Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling ESF 2007–2013[Regeling vervallen per 01-09-2009.]

Geldend van 04-04-2009 t/m 31-08-2009

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006 Directie Arbeidsmarktbeleid, nr. AM/ESM/06/100794, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds ter verwezenlijking van de doelstelling ‘Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid’ (Subsidieregeling ESF 2007–2013)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Overwegende dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de doelstelling Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L210), nadere regels worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die verordening, alsmede verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 (PbEU 2006, L210), en Commission regulation setting out rules for the implementation of Council Regulation (EC) no. 1083/2006 laying down general provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund and the Cohesion Fund and of Regulation (EC) No. 1080/2006 of the European Parliament and of the Council on the European Regional development Fund;

Gelet op de artikelen 3, eerste en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 1.1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-09-2009]

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.1.a. Volledige subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

Voor de toepassing van de artikelen 1.4., 3.1. tot en met 3.4., 5.8. en 6.1. is sprake van een volledige subsidieaanvraag indien is voldaan aan de artikelen 5.1 tot en met 5.6.

Artikel 1.2. Doel van de regeling [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

    • a. additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt als bedoeld onder Actie A van het Operationeel Programma;

    • b. re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen als bedoeld onder Actie B van het Operationeel Programma;

    • c. praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld onder Actie C van het Operationeel Programma;

    • d. verbetering arbeidsmarktpositie werkenden als bedoeld onder Actie D van het Operationeel Programma; of

    • e. sociale innovatie als bedoeld onder Actie E van het Operationeel Programma.

  • 2 Indien de Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft ingestemd met het Operationele Programma, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie instemt met dat Operationele Programma.

  • 3 In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, kan de minister de subsidie aanpassen aan het gewijzigde Operationele Programma, dat wel de instemming van de Europese Commissie heeft verkregen.

Artikel 1.3. Subsidieplafond [Vervallen per 01-09-2009]

  • 2 De minister kan met betrekking tot de verdeling van het maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in het eerste lid, over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 voorafgaande aan het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5.1, een maximaal beschikbaar bedrag voor een kalenderjaar vaststellen. Indien de minister het maximaal beschikbaar bedrag voor een kalenderjaar na 2007 vaststelt, doet hij daarvan mededeling in de Staatscourant.

  • 3 Indien na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, blijkt dat het totale bedrag aan subsidieaanvragen ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, onderscheiden per doelgroep als bedoeld in artikel 2.1.1, onder a tot en met c, met betrekking tot één van die doelgroepen geringer is dan het voor dat aanvraagtijdvak voor die doelgroep beschikbare bedrag, terwijl voor elk van de beide andere doelgroepen geldt dat het totale bedrag aan subsidieaanvragen dat met betrekking tot elk van die beide andere doelgroepen is ingediend, het voor dat aanvraagtijdvak voor elk van die beide andere doelgroepen beschikbare bedrag overschrijdt, wordt het onbenutte gedeelte van het beschikbare bedrag van de ene doelgroep in gelijke delen toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor elk van de beide andere doelgroepen. Indien na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, blijkt dat het totale bedrag aan subsidieaanvragen ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, onderscheiden per doelgroep als bedoeld in artikel 2.1.1, onder a tot en met c, met betrekking tot twee van die doelgroepen, per doelgroep geringer is dan het voor dat aanvraagtijdvak voor elk van die twee doelgroepen beschikbare bedrag, terwijl voor de derde doelgroep geldt dat het totale bedrag aan subsidieaanvragen dat met betrekking tot die doelgroep is ingediend het voor dat aanvraagtijdvak voor die doelgroep beschikbare bedrag overschrijdt, wordt het onbenutte gedeelte van de beschikbare bedragen van de twee doelgroepen geheel toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor de doelgroep, waarbij het totale bedrag aan subsidieaanvragen het voor die doelgroep beschikbare bedrag overschrijdt. Van een toevoeging als bedoeld in de eerste of de tweede zin doet de Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 1.4. Verdeling maximaal beschikbaar bedrag Actie A, doelgroep artikel 2.1.1, onder b, Actie C, voor zover sprake is van een eerste verlening op grond van deze regeling en Actie D, voor zover sprake is van een subsidieaanvraag die is ingediend op of na 1 januari 2009 [Vervallen per 01-09-2009]

  • 2 Wanneer de subsidieaanvrager in de gelegenheid is gesteld om zijn onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen, geldt als tijdstip van ontvangst het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

  • 4 Met betrekking tot de verdeling van het maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder a, ten behoeve van projecten gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder b, hebben subsidieaanvragen van een college van burgemeester en wethouders voorrang op subsidieaanvragen van het UWV of van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en hebben subsidieaanvragen van het UWV voorrang op subsidieaanvragen van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds.

Artikel 1.5. Verdeling maximaal beschikbaar bedrag Actie A, doelgroep artikel 2.1.1, onder a en c, Actie C, voor zover geen sprake is van een eerste verlening op grond van deze regeling, Actie D, voor zover sprake is van een subsidieaanvraag die is ingediend voor 1 januari 2009, en Actie E [Vervallen per 01-09-2009]

  • 3 Na afloop van een aanvraagtijdvak als bedoeld in artikel 5.1 worden de volledige en onvolledige subsidieaanvragen met betrekking tot projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, in rangorde geplaatst door middel van loting. Indien door dezelfde aanvrager in een aanvraagtijdvak twee of meer aanvragen zijn ingediend met betrekking tot een naar aard of strekking identiek project, doet slechts een van die aanvragen mee aan de loting.

  • 4 Indien het subsidiebedrag dat op grond van deze regeling verleend kan worden aan de subsidieaanvrager wiens subsidieaanvraag als eerste in de rangorde is geplaatst lager is dan het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, dan wel indien ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a, projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder c, projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, door een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project als bedoeld in artikel 1.2 , eerste lid, onder c, is verleend, projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, voor zover sprake is van een subsidieaanvraag die is ingediend voor 1 januari 2009, of projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, voor een kalenderjaar een maximaal beschikbaar bedrag is vastgesteld, lager is dan het voor dat kalenderjaar van toepassing zijnde maximaal beschikbaar bedrag, verleent de Minister dat subsidiebedrag. Indien aan de subsidieaanvrager van de in de rangorde volgende subsidieaanvraag een subsidiebedrag verleend kan worden dat lager is dan het bedrag dat na de beslissing op de eerste subsidieaanvraag van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag resteert, verleent de Minister ook aan die subsidieaanvrager dat subsidiebedrag en zo vervolgens.

  • 5 Indien in de rangorde een subsidieaanvraag aan de orde is, waarvan het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het bedrag dat na de beslissingen op eerdere in de rangorde geplaatste subsidieaanvragen van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag resteert, wordt de subsidieaanvraag geheel afgewezen.

  • 6 Onder maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt voor zover de subsidieaanvragen betrekking hebben op projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, door een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, is verleend, verstaan het maximaal beschikbare bedrag dat voor projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, resteert, na toepassing van artikel 1.4.

  • 7 Met betrekking tot de verdeling van het maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder a, ten behoeve van projecten gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a en c, hebben subsidieaanvragen van een college van burgemeester en wethouders voorrang op subsidieaanvragen van het UWV of van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en hebben subsidieaanvragen van het UWV voorrang op subsidieaanvragen van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds.

Artikel 1.6. Aanwijzing van autoriteiten [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Als managementautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van de verordening wordt aangewezen het Agentschap SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 2 Als certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder b, van de verordening wordt aangewezen de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder c, van de verordening wordt aangewezen de Auditdienst van het Ministerie van Financiën.

Artikel 1.7. Algemene Regeling SZW-subsidies [Vervallen per 01-09-2009]

De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.

Hoofdstuk 2. Subsidiabele projecten [Vervallen per 01-09-2009]

Paragraaf 1. Projecten in het kader van Actie A [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 2.1.1. Doel projecten Actie A [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing te vergroten van personen die behoren tot de volgende doelgroepen:

  • a. niet-uitkeringsontvangers;

  • b. arbeidsbelemmerden, dan wel gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV, alsmede personen met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%; of

  • c. 55-plussers met een WWB-uitkering, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV.

Artikel 2.1.2. Eisen ten aanzien van projecten Actie A [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a. het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.1.1;

    • b. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

    • c. de in de subsidieaanvraag begrote kosten van het project tenminste € 250.000,– bedragen;

    • d. het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

    • e. de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de Minister of door hem aangewezen derden.

  • 2 Indien het project gericht is op meer doelgroepen en in de subsidieaanvraag sprake is van één of meer doelgroepen waarvoor afzonderlijk minder kosten zijn begroot dan € 250.000 komt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, het project slechts voor subsidie in aanmerking indien het op grond van de artikelen 1.4. en 1.5. te verlenen bedrag voor de doelgroepen tezamen ten minste € 250.000 bedraagt.

Artikel 2.1.3. Nadere eisen projecten Actie A [Vervallen per 01-09-2009]

Onverminderd artikel 2.1.2 komt een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, waarvoor een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds als subsidieaanvrager optreedt, slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a. dat Opleidings- en Ontwikkelingsfonds door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend, en

  • b. dat Opleidings- en Ontwikkelingsfonds bij de uitvoering van het project op basis van een overeenkomst, die voor de feitelijke aanvang van het project aan de minister is overgelegd, samenwerkt met een college van burgemeester en wethouders, dan wel met colleges van burgemeester en wethouders of met het UWV.

Artikel 2.1.4. Nadere eisen projecten Actie A – doelgroep artikel 2.1.1, onder b [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 2.1.5. Prioritering projecten Actie A – doelgroep artikel 2.1.1, onder a [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, voor zover gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a, hebben voorrang op elkaar naar mate de inschrijvingsduur bij het UWV van de deelnemers aan het project langer is. De weging van de lengte van inschrijvingsduur vindt plaats met in achtneming van de in bijlage 5 opgenomen scoreverdeling.

  • 2 Indien toepassing van de in bijlage 5 opgenomen scoreverdeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, worden de op die projecten betrekking hebbende subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de Minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Artikel 2.1.6. Prioritering projecten Actie A – doelgroep artikel 2.1.1, onder c [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, voor zover gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder c, hebben voorrang op elkaar naar mate de duur van de periode waarin de deelnemers aan het project een WWB-uitkering ontvangen langer is. Bij het bepalen van de lengte van de duur van de WWB-uitkering wordt de duur van de periode waarin een deelnemer aan het project, onmiddellijk voorafgaande aan het ontvangen van de WWB-uitkering, een uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft ontvangen, meegeteld. De weging van de lengte van de duur van de WWB-uitkering vindt plaats met in achtneming van de in bijlage 5 opgenomen scoreverdeling.

  • 2 Indien toepassing van de in bijlage 5 opgenomen scoreverdeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, worden de op die projecten betrekking hebbende subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de Minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Paragraaf 2. Projecten in het kader van Actie B [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 2.2.1. Doel projecten Actie B [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, heeft tot doel gedetineerden van 15 jaar of ouder of civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren, een startkwalificatie te doen verwerven, of anderszins voor te bereiden op een functie op de reguliere arbeidsmarkt en na afloop van hun detentie, dan wel hun civielrechtelijk verblijf in een Jeugdinrichting, op een reguliere arbeidsplaats te doen plaatsen.

Artikel 2.2.2. Eisen ten aanzien van projecten Actie B [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a. het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.2.1;

  • b. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c. ten aanzien van de in artikel 2.2.1 genoemde personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt toegepast;

  • d. reeds tijdens de detentieperiode, dan wel verpleegperiode, over de vorm en inhoud van de individuele trajectbegeleiding contact wordt opgenomen met de gemeente, waar de deelnemer aan het project, naar zijn zeggen, na zijn invrijheidstelling zijn woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand zal hebben;

  • e. het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

  • f. de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

Paragraaf 3. Projecten in het kader van Actie C [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 2.3.1. Doel projecten Actie C [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, heeft tot doel leerlingen die staan ingeschreven bij een school voor praktijkonderwijs, dan wel bij een school voor voortgezet speciaal onderwijs, dan wel in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project ingeschreven hebben gestaan bij een school voor praktijkonderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs, voor te bereiden op, of toe te geleiden naar een functie op de reguliere arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend onderwijs.

Artikel 2.3.2. Eisen ten aanzien van projecten Actie C [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a. het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.3.1;

  • b. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c. het project start na 31 juli van een kalenderjaar;

  • d. het project gericht is op deelnemers van 15 jaar of ouder, die naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het praktijkonderwijs staan ingeschreven en begeleiding na het verlaten van de school ten behoeve van arbeidsintegratie, dan wel ondersteuning nodig hebben ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het voortgezet speciaal onderwijs staan ingeschreven en begeleiding na het verlaten van de school ten behoeve van arbeidsintegratie;

  • e. de onder d bedoelde deelnemers door de school zijn geregistreerd als deelnemer aan een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c;

  • f. het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven;

  • g. de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister, of door hem aangewezen derden; en

  • h. de subsidie op grond van deze regeling wordt aangewend voor de bekostiging van de navolgende, op de deelnemer gerichte activiteiten:

    • arbeidskundig onderzoek, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;

    • leerlingwerkplaatsen in directe samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 3000,– bedragen;

    • branchegerichte cursussen met een civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,– bedragen;

    • vormgeven en intensivering van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of

    • ondersteuning van de onder 1° tot en met 4° genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie.

Artikel 2.3.3. Prioritering projecten Actie C [Vervallen per 01-09-2009]

  • 2 Met betrekking tot de projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project als bedoeld in artikel 1.2 , eerste lid, onder c, is verleend, hebben de projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria, arbeidsmarktgerichtheid, innovatief gehalte en netwerkgerichtheid, voorrang op de projecten die in mindere mate aan die criteria voldoen.

  • 3 De mate waarin voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt beoordeeld door het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C kent aan zijn beoordeling een score toe.

  • 4 Indien de beoordeling, bedoeld in het derde lid, ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, heeft het project van een subsidieaanvrager aan wie minder vaak subsidie voor een project als bedoeld in artikel 1.2 , eerste lid, onder c, is verleend, voorrang op het project van een subsidieaanvrager aan wie vaker subsidie voor een project als bedoeld in artikel 1.2 , eerste lid, onder c, is verleend.

  • 5 Indien na toepassing van het vierde lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, hebben subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor voortgezet speciaal onderwijs voorrang op subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor praktijkonderwijs.

  • 6 Indien na toepassing van het vijfde lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, worden die subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

  • 7 De minister beslist op het subsidieverzoek met inachtneming van de vorige leden.

Paragraaf 4. Projecten in het kader van Actie D [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 2.4.1. Doel projecten Actie D [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, heeft tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van werkenden te vergroten.

Artikel 2.4.2. Eisen ten aanzien van projecten Actie D [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a. het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.4.1;

    • b. het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat het project uitvoert of doet uitvoeren, dan wel, indien in het kader van het project wordt samengewerkt met een ander Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend, en het project niet past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat de subsidieaanvraag indient, in ieder geval past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van dat andere door de minister erkende Opleidings- en Ontwikkelingsfonds;

    • c. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

    • d. het project gericht is op een in het CREBO opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft en algemeen toegankelijk is;

    • e. het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

    • f. de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

  • 2 Indien het project wordt uitgevoerd in een branche waarin ten tijde van de subsidieaanvraag blijkens de meest recente CBS-statistiek ‘Banen, Werknemers naar economische activiteit’ tot 50% van de werkenden vrouw is, komt het project slechts voor subsidie in aanmerking indien het percentage vrouwelijke deelnemers aan het project ten minste 5 procentpunt hoger ligt dan het percentage vrouwelijke werkenden in die branche.

  • 3 De Minister kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit lid beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 4 Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing op subsidieaanvragen die op of na 1 januari 2009 worden ingediend.

Artikel 2.4.3. Prioritering projecten Actie D [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d hebben voorrang op elkaar naar de mate waarin zij voldoen aan de leden twee tot en met acht. De weging van de leden twee tot en met acht vindt plaats met inachtneming van de in bijlage 2 opgenomen scoreverdeling.

  • 2 Projecten die zich richten op werkenden zonder startkwalificatie hebben voorrang op projecten die zich richten op werkenden met startkwalificatie.

  • 3 Projecten die zijn opgezet voor de gehele branche of sector hebben voorrang op projecten die zijn opgezet voor een of meer bedrijven.

  • 4 Projecten waarbij gebruik wordt gemaakt van het instrument Erkenning Verworven Competenties hebben voorrang op projecten waarbij dit instrument niet wordt gebruikt.

  • 5 Projecten die zich richten op jongeren hebben voorrang op projecten die zich richten op personen in de leeftijdscategorie 24 tot en met 44 jaar.

  • 6 Projecten die zich richten op ouderen hebben voorrang op projecten die zich richten op personen in de leeftijdscategorie 24 tot en met 44 jaar.

  • 7 Projecten die zich richten op gedeeltelijk-arbeidsgeschikten hebben voorrang op projecten die zich niet op deze personen richten.

  • 8 Projecten waarbij een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds sectoroverstijgend samenwerkt met een ander Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend hebben voorrang op projecten waarbij die samenwerking ontbreekt.

  • 9 Indien toepassing van de in bijlage 2 opgenomen scoreverdeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, worden de op die projecten betrekking hebbende subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

  • 10 Het eerste tot en met het negende lid zijn niet van toepassing op subsidieaanvragen die op of na 1 januari 2009 worden ingediend.

Paragraaf 5. Projecten in het kader van Actie E [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 2.5.1. Doel projecten Actie E [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, heeft tot doel de arbeidsproductiviteit te verhogen als gevolg van de vernieuwing van de wijze waarop de arbeid is georganiseerd door middel van het innoveren van werkwijzen, werkprocessen en arbeidsverhoudingen en het maximaal benutten van competenties, gericht op het verbeteren van de bedrijfsprestaties en ontplooiing van talent.

Artikel 2.5.2. Eisen ten aanzien van projecten Actie E [Vervallen per 01-09-2009]

Een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a. het project past binnen het doel, bedoeld in artikel 2.5.1;

  • b. het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c. het project is gericht op de thema’s, genoemd in het Operationeel Programma;

  • d. deelname aan het project slechts openstaat voor werkgevers;

  • e. het project wordt gesteund door zowel de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers, als diens werknemers die betrokken zijn bij het project;

  • f. de in de subsidieaanvraag begrote subsidiabele kosten van het project ten minste € 67.000,– en ten hoogste € 160.000,– bedragen;

  • g. de beoogde resultaten van het project algemeen overdraagbaar zijn;

  • h het project bijdraagt aan de implementatie van sociale innovatie;

  • i. het project niet mede wordt gefinancierd uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven; en

  • j. de projectresultaten om niet beschikbaar worden gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

Hoofdstuk 3. Subsidiabele kosten/hoogte subsidie [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 3.1. Subsidiabele kosten projecten actie A [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van:

    • a. re-integratietrajecten, waaronder begrepen kosten van scholing, training en begeleiding;

    • b. werving van niet-uitkeringsontvangers voor het project tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten;

    • c. exploitatie gerelateerd aan de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a en b; of

    • d. overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in de beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de onderdelen a, b en c.

  • 2 Met betrekking tot de exploitatiekosten, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, is artikel 3.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2. Subsidiabele kosten projecten actie B [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van:

    • a. individuele trajectbegeleiders;

    • b. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen, passend binnen het doel, bedoeld in artikel 2.2.1, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten;

    • c. scholing en training van gedetineerden;

    • d. exploitatie gerelateerd aan de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a, b en c; of

    • e. overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in de beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de onderdelen a tot en met d.

  • 2 Met betrekking tot de exploitatiekosten, bedoeld in het eerste lid, onder d en e, is artikel 3.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3. Subsidiabele kosten projecten actie C [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van:

    • a. docenten of begeleiders;

    • b. ontwikkelingsactiviteiten gericht op activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.2,onderdeel h, onder 1º, 2º en 3º, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten;

    • c. specifieke cursussen en training van deelnemers;

    • d. exploitatie gerelateerd aan de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a, b en c; of

    • e. overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in de beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de onderdelen a tot en met d.

  • 2 Onder exploitatie, bedoeld in het eerste lid, onder d en e, wordt in ieder geval begrepen:

    • a. kosten van verbruiksgoederen;

    • b. huurtermijnen of leasetermijnen voor apparatuur en instrumenten;

    • c. afschrijvingskosten van computerapparatuur gedurende een termijn van drie jaar;

    • d. afschrijvingskosten van software gedurende een termijn van twee jaar;

    • e. afschrijvingskosten van machines of apparatuur, niet zijnde computerapparatuur als bedoeld in dit lid, onder c, gedurende een termijn van vijf jaar;

    • f. afschrijvingskosten van meubilair of stoffering gedurende een termijn van tien jaar;

    • g. afschrijvingskosten van onroerend goed gedurende een termijn van dertig jaar;

    • h. kosten van huur van kantoorruimten, leslokalen of praktijkruimten;

    • i. kosten van aanpassingen van leslokalen ten behoeve van gehandicapten;

    • j. ontwikkelingskosten van lesmateriaal, op afschrijvingsbasis, gedurende een termijn van drie jaar;

    • k. kosten van rechtstreeks aan het project toe te rekenen bedrijfsvoering;

    • l. kosten met betrekking tot de koop van tweedehands materiaal,

    benodigd voor de uitvoering van het project, indien 1° een verklaring van herkomst van het materiaal en een bevestiging van de verkoper wordt overgelegd, waaruit blijkt dat in de periode van zeven jaar voorafgaande de aankoop van het materiaal de aankoop van het materiaal niet eerder is gesubsidieerd, 2° de prijs van het tweedehands materiaal marktconform is en 3° de technische eigenschappen van het materiaal overeenstemmen met de terzake gebruikelijke normen en voldoen aan de eisen die in het kader van de activiteiten in het algemeen worden gesteld.

Artikel 3.4. Subsidiabele kosten projecten actie D [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van:

    • a. opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau, alsmede van de toepassing van de EVC-procedure;

    • b. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten;

    • c. exploitatie gerelateerd aan de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a en b; of

    • d. overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in de beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de onderdelen a, b en c.

  • 2 Met betrekking tot de exploitatiekosten, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, is artikel 3.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5. Subsidiabele kosten projecten actie E [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van het opstellen en in de praktijk uittesten van een op sociale innovatie betrekking hebbend implementatieplan, gericht op de wijze waarop de arbeid is georganiseerd bij de deelnemer, dan wel bij de deelnemers aan het project, voor zover die kosten betrekking hebben op:

    • 1°. directe loonkosten van de projectleider en de projectmedewerkers, of

    • 2°. directe kosten van het inhuren van deskundigen bestaande uit het werkelijk aantal bestede uren vermenigvuldigd met het uurtarief van de desbetreffende deskundigen.

  • 2 Een implementatieplan als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval:

    • a. een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers verrichte analyse van de knelpunten in de arbeidsproductiviteit;

    • b. een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers verrichte analyse van de sociale innovatiepotentie;

    • c. door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers opgestelde meetbare doelstellingen;

    • d. een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers vastgesteld verslag van het uittesten van het implementatieplan;

    • e. een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers verrichte kosten/baten analyse van het vervolgtraject;

    • f. een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers opgesteld activiteitenplan en een daaraan gekoppelde tijdsplanning van het vervolgtraject van sociale innovatie.

  • 3 Geen subsidie wordt verleend voor een implementatieplan gericht op het stimuleren van kennisverspreiding, deregulering, loopbaanplanning, scholing van werkenden, instrumentontwikkeling, onderzoek of de totstandkoming van een arbocatalogus.

Artikel 3.6. Niet-subsidiabele kosten [Vervallen per 01-09-2009]

Zo nodig in afwijking van de artikelen 3.1 tot en met 3.5 wordt geen subsidie verleend:

  • a. in strijd met de Implementatieverordening;

  • b. voor naar het oordeel van de minister onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • c. voor kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten, die naar het oordeel van de minister redelijkerwijs niet passen binnen de met het project beoogde doelstelling;

  • d. voor kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

  • e. voor de loonkosten verbonden aan werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand;

  • f. voor de loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft;

  • g. voor verletkosten.

Artikel 3.7. Middelen van derden [Vervallen per 01-09-2009]

Indien de subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet, geschiedt dit op basis van een schriftelijke overeenkomst met, dan wel een schriftelijke toezegging van die derde. In de schriftelijke overeenkomst, dan wel schriftelijke toezegging wordt de bijdrage die door de derde wordt verschaft vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 3.8. Hoogte subsidie [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedraagt 40% van de voor subsidie in aanmerking te nemen kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag. De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, bedraagt 75% van de voor de subsidie in aanmerking te nemen kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2 Indien met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, dat wordt uitgevoerd in een sector waarin tot 50% van de werkenden vrouw is, het percentage vrouwen dat het project afrondt lager is dan het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, wordt het geheel van de voor subsidie in aanmerking komende kosten telkens met evenveel gehele procentpunten verlaagd als het aantal procenten dat het realisatiepercentage gelegen is onder het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, tot een maximum van vijf procentpunten.

  • 3 Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7 jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 60% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 60% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere. Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7 jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 25% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 25% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere.

  • 4 Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening , wordt met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, het in het eerste lid genoemde percentage van 40% verhoogd:

    • a. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;

    • b. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren bestaat;

    • c. met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten bestaat;

    • d. met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;

    • e. met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen, Werknemers naar economische activiteit’.

  • 5 Bij de toepassing van het eerste lid blijft de verhoging krachtens het vierde lid buiten beschouwing bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag is bereikt.

  • 6 Het tweede lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend voor 2 maart 2009; het vierde lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend na 1 maart 2009.

Artikel 3.9. Maximale subsidie per betrokken college actie A en aanvrager actie D [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Met betrekking tot projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester en wethouders en Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen per kalenderjaar in aanmerking voor subsidie tot een maximum van 10% van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag per kalenderjaar voor de doelgroepen, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a tot en met c, tezamen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het UWV, met dien verstande dat het maximumpercentage geen 10% maar 20% bedraagt.

  • 2 Met betrekking tot projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, komen subsidieaanvragers per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van 2% van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag per aanvraagtijdvak, met dien verstande dat voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, per subsidieaanvrager een maximum geldt van € 3.000.000,–.

Hoofdstuk 4. Subsidieaanvrager [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 4.1. Subsidieaanvrager [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, wordt aangevraagd door:

    • a. een bij het project betrokken college van burgemeester en wethouders, daartoe gemachtigd door de overige bij het project betrokken colleges van burgemeester en wethouders, de bij het project betrokken Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen die door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager zijn erkend en, indien bij het project betrokken, het UWV;

    • b. het UWV, daartoe gemachtigd door de bij het project betrokken colleges van burgemeester en wethouder en de bij het project betrokken Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen die door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager zijn erkend; of

    • c. het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend, daartoe gemachtigd door de overige bij het project betrokken Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen die door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager zijn erkend, de bij het project betrokken colleges van burgemeester en wethouder, en indien bij het bij het project betrokken, het UWV.

  • 2 De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, wordt aangevraagd door de Minister van Justitie, al dan niet mede namens de Minister voor Jeugd en Gezin.

  • 3 De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, wordt aangevraagd door een school voor praktijkonderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs.

  • 4 De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van artikel 4.2 als subsidieaanvrager is erkend. De aanvraag kan mede betrekking hebben op personen die op grond van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn in de bedrijfstak of de onderneming waar het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds opereert.

Artikel 4.2. Erkenning Opleidings- en Ontwikkelingsfonds als subsidieaanvrager [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds wordt op diens verzoek door de minister als subsidieaanvrager erkend, indien:

    • a. sprake is van een door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers beheerd samenwerkingsverband per bedrijfstak of onderneming;

    • b. het onder a bedoelde samenwerkingsverband een stichting als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van Burgerlijk Wetboek is;

    • c. het bestuur van deze stichting bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt;

    • d. het doel van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds helder is afgebakend;

    • e. de meest recente jaarrekening wordt overgelegd, voorzien van een van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken; en

    • f. aannemelijk is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet in betalingsonmacht verkeert.

  • 2 De jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is in ieder geval niet ouder dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot erkenning als subsidieaanvrager wordt gedaan.

  • 3 Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt overgelegd:

    • a. een afschrift van de notariële akte van oprichting, bedoeld in artikel 286, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • b. de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, juncto het tweede lid; en

    • c. een geldig afschrift van het uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken.

  • 5 De minister beslist uiterlijk vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.3. Verplichting erkende subsidieaanvrager [Vervallen per 01-09-2009]

Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de erkenning als subsidieaanvrager.

Artikel 4.4. Intrekking erkenning als subsidieaanvrager [Vervallen per 01-09-2009]

De minister trekt de beschikking tot erkenning als subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel 4.2, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.

Artikel 4.5. Erkenning als subsidieaanvrager op andere grondslag [Vervallen per 01-09-2009]

Een erkenning als subsidieaanvrager die is verleend op grond van de Tijdelijke regeling erkenning O&O-fonds als subsidieaanvrager ESF2–2007–2013 wordt aangemerkt als een erkenning op grond van artikel 4.2.

Hoofdstuk 5. Subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 5.1. Aanvraagtijdvakken [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, wordt:

    • a. in het kalenderjaar 2007 door de Minister ontvangen in

      • 1°. het aanvraagtijdvak van 1 februari 2007 tot en met 31 maart 2007 en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2007, dan wel

      • 2°. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2007, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2007, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2008;

    • b. in het kalenderjaar 2008 door de Minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 september 2008, 09.00 uur, tot en met 30 september 2008, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2008;

    • c. in het kalenderjaar 2009 door de Minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 maart 2009, 09.00 uur, tot en met 31 maart 2009, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2009; en

    • d. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 door de Minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur, van het lopende kalenderjaar en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het lopende kalenderjaar.

  • 2 De subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, wordt:

    • a. in het kalenderjaar 2007 door de Minister ontvangen in

      • 1°. het aanvraagtijdvak van 1 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2007, dan wel

      • 2°. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2007, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2007, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2008; en

    • b. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de Minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur, van het lopende kalenderjaar en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het eerstvolgende kalenderjaar

  • 3 De subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder c, wordt:

    • a. in het kalenderjaar 2007 door de Minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 april 2007, 09.00 uur, tot en met 30 april 2007 en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2007;

    • b. in het kalenderjaar 2008 door de Minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 april 2008, 09.00 uur, tot en met 30 april 2008, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2008;

    • c. in het kalenderjaar 2009 door de Minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 februari 2009, 09.00 uur, tot en met 27 februari 2009, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2009: en

    • d. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 door de Minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur, van het lopende kalenderjaar en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het lopende kalenderjaar.

  • 4 De subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, wordt:

    • a. in het kalenderjaar 2007 door de Minister ontvangen in

      • 1°. het aanvraagtijdvak van 1 juni 2007, 09.00 uur tot en met 30 juni 2007 en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2007, dan wel

      • 2°. in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2008;

    • b. in het kalenderjaar 2009 door de Minister ontvangen in:

      • 1°. het aanvraagtijdvak van 2 maart 2009, 09.00 uur, tot en met 31 maart 2009, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2009, dan wel

      • 2°. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2009, 09.00 uur, tot en met 30 oktober 2009, 17.00 uur, en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het kalenderjaar 2010; en

      • c. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 door de Minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur, van het lopende kalenderjaar en komt alsdan ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het lopende kalenderjaar.

  • 5 De subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, wordt in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de Minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur, van het lopende kalenderjaar en komt ten laste van het ter zake van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag voor het eerstvolgende kalenderjaar.

Artikel 5.2. Subsidieaanvraag per project [Vervallen per 01-09-2009]

De subsidieaanvraag heeft betrekking op één project.

Artikel 5.3. Subsidieaanvraag door rechtspersoon [Vervallen per 01-09-2009]

De subsidieaanvraag door een rechtspersoon wordt ingediend door het bestuur.

Artikel 5.4. Aanvraagformulier [Vervallen per 01-09-2009]

De subsidieaanvraag wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

Artikel 5.5. Subsidie uit anderen hoofde [Vervallen per 01-09-2009]

Indien de subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele kosten uit andere hoofde dan deze regeling van het rijk, een provincie of een gemeente tevens subsidie heeft aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, doet hij daarvan mededeling aan de minister.

Artikel 5.6. Nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a tot en met e, wordt desgevraagd een nadere toelichting op het projectplan en de daarop betrekking hebbende postgewijze begroting overgelegd.

  • 2 Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten,

    • b. een beschrijving van de doelstelling, resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten nastreeft,

    • c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd, en

    • d. een opgave van het tijdstip waarop de activiteiten starten en worden beëindigd.

  • 3 De begroting, bedoeld in het eerste lid, geeft inzicht in de baten en lasten van het project en is voorzien van een postgewijze toelichting.

  • 4 Indien de subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet wordt op verzoek van de minister tevens een afschrift van de overeenkomst, dan wel van de schriftelijke toezegging, bedoeld in artikel 3.7, overgelegd.

Artikel 5.7. Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie D [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Onverminderd artikel 5.6 wordt bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, desgevraagd een opgave overgelegd van de CREBO-code van de in het kader van het project aangeboden opleiding.

  • 2 Indien de in het kader van het project aangeboden opleiding niet is opgenomen in het CREBO wordt desgevraagd door het bestuur van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds een verklaring overgelegd, waaruit blijkt:

    • a. wat het niveau van de aangeboden opleiding is;

    • b. dat de aangeboden opleiding in de betrokken branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend en een civiel effect heeft; en

    • c. dat de opleiding algemeen toegankelijk is.

Artikel 5.7a. Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie A [Vervallen per 01-09-2009]

Onverminderd artikel 5.6 wordt bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a, b of c, desgevraagd een document overgelegd waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager door de andere bij het project betrokken partijen gemachtigd is de subsidie aan te vragen.

Artikel 5.7b. Overige nader te overleggen stukken bij de subsidieaanvraag Actie E [Vervallen per 01-09-2009]

Onverminderd artikel 5.6 wordt bij de subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder e, desgevraagd overgelegd:

  • a. een nadere uitwerking van het thema, genoemd in het Operationeel Programma, waarop het project gericht zal zijn;

  • b. een analyse van de sociale innovatiepotentie;

  • c. een document waaruit blijkt dat het projectplan voldoende draagvlak heeft bij de betrokken werkgever, dan wel betrokken werkgevers;

  • d. een beschrijving van de beoogde aanpak om binnen de projectperiode tot een implementatieplan te komen en de testfase uit te voeren;

  • e. een beschrijving van de wijze waarop het implementatieplan bij de betrokken werkgever, dan wel betrokken werkgevers, ingebed en buiten die werkgever, dan wel die werkgevers, verspreid kan worden; of

  • f. een document waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager door de andere bij het project betrokken partijen gemachtigd is de subsidie aan te vragen.

Artikel 5.8. Beslissing subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De minister beslist op een subsidieaanvraag met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder b, uiterlijk dertien weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

Hoofdstuk 6. Afwijzen subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 6.1. Afwijzen subsidieaanvraag [Vervallen per 01-09-2009]

De subsidieaanvraag wordt door de minister afgewezen, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan in deze regeling gestelde eisen;

  • b. subsidieverlening in strijd is met artikel 1.2, eerste lid;

  • c. subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, wordt overschreden;

  • d. met het project geen start zal worden gemaakt binnen een tijdsbestek van acht maanden na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;

  • e. de kosten van het project naar het oordeel van de minister niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • f. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • g. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;

  • h. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • i. het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; of

  • j. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan artikel 9.1;

  • k. deze op grond van artikel 1.5, derde lid, tweede zin, niet meedoet aan de loting, bedoeld in dat lid.

Hoofdstuk 7. Subsidieverlening [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 7.1. Adressant subsidieverlening [Vervallen per 01-09-2009]

De minister verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.

Artikel 7.2. Subsidie uit andere hoofde [Vervallen per 01-09-2009]

Indien de subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele kosten uit anderen hoofde dan deze regeling van het rijk, een provincie of een gemeente tevens subsidie heeft aangevraagd of ontvangt, dan wel in verband daarmee van anderen inkomsten verwerft, wordt bij de subsidieverlening met die andere subsidies of inkomsten rekening gehouden.

Artikel 7.3. Beschikking tot subsidieverlening [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De beschikking tot subsidieverlening bevat in ieder geval:

    • a. de projectactiviteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • b. het maximumbedrag dat aan subsidie kan worden verleend; en

    • c. de periode waarbinnen het project wordt uitgevoerd.

  • 2 Bij de bepaling van het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt uitgegaan van het totaal van de uitvoeringskosten en beheerskosten van het project, zoals door de subsidieaanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten, dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende kostenposten redelijkerwijs niet noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van het project.

  • 3 Aan de beschikking tot subsidieverlening kunnen nadere voorschriften worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn ter waarborging van een juiste uitvoering van het project, dan wel het behoud van een goed inzicht in de voortgang van het project.

Artikel 7.4. Intrekken beschikking tot subsidieverlening [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de minister geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd in geval:

    • a. indien het project wordt uitgevoerd in afwijking van het projectplan, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd;

    • b. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van nalatigheid van de begunstigde niet of slechts ten dele worden gerealiseerd;

    • c. indien de begunstigde niet heeft voldaan aan een of meer van de artikelen 9.1 tot en met 9.4; of

    • d. op een daartoe strekkend verzoek van de begunstigde.

  • 2 Gehele of gedeeltelijk intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op grond van het eerste lid, onder a, vindt niet plaats, indien de afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectplan vooraf aan de minister is voorgelegd en de minister daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

Hoofdstuk 8. Bevoorschotting [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 8.1. Voorschot [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Aan de begunstigde kan op een daartoe strekkend verzoek een voorschot worden verleend. In het verzoek wordt door de begunstigde de behoefte aan het voorschot gespecificeerd.

  • 2 Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend nadat de managementautoriteit de administratieve organisatie van de begunstigde en de door de begunstigde genomen maatregelen op het gebied van interne controle heeft goedgekeurd.

  • 3 Het voorschot bedraagt maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.

  • 4 Voor zover het verstrekken van een voorschot heeft geleid tot vermogensvorming blijkt dat uit de einddeclaratie, bedoeld in artikel 9.3, eerste lid.

  • 5 Na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van subsidie kan de minister uit eigen beweging een voorschot verlenen tot maximaal 100% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.

Hoofdstuk 9. Verplichtingen begunstigde [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 9.1. Administratieverplichtingen [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De begunstigde houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. De administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een deelnemersadministratie, en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

  • 2 De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

  • 3 De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

  • 4 De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede controle op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

  • 5 Bij de vastlegging van de gegevens worden in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 3 bij deze regeling terzake worden gesteld.

  • 6 De begunstigde bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot en met 31 december 2020. Van bewijsstukken wordt het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte versie van het originele stuk bewaard.

  • 7 De begunstigde verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde personen desgevraagd informatie over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 9.2. Rapportageverplichtingen [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De begunstigde verstrekt, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, aan de managementautoriteit uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar het burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers aan zijn project.

Artikel 9.3. Verantwoording [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De begunstigde dient met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a tot en met e, binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek tot vaststelling van subsidie bij de minister in. Bij het verzoek tot vaststelling van subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd. De begunstigde verstrekt bij de einddeclaratie het burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers aan zijn project.

Artikel 9.4. Publiciteit en evaluatie [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De begunstigde informeert de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project en verleent medewerking aan door de minister georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers en het grote publiek.

  • 2 De begunstigde draagt er zorg voor dat op briefpapier, deelnemerscertificaten, en alle overige op het project en de uitvoering daarvan betrekking hebbende documenten, duidelijk kenbaar wordt gemaakt dat het project cofinanciering vanuit het Europees Sociaal Fonds ontvangt.

  • 3 De begunstigde draagt er zorg voor dat een embleem van de Europese vlag aanwezig is op al het publiciteitsmateriaal met betrekking tot het project, en dat dit embleem voldoet aan de instructies betreffende kleurgebruik en afmetingen zoals omschreven in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 4 De begunstigde draagt er zorg voor dat op al het publiciteitsmateriaal in ieder geval de term ‘Europees Sociaal Fonds’ aanwezig is, en dat, indien het publiciteitsmateriaal daarvoor ruimte biedt, tevens melding wordt gemaakt van de leuze: Het Europees Sociaal Fonds investeert in jouw toekomst.

  • 5 De begunstigde verleent aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.

  • 6 Indien de begunstigde niet voldoet aan een of meer van de vorige leden wordt de vast te stellen subsidie met 5% verlaagd.

Hoofdstuk 10. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 10.1. Subsidievaststelling [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De minister beslist binnen 24 maanden na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van subsidie, bedoeld in artikel 9.3.

  • 2 Indien bij de subsidievaststelling met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, blijkt dat de score op grond van bijlage 2 die feitelijk is gerealiseerd, lager is dan de score die op grond van die bijlage bij de subsidieverlening werd vastgesteld, wordt met inachtneming van bijlage 2 de vast te stellen subsidie gecorrigeerd.

  • 3 Indien bij de subsidievaststelling met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder a, voor zover gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 2.1.1, onder a of c, blijkt dat de van toepassing zijnde score op grond van bijlage 5 die feitelijk is gerealiseerd, lager is dan de van toepassing zijnde score die op grond van die bijlage bij de subsidieverlening werd vastgesteld, wordt met inachtneming van bijlage 5 de vast te stellen subsidie gecorrigeerd.

Hoofdstuk 11. Terugvordering [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 11.1. Terugvordering [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 De begunstigde is verplicht onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en teveel door hem ontvangen voorschotten onverwijld terug te betalen, tenzij de minister heeft aangegeven dat verrekening op andere wijze plaatsvindt.

  • 2 Bij terugvordering van door de minister onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of teveel door de begunstigde ontvangen voorschotten worden de met de terugvordering verband houdende kosten bij de begunstigde in rekening gebracht. Tevens wordt overgegaan tot het in rekening brengen van de wettelijke rente.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen [Vervallen per 01-09-2009]

Artikel 12.1. Intrekking regeling [Vervallen per 01-09-2009]

De Tijdelijke regeling erkenning O&O-fonds als subsidieaanvrager ESF2–2007–2013 wordt ingetrokken.

Artikel 12.2. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-09-2009]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 en vervalt met ingang van 1 januari 2014.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, blijft de regeling, zoals die luidt op 31 december 2013, van toepassing op de afwikkeling van de subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 12.3. Citeertitel [Vervallen per 01-09-2009]

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2007–2013

Deze regeling zal met de toelichting en bijlage 2 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1, 3 en 4 worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Den Haag, 13 december 2006

De

Staatssecretaris

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H.A.L. van Hoof

Bijlage 1 [Vervallen per 01-09-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.]

Bijlage 2 [Vervallen per 01-09-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.]

Bijlage 3 [Vervallen per 01-09-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.]

Bijlage 4 [Vervallen per 01-09-2009]

Wordt in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter inzage gelegd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

Bijlage 5 [Vervallen per 01-09-2009]

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.]