de unit zonder belemmeringen lucht kan aanzuigen

1,2,3

P

De inspecteur heeft voldoende inzicht om na te gaan of de unit voldoende onverwarmde lucht kan aanzuigen

1,2,3

P

De inspecteur is in staat om de draairichting van de ventilatoren vast te stellen

2,3

T

De inspecteur is in staat de afkoeling van het koelwater in de koeltoren te beoordelen

2,3

P en T

De inspecteur kan warmtewisselaars controleren op vervuiling en is in staat de mate van vervuiling vast te stellen

1,2,3

P en T

De inspecteur is in staat vast te stellen of er aantoonbaar onderhoud plaatsvindt aan de ruimte units

1,2,3

P

De inspecteur kan filters controleren en hun conditie vaststellen

1,2,3

P en T

De inspecteur is in staat de locatie en het type van inblaas- en afzuigroosters te controleren op correctheid

1,2,3

T

De inspecteur is in staat om de toestand van het luchtbehandelingssysteem te bepalen

1,2,3

P en T

De inspecteur is in staat om de onderhouds- frequentie en -omvang van de luchtbehandelingsinstallatie te beoordelen

1,2,3

T

De inspecteur kan filters controleren en hun conditie vaststellen

1,2,3

P en T

De inspecteur is in staat de mate van vervuiling van de warmtewisselaar in de luchtbehandelingskast vast te stellen

1,2,3

P

De inspecteur is in staat de luchtinlaten van de luchtbehandelingskast te beoordelen

1,2,3

P

De inspecteur heeft voldoende inzicht om na te gaan of het luchtbehandelingssysteem voldoende onverwarmde lucht kan aanzuigen

1,2,3

P

De inspecteur kan de klok en bijbehorend klokprogramma die de installatie aanstuurt controleren

1,2,3

P

De inspecteur kan de plaats van de temperatuursensoren in het systeem controleren en valideren

1

P

De inspecteur is in staat om te beoordelen of de sensoren de juiste temperatuur aangeven

1,2,3

P

De inspecteur is in staat om bij 3- of 4-pijps systemen vast te stellen of zones niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming.

1

P

De inspecteur is in staat om vast te stellen of ruimtes niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming

1,2,3

P

De inspecteur kan bepalen of het energiegebruik voor koeling realistisch is gezien de aard en het gebruik van het gebouw

1

P en T

De inspecteur kan het opgestelde vermogen bepalen

1,2,3

P en T

De inspecteur kan het benodigd vermogen bepalen

1

P en T

De inspecteur kan de haalbaarheid van alternatieve oplossingen beoordelen

1

P en T

T: exameneis is theoretisch van aard; P: eis is praktisch van aard

Bijlage VIII. bij de artikelen 1, 7g, 7h en 7l van de Regeling energieprestatie gebouwen

Exameneisen diploma EPBD-B

In de onderstaande tabel zijn de exameneisen opgenomen voor het diploma EPBD-B

Omschrijving

Klassen

Theoretisch / praktisch

De inspecteur kan onderscheid maken tussen de verschillende installatietypen en klassen

1,2,3

T

De inspecteur kan de voor de inspectie benodigde gegevens verzamelen

Zie Bijlage 1: tabel 2.1

P

De inspecteur kan de door de opdrachtgever aangeleverde gegevens op waarde schatten

Zie Bijlage 1: tabel 2.1

P

De inspecteur is in staat de verplicht aanwezige documentatie op te stellen

1,2,3

 

De inspecteur kan de beschikbaarheid en de volledigheid van de documentatie controleren

1,2,3

P

De inspecteur kan zorgdragen voor de juiste voorbereiding op de inspectie

1,2,3

P

De inspecteur is in staat het klachtenregister te controleren

2 en 3

P en T

De inspecteur heeft inzicht in de prestatie van de koelinstallatie in vergelijking met een gelijkwaardig systeem

2 en 3

P en T

De inspecteur is in staat om de prestatie van het energieopslagsysteem te beoordelen

2 en 3

P en T

De inspecteur is in staat om te bepalen of de zonering in de distributie correct is

2 en 3

T

De inspecteur kan de plaats van de temperatuursensoren in het systeem controleren en valideren

2 en 3

P

De inspecteur is in staat om bij 3- of 4-pijps systemen vast te stellen of zones niet tegelijkertijd worden voorzien van koeling en verwarming

2 en 3

P

De inspecteur is in staat de regeling voor het luchtdebiet te controleren en te vergelijken met de huidige stand der techniek

2 en 3

P

De inspecteur is in staat de regeling voor de temperatuur van het gekoelde water te beoordelen

2 en 3

P

De inspecteur moet na kunnen gaan of er meters zijn geïnstalleerd die het energiegebruik van de installatie meten

1,2,3

P

De inspecteur moet na kunnen gaan of er meters zijn geïnstalleerd die de prestaties van de installatie meten

2 en 3

P

De inspecteur moet kunnen bepalen of de meters daadwerkelijk uitgelezen worden

1,2,3

P

De inspecteur kan bepalen of het energiegebruik voor koeling realistisch is gezien de aard en het gebruik van het gebouw

2 en 3

P en T

De inspecteur kan bepalen of de werkelijke prestatie overeenkomt met de ontwerpgegevens van de installatie

2 en 3

T

De inspecteur kan het benodigd vermogen bepalen

2 en 3

P en T

De inspecteur kan het opgestelde vermogen bepalen

2 en 3

P en T

De inspecteur kan de systeeminhoud beoordelen

2 en 3

P

De inspecteur kan de haalbaarheid van alternatieve oplossingen beoordelen

2 en 3

P en T

T: exameneis is theoretisch van aard; P: eis is praktisch van aard

  • ^ [1]

    Koudeterugwinning met behulp van een warmtewiel geldt hierbij niet als actieve koeling.