Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010[Regeling vervallen per 01-01-2014.]

Geldend van 31-12-2011 t/m 31-12-2013

Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, houdende regels inzake de vereiste solvabiliteit ter dekking van het kredietrisico voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen (Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico)

De Nederlandsche Bank N.V.,

Na overleg met Euronext, de Nederlandse Vereniging van Banken en de Raad voor de Effectenbranche;

Gelet op de artikelen 61, vijfde lid,69, tweede lid, 70, tweede lid, 71, derde lid, 72, eerste lid, 73, tweede lid, 75, eerste lid, 76, eerste lid, onderdeel h, 78, derde en vijfde lid, 81, zesde lid, 82, eerste lid, 84, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, 85, tweede en derde lid, 86, tweede lid, 102, derde en vierde lid en 105, vierde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft;

Gelet op Richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);

Gelet op Richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Afdeling 1.1. Inleidende bepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:1 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, wordt in deze regeling verstaan onder:

  • a. aangewezen kredietbeoordelingsbureau: een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit, dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend en ten aanzien waarvan een financiële onderneming heeft aangegeven dat zij diens kredietbeoordelingen gaat gebruiken bij de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van haar kredietrisico;

  • b. Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • c. bestuur: de personen, bedoeld in artikel 3:15 van de Wet, die voldoen aan de vereisten van de artikelen 3:8 en 3:9, eerste lid, eerste volzin, van de Wet;

  • d. derivaten: de instrumenten, genoemd in bijlage B van het Besluit;

  • d1. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • e. E* (volledig aangepaste waarde van de vordering): de waarde van de vordering nadat het risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking is genomen, en nadat volatiliteitsaanpassingen zijn toegepast;

  • f. Eenvoudige IRB: de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van de kans op wanbetaling, maar géén gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van het verlies bij wanbetaling of omrekeningsfactoren;

  • g. erkend kredietbeoordelingsbureau: een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft, dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend;

  • h. financiële onderneming: bank of beleggingsonderneming;

  • i. Geavanceerd IRB: de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en omrekeningsfactoren;

  • j. gedekte obligatie: een geregistreerde gedekte obligatie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit, mits deze is afgedekt door middel van ten minste een van de activa genoemd in Bijlage 1;

  • k. IRB (Interne Rating Benadering): de interne modellenmethode, bedoeld in artikel 69 van het Besluit prudentiële regels Wft;

  • l. kredietgebeurtenis: een, in een tussen partijen overeengekomen contract gedefinieerde, gebeurtenis die betaling onder dat contract tot gevolg heeft;

  • m. kredietkwaliteitstrap: een hiërarchische rangschikking van risicocategorieën;

  • n. LGD*: de aangepaste omvang van het verlies na wanbetaling na inaanmerkingneming van de effecten van kredietrisicovermindering;

  • o. liquidatieperiode (holding period): het, van het type transactie afhankelijke, aantal dagen waarover een prijsbeweging in aanmerking genomen moet worden om de volatiliteit te bepalen;

  • p. management: het collectief waaraan het bestuur leidinggevende verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd ten aanzien van (onderdelen van) de bedrijfsvoering;

  • q. marktwaarde: marktwaarde als bedoeld in artikel 4 van het Besluit actuele waarde;

  • r. publiekrechtelijk lichaam:

    • 1°. administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording aflegt aan de centrale, regionale of lokale overheid;

    • 2°. administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording aflegt aan overheden als genoemd in bijlage 2B respectievelijk aan overheden die naar het oordeel van DNB dezelfde of soortgelijke verantwoording dragen als de regionale of lokale overheid;

    • 3°. niet-commerciële onderneming die in het bezit van de centrale overheid is en die over een uitdrukkelijke waarborgregeling beschikt; of

    • 4°. bij wet geregeld autonoom orgaan met zelfbestuur dat onder openbaar toezicht staat;

  • s. referentieverplichting: de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor de bepaling van de waarde van de afwikkeling in contanten of de leverbare verplichting, in het kader van het kredietderivaat;

  • t. repo-stijl transactie: een transactie die leidt tot het ontstaan van:

    • 1°. cessie- en retrocessieovereenkomsten,

    • 2°. opgenomen en verstrekte effectenleningen, of

    • 3°. opgenomen en verstrekte grondstoffenleningen, tenzij in deze regeling uitgesloten;

  • u. risicogewicht: de wegingsfactor waarmee een vordering in de berekening van het minimumbedrag aan solvabiliteit wordt opgenomen;

  • v. risicogewogen posten: de naar kredietrisico of verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, dan wel de naar risico gewogen securitisatieposities;

  • v1. Rsm 2011: de Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011.

  • w. toezichthoudend orgaan: het orgaan, bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de Wet;

  • x. type effecten: de effecten:

    • 1°. die door dezelfde entiteit op dezelfde datum zijn uitgegeven,

    • 2°. die dezelfde looptijd hebben, en

    • 3°. waarvoor dezelfde liquidatieperiode en voorwaarden gelden, als voor de uitgebreide methode van financiële zekerheden.

  • y. volatiliteitsaanpassing: een aanpassing op de waarde van de vordering en zekerheden, teneinde rekening te houden met de prijsvolatiliteit of valutavolatiliteit;

  • z. vordering: een al dan niet voorwaardelijk activum, inclusief een post buiten de balanstelling;

  • aa. Wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De hoofdstukken 1, 2 en 7, evenals de standaardbenadering van hoofdstuk 6, zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, tenzij:

    • a. bij deze regeling anders is bepaald;

    • b. de aard van een bepaling deze overeenkomstige toepassing uitsluit; of

    • c. de systematiek van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.

  • 2 Hoofdstuk 7 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voldoen aan het bepaalde in artikel 20, tweede of derde lid, van de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid.

Afdeling 1.2. Indexatie van woningen [Vervallen per 01-01-2014]

§ 1.2.1. Uitgangspunten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien deze paragraaf van toepassing is verklaard, kan een financiële onderneming, ter bepaling van de executiewaarde van woningen binnen een bestaande portefeuille woninghypotheken, gebruikmaken van de in deze paragraaf bedoelde indexatiemethode, doch uitsluitend voor zover:

    • a. de toepassing van de indexatiemethode leidt tot een betrouwbare en prudente inschatting van de executiewaarden van de woningen in de hypotheekportefeuille en het daaruit resulterende kredietrisico; en

    • b. de indexatiemethode op een eenduidige, bestendige en controleerbare wijze wordt toegepast en gevalideerd.

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de ‘ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidinterval’ met behulp van de volgende formule berekend: de gemiddelde steekproefwaarde minus (2,33 * (1/√n) * de standaarddeviatie van de steekproefwaarden), waarbij n de omvang van de steekproef is.

Artikel 1:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming past de indexatiemethode met een vaste periodiciteit, maar minimaal jaarlijks, toe op alle woningen binnen haar woningportefeuille, met uitzondering van:

    • a. woningen waarop hypotheekleningen zijn verstrekt onder overheidsgarantie;

    • b. woningen waarvan het totaal aan hypothecaire vorderingen lager is dan of gelijk is aan 25% van de laatst bekende individuele executiewaarde;

    • c. woningen die zich vanwege een zeer hoge waarde, unieke kenmerken of andere redenen redelijkerwijs niet voor toepassing van de indexatiemethode lenen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, kan DNB, indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, de financiële onderneming verzoeken om actualisering van de ‘Loan-to-Value’-ratio aan de hand van een hertaxatie.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, kan de financiële onderneming de indexatiemethode toch toepassen op woningen als bedoeld in die onderdelen, mits zij hierin een bestendige gedragslijn volgt.

Artikel 1:5 [Vervallen per 01-01-2014]

Onverminderd de eisen die in hoofdstuk 4 aan het beheer van kredieten en zekerheden worden gesteld, waarborgt de financiële onderneming dat haar in het kader van de administratieve organisatie gebruikte systeem:

  • a. zodanig gedetailleerd is dat per object een juiste herwaardering van de executiewaarde op basis van portefeuillebenadering mogelijk is;

  • b. de laatst bekende individueel vastgestelde executiewaarde niet wordt overschreven door de op basis van de indexmethode geschatte executiewaarde; en

  • c. verschillen tussen de geschatte executiewaarde op basis van de indexatiemethode en de executiewaarde op basis van een individuele hertaxatie worden vastgelegd.

§ 1.2.2. Indexatiemethode [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:6 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voordat daarop de indexatiemethode wordt toegepast, worden alle voor indexatie in aanmerking komende woningen ingedeeld naar relatief homogene deelportefeuilles. De indeling vindt in ieder geval plaats naar regio en in geen geval naar de verhouding tussen de lening en de executiewaarde van de woningen. Afgezien van natuurlijk verloop, worden de woningen na indeling niet meer in of uit de verschillende deelportefeuilles geplaatst of verhuisd.

  • 2 Voor het bepalen van de geïndexeerde executiewaarde van de woningen in de deelportefeuilles past de financiële onderneming de individuele taxatiewaarde van een woning, zoals direct voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode vastgesteld, aan één van de volgende indices aan:

    • a. een index van de Nederlandse Vereniging van Makelaars;

    • b. een index van het Kadaster; of

    • c. een andere index, mits de financiële onderneming aan kan tonen dat deze alternatieve index op onafhankelijke wijze wordt vastgesteld en een betrouwbare weergave is van de waardeontwikkeling van woningen in Nederland,

  • 3 De in het tweede lid genoemde indices kunnen uitsluitend worden gekozen voor zover deze indices dezelfde indeling naar deelportefeuilles als die van de financiële onderneming kennen.

Artikel 1:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien direct voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode geen individuele taxatie heeft plaatsgevonden, is de geïndexeerde executiewaarde van een woning gelijk aan de meest recente executiewaarde vermenigvuldigd met de herwaarderingsfactor voor de deelportefeuille waarin de woning is ingedeeld.

  • 2 De herwaarderingsfactor is:

    • a. in geval van een stijging van de index voor de deelportefeuille: 75% van die stijging;

    • b. in geval van een daling van de index voor de deelportefeuille: 100% van die daling.

  • 3 Indien voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode wel een individuele taxatie heeft plaatsgevonden, wordt de in het vorige lid bedoelde herwaarderingsfactor gecorrigeerd voor het feit dat de waardeverandering betrekking heeft op een afwijkende periode. Daarbij wordt verondersteld dat de waardeverandering zich gelijkmatig over de betrokken herwaarderingsperiode heeft voorgedaan, tenzij marktontwikkelingen aanleiding geven om de herwaarderingsfactor op meer prudente wijze te corrigeren.

§ 1.2.3. Validatie en toezicht [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:8 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De waardering op basis van de indexatiemethode wordt voorafgaand aan de eerste toepassing en vervolgens periodiek, doch minstens elke 3 jaar, gevalideerd. Een financiële onderneming voert een tussentijdse validatie uit, indien DNB daarom verzoekt naar aanleiding van specifieke omstandigheden of marktontwikkelingen.

  • 2 De validatie vindt plaats aan de hand van een aselecte steekproef, die op één moment wordt getrokken uit de gehele geïndexeerde woningportefeuille.

  • 3 De omvang van de validerende steekproef wordt vastgesteld vóórdat de gegevens van individuele woningen worden verzameld en bewerkt, en bedraagt minimaal 100 woningen uit de geïndexeerde woningportefeuille.

  • 4 De woningen in de steekproef worden binnen een relatief korte periode getaxeerd. Indien voor de steekproef woningen zijn geselecteerd waarvoor een recente executiewaarde reeds bekend is, mag deze executiewaarde als steekproefwaarneming worden gebruikt, mits deze executiewaarde niet ouder is dan zes maanden en onder het voorbehoud dat er geen majeure veranderingen in de markt hebben plaatsgevonden.

Artikel 1:9 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Ten behoeve van de validatie, bedoeld in het vorige artikel, worden de volgende stappen genomen:

    • a. de financiële onderneming berekent van elke woning binnen de steekproef de verhouding tussen de executiewaarde van de woning op basis van de indexatie (Wi) en de executiewaarde van de woning op basis van de taxatie in de steekproef (Wt). Deze verhouding wordt aangeduid met ‘Qi’ en berekend volgens de formule: Qi = Wi / Wt;

    • b. De financiële onderneming toetst volgens erkende statistische methoden of de gemiddelde waarde van Qi significant lager is dan 1, uitgaande van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%.

  • 2 Indien de gemiddelde waarde van Qi significant lager is dan 1, kan op basis van deze statistische toets de indexatiemethode als voldoende prudent worden gekwalificeerd.

Artikel 1:10 [Vervallen per 01-01-2014]

Aan de hand van de resultaten van de validerende steekproef mogen alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden opgewaardeerd, danwel moeten alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden afgewaardeerd met een factor k, zodanig dat de toetsgrootheid zoals berekend ten behoeve van de toets, bedoeld in het vorige artikel, gelijk is aan de ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidsinterval.

Artikel 1:11 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Onverminderd de overige artikelen van deze afdeling, voert de financiële onderneming tussentijds neerwaartse aanpassingen door op de geïndexeerde executiewaarden, indien marktontwikkelingen daartoe aanleiding geven of indien DNB daarom verzoekt.

  • 2 Indien de toepassing van de indexatiemethode bij een financiële onderneming niet voldoet aan de in artikel 1:3, eerste lid, bedoelde uitgangspunten, kan DNB eisen dat de financiële onderneming voor de weging van het kredietrisico van haar hypotheekportefeuille weer terugvalt op individuele taxaties.

Hoofdstuk 2. Standaardbenadering [Vervallen per 01-01-2014]

Afdeling 2.1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:1 [Vervallen per 01-01-2014]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. regionale en lokale overheid: de regionale en lokale bestuurlijke en uitvoeringsorganen van een Staat, met dien verstande dat ten aanzien van Nederland hieronder alleen de overheden vallen, bedoeld in bijlage 2B;

  • b. materiële activa: de activa, bedoeld in artikel 366 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • c. niet opgenomen kredietfaciliteiten: overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten respectievelijk het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten; en

  • d. Verordening 1745/2003: Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PbEU L-250).

Afdeling 2.2. Risicogewichten [Vervallen per 01-01-2014]

§ 2.2.1. Vorderingen op centrale overheden en centrale banken [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Vorderingen op centrale overheden of centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

  • 2 In zoverre in afwijking van het eerste lid, hebben vorderingen op de Europese Centrale Bank een risicogewicht van 0%.

Artikel 2:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken kan een financiële onderneming de kredietbeoordelingen van een exportkredietverzekeringsmaatschappij toepassen, indien de kredietbeoordelingen consensus-risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijen betreffen die deelnemen in de ‘Arrangement on Guidelines for Officially Supported Export Credits’ van de OESO, of indien:

    • a. de exportkredietverzekeringsmaatschappij haar kredietbeoordelingen publiceert;

    • b. de exportkredietverzekeringsmaatschappij de methodologie die in de OESO is overeengekomen, onderschrijft; en

    • c. de kredietbeoordeling correspondeert met één van de acht MEVPs (minimum exportverzekeringspremies) waarin de OESO-methodologie voorziet.

  • 2 Vorderingen op centrale overheden of centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij, als bedoeld in het eerste lid, beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat correspondeert met de bijbehorende MEVP, op de wijze zoals voorzien in tabel B van bijlage 2A.

Artikel 2:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In afwijking van de twee vorige artikelen, hebben vorderingen op centrale overheden of centrale banken van de lidstaten van de Europese Unie, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van de betrokken lidstaat, een risicogewicht van 0%.

  • 2 Tot en met 31 december 2012 wordt aan vorderingen op de centrale overheden of op de centrale banken van de lidstaten, luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van een lidstaat, hetzelfde risicogewicht toegekend als zou worden toegekend aan dergelijke vorderingen, luidende en gefinancierd in de nationale munteenheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:5 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming kan, in afwijking van de drie vorige artikelen, aan vorderingen op de centrale overheid of de centrale bank van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank heeft toegekend, indien:

  • a. het vorderingen betreft, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van het betrokken land; en

  • b. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie; en

  • c. het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank een risicogewicht toe te kennen dat lager is dan de risicogewichten, genoemd in de drie vorige artikelen.

Artikel 2:6 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op centrale overheden of centrale banken, waarop de vorige artikelen van deze paragraaf niet van toepassing zijn, hebben een risicogewicht van 100%.

§ 2.2.2. Vorderingen op regionale en lokale overheden [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Aan vorderingen op regionale en lokale overheden wordt hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op financiële ondernemingen, behoudens het volgende lid, op wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A. Artikelen 2:19 en 2:21 zijn niet van toepassing.

  • 2 Vorderingen op regionale en lokale overheden van lidstaten, luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van de betrokken regionale en lokale overheden, hebben een risicogewicht van 20%.

Artikel 2:8 [Vervallen per 01-01-2014]

In afwijking van het vorige artikel hebben vorderingen op de regionale en lokale overheden, genoemd in bijlage 2B, hetzelfde risicogewicht als vorderingen op de centrale overheid van het land waartoe die regionale en lokale overheden behoren.

Artikel 2:9 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming kan, in afwijking van de twee vorige artikelen, aan vorderingen op regionale of lokale overheden van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden heeft toegekend, indien:

  • a. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en

  • b. het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden hetzelfde te behandelen als vorderingen op de eigen centrale overheid.

§ 2.2.3. Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen, kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen met rechtspersoonlijkheid [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:10 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen of op kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen met publiekrechtelijke grondslag hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 2:11 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in Nederland zijn gevestigd hebben een risicogewicht van 20%, tenzij het tweede lid van toepassing is.

  • 2 Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in Nederland zijn gevestigd en waarvan de financiële onderneming die de vordering aanhoudt, kan aantonen dat daarvoor een garantie van het Rijk beschikbaar is, hebben tot het bedrag van de garantie een risicogewicht van 0%.

  • 3 Op het gedeelte van de vordering waarvoor geen Rijksgarantie beschikbaar is, is het eerste lid van toepassing.

Artikel 2:12 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien in een lidstaat van de Europese Unie vorderingen op publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen of als vorderingen op de centrale overheid van het land waar zij zijn gevestigd, worden vorderingen van in Nederland gevestigde financiële ondernemingen op de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze behandeld.

Artikel 2:13 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming kan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van een land dat geen lid is van de Europese Unie overeenkomstig paragraaf 2.2.6 behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen, indien:

  • a. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en

  • b. de toezichthoudende instantie van het betrokken land zijn financiële ondernemingen eveneens toestaat om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van dat land te behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen.

Artikel 2:14 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De risicogewichten genoemd in artikel 2:7 en artikel 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing op vorderingen op kerkgenootschappen of op andere godsdienstige gemeenschappen die:

    • a. krachtens publiekrecht zijn ingesteld;

    • b. over een wettelijke bevoegdheid beschikken om belasting te heffen; en

    • c. van hun wettelijke bevoegdheid om belasting te heffen, gebruikmaken.

§ 2.2.4. Vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:15 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken hebben hetzelfde risicogewicht als genoemd in artikel 2:18.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, hebben vorderingen op de multilaterale ontwikkelingsbanken, genoemd in bijlage 2C, een risicogewicht van 0%.

  • 3 In afwijking van de twee vorige leden, heeft het ongestorte gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europese Investeringsfonds een risicogewicht van 20%.

§ 2.2.5. Vorderingen op internationale organisaties [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:16 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op de Europese Gemeenschap, het Internationale Monetaire Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen hebben een risicogewicht van 0%.

§ 2.2.6. Vorderingen op financiële ondernemingen en financiële instellingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:17 [Vervallen per 01-01-2014]

Onverminderd de artikelen 2:18 tot en met 2:22, hebben vorderingen op financiële instellingen die onder toezicht staan van een toezichthoudende instantie en waarvoor prudentiële eisen gelden, gelijkwaardig aan de bij of krachtens de Wet gestelde prudentiële eisen voor financiële ondernemingen, hetzelfde risicogewicht als vorderingen op financiële ondernemingen, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 2:18 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

  • 2 Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 50%

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan het risicogewicht van een vordering op een financiële onderneming waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, nimmer lager zijn dan het risicogewicht van vorderingen op de centrale overheid van het land waar die financiële onderneming haar statutaire zetel heeft.

Artikel 2:19 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van drie maanden of minder waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

  • 2 Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van drie maanden of minder waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 20%.

Artikel 2:20 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Als er geen specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling van vorderingen is, dan is het eerste lid van het vorige artikel, van overeenkomstige toepassing op alle vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden.

  • 2 Als er wel een specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling is, en de toepassing daarvan zou leiden tot de toekenning van een identiek of lager risicogewicht dan het risicogewicht dat op basis van het eerste lid van het vorige artikel zou moeten worden toegekend, wordt de korte-termijnkredietbeoordeling uitsluitend gebruikt voor de betrokken specifieke vordering. Andere kortlopende vorderingen worden behandeld overeenkomstig het eerste lid van het vorige artikel.

  • 3 Als er wel een specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling is, en de toepassing daarvan zou leiden tot de toekenning van een hoger risicogewicht dan het risicogewicht dat op basis van het eerste lid van het vorige artikel zou moeten worden toegekend, blijft het eerste lid van het vorige artikel buiten toepassing. In plaats daarvan hebben alle kortlopende vorderingen zonder externe kredietbeoordeling het risicogewicht dat volgt uit de specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling.

Artikel 2:21 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming kan aan vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden die luiden in en gefinancierd zijn in de valuta van het land waar de financiële onderneming waarop de vordering bestaat statutair is gevestigd, een risicogewicht toekennen dat één categorie minder gunstig is dan het risicogewicht van de centrale overheid van het betrokken land.

Artikel 2:22 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Beleggingen in aandelen of eigenvermogen-instrumenten die door financiële ondernemingen zijn uitgegeven en die ingevolge artikel 94, zevende lid, van het Besluit niet in mindering zijn gebracht op het toetsingsvermogen, hebben een risicogewicht van 400%.

  • 2 Beleggingen in aandelen of eigenvermogen-instrumenten die door financiële ondernemingen zijn uitgegeven en die niet aan het eerste lid voldoen, hebben een risicogewicht van 100%.

§ 2.2.7. Minimumreserves vereist door de Europese Centrale Bank [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:23 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een vordering op een financiële onderneming de vorm heeft van verplichte minimumreserves bij de Europese Centrale Bank of bij de centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, kan op die vordering het risicogewicht van een vordering op de betrokken centrale bank worden toegepast, mits:

  • a. de reserves worden aangehouden in overeenstemming met Verordening 1745/2003 of een latere communautaire wetgeving die deze verordening vervangt respectievelijk in overeenstemming met nationale bepalingen die materieel geheel equivalent zijn aan voornoemde verordening; en

  • b. de vordering op grond van de onderliggende overeenkomst in geval van faillissement of insolventie van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden, tijdig en volledig moet worden terugbetaald aan de financiële onderneming die de eigenaar is en niet beschikbaar zal zijn om te voldoen aan andere verplichtingen van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden.

§ 2.2.8. Vorderingen op ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:24 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

Artikel 2:25 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op ondernemingen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 100% respectievelijk het risicogewicht dat geldt voor de centrale overheid van het land waar het bedrijf statutair is gevestigd, afhankelijk van welk risicogewicht het hoogste is.

§ 2.2.9. Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:26 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op financiële ondernemingen en financiële instellingen waarop § 2.2.6 van toepassing is, alsmede vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een aangewezen EKBI beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

§ 2.2.10. Vorderingen op particulieren en middelgrote ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:27 [Vervallen per 01-01-2014]

Een vordering die aan de volgende voorwaarden voldoet, heeft een risicogewicht van 75%:

  • a. het betreft een vordering op één of meer particulieren of op een kleine of middelgrote ondernemimg;

  • b. de vordering maakt naar waarde gemeten niet meer dan 0,2% uit van een portefeuille van soortgelijke vorderingen;

  • c. de totale schuld inclusief eventuele achterstallige vorderingen van de betrokken cliënt of groep van verbonden wederpartijen aan de financiële onderneming en haar eventuele moeder- en dochterondernemingen, maar exclusief schulden of voorwaardelijke schulden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed, is naar de redelijke inschatting van de financiële onderneming niet groter dan € 1 miljoen; en

  • d. de vordering is niet in de vorm van effecten.

§ 2.2.11. Vorderingen gedekt door onroerend goed [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:28 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt, hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 2:29 [Vervallen per 01-01-2014]

De volgende vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt als bedoeld in het volgende artikel hebben een risicogewicht van 35%:

  • a. vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar;

  • b. vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen die werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere overeenkomstige wetgeving, en die betrekking hebben op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar; en

  • c. vorderingen op een huurder in het kader van transacties inzake leasing van niet-zakelijk onroerend goed, volgens welke de financiële onderneming de lessor is en de huurder een koopoptie heeft.

Artikel 2:29a [Vervallen per 01-01-2014]

Aan vorderingen waarvoor naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten, wordt een risicogewicht van 50 % toegekend.

Artikel 2:30 [Vervallen per 01-01-2014]

Een vordering is geheel en volledig gedekt als bedoeld in het vorige artikel indien:

  • a. de waarde van het onroerend goed niet in wezenlijke mate afhangt van de kredietkwaliteit van de debiteur;

  • b. het risico van de leningnemer niet in wezenlijke mate afhangt van het rendement van het onderliggende onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen;

  • c. de terugbetaling van de faciliteit als zodanig niet in wezenlijke mate afhangt van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggende onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

  • d. het bedrag van de vordering kleiner dan of gelijk is aan 75% van de waarde van het onroerend goed;

  • e. de artikelen 4:57 tot en met 4:59 in acht zijn genomen.

Artikel 2:31 [Vervallen per 01-01-2014]

Bij een bestaande portefeuille woninghypotheken kan een financiële onderneming ter bepaling van de executiewaarde van de woningen in de portefeuille gebruik maken van de in afdeling 1.2 bedoelde indexatiemethode.

Artikel 2:32 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt, als bedoeld in artikel 2:30, door één of meer hypotheekrechten op zakelijk onroerend goed gelegen in de Bondsrepubliek Duitsland, hebben een risicogewicht van 50%, indien is voldaan aan de voorwaarden die de Duitse toezichthoudende instantie stelt voor toepassing van een risicogewicht van 50% door financiële ondernemingen gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland.

§ 2.2.12. Achterstallige posten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:33 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het niet-gedekte gedeelte van een post die meer dan 90 dagen achterstallig is, heeft, ongeacht de grootte van dat niet-gedekte gedeelte, een risicogewicht van:

    • a. 150% indien de specifieke voorzieningen minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering voor specifieke voorzieningen bedragen;

    • b. 100% indien de specifieke voorzieningen 20% of meer van het niet-gedekte gedeelte van de vordering voor specifieke voorzieningen bedragen.

  • 2 Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van de achterstallige post zijn de toelaatbare zekerheden en garanties die, welke toelaatbaar zijn ingevolge hoofdstuk 4.

Artikel 2:34 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien de in artikel 2:29 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen na aftrek van de specifieke voorzieningen een risicogewicht van 100%. Indien deze specifieke voorzieningen 20% of meer van de vorderingen voor specifieke voorzieningen bedragen, is het op de rest van de vordering toepasselijke risicogewicht 50%.

Artikel 2:35 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien de in artikel 2:32 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen een risicogewicht van 100%.

§ 2.2.13. Posten met verhoogd risico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:36 [Vervallen per 01-01-2014]

De volgende posten hebben een risicogewicht van 150%:

  • a. investeringen in durfkapitaalfondsen;

  • b. investeringen in risicokapitaal;

  • c. vorderingen op debiteuren van wie de externe kredietbeoordeling door een erkend kredietbeoordelingsbureau is ingetrokken.

Artikel 2:37 [Vervallen per 01-01-2014]

Niet-achterstallige posten waarvoor overeenkomstig het vorige artikel een risicogewicht van 150% zou gelden én waarvoor specifieke voorzieningen zijn getroffen, hebben een risicogewicht van:

  • a. 100% indien de specifieke voorziening 20% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt; en

  • b. 50% indien de specifieke voorziening 50% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt.

§ 2.2.14. Posities in gedekte obligaties [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:38 [Vervallen per 01-01-2014]

Met betrekking tot als zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed neemt een financiële onderneming de minimumvereisten en de waarderingsregels, bedoeld in paragraaf 4.5.2, in acht.

Artikel 2:39 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor de behandeling overeenkomstig het volgende artikel komen in aanmerking:

  • a. gedekte obligaties; en

  • b. obligaties die aan de definitie van artikel 22, punt 4, van de richtlijn beleggingsinstellingen voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, zulks tot en met hun eindvervaldag.

Artikel 2:40 [Vervallen per 01-01-2014]

De toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties wordt afgeleid van het risicogewicht van preferente niet-gegarandeerde vorderingen op de financiële onderneming die deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de twee genoemde risicogewichten het volgende verband geldt:

  • a. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 20% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10% toegekend;

  • b. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20% toegekend;

  • c. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 100% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50% toegekend; en

  • d. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100% toegekend.

§ 2.2.15. Posten die securitisatieposities vertegenwoordigen [Vervallen per 31-10-2010]

Artikel 2:41 [Vervallen per 31-10-2010]

§ 2.2.16. Posities in instellingen voor collectieve belegging in effecten (icb’s) [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:42 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op een icb hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel 2:43 [Vervallen per 01-01-2014]

Vorderingen op een icb waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze blgvoorzien in tabel A van bijlage 2A.

Artikel 2:44 [Vervallen per 01-01-2014]

Posities in een icb waaraan bijzonder grote risico’s verbonden zijn, hebben, ongeacht of daarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, een risicogewicht van 150%.

Artikel 2:45 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming kan het risicogewicht van een icb, in afwijking van de vorige artikelen, overeenkomstig de volgende artikelen van deze paragraaf vaststellen, indien de icb wordt beheerd door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht van een toezichthoudende instantie uit een lidstaat.

  • 2 Op verzoek kan een financiële onderneming worden toegestaan om het risicogewicht van een icb, in afwijking van de vorige artikelen, overeenkomstig de volgende artikelen van deze paragraaf vast te stellen, indien de icb beheerd wordt door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht van een autoriteit uit een lidstaat die geen lid is van de Europese Unie, indien:

    • a. de toezichtpraktijken en toezichtregelingen van het betrokken lidstaat ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en

    • b. de samenwerking tussen DNB en de toezichthoudende instantie van het betrokken derde lidstaat voldoende is gewaarborgd.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, wordt over de bedrijfsactiviteiten van de icb ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag uitgebracht dat de activa en passiva, evenals de inkomsten en transacties over de verslagperiode kunnen worden beoordeeld.

  • 4 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, waarborgt de financiële onderneming dat het prospectus, of een daarmee gelijk te stellen document, van de icb bevat:

    • a. de categorieën activa waarin de icb mag beleggen, en

    • b. de relatieve beleggingsgrenzen en de methoden om deze te berekenen, voor zover dergelijke grenzen van toepassing zijn.

Artikel 2:46 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een financiële onderneming op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht voor de icb te berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden.

Artikel 2:47 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een financiële onderneming niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij eveneens een gemiddeld risicogewicht voor de icb berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden, met dien verstande dat zij daarbij aanneemt dat de icb allereerst tot de toegestane grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste solvabiliteitsvereiste geldt en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend solvabiliteitsvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.

Artikel 2:48 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming kan een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de twee vorige artikelen beschreven methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.

§ 2.2.17. Overige risicogewichten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:49 [Vervallen per 01-01-2014]

Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij overeenkomsten inzake koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke gelden voor de desbetreffende activa en niet die van de tegenpartijen bij de overeenkomsten.

Artikel 2:50 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien een financiële onderneming voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat een, in het contract vastgesteld, aantal wanbetalingen op de vorderingen aanleiding geeft tot uitbetaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt en indien voor deze vorderingen een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van deze vorderingen overeenkomstig paragraaf 10.4 en artikel 88 van het Besluit vastgesteld.

  • 2 Indien er voor de vorderingen geen externe kredietbeoordeling van een erkende kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op de vorderingen direct voor de vordering die aanleiding geeft tot uitbetaling na, geaggregeerd tot een maximum van 1250% en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen.

  • 3 De vorderingen direct voor de vordering die aanleiding tot uitbetaling geeft en die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, betreffen de afzonderlijke vorderingen waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post van elke afzonderlijke vordering die wel in de aggregatie wordt opgenomen.

Artikel 2:51 [Vervallen per 01-01-2014]

Goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen, voorzover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, en kasmiddelen en gelijkwaardige posten hebben een risicogewicht van 0%.

Artikel 2:52 [Vervallen per 01-01-2014]

Liquide middelen in de inningsfase hebben een risicogewicht van 20%.

Artikel 2:53 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De volgende activa hebben een risicogewicht van 100%:

    • a. materiële activa;

    • b. overlopende posten ten aanzien waarvan de financiële onderneming niet kan vaststellen wie de tegenpartij is;

    • c. aandelen en andere deelnemingen, die niet aan het tweede lid voldoen; en

    • d. vorderingen die niet in deze afdeling zijn genoemd.

Afdeling 2.3. Gebruik van kredietbeoordelingen door kredietbeoordelingsbureaus voor de bepaling van risicogewichten [Vervallen per 01-01-2014]

§ 2.3.1. Behandeling [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:54 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming kan één of meer erkende kredietbeoordelingsbureaus aanwijzen als de kredietbeoordelingsbureaus waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken voor de bepaling van de risicogewichten die op de actiefposten en de posten, bedoeld in bijlage 2D van toepassing zijn.

  • 2 Een financiële onderneming die besluit om van de kredietbeoordelingen van een erkend kredietbeoordelingsbureau gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe.

Artikel 2:55 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een erkend kredietbeoordelingsbureau gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren.

Artikel 2:56 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming maakt uitsluitend gebruik van de kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus die rekening houden met alle aan die financiële onderneming, zowel in hoofdsom als in rente, verschuldigde bedragen.

Artikel 2:57 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien voor een post met een externe kredietbeoordeling slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van de desbetreffende post.

  • 2 Indien voor een post met een externe kredietbeoordeling twee of meer kredietbeoordelingen van aangewezen kredietbeoordelingsbureaus beschikbaar zijn, wordt van de op één na gunstigste kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen leiden tot een gelijk risicogewicht, wordt dat risicogewicht toegepast.

§ 2.3.2. Kredietbeoordeling van uitgevende partijen en van uitgiften [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:58 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht.

Artikel 2:59 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien voor een bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is, maar er een kredietbeoordeling beschikbaar is voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling beschikbaar is voor de uitgevende partij, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt, indien:

  • a. deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval zou zijn; of

  • b. deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan het specifieke uitgifteprogramma, de specifieke uitgiftefaciliteit, of de niet door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende financiële onderneming.

§ 2.3.3. Kredietbeoordelingen voor de korte en de lange termijn [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:60 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Kredietbeoordelingen voor de korte termijn worden alleen gebruikt voor actiefposten en posten als bedoeld in bijlage 2D, die vorderingen op korte termijn op financiële ondernemingen en ondernemingen vertegenwoordigen.

  • 2 Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor andere posten.

  • 3 Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt in afwijking van het vorige lid aan alle niet-gegarandeerde vorderingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150% toegekend.

  • 4 Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt in afwijking van het tweede lid aan geen enkele kortlopende vordering zonder rating een risicogewicht van minder dan 100% toegekend.

§ 2.3.4. Posten luidend in eigen en buitenlandse valuta [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:61 [Vervallen per 01-01-2014]

Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, kan niet worden gebruikt voor de bepaling van het risicogewicht voor een andere vordering op dezelfde debiteur die in een buitenlandse valuta luidt.

Artikel 2:62 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien er een vordering ontstaat als gevolg van de deelneming van een financiële onderneming in een lening die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in de markt wordt erkend, kan een financiële onderneming in afwijking van het vorige artikel voor de bepaling van het risicogewicht de kredietbeoordeling gebruiken van een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt.

Hoofdstuk 3. Interne rating benadering [Vervallen per 01-01-2014]

Afdeling 3.1. Definitiebepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:1 [Vervallen per 01-01-2014]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. een onderneming die nevendiensten verricht: een onderneming als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel h, van de Wet;

  • b. financiering van inkomsten genererend vastgoed: een financieringsmethode waarbij de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit inkomsten die uit vastgoed zijn gegenereerd, waaronder in ieder geval huurpenningen, lease-inkomsten en inkomsten uit de verkoop van het vastgoed;

  • c. grondstofhandelsfinanciering: een financieringsmethode gericht op de financiering van beursverhandelde grondstoffen, met een zelf-liquiderend karakter van de vorderingen in de zin dat de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit de verkoopopbrengsten van grondstoffen en de debiteur verder, naast de structurering van de transactie, geen onafhankelijke capaciteit heeft om de lening terug te betalen;

  • d. interne audit functie: de onafhankelijk gepositioneerde en rechtstreeks onder het bestuur ressorterende functie, die belast is met de toetsing en beoordeling van de organisatie-inrichting en het beheersingsmechanisme;

  • e. objectfinanciering: een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van de verbonden activa, welke als onderpand bij de lening dienen;

  • f. projectfinanciering: een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van het te financieren project; en

  • g. ratingsysteem: een systeem dat alle methoden, processen, maatregelen en systemen omvat, die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van debiteuren en vorderingen in klassen of groepen (rating) en de kwantificering van ramingen betreffende wanbetalingen, verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren voor een bepaald type debiteur of vordering ondersteunen.

Afdeling 3.2. Algemene voorschriften voor de toepassing van Interne Rating Benaderingen [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.2.1. Aanvraag pakket en verbod op permanente combinatie van benaderingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij het verzoek als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a. een algemene beschrijving van de wijze waarop de financiële onderneming de IRB toepast;

    • b. een risk management raamwerk;

    • c. een overzicht van door de financiële onderneming gehanteerde ratingsystemen;

    • d. een analyse van de impact op de solvabiliteit van de financiële onderneming bij de overgang op de IRB;

    • e. een eigen beoordeling (self assessment) of aan de bij het Besluit gestelde regels wordt voldaan.

  • 2 Een financiële onderneming die gebruik wenst te maken van de in artikel 76 van het Besluit bedoelde vrijstellingen, verstrekt met het verzoek ook een overzicht van de vorderingen die onder de standaardbenadering blijven vallen. Dit overzicht gaat vergezeld met een motivatie voor deze keuze, een inschatting van het aan deze vorderingen verbonden risico en een indicatie van de relatieve waarde van deze vorderingen.

Artikel 3:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming kan toestemming krijgen voor het toepassen van Eenvoudige IRB of van Geavanceerd IRB. Een permanente mix van Eenvoudige IRB en Geavanceerd IRB is niet toegestaan.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kunnen vorderingen als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid,

    permanent onder Eenvoudige IRB worden behandeld, ook als de financiële onderneming voor de overige vorderingen Geavanceerd IRB toepast.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, kunnen vorderingen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, uitsluitend onder Geavanceerd IRB worden behandeld, ook als de financiële onderneming voor de overige vorderingen Eenvoudige IRB toepast.

  • 4 Mits de instelling toestemming heeft gekregen om de standaardbenadering toe te passen op vorderingen op instellingen, centrale overheden, centrale banken en ondernemingen die voldoen aan eisen van artikel 4:75, eerste lid, onderdeel g, gelden de eisen van paragraaf 4.7.4 niet.

§ 3.2.2. Aanvullende regels ter zake van de indeling van vorderingen in categorieën [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:4 [Vervallen per 01-01-2014]

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a. vorderingen op regionale, lokale overheden of publiekrechtelijke lichamen die ingevolge de artikelen 2:8, 2:11, tweede lid, of 2:12, worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

  • b. vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties die ingevolge de artikelen 2:15, tweede lid, of 2:16 een risicogewicht van 0% hebben.

Artikel 3:5 [Vervallen per 01-01-2014]

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a. vorderingen op regionale en lokale overheden die niet ingevolge artikel 2:7 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

  • b. vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die ingevolge artikel 2:12 worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen;

  • c. vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die niet ingevolge artikel 2:15, tweede lid, een risicogewicht van 0% hebben.

Artikel 3:6 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit, worden vorderingen apart geregistreerd als ‘vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening’ als ze de volgende kenmerken bezitten:

    • a. de vordering heeft betrekking op een entiteit die speciaal ten doel heeft om activa te financieren of te beheren;

    • b. in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd; en

    • c. de afbetaling van de verplichting is vooral afhankelijk van de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene betaalcapaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

  • 2 Een financiële onderneming maakt bij de aparte registratie, bedoeld in het eerste lid, onderscheid in de navolgende soorten financiering:

    • a. projectfinanciering;

    • b. objectfinanciering;

    • c. grondstofhandelsfinanciering; of

    • d. financiering van inkomsten genererend vastgoed.

  • 3 Vorderingen die de in het eerste lid genoemde kenmerken bezitten, maar onder geen van de financieringssoorten, genoemd in het tweede lid, kunnen worden ondergebracht, worden voor de toepassing van IRB geregistreerd als projectfinanciering.

Artikel 3:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, worden uitsluitend vorderingen ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a. zij hebben betrekking op één of meer natuurlijke personen respectievelijk op een kleine of middelgrote onderneming;

    • b. zij worden in het interne risicobeheer van de financiële onderneming door de tijd heen gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;

    • c. zij worden niet op individuele basis beheerd; en

    • d. zij maken elk deel uit van een groot aantal op gelijke wijze beheerde vorderingen.

  • 2 Indien de vordering betrekking heeft op een kleine of middelgrote onderneming, geldt als aanvullende voorwaarde dat het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden debiteuren verschuldigd is aan de financiële onderneming, daaronder begrepen zowel de moederonderneming als haar dochterondernemingen, niet meer dan € 1 miljoen mag bedragen. Het bedrag dat aan deze grens wordt gerelateerd, wordt bepaald met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed. De financiële onderneming spant zich redelijkerwijs in om zich ervan te overtuigen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan.

  • 3 In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, worden voorts uitsluitend ‘door onroerend goed gegarandeerde vorderingen’ ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a. geen van de tegenpartijen bezit meer dan 5 onroerend goed objecten waarop hypotheekleningen zijn verstrekt door de financiële onderneming; en

    • b. geen van de in het vorige onderdeel genoemde onroerend goed objecten bestaat uit meer dan 5 wooneenheden.

Artikel 3:8 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Binnen de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, wordt onderscheid gemaakt in:

    • a. door onroerend goed gegarandeerde vorderingen;

    • b. gekwalificeerde revolverende vorderingen; en

    • c. overige vorderingen op particulieren of kleine of middelgrote ondernemingen.

  • 2 Vorderingen worden slechts als gekwalificeerde revolverende vorderingen onderscheiden indien:

    • a. het gaat om posities ten opzichte van particulieren;

    • b. het gaat om revolverende en niet van zekerheden voorziene posities, welke, voorzover de kredietlijnen niet zijn aangesproken, onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de financiële onderneming zijn op te zeggen;

    • c. de totale vordering op één enkele persoon in de subportefeuille maximaal € 100.000 bedraagt; en

    • d. het gebruik van een correlatiefactor van 0,04 is beperkt tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage, bij die correlatiefactor passende, volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-banden.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, beoordeelt de financiële onderneming de volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende subportefeuilles afzonderlijk als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende portefeuille en relateert deze volatiliteit aan die van de andere subcategorieën genoemd in het eerste lid.

Artikel 3:9 [Vervallen per 01-01-2014]

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a. indirecte posities in aandelen;

  • b. andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende financiële onderneming vormen;

  • c. schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen, bedoeld in onderdeel b.

Artikel 3:10 [Vervallen per 01-01-2014]

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit ,wordt ook de restwaarde van geleased onroerend goed opgenomen, voor zover deze restwaarde niet reeds onder ‘vorderingen uit hoofde van een lease-overeenkomst’ als bedoeld in artikel 3:54, vierde lid, valt.

§ 3.2.3. Aanvullende voorwaarden ten aanzien van door de overheid herverzekerde garanties die in aanmerking komen voor behandeling onder de Standaardbenadering [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:11 [Vervallen per 01-01-2014]

Garanties als bedoeld in artikel 4:83 worden aangemerkt als ‘overheidsgaranties’ dan wel als ‘door de overheid herverzekerde garanties’ als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit.

§ 3.2.4. Aanvullende regels inzake de vereisten aan een stapsgewijze invoering van de IRB [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:12 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De in artikel 70, eerste lid, van het Besluit bedoelde toestemming voor een stapsgewijze invoering van de IRB wordt verleend, indien:

    • a. de financiële onderneming over een uitrolplan beschikt;

    • b. de financiële onderneming structuren heeft opgezet om de uitrol projectmatig te beheersen, waaronder de maatregel dat de uitrol vanuit een hoog managementniveau binnen de financiële onderneming wordt aangestuurd; en

    • c. op basis van het uitrolplan en de invulling van de projectstructuur redelijkerwijs kan worden verwacht dat de financiële onderneming binnen een periode van drie jaar alle daarvoor in aanmerking komende vorderingen onder de door haar gekozen vorm van de IRB heeft gebracht.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde uitrolplan wordt ter voorafgaande goedkeuring aan DNB voorgelegd en bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a. welke IRB-vorm de financiële onderneming wenst in te voeren;

    • b. welke volgorde van uitrol de financiële onderneming zal hanteren, zulks onderbouwd vanuit risicomanagement en operationeel oogpunt;

    • c. wat de inzet van mensen en middelen zal zijn;

    • d. voor welke bedrijfsonderdelen op welk moment de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB zullen worden berekend; en

    • e. welke activiteiten, op hoofdlijnen, de financiële onderneming in een specifiek bedrijfsonderdeel nog moet uitvoeren om te kunnen overgaan tot het berekenen van de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB.

Artikel 3:13 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor elke vorm van stapsgewijze invoering van de IRB als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Besluit geldt dat:

    • a. de overgangsperiode waarbinnen een stapsgewijze invoering voltooid moet zijn drie jaar is, ongeacht de vorm van de IRB die een financiële onderneming bij implementatie wil toepassen;

    • b. de uitrol van Geavanceerd IRB niet kan beginnen voordat de stapsgewijze invoering van Eenvoudige IRB volledig is voltooid;

    • c. het, door middel van een ‘strategische uitrol’ gedurende de uitrolperiode minimaliseren van de solvabiliteitsvereisten, niet is toegestaan; en

    • d. tijdens de uitrolperiode artikel 25a van het Besluit onverminderd van toepassing is.

Artikel 3:14 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Gedurende de uitrolperiode, alsook bij een uitbreiding van de toepassing van de IRB ná de uitrolperiode, publiceert de financiële onderneming ten minste één keer per jaar vergelijkende cijfers ten aanzien van de in dat jaar onder IRB gebrachte vorderingen.

Artikel 3:15 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming informeert DNB onverwijld van wijzigingen of problemen die het realiseren van het uitrolplan in gevaar kunnen brengen.

  • 2 Bij veranderde omstandigheden, die kunnen leiden tot significante afwijkingen van het goedgekeurde uitrolplan, stelt de financiële onderneming een herzien uitrolplan op en legt dat ter goedkeuring voor aan DNB. Het herzien uitrolplan bevat tenminste de in artikel 3:12, tweede lid, bedoelde gegevens.

Afdeling 3.3. Berekening van de naar kredietrisico en verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling en de verwachte verliesposten [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.3.1. Algemene voorschriften [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:16 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende handelsvorderingen, zowel die met als die zonder verhaalsmogelijkheden op de verkoper, worden berekend op basis van artikel 3:34.

  • 3 Indien een financiële onderneming ten aanzien van gekochte kortlopende vorderingen wegens het kredietrisico en verwateringsrisico volledig verhaal kan halen op de verkoper van de gekochte kortlopende vorderingen, kunnen de in dit hoofdstuk gestelde speficieke normen ten aanzien van de berekening van de naar risico gewogen posten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen buiten toepassing blijven. De vorderingen kunnen in plaats daarvan worden behandeld als ‘door zekerheden afgedekte vorderingen’.

Artikel 3:17 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Onverminderd het eerste lid, kunnen de risicogewogen posten die verband houden met vorderingen uit hoofde van de subcategorieën genoemd artikel 3:6, eerste lid, worden berekend volgens de methode zoals beschreven in artikel 3:21.

Artikel 3:18 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit past de LGD-waarden van artikel 3:44 toe en past tevens de omrekeningsfactoren toe zoals bepaald op basis van artikel 3:58, eerste lid.

Artikel 3:19 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De verwachte verliesposten in verband met het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen worden berekend op basis van de methodieken genoemd in artikel 3:38.

§ 3.3.2. Risicogewogen posten voor vorderingen op centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:20 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Voor vorderingen op ondernemingen waarvan de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan de onderneming deel uitmaakt minder is dan € 50 miljoen kan de financiële onderneming in plaats van formule 1 van bijlage 3 gebruik maken van formule 5 van bijlage 3 om de correlatiefactor te bepalen.

  • 3 Om bij gekochte kortlopende handelsvorderingen te bepalen of gebruik kan worden gemaakt van formule 5 van bijlage 3, wordt uitgegaan van de gewogen gemiddelde totale jaaromzet van de ondernemingen waarop de individuele handelsvorderingen in de pool betrekking hebben.

  • 4 Indien de totale activa een relevantere indicator vormt voor de omvang van de onderneming dan de totale jaaromzet, wordt op basis van de totale activa van de geconsolideerde groep bepaald of de aangepaste correlatiefactor kan worden toegepast.

Artikel 3:21 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien een financiële onderneming voor één of meer van de subcategorieën genoemd in artikel 3:6 niet kan voldoen aan de in afdeling 3.6 vastgestelde minimumvereisten voor PD-ramingen, past zij voor de bepaling van de risicogewichten voor vorderingen uit deze onderdelen tabel 1 van bijlage 3 toe.

  • 2 Een financiële onderneming kan aan de vorderingen met een resterende looptijd van 2,5 jaar of meer in categorie 1 van de in het eerste lid bedoelde tabel een risicogewicht van 50% toekennen en kan aan dergelijke vorderingen in categorie 2 van die tabel een risicogewicht van 70% toe kennen, mits zij kan aantonen dat de risicokenmerken van de vordering voor de desbetreffende categorie substantieel positiever zijn dan normaal voor die categorie.

  • 3 Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen overeenkomstig het eerste lid houden financiële ondernemingen rekening met de volgende factoren:

    • a. financiële draagkracht van het specifieke project respectievelijk van de tegenpartij;

    • b. politieke en juridische omgeving;

    • c. kenmerken van de transactie of activa;

    • d. financiële draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket.

Artikel 3:22 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Voor gekochte kortlopende handelsvorderingen die kleiner zijn dan € 100.000, die aan de in artikel 3:25, eerste lid, gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor de financiële onderneming te belastend zou zijn om de in afdeling 3.6 bedoelde normen voor risicokwantificering van vorderingen op ondernemingen toe te passen, kan gebruik worden gemaakt van de in afdeling 3.6 bedoelde normen voor de risicokwantificering van vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen.

  • 3 Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen kunnen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie tegen het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, tegen verwateringsverliezen of tegen beide bieden, onder toepassing van titel 6.5, als eerste-verliesposities worden behandeld.

Artikel 3:23 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Wanneer een financiële onderneming voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder de voorwaarde dat een, in het contract tussen partijen vastgesteld, aantal wanbetalingen (n) op de vorderingen aanleiding geeft tot uitbetaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in paragraaf 6.5.3.2 bedoelde risicogewichten van toepassing indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is.

  • 2 Indien er voor het product geen kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1 vorderingen na, geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet hoger mag zijn dan het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5.

  • 3 De n-1 vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, betreffen iedere vordering waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor de andere vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

§ 3.3.3. Risicogewogen posten voor vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:24 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Bij door onroerend goed gegarandeerde vorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen past de financiële onderneming, in plaats van formule 6 van bijlage 3, een correlatiefactor (R) van 0,15 toe.

  • 3 Bij gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren, past de financiële onderneming, in plaats van formule 6 van bijlage 3, een correlatie (R) van 0,04 toe.

Artikel 3:25 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming past voor de bepaling van de risicogewogen posten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op een particulier of op een kleine of middelgrote onderneming die is ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, dezelfde methodieken toe als bedoeld in artikel 3:24, en voldoet aan de minimumvereisten van artikel 3:84. Tevens voldoet zij aan de volgende voorwaarden:

    • a. de financiële onderneming heeft de kortlopende handelsvorderingen gekocht van niet-verbonden, derde verkopers en haar vordering op de debiteur van de vordering omvat geen vorderingen die rechtstreeks of middellijk hun oorsprong vinden bij de financiële onderneming zelf;

    • b. de gekochte kortlopende handelsvorderingen zijn op marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de verkoper en de debiteur, en kunnen niet betreffen ‘te ontvangen posten’ of ‘kortlopende handelsvorderingen’ opgenomen in tegenrekeningen tussen ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar verkopen;

    • c. de kopende financiële onderneming heeft recht op alle respectievelijk een evenredig aandeel in de opbrengsten van de gekochte kortlopende handelsvorderingen; en

    • d. de pool van gekochte kortlopende handelsvorderingen is voldoende gespreid, in die zin dat geen enkele gekochte kortlopende handelsvorderingen op één tegenpartij groter is dan 0,2% van de pool waarin deze is opgenomen.

  • 2 Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen op een particulier of op een kleine of middelgrote onderneming kunnen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, onder toepassing van titel 6.5, als eerste-verliesposities worden behandeld

  • 3 Bij hybride pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen waarbij de kopende financiële onderneming door onroerend goed gegarandeerde vorderingen of gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen niet kan of wil onderscheiden van andere vorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen, is de risicogewichtenfunctie van toepassing die de hoogste solvabiliteitsvereisten voor deze vorderingen oplevert.

§ 3.3.4. Risicogewogen posten voor posities in aandelen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:26 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een financiële onderneming kan verschillende benaderingen voor verschillende portefeuilles volgen wanneer zij deze verschillende benaderingen ook intern volgt en wanneer de verschillende benaderingen consequent worden toegepast op de verschillende portefeuilles.

  • 3 De keuze voor verschillende benaderingen mag niet zijn ingegeven door redenen van kapitaalsarbitrage.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, kan een financiële onderneming de risicogewogen posten voor posities in aandelen van ondernemingen die nevendiensten verrichten bepalen volgens artikel 3:33. Deze mogelijkheid geldt alleen voor ondernemingen die uitsluitend nevendiensten verrichten op niet commerciële basis ten behoeve van de financiële onderneming, dan wel uitsluitend ten behoeve van een groep van financiële ondernemingen waar de financiële onderneming deel van uit maakt, die gezamenlijk volledig eigenaar zijn van de onderneming die de nevendiensten verricht.

Artikel 3:27 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering worden de risicogewogen posten voor posities in aandelen berekend volgens formule 9 in bijlage 3.

  • 2 Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering is het toegestaan om met short cash posities en afgeleide instrumenten, die zijn opgenomen in de niet-handelsportefeuille, long posities in dezelfde individuele aandelen af te dekken, mits de eerstgenoemde instrumenten uitdrukkelijk als dekkingsinstrumenten van specifieke posities in aandelen worden aangemerkt en mits zij nog voor ten minste één jaar dekking verschaffen. Bij posities waarvan de looptijden van elkaar verschillen, is voor de bepaling van het effect van het looptijdverschil afdeling 4.9 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Andere short posities, dan bedoeld in het tweede lid, worden behandeld als long posities, waarbij op de absolute waarde van elke positie het relevante risicogewicht wordt toegepast.

  • 4 Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering kan een financiële onderneming voor een positie in aandelen met niet-volgestorte kredietprotectie rekening houden. In afwijking van het eerste lid, wordt het risicogewicht berekend volgens artikel 3:29. Op die berekening zijn de vereisten van artikel 3:29, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:28 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij de interne-modellenbenadering is de risicogewogen post voor de posities in aandelen gelijk aan het potentiële verlies op de posities in aandelen van een financiële onderneming, zoals bepaald aan de hand van interne VaR-modellen met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen en aan de hand van een passend risicovrij percentage berekend over een lange periode, vermenigvuldigd met 12,5.

  • 2 De financiële onderneming neemt bij de ontwikkeling van de interne VaR-modellen artikel 3:86 in acht.

  • 3 Bij de interne-modellenbenadering kan op het niveau van de aandelenportefeuille de risicogewogen post niet minder zijn dan de som van de bij de PD/LGD-benadering vereiste minimale risicogewogen post en de overeenkomstige verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en berekend op basis van de in artikel 3:54, tweede lid, onderdeel a, genoemde PD-waarde, de bijbehorende, in artikel 3:55 genoemde LGD-waarden en de in artikel 3:56 opgenomen waarde van M.

  • 4 Bij de interne-modellenbenadering kan de financiële onderneming voor een positie in aandelen rekening houden met een niet-volgestorte kredietprotectie. De financiële onderneming ontwikkelt een consistente en verklaarbare methodiek om het effect van niet-volgestorte kredietprotectie op de posities in aandelen te kunnen bepalen. Onverminderd het derde lid, is, voor zover relevant, artikel 3:83 van overeenkomstige toepassing op de niet-volgestorte kredietprotectie.

Artikel 3:29 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij de PD/LGD-benadering worden de risicogewogen posten berekend volgens de formules bedoeld in artikel 3:20, eerste lid. Indien een financiële onderneming niet over voldoende informatie beschikt om de in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling vervatte definitie van wanbetaling te gebruiken, worden de risicogewichten vermenigvuldigd met een factor 1,5.

  • 2 Bij de PD/LGD-benadering bedraagt, op het niveau van de individuele positie in aandelen, de som van verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet meer dan de waarde van de vordering vermenigvuldigd met 12,5.

  • 3 Bij de PD/LGD-benadering kan de financiële onderneming voor een positie in aandelen rekening houden met een niet-volgestorte kredietprotectie, volgens de in artikel 4:93, derde en vijfde lid, bedoelde methode. Voor de bepaling van LGD en M is artikel 3:52 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:30 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Als vorderingen in de vorm van aandelen in een instelling voor collectieve belegging voldoen aan de criteria van artikel 2:45 en een financiële onderneming op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de instelling voor collectieve belegging, kijkt zij door naar de onderliggende vorderingen en berekent de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van de onderliggende vorderingen, op basis van de IRB-methodieken.

  • 2 Indien aan de voorwaarden van het eerste lid, eerste zinsnede, is voldaan, maar de financiële onderneming IRB niet toe past op de categorie onderliggende vorderingen, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:

    • a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, wordt de benadering van artikel 3:27 gehanteerd. Als de financiële onderneming geen onderscheid kan of wil maken tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;

    • b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in de hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gehanteerd, met dien verstande dat:

      • 1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en

      • 2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.

Artikel 3:31 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, eerste zinsnede, van het vorige artikel berekent een financiële onderneming op basis van het mandaat van de instelling voor collectieve belegging de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van de onderliggende vorderingen, volgens de in artikel 3:27, eerste lid, bedoelde eenvoudige risicogewichtenbenadering.

  • 2 Ten behoeve van de berekening, bedoeld in het eerste lid, worden onderliggende vorderingen, niet zijnde posities in aandelen, ondergebracht in één van de bij formule 9 van bijlage 3 genoemde categorieën. Als de financiële onderneming geen onderscheid maakt tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende onderliggende vorderingen als posities in overige aandelen. Vorderingen waarvan de onderliggende vorderingen onbekend zijn, worden eveneens behandeld als posities in overige aandelen.

Artikel 3:32 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Als alternatief voor de in het vorige artikel beschreven methode kan een financiële onderneming aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen van de instelling voor collectieve belegging te berekenen en haar van de resultaten op de hoogte te brengen, of deze berekening zelf uitvoeren. De financiële onderneming waarborgt in beide gevallen dat de berekening en, in geval van berekening door een derde, de rapportage volgens deze regeling plaatsvindt.

  • 2 Voor de in het eerste lid bedoelde berekeningen worden de volgende benaderingen gevolgd:

    • a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit wordt de benadering uit artikel 3:27, eerste lid, gevolgd. Als de financiële onderneming geen onderscheid maakt tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de betreffende vorderingen als posities in overige aandelen;

    • b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gevolgd, met dien verstande dat:

      • 1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot een risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht; en

      • 2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaal gesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.

§ 3.3.5. Risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn en voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:33 [Vervallen per 01-01-2014]

De risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn, worden berekend volgens formule 10 van bijlage 3.

Artikel 3:34 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen worden berekend volgens de formules, genoemd in artikel 3:20, eerste lid.

  • 2 Indien een financiële onderneming aantoont dat het verwateringsrisico te verwaarlozen is, hoeft zij hiervoor geen risicogewogen posten te berekenen.

§ 3.3.6. Berekening van verwachte verliesposten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:35 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt bij elke vordering uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD en de waarde van de vordering als bij de berekening van risicogewogen posten op basis van de artikelen 3:16 tot en met 3:18.

  • 3 Voor vorderingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden, vatten financiële ondernemingen die de Geavanceerde IRB toepassen de verwachte verliespost op als hun beste raming van EL (ELBE) in overeenstemming met artikel 3:81, achtste lid.

Artikel 3:36 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Indien een financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de subcategorieën genoemd in artikel 3:6 gebruik maakt van de in artikel 3:21, tweede lid, bedoelde mogelijkheid om aan alle vorderingen van categorie 1 van tabel 2 een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle vorderingen van categorie 2 van tabel 2 een risicogewicht van 70% toe te kennen, bedraagt de EL-waarde 0% voor vorderingen van categorie 1 en 0,4% voor vorderingen van categorie 2. Deze waarde wordt vervolgens gebruikt in formule 12 van bijlage 3.

Artikel 3:37 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:38 [Vervallen per 01-01-2014]

Tenzij artikel 3:34, tweede lid, van toepassing is, worden de verwachte verliesposten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen berekend volgens de formules 16 en 17 van Bijlage 3. Op deze berekening is artikel 3:35, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.4. Voorschriften voor de bepaling van de inputparameters PD, LGD en M [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.4.1. Algemene voorschriften voor inputparameters PD, LGD en M [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:39 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De inputparameters kans op wanbetaling (PD), verlies bij wanbetaling (LGD) en looptijd (M) voor de berekening van de in afdeling 3.3 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte verliesposten, worden door financiële ondernemingen geraamd met in achtneming van de in deze afdeling en in afdeling 3.6 opgenomen voorschriften.

  • 2 Voor de berekening van de in afdeling 3.3 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte verliesposten worden de inputparameters PD en LGD uitgedrukt in decimalen en wordt de inputparameter M uitgedrukt in jaren.

Artikel 3:40 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming merkt in ieder geval de volgende elementen aan als indicaties dat volledige nakoming van de verplichtingen door de debiteur onwaarschijnlijk is:

  • a. de financiële onderneming bestempelt de vordering op de debiteur als dubieus;

  • b. de financiële onderneming gaat over tot een waardeaanpassing als gevolg van een gepercipieerde aanzienlijke vermindering van de kredietkwaliteit nadat zij de vordering op de debiteur heeft geaccepteerd;

  • c. de financiële onderneming verkoopt de vordering op de debiteur met een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies;

  • d. de financiële onderneming stemt in met een gedwongen herstructurering van de vordering op de debiteur, die wellicht zal resulteren in een geringere vordering als gevolg van de kwijtschelding, dan wel de verlening van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of, in voorkomend geval, de provisies respectievelijk de gedwongen herstructurering van het aandelenkapitaal ingeval van posities in aandelen die worden beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering;

  • e. de financiële onderneming heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen;

  • f. de debiteur heeft faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen niet volgens het contract zal worden afgewikkeld.

§ 3.4.2. Pd, lgd en m voor vorderingen op centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:41 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De PD voor een debiteur waar wanbetaling heeft plaatsgevonden, is gelijk aan 1.

Artikel 3:42 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen ten aanzien waarvan een financiële onderneming niet kan aantonen dat haar individuele PD-ramingen aan de minimumvereisten voor PD-ramingen voor ondernemingen, zoals opgenomen in afdeling 3.6, voldoen, worden, met inachtneming van artikel 3:22, tweede lid, de PD’s bepaald volgens de volgende methoden:

    • a. de PD voor niet-achtergestelde rechten op gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de financiële onderneming geraamde EL voor het wanbetalingsrisico van de gehele pool van kortlopende handelsvorderingen, gedeeld door de LGD voor deze kortlopende handelsvorderingen;

    • b. de PD voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de financiële onderneming geraamde EL voor het wanbetalingsrisico van de gehele pool van kortlopende handelsvorderingen.

  • 2 Indien de financiële onderneming de Geavanceerde IRB toepast, splitst zij, in afwijking van het eerste lid, haar EL-ramingen voor het wanbetalingsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze in PD’s en LGD’s.

Artikel 3:43 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig de afdelingen 4.7 en 4.8 in aanmerking nemen.

  • 2 Een financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door hun PD’s aan te passen met inachtneming van artikel 3:45, derde lid.

Artikel 3:44 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit hanteert voor deze vorderingen de volgende LGD-waarden:

    • a. voor niet-achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 0,45;

    • b. voor achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 0,75;

    • c. ten aanzien van gedekte obligaties als bedoeld in bijlage 1: 0,1125;

    • d. voor niet-achtergestelde gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen: 0,45; en

    • e. voor achtergestelde gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen: 1.

  • 2 De financiële onderneming kan volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD overeenkomstig hoofdstuk 4 in aanmerking nemen.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, is voor het in aanmerking nemen van volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD overeenkomstig artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang of uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijven, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.

Artikel 3:45 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Indien de financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, gebruik maakt van de in artikel 3:42, eerste lid, bedoelde methoden, splitst zij de EL-ramingen voor wanbetalingsrisico voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze in PD’s en LGD’s.

  • 3 De financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door de PD- en/of LGD-ramingen aan te passen, mits de minimumvereisten van artikel 3:83 in acht worden genomen. De financiële onderneming kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD en/of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.

  • 4 Onverminderd het derde lid, is voor de toepassing van artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang of uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijven, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.

Artikel 3:46 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming berekent, met inachtneming van het vierde lid, elke vordering M op de volgende wijze:

    • a. voor een instrument dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M berekend volgens formule 18 van bijlage 3;

    • b. voor afgeleide instrumenten die onderworpen zijn aan een master netting overeenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de vordering, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt;

    • c. voor vorderingen die ontstaan uit hoofde van transacties met betrekking tot volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage B van het Besluit en van volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties of retrocessieovereenkomsten die onderworpen zijn aan een master netting overeenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 10 dagen. Voor retrocessieovereenkomsten of opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt;

    • d. voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, is voor opgenomen bedragen M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de gekochte kortlopende handelsvorderingen, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen;

    • e. voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit van kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, geldt eveneens de in het vorige onderdeel bedoelde waarde van M, indien de koopovereenkomst effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of andere kenmerken omvat die de kopende financiële onderneming bescherming bieden tegen een significante verslechtering van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende handelsvorderingen die zij gedurende de looptijd van de faciliteit verplicht is te kopen;

    • f. indien de effectieve beschermingsmiddelen, bedoeld in het vorige onderdeel ontbreken wordt voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit van kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, M berekend als de som van de langstlopende kortlopende potentiële handelsvordering in het kader van de koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdelen a tot en met f is M ten minste gelijk aan 1 dag voor:

    • a. de volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage B van het Besluit;

    • b. volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties;

    • c. retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, mits de documentatie dagelijkse margestortingen en dagelijkse herwaardering vereist en bepalingen bevat die de prompte uitwinning of saldering van zekerheden mogelijk maken in geval van wanbetaling of het uitblijven van een margestorting; en

    • d. andere kortlopende vorderingen, die geen deel uitmaken van de doorlopende financiering door de financiële onderneming van de debiteur.

  • 3 Voor alle andere instrumenten dan die genoemd in het eerste en tweede lid, dan wel voor alle instrumenten ten aanzien waarvan de financiële onderneming niet in staat is M op de in het eerste lid, onderdeel a, beschreven wijze te berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode (in jaren) die de debiteur kan wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar.

  • 4 Looptijdverschillen worden behandeld op de in afdeling 4.9 bedoelde wijze.

  • 5 Indien de financiële onderneming de in afdeling 5.6 bedoelde interne-modellenmethode hanteert om de waarde van de vordering te berekenen, wordt M volgens formule 18a van bijlage 3 berekend voor de posities waarop zij deze methode toepast en waarvoor de looptijd van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties langer is dan een jaar. Op samenstellen van verrekenbare transacties waarin alle overeenkomsten een oorspronkelijke looptijd van minder dan een jaar hebben, is het eerste lid van toepassing, voor zover de uitzondering van het tweede lid niet van toepassing is.

  • 6 In afwijking van het vorige lid, kan een financiële onderneming die gebruik maakt van een intern model om een eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment – CVA) te berekenen, de met behulp van dit model geraamde effectieve duur van het krediet als M gebruiken, mits daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB is verkregen.

  • 7 Voor de toepassing van artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, is M de daadwerkelijke looptijd van de kredietprotectie, maar ten minste gelijk aan 1 jaar.

§ 3.4.3. Pd en lgd voor vorderingen op particulieren en op kleine of midelgrote ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:47 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De PD van een vordering, waarbij er sprake is van wanbetaling is gelijk aan 1.

  • 3 Niet-volgestorte kredietprotectie kan in aanmerking worden genomen door de PD aan te passen met inachtneming van artikel 3:48, tweede lid.

Artikel 3:48 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Niet-volgestorte kredietprotectie ter dekking van een individuele vordering of een pool van vorderingen kan in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen, met inachtneming van de minimumvereisten van artikel 3:83, aan te passen. De financiële onderneming kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.

  • 3 Onverminderd het vorige lid, is voor de toepassing van artikel 3:24,eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.

§ 3.4.4. Pd, lgd en m voor de toepassing van de pd/lgd-benadering voor posities in aandelen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:49 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De PD wordt bepaald conform de methoden voor vorderingen op ondernemingen.

  • 2 De volgende minimumwaarden van PD zijn van toepassing:

    • a. 0,0009 voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de investering of belegging past in het kader van een duurzame cliëntrelatie;

    • b. 0,0009 voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen, waarbij het rendement van de investering of belegging berust op regelmatige en periodieke kasstromen die niet samenhangen met vermogenswinsten;

    • c. 0,004 voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, met inbegrip van short posities als bedoeld in artikel 3:27, tweede en derde lid;

    • d. 0,0125 voor alle overige posities in aandelen, met inbegrip van short posities als bedoeld in artikel 3:27, tweede en derde lid;

Artikel 3:50 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Aan posities in niet ter beurze verhandelde aandelen waarvan een financiële onderneming kan aantonen dat ze zijn opgenomen in portefeuilles die voldoende zijn gespreid en waarvoor op basis van de ervaringscijfers een lager risicogewicht is gerechtvaardigd, kan een LGD van 0,65 worden toegekend.

  • 2 Aan alle overige posities in aandelen wordt een LGD van 0,9 toegekend.

Artikel 3:51 [Vervallen per 01-01-2014]

Aan alle posities in aandelen wordt een M van 5 jaar toegekend.

Artikel 3:52 [Vervallen per 01-01-2014]

In het geval een financiële onderneming voor de bepaling van de risicogewogen post rekening houdt met niet-volgestorte kredietprotectie conform artikel 3:29, derde lid, geldt voor de vordering op de verschaffer van het dekkingsinstrument een LGD en M conform de vorige twee artikelen.

§ 3.4.5. Pd, lgd en m voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:53 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming stelt voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen eigen ramingen op van EL. Afhankelijk van de in artikel 3:42, eerste lid, bedoelde behandeling kan deze raming op het individuele niveau van de gekochte kortlopende handelsvordering dan wel op geaggregeerd niveau van de pool worden opgesteld.

  • 2 De PD voor het verwateringsrisico is gelijk aan de EL-raming voor het verwateringsrisico.

  • 3 De LGD voor het verwateringsrisico is 0,75.

  • 4 Indien de financiële onderneming de Geavanceerde IRB toepast, splitst zij, in afwijking van de vorige leden, haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op betrouwbare dan wel conservatieve wijze in PD’s en LGD’s.

  • 5 De M voor het verwateringsrisico is gelijk aan 1 jaar.

  • 6 De financiële onderneming kan bij de berekening van de PD niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig de afdelingen 4.7 en 4.8 in aanmerking nemen.

Afdeling 3.5. Voorschriften voor de bepaling van de inputparameter ‘Waarde van de vordering’ [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.5.1. Waarde van de vordering voor vorderingen op: centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen, ondernemingen, particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:54 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Tenzij anders is bepaald, wordt voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het Besluit de waarde van de vordering bepaald op basis van de waarde op de balans exclusief het effect van waardeaanpassingen. De vorige volzin is ook van toepassing op activa die worden gekocht tegen een andere prijs dan het verschuldigde bedrag. Voor activa als bedoeld in de vorige volzin wordt het verschil tussen het verschuldigde bedrag en de in de balans van financiële ondernemingen opgenomen waarde ‘disagio’ genoemd als het verschuldigde bedrag groter is, en ‘agio’ genoemd als het verschuldigde bedrag kleiner is.

  • 2 Wanneer een financiële onderneming bij retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maakt, wordt de waarde van de vordering berekend overeenkomstig de van toepassing zijnde methode uit paragraaf 4.3.3.

  • 3 Bij saldering van leningen en deposito’s past de financiële onderneming voor de berekening van de waarde van de vordering de toepasselijke methode van paragraaf 4.2.4 toe.

  • 4 Bij lease-overeenkomsten is de waarde van de vordering gelijk aan de gedisconteerde stroom van minimum leasebetalingen. De minimum leasebetalingen zijn de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen alsmede alle gunstige koopopties. Ook alle gegarandeerde restwaarden, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4:75 met betrekking tot de toelating van protectiegevers alsmede aan de minimumvereisten voor de erkenning van andere soorten garanties als bedoeld in de artikelen 4:79 tot en met 4:83, worden in de minimum leasebetalingen inbegrepen.

Artikel 3:55 [Vervallen per 01-01-2014]

De omvang die wordt gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben op gekochte kortlopende handelsvorderingen, is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen verminderd met het solvabiliteitsvereiste voor het verwateringsrisico maar vóór eventuele effecten van kredietrisicovermindering als bedoeld in hoofdstuk 4.

Artikel 3:56 [Vervallen per 01-01-2014]

Bij een derivatenpost als genoemd in bijlage B van het Besluit wordt de waarde van dat derivaat bepaald aan de hand van de in hoofdstuk 5 van deze regeling bedoelde methoden.

Artikel 3:57 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij een positie in effecten of grondstoffen die verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader van retrocessieovereenkomsten of een verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, afrekeningstransacties op lange termijn en margeleningstransacties, is de waarde van de vordering gelijk aan de, overeenkomstig het in artikel 4 van het Besluit aangewezen accountingraamwerk, bepaalde waarde van de effecten of grondstoffen.

  • 2 Wanneer de in paragraaf 4.4.6, bedoelde uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast, wordt de waarde van de vordering verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die in paragraaf 4.4.6 voor de effecten of grondstoffen in kwestie is aangegeven.

  • 3 De waarde van de vordering van posities uit hoofde van retrocessieovereenkomsten, verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, afrekeningstransacties op lange termijn en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig artikel 4:12, tweede lid, en paragraaf 4.3.4 respectievelijk overeenkomstig hoofdstuk 5.

  • 4 Onverminderd het vorige lid, wordt de waarde van de vordering van uitstaande kredietrisicoposities met een centrale tegenpartij bepaald overeenkomstig artikel 5:5, derde lid, mits op dagelijkse basis ten volle zekerheden worden gesteld voor de tegenpartijkredietrisicoposities van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen.

Artikel 3:58 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die Eenvoudige IRB toepast, bepaalt de waarde van de vordering voor de volgende posten buiten de balanstelling door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te vermenigvuldigen met de onderstaande bijbehorende omrekeningsfactoren:

    • a. voor niet-gecommitteerde kredietlijnen die door de financiële onderneming op elk tijdstip zonder opzegtermijn onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor uitdrukkelijk in automatische opzegging is voorzien in geval van verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur, geldt een omrekeningsfactor van 0%, mits de financiële onderneming nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgt en haar interne controlesystemen haar in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren;

    • b. voor niet-aangesproken verkochte verplichtingen voor revolverende gekochte kortlopende vorderingen die kunnen worden opgezegd of waarvoor de financiële onderneming uitdrukkelijk in automatische opzegging op enig tijdstip en onvoorwaardelijk is voorzien, geldt een omrekeningsfactor van 0%, mits de financiële onderneming nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgt en haar interne controlesystemen haar in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren;

    • c. voor kortlopend documentair krediet waaraan goederenhandel ten grondslag ligt, geldt een omrekeningsfactor van 20% voor zowel de uitgevende als de confirmerende financiële onderneming;

    • d. voor andere kredietlijnen, note issuance facilities (NIFs) en revolving underwriting facilities (RUFs) als bedoeld in bijlage 2D, punt 2, onderdeel e, geldt een omrekeningsfactor van 75%.

  • 2 Wanneer een post als genoemd in bijlage 2D, betrekking heeft op de uitbreiding van een andere post op die bijlage, wordt gebruik gemaakt van de laagste van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele posten op die bijlage gelden.

  • 3 De financiële onderneming die Geavanceerd IRB toepast, gebruikt voor het bepalen van de waarde van de vordering van posten genoemd in bijlage 2D eigen ramingen voor verschillende producttypen van die posten, tenzij het producttype op basis van die bijlage 2D kwalificeert als een post met volledig risico.

Artikel 3:59 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor alle posten genoemd in bijlage 2D, anders dan de posten genoemd in de artikelen 3:54 tot en met 3:58, wordt de waarde van de vordering bepaald op basis van de volgende percentages van de waarde:

  • a. 100% als het een post met een volledig risico is;

  • b. 50% als het een post met een middelgroot risico is;

  • c. 20% als het een post met een middelgroot tot laag risico is; en

  • d. 0% als het een post met een laag risico is.

§ 3.5.2. Waarde van de vordering voor posities in aandelen, voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn en voor verwateringsrisico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:60 [Vervallen per 01-01-2014]

De waarde van de vordering voor posities in aandelen is gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de waarde die in de jaarrekening is opgenomen.

Artikel 3:61 [Vervallen per 01-01-2014]

De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichtingen is de waarde, gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de in de jaarrekening opgenomen waarde.

Artikel 3:62 [Vervallen per 01-01-2014]

De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor verwateringsrisico is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen.

Afdeling 3.6. Minimumvereisten betreffende de interne ratingsystemen [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.6.1. Algemene minimumvereisten aan de interne ratingsystemen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:63 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming toont aan dat de door haar gehanteerde interne ratingsystemen solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a. de toegepaste interne ratingsystemen stellen de financiële onderneming in staat een betekenisvolle beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken te maken en leiden tot een betekenisvolle risicodifferentiatie en een precieze en samenhangende kwantitatieve risicoraming;

  • b. de voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van wanbetaling en de ramingen van verliezen bij wanbetaling, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de interne besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en interne beheersing van de financiële onderneming;

  • c. de financiële onderneming heeft een voor haar interne ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en vrij is van beïnvloeding die het onafhankelijk opereren in gevaar brengt;

  • d. de financiële onderneming verzamelt en bewaart alle relevante gegevens die nodig zijn om het kredietrisico effectief te kunnen meten en beheren; en

  • e. de financiële onderneming documenteert haar interne ratingsystemen en de ratio achter hun ontwerp en valideert haar ratingsystemen.

Artikel 3:64 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming legt de opzet en operationele bijzonderheden van haar ratingsystemen schriftelijk vast. Uit de documentatie blijkt dat de in deze afdeling gestelde minimumeisen in acht worden genomen. In de documentatie komen, onverminderd de overige, specifieke vereisten in deze afdeling op het gebied van documentatie, in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria, verantwoordelijkheden van partijen die ratings toekennen aan debiteuren en vorderingen, de frequentie waarmee de ratings worden herbekeken, en het management toezicht op het ratingproces.

  • 2 De financiële onderneming legt de motivering voor haar keuze van ratingcriteria en de analyse ter ondersteuning van deze keuze schriftelijk vast. De financiële onderneming documenteert alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces en in die documentatie wordt aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht na de laatste evaluatie ervan door DNB en waarom. Ook de organisatie van de toekenning van ratings, met inbegrip van de procedure voor de toekenning van ratings en de interne-beheersingsstructuur, wordt schriftelijk vastgelegd.

  • 3 De financiële onderneming legt de intern gehanteerde specifieke definities van wanbetaling en verlies schriftelijk vast en toont aan dat deze definities consistent zijn met de in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 vervatte definitie van wanbetaling.

  • 4 Indien de financiële onderneming in het kader van het ratingproces of ten aanzien van eigen ramingen van statistische modellen gebruik maakt, legt zij de methodologie ervan schriftelijk vast, waarbij:

    • a. een gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de theorie, aannamen en/of wiskundige en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen, individuele debiteuren, vorderingen of pools, alsook van de voor de opstelling van het model gebruikte gegevensbronnen;

    • b. een strikt statistische procedure, met inbegrip van out-of-time en out-of-sample prestatietests, voor de validatie van het model wordt vastgelegd; en

    • c. wordt aangegeven onder welke omstandigheden het model niet doeltreffend werkt.

  • 5 Ook indien gebruik wordt gemaakt van een model dat verkregen is van een derde die aanvoert dat het om eigen technologie gaat, blijft de financiële onderneming verantwoordelijk voor de naleving van de documentatieplicht en de overige verplichtingen die voor ratingsystemen gelden.

Artikel 3:65 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien een financiële onderneming van meerdere ratingsystemen gebruik maakt, wordt de gedachtegang achter de toewijzing van bepaalde debiteur of transactie aan een ratingsysteem schriftelijk vastgelegd en op zodanige wijze toegepast dat het risiconiveau adequaat wordt weerspiegeld.

  • 2 De toewijzingscriteria en -procedures worden periodiek aan een nieuw onderzoek onderworpen om na te gaan of zij nog steeds adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden.

Artikel 3:66 [Vervallen per 01-01-2014]

Wanneer een financiële onderneming gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters, kunnen deze worden aangemerkt als outputs van klassen op een continue ratingschaal.

§ 3.6.2. Structuur van ratingsystemen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:67 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een ratingsysteem als bedoeld in het eerste lid, heeft een ratingschaal voor debiteuren welke uitsluitend betrekking heeft op de kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De ratingschaal voor debiteuren telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.

  • 3 Een financiële onderneming legt de relatie tussen debiteurenklassen schriftelijk vast in termen van het niveau van het wanbetalingsrisico dat samenhangt met de verschillende debiteurenklassen en met vermelding van de gehanteerde criteria om de diverse risiconiveaus van elkaar te onderscheiden.

  • 4 Voor de toepassing van het vorige lid, wordt onder ‘debiteurenklasse’ verstaan: een risicocategorie in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin debiteuren worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit PD-ramingen worden afgeleid.

  • 5 Een financiële onderneming waarvan de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in een bepaald deel van de PD-verdeling zijn geconcentreerd, waarborgt dat er binnen dat deel genoeg debiteurenklassen zijn om ongewenste concentraties van debiteuren in één bepaalde klasse te vermijden. Significante concentraties in één klasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de debiteurenklasse een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het wanbetalingsrisico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte debiteuren verbonden is, binnen die bandbreedte valt.

  • 6 Bij een financiële onderneming die Geavanceerd IRB toepast, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin uitsluitend met de LGD verband houdende transactiekenmerken worden weerspiegeld.

  • 7 Een ‘faciliteitsklasse’ is een risicocategorie in een schaal voor vorderingen van een ratingsysteem waarin vorderingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit de LGD-ramingen worden afgeleid. De definitie van de klasse omvat een beschrijving van de wijze waarop een vordering in een klasse wordt ondergebracht en van de gehanteerde criteria om de risiconiveaus van de diverse klassen van elkaar te onderscheiden.

  • 8 Significante concentraties in één faciliteitsklasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de faciliteitsklasse een redelijk smalle LGD-bandbreedte bestrijkt en dat het risico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte vorderingen verbonden is, binnen die bandbreedte valt.

  • 9 Een financiële onderneming die voor de toekenning van risicogewichten voor één van de subcategorieën, genoemd in artikel 3:6, de in artikel 3:21, eerste lid, beschreven methode toepast, is voor deze vorderingen vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren welke uitsluitend het wanbetalingsrisico kwantificeert van de debiteur. In afwijking van het tweede lid hebben de financiële ondernemingen voor deze vorderingen ten minste 4 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.

Artikel 3:68 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming waarborgt dat haar ratingsystemen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zowel het debiteuren- als het transactierisico weerspiegelen en rekening houden met alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken. Financiële ondernemingen kunnen de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit respectievelijk artikel 3:40 van deze regeling op faciliteitsniveau toepassen.

  • 2 Het risico is op zodanige wijze gedifferentieerd dat het aantal vorderingen in een gegeven klasse of groep toereikend is voor een zinvolle kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep. De vorderingen en debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld dat buitensporige concentraties worden vermeden.

  • 3 De financiële onderneming toont aan dat de onderverdeling in klassen of groepen in een zinvolle risicodifferentiatie resulteert, een groepering van voldoende homogene vorderingen oplevert en een accurate en consequente raming van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk maakt. Voor gekochte kortlopende handelsvorderingen weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de heterogeniteit van hun cliënten.

  • 4 Bij de indeling in klassen of groepen houdt de financiële onderneming rekening met de volgende risicobepalende factoren van vorderingen:

    • a. debiteurenrisicokenmerken;

    • b. transactierisicokenmerken, met inbegrip van product- of zekerhedentypen of beide. De financiële onderneming besteedt uitdrukkelijk aandacht aan gevallen waarin verschillende vorderingen worden gedekt door hetzelfde onderpand; en

    • c. achterstalligheid, tenzij de financiële onderneming ten genoegen van DNB aantoont dat achterstalligheid geen bepalende factor voor het risico van de vordering is.

§ 3.6.3. Onderbrenging van debiteuren of vorderingen in klassen of groepen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:69 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming past specifieke definities, procedures en criteria toe voor de onderbrenging van debiteuren of vorderingen in klassen of groepen van een ratingsysteem.

  • 2 De definities en criteria van de klassen of groepen zijn voldoende gedetailleerd om degenen die ratings toekennen in staat te stellen op consistente wijze debiteuren of vorderingen waaraan vergelijkbare risico’s verbonden zijn, in dezelfde klasse of groep onder te brengen. Deze consistentie geldt voor alle divisies, afdelingen en geografische locaties van de financiële onderneming.

  • 3 De documentatie van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen hoe debiteuren of vorderingen in klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging in klassen en groepen te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in een bepaalde klasse of groep terecht is.

  • 4 De criteria van de klassen en groepen sluiten tevens aan bij de door de financiële onderneming toegepaste interne normen voor de verstrekking van leningen en bij haar gedragslijnen voor de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten.

  • 5 Bij de onderbrenging van debiteuren en vorderingen in klassen of groepen houdt de financiële onderneming rekening met alle relevante informatie. Deze informatie is actueel en stelt de financiële onderneming in staat de toekomstige ontwikkeling van de vordering te voorspellen. Hoe minder informatie de financiële onderneming bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij de onderbrenging van vorderingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of -⁠groepen. Indien de financiële onderneming gebruik maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie.

  • 6 Bij de onderbrengingen in klassen of groepen leggen financiële ondernemingen schriftelijk vast in welke situaties de inputs of outputs van het onderbrengingsproces door middel van subjectieve inschatting kunnen worden vervangen en welk personeel voor de goedkeuring van deze vervanging verantwoordelijk is. Deze vervanging en het daarvoor verantwoordelijke personeel worden door de financiële ondernemingen gedocumenteerd. Financiële ondernemingen analyseren de ontwikkeling van de vorderingen waarvan de onderbrenging is vervangen. Deze analyse omvat de beoordeling van de ontwikkeling van vorderingen waarvan de rating door een bepaalde persoon is vervangen, waarbij voor alle verantwoordelijke personeelsleden verantwoording wordt afgelegd.

Artikel 3:70 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische modellen en andere mechanische methoden om debiteuren dan wel vorderingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of -⁠groepen onder te brengen, dan:

  • a. toont zij aan dat het model een goede voorspelkracht heeft en dat de solvabiliteitsvereisten niet vertekend zijn als gevolg van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige basis voor de resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door vertekeningen van betekenis;

  • b. beschikt zij over een procedure voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst;

  • c. toont zij aan dat de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens representatief zijn voor de bestaande populatie van debiteuren of vorderingen van de financiële onderneming;

  • d. voorziet zij in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een bewaking van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat;

  • e. vult zij het statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De financiële onderneming legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en de modelresultaten worden gecombineerd.

Artikel 3:71 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Elke debiteur wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een debiteurenklasse ondergebracht. Aan elke individuele rechtspersoon op wie een financiële onderneming een vordering heeft, wordt een aparte rating toegekend. De financiële onderneming toont aan dat zij een acceptabele gedragslijn heeft voor de behandeling van individuele debiteuren en groepen verbonden debiteuren.

  • 3 Verschillende vorderingen op dezelfde debiteur worden in dezelfde debiteurenklasse ondergebracht, ongeacht of het karakter van elke specifieke transactie verschillen vertoont. Uitzonderingen hierop, waarbij het is toegestaan om verschillende vorderingen op dezelfde debiteur in meerdere klassen onder te brengen, zijn:

    • a. het transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de vorderingen in de lokale dan wel in een buitenlandse valuta luiden;

    • b. wanneer de behandeling van met een vordering samenhangende garanties kan worden weerspiegeld door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse; en

    • c. indien consumentenbescherming, het bankgeheim of andere wetgeving het uitwisselen van gegevens over cliënten verbiedt.

  • 4 Ingeval een financiële onderneming de Geavanceerd IRB toepast, wordt elke vordering in het kader van het kredietacceptatieproces tevens in een faciliteitsklasse ondergebracht.

  • 6 De onderbrengingen en periodieke evaluaties van onderbrengingen worden verricht of goedgekeurd door een onafhankelijke partij die geen onmiddellijk voordeel heeft bij de beslissingen om krediet te verstrekken.

  • 7 De onderbrengingen wordt ten minste jaarlijks door de financiële onderneming bijgewerkt. Risicovolle debiteuren en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. De financiële onderneming gaat over tot een herziening van de onderbrenging zodra belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt.

  • 8 De financiële onderneming beschikt over een doeltreffende procedure voor de verzameling en actualisering van relevante informatie over debiteurenkenmerken die op PD’s van invloed zijn en over transactiekenmerken die op LGD’s en omrekeningsfactoren van invloed zijn.

Artikel 3:72 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Elke vordering wordt, in het kader van het kredietacceptatieproces, in een klasse of groep ondergebracht.

  • 3 De financiële onderneming gaat ten minste eenmaal per jaar over tot de actualisering van de onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of tot de analyse van de verlieskenmerken en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden risicogroep. Risicovolle debiteuren en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. De financiële onderneming gaat over tot een herziening van de onderbrenging zodra belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt.

  • 4 De financiële onderneming onderzoekt tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een representatieve steekproef van individuele vorderingen uit elke groep om erop toe te zien dat vorderingen nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn.

§ 3.6.4. Bijhouden van gegevens [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:73 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming verzamelt en bewaart de gegevens over de aspecten van hun interne ratings zoals voorgeschreven ingevolge artikel 3:74a van de Wet.

Artikel 3:74 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De volgende gegevens worden door een financiële onderneming verzameld en opgeslagen:

    • a. de volledige ratinghistorie van debiteuren en erkende garantiegevers;

    • b. de data waarop de ratings zijn toegekend;

    • c. de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de ratings te bepalen;

    • d. de voor de toekenning van de rating en ramingen verantwoordelijke personen en modellen;

    • e. de in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;

    • f. de datum waarop en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en vorderingen een betalingsachterstand hebben opgelopen; en

    • g. gegevens over de PD’s en de gerealiseerde wanbetalingspercentages die met ratingklassen en ratingmigraties samenhangen.

  • 3 Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, verzamelt gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde LGD’s en de in artikel 3:44 genoemde waarden en tussen gerealiseerde omrekeningsfactoren en de in artikel 3:58 genoemde waarden.

  • 4 Een financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, verzamelt ook de volgende gegevens en slaat deze op:

    • a. volledige historische gegevens over de met elke ratingschaal samenhangende faciliteitsratings en ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren;

    • b. de data waarop de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht;

    • c. de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de faciliteitsratings en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren te bepalen;

    • d. de voor de toekenning van de faciliteitsrating en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren verantwoordelijke personen en modellen;

    • e. gegevens over de met elke vordering met een betalingsachterstand samenhangende geraamde en gerealiseerde LGD’s en omrekeningsfactoren;

    • f. voor de financiële ondernemingen die via de LGD met de kredietrisicoverminderende gevolgen van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over de LGD van de vordering voor en na de beoordeling van de gevolgen van een garantie of kredietderivaat; en

    • g. gegevens over de verliescomponenten van elke vordering met een betalingsachterstand.

Artikel 3:75 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De volgende gegevens worden door de financiële onderneming verzameld en opgeslagen:

    • a. de bij het proces van de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen gebruikte gegevens;

    • b. gegevens over de geraamde PD’s, LGD’s en omrekeningsfactoren die samenhangen met de vorderingenklassen of -groepen;

    • c. het percentage van in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;

    • d. voor vorderingen met een betalingsachterstand, de gegevens over de klassen of groepen waarin de vordering was ondergebracht in het jaar voordat zij een betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde uitkomsten voor de LGD en de omrekeningsfactor; en

    • e. de gegevens over de verliespercentages voor gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen.

§ 3.6.5. Risicokwantificering [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:76 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In de eigen ramingen door een financiële onderneming van de risicoparameters PD, LGD, omrekeningsfactor en EL is met alle relevante gegevens, informatie en methoden rekening gehouden. De ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch bewijsmateriaal en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn intuïtief aannemelijk en gebaseerd op de wezenlijke determinanten van de respectievelijke risicoparameters. Hoe minder gegevens de financiële onderneming bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij het verrichten van haar ramingen.

  • 2 De financiële onderneming is in staat haar verlieservaring in termen van PD, LGD en omrekeningsfactor (of verlies, wanneer EL-ramingen worden gehanteerd) te splitsen in de factoren die zij als de determinanten van de respectieve risicoparameters beschouwt. De financiële onderneming toont aan dat haar ramingen gebaseerd zijn op een langdurige ervaring.

  • 3 Er wordt rekening gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in deze afdeling genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of de invorderingsprocedure hebben voorgedaan. In de ramingen van de financiële onderneming wordt tevens rekening gehouden met de gevolgen van technische vooruitgang en met nieuwe gegevens en andere inlichtingen zodra deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens als nieuwe relevante informatie aan het licht komt, onderwerpt de financiële onderneming haar ramingen aan een nieuw onderzoek.

  • 4 De populatie van de vorderingen die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die werden toegepast toen de gegevens werden gegenereerd, en andere relevante kenmerken, zijn vergelijkbaar met die van de vorderingen en normen van de financiële onderneming. De financiële onderneming toont tevens aan dat de economische of marktvoorwaarden die aan de gegevens ten grondslag liggen, relevant zijn voor de actuele en voorzienbare voorwaarden. Het aantal in de steekproef opgenomen vorderingen en de voor de kwantificering gehanteerde periode waarop de gegevens betrekking hebben, is van dien aard dat de financiële onderneming kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van haar ramingen.

  • 5 De financiële onderneming telt bij haar ramingen een voorzichtigheidsmarge op die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen.

  • 6 Indien de financiële onderneming voor de berekening van risicogewichten andere ramingen hanteert dan voor interne doeleinden worden gebruikt, wordt dit gedocumenteerd en wordt de redelijkheid ervan aangetoond.

  • 7 Een financiële onderneming die gebruik maakt van gegevens die verzameld zijn vóór de implementatiedatum van deze regeling en die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling of verlies, bedoeld in artikel 1 van het Besluit, toont aan dat verzamelde gegevens op zodanige wijze zijn aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de definities van wanbetaling of verlies.

  • 8 Indien een financiële onderneming gebruik maakt van een datapool van verschillende financiële ondernemingen, toont zij aan dat:

    • a. de ratingsystemen en -criteria van de overige financiële ondernemingen die tot de datapool hebben bijgedragen, vergelijkbaar zijn met die van haar;

    • b. de datapool representatief is voor de portefeuille waarvoor de gegevens uit de pool worden gebruikt;

    • c. zij de gegevens uit de datapool consequent in de tijd gebruikt voor haar permanente ramingen.

  • 9 Indien de financiële onderneming gebruik maakt van een datapool van verschillende financiële ondernemingen, blijft zij verantwoordelijk voor de integriteit van haar ratingsystemen. De financiële onderneming toont aan dat zij over voldoende interne kennis van haar ratingsystemen beschikt, waardoor zij effectief in staat is het ratingproces te bewaken en te controleren.

Artikel 3:77 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming die gebruik maakt van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, toont aan dat adequate aanpassingen zijn verricht om algemene overeenstemming met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen.

Artikel 3:78 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een financiële onderneming oordeelt dat een debiteur of vordering die eerder in een toestand van wanbetaling verkeerde, thans in een zodanige toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de debiteur of vordering een rating van een vordering zonder betalingsachterstand toe. Mocht de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, later toch van toepassing blijken, dan wordt aangenomen dat zich opnieuw een wanbetaling heeft voorgedaan.

Artikel 3:79 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingspercentages.

  • 3 Indien de financiële onderneming voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de financiële onderneming een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming.

  • 4 Indien de financiële onderneming haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die door een kredietbeoordelingsbureau of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gehanteerde klassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. de koppeling wordt gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren;

    • b. de criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken;

    • c. in de analyse van de financiële onderneming is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 1 van het Besluit en de artikelen 3:40 en 3:78 van deze regeling; en

    • d. de financiële onderneming documenteert de grondslag voor de koppeling.

  • 5 Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan kan zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer de financiële onderneming voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 3:70 gespecificeerde normen.

  • 6 Wanneer een financiële onderneming PD-ramingstechnieken toepast, kan dat alleen met ondersteunende analyses, waarbij de financiële onderneming het belang van subjectieve overwegingen betrekt bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn.

  • 7 De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een financiële onderneming voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen. Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.

Artikel 3:80 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse of -groep op basis van gemiddelden van jaarlijkse wanbetalingspercentages.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kunnen PD-ramingen ook worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en adequate LGD-ramingen.

  • 4 De financiële onderneming beschouwt interne gegevens voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen als de primaire informatiebron voor de inschatting van de verlieskenmerken. De financiële onderneming kan externe gegevens, met inbegrip van gegevens uit datapools, of statistische modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits kan worden aangetoond dat er een sterke band bestaat tussen:

    • a. de door de financiële onderneming gevolgde procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen en de door de externe gegevensbron gevolgde procedure;

    • b. het interne risicoprofiel van de financiële onderneming en de samenstelling van de externe gegevens.

  • 5 Indien de financiële onderneming gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s afleidt uit een raming van het totale verlies en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in deze afdeling vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in het tweede lid van het volgende artikel bedoelde concept van de LGD.

  • 6 De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of de financiële onderneming voor haar inschatting van verlieskenmerken gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.

  • 7 De tijdens de looptijd van de vorderingen verwachte wijzigingen in de risicoparameters (seasoning effects) wordt door de financiële onderneming aangegeven en geanalyseerd.

Artikel 3:81 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een financiële onderneming raamt de LGD per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde LGD’s per faciliteitsklasse of -groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.

  • 3 Een financiële onderneming maakt gebruik van LGD-ramingen die rekening houden met een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD’s per klasse of groep oplevert welke constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.

  • 4 De financiële onderneming houdt bij de raming van LGD rekening met de mate waarin het risico van de vordering eventueel afhankelijk is van dat van de zekerheid of de zekerheidsgever. Gevallen waarin er sprake is van een significante afhankelijkheid worden op voorzichtige wijze benaderd.

  • 5 Valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de zekerheid worden op voorzichtige wijze behandeld bij de bepaling van de LGD door de financiële onderneming

  • 6 Indien in de LGD-ramingen met het bestaan van zekerheden rekening wordt gehouden, worden deze ramingen niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde marktwaarde van de zekerheid. In de LGD-ramingen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het potentiële onvermogen van de financiële onderneming om vlot beschikkingsmacht over de zekerheden te verkrijgen en deze uit te winnen.

  • 8 In het specifieke geval van een vordering waarbij reeds sprake is van wanbetaling, maakt de financiële onderneming gebruik van de som van haar beste raming van het voor die vordering verwachte verlies in het licht van het heersende economische klimaat en de status van de vordering en de mogelijkheid van additionele onverwachte verliezen gedurende de uitwinperiode.

  • 9 Indien onbetaalde achterstallige provisies in de winst- en verliesrekening van de financiële onderneming zijn geactiveerd, dan worden zij bij de waarde van de vordering en het verlies van die financiële onderneming geteld.

  • 10 De LGD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van tenminste vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.

  • 11 De LGD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De Financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB-benadering over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages.

  • 13 In afwijking van het vierde lid van het volgende artikel, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.

  • 14 Voor zover de financiële onderneming zekerheden erkent voor het bepalen van de waarde van de vordering voor tegenpartijkredietrisico overeenkomstig afdeling 5.5 respectievelijk afdeling 5.6, worden bedragen die naar verwachting op de zekerheid kunnen worden verhaald niet in de LGD-raming verwerkt.

Artikel 3:82 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Een financiële onderneming raamt de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde verwachte omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.

  • 3 De financiële onderneming maakt gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert die constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.

  • 4 In de door de financiële onderneming geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot, en na, het plaatsvinden van een gebeurtenis die tot wanbetaling leidt. In de raming van de omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijs een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de waarde van de omrekeningsfactor.

  • 5 Bij de raming van omrekeningsfactoren houdt de financiële onderneming rekening met haar specifieke gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. De financiële onderneming houdt ook rekening met haar vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties waarin bijna sprake is van wanbetaling, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat.

  • 6 De financiële onderneming beschikt over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De financiële onderneming is in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren.

  • 7 In afwijking van het vierde lid, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.

  • 8 De ramingen van de omrekeningsfactor van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.

  • 9 De ramingen van de omrekeningsfactoren voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.

§ 3.6.6. Minimumvereisten voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten op eigen ramingen van PD en/of LGD [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:83 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming hanteert welomschreven criteria voor de categorieën garantiegevers die zij in aanmerking neemt bij de berekening van risicogewogen posten.

  • 2 Op in aanmerking genomen garantiegevers als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Van een garantie is sprake indien de garantie:

    • a. schriftelijk is bevestigd;

    • b. niet opzegbaar is door de garantiegever;

    • c. van kracht is tot de verplichting volledig is nagekomen rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie, en

    • d. juridisch afdwingbaar is jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen.

  • 4 In afwijking van het derde lid, onderdeel d, kunnen ook garanties waarbij er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), in aanmerking worden genomen. De financiële onderneming toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect.

  • 5 De financiële onderneming hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van garanties ter dekking van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit voor de aanpassing van de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen, teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria voldoen aan de minimumvereisten van de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72.

  • 6 De criteria zijn aannemelijk en intuïtief en hebben betrekking op:

    • a. het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen;

    • b. het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van de garantiegever;

    • c. de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen; en

    • d. de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.

  • 7 De in deze afdeling gestelde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 4:87 van toepassing. In het geval van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit is dit lid van overeenkomstige toepassing op de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen.

  • 8 Onverminderd het vierde en vijfde lid, hebben de criteria voor het effect van kredietderivaten betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien deze in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van uitwinningen. De financiële onderneming houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.

§ 3.6.7. Minimumvereisten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:84 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De structuur van de faciliteit voor gekochte kortlopende handelsvorderingen waarborgt dat de financiële onderneming onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve eigendom van en beschikkingsmacht over alle overdrachten van contanten uit hoofde van de kortlopende handelsvorderingen heeft.

  • 2 Wanneer de betalingen van de debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder geschieden, verifieert de financiële onderneming regelmatig of deze betalingen volledig en met inachtneming van de contractuele afspraken plaatsvinden. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘beheerder’ verstaan: een entiteit die het dagelijkse beheer verzorgt van een pool van gekochte kortlopende handelsvorderingen of de onderliggende kredietvorderingen.

  • 3 De financiële onderneming beschikt over procedures om te waarborgen dat het eigendom van de kortlopende handelsvorderingen en kasontvangsten beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures die de leninggever lange tijd kunnen beletten om de kortlopende handelsvorderingen te liquideren of over te dragen, dan wel om de beschikkingsmacht over de kasontvangsten te verkrijgen.

  • 4 De financiële onderneming bewaakt zowel de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen als de financiële positie van de verkoper en beheerder. In ieder geval:

    • a. beoordeelt de financiële onderneming de samenhang tussen de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper als de beheerder en beschikt zij over interne gedragslijnen en procedures die voldoende bescherming bieden tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder meer ook een interne rating aan elke verkoper en beheerder wordt toegekend;

    • b. bestaan er in de financiële onderneming duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om uit te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De financiële onderneming draagt zorg voor periodieke evaluaties van verkopers en beheerders om de juistheid van hun verslagen na te gaan, fraude of operationele tekortkomingen op te sporen, en de kwaliteit van het kredietbeleid van de verkoper en van het inningsbeleid en de inningsprocedures van de beheerder te verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld;

    • c. beoordeelt de financiële onderneming de kenmerken van de pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van de verkoper op het gebied van achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, betalingsvoorwaarden en potentiële tegenrekeningen;

    • d. bestaan er in de financiële onderneming effectieve gedragslijnen en procedures voor de bewaking op geaggregeerde basis van concentraties van vorderingen op eenzelfde debiteur, zowel binnen pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen als voor alle pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen samen; en

    • e. ziet de financiële onderneming erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldo-analyse en de verwatering van kortlopende handelsvorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en voorschotbeleid met betrekking tot gekochte kortlopende handelsvorderingen te kunnen waarborgen, en voorziet zij tevens in een doeltreffend instrument voor de bewaking en bevestiging van de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de verwatering.

  • 5 De financiële onderneming beschikt over systemen en procedures om verslechteringen in de financiële positie van de verkoper en in de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen in een vroeg stadium te detecteren, alsook om zich aandienende problemen pro-actief aan te pakken. In de financiële onderneming bestaan in ieder geval duidelijke en effectieve gedragslijnen, procedures en informatiesystemen om inbreuken op overeenkomsten vast te stellen, en tevens duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om juridische stappen te ondernemen en om te gaan met gekochte kortlopende handelsvorderingen die problemen opleveren.

  • 6 De financiële onderneming volgt duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures voor de controle van gekochte kortlopende handelsvorderingen, krediet en contanten. In ieder geval worden in schriftelijk vastgelegde interne gedragslijnen alle wezenlijke onderdelen van het programma voor de aankoop van kortlopende handelsvorderingen gespecificeerd, met inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden, benodigde documentatie, concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten worden behandeld. Daarbij wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante en belangrijke factoren, met inbegrip van de financiële positie van de verkoper en de beheerder, risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne systemen wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde zekerheden en bewijsstukken worden verstrekt.

  • 7 De financiële onderneming beschikt over een effectieve interne procedure voor de toetsing van de inachtneming van alle interne gedragslijnen en procedures. De procedure omvat:

    • a. regelmatige beoordelingen van alle kritieke fases van het programma van de financiële onderneming voor de aankoop van kortlopende handelsvorderingen;

    • b. verificatie van de scheiding van taken, enerzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de beoordeling van de debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de audit ter plaatse van de verkoper en beheerder; en

    • c. de toetsing van de transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de kwalificaties, de ervaring, het personeelsbestand en de ondersteunende automatiseringssystemen.

Artikel 3:85 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:82 gelden voor de risicokwantificering van gekochte kortlopende handelsvorderingen de vereisten van dit artikel.

  • 2 In de ramingen met betrekking tot gekochte kortlopende handelsvorderingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie waarover de financiële onderneming beschikt ten aanzien van de kwaliteit van de onderliggende vorderingen, met inbegrip van gegevens over soortgelijke pools welke afkomstig zijn van de verkoper, de kopende financiële onderneming of externe bronnen. De financiële onderneming toetst alle van de verkoper afkomstige gegevens waarvan zij gebruik maakt.

  • 3 In het geval van gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit kan de financiële onderneming, in plaats van de PD, de EL per debiteurenklasse ramen op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden.

  • 4 Indien de financiële onderneming gemiddelde ramingen van PD’s en LGD’s voor gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit afleidt uit een EL-raming en een adequate PD- of LGD-raming, dan waarborgt zij dat de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in deze afdeling vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD voldoet, en spoort het resultaat met het in artikel 3:81, tweede lid vervatte concept van de LGD.

  • 6 Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kan een financiële onderneming van externe en interne referentiegegevens gebruik maken om de LGD’s te ramen.

§ 3.6.8. Minimumvereisten voor het gebruik van de interne-modellenbenadering voor posities in aandelen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:86 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij de ontwikkeling van een intern model voor berekening van de solvabiliteitsvereisten voor posities in aandelen op basis van een interne-modellen benadering als bedoeld in artikel 3:28, voldoet de financiële onderneming aan de normen van dit artikel.

  • 2 Bij de constructie van VaR-modellen voor de raming van potentiële driemaandelijkse verliezen kan de financiële onderneming gebruik maken van kwartaalgegevens of van gegevens met een kortere tijdshorizon die in kwartaalgegevens worden omgezet met behulp van een analytisch adequate methode die berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en gedocumenteerde redenering en analyse. Bij een dergelijke benadering wordt voorzichtig en consistent in de tijd te werk gegaan. Wanneer slechts beperkte relevante gegevens beschikbaar zijn, past de financiële onderneming adequate voorzichtigheidsmarges toe;

  • 3 In de gehanteerde modellen wordt op adequate wijze rekening gehouden met alle risico’s van betekenis waaraan het aandelenrendement onderhevig is, met inbegrip van zowel het algemene marktrisico als het specifieke risico van de aandelenportefeuille van de financiële onderneming. Dit wordt door middel van empirische analyses aangetoond.

  • 4 Het interne model sluit aan bij het risicoprofiel en de complexiteit van de aandelenportefeuille van de financiële onderneming. Wanneer de financiële onderneming posities van betekenis bezit met waarden die van zeer non-lineaire aard zijn, stelt zij de interne modellen zodanig op dat zij de aan dergelijke instrumenten verbonden risico’s op adequate wijze weergeven.

  • 5 De interne modellen geven een adequate verklaring van de historische koersvariatie en geven zowel de omvang als de wijzigingen in de samenstelling van de potentiële concentraties weer.

  • 6 In de ramingen van de volatiliteit van het rendement van posities in aandelen wordt rekening gehouden met alle relevante en beschikbare gegevens, inlichtingen en methoden. Er wordt gebruik gemaakt van aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen interne gegevens of van gegevens uit externe bronnen, met inbegrip van datapools.

  • 7 De koppeling van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen en risicofactoren is aannemelijk, intuïtief en conceptueel gezond.

  • 8 De raming van het potentiële verlies is bestand tegen ongunstige marktontwikkelingen die relevant zijn voor het risicoprofiel op lange termijn van het specifieke aandelenbezit van de financiële onderneming. De gehanteerde gegevens zijn van dien aard dat zij voorzichtige, statistisch betrouwbare en deugdelijke verliesramingen opleveren die niet enkel op subjectieve overwegingen gebaseerd zijn. De financiële onderneming combineert empirische analyse van beschikbare gegevens met op diverse factoren gebaseerde aanpassingen om voldoende realistische en voorzichtige modeloutputs te verkrijgen.

  • 9 De populatie van de vorderingen die vertegenwoordigd zijn in de voor de raming gehanteerde gegevens, sluit nauw aan bij of is ten minste vergelijkbaar met die van de posities in aandelen van de financiële onderneming. De gegevens die zijn gebruikt om de rendementsspreiding weer te geven, hebben betrekking op de langste steekproefperiode waarvoor gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor het risicoprofiel van de specifieke posities in aandelen van de financiële onderneming.

§ 3.6.9. Stress testen en validatie van IRB-systemen en interne ramingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:87 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming beschikt over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van haar kapitaaltoereikendheid. Een financiële onderneming verricht stresstests voor zowel het risico in de kredietportefeuille als voor het risico in de aandelenportefeuille. Bij het verrichten van stresstests wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben voor de kredietrisicoposities van de financiële onderneming en wordt beoordeeld in hoeverre de financiële onderneming tegen dergelijke veranderingen bestand is. Indien de financiële onderneminge voor de bepaling van de risicogewogen posten formule 4a van bijlage 3 toepast, bestudeert zij in het kader van haar stresstests het effect van een verslechtering van de kredietkwaliteit van protectiegevers, en met name het effect van protectiegevers die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen.

  • 2 De financiële onderneming verricht regelmatig een stresstest met betrekking tot het kredietrisico om na te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke omstandigheden hebben voor haar totale solvabiliteitsvereiste voor het kredietrisico. De stresstest is relevant en redelijk conservatief en ten minste wordt het effect wordt onderzocht van een scenario waarbij wordt uitgegaan van een milde recessie waarin er twee opeenvolgende kwartalen geen groei plaatsvindt. De financiële onderneming gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de stresstest-scenario’s ondergaan. De portefeuilles die worden onderworpen aan de stresstest, bevatten de overgrote meerderheid van alle kredietrisicoposities van een financiële onderneming.

  • 3 De financiële onderneming verricht regelmatig een stresstest met betrekking tot het risico van aandelenposities. Voor zover het posities betreft die worden behandeld onder de interne-modellen benadering als bedoeld in artikel 3:28 toont de financiële onderneming aan dat de gesimuleerde schok een voorzichtige raming van de potentiële verliezen over een relevante markt- of conjunctuurcyclus op lange termijn oplevert.

Artikel 3:88 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming beschikt over deugdelijke systemen om de juistheid en consistentie van ratingsystemen of interne modellen, voor posities in aandelen, de processen en de raming van alle relevante risicoparameters te valideren.

  • 2 De financiële onderneming toont aan dat het interne validatieproces haar in staat stelt de werking van de interne rating- en risico-inschattingsystemen op consequente en zinvolle wijze te beoordelen. Hiertoe worden alle wezenlijke onderdelen van de interne rating- en risico-inschattingsystemen, het modelleringsproces en de validatie gedocumenteerd. Dit met inbegrip van de verantwoordelijkheden van de bij de modellering betrokken partijen, de goedkeuring van het model en de procedures voor de validatie van het model.

  • 3 De financiële onderneming vergelijkt regelmatig de gerealiseerde mate van wanbetaling met de PD-ramingen voor elke klasse. Wanneer de gerealiseerde mate van wanbetaling buiten het voor de desbetreffende klasse verwachte bereik vallen, onderzoekt de financiële onderneming specifiek wat de redenen zijn voor de afwijking.

  • 4 Indien de financiële onderneming van eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren gebruik maakt, voert zij ook voor deze ramingen een onderzoek als bedoeld in het vorige lid uit.

  • 5 Voor posities in aandelen vergelijkt de financiële onderneming de feitelijke rendementen op aandelen, berekend aan de hand van gerealiseerde en niet-gerealiseerde winsten en verliezen, regelmatig met de modelramingen.

  • 6 Bij de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De financiële onderneming documenteert de bij deze vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.

  • 7 De financiële onderneming maakt tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij een dergelijk onderzoek wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaat de financiële onderneming uit van een zo lang mogelijke periode.

  • 8 De voor de kwantitatieve validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens, zowel gegevensbronnen als bestreken periodes, worden beargumenteerd en gedocumenteerd.

  • 9 De financiële onderneming heeft deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin gerealiseerde PD’s, LGD’s, omrekeningsfactoren, totale verliezen waarbij van EL gebruik wordt gemaakt en de feitelijke rendementen op aandelen, in significante mate van de verwachtingen afwijken om twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de wanbetalingservaring en van de rendementen op aandelen. Wanneer de gerealiseerde waarden de verwachte waarden blijven overtreffen, stelt de financiële onderneming haar ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en verlieservaring rekening te houden. Alle aanpassingen die naar aanleiding van deze onderzoeken van de ratingsystemen of interne modellen worden aangebracht, worden beargumenteerd en gedocumenteerd en zijn in overeenstemming met de interne normen voor de evaluatie en aanpassingen van ratingsystemen en interne modellen.

§ 3.6.10. Bepalingen ten aanzien van de interne beheersing en toezicht op IRB systemen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:89 [Vervallen per 01-01-2014]