KruimelpadGeldend op 09-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 maart 2006, nr. DJZ2005203937, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 12.11, tweede lid, 12.12, tweede, vierde en vijfde lid, en 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, en 21.8 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 2006, nr. W08.06.0083/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2006, nr. DJZ 2006290246, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
b. gevaarlijke afvalstof: afvalstof als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover die afvalstof een of meer eigenschappen, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e en f, van die regeling bezit;
c. groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;
d. invloedsgebied: gebied waarin volgens door Onze Minister bij ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;
e. opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen: opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999;
f. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;
g. categorie K1: een product niet zijnde een brandbaar gas met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa lager is dan 21°C;
h. categorie K2: een product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa ligt tussen de 21°C en 55°C;
i. categorie K3: een product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Pensky-Martens, bij een druk van 100 kPa hoger is dan 55°C en lager is dan 100°C;
j. maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen: gevaarlijke stof of categorie van gevaarlijke stoffen die door zijn gevaarseigenschappen in combinatie met de hoeveelheid die van die stof of van die categorie in een inrichting aanwezig mag zijn, meer dan alle andere voor die inrichting vergunde gevaarlijke stoffen bepalend is voor de ligging van de 10-6 per jaar contour voor het plaatsgebonden risico van die inrichting;
k. register: register als bedoeld in artikel 12.12 van de wet;
l. bijlage A van het ADR: de door Onze Minister ingevolge artikel 5.4.1 van het Vuurwerkbesluit aangewezen of bekendgemaakte vertaling van bijlage A bij de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
m. wet: Wet milieubeheer.
2.Voor de berekening van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico van inrichtingen en spoorwegemplacementen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen alsmede voor de wijze van toepassing van de afstanden waarbij wordt voldaan aan het plaatsgebonden risico, indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijn de daarvoor krachtens het Besluit externe veiligheid inrichtingen vastgestelde regels van overeenkomstige toepassing.
Als gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, van de wet worden aangewezen:
a. de in bijlage I, deel 1, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 onder de nummers 2a tot en met 2d en 15 genoemde stoffen;
b. distikstofoxide;
c. bestrijdingsmiddelen;
d. gevaarlijke afvalstoffen.
Als inrichtingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen:
a. inrichtingen waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is;
b. inrichtingen bestemd voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage I van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 worden opgeslagen in hoeveelheden groter dan de in kolom 2 van de delen 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage I van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 genoemde hoeveelheden;
c. door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen spoorwegemplacementen die gebruikt worden voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen;
d. andere door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet;
e. LPG-tankstations als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
f. inrichtingen waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen groep 2 als bedoeld in PGS 7, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg per opslagvoorziening, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, indien:
1° brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of
2° binnen een opslagvoorziening zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen;
g. inrichtingen waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een hoeveelheid van meer dan 1500 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a, d of h;
h. andere door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en met g, en artikel 4, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet.
Als inrichtingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden eveneens aangewezen:
a. inrichtingen waarop artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet van toepassing is;
b. inrichtingen, met uitzondering van in de territoriale zee gelegen inrichtingen, die krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet zijn aangewezen als mijnbouwwerken en waarvan het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 per jaar;
c. inrichtingen waar meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen al dan niet in combinatie met het bewerken daarvan in de zin van het Vuurwerkbesluit;
d. inrichtingen waar professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit;
e. inrichtingen als bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, waar meer dan 10 kg ontplofbare stoffen aanwezig is of meer dan 100 kg netto explosieve massa aan munitie aanwezig is, met uitzondering van volgens bijlage A van het ADR tot klasse 1.4 behorende patronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens met een kaliber van niet meer dan 13,2 mm;
f. inrichtingen waar meer dan 1000 kg distikstofoxide aanwezig is, niet zijnde inrichtingen die behoren tot een categorie als aangewezen onder 23.1 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingrecht;
g. inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse krijgsmacht of door een bondgenootschappelijke mogendheid voor zover buiten die inrichtingen ruimtelijke beperkingen gelden in verband met die inrichtingen.
Als transportroutes als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen transportroutes waarvan het plaatsgebonden risico voor wegen en spoorlijnen op de as van de transportroute, of voor vaarwegen op de oever, hoger is dan 10-6 per jaar.
1.Als buisleidingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen:
a. aardgasleidingen met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 1600 kPa;
b. buisleidingen voor het vervoer van brandbare vloeistoffen van de categorieën K1, K2 of K3, met een uitwendige diameter van meer dan 100 mm;
c. buisleidingen voor andere gevaarlijke stoffen dan bedoeld onder a en b, waarvoor het plaatsgebonden risico op een afstand van 5 m gemeten vanaf het hart van de buisleiding hoger is dan 10-6 per jaar.
2.Onze Minister is bevoegd gezag voor andere buisleidingen dan bedoeld in artikel 12.11, eerste lid, onderdeel a, onder 8°, van de wet.
1.Onverminderd de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid, kunnen door het bevoegd gezag inrichtingen, transportroutes en buisleidingen worden gemeld aan het RIVM voor opneming in het register indien het groepsrisico hoger is dan 10-5 per jaar voor 10 slachtoffers, 10-7 per jaar voor 100 slachtoffers of 10-9 per jaar voor 1000 slachtoffers.
2.Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Verkeer en Waterstaat regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de contouren van de in het eerste lid bedoelde inrichtingen, buisleidingen en transportroutes worden vastgesteld, met dien verstande dat voor zover het inrichtingen betreft waarop de Mijnbouwwet van toepassing is, deze regels worden gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
Het register bevat ten aanzien van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid, en 7, eerste lid, slechts de volgende gegevens:
a. de geografische situering van de inrichtingen, transportroutes en buisleidingen, weergegeven met behulp van de coördinaten van het stelsel van de rijksdriehoeksmeting, bedoeld in artikel 52 van de Kadasterwet;
b. een aanduiding van het bevoegd gezag;
c. de ligging van de 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar, de 10-5 per jaar contour en de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven alsmede de veiligheidsafstanden die gelden voor inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen c en g, en
d. de datum waarop de betreffende gegevens in het register laatstelijk zijn gewijzigd.
1.Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van inrichtingen aangewezen ingevolge de artikelen 3, 4 en 7, eerste lid, tevens de volgende gegevens:
a. de bedrijfsnaam;
b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de aangewezen inrichtingen;
c. de datum waarop de voor de risico’s relevante geldende vergunning is verleend of laatstelijk is gewijzigd;
d. de aard van het risico;
e. de chemische naam en het CAS-nummer en voor zover bekend het UN-nummer van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen en
f. indien beschikbaar het groepsrisico uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers of de gemiddelde bevolkingsdichtheid binnen het invloedsgebied rondom de desbetreffende inrichting.
2.Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdeel g, bevat het register de ligging van de zones waar beperkingen gelden voor de bebouwing of de aanwezigheid van personen.
1.Het register bevat voor LPG-tankstations als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, tevens de plaats van de LPG-opslagtanks, de LPG-vulpunten en de LPG-afleverzuilen, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de rijksdriehoeksmeting, bedoeld in artikel 52 van de Kadasterwet.
2.Voor inrichtingen met zowel een voor het toxisch risico maatgevende stof als voor het risico van brand of explosie maatgevende stof bevat het register de in artikel 9, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde gegevens ten aanzien van beide maatgevende stoffen.
3.Bij de berekening van de in de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de vergunning genoemde maximale hoeveelheid maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen, zonodig gecorrigeerd voor strikt voorzienbare, incidentele wijzigingen in deze hoeveelheid over het jaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de wijze waarop de maximale hoeveelheid maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen wordt vastgesteld.
1.Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 6 en 7 tevens de volgende gegevens:
a. indien beschikbaar het groepsrisico van de buisleidingen, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer lengte van de buisleiding en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers;
b. de eventuele naam of aanduiding waaronder de buisleidingen bekend zijn;
c. de naam van de eigenaar en de eventuele gebruikers van de buisleiding;
d. de uitwendige diameter van de buisleiding in millimeters;
e. de maximale werkdruk uitgedrukt in kiloPascal;
f. de wanddikte van de buis in millimeters en
g. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld, in centimeters.
2.Artikel 9, eerste lid, onderdelen d en e, is van overeenkomstige toepassing op buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 6 en 7.
Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van transportroutes aangewezen ingevolge artikel 5 en 7 tevens de volgende gegevens:
a. indien beschikbaar het groepsrisico van de transportroutes, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer lengte van de transportroute en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers;
b. de eventuele naam of aanduiding waaronder de transportroutes bekend zijn.
Onverminderd de artikelen 8 en 10, eerste lid, bevat het register een overzicht op een kaart waaruit de geografische ligging van de inrichtingen, transportroutes en buisleidingen waarover in het register gegevens zijn opgenomen blijkt. Op de kaart worden opgenomen de ligging van de 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico, en indien beschikbaar, de 10-5 per jaar contour en de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 8, onderdeel c, alsmede de afstanden die gelden voor inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen c en g.
1. De verstrekking van gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10 aan het RIVM, met betrekking tot inrichtingen vindt plaats binnen twee weken na:
a. het in werking treden van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet;
b. de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 8.41, tweede lid, van de wet;
c. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling, inzake een besluit, als bedoeld in de onderdelen a of c, of een melding als bedoeld in onderdeel b.
2. De verstrekking van gegevens als bedoeld in de artikelen 8, 11 en 12 aan het RIVM, met betrekking tot transportroutes of buisleidingen vindt plaats:
a. op basis van vooraf geraamde gegevens binnen twee weken na ingebruikname van de nieuw aangelegde of gewijzigdetransportroute of buisleiding en
b. op basis van tijdens het gebruik van de transportroute of buisleiding verzamelde gegevens binnen zes maanden na ingebruikname van de nieuw aangelegde of gewijzigde transportroute of buisleiding.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, draagt het bevoegd gezag ervoor zorg dat de gegevens in het register ten minste eens per vijf jaar worden geactualiseerd.
1.In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10 voor inrichtingen ten aanzien waarvan ten tijde van het in werking treden van dit besluit reeds een besluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a of c, in werking is getreden, een melding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, is ontvangen of een uitspraak als bedoeld in artikel 15 eerste lid, onderdeel d, is gedaan, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit voor zover de gegevens ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn.
2.In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8 tot en met 10 voor inrichtingen als bedoeld in artikel 3, onderdelen a, b, e en g, en artikel 4, onderdelen a, c en f, indien voor die inrichtingen ten tijde van het inwerkingtreden van dit besluit de gegevens als bedoeld in artikel 8 niet ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit.
3.In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8, voor inrichtingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, en artikel 4, onderdelen b, d en e, indien voor die inrichtingen ten tijde van het in werking treden van dit besluit de gegevens als bedoeld in artikel 8 niet ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit.
4.In afwijking van artikel 15, tweede lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8 met betrekking tot transportroutes als bedoeld in artikel 5 en buisleidingen als bedoeld in artikel 6 die voor het in werking treden van dit besluit zijn aangelegd, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit.
Onze Minister kan gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 12 aanwijzen die uitsluitend zijn in te zien bij het bevoegd gezag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de aangewezen gegevens.
Voor het vervaardigen van afschriften van in het register opgenomen gegevens wordt een vergoeding in rekening gebracht die wordt berekend volgens de normen van het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Beatrix
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,
P. L. B. A. van Geel
De Minister van Justitie ,
E. M. H. Hirsch Ballin