Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011[Regeling vervallen per 01-01-2014.]

Geldend van 31-12-2011 t/m 31-12-2013

Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, nr. Juza/2006/02446/CLR, houdende regels inzake de vereiste solvabiliteit ter dekking van het marktrisico voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen (Regeling solvabiliteitseisen voor het marktrisico)

De Nederlandsche Bank N.V.,

Na overleg met de betrokken representatieve organisaties;

Gelet op de artikelen 60, tweede lid, 62, tweede lid, en 77 van het Besluit prudentiële regels Wft;

Gelet op de bijlagen bij richtlijn (EG) nr. 2006/49 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEG L-177);

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

§ 1.1. Definities en reikwijdtebepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:1 [Vervallen per 01-01-2014]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. algemene positierisico:

    • 1°. ingeval van een schuldinstrument of een daarvan afgeleid instrument: het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van een wijziging in de rentestand;

    • 2°. ingeval van een aandeel of een daarvan afgeleid instrument: het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enig specifiek aspect van de betrokken aandelen;

  • a1. back-testing: het voor iedere werkdag vergelijken van de uit het model resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies (VaR) voor de eindedagsposities van de portefeuille met de eendagsverandering in de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag.

  • b. Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • c. delta: de verwachte lineaire verandering van een optieprijs als gevolg van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;

  • d. derivaten: de afgeleide financiële instrumenten, genoemd in bijlage C bij het Besluit, met uitzondering van die instrumenten waaraan overeenkomstig afdeling 5.4 van de Rsk 2010 een risicowaarde van nul is toegekend;

  • d1. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • e. DVP-transactie: transactie waarbij een financiële onderneming effecten of grondstoffen heeft betaald bij gelijktijdige ontvangst van deze effecten of grondstoffen of vice versa. In het geval van grensoverschrijdende transacties, wordt tevens geacht sprake te zijn van een DVP-transactie indien minder dan één dag is verstreken sinds het tijdstip van levering of betaling;

  • f. financiële instrumenten: een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of eigen-vermogensinstrument bij een andere partij.

  • g. financiële onderneming: bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet;

  • h. grondstoffen:grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van grondstoffen, daaronder tevens begrepen gegarandeerde rechten betreffende het eigendom van grondstoffen die een financiële onderneming bij een retrocessieovereenkomst overdraagt, respectievelijk die een financiële onderneming in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst;

  • i. korte positie: een positie in een financieel instrument die voor een financiële onderneming verliesgevend is bij een stijging van de prijs van dat instrument:

  • j. lange positie: een positie in een financieel instrument die voor een financiële onderneming winstgevend is bij een stijging van de prijs van dat instrument;

  • k. non-DVP-transactie: transactie waarbij de financiële onderneming effecten of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen of wanneer zij effecten of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te ontvangen en er, in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sinds het tijdstip van levering of betaling;

  • l. positie in grondstoffen: een positie in grondstoffen of van grondstoffen afgeleide instrumenten, uitgezonderd posities in goud en van goud afgeleide instrumenten en posities waarmee uitsluitend voorraden worden gefinancierd;

  • m. positierisico: de som van het algemene positierisico en het specifieke positierisico;

  • n. protectieverkoper: de partij, bedoeld in artikel 4:77, eerste lid, van de Rsk 2010 die, ten aanzien van kredietderivaten, een kredietrisico van een andere partij (de protectiekoper) overneemt;

  • o. protectiekoper: de partij die, ten aanzien van kredietderivaten, een kredietrisico aan een protectieverkoper overdraagt;

  • o1. Rsk 2010: de Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010;

  • o2. Rso 2010: de Regeling solvabiliteitseisen operationeel risico Wft 2010;

  • p. specifieke positierisico: het risico van een prijsverandering in een financieel instrument of een daaraan onderliggend instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent van dat instrument of de emittent van het afgeleid instrument;

  • p1. Value-at-Risk (VaR): Maatstaf die de omvang van het potentiële verlies op een handelsportefeuille berekent over een bepaalde horizon bij een bepaald statistisch betrouwbaarheidsniveau.

  • q. warrant: een waardepapier dat de houder het recht geeft om tot of op het einde van de looptijd van het waardepapier tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen en dat wordt afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten; en

  • r. Wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel 1:2 [Vervallen per 01-01-2014]

Met uitzondering van hoofdstuk 4, is deze regeling van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, tenzij:

  • a. de aard van een artikel deze overeenkomstige toepassing uitsluit; of

  • b. het systeem van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.

§ 1.2. De minimis-vrijstelling [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 1:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De omvang van de handelsportefeuille van een financiële onderneming, bedoeld in artikel 62, tweede lid, van het Besluit is gelijk aan de som van de lange en korte posities, ongeacht het teken, die een financiële onderneming binnen en buiten haar balans in financiële instrumenten en grondstoffen tezamen inneemt:

    • a. hetzij met de intentie om met die posities te handelen;

    • b. hetzij om met die posities haar andere posities binnen de handelsportefeuille af te dekken.

  • 3 De omvang van de niet-handelsportefeuille is gelijk aan de som van de lange en korte binnen- en buitenbalansposities, die na toepassing van het tweede lid resteert.

  • 4 Bij de berekening van de omvang van de activiteiten in en buiten balanstelling worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen marktprijs of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide instrumenten tegen nominale waarde of marktwaarde van de onderliggende instrumenten.

Artikel 1:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Onder de intentie om te handelen, wordt verstaan de intentie om op korte termijn:

    • a. ingenomen posities weer af te stoten;

    • b. een voordeel te behalen uit bestaande of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen van ingenomen posities; of

    • c. een voordeel te behalen uit andere koers- of renteschommelingen van ingenomen posities, anders dan de schommelingen, bedoeld in onderdeel b.

  • 2 De intentie om te handelen wordt overeenkomstig artikel 2:2 geobjectiveerd.

Artikel 1:5 [Vervallen per 01-01-2014]

Indien een financiële onderneming op grond van de uitkomst van de in artikel 1:3 bedoelde berekening voor de toepassing van artikel 61 van het Besluit opteert, sluit laatstgenoemde keuze de toepassing van de hoofdstukken 3 en 4 van deze regeling uit.

Hoofdstuk 2. Handelsactiviteiten [Vervallen per 01-01-2014]

§ 2.1. Posities in de handelsportefeuille [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:1 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 De in het eerste lid bedoelde financiële onderneming draagt tevens zorg voor helder omschreven beleid en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Dit beleid en deze procedures omvatten in ieder geval:

    • a. de commerciële werkzaamheden van de financiële onderneming die, met het oog op het daarmee samenhangende solvabiliteitsvereiste, tot onderdeel van de handelsportefeuille kunnen worden aangemerkt;

    • b. de mate waarin een vordering dagelijks naar marktprijzen kan worden gewaardeerd via verwijzing naar een actieve, liquide tweerichtingmarkt;

    • c. voor naar modelprijzen gewaardeerde vorderingen: de mate waarin de financiële onderneming in staat is om:

      • 1°. alle materiële risico’s van de vordering te bepalen;

      • 2°. alle materiële risico’s van de vordering af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide tweerichtingmarkt bestaat; en

      • 3°. betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte vooronderstellingen en parameters;

    • d. de mate waarin de financiële onderneming in staat en verplicht is voor de vordering beoordelingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;

    • e. de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele eisen het vermogen van de financiële onderneming aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de vordering te bewerkstelligen;

    • f. de mate waarin een financiële onderneming in staat en verplicht is om de vordering in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;

    • g. de mate waarin de financiële onderneming risico’s of vorderingen kan overdragen tussen de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille en de criteria voor dit soort overdrachten.

  • 3 De financiële onderneming waarborgt dat haar beleid en procedures in overeenstemming zijn met de overige toepasselijke normen betreffende risicobeheer, zoals neergelegd in dit hoofdstuk, in de Rsk 2010 en de Rso 2010 en in de Regeling securitisaties Wft 2010. De wijze van naleving van het beleid en de procedures wordt volledig gedocumenteerd en periodiek aan een interne controle onderworpen.

Artikel 2:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het actieve beheer van posities die overeenkomstig het vorige artikel met een handelsintentie zijn ingenomen, vindt plaats volgens een goed gedocumenteerde, en door de hoogste leiding goedgekeurde, handelsstrategie. Als onderdeel van deze strategie wordt in ieder geval een verwachte tijdshorizon voor het aanhouden van die posities vastgesteld.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, omvat de handelsstrategie tevens duidelijke gedragslijnen en procedures, die in ieder geval bepalen:

    • a. welke posities een handelsafdeling mag innemen;

    • b. welke positielimieten gelden en hoe de toereikendheid daarvan wordt beoordeeld;

    • c. in welke mate handelaren van de financiële onderneming, binnen de grenzen van de handelsstrategie en de positielimieten, autonoom posities kunnen innemen;

    • d. dat, als onderdeel van het risicomanagement van de financiële onderneming, verantwoording aan de hoogste leiding wordt afgelegd over de ingenomen posities; en

    • e. dat de ingenomen posities op basis van marktinformatiebronnen actief worden bewaakt, in het bijzonder wat betreft de beoordeling van de verhandelbaarheid of afdekbaarheid van deze posities of hun risicocomponenten.

  • 3 Als marktinformatiebronnen, bedoeld in het vorige lid, onderdeel e, worden in ieder geval aangemerkt: de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt ten behoeve van het waarderingsproces, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities.

  • 4 De ingenomen posities worden getoetst aan de handelsstrategie op grond van duidelijk omschreven gedragslijnen en procedures, die tenminste betrekking hebben op het bewaken van de omzet en van slapende posities in de handelsportefeuille.

Artikel 2:3 [Vervallen per 01-01-2014]

Onverminderd artikel 2:1, eerste lid, kunnen, met inachtneming van de volgende artikelen van deze paragraaf, in ieder geval als positie in de handelsportefeuille worden ingenomen:

Artikel 2:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de toepassing van het vorige artikel kan een intern afdekkingsinstrument uitsluitend in de handelsportefeuille worden ingenomen, voor zover:

    • a. het interne afdekkingsinstrument met de intentie om te handelen is ingenomen; en

    • b. het interne afdekkingsinstrument aan de algemene criteria van dit hoofdstuk en aan de bijzondere criteria van het volgende lid voldoet.

  • 2 De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijzondere criteria zijn:

    • a. de interne afdekkingsinstrumenten zijn niet primair ingenomen met het doel om solvabiliteitseisen te ontlopen of te verminderen;

    • b. de interne afdekkingsinstrumenten zijn naar behoren gedocumenteerd en onderworpen aan bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en auditing;

    • c. de interne transactie, onderliggend aan de interne afdekkingsinstrumenten, wordt tegen marktvoorwaarden afgewikkeld;

    • d. het overgrote deel van het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden marktrisico wordt, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch beheerd in de handelsportefeuille;

    • e. de deugdelijkheid van de monitoring van de interne transacties worden zorgvuldig wordt gewaarborgd door middel van adequate procedures.

  • 3 Voor onderdelen van het interne afdekkingsinstrument die niet aan de voorwaarden uit de vorige leden voldoen, wordt het solvabiliteitsvereiste voor de met die onderdelen samenhangende risico’s overeenkomstig de hoofdstukken 3 en 4 berekend. Voor de overige onderdelen kan deze berekening overeenkomstig artikel 61 van het Besluit plaatsvinden.

Artikel 2:5 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In afwijking van het vorige artikel, kan een kredietrisicopositie in de niet-handelsportefeuille die wordt afgedekt met een kredietderivaat uit de handelsportefeuille, niet in de handelsportefeuille worden ingenomen.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 5:4 van de Rsk 2010 is het eerste lid niet van toepassing, indien de kredietrisicopositie in de niet-handelsportefeuille wordt afgedekt met een kredietderivaat dat van een toelaatbare derde-protectiegever is gekocht en dat voldoet aan de artikelen 4:85 en 4:86 van de Rsk 2010.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid toch van toepassing indien de in het tweede lid bedoelde koop, niet de eigendomsoverdracht van het kredietderivaat van de protectiegever aan de financiële onderneming tot rechtsgevolg heeft.

Artikel 2:6 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor de toepassing van artikel 2:3, kunnen vorderingen als bedoeld in onderdeel b van dat artikel als gewoon aandeel of als schuldinstrument in de handelsportefeuille worden ingenomen, indien de betrokken financiële onderneming:

  • a. aantoont dat zij zich ten aanzien van de desbetreffende financiële instrumenten actief optreedt als market maker; en

  • b. met het oog op de in het vorige onderdeel bedoelde activiteiten, beschikt over adequate stelsels en controles rondom deze handel in vorderingen op basis van eigen middelen.

Artikel 2:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de toepassing van artikel 2:3, kunnen transacties als bedoeld in onderdeel c van dat artikel uitsluitend in de handelsportefeuille worden ingenomen, indien de betrokken financiële onderneming:

    • a. hiertoe vanwege de voor haar geldende solvabiliteitsvereisten verplicht is;

    • b. al haar transacties in de handelsportefeuille opneemt;

    • c. waarborgt dat al haar transacties voldoen aan de voorwaarden neergelegd in paragraaf 1.2 en de voorwaarden neergelegd in dit hoofdstuk; en

    • d. waarborgt dat beide delen de vorm hebben van contanten of effecten die in de handelsportefeuille kunnen worden opgenomen.

  • 2 Ongeacht waar zij geboekt staan, geldt voor alle op retrocessie lijkende transacties een tegenpartijkredietrisicoheffing buiten de handelsportefeuille om.

§ 2.2. Waarderingsgrondslagen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 2:8 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die artikel 61 van het Besluit toepast, waarborgt de inrichting en instandhouding van toereikende systemen en controles om de waarde van haar posities in de handelsportefeuille op prudente wijze te kunnen schatten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde systemen en controles bestaan minimaal uit:

    • a. gedocumenteerde gedragslijnen en procedures voor het waarderingsproces;

    • b. duidelijke, en van het front office onafhankelijke, rapportagelijnen voor de afdeling die verantwoordelijk is voor het waarderingsproces; en

    • c. een eindcontrole van de rapportages van de in onderdeel b bedoelde afdeling, door een lid van de hoogste leiding.

  • 3 De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde gedragslijnen en procedures omvatten:

    • a. een duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering betrokken zijn;

    • b. de marktinformatiebronnen die bij de waardering kunnen worden gebruikt en de wijze van beoordeling van de deugdelijkheid daarvan;

    • c. de frequentie waarmee onafhankelijke waardering dient plaats te vinden;

    • d. de timing van slotkoersen;

    • e. de procedures voor het aanpassen van waarderingen;

    • f. de frequentie van verificatieprocedures; en

    • g. richtsnoeren voor de gebruikmaking van niet-waarneembare inputs die de aannames van de instelling weerspiegelen met betrekking tot de vraag wat marktdeelnemers voor de prijsbepaling van de positie zouden gebruiken.

Artikel 2:9 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De posities in de handelsportefeuille worden zoveel mogelijk tegen marktwaarde gewaardeerd.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde slotkoersen behoren in ieder geval beurskoersen, prijzen in de schermenhandel en noteringen van een selectie van onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars.

  • 3 Bij waardering tegen marktwaarde wordt, afhankelijk van wat tot de meest prudente uitkomst leidt, gebruik gemaakt van de bied- of de laatprijs van een financieel instrument, tenzij de financiële onderneming een belangrijke market maker is in het betrokken financieel instrument en voor het sluiten uit de markt kan stappen.

  • 4 De waardering tegen marktwaarde kan door de handelsafdeling worden uitgevoerd.

Artikel 2:10 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Wanneer waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, worden de posities in de handelsportefeuille, in afwijking van het vorige artikel, op voorzichtige wijze op basis van een modellenbenadering gewaardeerd, door via benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze de waarde van de financiële instrumenten op basis van een input uit de markt te ramen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde waarderingsmethode wordt met voorrang toegepast, nog voordat de solvabiliteitseisen voor posities, bedoeld in deze regeling, in de handelsportefeuille worden toegepast.

  • 3 Een financiële onderneming neemt bij de waardering op basis van een modellenbenadering de volgende voorschriften in acht:

    • a. de hoogste leiding draagt kennis van de bestanddelen van de handelsportefeuille of van andere tegen reële waarde gewaardeerde posities waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid waartoe deze waarderingsmethode voor de rapportage over de bedrijfsrisico's en de bedrijfsresultaten kan leiden;

    • b. de inputs uit de markt zijn, voor zover mogelijk, in overeenstemming met de marktprijzen en de relevantie van de marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd;

    • c. de parameters van het model worden dagelijks geëvalueerd;

    • d. voor zover beschikbaar, worden waarderingsmethoden gebruikt die voor de betrokken posities als vaste marktpraktijk worden beschouwd;

    • e. voor zover de waarderingsmodellen door de financiële onderneming zelf worden ontwikkeld, berusten deze op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en beproefd door onafhankelijke deskundigen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn;

    • f. er zijn formele controleprocedures voor veranderingen ingesteld, waaronder de periodieke verificatie van waarderingen aan de hand van een toetsversie van het model;

    • g. de afdeling risicobeheer is bekend met eventuele tekortkomingen van de gebruikte modellen evenals met de wijze waarop de impact hiervan op het waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt; en

    • h. de nauwkeurigheid van het model wordt periodiek onderzocht.

  • 4 De beproeving van het in het derde lid, onderdeel e, bedoelde model, waaronder de validatie van de wiskundige formules, de hypothesen en de implementatie van de computerprogrammatuur, geschiedt op onafhankelijke wijze.

Artikel 2:11 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De waardering, bedoeld in de vorige twee artikelen wordt aan een onafhankelijke prijsverificatie onderworpen, door de gebruikte marktprijzen of modelinputs op regelmatige basis op nauwkeurigheid en onafhankelijkheid te controleren.

  • 2 In zoverre in afwijking van artikel 2:9, vierde lid, wordt de verificatie van marktprijzen en modelinputs ten minste maandelijks, en vaker in zoverre de aard van de markt of de handelsactiviteit daartoe noopt, verricht door een van de handelsafdeling onafhankelijke eenheid.

Artikel 2:12 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Ingeval er geen onafhankelijke of objectieve bronnen van prijsinformatie beschikbaar zijn, waarborgt een financiële onderneming dat er procedures zijn, ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen.

  • 2 De financiële onderneming richt in ieder geval procedures in ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen ten aanzien van:

    • a. onbenutte kredietspreidingswinsten,

    • b. liquidatiekosten;

    • c. operationele risico’s;

    • d. vervroegde beëindiging;

    • e. beleggings- en financieringskosten;

    • f. toekomstige administratiekosten en, indien van toepassing;

    • g. aan het model verbonden risico.

Artikel 2:13 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming waarborgt de inrichting en instandhouding van procedures, ter beoordeling van de noodzaak van een waarderingsaanpassing voor minder liquide posten. De waarderingsaanpassingen komen waar nodig bovenop eventuele voor financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de positie en zijn bedoeld om de illiquiditeit van de positie weer te geven.

  • 2 Bij het inrichten van de in het eerste lid bedoelde procedures, wordt rekening gehouden met:

    • a. de termijn die nodig is om de positie, danwel de risicobestanddelen binnen de positie, af te dekken;

    • b. de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen;

    • c. de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit);

    • d. de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes, met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen;

    • e. marktconcentraties;

    • f. de veroudering van posities; en

    • g. de mate waarin de waardering berust op marking-to-model en het effect van andere modelrisico’s.

  • 3 De beoordeling of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten, hoeft alleen plaats te vinden wanneer een financiële onderneming waardeert met gebruikmaking van externe waarderingen of op basis van een modellenbenadering. Financiële ondernemingen beoordelen op continue basis of aanpassingen van minder liquide posities noodzakelijk zijn.

  • 4 Met betrekking tot complexe producten, inclusief – maar niet beperkt tot – securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten, beoordelen de financiële ondernemingen expliciet de noodzaak van de waarderingsaanpassingen die de volgende twee vormen weergeven van het modelrisico:

    • a. het gebruik van een mogelijk onjuiste waarderingsmethode; en

    • b. het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk onjuiste) kalibratie-parameters in het waarderingsmodel.

Artikel 2:14 [Vervallen per 31-12-2011]

Hoofdstuk 3. Solvabiliteitseisen voor het marktrisico, algemene benadering [Vervallen per 01-01-2014]

§ 3.1. Berekening van de netto positie [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:1 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het saldo van de tot de handelsportefeuille behorende lange of korte positie van de financiële onderneming en de tegengestelde tot de handelspositie behorende korte of lange positie in dezelfde aandelen, schuldinstrumenten, of daarvan afgeleide instrumenten, is de netto positie van de financiële onderneming in elk van deze instrumenten.

  • 2 De netto posities van elk van de instrumenten, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zij worden samengevoegd, tegen de op dat moment geldende contante wisselkoers omgerekend in euro’s.

  • 3 Bij de berekening van de verschillende netto posities, bedoeld in het eerste lid, kunnen de lange en korte posities in de afgeleide instrumenten, bedoeld in de artikelen 3:3, 3:5, 3:15 en 3:19, op de in die artikelen bepaalde wijze, worden behandeld als posities in de onderliggende effecten.

  • 4 De financiële onderneming die een retrocessieovereenkomst respectievelijk een effecten- of grondstoffenlening verstrekt, betrekt deze effecten of grondstoffen, danwel de gegarandeerde rechten betreffende deze effecten of grondstoffen, die deel uitmaken van de handelsportefeuille in de berekening van het solvabiliteitsvereiste volgens de volgende twee paragrafen.

Artikel 3:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien de door de financiële onderneming berekende delta groter is dan 0,5, kan een financiële onderneming instrumenten die converteerbaar zijn in aandelen, of in daaraan gelijk te stellen instrumenten, behandelen alsof het posities zijn in aandelen of daaraan gelijk te stellen instrumenten. De waarde van deze converteerbare instrumenten is gelijk aan het bedrag van de instrumenten waarin conversie mogelijk is, vermenigvuldigd met de delta.

  • 2 Van de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, wordt in ieder geval gebruik gemaakt indien:

    • a. de eerste datum waarop conversie mogelijk is minder dan drie maanden in de toekomst ligt of de daaropvolgende datum minder dan één jaar in de toekomst ligt; en

    • b. het desbetreffende converteerbare instrument wordt verhandeld tegen een premie die gelijk is aan het verschil tussen de marktwaarde van het instrument waarin conversie mogelijk is en de marktwaarde van de onderliggende aandelen van laatstgenoemd instrument.

  • 3 Een renteswap waarop een financiële onderneming een variabele rente ontvangt en omgekeerd een vaste rente betaalt, wordt behandeld als:

    • a. een lange positie in een instrument met een variabele rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende rentevaststelling; en

    • b. een korte positie in een instrument met een vaste rente en met dezelfde looptijd als de swap zelf.

  • 4 Een renteswap waarop een financiële onderneming een vaste rente ontvangt en omgekeerd een variabele rente betaalt, wordt behandeld als:

    • a. een lange positie in een instrument met een vaste rente, met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende rentevaststelling; en

    • b. een korte positie in een instrument met een variabele rente, met dezelfde looptijd als de swap zelf.

Artikel 3:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Opties op rente, schuldinstrumenten, aandelen, aandelenindices, financiële futures, swaps, valuta’s of grondstoffen, worden gewaardeerd op het bedrag van het onderliggende instrument van de optie, vermenigvuldigd met de delta van de optie.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de delta vastgesteld volgens het model van de desbetreffende beurs. Indien de delta niet beschikbaar is of indien de opties niet op een beurs verhandelde derivaten betreffen, wordt de delta vastgesteld volgens het door DNB goedgekeurde interne model van de financiële onderneming.

  • 3 De twee voorgaande leden vinden geen toepassing indien de financiële onderneming volgens de berekeningen uit haar interne model over ontoereikend toetsingsvermogen beschikt om de risico’s te dekken die aan de in die leden bedoelde opties zijn verbonden. De interne methode voor de berekening van het toetsingsvermogen, bedoeld in de vorige volzin, behoeft de voorafgaande goedkeuring van DNB.

Artikel 3:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het positierisico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit van een financiële onderneming die haar optieposities niet herwaardeert op de wijze, bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, en die geen gebruik maakt van de scenarioanalyse-methode, bedoeld in artikel 3:27, is gelijk aan:

    • a. ingeval van een gekochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie respectievelijk van een gekochte op een gereglementeerde markt verhandelde optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggend instrument, met dien verstande dat het vereiste niet meer kan bedragen dan de marktwaarde van deze optie;

    • b. ingeval van een verkochte, niet op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: het solvabiliteitsvereiste voor het onderliggende instrument;

    • c. ingeval van een verkochte, op een gereglementeerde markt verhandelde, optie: de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;

    • d. ingeval van een niet op een gereglementeerde markt verhandelde optie die door een clearinginstelling is verrekend: de door deze clearinginstelling verlangde marge.

  • 2 Het eerste lid, onderdelen c en d, vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:

    • a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan de optie verbonden risico’s; en

    • b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor de optie zou resulteren uit een berekening aan de hand van één van de artikelen 2:11 tot en met 2:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.

  • 3 Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan, indien een gereglementeerde markt respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk onderdeel d, van overheidswege onder prudentieel toezicht staat in een staat die:

    • a. ofwel partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

    • b. ofwel deel uitmaakt van de Groep van 10;

    • c. ofwel is aangewezen bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk 2:8, tweede lid, van de Wet.

Artikel 3:5 [Vervallen per 01-01-2014]

De vorige twee artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op warrants die betrekking hebben op schuldinstrumenten, aandelen of grondstoffen.

Artikel 3:6 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Met betrekking tot kredietderivaten wordt, tenzij in deze Regeling anders wordt bepaald, voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico van de protectieverkoper, de notionele waarde van het kredietderivatencontract gebruikt. In afwijking van het bepaalde in de eerste zin kan de financiële onderneming er voor kiezen de notionele waarde te vervangen door de notionele waarde minus eventuele marktwaardeveranderingen in het kredietderivaat sinds handelsintroductie. De posities worden in overeenstemming met het tweede tot en met het achtste lid geboekt.

  • 2 Een totale opbrengstswap geeft aanleiding tot boeking van:

    • a. een lange positie voor het algemene positierisico van de referentieverplichting;

    • b. een korte positie voor het algemene positierisico van een overheidsobligatie waaraan een risicogewicht van nul procent wordt toegewezen; en

    • c. een lange positie voor het specifieke positierisico van de referentieverplichting.

  • 3 Een kredietverzuimswap geeft aanleiding tot de volgende boekingen:

    • a. boeking van een synthetische lange positie in een verplichting van de referentie-entiteit voor het specifieke positierisico; en

    • b. indien uit hoofde van de kredietverzuimswap premie- of rentebetalingen verschuldigd zijn, boeking van de desbetreffende kasstromen als theoretische posities in een overheidsobligatie, met corresponderende vaste of variabele rente.

  • 4 Een credit linked note geeft aanleiding tot boeking van:

    • a. een lange positie voor het algemene positierisico van de note zelf, als renteproduct;

    • b. een synthetische lange positie in een verplichting van de referentie-entiteit voor het specifieke positierisico; en

    • c. een lange positie voor het specifieke positierisico van de emittent van de note.

  • 5 Een multiple name credit linked note die proportionele protectie verschaft, geeft aanleiding tot boeking van een lange positie van het specifieke risico van de note zelf, en wat betreft het specifieke positierisico tot boeking van een positie in elke referentie-entiteit, waarbij de totale onderliggende waarde van het contract over de posities wordt verspreid in verhouding tot het aandeel van elke aan een referentie-entiteit verbonden risicopositie in de totale onderliggende waarde.

  • 6 Wanneer een multiple name credit linked note mandje een externe kredietbeoordeling heeft en een post is als bedoeld in artikel 3:9, derde lid, onderdelen a tot en met c, volstaat het één lange positie voor het specifieke risico van de emittent van de notes in plaats van afzonderlijke posities voor het specifieke risico van iedere referentie-entiteit te boeken.

  • 7 Een first-asset-to-default mandje geeft aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het in overeenstemming met dit lid berekende solvabiliteitsvereiste, dan kan dat maximumbedrag als solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico worden aangehouden.

  • 8 Een second-asset-to-default mandje geeft aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit met uitzondering van die met het kleinste solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het in overeenstemming met de eerste zin van dit lid verkregen solvabiliteitsvereiste, dan kan dat maximumbedrag als solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico worden aangehouden. Wanneer voor een referentie-entiteit meer dan één verplichting in aanmerking komt, wordt de verplichting met het hoogste risicogewicht in aanmerking genomen voor het specifieke positierisico. In plaats van de looptijd van de verplichting geldt de looptijd van de kredietderivaatovereenkomst.

  • 9 Wanneer een n-th-asset-to-default-mandje een externe kredietbeoordeling heeft en voldoet aan de voorwaarden van een gekwalificeerd schuldinstrument, kan de protectieverkoper volstaan met de berekening van één specifieke risicobelasting die in overeenstemming is met de kredietbeoordeling van het derivaat en past hij de respectieve, van toepassing zijnde, securitisatie-risicowegingen toe.

Artikel 3:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico van de protectiekoper worden de posities, bedoeld in het vorige artikel, vastgesteld als spiegelbeeld van de posities van de protectieverkoper. De eerste volzin geldt ingeval van credit linked notes uitsluitend indien deze posities bij de emittent aanleiding geven tot het boeken van een korte positie.

  • 2 Wanneer het kredietderivaat voorziet in een combinatie van een call-optie en een step-up-optie, wordt het moment waarop de call-optie kan worden uitgeoefend, aangemerkt als het einde van de looptijd van die gecombineerde positie.

  • 3 In het geval van een first-to-default-kredietderivaat kan de protectiekoper, voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico van de onderliggende waarden, het activum met het laagste solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico buiten beschouwing laten.

  • 4 Het derde lid is eveneens van toepassing wanneer een instelling voor een aantal onderliggende referentie-entiteiten van een kredietderivaat kredietprotectie verkrijgt onder de voorwaarde dat het ne optredende kredietverzuim aanleiding geeft tot betaling, en tevens protectie is verkregen voor kredietverzuim 1 tot en met (n-1) of wanneer zich reeds (n-1) wanbetalingen hebben voorgedaan.

Artikel 3:8 [Vervallen per 01-01-2014]

Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het positierisico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, van posities in schuldinstrumenten, aandelen, of daarvan afgeleide instrumenten in de handelsportefeuille, is gelijk aan de som van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico en het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico.

§ 3.2. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van schuldinstrumenten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:9 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming deelt haar netto posities in schuldinstrumenten, die overeenkomstig artikel 3:1 zijn berekend, in naar de valuta’s waarin zij luiden en berekent het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico en het algemene positierisico in elke valuta afzonderlijk.

  • 2 Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico van andere dan eigen schuldinstrumenten of securitisatieposities is gelijk aan de som van de in het derde lid bedoelde bedragen. Ter berekening van deze bedragen brengt de financiële onderneming al haar netto posities op grond van een verdeling naar de emittent of debiteur, naar de externe of interne kredietbeoordeling en naar hun resterende looptijden in de handelsportefeuille, eerst onder in de categorieën genoemd in het derde lid.

  • 3 De bedragen en categorieën, bedoeld in het tweede lid, zijn:

    • a. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 0% kan worden toegepast: 0% van de berekende netto positie;

    • b. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden met een resterende looptijd tot eindvervaldatum van zes maanden of minder, waarop volgens afdeling 2.2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% of 50% wordt toegepast: 0,25% van de berekende netto positie;

    • c. ingeval van schuldinstrumenten als bedoeld in onderdeel b, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan zes maanden, doch ten hoogste 24 maanden hebben: 1% van de berekende netto positie;

    • d. ingeval van posten als bedoeld in het vierde lid, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maanden hebben: 1,6% van de berekende netto positie;

    • e. ingeval van schuldinstrumenten waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 100% wordt toegepast: 8% van de berekende netto positie;

    • f. ingeval van enig ander schuldinstrument, evenals de in de onderdelen a tot en met e bedoelde instrumenten, waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent of ontoereikende liquiditeit van het instrument een bijzonder risico verbonden is: 12% van de berekende netto positie.

  • 4 De in het vorige lid, onderdeel d, bedoelde posten, zijn:

    • a. activa waaraan, overeenkomstig tabel A van bijlage 2A bij de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% kan worden toegekend;

    • b. activa die, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een kans op wanbetaling hebben die niet hoger is dan die van de in onderdeel a bedoelde activa;

    • c. activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel a, van de Rsk 2010 beschikbaar is en:

      • 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd;

      • 2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa; en

      • 3°. die genoteerd zijn op tenminste één gereglementeerde markt in een lidstaat of op een door DNB erkende beurs in een staat, bedoeld in artikel 3:4, derde lid.

    • d. activa uitgegeven door financiële ondernemingen die aan de solvabiliteitseisen van de herziene richtlijn banken zijn onderworpen en:

      • 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd; en

      • 2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa;

    • e. effecten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietkwaliteit daarvan gelijk is aan of hoger is dan kredietkwaliteitscategorie 2 als bedoeld in afdeling 2.2 van de Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico en die onderworpen zijn aan een toezicht en regelgevingskader dat vergelijkbaar is met deze regeling.

  • 5 In afwijking van het vorige lid, worden schuldinstrumenten waaraan een te hoog specifiek positierisico verbonden is niet als gekwalificeerde post aangemerkt.

Artikel 3:10 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de netto positie een kans op wanbetaling heeft die gelijk is aan of lager is dan de kans op wanbetaling die samenhangt met voornoemde categorieën. Indien de netto posities vanwege de waarde van de kans op wanbetaling niet in een categorie als bedoeld in artikel 3:9, derde lid, kunnen worden ondergebracht, is een solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico van 8% van toepassing.

  • 3 In afwijking van de vorige leden, kan ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde posities een hoger solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico worden gesteld, indien aan deze posities een bijzonder risico is verbonden. In dat geval kan de saldering van de betreffende schuldinstrumenten met andere schuldinstrumenten voor het bepalen van de omvang van het algemene marktrisico eveneens worden uitgesloten.

Artikel 3:11 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag een financiële onderneming het kapitaalvereiste voor het specifieke risico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid als volgt vaststellen. Het hoogste bedrag dat volgt uit de berekeningen in dit lid wordt de vereiste solvabiliteit voor het specifieke risico positierisico voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid. De financiële onderneming berekent:

    • a. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die zouden gelden voor de lange nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid; en

    • b. de totale solvabiliteitsvereisten voor het specifieke risico die enkel zouden gelden voor de korte nettoposities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid.

  • 3 Voor de toepassing van deze Regeling bestaat de correlation trading-portefeuille uit securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten die voldoen aan de onderstaande criteria:

    • a. de posities zijn noch hersecuritisatieposities, noch opties op een securitisatietranche, noch andere derivaten van securitisatieposten die geen aandeel naar rato bieden in de opbrengsten van een securitisatietranche; en

    • b. alle referentie-instrumenten zijn single-name-instrumenten, zoals single-name kredietderivaten, waarvoor een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat. Hieronder vallen ook de courant verhandelde indices, gebaseerd op deze referentie-entiteiten.

  • 5 Posities die verwijzen naar een van onderstaande punten kunnen geen deel uitmaken van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid:

    • a. een onderliggende waarde die kan worden toegewezen aan de categorieën vorderingen als bedoeld in artikel 2:27 of artikel 2:28 van de Rsk 2010 in de niet-handelsportefeuille van een kredietinstelling; of

    • b. een vordering op een special purpose entity.

  • 6 Een financiële onderneming mag in de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid posities opnemen die geen securitisatieposities of n-th-to-default kredietderivaten zijn maar die andere posities in de portefeuille dekken, mits er voor de instrumenten of de onderliggende waarden ervan een liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat zoals bedoeld in het derde lid onder b).

Artikel 3:11a [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor instrumenten in de handelsportefeuille die securitisatieposities zijn weegt de financiële onderneming haar nettoposities zoals berekend overeenkomstig artikel 3:1 met het volgende:

    • a. voor securitisatieposities die in de niet-handelsportefeuille van dezelfde financiële onderneming aan de standaardbenadering voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8% van het risicogewicht overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van de Regeling securitisaties Wft 2010 beschreven standaardbenadering;

    • b. voor securitisatieposities die in de niet-handelsportefeuille van dezelfde financiële onderneming aan de interneratingbenadering voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8% van het risicogewicht overeenkomstig de in hoofdstuk 5 van de Regeling securitisaties Wft 2010 beschreven interne ratingbenadering.

    • c. voor de toepassing van de punten a) en b) mag de benadering met toezichthoudersformule alleen met toestemming van de toezichthouder worden toegepast door andere financiële ondernemingen dan een initiërende financiële onderneming die deze benadering voor dezelfde securitisatiepositie in haar niet-handelsportefeuille mag toepassen. Indien van toepassing, worden als inputs voor de benadering met toezichthoudersformule fungerende ramingen van PD en LGD bepaald in overeenstemming met de hoofdstuk 3 van de Rsk 2010, dan wel, met aparte toestemming van de toezichthouder, op basis van ramingen die zijn afgeleid van een benadering zoals uiteengezet in hoofdstuk 4 en in het bijzonder artikel 4:6 juncto 4:9 en die stroken met de kwantitatieve normen voor de interne-ratingbenadering.

    • d. onverminderd de punten a) en b), voor securitisatieposities waarop overeenkomstig hoofdstuk 7 van de Regeling securitisaties Wft 2010 een risicogewicht van 1 250% zou worden toegepast indien zij in de niet-handelsportefeuille van dezelfde financiële onderneming zouden zijn opgenomen, 8% van de conform dat artikel berekende risicogewogen post .

  • 2 De financiële onderneming bepaalt de som van haar uit de toepassing van dit artikel resulterende gewogen posities (ongeacht of het lange dan wel korte posities betreft) teneinde haar solvabiliteitsvereiste met betrekking tot het specifieke risico te berekenen.

Artikel 3:12 [Vervallen per 01-01-2014]

Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico met betrekking tot schuldinstrumenten in de handelsportefeuille, wordt berekend volgens de looptijdmethode, bedoeld in het volgende artikel, respectievelijk de durationmethode, bedoeld in artikel 3:14. Een financiële onderneming legt haar keuze voor één van de twee methoden schriftelijk vast en past deze methode vervolgens consistent toe.

Artikel 3:13 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico met betrekking tot schuldinstrumenten in de handelsportefeuille volgens de looptijdmethode, neemt een financiële onderneming allereerst de volgende stappen:

    • a. de financiële onderneming brengt haar netto posities onder in looptijdklassen en zones, overeenkomstig tabel 1 van de bijlage bij deze regeling;

    • b. de financiële onderneming berekent gewogen netto posities door elk van haar netto posities, bedoeld onder a, te vermenigvuldigen met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in tabel 1;

    • c. de financiële onderneming berekent voor elke looptijdklasse de gecompenseerde gewogen positie, zijnde het totaalbedrag van de gewogen lange posities binnen elke looptijdklasse, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de gewogen korte posities in dezelfde looptijdklasse. De resterende positie in de desbetreffende looptijdklasse is de niet-gecompenseerde gewogen positie voor die looptijdklasse;

    • d. de financiële onderneming berekent het totaal van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen;

    • e. de financiële onderneming berekent voor elke zone de gecompenseerde gewogen positie, zijnde het totaalbedrag van de niet-gecompenseerde gewogen lange posities van alle looptijdklassen binnen elke zone, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de niet-gecompenseerde gewogen korte posities in dezelfde zone. De resterende positie in de desbetreffende zone is de niet-gecompenseerde gewogen positie voor die zone;

    • f. de financiële onderneming berekent de gecompenseerde gewogen posities tussen de zones, zijnde:

      • 1°. het deel van de niet-gecompenseerde gewogen lange of korte positie in zone één dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde gewogen tegengestelde positie in zone twee;

      • 2°. het deel van de resterende niet-gecompenseerde gewogen lange of korte positie in zone twee dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde gewogen tegengestelde positie in zone drie;

      • 3°. het deel van de resterende niet-gecompenseerde gewogen lange of korte positie in zone één dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde gewogen tegengestelde positie in zone drie.

    • g. de financiële onderneming berekent de niet-gecompenseerde positie, zijnde het totaalbedrag van de, na de berekeningen uit de vorige onderdelen, resterende posities.

  • 2 De financiële onderneming kan, in zoverre in afwijking van onderdeel f, de volgorde van de berekening van de gecompenseerde gewogen posities omkeren door eerst de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones twee en drie te berekenen en vervolgens die tussen de zones één en twee.

  • 3 Na toepassing van de twee voorgaande leden, wordt het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico door de financiële onderneming berekend als de som van:

    • a. 10% van de som van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen;

    • b. 40% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 1;

    • c. 30% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 2;

    • d. 30% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 3;

    • e. 40% van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2, respectievelijk tussen de zones 2 en 3;

    • f. 150% van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3;

    • g. 100% van de niet-gecompenseerde gewogen positie.

Artikel 3:14 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene risico met betrekking tot schuldinstrumenten in de handelsportefeuille volgens de durationmethode, neemt een financiële onderneming allereerst de volgende stappen:

    • a. de financiële onderneming berekent voor elk instrument, uitgaande van de marktwaarde van dat instrument, het rendement op basis van de resterende looptijd tot de aflossingsdatum bij vastrentende instrumenten, en op basis van de resterende looptijd tot de datum waarop de couponrente opnieuw wordt vastgesteld bij niet-vastrentende instrumenten;

    • b. de financiële onderneming berekent voor elk instrument de gewijzigde duration volgens de formule onder punt 2 van de bijlage bij deze regeling;

    • c. de financiële onderneming brengt elk instrument onder in de daarvoor bestemde zone van tabel 2 van de bijlage bij deze regeling en berekent voor elk instrument de naar duration gewogen positie, zijnde de marktwaarde van het desbetreffende instrument, vermenigvuldigd met de gewijzigde duration en met de veronderstelde renteverandering voor de desbetreffende zone;

    • d. de financiële onderneming berekent voor elke zone de gecompenseerde naar duration gewogen positie, zijnde het totaalbedrag van de naar duration gewogen lange posities binnen elke zone, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de naar duration gewogen korte posities in dezelfde zone;

    • e. de financiële onderneming berekent de niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities voor elke zone in overeenstemming met de in het vorige artikel beschreven werkwijze voor niet-gecompenseerde gewogen posities.

  • 2 Na toepassing van het eerste lid, wordt het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico door de financiële onderneming berekend als de som van:

    • a. 2% van de som van de gecompenseerde naar duration gewogen posities in elk van de drie zones;

    • b. 40% van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 2, respectievelijk tussen de zones 2 en 3;

    • c. 150% van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 3;

    • d. 100% van de niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities.

Artikel 3:15 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Rentefutures, rentetermijncontracten en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden behandeld als combinaties van lange en korte posities. Voor de toepassing van de eerste volzin:

    • a. wordt een lange positie in een rentefuture behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of aan die van de virtuele positie die aan het futurecontract ten grondslag ligt;

    • b. wordt een verkocht rentetermijncontract behandeld als een lange positie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een korte positie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, worden zowel de schuld als de vordering opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a;

    • c. wordt een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum en een lange, contante, positie van het schuldinstrument zelf. Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico, wordt de schuld opgenomen in de categorie bedoeld in artikel 3:9, vierde lid, onderdeel a, en het schuldinstrument in de daarvoor in aanmerking komende categorie als bedoeld in datzelfde lid.

  • 2 Wanneer een financiële onderneming haar posities niet omzet in de onderliggende instrumenten, is het solvabiliteitsvereiste:

    • a. in het geval van een op een gereglementeerde markt verhandelde future, gelijk aan de door deze gereglementeerde markt verlangde marge;

    • b. in het geval van een niet op een gereglementeerde markt verhandeld derivaat als bedoeld in dit artikel dat door een clearinginstelling is verrekend, gelijk aan de marge die de clearinginstelling verlangt.

  • 3 Het tweede lid vindt uitsluitend toepassing indien de in dat lid bedoelde marge:

    • a. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan het instrument verbonden risico’s, en

    • b. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor het instrument zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in artikel 3:9 tot en met artikel 3:14 respectievelijk de in hoofdstuk 4 omschreven methoden.

  • 4 Aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt geacht te zijn voldaan indien een gereglementeerde markt als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a respectievelijk een clearinginstelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van overheidswege onder toezicht staat in een bij ministeriële regeling op basis van artikel 2:6, tweede lid, respectievelijk artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht aangewezen staat.

Artikel 3:16 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die het algemene positierisico op afgeleide instrumenten als bedoeld in de artikelen 3:3 tot en met 3:5 en artikel 3:15 waardeert en beheert op basis van contant gemaakte kasstromen, is voor de berekening van haar posities:

    • a. verplicht om gebruik te maken van door DNB goedgekeurde gevoeligheidsmodellen, indien het obligaties betreft die over de resterende looptijd worden afgelost en waarvan de hoofdsom niet in één keer wordt terugbetaald; en

    • b. vrij om gebruik te maken van door DNB goedgekeurde gevoeligheidsmodellen indien het andere instrumenten betreft dan de obligaties bedoeld in onderdeel a.

  • 2 Gevoeligheidsmodellen worden door DNB goedgekeurd indien zij posities opleveren die dezelfde gevoeligheid voor renteschommelingen hebben als de onderliggende contant gemaakte kasstromen, uitgaande van onafhankelijke schommelingen in over de gehele rendementscurve bemonsterde renten, waarbij tenminste één gevoeligheidspunt in elk van de in tabel 1 van de bijlage bij deze regeling genoemde looptijdklassen wordt ingenomen. De aldus verkregen posities worden bij de berekening van de solvabiliteitsvereisten in aanmerking genomen in overeenstemming met de artikelen 3:13 tot en met 3:15.

  • 3 Op de overeenkomstig het tweede lid verkregen posities in opties blijven de vereisten, bedoeld in artikel 3:3, derde lid, van toepassing.

Artikel 3:17 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming die geen gebruik maakt van de in het vorige artikel bedoelde gevoeligheidsmodellen, kan de in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde posities als volledig compenserende posities behandelen, indien:

  • a. de posities dezelfde waarde hebben en in dezelfde valuta luiden;

  • b. de referentierenten voor posities met variabele rente of coupons voor posities met vaste rente nauw bij elkaar aansluiten;

  • c. de eerstvolgende datum van rentevaststelling of, voor vaste couponposities;

  • d. de resterende looptijden binnen de volgende grenzen samenvallen:

    • 1°. minder dan een maand: dezelfde dag;

    • 2°. tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen;

    • 3°. meer dan een jaar: binnen dertig dagen.

§ 3.3. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van aandeleninstrumenten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:18 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Uitgezonderd posities op instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 3:24, eerste lid, bepaalt een financiële onderneming de som van al haar netto korte posities en de som van al haar netto lange posities in aandelen, in overeenstemming met artikel 3:1. Het totaal van beide sommen is haar totale bruto positie, het verschil tussen beide sommen is haar totale netto positie.

  • 2 Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico bedraagt 8% van de totale bruto positie, bedoeld in het eerste lid. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico bedraagt 8% van de totale netto positie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:19 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Aandelenindexfutures kunnen door een financiële onderneming worden behandeld als combinaties van posities in elk van de daaraan ten grondslag liggende aandelen. Voor de toepassing van de vorige volzin, worden deze posities behandeld als onderliggende posities in de desbetreffende aandelen en kunnen deze posities gesaldeerd worden met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen.

  • 2 De toepassing van het eerste lid staat uitsluitend open voor een financiële onderneming wier methode voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste de voorafgaande toestemming van DNB heeft en die beschikt over toereikend toetsingsvermogen ter dekking van het risico van verlies als gevolg van:

    • a. het feit dat de waarde van de aandelenindexfuture niet exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de onderliggende aandelen; of

    • b. het feit dat de financiële onderneming tegengestelde posities houdt in aandelenindexfutures die wat betreft looptijd of samenstelling niet identiek zijn.

  • 3 Een aandelenindexfuture die niet in de onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt behandeld als één afzonderlijk aandeel. Het specifieke positierisico met betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten beschouwing blijven indien het gaat om een aandelenindexfuture die ter beurze wordt verhandeld en die op een ruim gediversifieerde index berust.

  • 4 Een financiële onderneming legt de wijze waarop zij beoordeelt of sprake is van een gediversifieerde index als bedoeld in het vorige lid, schriftelijk vast en past deze beoordelingswijze vervolgens consistent toe.

Artikel 3:20 [Vervallen per 01-01-2014]

In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, geldt voor ter beurze verhandelde aandelenindexfutures die berusten op ruim gediversifieerde indices, geen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke risico. Van ruim gediversifieerde indices is sprake wanneer de onderliggende aandelen in kwestie niet tot eenzelfde sector behoren en de onderliggende portefeuille voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.

Artikel 3:21 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, is het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico voor de posities, bedoeld in de onderdelen a en b, die een financiële onderneming in het kader van een op futures gebaseerde arbitragestrategie inneemt: 2% voor de ene positie in een index en 0% voor de even grote, maar tegengestelde positie. De in de vorige volzin bedoelde posities zijn:

    • a. het innemen van een tegengestelde positie in precies dezelfde index op verschillende tijdstippen;

    • b. het innemen van een tegengestelde positie in twee verschillende maar vergelijkbare indices op hetzelfde tijdstip, indien de financiële onderneming kan aantonen dat de twee indices voldoende componenten bevatten die saldering rechtvaardigen.

  • 2 Als een arbitragestrategie als bedoeld in het eerste lid wordt ondernomen, waarbij een positie in een indexfuturecontract tegenover een positie in een overeenkomstig de index samengesteld mandje van aandelen wordt geplaatst, kan de berekening van het solvabiliteitsvereiste, bedoeld in artikel 3:18, voor beide posities achterwege blijven, indien:

    • a. de desbetreffende arbitragestrategie welbewust wordt ondernomen en apart wordt beheerd, zodat de in het kader van de strategie ingenomen posities goed identificeerbaar zijn;

    • b. de samenstelling van het mandje aandelen, uitgaande van de individuele samenstellende componenten van de index, ten minste 90 procent van die index vertegenwoordigt; en

    • c. een toetsingsvermogen voor divergentie- en afwikkelingsrisico’s van tenminste 2% van de bruto waarde van de posities van elke kant wordt aangehouden, ook indien de aandelen waarop de index is gebaseerd, worden aangehouden in identieke proporties in overeenstemming met de indexsamenstelling, indien elk waardeverschil van de aandelen in het mandje boven of beneden de waarde van het futurecontract, als een lange of korte positie wordt behandeld.

  • 3 Als een positie wordt ingenomen in depository receipts tegenover een tegengestelde positie in de onderliggende aandelen, kunnen de tegengestelde posities gesaldeerd worden en kan de berekening van het solvabiliteitsvereiste, bedoeld in artikel 3:18, voor beide posities achterwege blijven.

§ 3.4. Behandeling van kredietderivaten [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:22 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien protectie wordt verschaft door middel van kredietderivaten, wordt het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico als bedoeld in artikel 3:9, derde lid respectievelijk artikel 3:18, tweede lid, overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid verlaagd.

  • 2 Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 100% verminderd indien de waardeverandering van het kredietderivaat gepaard gaat met een vrijwel gelijke, maar tegengestelde, waardeverandering van een ander instrument, omdat:

    • a. in beide richtingen volstrekt identieke instrumenten worden gebruikt;

    • b. een contante lange positie in het onderliggend actief is afgedekt door een totale-opbrengstenswap, met al dan niet dezelfde looptijd, of omgekeerd, en er volledige overeenstemming is tussen de referentieverplichting van het kredietderivaat en het desbetreffende onderliggend actief.

  • 3 Het solvabiliteitsvereiste wordt voor beide zijden van de positie met 80% verminderd, indien:

    • a. het kredietderivaat zodanig aan een ander instrument in tegenovergestelde richting is gekoppeld dat een waardeverandering van het kredietderivaat altijd gepaard gaat met een tegengestelde waardeverandering van dat andere instrument;

    • b. significante wijzigingen tussen de waardeveranderingen van het derivaat en waardeveranderingen van het onderliggend actief in de kredietderivaatovereenkomst zijn uitgesloten; en

    • c. er volledige overeenstemming is voor wat betreft:

      • 1°. de referentieverplichting;

      • 2°. de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat; en

      • 3°. de valuta van het onderliggend actief.

  • 4 Indien de transactie, bedoeld in het derde lid, gepaard gaat met een overdracht van risico, wordt het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico aan de transactiezijde met het hoogste solvabiliteitsvereiste, verminderd met 80% en aan de andere zijde verminderd tot nul.

  • 5 Het solvabiliteitsvereiste van de transactiezijde met het laagste solvabiliteitsvereiste wordt verminderd tot nul, indien de waardeverandering van het kredietderivaat gewoonlijk gepaard zal gaan met een tegengestelde waardeverandering van een ander instrument omdat er sprake is van een positie als bedoeld:

    • a. in het tweede lid, onderdeel a, of het derde lid, waarbij zich een valuta mismatch of looptijdverschil tussen het kredietderivaat en het onderliggend actief voordoet;

    • b. in het tweede lid, onderdeel b, waarbij zich een activa mismatch tussen de referentieverplichting en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet en waarbij:

      • 1°. de referentieverplichting geen hogere rangorde dan het onderliggend actief heeft;

      • 2°. de referentieverplichting en het onderliggend actief dezelfde debiteur hebben; en

      • 3°. de referentieverplichting en het onderliggend actief juridisch afdwingbare gekruiste kredietverzuimclausules of gekruiste vervroegde opeisbaarheidclausules hebben;

    • c. in het derde lid, waarbij zich een activa mismatch tussen het kredietderivaat en de desbetreffende positie in het onderliggend actief voordoet. In dit geval wordt het onderliggend actief in de kredietderivaatdocumentatie echter opgenomen onder de te leveren verplichtingen.

  • 6 Alle gevallen die niet onder de leden 2 tot en met 5 vallen, geven aanleiding tot een beoordeling van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico op grond van beide zijden van de posities.

Artikel 3:22a [Vervallen per 01-01-2014]

Voor het berekenen van de specifieke risicobelasting is, anders dan bij totale-opbrengstswaps, de looptijd van het contract voor het kredietderivaat van toepassing in plaats van de looptijd van de verplichting.

§ 3.5. Behandeling overnemingposities [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:23 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Bij overneming van emissies van schuldinstrumenten en aandelen, kan een financiële onderneming voor de vaststelling van het solvabiliteitsvereiste voor die overneming, de volgende berekeningsprocedure toepassen:

    • a. de financiële onderneming berekent de netto posities door de op grond van een overeenkomst bij derden geplaatste of door derden overgenomen posities, op de door haar overgenomen positie in mindering te brengen;

    • b. op de netto posities worden de verlagingsfactoren, genoemd in tabel 3 van de bijlage bij deze regeling toegepast;

    • c. de verlaagde netto posities worden gebruikt voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste op grond van de paragrafen 3:2 en 3:3.

  • 2 Toepassing van het eerste lid staat uitsluitend open indien de financiële onderneming over voldoende toetsingsvermogen beschikt, ter dekking van het risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1, bedoeld in tabel 3 van de bijlage bij deze regeling.

§ 3.6. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van in de handelsportefeuille opgenomen posities op instellingen voor collectieve belegging [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:24 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Onverminderd de overige bepalingen van deze paragraaf, geldt voor posities in instellingen voor collectieve belegging een solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico en het algemene positierisico van 32%.

  • 3 Tenzij anders is bepaald, vindt geen verrekening plaats tussen de onderliggende beleggingen van een instelling voor collectieve belegging en andere door de financiële onderneming ingenomen posities.

Artikel 3:25 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming kan voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor posities in instellingen voor collectieve belegging waarvan de rechten van deelneming worden uitgegeven door ondernemingen die onder toezicht staan van een toezichthoudende instantie in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of van een rechtspersoon die als toezichthoudende instantie in de Europese Economische Ruimte is erkend, van de methode, bedoeld in artikel 3:13 gebruik maken, indien:

    • a. de prospectussen of gelijkwaardige documenten van de instelling voor collectieve belegging gegevens bevatten over:

      • 1°. de categorieën activa waarin deze instelling voor collectieve belegging mag beleggen;

      • 2°. als er beleggingsbeperkingen gelden, wat deze zijn en hoe zij berekend worden;

      • 3°. als beleggingen met geleend vermogen zijn toegestaan, het maximumpercentage;

      • 4°. als beleggingen in financiële, niet op een beurs verhandelde derivaten, of retrocessieovereenkomsten zijn toegestaan, een beschrijving van het gevoerde beleid om het tegenpartijrisico van dergelijke verrichtingen te beperken;

    • b. over de activiteiten van de instelling voor collectieve belegging tenminste jaarlijks een verslag wordt uitgebracht op grond waarvan de activa en passiva, de inkomsten en de verrichtingen in de verslagperiode kunnen worden geëvalueerd;

    • c. de rechten van deelneming in de instelling voor collectieve belegging door de instelling voor collectieve belegging dagelijks uit eigen activa tegen contanten kunnen worden teruggekocht, wanneer de houders van de rechten daarom verzoeken;

    • d. de beleggingen in de instelling voor collectieve belegging en de activa van de beheerder van de instelling voor collectieve belegging van elkaar gescheiden worden gehouden;

    • e. de instelling voor collectieve belegging door de betrokken beleggende financiële onderneming voorafgaand aan een adequate risicobeoordeling is onderworpen.

  • 2 Indien aan de criteria, bedoeld in het eerste lid is voldaan, kan DNB goedkeuring verlenen tot het toepassen van de in het volgende artikel bedoelde berekeningsmethode voor posities in instellingen voor collectieve belegging die onder toezicht staan van een andere toezichthoudende instantie dan bedoeld in de aanhef van het eerste lid.

Artikel 3:26 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor zover de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging op dagbasis door de financiële onderneming worden gevolgd, kan de onderneming bij de berekening van de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan de betrokken posities verbonden positierisico, posities op instellingen voor collectieve belegging volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden behandelen als posities in de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging. Daarbij is verrekening tussen posities in de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging en andere door de financiële onderneming ingenomen posities toegestaan indien de financiële onderneming terugkoop of creatie in ruil voor de onderliggende beleggingen juridisch kan afdwingen.

  • 2 Een financiële onderneming kan de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in instellingen voor collectieve belegging verbonden positierisico volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden berekenen op basis van hypothetische posities indien:

    • a. de hypothetische posities overeenkomen met de posities die nodig zijn om, conform het beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging, de samenstelling en de prestaties van een index van derden of van een vast mandje van financiële instrumenten te volgen; en

    • b. er gedurende minimaal zes maanden tussen de dagelijkse koersbewegingen van de instelling voor collectieve belegging en die van de gevolgde index of het mandje van financiële instrumenten, bedoeld in onderdeel a, een correlatie tussen enerzijds het dagrendement van het aan de beurs verhandelde fonds en anderzijds dat van de gevolgde index respectievelijk dat van het mandje van financiële instrumenten, van 90% kan worden vastgesteld.

  • 3 Wanneer een financiële onderneming de onderliggende beleggingen van de instelling voor collectieve belegging niet op dagbasis volgt, kan zij de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het aan posities in de instelling voor collectieve belegging verbonden positierisico uitsluitend volgens de in deze afdeling beschreven methoden berekenen, indien:

    • a. de financiële onderneming de op de instelling voor collectieve belegging ingenomen positie als een directe participatie in de hypothetische positie behandelt en voorts veronderstelt dat de instelling voor collectieve belegging binnen de geldende grenzen, allereerst maximaal belegt in de activaklassen met de hoogste solvabiliteitsvereisten ter dekking van het specifieke en algemene risico en vervolgens, in dalende volgorde, in activaklassen met lagere solvabiliteitsvereisten totdat de totale beleggingslimiet is bereikt;

    • b. de financiële onderneming bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico, het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door met geleend geld posities in te nemen via de instelling voor collectieve belegging, in aanmerking neemt door de positie in de instelling voor collectieve belegging proportioneel op te bouwen tot het maximale risico op de onderliggende beleggingen dat in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan; en

    • c. de financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste tot dit laatste niveau begrenst, als de berekening van het solvabiliteitsvereiste volgens dit lid een solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke en algemene risico oplevert dat hoger is dan het percentage, bedoeld in artikel 1:23, tweede lid.

  • 4 Een financiële onderneming kan de berekening en rapportage van de solvabiliteitsvereisten ter dekking van het positierisico met betrekking tot posities in instellingen voor collectieve belegging waarop het eerste en derde lid van toepassing zijn, overeenkomstig de methoden van het tweede en derde lid, aan een externe partij uitbesteden, indien daarbij de deugdelijkheid van de berekening en de rapportage blijft gewaarborgd.

§ 3.7. Aanvullende solvabiliteitsvereisten ter dekking van positierisico’s van optieposities in de handelsportefeuille [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:27 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In afwijking van de paragrafen 3.2 en 3.3, kan een financiële onderneming op haar verzoek toestemming krijgen om voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het afdekken van het marktrisico op optieposities en de daarop betrekking hebbende dekkingsposities gebruik te maken van de scenarioanalysemethode.

  • 2 Voor de toepassing van de scenarioanalysemethode, bepaalt de financiële onderneming de waarde- en volatiliteitveranderingen van de onderliggende risicoposities en de daarop betrekking hebbende dekkingsposities en stelt van deze herberekende waarden een herwaarderingsmatrix op.

  • 3 De financiële onderneming stelt de herwaarderingsmatrix, bedoeld in het tweede lid, op:

    • a. bij schuldinstrumenten of rentevoeten, per valuta: voor elke individuele looptijdklasse als bedoeld in artikel 3:13, eerste lid, als de financiële onderneming gebruik maakt van de in dat artikel bedoelde looptijdmethode, of voor elke individuele zone, bedoeld in artikel 3:14, derde lid, als de financiële onderneming gebruik maakt van de in dat artikel bedoelde durationmethode;

    • b. bij aandeelinstrumenten: voor elk individueel aandeel of voor elk individuele aandelenindex;

    • c. bij buitenlandse valuta’s en goud: voor elk individueel valutapaar en goud;

    • d. bij grondstoffen: voor elke individuele grondstof als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit.

  • 4 Voor de berekening van de waardeverandering van de onderliggende risicoposities, bedoeld in het tweede lid, wordt binnen elke matrix aan de opties en de daarop betrekking hebbende dekkingsposities een waarde toegekend die ten opzichte van de actuele waarde van het onderliggende instrument, een boven- en onderwaarde heeft die gelijk is aan:

    • a. voor schuldinstrumenten en rentevoeten: de waarde op basis van de hoogste van de veronderstelde renteveranderingen in tabel 1 van de bijlage bij deze regeling, respectievelijk, indien de financiële onderneming gebruik maakt van de durationmethode, de hoogste veronderstelde renteverandering in tabel 2 van de bijlage bij deze regeling;

    • b. voor buitenlandse valuta, goud en aandelen: min en plus 8%;

    • c. voor grondstoffen: min en plus 15%.

  • 5 Voor de berekening van de volatiliteitverandering, bedoeld in het tweede lid, worden de opties en de daarop betrekking hebbende dekkingsposities gewaardeerd voor een verandering in de volatiliteit van min en plus 25%.

  • 6 Het solvabiliteitsvereiste, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de som van de hoogste verliezen van de waarde van de onderscheiden optieposities en de daarop betrekking hebbende dekkingsposities die worden berekend in elke waarderingsmatrix.

§ 3.8. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de afwikkelings- en tegenpartijkredietrisico’s [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:28 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming berekent bij DVP-transacties, betrekking hebbende op financiële instrumenten, buitenlandse valuta of grondstoffen, die na de overeengekomen leveringsdatum nog niet zijn afgewikkeld, het prijsverschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs van het financiële instrument, de buitenlandse valuta of de grondstof in kwestie en de dagkoers daarvan, doch uitsluitend indien dit prijsverschil een verlies zou kunnen opleveren. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van dit afwikkelingsrisico is gelijk aan het prijsverschil, bedoeld in de vorige volzin, vermenigvuldigd met de passende wegingsfactor in tabel 4 van de bijlage bij deze regeling.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a. retrocessieovereenkomsten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten betreffende de in het eerste lid bedoelde financiële instrumenten; en

    • b. verstrekte en opgenomen leningen in de in het eerste lid bedoelde financiële instrumenten.

Artikel 3:29 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Ingeval van non-DVP-transacties geldt ter dekking van het afwikkelingsrisico, dat verbonden is aan transacties betreffende schuldinstrumenten, aandelen, buitenlandse valuta of grondstoffen waarbij betaling of levering door de tegenpartij nog niet zijn afgewikkeld, het solvabiliteitsvereiste, bedoeld in tabel 5 van de bijlage bij deze regeling. Ingeval van grensoverschrijdende transacties is de eerste volzin uitsluitend van toepassing indien de betaling of levering meer dan één dag te laat is.

  • 2 Bij de toepassing van een risicogewicht op de in het eerste lid bedoelde posities die overeenkomstig kolom 3 van tabel 5 worden behandeld, kan de financiële onderneming aan haar tegenpartij een kans op wanbetaling toekennen die is afgeleid van de beoordeling die aan deze tegenpartij door een ingevolge paragraaf 10.5 van het Besluit erkend kredietbeoordelingsbureau is toegekend, indien:

    • a. de financiële onderneming voor de berekening van haar solvabiliteitsvereiste gebruik maakt van de Eenvoudige IRB, bedoeld in artikel 1:1, onderdeel f respectievelijk de Geavanceerde IRB, bedoeld in artikel 1:1, onderdeel j, van de Rsk 2010; en

    • b. de financiële onderneming tegenover de betreffende tegenpartij geen andere, buiten de handelsportefeuille opgenomen, positie aanhoudt.

  • 3 Wanneer de financiële onderneming voor de berekening van haar solvabiliteitsvereiste gebruik maakt van de Eenvoudige IRB respectievelijk de Geavanceerde IRB, kan zij, in afwijking van het eerste lid, op de niet-afgewikkelde handelsposities, bedoeld in het eerste lid:

    • a. de risicogewichten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Rsk 2010 toepassen, indien zij deze risicogewichten ook op met die niet-afgewikkelde handelsposities vergelijkbare posities toepast; of

    • b. een risicogewicht van 100% toepassen.

  • 4 Onverminderd het derde lid, kan een risicogewicht van 100% tevens worden toegepast indien het bedrag dat uit de niet-DVP-transacties voortvloeit niet significant is.

Artikel 3:30 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming houdt toetsingsvermogen aan ter dekking van het tegenpartijrisico dat verbonden is aan:

    • a. transacties op grond waarvan de financiële onderneming financiële instrumenten heeft betaald of geleverd voordat haar tegenpartij de daarmee corresponderende tegenprestatie heeft verricht, met dien verstande dat er ingeval van grensoverschrijdende transacties sinds de dag van betaling of levering tevens één dag of meer moet zijn verstreken;

    • b. niet ter beurze verhandelde effecten en kredietderivaten;

    • c. retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten respectievelijk opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, berustend op in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen;

    • d. margeleningstransacties op basis van effecten of grondstoffen;

    • e. transacties met een lange afwikkelingsduur.

  • 2 Met inachtneming van de volgende artikelen van deze paragraaf, is op de risicowaardering en de berekening van de risicogewogen posten van de in het eerste lid bedoelde posities, hoofdstuk 2 van de Rsk 2010 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:31 [Vervallen per 01-01-2014]

Bij de berekening van de naar risico gewogen posten van de transacties, bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming voor de verdiscontering van financiële zekerheden geen gebruik maken van de eenvoudige methode van financiële zekerheden, bedoeld in paragraaf 4.4.5. van de Rsk 2010.

Artikel 3:32 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de risicowaardering en de berekening van de naar risico gewogen posten van de in artikel 3:30, eerste lid, bedoelde posities, kunnen ten aanzien van retrocessieovereenkomsten of omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, alle financiële instrumenten en grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen, als toelaatbare zekerheid dienen. Ten aanzien van derivaten of kredietderivaten in de handelsportefeuille, kunnen uitsluitend grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen als toelaatbare zekerheid dienen.

  • 2 Onverminderd het vorige artikel, worden voor de bepaling van volatiliteitaanpassingen van de in artikel 3:30, eerste lid, bedoelde posities in de gevallen waarin deze posities voorwerp van een leen-, koop- of andere leveringsovereenkomst zijn, de desbetreffende instrumenten en grondstoffen op dezelfde wijze behandeld als fondsen die aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd, doch niet in een hoofdindex zijn opgenomen.

  • 3 Bij de erkenning van kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessieovereenkomsten, omgekeerde retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties, is verrekening tussen posities in en posities buiten de handelsportefeuille slechts toegestaan wanneer ten aanzien van de verrekende posities geldt dat:

    • a. alle transacties dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd; en

    • b. alle in het kader van de transacties te verrekenen posities als toelaatbare financiële zekerheid kunnen dienen op grond van hoofdstuk 4 van de Rsk 2010.

§ 3.9. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de valutarisico’s [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:33 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De in overeenstemming met de artikelen 3:34 tot en met 3:36 berekende netto korte en netto lange positie in elke valuta, met uitzondering van de rapportagevaluta, en in goud worden tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. Zij worden vervolgens afzonderlijk opgeteld tot respectievelijk het totaal van de netto korte posities en het totaal van de netto lange posities. Het hoogste van deze twee totalen vormt de totale netto valutapositie van de financiële onderneming.

  • 2 Indien de som van de netto valutapositie van de financiële onderneming, zijnde de totale netto open positie, groter is dan 2% van het toetsingsvermogen van de financiële onderneming, bedraagt het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de valutarisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit 8% van eerstgenoemde som. Indien de totale netto open positie kleiner is dan 2% van het toetsingsvermogen, geldt geen solvabiliteitsvereiste.

Artikel 3:34 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De totale netto open positie, bedoeld in het vorige artikel, wordt berekend in elke valuta, met inbegrip van de rapportagevaluta en in goud, als de som van:

    • a. de netto contante positie, zijnde het verschil tussen alle activa en alle passiva, met inbegrip van opgelopen en nog niet vervallen rente;

    • b. de netto termijnposities, zijnde het verschil tussen alle te ontvangen en alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in de betrokken valuta en goud, met inbegrip van valutafutures en goudfutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn opgenomen in de contante positie;

    • c. de onherroepelijke garanties en soortgelijke instrumenten waarvan op het moment van sommering al bekend is dat deze zullen worden opgevraagd;

    • d. naar de consequente keuze van de financiële onderneming en met voorafgaande toestemming van DNB: de toekomstige netto-inkomsten en netto-uitgaven, zijnde de netto toekomstige inkomsten en uitgaven die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar al volledig zijn afgedekt door valutatermijntransacties;

    • e. het op de delta gebaseerde equivalent van de totale portefeuille valutaopties en goudopties; en

    • f. de marktwaarde van andere opties dan opties op valuta’s en op goud.

  • 2 Posities die de financiële onderneming doelbewust heeft ingenomen om valutarisico’s af te dekken, of die al bij de berekening van het toetsingsvermogen zijn afgetrokken, kunnen bij de berekening van de totale netto open valutapositie buiten beschouwing worden gelaten indien:

    • a. deze posities geen handelskarakter hebben;

    • b. deze positie van structurele aard zijn; en

    • c. voor het buiten beschouwing laten van deze posities, evenals voor wijzigingen in de daarvoor geldende voorwaarden, de toestemming van DNB is verkregen.

Artikel 3:35 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van de totale netto open positie met betrekking tot instellingen voor collectieve belegging, worden de feitelijke posities van de instellingen voor collectieve belegging in aanmerking genomen en kunnen financiële ondernemingen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op de instellingen voor collectieve belegging ingenomen valutaposities, indien de deugdelijkheid van deze rapportage naar behoren is aangetoond.

  • 2 Wanneer de financiële onderneming de valutaposities op een instelling voor collectieve belegging niet volgt, wordt aangenomen dat de instelling voor collectieve belegging binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in buitenlandse valuta. De financiële onderneming neemt in dat geval met betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door leveraged posities via de instelling voor collectieve belegging in te nemen in aanmerking bij het berekenen van haar solvabiliteitsvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt de positie op de instelling voor collectieve belegging proportioneel opgebouwd tot de maximale positie in de onderliggende beleggingen die in het kader van haar beleggingsbeleid is toegestaan.

  • 3 De hypothetische valutapositie van de instelling voor collectieve belegging wordt als een afzonderlijke valuta aangemerkt en wordt behandeld als een belegging in goud. Wanneer dit binnen de beleggingsstrategie van de instelling voor collectieve belegging mogelijk is, kan voorts de totale lange positie worden opgeteld bij de totale openstaande lange valutapositie en de totale korte positie bij de totale openstaande korte valutapositie. Verrekening tussen de posities, bedoeld in de vorige volzin, vóór de berekening, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan.

Artikel 3:36 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming rekent de volgens de vorige twee artikelen verkregen netto open posities in buitenlandse valuta respectievelijk in goud om tegen de contante koers in euro. Alle netto korte posities worden samengevoegd tot het totaal van de netto korte posities, en alle netto lange posities worden samengevoegd tot het totaal van de netto lange posities. Het hoogste van deze twee totalen is de totale netto valutapositie van de financiële onderneming. Door de absolute waarden van de posities in goud bij de totale netto valutapositie op te tellen, wordt de totale netto open positie in de rapportagevaluta en goudvan de financiële onderneming verkregen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, kan de financiële onderneming bij de berekening van de netto open positie in de rapportagevaluta en in goud gebruik maken van de netto contante waarde, indien zij deze methode stelselmatig toepast.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid, kunnen netto valuta’s in samengestelde valuta’s worden opgesplitst in de samenstellende valuta’s aan de hand van de geldende quota.

Artikel 3:37 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In afwijking van de artikelen 3:30 en 3:33 tot en met 3:36, kan een financiële onderneming het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de valutarisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit volgens het tweede lid berekenen, indien dit risico betrekking heeft op valuta ten aanzien waarvan een juridisch bindende overeenkomst tussen staten bestaat ter beperking van fluctuaties ten opzichte van andere onder dezelfde overeenkomst vallende valuta’s.

  • 2 De financiële onderneming berekent haar gecompenseerde posities in de valuta, bedoeld in het eerste lid, en past daarop een solvabiliteitsvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal toegestane fluctuatie die voor de betrokken valuta in de juridisch bindende overeenkomst is vastgesteld. Niet-gecompenseerde posities in deze valuta worden op dezelfde wijze behandeld als andere valuta.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, kan het solvabiliteitsvereiste met betrekking tot gecompenseerde posities in valuta van staten die deelnemen aan de tweede fase van de Europese Monetaire Unie, gelijk worden gesteld aan 1,6% van de waarde van de gecompenseerde posities.

§ 3.10. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de grondstoffenrisico’s [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:38 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het saldo van de lange of korte posities van een financiële onderneming tegenover de tegengestelde posities in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op grondstoffen, is haar netto positie in elke grondstof.

  • 2 Bij de berekening van de netto positie, bedoeld in het eerste lid, kunnen de lange en korte posities in de instrumenten, bedoeld in de artikelen 3:43 en 3:44, op de in die artikelen bedoelde wijze worden behandeld als posities in de onderliggende grondstof, bedoeld in het derde lid.

  • 3 Als posities in de onderliggende grondstof worden aangemerkt:

    • a. posities in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën volledig substitueerbaar zijn; en

    • b. posities in vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn, en er gedurende minimaal één jaar tussen koersbewegingen duidelijk een correlatie van 90% kan worden vastgesteld.

  • 4 Als de korte positie in een grondstof eerder vervalt dan de lange positie in diezelfde grondstof, houdt de financiële onderneming, voor zover zich dit op de betreffende markt kan voordoen, ook rekening met het risico van een te geringe liquiditeit.

  • 5 Elke positie in grondstoffen wordt uitgedrukt in een vaste rekeneenheid en wordt, voor zover nodig, omgerekend tegen de geldende contante wisselkoers van de euro.

Artikel 3:39 [Vervallen per 01-01-2014]

De berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit vindt plaats volgens de in het volgende artikel bedoelde methode op basis van looptijdklassen, respectievelijk volgens de in Artikel 3:41 beschreven vereenvoudigde methode.

Artikel 3:40 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s volgens de methode op basis van looptijdklassen, neemt de financiële onderneming de volgende stappen:

    • a. alle, in overeenstemming met artikel 3:38 berekende, posities in een bepaalde grondstof worden ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, met dien verstande dat:

      • 1°. fysieke voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse; en

      • 2°. posities in dezelfde grondstof in contracten die op dezelfde datum of binnen tien dagen na elkaar aflopen, kunnen voor de toepassing van dit onderdeel op netto basis worden gecompenseerd en ondergebracht in de toepasselijke looptijdklassen in tabel 6 van de bijlage bij deze regeling, indien deze contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden;

    • b. de financiële onderneming berekent voor elke looptijdklasse de gecompenseerde positie, zijnde het totaalbedrag van de lange posities binnen elke looptijdklasse, dat gelijk is aan het totaalbedrag van de korte posities in dezelfde looptijdklasse. De resterende positie in de desbetreffende looptijdklasse is de niet-gecompenseerde positie voor die looptijdklasse;

    • c. de financiële onderneming berekent de gecompenseerde posities tussen de opeenvolgende looptijdklassen, zijnde het deel van de niet-gecompenseerde lange of korte positie in een looptijdklasse, dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde tegengestelde positie in de daarop volgende looptijdklasse. De resterende positie is de niet-gecompenseerde positie.

  • 2 Het solvabiliteitsvereiste van de financiële onderneming wordt voor iedere grondstof op basis van de betreffende looptijdklassen berekend als de som van:

    • a. de binnen elke looptijdklasse gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke coëfficiënt in kolom 2 van tabel 6 van de bijlage van deze regeling en met de contante koers van de grondstof;

    • b. de tussen de opeenvolgende looptijdklassen gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met de overdrachtscoëfficiënt van o,6% en met de contante koers van de grondstof;

    • c. de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15%, en met de contante koers van de grondstof.

  • 3 Het totale solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s wordt berekend als de som van het, volgens het tweede lid berekende solvabiliteitsvereiste voor elke grondstof afzonderlijk.

Artikel 3:41 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstofrisico’s volgens de vereenvoudigde methode is voor elke grondstof de som van:

    • a. 15% van de lange of korte netto positie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof; en

    • b. 3% van de lange plus de korte bruto positie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof.

  • 2 Het totale solvabiliteitsvereiste van de financiële onderneming ter dekking van de grondstoffenrisico’s wordt berekend als de som van de in overeenstemming met het vorige lid berekende solvabiliteitsvereisten voor elke grondstof.

  • 3 DNB kan toestaan dat een financiële onderneming voor het berekenen van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s, de minimale coëfficiënten gebruikt uit tabel 7 van de bijlage bij deze regeling, indien de betreffende financiële onderneming:

    • a. in aanzienlijke mate in grondstoffen handelt;

    • b. een gediversificeerde grondstoffenportefeuille heeft; en

    • c. voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grondstoffenrisico’s geen gebruik maakt van de interne modellenmethode als bedoeld in hoofdstuk 4.

  • 4 Van een gediversificeerde grondstoffenportefeuille als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, is in ieder geval sprake als een individuele positie:

    • a. niet meer dan 5% van de waarde van de totale grondstoffenportefeuille bedraagt; of

    • b. niet meer dan 10% van de waarde van de totale grondstoffenportefeuille bedraagt indien het totaal van die posities niet meer dan 50% van de grondstoffenportefeuille uitmaakt.

Artikel 3:42 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden verwerkt als theoretische bedragen, uitgedrukt in de vaste rekeneenheid, met een op basis van de afloopdatum toegekende looptijd.

  • 2 Wanneer de financiële onderneming haar posities niet omzet in de onderliggende instrumenten, is het solvabiliteitsvereiste:

    • a. ingeval van een op een gereglementeerde markt verhandelde future: voor elke future gelijk aan de door deze gereglementeerde markt verlangde marge; en

    • b. ingeval van een niet ter beurze verhandeld derivaat dat door een clearinginstelling is verrekend: de marge die de clearinginstelling verlangt,

      indien de in onderdeel a respectievelijk onderdeel b bedoelde marge:

      • 1°. een nauwkeurige maatstaf vormt voor de aan het instrument verbonden risico’s; en

      • 2°. tenminste gelijkwaardig is aan het solvabiliteitsvereiste dat voor het instrument zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in artikel 3:40 dan wel van de in hoofdstuk 4 bedoelde methoden.

Artikel 3:43 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Grondstoffenswaps waarbij het ene onderdeel van de transactie een vastgestelde prijs is en het andere de dagkoers, worden in overeenstemming met de vorige twee artikelen in de looptijdklassen van tabel 6 van de bijlage bij deze regeling verwerkt als een reeks posities die gelijk is aan het theoretische bedrag van de transactie.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, komt een positie overeen met elke betaling op de swap en wordt deze dienovereenkomstig ondergebracht in de looptijdklassen. De posities zijn lang als de financiële onderneming de vastgestelde prijs betaalt en de dagkoers ontvangt, en kort als zich de omgekeerde situatie voordoet.

  • 3 Grondstoffenswaps waarbij de door de financiële onderneming ontvangen en betaalde bedragen op verschillende grondstoffen betrekking hebben, worden voor de toepassing van artikel 3:13, ook in de verschillende toepasselijke looptijdklassen ondergebracht.

§ 3.11. Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de grote posities [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3:44 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grote posities, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit wordt berekend door uit het totale handelsrisico op de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten die componenten te selecteren waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de aan de handelsportefeuille toe te schrijven overschrijding van de grenswaarden, bedoeld in artikel 102 van het Besluit en waarvoor op grond van dit hoofdstuk de hoogste solvabiliteitsvereisten gelden ter dekking van:

    • a. het specifieke positierisico; en

    • b. het afwikkelings- en leveringsrisico.

  • 2 Wanneer de overschrijding van de grenswaarden niet langer duurt dan tien dagen, bedraagt het aanvullende solvabiliteitsvereiste 200% van het totaal van de solvabiliteitsvereisten over de in het eerste lid bedoelde componenten van de overschrijding.

  • 3 Wanneer de overschrijding langer duurt dan tien dagen, worden de in het eerste lid bedoelde componenten van de overschrijding, in oplopende volgorde van de in het eerste lid bedoelde solvabiliteitsvereisten, ondergebracht op de toepasselijke regel van kolom 1 van tabel 8 van de bijlage bij deze regeling. Het aanvullende solvabiliteitsvereiste is dan gelijk aan het totaal van de solvabiliteitsvereisten over de in het eerste lid bedoelde componenten van de overschrijding, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2 van tabel 8 van de bijlage bij deze regeling.

Hoofdstuk 4. Interne modellenmethode [Vervallen per 01-01-2014]

§ 4.1. Algemene minimum vereisten aan de interne modellenmethode [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:1 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Op basis van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is, kan een financiële onderneming toestemming worden verleend voor de berekening van haar solvabiliteitsvereiste voor het positierisico, het valutarisico en het grondstoffenrisico haar eigen interne modellen te gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in hoofdstuk 3 van deze Regeling worden beschreven.

  • 2 Voor elk geval moet DNB uitdrukkelijk toestemming verlenen voor het gebruik van modellen, met het oog op het toezicht op de solvabiliteitsvereisten.

Artikel 4:2 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De in het vorige artikel bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend indien het risicobeheersysteem van de financiële onderneming qua concept solide is en zorgvuldig wordt toegepast.

  • 2 Het risicobeheerssysteem dient aan de navolgende kwaliteitsnormen te voldoen:

    • a. het interne model is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse proces van risicobeheer van de financiële onderneming en dient als basis voor het rapporteren van risicoposities aan de hoogste leiding van de financiële onderneming;

    • b. de financiële onderneming heeft een afdeling risicobewaking, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste leiding. De betrokken afdeling moet belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de financiële onderneming. Tevens moet deze afdeling dagelijks rapporten opstellen en analyseren over de uitkomsten van het risicometingsmodel en over de maatregelen die op het gebied van transactielimieten moeten worden genomen. De afdeling is verantwoordelijk voor de eerste en continue validering van het interne model;

    • c. de hoogste leiding van de financiële onderneming is actief bij het proces van risicobewaking betrokken; de dagelijkse rapporten die de afdeling risicobewaking opstelt, worden beoordeeld door een directie-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale risicopositie van de financiële onderneming, op te leggen;

    • d. de financiële onderneming beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen voor handel, risicobewaking, controle en administratieve verwerking;

    • e. de financiële onderneming heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel;

    • f. het model van de financiële onderneming heeft in het verleden bewezen redelijk accuraat te zijn als het gaat om het meten van risico's;

    • g. de financiële onderneming voert frequent een stringent programma van stresstests uit; de uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden. De toegepaste schokken weerspiegelen de aard van de portefeuilles en de tijd die nodig kan zijn om onder moeilijke marktomstandigheden risico’s af te dekken of te beheren; en

    • h. als onderdeel van de periodieke interne controle moet de financiële onderneming een onafhankelijke evaluatie van zijn risicometingssysteem laten uitvoeren.

Artikel 4:3 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De in het vorige artikel, tweede lid, punt h, bedoelde evaluatie heeft betrekking op de activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicobewaking.

  • 2 Ten minste eenmaal per jaar moet de financiële onderneming een evaluatie uitvoeren van het algehele risicobeheerproces. In deze evaluatie worden de volgende elementen betrokken:

    • a. het adequaat zijn van de documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling risicobewaking;

    • b. de integratie van metingen van het marktrisico in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het systeem voor informatie van de hoogste leiding;

    • c. het proces dat de financiële onderneming toepast voor het fiatteren van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking gebruikt worden;

    • d. aard en omvang van de marktrisico's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van significante wijzigingen in het risicometingsproces;

    • e. het accuraat en volledig zijn van gegevens over posities, het accuraat en correct zijn van aannames over volatiliteit en correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen;

    • f. het verificatieproces dat de financiële onderneming hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt worden, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; en

    • g. het verificatieproces waarvan de financiële onderneming gebruik maakt voor de evaluatie van back-testing om te beoordelen of het model accuraat is.

Artikel 4:4 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming beschikt over procedures om te waarborgen dat haar interne modellen op adequate wijze zijn gevalideerd, zodat deze modellen qua concept solide zijn en alle risico’s van betekenis weergeven.

  • 2 De validatie geschiedt door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces van de procedures, zoals bedoeld in het eerste lid, betrokken zijn.

  • 3 De validatie vindt plaats bij de initiële ontwikkeling van het interne model en wanneer er significante wijzigingen in het interne model worden aangebracht.

  • 4 De validatie vindt periodiek plaats, maar vooral wanneer de markt significante structurele veranderingen of de samenstelling van de portefeuille wijzigingen heeft ondergaan die ertoe kunnen leiden dat het interne model niet langer adequaat is.

  • 5 De financiële onderneming maakt gebruik van de vorderingen op het gebied van technieken en optimale werkwijzen naarmate deze vorderingen zich voordoen.

  • 6 De validatie van het interne model blijft niet beperkt tot het uitvoeren van back-testing, als bedoeld in artikel 4:5, maar omvat ten minste ook de volgende aspecten:

    • a. er worden tests verricht die aantonen dat de in het kader van het interne model gehanteerde aannames adequaat zijn en het risico niet onder- of overschatten;

    • b. naast de wettelijk vereiste programma’s van achteraf uit te voeren tests verricht de financiële onderneming eigen tests voor de validatie van het interne model gerelateerd aan de risico’s en structuur van haar portefeuilles; en

    • c. er worden hypothetische portefeuilles gebruikt om er zeker van te zijn dat het interne model in staat is rekening te houden met eventuele bijzondere structurele kenmerken, zoals basisrisico’s van betekenis en concentratierisico.

Artikel 4:5 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming bewaakt de accuratesse en de goede werking van haar model door een, door DNB goedgekeurd, programma van back-testing toe te passen.

  • 2 De financiële onderneming dient in staat te zijn tot het uitvoeren van back-testing op zowel feitelijke als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille.

  • 3 De financiële onderneming dient passende maatregelen te treffen om haar back-testing-programma te verbeteren wanneer dat ontoereikend wordt geacht.

  • 4 De financiële onderneming dient ten minste tests achteraf uit te voeren op hypothetische uitkomsten van handelstransacties.

§ 4.2. Specifiek risico [Vervallen per 01-01-2014]

§ 4.2.1. Algemene eisen specifiek risico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:6 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de berekening van de vereiste solvabiliteit voor het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen kan een financiële onderneming gebruik maken van een intern model wanneer dit interne model voldoet aan de voorwaarden in dit hoofdstuk en bovendien:

    • a. de historische prijsschommeling in de portefeuille verklaart;

    • b. de concentratie qua omvang en veranderingen in de samenstelling van de portefeuille weergeeft;

    • c. solide blijkt in een ongunstige omgeving;

    • d. gevalideerd wordt door back-testing ter beoordeling van de vraag of het specifieke risico accuraat wordt weergegeven;

    • e. het name-related basisrisico weergeeft. Dat wil zeggen dat de financiële onderneming aantoont dat het interne model gevoelig is voor wezenlijke individuele verschillen tussen soortgelijke maar niet identieke posities;

    • f. het ‘event’-risico weergeeft.

  • 2 Het interne model van de financiële onderneming levert een conservatieve beoordeling op van het risico dat volgens realistische marktscenario's uit minder liquide posities en posities met beperkte prijstransparantie voortvloeit.

  • 3 Voorts voldoet het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en mogen alleen worden gebruikt wanneer de beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware volatiliteit van een positie of portefeuille weerspiegelen.

  • 4 Een financiële onderneming kan ervoor opteren om bij de berekening van haar kapitaalvereiste voor het specifieke risico met behulp van een intern model, de posities in securitisaties of nth-to-default kredietderivaten buiten beschouwing te laten waarvoor zij aan het overeenkomstig hoofdstuk 3 bepaalde kapitaalvereiste voor het positierisico voldoet, met uitzondering van de posities die vallen onder de in artikel 4:18 bedoelde benadering.

  • 5 De financiële onderneming maakt gebruik van de vorderingen op het gebied van technieken en optimale werkwijzen naarmate deze vorderingen zich voordoen.

  • 6 Een financiële onderneming is niet verplicht om wanbetalingsrisico's en migratierisico's weer te geven voor verhandelbare schuldinstrumenten in haar interne model wanneer ze deze risico's weergeeft in het kader van de vereisten die zijn opgenomen artikel 4:7 van deze Regeling.

§ 4.2.2. Algemene eisen Incremental Risk Charge [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:7 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Een financiële onderneming die voor verhandelbare schuldinstrumenten onder deze Regeling valt, beschikt bij de berekening van haar solvabiliteitsvereisten over een methode (het ‘Incremental Risk Charge (IRC) model’) voor de weergave van het aan haar posities in de handelsportefeuille verbonden additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico bij de risico's die zijn verwerkt in de berekening op basis van de VaR-meting, als gespecificeerd in artikel 4:6.

  • 2 De financiële onderneming toont aan dat haar methode voldoet aan deugdelijkheidsnormen vergelijkbaar aan die bedoeld in hoofdstuk 3 van de Rsk 2010, uitgaande van een constant risiconiveau, en waar nodig aangepast om het effect van liquiditeit, concentraties, afdekking en optionaliteit weer te geven.

Artikel 4:8 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het IRC-model voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico bestrijkt alle posities die aan een solvabiliteitsvereiste voor specifiek renterisico onderworpen zijn, maar geen securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten.

  • 2 DNB kan een financiële onderneming toestaan stelselmatig alle posities in beursgenoteerde aandelen en op beursgenoteerde aandelen gebaseerde derivatenposities in aanmerking te nemen, mits een dergelijke inaanmerkingneming consistent is met de wijze waarop de financiële onderneming intern risico meet en beheert.

  • 3 Het IRC-model geeft het effect weer van correlaties tussen gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat en gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven.

  • 4 Het effect van de diversificatie tussen gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat en gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven enerzijds en andere marktrisicofactoren anderzijds, wordt niet weergegeven.

§ 4.2.3. Parameters Incremental Risk Charge [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:9 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het IRC-model voor de weergave van additionele risico's moet de waarde van de aan wanbetaling en aan de migratie van interne of externe ratings toe te schrijven verliezen bepalen met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9% over een kapitaalhorizon van één jaar.

  • 2 Aannames inzake correlatie worden onderbouwd met analyses van objectieve gegevens in een qua concept solide kader.

  • 3 Het IRC-model voor de weergave van additionele risico's geeft een adequate afspiegeling van de concentratie van emittenten. Ook concentraties die onder stressomstandigheden binnen en tussen productcategorieën kunnen ontstaan, worden weergegeven.

  • 4 Het IRC-model is gebaseerd op de aanname dat het risico over de kapitaalhorizon van één jaar constant blijft, hetgeen inhoudt dat er voor bepaalde individuele posities in de handelsportefeuille of reeksen posities die in een simulatie tijdens hun liquiditeitshorizon door wanbetaling of migratie werden gekenmerkt, aan het einde van hun liquiditeitshorizon herschikking heeft plaatsgevonden om het oorspronkelijke risiconiveau te bereiken. Bij wijze van alternatief kan een financiële onderneming ervoor opteren stelselmatig aan te nemen dat een positie een jaar lang constant blijft.

Artikel 4:10 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De liquiditeitshorizons, als bedoeld in artikel 4:9 lid 4, worden vastgesteld op basis van de tijd die nodig is om de positie te verkopen of onder gespannen marktomstandigheden alle wezenlijke relevante prijsrisico's af te dekken, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de omvang van de positie.

  • 2 Liquiditeitshorizons weerspiegelen de feitelijke praktijk en ervaring tijdens perioden van zowel systematische als incidentele spanningen.

  • 3 De liquiditeitshorizon wordt bepaald op basis van conservatieve aannames en is lang genoeg opdat de handeling van het verkopen of afdekken op zich geen wezenlijk effect heeft op de prijs waartegen het verkopen of afdekken geschiedt.

  • 4 Bij de vaststelling van de passende liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt een termijn van ten minste drie maanden gehanteerd. Bij de vaststelling van de passende liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt rekening gehouden met de interne gedragslijnen van een financiële onderneming op het gebied van waarderingsaanpassingen en het beheer van slapende posities.

  • 5 Wanneer een financiële onderneming liquiditeitshorizons voor reeksen posities in plaats van voor individuele posities vaststelt, worden de criteria aan de hand waarvan de reeksen posities worden bepaald, gedefinieerd op een wijze die verschillen in liquiditeit op betekenisvolle wijze weerspiegelt.

  • 6 De liquiditeitshorizons voor geconcentreerde posities zijn langer om aan te geven dat het langer duurt om dergelijke posities te liquideren.

  • 7 De liquiditeitshorizon voor een securitisation warehouse weerspiegelt de tijd die nodig is om de activa te construeren, te verkopen en te securitiseren of om onder gespannen marktomstandigheden de wezenlijke risicofactoren af te dekken.

Artikel 4:11 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In de door een financiële onderneming gehanteerde IRC-model voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico mogen afdekkingsinstrumenten worden verwerkt.

  • 2 Posities mogen worden verrekend wanneer lange en korte posities op hetzelfde financiële instrument betrekking hebben.

  • 3 Afdekkings- of diversificatie-effecten die zowel met lange en korte posities in verschillende instrumenten of effecten van dezelfde debiteur, als met lange en korte posities jegens verschillende emittenten samenhangen, mogen alleen worden erkend door uitdrukkelijk lange en korte brutoposities in de verschillende instrumenten te modelleren.

  • 4 Het effect van wezenlijke risico’s die zich tussen de vervaldag van het afdekkingsinstrument en het einde van de liquiditeitshorizon kunnen voordoen, alsook de kans op significante basisrisico's in de afdekkingsstrategieën per product, de rangorde in de kapitaalstructuur, de interne of externe rating, de looptijd, de emissiedatum en andere verschillen in de instrumenten worden door de financiële onderneming weergegeven.

  • 5 Een financiële onderneming geeft een afdekkingsinstrument alleen weer voor zover het ook verder kan worden aangehouden als een met de debiteur verband houdende krediet- of andere gebeurtenis nadert.

  • 6 Voor posities in de handelsportefeuille die met behulp van dynamische afdekkingsstrategieën worden afgedekt, mag rebalancing van het afdekkingsinstrument binnen de liquiditeitshorizon van de afgedekte positie worden erkend, mits de financiële onderneming

    • a. ervoor kiest de rebalancing van het afdekkingsinstrument consequent over de betrokken reeks posities in de handelsportefeuille te modelleren;

    • b. aantoont dat de inaanmerkingneming van rebalancing in een betere risicometing resulteert;

    • c. aantoont dat de markten voor de instrumenten die als afdekkingsinstrumenten fungeren, liquide genoeg zijn om zelfs in perioden van spanningen rebalancing mogelijk te maken. Uit dynamische afdekkingsstrategieën voortvloeiende restrisico's moeten in het kapitaalvereiste tot uiting komen.

Artikel 4:12 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het IRC-model voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico moet het niet-lineaire effect van opties, gestructureerde kredietderivaten en andere posities met wezenlijk niet-lineair gedrag inzake prijswijzigingen weerspiegelen.

  • 2 De financiële onderneming houdt ook naar behoren rekening met het modelrisico dat inherent is aan de waardering en raming van de prijsrisico's die aan dergelijke producten verbonden zijn.

Artikel 4:13 [Vervallen per 01-01-2014]

Het IRC-model voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico is op objectieve en geactualiseerde gegevens gebaseerd.

§ 4.2.4. Validering interne modellen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:14 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Als onderdeel van de krachtens dit hoofdstuk vereiste onafhankelijke evaluatie van haar risicometingssysteem en validatie van haar interne modellen dient een financiële onderneming met betrekking tot de methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico:

    • a. valideren dat haar modelleringsbenadering voor correlaties en prijswijzigingen, met inbegrip van de keuze en gewichten van haar systemische risicofactoren, geschikt is voor haar portefeuille;

    • b. diverse stresstests, met inbegrip van een gevoeligheidsanalyse en een scenarioanalyse, uitvoeren om de kwalitatieve en kwantitatieve redelijkheid van de methode te beoordelen, met name wat de behandeling van concentraties betreft. Deze tests mogen niet beperkt blijven tot in het verleden ervaren gebeurtenissen;

    • c. passende kwantitatieve validatie-instrumenten, met inbegrip van relevante benchmarks voor interne modellering, toepassen.

  • 2 De methode voor de weergave van additionele risico's moet consistent zijn met de interne risicobeheermethoden die door de financiële onderneming worden gevolgd voor het detecteren, meten en beheren van handelsrisico's.

§ 4.2.5. Documentatie [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:15 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming documenteert haar methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico zodanig dat de correlatie ertussen en andere modelleringaannames transparant zijn voor DNB.

§ 4.2.6. Op andere parameters gebaseerde interne methoden [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:16 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Indien de financiële onderneming een methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico hanteert die niet aan alle in dit hoofdstuk gestelde eisen voldoet maar die consistent is met de interne methoden die door de financiële onderneming worden gevolgd voor het detecteren, meten en beheren van risico's, dan moet zij kunnen aantonen dat deze methode resulteert in een solvabiliteitsvereiste dat ten minste even hoog is als datgene dat zou worden verkregen op basis van een methode die volledig aan de in artikel 4:7 gestelde eisen beantwoordt.

  • 2 De financiële onderneming dient ten minste eenmaal per jaar aan DNB te demonstreren dat ze aan het bepaalde in het vorige lid voldoet.

§ 4.2.7. Berekeningsfrequentie [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:17 [Vervallen per 01-01-2014]

Een financiële onderneming berekent ten minste eenmaal per week de additionele risico's, op de wijze als door de gekozen benadering vereist.

Artikel 4:18 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Toestemming voor het gebruik van een interne benadering zoals bedoeld in artikel 4:7 voor de berekening van een extra kapitaalvereiste voor de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid in plaats van een solvabiliteitsvereiste overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze Regeling kan worden verkregen, mits aan alle voorwaarden van dit artikel wordt voldaan.

  • 2 De interne benadering geeft op afdoende wijze alle prijsrisico's weer met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9% over een kapitaalhorizon van één jaar, aangenomen dat het risiconiveau constant blijft, en waar nodig aangepast om het effect van liquiditeit, concentraties, afdekking en optionaliteit weer te geven.

  • 3 De financiële onderneming mag in haar benadering alle posities opnemen die gezamenlijk met posities van de correlation trading-portefeuille als bedoeld in art. 3:11 derde lid worden beheerd, en mag deze posities uitsluiten van de in artikel 4:7 vereiste methode.

  • 4 Het bedrag van de solvabiliteitsvereiste voor alle prijsrisico's mag niet lager zijn dan 8% van de vereiste solvabiliteit die volgens de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze Regeling zou worden berekend voor alle posities, welke opgenomen zijn in het vereiste voor alle prijsrisico's.

  • 5 In het bijzonder de onderstaande risico's moeten adequaat worden weergegeven:

    • a. de cumulatieve risico's, voortvloeiend uit meervoudige wanbetalingen, inclusief het ordenen van wanbetalingen bij in tranches verdeelde producten;

    • b. kredietspreadrisico, inclusief het gamma- en cross-gamma-effect;

    • c. volatiliteit van de impliciete correlaties, evenals het crosseffect tussen spreads en correlaties;

    • d. basisrisico, inclusief:

      • i. de basis tussen de spread van een index en die van de samenstellende single names ervan; en

      • ii. de basis tussen de impliciete correlatie van een index en die van op maat gemaakte portefeuilles;

    • e. de volatiliteit van het herstelpercentage, omdat het betrekking heeft op de neiging van het herstelpercentage om trancheprijzen te beïnvloeden; en

    • f. voor zover de algemene risicomaatstaf voordelen omvat van dynamische afdekking, het risico op hedge-slippage en de potentiële kosten van het herstellen van het evenwicht van zulke afdekkingen.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel dient een financiële onderneming:

    • a. over voldoende marktgegevens beschikken om ervoor te zorgen dat zij de voornaamste risico's van deze vorderingen in haar interne methode weergeeft in overeenstemming met de normen in dit artikel;

    • b. door empirische validatie of andere passende middelen aan te tonen dat haar risicomaatstaven goed de historische prijsschommeling van deze producten kunnen verklaren; en

    • c. ervoor zorgt dat zij de posities waarvoor zij volgens dit artikel toestemming heeft om ze op te nemen in het solvabiliteitsvereiste, kan scheiden van die posities waarvoor zij niet een dergelijke toestemming heeft.

  • 7 Met betrekking tot de portefeuilles onder dit artikel, past de financiële onderneming regelmatig een reeks specifieke, vooraf bepaalde stressscenario's toe. Deze stressscenario's bevatten de effecten van stress op verzuimpercentages, herstelpercentages, kredietspreads, en wisselwerkingen op winst en verlies van de correlation trading-afdeling.

  • 8 De financiële onderneming past deze stressscenario's ten minste wekelijks toe en doet minstens eenmaal per kwartaal verslag aan DNB van de resultaten, inclusief vergelijkingen met het solvabiliteitsvereiste van de financiële onderneming volgens dit artikel.

  • 9 Alle gevallen waarin de stresstests wijzen op een materieel tekort van vereiste solvabiliteit, moeten tijdig worden gemeld.

  • 11 Een financiële onderneming berekent minstens eenmaal per week het solvabiliteitsvereiste ten aanzien van alle prijsrisico's.

Artikel 4:19 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, worden de uitkomsten van de door de financiële onderneming zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met de factoren (mc) en (ms) . Deze factoren bedragen minstens 3.

Artikel 4:20 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, worden de vermenigvuldigingsfactoren (mc) en (ms) verhoogd met een plusfactor tussen 0 en 1, overeenkomstig tabel 9 van de bijlage bij deze Regeling, afhankelijk van het aantal overschrijdingen (overshootings) dat de financiële onderneming gedurende de laatste 250 werkdagen bij het uitvoeren van de tests achteraf van de overeenkomstig artikel 4:21 bepaalde VaR-meting heeft geconstateerd.

  • 2 De financiële onderneming dient overschrijdingen consistent te berekenen door middel van back-testing op hypothetische en feitelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille.

  • 3 Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille welke meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de financiële onderneming resulterende VaR-eendagswaarde.

  • 4 Ter bepaling van de plusfactor wordt het aantal overschrijdingen minstens per kwartaal geëvalueerd, en gelijkgesteld met het hoogste van het aantal overschrijdingen in het kader van hypothetische en feitelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille.

  • 5 In afwijking van lid 1 kan DNB, in afzonderlijke gevallen en in gevolge uitzonderlijke omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting de vermenigvuldigingsfactor met een plusfactor overeenkomstig tabel 9 van de bijlage te verhogen indien de financiële onderneming, naar genoegen van DNB, aantoont dat een dergelijke verhoging onterecht is en dat het model in wezen solide is.

  • 6 Indien een groot aantal overschrijdingen erop wijst dat het model onvoldoende accuraat is, kan de erkenning van het model worden ingetrokken of worden passende maatregelen opgelegd om ervoor te zorgen dat het model onverwijld wordt verbeterd.

  • 7 Voor de adequate toepassing van de vorige leden, stelt de financiële onderneming DNB onverwijld en in ieder geval binnen vijf dagen in kennis van de bij de toepassing van het back-testing-programma geconstateerde overschrijdingen die overeenkomstig dit artikel een verhoging van de plusfactor met zich zouden brengen.

Artikel 4:21 [Vervallen per 01-01-2014]

Voor de berekening van de VaR-meting gelden de volgende minimale normen:

  • a. de VaR-meting moet ten minste eenmaal per dag berekend worden;

  • b. een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%;

  • c. een aanhoudingsperiode die overeenkomt met 10 dagen. De financiële onderneming mag gebruik maken van VaR-metingen berekend op basis van kortere aanhoudingsperioden die worden aangepast tot 10 dagen, bijvoorbeeld door de wortel/tijd-formule toe te passen. Een financiële onderneming die deze aanpak gebruikt, rechtvaardigt op geregelde tijdstippen de redelijkheid van haar aanpak aan DNB;

  • d. een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; en

  • e. maandelijkse bijwerking van het gegevensbestand.

Artikel 4:22 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming berekent een stresswaarde van de stressed-VaR op basis van de VaR-meting, als bedoeld in artikel 4:21, met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% voor een aanhoudingsperiode van tien dagen van de actuele portefeuille, waarbij de VaR-modelinputs zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit een ononderbroken periode van 12 maanden van aanzienlijke financiële spanningen die relevant waren voor de portefeuille van de financiële onderneming.

  • 2 De keuze van deze historische gegevens wordt jaarlijks getoetst door de financiële onderneming en telkens ter goedkeuring aan DNB voorgelegd.

  • 3 De stressed-VaR wordt ten minste eenmaal per vijf werkdagen door de financiële onderneming berekend.

Artikel 4:23 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 De financiële onderneming voldoet dagelijks aan een vereiste solvabiliteit dat is uitgedrukt als de som van de punten a en b van dit lid. Voorts voldoet een financiële onderneming die haar intern model gebruikt voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico aan een vereiste solvabiliteit, uitgedrukt als de som van de punten c, d en e:

    • a. de hoogste waarde van:

      • i. haar overeenkomstig artikel 4:21 bepaalde VaR-meting van de dag voordien (VaRt-1); en

      • ii. een gemiddelde van de overeenkomstig artikel 4:21 bepaalde dagelijkse VaR-metingen op elk van de voorgaande zestig werkdagen (VaRgem), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (mc);

    • b. de hoogste waarde van:

      • i. haar laatste overeenkomstig artikel 4:22 bepaalde beschikbare stressed-VaR (sVaRt-1); en

      • ii. een gemiddelde van de stressed-VaR's berekend volgens de wijze en frequentie gespecificeerd in artikel 4:22 op elk van de voorgaande zestig werkdagen (sVaRgem), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (ms);

    • c. een vereiste solvabiliteit berekend overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze Regeling voor de positierisico’s van securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten in de handelsportefeuille, met uitzondering van die welke zijn opgenomen in de vereiste solvabiliteit volgens artikel 4:18;

    • d. De hoogste waarde van de meest recente meting van de financiële onderneming en het gemiddelde over 12 weken van de meting van de financiële onderneming van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico, berekend volgens artikel 4:7;

    • e. waar van toepassing, de hoogste waarde van de meest recente meting van de financiële onderneming en het gemiddelde over 12 weken van de meting van de financiële onderneming van alle prijsrisico's overeenkomstig artikel 4:18.

  • 2 De financiële onderneming dient reverse stress tests uitvoeren.

Artikel 4:24 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het model, als bedoeld in artikel 4:21, dient accuraat alle wezenlijke koersrisico's van opties en op opties gelijkende posities te bestrijken.

  • 2 De overige niet door het model bestreken risico’s dienen afdoende met eigen vermogen afgedekt zijn.

Artikel 4:25 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Afhankelijk van de mate waarin de financiële onderneming op de betrokken markten actief is, wordt in het risicometingsmodel een voldoende aantal risicofactoren bestreken. Indien de financiële onderneming in haar prijsmodel maar niet in haar risicometingsmodel een risicofactor heeft verwerkt, moet zij deze weglating kunnen rechtvaardigen.

  • 2 Het risicometingsmodel geeft zowel de niet-lineariteit van opties en andere producten als het correlatierisico en het basisrisico weer.

  • 3 Ingeval vervangende maatstaven voor risicofactoren worden gehanteerd, hebben deze in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de aangehouden feitelijke positie.

§ 4.3. Risicofactoren [Vervallen per 01-01-2014]

§ 4.3.1. Het renterisico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:26 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het risicometingssysteem dient risicofactoren te hanteren welke corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's waarin de financiële onderneming renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt.

  • 2 De financiële onderneming geeft de rendementscurves weer door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen.

  • 3 Voor wezenlijke renterisico's in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven.

  • 4 Het risicometingssysteem moet tevens het risico van minder perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves bestrijken.

§ 4.3.2. Het valutarisico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:27 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In het risicometingssysteem dienen risicofactoren te worden gebruikt die overeenkomen met goud en met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van de financiële onderneming luiden.

  • 2 Voor instellingen voor collectieve beleggingen worden de feitelijke valutaposities in aanmerking genomen.

  • 3 De financiële onderneming kan zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op instellingen voor collectieve beleggingen ingenomen valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is aangetoond.

  • 4 Wanneer de valutaposities van een instelling voor collectieve beleggingen niet worden gevolgd door de financiële onderneming, dan moet deze positie afzonderlijk en overeenkomstig artikel 3:35, tweede en derde lid, worden behandeld.

§ 4.3.3. Het aandelenrisico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:28 [Vervallen per 01-01-2014]

In het risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de financiële onderneming significante posities inneemt.

§ 4.3.4. Grondstoffenrisico [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4:29 [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 In het risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke grondstof waarin de financiële onderneming significante posities inneemt.

  • 2 In het risicometingssysteem moeten voorts het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit, zijn verwerkt.

  • 3 Voorts moet in het systeem rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af te dekken.

Artikel 4:30 [Vervallen per 01-01-2014]

Aan een financiële onderneming kan toestemming worden verleend om binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties te hanteren, indien het systeem waarmee zij de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 5:1 [Vervallen per 01-01-2014]

Tot 31 december 2013 mag een financiële onderneming de in artikel 3:11a, tweede lid, genoemde som van de uit artikel 3:11a, eerste lid, resulteren gewogen posities als volgt berekenen:

  • a. de financiële ondernemingen berekend het totaal van haar gewogen lange nettoposities en haar gewogen korte nettoposities als afzonderlijke bedragen. Het hoogste van deze bedragen is dan het specifieke risico solvabiliteitsvereiste. Gedurende deze overgangsperiode stelt de instelling de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst niettemin in kennis van het totaal van zowel haar gewogen lange als haar gewogen korte nettoposities, uitgesplitst naar categorie onderliggende activa.

Artikel 5:2 [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 5:3 [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011.

Amsterdam, 11 december 2006

De Nederlandsche Bank N.V.,
De

directeur

,

A. Schilder

De

directeur

,

D.E. Witteveen

Bijlage Tabellen en formules [Vervallen per 01-01-2014]

Tabel 1, behorend bij artikel 3:13 van deze regeling

Zone’s en looptijdklassen bij toepassing van de looptijdmethode

Zones

Looptijdklassen op basis van de resterende looptijd

Wegingsfactor

Veronderstelde renteverandering

 

Coupon van 3 procent of meer

Coupon van minder dan 3 procent

(procent)

(procent)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Een

≤ 1 mnd

≤ 1 mnd

0,00

1,00

 

> 1 ≤ 3 mnd

> 1 ≤ 3 mnd

0,20

1,00

 

> 3 ≤ 6 mnd

> 3 ≤ 6 mnd

0,40

1,00

 

> 6 ≤ 12 mnd

> 6 ≤ 12 mnd

0,70

1,00

         

Twee

> 1 ≤ 2 jaar

> 1,0 ≤ 1,9 jaar

1,25

0,90

 

> 2 ≤ 3 jaar

> 1,9 ≤ 2,8 jaar

1,75

0,80

 

> 3 ≤ 4 jaar

> 2,8 ≤ 3,6 jaar

2,25

0,75

         

Drie

> 4 ≤ 5 jaar

> 3,6 ≤ 4,3 jaar

2,75

0,75

 

> 5 ≤ 7 jaar

> 4,3 ≤ 5,7 jaar

3,25

0,70

 

> 7 ≤ 10 jaar

> 5,7 ≤ 7,3 jaar

3,75

0,65

 

> 10 ≤ 15 jaar

> 7,3 ≤ 9,3 jaar

4,50

0,60

 

> 15 ≤ 20 jaar

> 9,3 ≤ 10,6 jaar

5,25

0,60

 

> 20 jaar

> 10,6 ≤ 12,0 jaar

6,00

0,60

   

> 12,0 ≤ 20,0 jaar

8,00

0,60

   

> 20 jaar

12,50

0,60

De formule voor de berekening van de modified duration als bedoeld in artikel 3:13 van deze regeling:

Bijlage 241866.png

en

r = effectief rendement in procent per jaar uitgedrukt als een perunage

Ct = kasstroom (rentebetaling en/of aflossing) op tijdstip t

m = totale looptijd tot aflossing

t = tijdstip waarop een kasstroom plaatsvindt.

Tabel 2, behorend bij artikel 3:14 van deze regeling

Tabel 2. Durationklassen en veronderstelde veranderingen in effectief rendement

Zone

Gewijzigde duration in jaren

Veronderstelde veranderingen in effectief rendement in procent

1

> 0 < 1

1,00

2

≥ 1,0 < 3,6

0,85

3

> 3,6

0,70

Tabel 3, behorend bij artikel 3:23 van deze regeling

Tabel 3. Verlagingsfactoren in het geval van overneming van emissies

Aantal werkdagen

Verlagingsfactor procent

0

100

1

90

2 en 3

75

4

50

5

25

6 en daarná

0

Voor de toepassing van artikel 3:23 is ‘werkdag 0’ de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal financiële instrumenten tegen een overeengekomen prijs.

Tabel 4, behorend bij artikel 3:28 van deze regeling

Tabel 4. Vermenigvuldigingsfactor voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de afwikkeling- en leveringsrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit

Aantal werkdagen na vastgestelde afwikkelingsdatum

Vermenigvuldigingsfactor in procenten

5–15

8

16–30

50

31–45

75

46 of meer

100

Tabel 5, behorend bij artikel 3:29 van deze regeling

Tabel 5. Solvabiliteitsvereisten voor non-DvP-transacties

Transactietype

Tot de eerste contractuele betaling/het eerste leveringsgedeelte

Vanaf de eerste contractuele betaling/het eerste leveringsgedeelte tot 4 dagen na de tweede contractuele betaling/het tweede leveringsgedeelte

Vanaf 5 werkdagen na de tweede contractuele betaling/het tweede leveringsgedeelte tot de beëindiging van de transactie

Non-DvP transactie

Geen solvabiliteitsvereiste

Behandeling als een lening

Overgedragen waarde plus de positieve actuele positie in mindering brengen op het toetsingsvermogen

Tabel 6, behorend bij artikel 3:40 van deze regeling

Tabel 6. Looptijdklassen voor berekening van het solvabiliteitsvereiste voor de grondstoffenrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit

Looptijdklassen

Spread

(1)

(2)

0 ≤ 1 maand

1,50

> 0 ≤ 3 maanden

1,50

> 3 ≤ 6 maanden

1,50

> 6 ≤ 12 maanden

1,50

> 1 ≤ 2 jaar

1,50

> 2 ≤ 3 jaar

1,50

> 3 jaar

1,50

Tabel 7, behorend bij artikel 3:41 van deze regeling

Tabel 7. Coëfficiënten voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor de grondstoffenrisico’s volgens de vereenvoudigde methode

 

Edele metalen (behalve goud)

Onedele metalen

Zachte grondstoffen (landbouw)

Overige, met inbegrip van energieproducten

Spreadcoëfficiënt (procent)

1,0

1,2

1,5

1,5

Overdrachtscoëfficiënt (procent)

0,3

0,5

0,6

0,6

Outrightcoëfficiënt (procent)

8

10

12

15

Tabel 8, behorend bij artikel 3:44 van deze regeling

Tabel 8. Vermenigvuldigingsfactoren voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grote posities, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit

Overschrijding van de grenswaarden

(in procenten van het toetsingsvermogen)

Factoren

Gedeelte tot 40%

200%

Gedeelte tussen 40 en 60%

300%

Gedeelte tussen 60 en 80%

400%

Gedeelte tussen 80 en 100%

500%

Gedeelte tussen 100 en 250%

600%

Gedeelte boven 250%

900%

Tabel 9, behorend bij artikel 4:20 van deze regeling

Tabel 9. Plusfactor als bedoeld in artikel 4:20, eerste lid

Aantal overschrijdingen

Plusfactor

Minder dan 5

0,00

5

0,40

6

0.50

7

0,65

8

0,75

9

0,85

10 of meer

1,00