Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Inkomstenbelasting, kapitaalverzekering eigen woning en vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen in box 3[Regeling vervallen per 20-05-2009 met terugwerkende kracht tot en met 28-04-2009.]

Geldend van 06-12-2006 t/m 27-04-2009

Inkomstenbelasting, kapitaalverzekering eigen woning en vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen in box 3

De Minister van Financiën heeft het volgende besloten:

Het besluit van 5 december 2005, nr. CPP2005/2727M, wordt opnieuw uitgebracht omdat het goedkeurende beleid uit 6.5 van dat besluit (thans opgenomen in punt 7.5) over de omzetting van kapitaalverzekeringen is aangepast.

1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

In dit besluit zijn in de eerste plaats alle thans geldende beleidsstandpunten opgenomen op het terrein van de kapitaalverzekering eigen woning.

In de tweede plaats zijn in dit besluit alle thans geldende beleidsstandpunten opgenomen betreffende vóór 2001 gesloten kapitaalverzekeringen die met toepassing van de Invoeringswet Wet IB 2001 zijn of worden omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning.

Ten slotte zijn opgenomen de voor de toepassing van de Invoeringswet ingenomen beleidsstandpunten ter zake van reeds vóór 2001 gesloten kapitaalverzekeringen die niet zijn omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning. In vrijwel alle gevallen gaat het om kapitaalverzekeringen die behoren tot box 3. Opgemerkt zij dat voor dergelijke kapitaalverzekeringen gedurende de gehele looptijd mede de Wet IB 1964 van toepassing blijft. De voor dergelijke verzekeringen nog geldende beleiddstandpunten die louter betrekking hebben op de Wet IB 1964, zijn niet in dit overzichtsbesluit opgenomen aangezien die standpunten bij de invoering van de Wet IB 2001 niet opnieuw zijn gepubliceerd.

De geactualiseerde standpunten zijn thematisch gerangschikt en zoveel mogelijk samengevoegd naar de situaties die met betrekking tot een kapitaalverzekering aan de orde kunnen zijn. Daarbij worden ook de relevante wetsartikelen vermeld.

Datum van bijwerking

In dit overzichtsbesluit zijn de besluiten opgenomen die ten behoeve van het regime van de kapitaalverzekering eigen woning en van kapitaalverzekeringen in box 3 zijn gepubliceerd tot 1 november 2006.

Lijst van gebruikte afkortingen

Wet inkomstenbelasting 2001: Wet IB 2001

Wet op de inkomstenbelasting 1964: Wet IB 1964

Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001: Invoeringswet

Kapitaalverzekering eigen woning: KEW

2. Voorwaarden kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.116, tweede lid en artikel 3.117 Wet IB 2001) [Vervallen per 20-05-2009]

2.1. Aanpassing KEW-clausule in verband met Fiscale onderhoudswet 2004 [Vervallen per 20-05-2009]

2.1.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.116 van de Wet IB 2001 is geregeld wat een KEW is. Krachtens de Wet van 23 december 2004 (Fiscale Onderhoudswet 2004), Stb. 2004/657, is dit artikel gewijzigd. Deze wijziging is in werking getreden op 1 maart 2005. Op grond van deze wijziging wordt in artikel 3.116 van de Wet IB 2001 onder meer het begrip ‘schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning’ vervangen door het begrip ‘eigenwoningschuld’. Ook is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding’ in het tweede lid vervangen door ‘gezamenlijke huishouding’. Hierna ga ik in op de gevolgen van deze wijzigingen voor de uitvoeringspraktijk.

2.1.2. Goedkeuring voor bestaande polissen en voor implementatie nieuwe clausule [Vervallen per 20-05-2009]

Geen aanpassing van vóór 1 oktober 2005 bestaande polissen; goedkeuring

Om te voorkomen dat de administratieve lasten toenemen en om aan de praktijk ruimte te gunnen om de nieuwe wettelijke formulering in de programmatuur op te nemen, keur ik het volgende goed. Een KEW die is afgesloten vóór 1 oktober 2005 en die voldoet aan de formele vereisten van artikel 3.116 van de Wet IB 2001, zoals dat artikel tot en met 28 februari 2005 luidde, wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.116 Wet IB 2001, tekst met ingang van 1 maart 2005. Aanpassing van de verwijzing naar ‘schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning’ en ‘gemeenschappelijke huishouding’ in een verwijzing naar ‘eigenwoningschuld’ respectievelijk ‘gezamenlijke huishouding’ is voor deze polissen derhalve niet noodzakelijk.

Verzekeringen die zijn afgesloten op of na 1 oktober 2005

Voor, op of na 1 oktober 2005 gesloten verzekeringen dient de polisredactie onverkort aan te sluiten bij de geldende tekst van artikel 3.116 Wet IB 2001. Zolang dat niet het geval is, behoort de kapitaalverzekering tot de heffingsgrondslag van box 3 en dient de waarde daarvan in voorkomende gevallen door de verzekeraar aan de Belastingdienst te worden gerenseigneerd.

Kapitaalsuitkering uit KEW vanaf 1 maart 2005

Deze goedkeuring laat onverlet dat voor een op of na 1 maart 2005 ontvangen kapitaalsuitkering de tekst van artikel 3.118 Wet IB 2001 met ingang van die datum van toepassing is. Dit brengt mee dat van de kapitaalsuitkering geen hoger bedrag kan zijn vrijgesteld dan het bedrag van de ‘eigenwoningschuld’ op het tijdstip van uitkering. Daarnaast betekent de wetswijziging ook dat met ingang van 1 maart 2005 met de uitkering ten hoogste het bedrag van de ‘eigenwoningschuld’ behoeft te worden afgelost en dus niet langer de ‘schulden ter zake van de eigen woning’.

2.1.3. In een KEW op te nemen nieuwe clausule [Vervallen per 20-05-2009]

De door het Verbond van Verzekeraars voorgestelde, in een KEW op te nemen nieuwe clausule luidt als volgt:

‘De begunstigde zal de verzekerde uitkering (…) aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de verzekeringnemer, van diens echtgeno(o)t(e) of van degene met wie de verzekeringnemer duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.’

Naar mijn oordeel voldoet een kapitaalverzekering waarin deze clausule is opgenomen, in zoverre aan de formele eisen die op dit punt in artikel 3.116 Wet IB 2001, tekst met ingang van 1 maart 2005, aan een KEW worden gesteld.

2.2. Begrip levensverzekering [Vervallen per 20-05-2009]

2.2.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Voor de toepassing van de Wet IB 2001 wordt op grond van artikel 3.117 onder een levensverzekering verstaan: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: WTV). Hierna wordt aangegeven welke (fiscale) inhoud het begrip levensverzekering heeft en welke nadere criteria daarvoor zijn opgesteld.

2.2.2. Inhoud begrip levensverzekering [Vervallen per 20-05-2009]

Uitvoering WTV; Pensioen- & Verzekeringskamer

Met de uitvoering van de genoemde WTV is de Pensioen- & Verzekeringskamer belast. De Pensioen- & Verzekeringskamer is bevoegd voor de toepassing van die wet te bepalen welke inhoud dient te worden gegeven aan het begrip levensverzekering.

Nadere criteria

In 1993 is een rapport verschenen (Rapport werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB van 4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525) waarin nadere criteria zijn opgenomen betreffende de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze houden (samengevat) in dat van een levensverzekering eerst sprake kan zijn indien de verzekeringnemer/ begunstigde een gerede kans heeft dat de overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de ter zake betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde rendement (de zogenoemde bonus). De nadere criteria hebben geleid tot rekenregels welke in genoemd rapport zijn opgenomen.

Overgangsrecht

De Pensioen- & Verzekeringskamer hanteert de nadere criteria voor overeenkomsten die zijn gesloten na 30 juni 1993 alsmede voor overeenkomsten die na die datum zijn gewijzigd. Overeenkomsten die zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die niet voldoen aan de nadere criteria worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangemerkt als overeenkomsten van levensverzekering (eerbiedigende werking).

2.2.3. Het fiscale begrip levensverzekering [Vervallen per 20-05-2009]

Aansluiting bij uitleg Pensioen- & Verzekeringskamer

Voor de toepassing van de Wet IB 2001 wordt aangesloten bij de uitleg die de Pensioen- & Verzekeringskamer geeft aan het begrip levensverzekering. Dit standpunt brengt mee dat op of na 1 januari 2001 gesloten overeenkomsten van levensverzekering dienen te voldoen aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gehanteerde nadere criteria zoals opgenomen in het eerder genoemde rapport. Niet kan worden volstaan met een (slechts) formeel in de overeenkomst opgenomen afhankelijkheid van leven en/of sterven.

Op 31 december 2000 bestaande kapitaalverzekeringen die worden aangepast aan de voorwaarden voor vrijstelling zoals deze gelden onder de Wet IB 2001, kunnen als gevolg daarvan de eerbiedigende werking zoals deze is verleend door de Pensioen- & Verzekeringskamer (zie hiervoor) onder omstandigheden verliezen. Het gaat dan om verzekeringen die zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die zodanig worden aangepast dat deze alsnog dienen te voldoen aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde criteria.

2.3. Wettelijke voorwaarde van de eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden [Vervallen per 20-05-2009]

2.3.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.116, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is bepaald dat in de polis tot uitdrukking moet zijn gebracht dat er recht bestaat op een eenmalige uitkering bij leven of ten gevolge van overlijden. Hierna wordt ingegaan op de betekenis van dit vereiste voor de praktijk.

2.3.2. Standpunt [Vervallen per 20-05-2009]

Wettelijke systematiek; in beginsel één uitkering

De systematiek van de KEW houdt in dat de verzekering in beginsel slechts eenmalig en in zijn geheel tot uitkering dient te komen. Bij een gedeeltelijke uitkering wordt de verzekering geacht (fictief) in zijn geheel tot uitkering te zijn gekomen. Bij gemengde verzekeringen waarbij een uitkering bij in leven zijn op een bepaalde datum is verzekerd én een uitkering bij eerder overlijden wordt aan de wettelijke eis voldaan omdat één van beide uitkeringen zal plaatsvinden.

Redelijke wetstoepassing

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is aan het regime van de KEW een (lagere) vrijstelling na ten minste 15 jaren premiebetaling toegevoegd. Een redelijke wetstoepassing brengt vervolgens mee dat ook als KEW zijn aan te merken overeenkomsten waarbij een uitkering bij in leven zijn na ten minste 15 jaren premiebetaling en tevens een uitkering bij in leven zijn na ten minste 20 jaren premiebetaling, eventueel aangevuld met een uitkering bij vooroverlijden van hetzelfde verzekerde lijf, is verzekerd.

2.4. Verzekering gesplitst in een KEW die uitkeert bij in leven zijn en een overlijdensuitkering die behoort tot de grondslag van Box 3 [Vervallen per 20-05-2009]

2.4.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Algemeen; fiscale splitsing mogelijk, zelfstandige vormgeving

In het algemeen hebben kapitaalverzekeringen die worden gesloten in verband met de financiering van de eigen woning een verzekerde uitkering bij in leven zijn op een bepaalde datum en een verzekerde uitkering ten gevolge van eerder overlijden. Het is daarbij mogelijk het overlijdensgedeelte van een dergelijke verzekering te laten behoren tot de grondslag van box 3 terwijl de uitkering bij leven een KEW vormt. Vereist is dat de beide verzekerde uitkeringen ieder worden vormgegeven als zelfstandige overeenkomsten, ook als beide verzekeringen worden opgenomen in één polis. Zo zal sprake moeten zijn van afzonderlijk berekende premies en zal bij een winstdelende polis moeten zijn bepaald aan welke overeenkomsten welke winsten toekomen.

Unit-linked

Als sprake is van een verzekering op beleggingsbasis – unit linked – mogen voor de box-3-overlijdensrisicoverzekering uitsluitend premies worden onttrokken aan de beleggingswaarde van die verzekering en niet uit de beleggingswaarde van de KEW die uitkeert bij in leven zijn op een bepaalde datum.

Fiscaal gevolg gesplitste behandeling; rente-element en bandbreedte

Het gevolg van de fiscaal gesplitste behandeling is dat de premies die zijn betaald voor de uitkering ten gevolge van overlijden niet in aanmerking worden genomen indien de kapitaalsuitkering bij leven een belastbaar rentebestanddeel bevat. Voor de bandbreedte-eis van de premies voor de KEW – hoogste premie niet meer dan 10 maal de laagste premie – tellen de premies voor de overlijdensuitkering evenmin mee.

2.4.2. Tariefvoordeel bij combinatie KEW en overlijdensuitkering in box 3 [Vervallen per 20-05-2009]

Als een verzekeraar voor een gelijktijdig afgesloten (zelfstandige) KEW bij leven en een (zelfstandige) box-3-overlijdensverzekering het tarief voor een gemengde verzekering hanteert, leidt dit in totaal tot een tariefsvoordeel voor de verzekeringnemer in vergelijking met de situatie waarin per verzekering afzonderlijk de premies worden berekend.

Fiscaal gesplitste behandeling mits evenredige toedeling tariefsvoordeel

Dit tariefsvoordeel staat niet in de weg aan de fiscaal gesplitste behandeling van de verzekeringen mits het (tariefs)voordeel naar evenredigheid aan beide verzekeringen wordt toegerekend. De toerekening van de totale brutopremie aan de afzonderlijke verzekeringen dient plaats te vinden op basis van de netto premies, berekend op de grondslagen van de totale brutopremie.

2.4.3. Vrijstelling voor de box-3-overlijdensverzekering [Vervallen per 20-05-2009]

Indien een box-3-overlijdensverzekering is vormgegeven op de wijze als beschreven in onderdeel 1.4.1, kan daarop de vrijstelling van artikel 5.10, onderdeel a, van de Wet IB 2001 van toepassing zijn. De verzekering heeft dan immers de kenmerken van een zelfstandige verzekering waardoor deze uitsluitend voorziet in een uitkering bij overlijden van de verzekerde(n). Dit laatste is opgenomen als voorwaarde in artikel 5.10, onderdeel a, van de Wet IB 2001.

Winst- of overrentedeling na afloop verzekerde periode overlijden

Ter voorkoming van misverstand merk ik op dat indien de zelfstandig vormgegeven overlijdensverzekering anderszins voorziet in een (mogelijke) uitkering bij in leven zijn op de einddatum, niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. Te denken valt aan overlijdensverzekeringen waarbij een winst- of overrentedeling plaatsvindt indien het overlijden niet plaatsvindt in de verzekerde periode.

3. Voorwaarden ter zake van de premiebetalingen (artikel 3.116, tweede en zevende lid en 3.118, eerste lid, Wet IB 2001) [Vervallen per 20-05-2009]

3.1. Bandbreedte-eis. Toegestane verhouding hoogste premie tot laagste premie [Vervallen per 20-05-2009]

3.1.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Zowel voor de vormvereisten van een KEW als voor de vrijstelling van een uitkering uit een KEW geldt dat de premies moeten blijven binnen een bepaalde bandbreedte. Deze bandbreedte-eis houdt in dat op jaarbasis gerekend de hoogste premie niet meer mag hebben bedragen dan het tienvoud van de laagste.

3.1.2. Betaling premies in vreemde valuta [Vervallen per 20-05-2009]

Een vraagpunt voor het regime van de KEW is of bij premiebetalingen (en eventueel een verzekerd kapitaal) luidende in vreemde valuta, de in vreemde valuta betaalde premiebedragen voor de toetsing aan de bandbreedte-eis moeten worden herrekend naar Nederlandse valuta. De bandbreedte-eis is van belang voor de bepaling of sprake is van een (vrijgesteld voordeel uit) kapitaalverzekering eigen woning.

Standpunt: bandbreedte beoordelen in vreemde valuta

Naar mijn oordeel, dat gebaseerd is op de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis, dienen de in vreemde valuta betaalde premiebedragen voor de toetsing aan de bandbreedte-eis niet te worden herrekend naar Nederlandse valuta. De beoordeling of is voldaan aan de zogenoemde bandbreedte vindt dus uitsluitend plaats op basis van de vreemde valuta.

Indien overschrijding van de bandbreedte gerekend naar de vreemde valuta plaatsvindt, houdt mijn standpunt in dat de kapitaalsuitkering niet kan zijn vrijgesteld. Hieraan doet niet af dat bij omrekening naar Nederlandse valuta de in vreemde valuta voldane premies wel binnen de vereiste bandbreedte zouden zijn gebleven.

3.1.3. Gesplitste premiebetaling door partners en de bandbreedte-eis [Vervallen per 20-05-2009]

Door fiscale partners worden in de praktijk onderling verbonden kapitaalverzekeringen eigen woning gesloten bij één verzekeringsmaatschappij. Deze handelwijze vindt plaats om tot een zodanige premiebetaling voor iedere partner te komen dat in het geval een uitkering bij overlijden mocht plaatsvinden, de overblijvende partner ter zake geen successierecht is verschuldigd op grond van artikel 13 Successiewet.

Standpunt

In dergelijke gevallen tellen de premies betaald door beide partners mee voor de toepassing van de bandbreedte-eis, omdat de kapitaalverzekeringen als gevolg van de onderlinge verbindingsclausules één gemengde kapitaalverzekering vormen (uitkering bij in leven zijn op een vooraf vastgestelde datum of ten gevolge van eerder overlijden).

3.1.4. Hoog-laag-kapitaalverzekering op twee polissen [Vervallen per 20-05-2009]

Voor de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning geldt ingevolge artikel 3.118, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 dat de hoogste premie niet meer mag bedragen dan het tienvoud van de laagste. In de praktijk wordt om administratieve redenen die bandbreedte soms benut door de hoge premie(s) op te nemen in de ene polis en de lage, reguliere premies in een andere polis.

Standpunt

Naar mijn oordeel kunnen in een dergelijke situatie de vrijstellingen voor een KEW uitsluitend van toepassing zijn indien uit een verbindingsclausule blijkt dat de twee polissen samen de juridische weergave van één overeenkomst inhouden. Die verbindingsclausule dient voorts de bepaling te bevatten dat de gedeelten van de overeenkomst niet zonder elkaar kunnen voortbestaan.

3.1.5. Wijziging wetgeving; premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid; invloed op bandbreedte kapitaalverzekeringen bij verlaging premies [Vervallen per 20-05-2009]

Vanaf 1 januari 2004 geldt ingevolge de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 voor werkgevers een loondoorbetalingsverplichting van twee jaar. Voorheen gold een termijn van één jaar. Als de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van een kapitaalverzekering is gekoppeld aan de criteria van de WAO, leidt deze wetswijziging tot een verlaging van de premies voor de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Ingevolge artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 leidt dit tevens tot een verlaging van de premie voor de KEW. Het vraagpunt is of in deze situatie de verlaging van de premie leidt tot overschrijding van de bandbreedte-eis voor de premies en of daarmee het recht op vrijstelling van de uitkering verloren gaat. Op grond van een strikte toepassing van de wet heeft een overschrijding van de bandbreedte tot gevolg dat het recht op vrijstelling van het rente-element in de kapitaalsuitkering komt te vervallen.

Goedkeuring

Gelet op het feit dat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid (wetswijziging) waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken partijen geen invloed hebben gehad, keur ik het volgende goed. Een verlaging van de premie voor de KEW louter als gevolg van de bedoelde verlaging van de premie voor de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, wordt niet aangemerkt als een overschrijding van de bandbreedte-eis die leidt tot het verlies van het recht op vrijstelling van de kapitaalsuitkering.

3.2. Premiedepot. Koopsomstorting of jaarlijkse premiebetaling [Vervallen per 20-05-2009]

3.2.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Verschillende levensverzekeringsmaatschappijen stellen verzekeringnemers, die op grond van een bij de levensverzekeringsmaatschappij afgesloten overeenkomst periodieke premies zijn verschuldigd, in de gelegenheid voor alle of een aantal premies een premiedepot te vormen. Het gestorte bedrag wordt afzonderlijk geadministreerd en is rentedragend. De rente wordt op het depot bijgeschreven.

Op de premievervaldagen worden de premies van het depot afgeboekt. Het bedrag van de depotstorting wordt meestal zodanig berekend dat het samen met de bij te schrijven rente voldoende zal zijn om daaruit de premies te betalen waarvoor het depot werd gevormd. Overlijdt de verzekerde voordat alle premies verschenen zijn, dan wordt het restant van het depot aan de erfgenamen uitgekeerd. Ik neem hierna standpunten in met betrekking tot de fiscale gevolgen van een dergelijk depot voor de toepassing van de KEW.

3.2.2. Fiscale toets van een premiedepot [Vervallen per 20-05-2009]

Algemeen; realiteitsgehalte depot, beschikkingsmacht

In verband met het antwoord op de vraag of de premies als betaald kunnen worden beschouwd na de afboeking ten laste van het depot op de vervaldag, is van belang of sprake is van een reëel depot.

Naar mijn oordeel is sprake van een reëel premiedepot indien de verzekeringnemer (of erfgenamen) jegens de verzekeraar de beschikkingsmacht, zowel bij leven als in het geval van overlijden, over de in depot gestorte gelden in voldoende mate blijft behouden. Van een premiedepot kan met andere woorden niet worden gesproken indien de verzekeraar jegens de verzekeringnemer wezenlijke belemmeringen kan opwerpen bij het voortijdige opeisen van het saldo van de depotrekening. Te denken valt hierbij aan een hertoets van de financiële verplichtingen van de verzekeringnemer.

Indien een andere instantie dan de verzekeraar met betrekking tot de opname van het premiedepot voorwaarden heeft opgenomen, sluit dit niet uit dat sprake is van een reëel premiedepot.

Onvoldoende beschikkingsmacht; vooruitbetaalde premies of koopsom

Indien de depotvoorwaarden de beschikkingsmacht van de contractant over de in ‘depot’ gestorte gelden in de weg staan, is naar mijn oordeel sprake van vooruitbetaalde premies of van een koopsomstorting. Bij zogenoemde levenhypotheken met depot dienen alle relevante omstandigheden, dus ook de (eventuele) bepalingen in de hypotheekakte met betrekking tot de beschikkingsmacht over de in depot gestorte gelden in de beoordeling te worden betrokken.

3.2.3. Voorwaarden voor reëel premiedepot [Vervallen per 20-05-2009]

Naar mijn oordeel bestaat er voor de verzekeringnemer voldoende beschikkingsmacht over het premiedepot indien door de verzekeraar geen voorwaarden worden gesteld, of geen verdergaande voorwaarden dan één of meer van de volgende:

  • 1. voor opzegging van het premiedepot geldt een opzegtermijn van ten hoogste drie maanden;

  • 2. indien bij opzegging een vergoeding wordt gevraagd voor administratiekosten is die zodanig dat deze geen te hoge drempel opwerpt voor opname van het depot (een vergoeding van bij voorbeeld 1% van de depotwaarde met een minimum van € 100 acht ik zowel in relatieve als in absolute zin zodanig dat naar mijn oordeel geen sprake is van een drempel opwerpende vergoeding);

  • 3. indien bij opzegging in verband met wijziging van de rentestand een vergoeding in rekening wordt gebracht, is deze niet hoger dan overeenkomt met het door de financiële instelling te lijden rentenadeel.

Premiedepots die louter één of meer van de genoemde voorwaarden kennen, worden door mij aangemerkt als reële premiedepots. De desbetreffende financiële instellingen behoeven derhalve hun depotvoorwaarden niet aan mij voor te leggen.

3.2.4. Geen reëel premiedepot; gevolgen voor de Wet IB 2001 [Vervallen per 20-05-2009]

Niet voldaan aan voorwaarden KEW

Het aanmerken van een storting als een premievooruitbetaling of als een koopsomstorting leidt er (bij voorbeeld) toe dat een kapitaalverzekering niet (meer) voldoet aan de voorwaarden zoals deze gelden voor een zogenoemde KEW. Dit betekent dat de desbetreffende verzekering geacht wordt geheel tot uitkering te zijn gekomen en vervolgens gaat behoren tot de rendementsgrondslag van box 3.

Niet-reëel premiedepot behoort niet tot grondslag Box 3

Indien het premiedepot wordt aangemerkt als een premievooruitbetaling of koopsomstorting, maakt het als zodanig geen (zelfstandig) deel uit van de rendementsgrondslag in box 3 (de koopsomstorting verhoogt namelijk de waarde in het economisch verkeer van de kapitaalverzekering). Wellicht ten overvloede merk ik op dat een zogenoemd reëel depot wel een (zelfstandig) bestanddeel van de rendementsgrondslag in box 3 vormt.

3.3. Meetelregel; premies bepalend voor de bandbreedte-eis en voor de belastbaarheid van de uitkering [Vervallen per 20-05-2009]

3.3.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.116, tweede lid, onderdeel b en in artikel 3.118, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is de zogenoemde bandbreedte-eis opgenomen. Deze eis houdt in dat de hoogste premie niet meer mag bedragen dan het tienvoud van de laagste. In artikel 3.116, zesde lid, is bepaald dat de belastbare rente wordt gesteld op het bedrag van de kapitaalsuitkering verminderd met het bedrag van de betaalde premies. In dit kader is van belang dat in artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 is aangegeven welke premie-elementen meetellen (meetelregel) als premies voor kapitaalsuitkeringen bij leven en ten gevolge van overlijden.

Globaal gesproken tellen op grond van het zevende lid van artikel 3.116 van de Wet IB 2001 mee de premies voor de daar met name genoemde meeverzekerde uitkeringen voor zover die gezamenlijk niet meer bedragen dan drie maal het verzekerde kapitaal van de hoofdverzekering. Voor zover die laatste grens wordt overschreden, tellen de daarmee gemoeide premiedelen niet mee als premie voor de hoofdverzekering.

3.3.2. Meeverzekerde periodieke uitkeringen bij invaliditeit [Vervallen per 20-05-2009]

Voor de toepassing van de in artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 opgenomen meetelregel, dient zoals hiervóór beschreven te worden bezien of meeverzekerde uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven dan wel ten gevolge van overlijden. Dit geldt niet voor meeverzekerde periodieke uitkeringen bij invaliditeit omdat een dergelijk recht geen kapitaalsuitkering uit levensverzekering betreft. Het desbetreffende premie-element dient te worden afgesplitst van de premie voor de kapitaalverzekering eigen woning en kan in aanmerking komen voor aftrek als een uitgave voor inkomensvoorzieningen ingevolge artikel 3.124, onderdeel c, van de Wet IB 2001.

3.3.3. Meeverzekerd recht op vrijstelling premiebetaling bij invaliditeit [Vervallen per 20-05-2009]

Een vraagpunt is hoe de meetelregel van artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 moet worden toegepast indien bij de kapitaalverzekering eigen woning ook premievrijstelling bij invaliditeit is meeverzekerd.

In de parlementaire stukken inzake artikel 26a van de Wet IB 1964, waaraan artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 rechtstreeks is ontleend, is tot uitdrukking gebracht dat vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit niet leidt tot een feitelijke uitkering. Deze verzekeringscomponent speelt derhalve geen rol bij de beoordeling of de meeverzekerde kapitalen niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven of ten gevolge van overlijden. Het premie-element dat is betaald voor de vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit telt derhalve zonder meer mee als premie voor de toepassing van de saldomethode en voor de bandbreedte-eis van artikel 3.116, tweede lid, onderdeel b en artikel 3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001.

3.3.4. Wijze van toepassen bij ongelijke grootheden [Vervallen per 20-05-2009]

Een vraagpunt is hoe de meetelregel van artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001 moet worden toegepast indien de meeverzekerde uitkering geen gelijkenis vertoont met de ‘hoofdverzekering’. Te denken valt bij voorbeeld aan de situatie waarin bij invaliditeit een vaste reeks van uitkeringen – niet zijnde een recht op periodieke uitkeringen – is meeverzekerd.

De meeverzekerde uitkeringen dienen in een dergelijk geval voor de toepassing van de meetelregel zo veel mogelijk te worden omgerekend naar de verzekerde grootheid van de hoofdverzekering. Het tijdstip van waardering is daarbij het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst dan wel latere wijziging daarvan. Daarbij zijn uitsluitend de verzekerde grootheden relevant en niet eventuele winstuitkeringen, tenzij deze zijn gegarandeerd. In de situatie van een vaste reeks uitkeringen dient naar het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst de waarde daarvan te worden herleid tot één verzekerd kapitaal.

3.4. De begrippen ‘jaar’ en ‘jaarlijks premies zijn voldaan’ [Vervallen per 20-05-2009]

3.4.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

De betekenis is van het begrip ‘jaar’ en van de zinsnede ‘jaarlijks premies zijn voldaan’ als bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001 is van groot belang voor de uitvoeringspraktijk met het oog op de beoogde fiscale gevolgen van een KEW. Hierna ga ik op enkele vraagpunten daarover in.

3.4.2. De begrippen ‘jaar’ en ‘jaarlijks’ [Vervallen per 20-05-2009]

Evenals onder de Wet IB 1964 dient voor het begrip ‘jaar’ te worden uitgegaan van het verzekeringsjaar en niet van het kalenderjaar. Het verzekeringsjaar van een KEW begint op het tijdstip van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. De term ‘jaarlijks’ houdt in dat onafgebroken – dat wil zeggen in elk verzekeringsjaar – gedurende 15 onderscheidenlijk 20 jaren premies dienen te worden voldaan teneinde voor de desbetreffende vrijstellingen KEW in aanmerking te kunnen komen. Daarbij kan het uiteraard ook gaan om maandelijks of driemaandelijks verschuldigde premies. Voor de bandbreedte-eis worden de in totaal in het verzekeringsjaar betaalde premies in aanmerking genomen.

3.4.3. Premiebetaling gedurende 15 of 20 jaren; één of meer afsluitende maandpremies; gevolgen bandbreedte [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.118, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is de zogenoemde bandbreedte-eis opgenomen. Deze eis houdt in dat de hoogste premie niet meer mag bedragen dan het tienvoud van de laagste. In de praktijk komt het veel voor dat voor een KEW de voor vrijstelling vereiste 15 of 20 verzekeringsjaren zijn volgemaakt met onafgebroken premiebetaling en dat er voorts, voordat de verzekering geheel tot uitkering komt, nog één of meer maandpremies worden voldaan. Die maandpremies zijn dan wat hoogte betreft evenredig aan de op jaarbasis voldane premies. Hiermee wordt gehandeld in strijd met de bandbreedte-eis, omdat voor de bepaling of aan de bandbreedte-eis wordt voldaan, de premies die regulier op jaarbasis worden voldaan en ook feitelijk zijn voldaan als maatstaf worden gehanteerd. Mijn standpunt is evenwel dat als een KEW wordt beëindigd zonder dat exact een verzekeringsjaar is volgemaakt, de in het laatste onvolledige verzekeringsjaar betaalde premies naar evenredigheid moeten worden getoetst aan de hoogte van de in de voorgaande verzekeringsjaren in totaal voldane reguliere premies. Bij de beëindiging van de KEW kan het gaan om de contractueel overeengekomen uitkering bij in leven zijn, om de uitkering ten gevolge van overlijden en ook om de uitkering in verband met de afkoop van de KEW.

Ter voorkoming van misverstand merk ik op dat de hiervóór beschreven evenredigheidstoets niet geldt voor de situatie waarin de KEW premievrij wordt voortgezet. Alsdan geldt de feitelijk per verzekeringsjaar voldane premie als maatstaf voor de bandbreedte-eis. Als in een verzekeringsjaar in het geheel geen premie wordt voldaan, ontstaat geen strijdigheid met de bandbreedte-eis.

4. Het gebruik van de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.118 Wet IB 2001) [Vervallen per 20-05-2009]

4.1. Vrijstellingen kapitaalverzekering eigen woning bij partners en minderjarige kinderen; toerekening [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 2.15 en 2.17 van de Wet IB 2001 zijn regels gegeven voor toerekening van inkomensbestanddelen van minderjarige kinderen en partners. Vraagpunt is of deze regels gevolgen (kunnen) hebben voor de vrijstelling voor de KEW.

Standpunt

De betreffende bepalingen geven geen regels voor de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.118 van de Wet IB 2001 omdat de vrijstellingen per belastingplichtige gelden en niet overdraagbaar zijn. Zij gaan derhalve vooraf aan de inkomenstoerekening van artikel 2.15 dan wel artikel 2.17 van de Wet IB 2001. De wettelijke systematiek houdt immers in dat eerst dient te worden vastgesteld of, en zo ja tot welk bedrag, door een belastingplichtige inkomsten worden genoten. Pas daarna komt de inkomenstoerekening op de voet van de eerder genoemde artikelen aan de orde. Dit betekent dat voor zover de rente begrepen in een kapitaalsuitkering op de voet van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 is vrijgesteld, inkomenstoerekening van die rente aan de ouder, respectievelijk de partner niet aan de orde is.

Uit deze systematiek vloeit voort dat partners, teneinde gezamenlijk een zo hoog mogelijk bedrag aan vrijstellingen te kunnen benutten, er voor moeten zorgdragen dat beiden zelfstandig begunstigde zijn van één of meer kapitaalsuitkeringen. In afwijking hiervan is in artikel 3.118, zevende lid, van de Wet IB 2001 wel geregeld dat bij een uitkering in verband met het overlijden van de partner, de zogenoemde life-timevrijstelling wordt verhoogd met het vrijstellingsbedrag dat bij de overleden partner nog niet in aanmerking is genomen. Dat bedrag van de verhoging bedraagt echter maximaal de uitkering uit de kapitaalverzekering ten gevolge van het overlijden van de partner.

4.2. Volgorde benutten vrijstellingen bij leven kapitaalverzekering eigen woning [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn de voorwaarden opgenomen voor de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning. Indien ten minste 20 jaren jaarlijks premies zijn voldaan geldt de hoge vrijstelling van maximaal € 139.500 per persoon. Indien tenminste 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan geldt de lage vrijstelling van € 31.700 per persoon (bedragen 2005).

Toepassing meest gunstige vrijstelling toegestaan

Indien een kapitaalsuitkering bij leven wordt genoten terwijl daarop zowel de vrijstelling ter zake van een verzekering waarvoor ten minste 20 jaren jaarlijks premies zijn voldaan, als de vrijstelling ter zake van een verzekering waarvoor ten minste 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan kan worden toegepast, mogen de vrijstellingen worden toegepast in de volgorde die voor de belastingplichtige het meest gunstig is. Dit brengt mee dat de kapitaalsuitkering eerst wordt afgeboekt van de vrijstelling ter zake van een verzekering waarvoor ten minste 20 jaar jaarlijks premies zijn voldaan aangezien de voorwaarden voor die vrijstelling stringenter zijn dan die voor de ‘lage vrijstelling’.

Twee of meer uitkeringen in een kalenderjaar, op dezelfde dag

Indien in één kalenderjaar twee of meer uitkeringen uit een KEW worden genoten, dan worden de vrijstellingen toegepast in de volgorde van expiratie van de verzekeringen. Expireren twee kapitaalverzekeringen op dezelfde dag, dan mogen de vrijstellingen worden toegepast op de voor de gerechtigde meest gunstige wijze. Dit brengt derhalve mee dat de vrijstellingen, voor zover mogelijk, eerst op de kapitaalsuitkering met het grootste rente-element worden toegepast.

4.3. Vrijstellingen bij vervreemding [Vervallen per 20-05-2009]

In artikel 3.116, derde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is onder meer bepaald dat de KEW bij vervreemding geacht wordt geheel tot uitkering te zijn gekomen. De vrijstellingen van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 kunnen ook daarop van toepassing zijn. Anders dan onder de Wet IB 1964 het geval was, wordt onder de Wet IB 2001 bij een vervreemding van een KEW immers de verzekering geacht ook en geheel tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer (artikel 3.116, derde lid, aanhef, van de Wet IB 2001).

4.4. Kapitaalsuitkering uit kapitaalverzekering eigen woning voordat wordt voldaan aan eis van 15 jaren premiebetaling [Vervallen per 20-05-2009]

Een van de voorwaarden voor de vrijstelling voor een KEW is dat ten minste 15 jaren jaarlijks premies worden voldaan. Indien ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning een gedeeltelijke kapitaalsuitkering door de verzekeraar wordt gedaan terwijl nog geen 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan kan – anders dan onder de Wet IB 1964 – onder de Wet IB 2001 niet meer worden bewerkstelligd dat op de verzekering in de toekomst nog de vrijstelling van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 van toepassing is. Als gevolg van de gedeeltelijke uitkering wordt de gehele verzekering namelijk geacht volledig tot uitkering te zijn gekomen (artikel 3.116, derde lid, van de Wet IB 2001). Op de (fictieve) uitkering is geen vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning van toepassing omdat nog geen 15 jaren premies zijn voldaan. De verzekering gaat vanaf het moment van de uitkering behoren tot box 3.

4.5. Geldgever is eerste begunstigde; genieter van de kapitaalsuitkering [Vervallen per 20-05-2009]

In verband met het aangaan van een hypothecaire lening voor de eigen woning wordt tot meerdere zekerheid van de aflossing van de schuld de KEW vaak verpand aan de hypotheeknemer. In huwelijkssituaties worden dan de beide echtgenoten als tweede begunstigde aangewezen. Als verzekeringnemer is een van de echtgenoten opgenomen in de polis. Vraagpunt is of in zo’n situatie de vrijstelling van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 kan worden toegepast.

Standpunt

Naar mijn oordeel kan de vrijstelling van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 worden toegepast omdat hetgeen een pandnemer uit hoofde van een overdracht tot zekerheid van een kapitaalverzekering voor rekening van de pandgever ontvangt, dient te worden aangemerkt als een door de pandgever genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering (HR 8 juni 1988, nr. 24.971, BNB 1988/256). Gelet op het feit dat de hypotheeknemer alleen in verband met de verpanding als eerste begunstigde is opgenomen in de polis, kunnen in de beschreven situatie de beide echtgenoten die als (tweede) begunstigden zijn aangewezen na de hypotheeknemer, als gerechtigden tot de kapitaalsuitkering bij leven (op einddatum) worden beschouwd voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 3.118 van de Wet IB 2001. Bij wie van de echtgenoten het verzekeringnemerschap berust, is in dit verband zonder betekenis.

5. Omzettingen van kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.119 Wet IB 2001) [Vervallen per 20-05-2009]

5.1. Toerekening premies na omzetting in twee kapitaalverzekeringen; gevolgen afkoop [Vervallen per 20-05-2009]

Het omzetten van één kapitaalverzekering in twee kapitaalverzekeringen kan fiscaal geruisloos verlopen (artikel 3.119 van de Wet IB 2001). Een vraagpunt voor de praktijk is op welke wijze in een dergelijk geval de premies moeten worden toegerekend aan de nieuwe kapitaalverzekeringen. Dit is onder meer van belang voor de bandbreedte-eis.

Naar rato toerekening van in verleden voldane premies

Naar mijn oordeel dient de toerekening van de in het verleden voldane premies plaats te vinden naar rato van de waarden van de twee nieuwe kapitaalverzekeringen op het tijdstip van het ontstaan daarvan (de omzettingswaarden). Hierbij merk ik op dat de twee nieuwe kapitaalverzekeringen geacht worden een voortzetting te zijn van de eerste (ingevolge genoemd artikel 3.119 van de Wet IB 2001). Dit geldt derhalve voor beide gezamenlijk. Dit brengt mee dat indien één van beide kapitaalverzekeringen geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht voordat gedurende 15 of 20 jaren onafgebroken jaarlijks premies zijn voldaan, deze afkoop ook voor de andere kapitaalverzekering waarin de oorspronkelijke verzekering werd omgezet tot gevolg heeft dat de vrijstellingen van artikel 3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001 nooit meer van toepassing kunnen zijn.

5.2. Omzetting kapitaalverzekering eigen woning op basis van art. 3.119 van de Wet IB 2001. Bedrag niet rechtstreeks doorgestort naar andere verzekeraar [Vervallen per 20-05-2009]

In het kader van de omzetting van een KEW bij een levensverzekeraar in een KEW bij een andere levensverzekeraar komt het voor dat de waarde van de eerste verzekering, met het oog op doorstorting naar de tweede verzekeringsmaatschappij, wordt geboekt op een bankrekening van een door de belastingplichtige aangewezen notaris. De notaris heeft vervolgens de waarde overgemaakt aan de nieuwe verzekeraar. In de nieuwe polis is opgenomen dat deze een voortzetting is van de polis bij de eerste verzekeraar waarbij de gehele waarde van de beëindigde verzekering is ingebracht in de nieuwe kapitaalverzekering. Voor de praktijk is het van belang te weten of in deze situatie sprake is van een omzetting als bedoeld in art. 3.119 van de Wet IB 2001.

Standpunt

Naar mijn oordeel is dat het geval. In het algemeen geldt dat slechts sprake kan zijn van voortzetting van de verzekering indien de belastingplichtige niet de beschikking heeft gekregen over de waarde van de verzekering. Gelet op het feit dat in dit geval de gehele overdrachtswaarde van de verzekering door de notaris is ontvangen met het oog op doorstorting aan de maatschappij waarbij de belastingplichtige de kapitaalverzekering wenst voort te zetten, is de waarde van de verzekering niet aan de belastingplichtige zelf ter beschikking gesteld. Vergelijk in dit verband HR 11 september 1991, BNB 1991/284. De tweede verzekering wordt dan ook aangemerkt als een voortzetting van de kapitaalverzekering in de zin van art. 3.119 Wet IB 2001.

6. Omzetting vóór 1 januari 2001 bestaande kapitaalverzekering in kapitaalverzekering eigen woning (onderdelen AL tot en met AP Invoeringswet) [Vervallen per 20-05-2009]

6.1. Omzetting bestaande kapitaalverzekering in KEW; verstreken premieperiode en looptijd [Vervallen per 20-05-2009]

Premiebetalingen in jaren voorafgaand aan omzetting in KEW

Voor de situatie waarin een op 31 december 2000 bestaande kapitaalverzekering wordt omgevormd tot een KEW is in de wet niet expliciet geregeld of de dan al verstreken periode van premiebetaling in aanmerking wordt genomen voor de bepaling of de uitkering uit de KEW de vrijstellingen van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 deelachtig kan worden. Naar mijn oordeel brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de voorbije jaren van premiebetaling in aanmerking worden genomen, te meer omdat in artikel 3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt uitgegaan van de feitelijke periode waarover premies zijn betaald op de kapitaalverzekering. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen premiebetalingen die vóór 1 januari 2001 hebben plaatsgevonden en premiebetalingen gedaan op of na die datum.

Polis met looptijd langer dan 30 jaar

Samenhangend hiermee merk ik nog op dat aan omzetting van een bestaande kapitaalverzekering in een KEW niet in de weg staat dat deze op grond van de polis een looptijd zou hebben van meer dan 30 jaren. De polis behoeft op dat punt niet te worden aangepast omdat in artikel 3.116, tweede lid, van de Wet IB 2001, niet de eis is opgenomen dat de kapitaalverzekering een looptijd van maximaal 30 jaren dient te hebben. Zodra evenwel de looptijd van 30 jaren wordt overschreden, waarbij de looptijd vóór 1 januari 2001 meetelt, wordt op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001, een fictieve uitkering in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economische verkeer van de verzekering.

Om van de vrijstellingen van artikel 3.118 van de Wet IB 2001 gebruik te kunnen maken dient derhalve uiterlijk op het tijdstip waarop de looptijd van 30 jaren wordt bereikt, de verzekering te worden afgekocht en moet de afkoopsom worden aangewend voor aflossing van de eigenwoningschuld (zie artikel 3.118, eerste lid, Wet IB 2001). Een andere mogelijkheid is vanzelfsprekend de looptijd van de verzekering in te korten tot maximaal 30 jaren en met de reguliere kapitaalsuitkering op einddatum de eigenwoningschuld af te lossen.

6.2. Kapitaalverzekering eigen woning voortgekomen uit pre-Brede Herwaarderingspolis; verhoging verzekerd kapitaal [Vervallen per 20-05-2009]

Indien een kapitaalverzekering die tot stand is gekomen vóór 1 januari 1992, op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, tweede lid, van de Invoeringswet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 wordt aangemerkt als een KEW, wordt het bedrag van de KEW-vrijstelling verhoogd met de waarde van die kapitaalverzekering op 1 januari 2001. Die verhoging op grond van de Invoeringswet geldt uitsluitend indien het verzekerde kapitaal niet is verhoogd. In de praktijk is de vraag gerezen of de wettekst uitsluitend betrekking heeft op verhogingen van het verzekerd kapitaal vóór 1 januari 2001.

Standpunt

Naar mijn oordeel is dat niet het geval. In Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AO, eerste lid, van de Invoeringswet is namelijk bepaald dat de verhoging van de vrijstelling van art. 3.118 van de Wet IB 2001 slechts van toepassing is indien het verzekerd kapitaal van de op 31 december 1991 bestaande kapitaalverzekering nadien, dat wil zeggen na 31 december 1991, niet is verhoogd. In de tekst is daarbij geen beperking opgenomen tot verhogingen die hebben plaatsgevonden vóór 2001 en er is ook geen grond om een dergelijke beperking te hanteren. Ook een verhoging van het verzekerd kapitaal na het jaar 2000 leidt – tenzij deze plaatsvond op grond van een normale en gebruikelijke optieclausule – derhalve tot verlies van de verhoging van de KEW-vrijstelling.

6.3. Fiscaal geruisloze beëindiging kapitaalverzekering eigen woning [Vervallen per 20-05-2009]

6.3.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Een groot aantal belastingplichtigen had op grond van verkeerde veronderstellingen besloten om hun kapitaalverzekering aan te merken als een KEW. Gelet op de complexe overgangsmaatregelen ter zake van kapitaalverzekeringen heb ik destijds aanleiding gevonden voor de volgende goedkeuring. Deze goedkeuring blijft relevant voor de fiscale behandeling van kapitaalverzekeringen in de toekomst.

6.3.2. Fiscaal geruisloze beëindiging kapitaalverzekering eigen woning [Vervallen per 20-05-2009]

Fiscaal geruisloos ongedaan maken van ongewenste keuze voor KEW

Via een goedkeuring kon de keuze waarbij een kapitaalverzekering is aangemerkt als KEW worden herzien. Daarbij moest uiterlijk op 31 december 2003 aan de verzekeraar worden verzocht om die kapitaalverzekering eenmalig zodanig te wijzigen dat geen sprake meer is van een KEW. Aan deze wijziging werden dan niet de reguliere fiscale gevolgen verbonden (artikel 3.116, derde lid, van de Wet IB 2001). Het gevolg was dat de desbetreffende kapitaalverzekering fiscaal geruisloos over kon gaan naar box 3. De goedkeuring is tot stand gebracht omdat bij de introductie van de kapitaalverzekering eigen woning per 1 januari 2001 soms ongewenst de keuze voor kapitaalverzekering eigen woning werd gemaakt. De goedkeuring was van tijdelijke aard. Verzoeken om fiscaal geruisloze omzetting buiten de termijn van deze goedkeuring wijs ik af.

6.3.3. Geen toepassing van de hardheidsclausule bij te laat ingediende verzoeken [Vervallen per 20-05-2009]

De goedkeuring geldt niet als het verzoek of de wijziging van de polis heeft plaatsgevonden na afloop van de hiervoor gestelde termijn. Verzoeken om daarna met toepassing van de hardheidsclausule de KEW fiscaal geruisloos om te zetten worden niet ingewilligd.

Ook verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule kapitaalverzekeringen met terugwerkende kracht te kunnen aanmerken als KEW worden niet ingewilligd. Naar mijn mening is de regeling die daartoe is opgenomen in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, tweede lid, Invoeringswet ruim voldoende. Ook als van die regeling geen gebruik is gemaakt, kan een kapitaalverzekering die behoort tot box 3 steeds zonder fiscaal nadelige gevolgen worden omgezet in een KEW, mits uiteraard voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3.116 van de Wet IB 2001. Terugwerkende kracht is dan echter niet meer mogelijk.

7. Vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen die niet zijn omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning (onderdelen AL tot en met AP Invoeringswet) [Vervallen per 20-05-2009]

7.1. Fiscale gevolgen van schikking Spaarbeleg Kas NV met Stichting Spaardersbelangen [Vervallen per 20-05-2009]

7.1.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Door Spaarbeleg Kas NV (hierna: Spaarbeleg) is een regeling getroffen met een groep houders van zogenoemde spaarkascontracten (hierna: spaarders). Spaarbeleg heeft gedurende een zekere periode spaarkasproducten verkocht zonder op de polis expliciet vermelding te maken van de premie voor de in het product aanwezige overlijdensrisicoverzekering. Een dergelijke vermelding was echter wel verplicht. Begin 1999 is deze fout gesignaleerd en is er een stichting opgericht, de Stichting Spaardersbelangen, om op te komen voor een ieder die hierdoor zou zijn benadeeld. De Consumentenbond heeft zich achter die stichting geschaard. Met deze partijen heeft Spaarbeleg een schikking bereikt. Onderdeel van die schikking maken de volgende punten uit:

  • 1. Alle spaarders die hun polis vóór 1 januari 1996 hebben afgesloten, ontvangen aan het eind van de volledige looptijd van hun polis een extra uitkering, waarvan de hoogte afhankelijk is van hun leeftijd en van de looptijd van de polis.

  • 2. Spaarders die een polis hebben afgesloten vóór 1 januari 1996 en die na 1 januari 1996 hun inleg hebben verhoogd, ontvangen bovendien voor het verhoogde deel van de inleg een extra uitkering als hun polis afloopt.

De deelnemers gaan niet meer betalen, hun maandelijkse inleg blijft gelijk. Er is derhalve van de zijde van de deelnemer geen sprake van een tegenprestatie.

7.1.2. Fiscale gevolgen van de schikking [Vervallen per 20-05-2009]

Aan mij is de vraag voorgelegd of de schikking in verband met een eventuele verhoging van het verzekerde kapitaal tot gevolg heeft dat de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet 1964 voor de desbetreffende kapitaalverzekeringen verloren gaat. Tevens is mij verzocht de regeling te beoordelen in het licht van het overgangsrecht betreffende kapitaalverzekeringen in de Invoeringswet.

Standpunt

De schikking is tot stand gekomen in verband met het herstel van een fout in de oorspronkelijke overeenkomsten. Hieruit maak ik op dat de in verband met de schikking gewijzigde aanspraak op een uitkering bij leven in beginsel vanaf het sluiten van de spaarkasovereenkomst in het contract besloten heeft gelegen. Op grond hiervan is er naar mijn mening geen sprake van een verhoging van het verzekerde kapitaal bij leven. Ik kom derhalve tot de conclusie dat bij uitvoering van de schikking zoals hiervoor omschreven geen sprake is van een zodanige verhoging van het verzekerde kapitaal dat de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet IB 1964 voor de desbetreffende kapitaalverzekeringen verloren gaat. Ook voor de toepassing van onderdeel AN van hoofdstuk 2, artikel I van de Invoeringswet is geen sprake van een verhoging van het verzekerde kapitaal.

7.2. Verhoging verzekerd kapitaal na 13 september 1999 op grond van optieclausule [Vervallen per 20-05-2009]

Op grond van onderdeel AN, tweede lid, onderdeel a, van de Invoeringswet, geldt een vrijstelling van in totaal € 123.428 van het eerste lid voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen. De vrijstelling geldt uitsluitend indien het verzekerde kapitaal daarvan na 13 september 1999 niet is verhoogd. Hierbij is de vraag op welke wijze deze bepaling moet worden toegepast als verhogingen hebben plaatsgevonden op grond van een indexclausule of optieclausule die reeds vóór 14 september 1999 deel uitmaakte van de verzekeringsovereenkomst.

Standpunt

Naar mijn oordeel dient de bepaling inzake de verhoging van het verzekerde kapitaal zoveel mogelijk te worden toegepast overeenkomstig artikel 76 Wet IB 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 2000. Dit betekent onder meer dat verhogingen op grond van indexclausules of ‘normale en gebruikelijke’ optieclausules niet leiden tot het verlies van de vrijstelling in box 3 als bedoeld in artikel AN van de Invoeringswet, mits die clausules reeds vóór 14 september 1999 deel uitmaakten van de overeenkomst.

7.3. Verhoging verzekerd kapitaal na 13 september 1999 als gevolg van verhoging maximum werknemersspaarregeling [Vervallen per 20-05-2009]

In de praktijk is het vraagpunt opgekomen of verhoging van het verzekerd kapitaal na 13 september 1999 door het benutten van de wettelijke ruimte van de werknemersspaarregelingen leidt tot het verlies van de vrijstelling van onderdeel AN Invoeringswet. Het gaat dan om situaties waar in de overeenkomst geen index- of optieclausule is opgenomen.

Goedkeuring

Ik keur goed dat in een dergelijk geval de vrijstelling van onderdeel AN van de Invoeringswet voor de kapitaalverzekering niet verloren gaat. Ter voorkoming van misverstand merk ik op dat de werknemer in een dergelijke situatie reeds uiterlijk op 14 september 1999 in het kader van zijn werknemersspaarregeling de overeenkomst inzake de kapitaalverzekering moet hebben gesloten. Als dat niet het geval is, is immers geen sprake van een op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekering als bedoeld in onderdeel AN, eerste lid, van de Invoeringswet.

7.4. Terugdraaien verhoging verzekerd kapitaal en verlenging looptijd na 13 september 1999 [Vervallen per 20-05-2009]

In 2001 is goedgekeurd dat een verhoging van het verzekerd kapitaal die leidt tot het verlies van de vrijstelling van onderdeel AN van de Invoeringswet ongedaan kon worden gemaakt door de extra premie door de verzekeraar te laten terugstorten aan de verzekeringnemer en tevens de overeenkomst aan te passen. Deze verhoging moest vóór 1 juli 2001 ongedaan zjin gemaakt. Dezelfde goedkeuring gold voor de verlenging van de looptijd van de verzekering. Verzoeken om terugdraaien van de verhoging van het verzekerd kapitaal of de verlenging van de looptijd buiten de termijn van deze goedkeuring wijs ik af.

7.5. Omzetting kapitaalverzekeringen; behoud eerbiedigende werking [Vervallen per 20-05-2009]

7.5.1. Inleiding [Vervallen per 20-05-2009]

Voor de omzetting van een kapitaalverzekering die gesloten is vóór de invoering van de Wet IB 2001 in een andere kapitaalverzekering bestaan twee wettelijke regelingen met eerbiedigende werking (art. 76 IB ’64 en Onderdeel AN van de Invoeringswet). Over de toepassing van deze regelingen zijn eerder standpunten gepubliceerd. Vanuit het oogpunt van vermindering van administratieve lasten bij verzekeraars en tussenpersonen heb ik aanleiding gevonden een goedkeurend standpunt in te nemen voor omzettingen van euroverzekeringen naar unit-linkedverzekeringen en omgekeerd.

Onder euroverzekeringen worden hierna verstaan kapitaalverzekeringen met een verzekerd kapitaal in euro’s of andere valuta. Onder unit-linkedverzekeringen worden hierna verstaan kapitaalverzekeringen zonder verzekerd kapitaal in euro’s of andere valuta. Hiertoe behoren ook zogenoemde universal life kapitaalverzekeringen.

Na een weergave van de bestaande systematiek (paragraaf 2) kom ik tot een goedkeurend standpunt als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan (paragraaf 3). Voor gevallen waarin niet aan die voorwaarden wordt voldaan, vermeld ik een al eerder ingenomen standpunt dat ook na de goedkeuring nog betekenis kan hebben (paragraaf 4).

7.5.2. Afzonderlijke toets uitkeringen bij leven en overlijden [Vervallen per 20-05-2009]

Bij de beoordeling of de eerbiedigende werking is behouden, geldt dat de verzekerde rechten bij in leven zijn en ten gevolge van overlijden afzonderlijk moeten worden getoetst. Bij euroverzekeringen levert deze gesplitste toets bij omzetting in een andere euroverzekering geen problemen op in de praktijk omdat de hoogte van de verzekerde kapitalen een goed te hanteren maatstaf vormt.

Voor unit-linkedverzekeringen is als gevolg van de gesplitste toets niet de in totaal betaalde premie maatgevend voor de beoordeling of de eerbiedigende werking is behouden, maar vormen de premiedelen voor leven en overlijden afzonderlijk daarvoor de toets. Ook die toets leidt in de praktijk niet tot problemen bij omzetting in een andere unit-linkedverzekering.

Het voordeel van deze gesplitste beoordeling is overigens dat een eventuele verhoging van het verzekerde kapitaal respectievelijk de premies voor overlijden niet leidt tot verlies van de eerbiedigende werking voor de uitkering bij leven. Wel ontstaan in de praktijk problemen bij omzetting van unit-linked-verzekeringen in euroverzekeringen en omgekeerd. Ik ga hierna nader daarop in.

Bij de omzetting van een euroverzekering in een unit-linkedverzekering, of bij de omgekeerde omzetting – van unit-linked naar euro – is de beoordeling of de eerbiedigende werking wordt behouden uitsluitend mogelijk op basis van de betaalde premies. Voor beide typen kapitaalverzekering worden immers premies betaald, maar voor de unit-linkedverzekering ontbreekt ieder verzekerd kapitaal in euro’s.

Om dergelijke omzettingen toch mogelijk te maken, is regelmatig – het laatst in vraag C.36 van het besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/1679M – aangegeven op welke wijze de hoogte van de premies na omzetting dienden te worden bepaald om verlies van de eerbiedigende werking te voorkomen. Op grond daarvan moeten in veel gevallen gecompliceerde berekeningen op basis van prognoses worden gemaakt om de hoogte van de premies vast te stellen. De complexiteit ontstaat daarbij met name omdat de overlijdensrisicodekkingen bij unit-linkedverzekeringen en met name bij universal life verzekeringen, vaak niet aansluiten – ook rekenkundig niet – bij die van euroverzekeringen.

7.5.3. Goedkeuring voor omzettingen; beoordeling op basis van de totale premie [Vervallen per 20-05-2009]

Omdat ik het gewenst acht die complexiteit weg te nemen – zonder dat dat leidt tot aanzienlijke materiële fiscale verschillen ten opzichte van de huidige situatie – kom ik tot de volgende goedkeuring.

Ik keur goed dat voor de beoordeling of bij omzetting van een euroverzekering in een unit-linkedverzekering en omgekeerd recht blijft bestaan op de eerbiedigende werking van de in paragraaf 2 genoemde wettelijke regelingen, desgewenst de in totaal overeengekomen en betaalde premies op jaarbasis – dus de premiedelen voor de uitkering bij leven en ten gevolge van overlijden tezamen – als maatstaf worden genomen. De eerbiedigende werking blijft dus behouden als die totaalpremie in het kader van de omzetting niet wordt verhoogd.

Voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring

Voor het als maatstaf hanteren van de totaalpremie gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • a. Er vindt bij de omzetting geen verlenging van de premiebetalende periode plaats;

  • b. Er vindt bij de omzetting geen verlenging van de looptijd van de verzekering plaats;

  • c. Er vindt geen wijziging plaats van het verzekerd lijf en

  • d. Het nieuwe verzekerd risico bij overlijden betreft qua hoogte een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden.

Een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden

Van een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden is bijvoorbeeld sprake bij een omzetting in een gemengde universal life verzekering (een verzekering die uitkeert bij in leven zijn op een bepaalde datum of bij eerder overlijden) waarbij in geval van overlijden 90% of 110% van de waarde van de units (beleggingen) wordt uitgekeerd.

Indien een unit-linkedverzekering wordt omgezet in een gemengde euroverzekering, is bij voorbeeld sprake van een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden indien bij overlijden hetzelfde bedrag als bij in leven zijn of de restitutie van de betaalde of de in totaal te betalen premies wordt verzekerd.

Opgemerkt wordt dat deze goedkeuring ook omvat de situaties van omzetting waarbij de nieuwe kapitaalverzekering moet voldoen aan de criteria van het begrip levensverzekering van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. De voor dergelijke situaties gegeven goedkeuring in – laatstelijk – paragraaf 6.5 van het besluit van 5 december 2005, nr. CPP2005/2727M, heeft dus geen betekenis meer. Deze paragraaf wordt daarom hierbij ingetrokken.

Ik wijs volledigheidshalve ook op mijn goedkeuring voor het behoud van de eerbiedigende werking bij omzetting in de situatie waarin een wijziging van de verzekerde persoon plaatsvindt in het kader van de verdeling van de kapitaalverzekering bij echtscheiding of de beëindiging van een duurzaam gezamenlijk gevoerde huishouding. Het betreft onderdeel 3 van het besluit van 30 januari 2006, nr. CPP2005/2169M.

7.5.4. Berekeningsmethode voor overige gevallen [Vervallen per 20-05-2009]

Door de in paragraaf 3 opgenomen goedkeuring heeft een deel van vraag en antwoord C.36 van het besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/1679M, zijn belang verloren. Alleen als van de goedkeuring geen gebruik kan worden gemaakt omdat niet aan de daaraan verbonden voorwaarden wordt voldaan, kan wellicht gebruik worden gemaakt van het hierna opnieuw verwoorde gedeelte van vraag en antwoord C.36., dat uitsluitend betrekking had op de omzetting van euroverzekeringen in unit-linkedverzekeringen en niet op de omgekeerde omzetting.

De eerbiedigende werking bij omzetting van een euroverzekering in een unit-linkedverzekering blijft ook behouden in de volgende situatie:

  • 1. De totale brutopremie voor de unit-linkedverzekering wordt niet verhoogd ten opzichte van de premie van de te vervangen euroverzekering en;

  • 2. Uit een prognoseberekening – zie hieronder – blijkt dat op basis van de totale premie voor de unit-linkedverzekering het geprognotiseerde, fictieve kapitaal bij leven ten hoogste gelijk of lager is dan het in de euroverzekering gegarandeerde verzekerde kapitaal bij leven (inclusief de opgebouwde respectievelijk de bij aanvang of latere aanpassing van de euroverzekering gegarandeerde winstrechten).

Als uit de prognoseberekening blijkt dat het geprognotiseerde, fictieve kapitaal bij leven hoger uitkomt dan het voorheen in de euroverzekering verzekerde kapitaal bij leven, dient de nieuwe premie zodanig te worden verlaagd dat het fictieve prognosekapitaal niet hoger is dan het verzekerde kapitaal bij leven van de euroverzekering.

De prognoseberekening moet plaats vinden op basis van de kostenstructuur zoals deze voor de unit-linkedverzekering geldt en op basis van de door de verzekeringnemer gekozen overlijdensdekking. Als prognoserendement moet in de prognoseberekening worden uitgegaan van het nettorendement dat in de om te zetten euroverzekering werd gegarandeerd. Als voor een euroverzekering bij aanvang of latere wijziging van de verzekering sprake is geweest van een winstgarantie moet als prognoserendement worden genomen het nettorendement dat ten grondslag heeft gelegen aan de winstgarantie. Als inbrengwaarde van de euroverzekering moet de volledige waarde van het gegarandeerde verzekerde kapitaal worden aangemerkt (inclusief de waarde van de al toegekende winstdeling).

Ter voorkoming van misverstand merk ik op dat de bijzondere waardevrijstelling van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, Invoeringswet Wet IB 2001, verloren gaat als bij de onderhavige omzetting tevens looptijdverlenging ten opzichte van de oorspronkelijke verzekering plaatsvindt.

7.7.6. Afronding verzekerd kapitaal naar boven door invoering euro; geen verlies bijzondere waardevrijstelling in box 3 [Vervallen per 20-05-2009]

In verband met de omzetting naar Eurobedragen hebben sommige verzekeringsmaatschappijen na toepassing van de wettelijke omrekenregels het verzekerd kapitaal van kapitaalverzekeringen in het voordeel van de belanghebbende naar boven afgerond op een hele euro.

Standpunt

Naar mijn oordeel leidt deze geringe afronding niet tot verlies van de bijzondere waardevrijstelling van onderdeel AN van de Invoeringswet (of tot verlies van de eerbiedigende werking van artikel 76 Wet IB 1964).

Voorwaarden

Uitgangspunt hierbij is wel dat voor het overige de juiste omrekenregels zijn toegepast. Voor zover verzekeringsmaatschappijen niet de juiste regels hebben toegepast – bij voorbeeld te globale omrekenverhoudingen hebben toegepast – is de bijzondere waardevrijstelling behouden gebleven indien uiterlijk in het jaar 2001 herstel heeft plaatsgevonden.

7.7. Wijziging wetgeving; premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid; eerbiedigende werking bij gelijkblijvende premiebetaling [Vervallen per 20-05-2009]

Vanaf 1 januari 2004 geldt ingevolge de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 voor werkgevers een loondoorbetalingsverplichting van twee jaar. Voorheen gold een termijn van één jaar. Als de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van een kapitaalverzekering is gekoppeld aan de criteria van de WAO, leidt deze wetswijziging tot een verlaging van de premies voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Indien in deze situatie de contractueel verschuldigde totale premie niet wordt aangepast, heeft dit automatisch tot gevolg dat het verzekerde kapitaal van de kapitaalverzekering wordt verhoogd.

De vraag is of deze verhoging leidt tot het niet meer van toepassing zijn van de bijzondere waardevrijstelling in box 3 voor bestaande kapitaalverzekeringen – onderdeel AN Invoeringswet – en van de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet IB ’64 voor de belastingheffing over kapitaalsuitkeringen.

Goedkeuring

Gelet op het feit dat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid (wetswijziging) waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken partijen geen invloed hebben gehad, keur ik het volgende goed. De verhoging van het kapitaal bij leven die het gevolg is van de bedoelde wijziging van de WAO, leidt niet tot verlies van de bijzondere waardevrijstelling in box 3 en van de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet IB ’64.

8. Ingetrokken regeling(en) [Vervallen per 20-05-2009]

De volgende besluiten zijn met ingang van de dagtekening van dit besluit ingetrokken:

Besluit van 5 december 2005, CPP2005/2727M.

9. Tijdstip van inwerkingtreden van het besluit [Vervallen per 20-05-2009]

Het besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot de dagtekening van dit besluit.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 november 2006

De

Minister

van Financiën,
namens deze:
de

directeur-generaal Belastingdienst

,

J. Thunnissen