Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Leidraad BPM 2006[Regeling vervallen per 16-06-2010.]

Geldend van 01-06-2009 t/m 15-06-2010

Leidraad belasting van personenauto’s en motorrijwielen 2006

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de minister van Financiën het volgende besloten:

In dit besluit wordt een overzicht gegeven van de huidige heffing van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen. Dit besluit vervangt het besluit van 23 december 1992, nr. VB 92/2876 (Stcrt. 1993/1) en andere besluiten op het gebied van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen.

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

§ 1.1. Begripsbepalingen [Vervallen per 16-06-2010]

Deze leidraad verstaat onder:

A-G

Awb

AWR

advocaat-generaal bij de Hoge Raad

Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315)

Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1994, 923)

BA

Belasting Advies in de Praktijk

Belastingplan 2005

Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Stb. 2004, 653)

besluit

Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Stb. 1992, 710)

BNB

Beslissingen in belastingzaken Nederlandse belastingrechtspraak

BPM

belasting van personenauto's en motorrijwielen

BVB

bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's en de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen

CDW

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (PB EG 1992, nr. L 302) tot vaststelling van het Communautair douanewetboek

EG-Verdrag

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Trb. 1957, 74)

EU

Europese Unie

EVRM

Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154)

FED

Handboek Douane

fiscaal weekblad FED

Boekwerk Handboek Douane

inspecteur

de met de heffing van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen belaste inspecteur

IVBPR

Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1969, 99)

kentekenbewijs

het bewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de personenauto

kentekenregister

het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475) aangehouden register van opgegeven kentekens

MRB

motorrijtuigenbelasting

NJ

Nederlandse jurisprudentie: administratief rechtelijke beslissingen

NTFR

Nederlands tijdschrift voor Fiscaal Recht

ondernemer

ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968

RDW

Dienst Wegverkeer, ook wel aangeduid als RDW/Centrum voor voertuigtechniek en informatie

regeling

Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Stcrt. 1992, 252)

Reparatiewet

Wet van 5 april 2006 tot wijziging van de Wet op de accijns en van enkele andere wetten (Stb. 2006, 194)

SEW

Stb.

Tijdschrift voor Europees en economisch recht

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Stcrt.

Nederlandse Staatscourant

staatssecretaris

Staatssecretaris van Financiën

TCDW

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (Pb EG 1993, nr. L 253) houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het Communautair douanewetboek (Toepassingsverordening Communautair douanewetboek)

VIN-nummer

Voertuig Identificatie Nummer (ook wel genoemd: chassis- of framenummer)

VN

Vakstudie Nieuws

Vo 918/83

Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 (Pb EG 1983, nr. L 105) betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

wet

Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Stb. 1992, 709)

Wet OB

WFR

Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb. 1968, 329)

Weekblad voor fiscaal recht

WP

WVW

Wet personenvervoer 2002

Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475)

Zesde Richtlijn

Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; uniforme grondslag (77/388/EEG), PB EEG 1977, nr. L 145

§ 1.2. Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

De BPM is op 1 januari 1993 ingevoerd als gevolg van de voltooiing van de interne markt. De heffing van de BVB is per die datum beëindigd.

Het meest voorkomende belastbare feit is de registratie van een personenauto, bestelauto of motorrijwiel in het kentekenregister. Op grond van internationale verdragen kunnen ingezetenen in Nederland ook gebruik maken van in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen. Daarom is daarnaast BPM verschuldigd als een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam.

In verreweg de meeste gevallen zal het zo zijn dat de importeur een nieuw motorrijtuig laat registreren. Dan zorgt de importeur ook namens de kentekenhouder voor de aangifte en de betaling van de BPM. In een klein aantal gevallen moet de kentekenhouder dat echter zelf doen. Bijvoorbeeld na het overbrengen van een in het buitenland gebruikt motorrijtuig naar Nederland, de ombouw van een bestelauto, die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen tot personenauto en de aanvang van het gebruik van de weg met een in het buitenland gekentekend motorrijtuig.

In deze leidraad zijn de wettelijke bepalingen, het beleid en de relevante jurisprudentie opgenomen tot 1 augustus 2006.

§ 1.3. BPM in internationaal verband [Vervallen per 16-06-2010]

De rechtsgeldigheid van de BPM binnen de EU en andere internationale samenwerkingsverbanden is al diverse malen ter discussie gesteld. Bijvoorbeeld met betrekking tot het ontbreken van een teruggaafregeling bij export, de forfaitaire vermindering voor gebruikte motorrijtuigen en de dieseltoeslag. Deze jurisprudentie is opgenomen in de desbetreffende paragrafen. Hieronder volgen enkele meer algemene uitspraken over een eventuele strijdigheid van dewet met het EG-Verdrag, richtlijnen, etc.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof van Justitie EG, 13 juli 1989, nr. 93 en 94/88 (Jur. 89/2671, BNB 1989/289*, FED 1989/488, VN 1989/2205)

Hetgeen in de Eerste, de Tweede en de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting is bepaald vormt geen beletsel voor de heffing van een bijzondere verbruiksbelasting op personenauto’s als BVB.

– Hoge Raad, 14 juni 2000, nr. 34698 (Infobulletin 2000/496, BNB 2000/319*, VN 2000/51.22, WFR 2000/959)

De BPM is geen ‘technisch’ voorschrift zoals bedoeld in artikel 1 van de Notificatierichtlijn (Richtlijn 83/189/EEG), omdat de wet geen technische specificaties bevat in die zin.

– Hof Amsterdam, 2 december 2002, nr. 02/1555 (Infobulletin 2003/32, VN 2003/33.25 en 58.1.20)

De BPM beoogt niet het verbruik van de weg of die van de personenauto te treffen. Het ontbreken van een teruggaafregeling in de BPM moet worden getoetst aan het bepaalde in artikel 90 EG-Verdrag. Daarmee is het niet in strijd. De wet maakt geen onderscheid tussen niet-uitgevoerde en wel uitgevoerde auto’s. Er is daardoor geen sprake van ongeoorloofde discriminatie van de (eigenaren van) wel uitgevoerde auto’s.

De belanghebbende heeft cassatie ingesteld (Hoge Raad, nr. 39530). De A-G concludeert dat de regeling getoetst moet worden aan artikel 90 EG-Verdrag en niet aan artikel 29. Overigens meent hij dat ook bij toetsing aan artikel 29 EG-Verdrag geen sprake is van schending van die bepaling.

– Hof ’s-Hertogenbosch, 2 juni 2003, nr. 01/0950 (VN 2003/60.24)

Op een gegeven moment wordt niet meer aan de vrijstellingsvoorwaarden voldaan en voldoet de belanghebbende, een in het buitenland gevestigde werkgever, alsnog de verschuldigde BPM. De belanghebbende stelt echter, dat vaststaat dat de auto na vier jaar of bij een kilometerstand van 200.000 km weer naar Duitsland zal worden uitgevoerd. Hij wil in verband daarmee een vermindering van de op aangifte betaalde belasting.

Bij aanvang weggebruik bestaat geen recht op teruggaaf of vermindering van BPM als zeker is dat de personenauto weer wordt uitgevoerd. Deze regeling is niet strijdig met artikel 90 EG-Verdrag. Het ontbreken van een teruggaafregeling leidt er niet toe dat personenauto’s die naar een andere lidstaat worden uitgevoerd, wegens de uitvoer zwaarder worden belast dan niet uitgevoerde personenauto’s.

– Hof Den Haag (Civiele kamer), 23 december 2004, nr. 03/415 (NJ 2005/75, SEW 2005/40)

Naar het oordeel van het Hof moet het ontbreken van een BPM-teruggaafregeling aan artikel 90 EG-Verdrag worden getoetst. Aan toetsing aan artikel 29 EG-Verdrag komt het Hof daardoor niet toe. Het ontbreken van een teruggaafregeling leidt er niet toe dat auto’s die naar een andere lidstaat worden uitgevoerd, wegens die uitvoer zwaarder worden belast dan niet uitgevoerde auto’s. De BPM is dus niet onverenigbaar met artikel 90 EG-Verdrag. Strijd met deze bepaling is er evenmin op grond van de bestemming van de BPM. Het ontbreken van een teruggaafregeling leidt niet tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. De BPM drukt immers in gelijke mate op auto’s die op de Nederlandse markt blijven als op auto’s die geëxporteerd worden.

– Hof Leeuwarden, 11 februari 2005, nr. 276/99 (NTFR 2005/327)

De heffing van BPM houdt geen beperking in van het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap als bedoeld in artikel 39 van het Verdrag van Rome. De belanghebbende heeft immers de mogelijkheid zich een motorrijtuig ter beschikking te laten stellen die toebehoort aan haar buitenlandse werkgever (zie § 8.4).

Hoofdstuk 2. Belastbaar feit [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.1. Registratie (artikel 1, leden 2 en 3, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.1.1. Registratie van een personenauto, bestelauto of motorrijwiel [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet is de BPM verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, bestelauto of een motorrijwiel in het kentekenregister. Er is geen BPM verschuldigd voor een bestelauto die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen (zie verder onder B). Onder registratie wordt verstaan het opnemen van de gegevens van het betreffende motorrijtuig in het kentekenregister van de RDW (artikel 2 van de wet). Een motorrijtuig met een buitenlands kenteken is dus niet geregistreerd in de zin van de wet.

De belastingschuld ter zake van de registratie ontstaat pas als een kenteken op naam wordt gezet. Met andere woorden, op het moment van de tenaamstelling van Deel I B van het kentekenbewijs. De BPM is slechts verschuldigd ter zake van de eerste registratie als personenauto, bestelauto of motorrijwiel. Bij wijziging van de tenaamstelling is de belasting niet opnieuw verschuldigd. De belasting moet op aangifte worden voldaan vóórdat het kenteken op naam is gesteld (zie paragraaf 6.1).

Het soort kenteken dat bij de registratie wordt afgegeven, is voor de heffing van BPM niet van belang. Het gaat om de kwalificatie van het motorrijtuig zelf. Dus ook voor motorrijtuigen die op basis van de wegenverkeerswetgeving worden gekentekend als vrachtauto, maar door de wet als een personenauto, bestelauto of een motorrijwiel worden aangemerkt, is BPM verschuldigd.

De BPM is niet ter zake van iedere registratie van een personenauto, bestelauto of motorrijwiel verschuldigd. Voor de afgifte van bepaalde kentekens geldt namelijk een vrijstelling (zie de paragrafen 8.2 en 8.3).

Het omruilen van het kenteken van een reeds geregistreerde personenauto, bestelauto of geregistreerd motorrijwiel door een kenteken uit de voor historische motorrijtuigen gereserveerde series (bijvoorbeeld AL, BE, DH, ZF en ZM) is geen registratie in de zin van artikel 1, tweede lid, van de wet.

B. Bestelauto’s die in gebruik zijn genomen vóór 1 juli 2005 [Vervallen per 16-06-2010]

In het Belastingplan 2005 is onder meer bepaald dat voor particuliere houders (in de zin van niet-ondernemers) de fiscale voordelen bij de aankoop en het houden van een bestelauto worden afgeschaft. Hiertoe is de wet gewijzigd. Deze wijziging trad op 1 juli 2005 in werking. Tegelijkertijd zijn er regelingen getroffen waardoor – onder voorwaarden – de fiscale voordelen worden behouden voor ondernemers in de zin van artikel 7 van de Wet OB en voor gehandicapten die zijn aangewezen op het gebruik van een bestelauto (zie hoofdstuk 10).

Deze wijzigingen zijn niet van toepassing op bestelauto’s die vóór 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen. Dit zijn bestelauto’s die vóór deze datum:

  • in Nederland zijn geregistreerd, of

  • buiten Nederland in gebruik zijn genomen en vervolgens na deze datum in Nederland zijn geregistreerd.

Voor deze bestelauto’s blijven de bepalingen in de wet, zoals die luidde tot 1 juli 2005, van kracht. Alleen als deze bestelauto’s niet meer voldoen aan de inrichtingseisen voor een bestelauto (zie paragraaf 3.3), is BPM verschuldigd op grond van artikel 1, derde lid, van de wet (tekst tot 1 juli 2005). Zie artikel XXVI, lid 2, van het Belastingplan 2005.

§ 2.1.2. Registratie van een reeds geregistreerd ander motorrijtuig [Vervallen per 16-06-2010]

Bij de registratie als personenauto, bestelauto of motorrijwiel van een reeds als een ander motorrijtuig geregistreerd motorrijtuig (bijvoorbeeld als vrachtauto) wordt doorgaans een nieuw kenteken opgegeven. Dat motorrijtuig is dan in een zodanige staat gebracht dat het een personenauto, bestelauto of motorrijwiel is geworden. De BPM is in dat geval verschuldigd ter zake van deze registratie (artikel 1, derde lid, van de wet).

De belasting is ook verschuldigd als een ander motorrijtuig dan een personenauto, bestelauto of motorrijtuig in een zodanige staat is gebracht en er om wat voor reden dan ook geen nieuw kenteken als personenauto, bestelauto of motorrijwiel wordt opgegeven. Geheven wordt dan ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto, bestelauto of motorrijwiel in Nederland van de weg (zie paragraaf 2.2.3).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 23 augustus 1996, nr. 30888 (Infobulletin 96/713, BNB 1996/403*, FED 1996/702 en 820, VN 1996/3478, WFR 1996/1263)

Belastingheffing op grond van artikel 1, lid 2, van de wet, die aanknoopt bij de registratie van een personenauto, is niet in strijd met de artikelen 30 en 95 EG-Verdrag. Geen reden tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie omtrent het ontbreken van een teruggaafregeling van BPM bij export.

– Hoge Raad, 13 september 2000, nr. 35472 (Infobulletin 2000/684, BNB 2000/348, FED 2000/508, VN 2000/47.19, WFR 2000/1401)

Heffing op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet is niet in strijd met artikel 95 (thans 90) EG-Verdrag. Daaraan doet niet af dat een teruggaafregeling bij (weder)uitvoer van gebruikte auto’s ontbreekt. Deze heffing is evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat niet van belang is of na het zich voordoen van het belastbaar feit, gedurende kortere of langere tijd in Nederland gebruik van de weg wordt gemaakt.

– Hof Amsterdam, 2 december 2002, nr. 2002/01555 (Infobulletin 2003/32, VN 2003/33.25 en 58.1.20)

Omdat met de kampeerauto na de registratie slechts zeer korte tijd in Nederland van de weg gebruik is gemaakt (de auto is aan een Duitser verkocht en direct uitgevoerd) heeft de belanghebbende slechts 4% van de ‘normaal’ verschuldigde BPM voldaan.

Wat betreft het EG-Verdrag, het ontbreken van een teruggaafregeling moet (slechts) worden getoetst aan artikel 90. Voor toetsing aan artikel 29 is dus geen plaats meer. Van strijdigheid met artikel 90 is geen sprake (zie Hoge Raad van 19 januari 2000, nr. 35057, § 2.2.1). Ook de artikelen 49 tot en met 55 EG-Verdrag missen toepassing. Daarnaast, de BPM is geen verbruiksbelasting. Niet van belang is dus of na het belastbare feit voor kortere of langere tijd gebruik wordt gemaakt van de weg. Van ongeoorloofde discriminatie in de zin van het IVBPR en het EVRM is daarom geen sprake.

De belanghebbende heeft cassatie ingesteld (Hoge Raad, nr. 39530). De A-G concludeert dat de regeling getoetst moet worden aan artikel 90 EG-Verdrag en niet aan artikel 29. Overigens meent hij dat ook bij toetsing aan artikel 29 EG-Verdrag geen sprake is van schending van die bepaling.

§ 2.1.3. Aan registratie voorafgaande ombouw personen- of bestelauto tot vrachtauto [Vervallen per 16-06-2010]

Personen- en bestelauto’s, waarvoor de BPM nog niet verschuldigd is geworden, kunnen zonder BPM-gevolgen worden omgebouwd tot vrachtauto. Zij moeten na de ombouw dan wel voldoen aan de in paragraaf 3.6 vermelde eisen. Zo mag de laadruimte geen voorzieningen bevatten die het motorrijtuig geschikt maken voor het vervoer van personen, zoals zitbanken.

Als op enig moment blijkt dat de aan de registratie voorafgaande ombouw niet op de juiste wijze is uitgevoerd en reeds een kenteken voor een vrachtauto is afgegeven, is de BPM op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet verschuldigd ter zake van de registratie (zie paragraaf 2.1.1). Dat een kenteken is afgegeven voor een vrachtauto, doet niet af aan het feit dat het geregistreerde motorrijtuig wel als een personenauto of een bestelauto in de zin van de wet moet worden aangemerkt. De verschuldigde BPM wordt nageheven van degene die ter zake van de registratie de BPM had moeten voldoen (zie paragraaf 4.1.1).

§ 2.2. Aanvang weggebruik (artikel 1, leden 3 tot en met 5, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.2.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Naast de registratie bestaat er nog een tweede belastbaar feit, te weten de aanvang van het gebruik van de weg. Dit belastbare feit doet zich voor als:

  • een ander motorrijtuig – waaronder tevens is te verstaan een bestelauto die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen – is omgebouwd tot personenauto, bestelauto of motorrijwiel zonder dat dit tot een nieuwe registratie heeft geleid (zie paragraaf 2.2.3),

  • een zogenoemde artikel 9c-personen- of bestelauto (een personen- of bestelauto met een elektromotor, hybride aandrijving of met een motor geschikt om op waterstof te rijden) zodanig is aangepast dat daarvoor het nihiltarief of de belastingverlaging niet langer geldt (zie paragraaf 2.2.4), en

  • een niet-geregistreerde personenauto, bestelauto of motorrijwiel ter beschikking staat aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam (zie paragraaf 2.2.5).

De belasting moet in dat geval op aangifte worden voldaan vóór de aanvang van het weggebruik (zie paragraaf 5.2).

Wanneer weggebruik wordt geconstateerd met een motorrijtuig waarvoor de verschuldigde belasting ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg niet is betaald, is – achteraf – het precieze tijdstip van dit belastbare feit vaak lastig vast te stellen. Daarom is het moment van de aanvang van het weggebruik eenduidig in de wet vastgelegd (zie paragraaf 2.3).

Als met een bestelauto, die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen en die niet meer voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto (zie paragraaf 3.3) zonder dat dit tot een nieuwe registratie heeft geleid, gebruik van de weg wordt gemaakt, is BPM verschuldigd op grond van artikel 1, derde lid, van de wet (tekst tot 1 juli 2005). Zie artikel XXVI, lid 2, van het Belastingplan 2005.

Er is geen sprake van een belastbaar feit als het een bestelauto betreft en de aanvang van het weggebruik vóór 1 juli 2005 heeft plaatsgevonden. Deze bestelauto’s zijn vóór die datum in gebruik genomen (zie verder paragraaf 2.1.1 onder B).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 3 september 1997, nr. 32565 (BNB 1997/334, VN 1997/4131, WFR 1997/1319)

De in artikel 1, vierde lid (thans vijfde lid), van de wet te verrichten formaliteiten zijn geen grensformaliteiten, omdat de belasting niet is verschuldigd ter zake van het brengen van de personenauto binnen Nederland. De enkele en ongemotiveerde stelling dat het forfaitaire afschrijvingspercentage van 1% per maand in strijd is met het gemeenschapsrecht, kan niet tot aantasting van de heffing van BPM leiden.

– Hoge Raad, 18 maart 1998, nr. 32627 (BNB 1998/134)

Tot de voor de heffing van de ingevolge artikel 1, vierde lid (thans vijfde lid), van de wet verschuldigde belasting te verrichten formaliteiten behoren geen ingevolge artikel 3, derde lid, Richtlijn 92/12/EEG (Accijnsrichtlijn) en artikel 33, eerste lid, Zesde richtlijn verboden formaliteiten die rechtstreeks verband houden met het overschrijden van de grens.

– Hoge Raad, 19 januari 2000, nr. 35057(Infobulletin 2000/112, BNB 2000/119, VN 2002/50.23)

De heffing op grond van de aanvang van het weggebruik is niet in strijd met artikel 95 (thans 90) EG-Verdrag. Het ontbreken van een teruggaafregeling bij (weder)uitvoer van gebruikte personenauto’s doet hieraan niet af. De heffing is ook niet in strijd met artikel 33 Zesde richtlijn en artikel 5 (thans 10) van het EG-Verdrag.

Artikel 1, vierde lid (thans vijfde lid), van de wet is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat zowel voor het belastbaar feit in het tweede lid en dat in het vierde lid het niet van belang is of na dat feit met de auto gedurende kortere of langere tijd in Nederland gebruik wordt gemaakt van de weg.

– Hoge Raad, 13 september 2000, nr. 35472 (Infobulletin 2000/684, BNB 2000/348, VN 2000/47.19, WFR 2000/1401)

Tot de ter zake van de op de voet van artikel 1, vijfde lid, van de wet verschuldigde belasting te verrichten formaliteiten behoren geen formaliteiten die rechtstreeks verband houden met het overschrijden van een grens zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid, Zesde richtlijn. Evenmin is de BPM aan te merken als een omzetbelasting in de zin van artikel 33, eerste lid, Zesde richtlijn.

– Hof Arnhem, 14 april 2003, nr. 01/2197 (VN 2003/38.1.11)

De zaak betreft een bedrijfsauto met buitenlands kenteken. Het Hof heeft bepaald dat de heffing van BPM niet in strijd is met het in artikel 39 EG-Verdrag neergelegde vrije verkeer van werknemers. Evenmin is bij de heffing sprake van een verboden onderscheid naar nationaliteit. De BPM wordt immers geheven van iedere inwoner van Nederland als in hier te lande met een personenauto een begin wordt gemaakt met het gebruik van de weg. De BPM is niet terug te voeren tot discriminatie die verband houdt met nationaliteit (Hoge Raad van 29 november 2000, nr. 35920, zie § 8.5).

– Hof ’s-Hertogenbosch, 2 juni 2003, nr. 01/0950 (VN 2003/60.24)

Bij aanvang weggebruik bestaat geen recht op teruggaaf of vermindering van BPM, ook als zeker is dat de personenauto weer wordt uitgevoerd. Deze regeling is niet strijdig met artikel 90 EG-Verdrag. Het ontbreken van een teruggaafregeling leidt er niet toe dat personenauto’s die naar een andere lidstaat worden uitgevoerd, wegens de uitvoer zwaarder worden belast dan niet uitgevoerde personenauto’s.

§ 2.2.2. De begrippen ‘weg’ en ‘gebruik van de weg’ [Vervallen per 16-06-2010]

Onder het begrip ‘weg’ wordt verstaan de weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW definieert het begrip weg als volgt: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Onder het begrip ‘gebruik van de weg’ wordt niet alleen het rijden op de weg begrepen. Parkeren, stilstaan, en dergelijke op de weg vallen daar ook onder.

Parkeerhavens die direct aan een rijbaan van een weg zijn gelegen, maken deel uit van de weg, ook al zijn zij daarvan te onderscheiden door bijvoorbeeld een witte lijn op het wegdek. Ook een openbaar parkeerterrein dat duidelijk van de rijbaan is afgescheiden en door een bepaalde in- en uitgang met de weg in verbinding staat, is als een deel van de weg aan te merken.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Arnhem, 16 februari 1973, nr. M 415/72

Een weg die tijdelijk voor het rijverkeer is afgesloten, verliest niet het karakter van een voor openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg.

– Hoge Raad, 22 november 1978, nr. 19064 (VN 1979/378)

Als een voor het openbaar rijverkeer openstaande weg wordt begrensd door een sloot moet als berm of zijkant van de weg aangemerkt worden de grond gelegen tussen die weg en de rand van de sloot. Als zich in zo’n sloot een dam bevindt moet daarvan als berm of zijkant van de weg worden aangemerkt de grond die is gelegen tussen een lijn die denkbeeldig is getrokken langs de aan de zijde van de weg liggende rand van de sloot en die weg. Als een motorrijtuig zich voor een gedeelte – hoe gering ook – bevindt op de weg of tot die weg behorende berm of zijkant, wordt met dat motorrijtuig gebruik gemaakt van de weg.

– Hof Arnhem, 8 januari 1980, nr. M 1816/1976 (VN 1980/1968)

Met een auto, die op een voor voetgangers bestemd pad geparkeerd staat, wordt gebruik van de weg gemaakt.

– Hoge Raad, 8 oktober 1980, nr. 19867 (VN 1981/80)

Aangenomen moet worden dat zogenaamde parkeerhavens, die direct aan een rijbaan van de weg zijn gelegen, ook al zijn zij daarvan afgescheiden, bijvoorbeeld door een witte lijn op het wegdek of een andere markering, deel van de weg uitmaken. Hetzelfde geldt ten aanzien van parkeerterreinen waar openbaar verkeer kan en mag parkeren.

– Hof Arnhem, 31 oktober 1983, M 2628/1979 (VN 1983/2389)

Onder berm moet worden verstaan een smalle strook onverharde grond naast de rijbaan van de weg, evenwijdig lopend met de middenas hiervan en bestemd ten dienste van uitwijkende voetgangers of geparkeerd wordende motorrijtuigen.

– Hoge Raad, 3 januari 1990, nr. 26105 (Infobulletin 1990/227, BNB 1990/58, FED 1990/102, VN 1990/376, WFR 1990/85)

Een weg en de daarbij behorende bermen, die voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaan, kunnen het karakter van openbare weg niet verliezen als gevolg van de omstandigheid dat de beheerder een deel ervan in gebruik geeft aan een ander of het gebruik ervan door een ander gedurende lange tijd toestaat.

– Hoge Raad, 24 januari 2001, nr. 36033 (Infobulletin 2001/77, BNB 2001/128, FED 2001/101 VN 2001/11.29, WFR 2001/137)

Een langs de weg gelegen gazon, dat eigendom is van de gemeente, vormt niet in zijn geheel een tot de weg behorende berm of zijkant.

– Hof Arnhem, 22 mei 2001, nr. 286/1999 (NTFR 2001/949)

Een ongehinderd te betreden, braakliggend perceel dat in eigendom is bij de gemeente en waar veel autohandelaren hun motorrijtuigen te koop aanbieden en stadionbezoekers en stadsgangers parkeren, heeft te gelden als een weg.

– Hoge Raad, 9 mei 2003, nr. 38355

De auto van de belanghebbende staat geparkeerd in de berm, die onderdeel uitmaakt van de openbare weg. De belanghebbende stelt tevergeefs dat zijn auto op het eigen erf staat.

– Hof Den Haag, 1 maart 2005, nr. 2854/2003 (VN 2005/34.5)

De auto van de belanghebbende staat op een oprit en stoep, net buiten een omheind kampement. Het Hof oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oprit en stoep een voor het openbaar rijverkeer openstaande weg vormen. Aangenomen moet daarom worden dat de auto op eigen terrein staat en niet op de weg.

§ 2.2.3. Aanvang weggebruik met een reeds geregistreerd ander motorrijtuig dan een personenauto, bestelauto of motorrijwiel [Vervallen per 16-06-2010]

Als een motorrijtuig zodanig wordt omgebouwd dat het als een personenauto, bestelauto of motorrijwiel is aan te merken, zal doorgaans registratie moeten plaats vinden. De BPM is dan verschuldigd ter zake van die registratie (zie paragraaf 2.1.2).

Het kan echter voorkomen dat een motorrijtuig op grond van de wet als een personenauto moet worden aangemerkt omdat de laadruimte de mogelijkheid biedt voor het vervoer en verblijf van personen, maar door de wegenverkeerswetgeving toch als een vrachtauto (een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg) wordt beschouwd. Als al een kenteken als vrachtauto is afgegeven, is in dat geval registratie als personenauto niet altijd noodzakelijk.

De BPM is in deze gevallen op grond van artikel 1, derde lid, van de wet verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met de personenauto, bestelauto of het motorrijwiel in Nederland. De belasting wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld (zie paragraaf 4.1.2). Deze moet de BPM op aangifte voldoen vóórdat hij met het betreffende motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2).

Als de betaling van de belasting ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting na constatering van het weggebruik ook worden nageheven van degene die op het moment van deze constatering de kentekenhouder is (zie paragraaf 4.3.1). Het belastbaar feit vindt in dat geval plaats op het tijdstip waarop het motorrijtuig op naam van de huidige houder is gesteld. Deze houder heeft wel de mogelijkheid om aan te tonen dat het belastbaar feit op een ander tijdstip heeft plaatsgevonden (zie paragraaf 2.3.2).

Er is geen BPM verschuldigd als een reeds geregistreerd ander motorrijtuig vóór 1 juli 2005 als bestelauto is geregistreerd. In dat geval is de betreffende bestelauto vóór die datum in gebruik genomen (zie paragraaf 2.1.1 onder B).

Voor de ombouw van een motorrijtuig dat vóór 1 januari 1993 niet als personenauto of motorrijwiel werd aangemerkt, geldt een speciale overgangsmaatregel (zie paragraaf 6.4.1).

§ 2.2.4. Aanvang weggebruik met een reeds geregistreerde personen- of bestelauto waarvoor een nihiltarief of een belastingverlaging geldt [Vervallen per 16-06-2010]

Een geregistreerde personen- of bestelauto met een elektromotor, hybride aandrijving of met een motor geschikt om op waterstof te rijden, zoals bedoeld in artikel 9c van de wet (zie paragraaf 7.1.4) kan dusdanig worden aangepast dat hij niet meer voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

De BPM is in dat geval op grond van artikel 1, vierde lid, van de wet verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met die aangepaste personen- of bestelauto in Nederland. De belasting wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld (zie paragraaf 4.1.2). Deze moet de BPM op aangifte voldoen vóórdat hij met het betreffende motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2).

Als de betaling van de belasting echter ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting na constatering van het weggebruik ook worden nageheven van degene die op het moment van deze constatering de kentekenhouder is (zie paragraaf 4.3.1). Het belastbaar feit vindt in dat geval plaats op het tijdstip dat het motorrijtuig op naam van de huidige houder is gesteld. Deze houder heeft wel de mogelijkheid om aan te tonen dat het belastbaar feit op een ander tijdstip heeft plaatsgevonden (zie paragraaf 2.3.2).

§ 2.2.5. Aanvang weggebruik met een niet geregistreerde personenauto, bestelauto of motorrijwiel [Vervallen per 16-06-2010]

Het is mogelijk dat personenauto’s, bestelauto’s of motorrijwielen, die niet zijn opgenomen in het kentekenregister, feitelijk ter beschikking staan aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam. Te denken valt bijvoorbeeld aan motorrijtuigen die zijn voorzien van een buitenlands kenteken en motorrijtuigen die niet zijn voorzien van een (geldig) kenteken (zie paragraaf 2.2.6).

Als een in het buitenland geregistreerde personenauto, bestelauto of motorrijwiel door een in Nederland wonende natuurlijk persoon of gevestigd lichaam wordt gehuurd, geleasd of bijvoorbeeld in bruikleen wordt verkregen, is op grond van artikel 1, vijfde lid, van de wet de BPM verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met dat motorrijtuig. De belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (zie paragraaf 4.2). Deze moet de BPM op aangifte voldoen vóórdat hij met het betreffende motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2). Hetzelfde geldt voor motorrijtuigen die niet zijn voorzien van een (geldig) kenteken.

Als de betaling van de belasting ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting na constatering van het weggebruik ook worden nageheven van degene die op het moment van deze constatering het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (zie paragraaf 4.3.1). Het belastbaar feit vindt in dat geval plaats op het tijdstip van constatering (zie paragraaf 2.3.2).

Voor motorrijtuigen die slechts korte tijd feitelijk ter beschikking staan van een in Nederland wonende natuurlijk persoon of gevestigd lichaam, kan onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van de BPM worden verleend (zie paragrafen 8.6.5 ‘Huurvoertuigen’ en 8.6.4 ‘Tijdelijke vrijstellingen’).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 19 januari 2000, nr. 35057 (BNB 2000/119)

Belanghebbende woont in Nederland maar werkt in Duitsland. Hij heeft in Nederland gebruik gemaakt van de weg met een auto met Duits kenteken, zonder dat een vrijstelling was verleend of aangevraagd. Terecht is hem een naheffingsaanslag BPM opgelegd. In het geding over deze aanslag kan de vraag of aanspraak bestaat op een vrijstelling niet meer aan de orde komen.

– Hof van Justitie EG, 21 maart 2002, C-451/99 (Jur. 2002/I-3193, Cura Anlagen)

Deze zaak betreft onder andere de fiscale behandeling van motorrijtuigen die in één lidstaat geregistreerd zijn en worden verhuurd, maar in feite door de huurder in een andere lidstaat, waar hij woonachtig is, worden gebruikt. Het Hof van Justitie stelt zich op het standpunt dat de verplichting om een motorrijtuig te laten registreren in de lidstaat waar de huurder woonachtig is, op zich geen inbreuk vormt op de bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten (artikelen 49 tot en met 55 EG-Verdrag). De termijn waarbinnen dit moet gebeuren, mag echter niet zo kort zijn dat hij als een onrechtmatige belemmering van het vrije verkeer kan worden beschouwd. Een termijn van drie dagen is volgens het Hof in strijd is met de regels van het EG-Verdrag. Het Hof is ook van oordeel dat, om in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het Verdrag, de registratiebelasting op het leasevoertuig in de woonstaat in verhouding moet staan tot de periode waarin het motorrijtuig in die lidstaat daadwerkelijk is geregistreerd en wordt gebruikt.

– Hoge Raad, 8 november 2002, nr. 37623 (BNB 2003/22, VN 2003/9.27, WFR 2002/1692)

Belanghebbende, in Nederland woonachtig, is rijdend op de openbare weg aangetroffen in een gehuurde auto, die in Duitsland is geregistreerd. De BPM is op grond van artikel 1, vijfde lid, van de wet terecht nageheven.

– Hof ’s-Hertogenbosch, 31 mei 2005, nr. 02/02469 (VN 2005/36.22)

Belanghebbende, een in Nederland wonende natuurlijke persoon, huurt in een andere lidstaat een personenauto met een buitenlands kenteken. De inspecteur heft BPM na ter zake van aanvang weggebruik. Gelet op het arrest HvJ EG van 21 maart 2002, nr. C-451/99, is het naar het oordeel van het Hof voor gerede twijfel vatbaar of deze heffing in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. De belanghebbende heeft een naheffingsaanslag gekregen voor het volle bedrag aan BPM, ongeacht de periode van huur en ongeacht de duur van het gebruik van de weg in Nederland. De belanghebbende heeft geen enkel recht op vrijstelling en geen enkel recht op teruggaaf. Daarom verzoekt het Hof het HvJ EG uitspraak te doen of het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het vrije verkeer van diensten zoals omschreven in de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag, eraan in de weg staat dat Nederland in dit geval BPM heeft geheven.

§ 2.2.6. Geen of ongeldige registratie [Vervallen per 16-06-2010]

Als een motorrijtuig niet is voorzien van een kenteken of is voorzien van een ongeldig kenteken én feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam is de BPM verschuldigd op grond van artikel 1, vijfde lid, van de wet. Hierbij valt te denken aan bromfietsen die zijn omgebouwd tot motorrijwiel zonder dat een kenteken is aangevraagd, (gestolen) motorrijtuigen voorzien van een vals kenteken of zogenaamde omgekatte motorrijtuigen.

§ 2.2.7. Feitelijk ter beschikking staan [Vervallen per 16-06-2010]

Het begrip ‘feitelijk ter beschikking staan’ moet strikt worden geïnterpreteerd. Het is niet van belang wie de eigenaar van het motorrijtuig is, maar wie de feitelijke beschikkingsmacht (al dan niet tijdelijk) daarover heeft. In het algemeen is dat de natuurlijke persoon die het motorrijtuig feitelijk gebruikt, maar ook een rechtspersoon/lichaam kan een motorrijtuig feitelijk ter beschikking hebben.

Het kan echter ook anders zijn. Zo kan van degene die een aan een derde ter beschikking staand motorrijtuig uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, niet worden gezegd dat dat motorrijtuig (mede) aan hem ter beschikking staat. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als een motorrijtuig met een buitenlands kenteken wordt bestuurd door een in Nederland woonachtig persoon in opdracht van een in het buitenland woonachtig persoon, die zelf in het motorrijtuig aanwezig is. In een dergelijke situatie staat het motorrijtuig feitelijk ter beschikking aan laatstbedoelde persoon. Aangezien deze persoon niet in Nederland woonachtig is, is in dat geval ter zake van het gebruik van de weg in Nederland geen BPM verschuldigd.

Zelfs als de eigenaar tijdens de rit niet persoonlijk in het motorrijtuig aanwezig is, zou de beschikkingsmacht ook tijdens de rit bij de eigenaar kunnen rusten als het motorrijtuig uitsluitend op basis van een concrete opdracht in zakelijke sfeer door een ander wordt bestuurd. Dit kan onder andere blijken uit een schriftelijke en door de eigenaar van het motorrijtuig ondertekende opdracht dat de bestuurder het betreffende voertuig alleen op een bepaalde datum mag gebruiken op een bepaalde route (het kenteken van het voertuig, de route of het begin- en eindpunt, en de datum moeten in de opdracht zijn vermeld.)

Van het feitelijk ter beschikking staan van een motorrijtuig aan een rechtspersoon kan slechts worden gesproken, als die rechtspersoon de voortdurende controle heeft over het motorrijtuig en het ter beschikking stellen aan werknemers slechts onder zodanige strikte voorwaarden geschiedt, dat die werknemers het motorrijtuig niet of nauwelijks kunnen gebruiken voor andere dan zakelijke doeleinden. Wordt een motorrijtuig aan een werknemer ter beschikking gesteld voor het uitoefenen van werkzaamheden binnen en buiten Nederland, het woon-werkverkeer en eventueel ander persoonlijk gebruik, dan moet het motorrijtuig worden geacht feitelijk ter beschikking te staan aan die werknemer. Voor het al dan niet verschuldigd zijn van BPM is in dat geval de woonplaats van die werknemer van belang en niet de vestigingsplaats van de rechtspersoon/werkgever. Dit geldt ook als die werknemer de directeur/grootaandeelhouder van de rechtspersoon is. Voor de toepassing van artikel 1, vijfde lid, van de wet is dus niet relevant bij wie de economisch eigendom van het motorrijtuig berust.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Den Haag, 18 september 1996, nr. 95/0823 (VN 1997/1752)

Een te Jersey op naam van een in Jersey gevestigde rechtspersoon geregistreerde personenauto, voorzien van valse Jersey-kentekenplaten, staat in Nederland feitelijk ter beschikking aan een in Nederland wonende natuurlijk persoon. In 1994 vind de aanvang weggebruik plaats. De belanghebbende is verschillende keren ingelicht en gewaarschuwd. Er is geen vrijstelling van kracht. De naheffingsaanslag BPM is terecht opgelegd.

– Hoge Raad, 7 mei 1997, nr. 32246 (BNB 1997/195, VN 1997/2018, WFR 1997/836)

Als een auto met buitenlands kenteken wordt bestuurd door een in Nederland woonachtig persoon in opdracht van een in het buitenland woonachtig persoon die zelf in de auto aanwezig is, staat de auto feitelijk ter beschikking van de laatstbedoelde persoon, zodat ter zake van het gebruik van de weg geen BPM verschuldigd is. Daarmee is niet onverenigbaar dat de bestuurder zelf ook voor zaken onderweg was.

– Hoge Raad, 18 maart 1998, nr. 32627 (BNB 1998/134, WFR 1998/471)

Belanghebbende, ingezetene van Nederland, maakt hier te lande gebruik van de weg met een in België op naam van A BVBA geregistreerde personenauto van de directeur van dat bedrijf. De belanghebbende stelt dat hij op de controledatum enkel in de auto heeft gereden om deze ten behoeve van de directeur naar een veiliger parkeerplaats te brengen en dat hij de auto slechts twee keer heeft bestuurd.

In de regel mag ervan worden uitgegaan dat degene ten aanzien van wie het gebruik van een motorrijtuig is geconstateerd, degene is aan wie het motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat, doch dit geldt niet in alle gevallen. Zo kan van degene die een aan een derde ter beschikking staande auto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, niet worden gezegd dat die auto (mede) aan hem ter beschikking staat.

– Hof Arnhem, 4 augustus 2000, nr. 98/0618 (VN 2001/20.7)

Belanghebbende woont in Nederland en werkt in Duitsland. Van zijn werkgever heeft hij een personenauto met een Duits kenteken tot zijn beschikking, die hij alleen in Duitsland gebruikt. Dat de auto niet het eigendom van belanghebbende is, hoeft niet te verhinderen dat die auto de belanghebbende feitelijk ter beschikking staat. Onvoldoende is aangetoond dat het eenmalig gebruik in Nederland voor het thuis brengen van een zieke collega in opdracht van de werkgever plaatsvond. Overigens is onbetwist dat de belanghebbende vervolgens naar huis is gereden, zodat de rit voor privé-doeleinden werd gemaakt. De belanghebbende had dus de feitelijke beschikkingsmacht.

– Hof ’s-Hertogenbosch, 24 augustus 2000, nr. 98/3379 (VN 2001/22.25)

Belanghebbende woont in Nederland en rijdt in een Belgisch gekentekende personenauto van B, een ingezetene van België, naar Nederland. B rijdt in een andere auto om die bij een garage in Nederland ter reparatie aan te bieden. B kan zo met de eigen auto terug naar België rijden. Het Hof is van oordeel dat de belanghebbende de auto uitsluitend ten behoeve van B bestuurde, zodat de auto hem niet ter beschikking stond.

– Hof Leeuwarden, 15 september 2000, nr. 98/1291 (VN 2001/22.26)

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, bestuurde op diens uitdrukkelijk verzoek de niet-geregistreerde auto van A, woonachtig in het buitenland. Het Hof stelt dat als een auto door een ander wordt bestuurd op grond van een concrete opdracht van de eigenaar, die auto niet feitelijk ter beschikking van de bestuurder staat, maar dat de beschikkingsmacht ook tijdens de rit bij de eigenaar blijft rusten. Tijdens de heenrit heeft de belanghebbende nog een minieme omweg gemaakt. Het Hof acht dit een zodanig in absolute en relatieve zin onbeduidende afwijking van de route, dat dit van onvoldoende gewicht is om uitsluitend op grond daarvan aan te nemen, dat de auto de belanghebbende feitelijk ter beschikking gestaan zou hebben.

– Hof Arnhem, 5 januari 2004, nr. 02/04310 (VN 2004/22.1.16)

Het Hof is van oordeel dat de belanghebbende de personenauto, die hij van zijn in Duitsland woonachtige vriendin had geleend, niet (uitsluitend) ten behoeve van die vriendin heeft bestuurd. Doordat de belanghebbende de feitelijke beschikkingsmacht had over de auto, stond de auto hem ook feitelijke ter beschikking.

– Hof Amsterdam, 19 maart 2004, nr. 03/01186

Degene die de feitelijke beschikkingsmacht over een motorrijtuig heeft is in de regel degene die dat motorrijtuig feitelijk gebruikt. Nu de belanghebbende de auto bestuurde buiten aanwezigheid van de eigenaar, een in Frankrijk wonend familielid van de belanghebbende, acht het Hof aannemelijk dat hij de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had. Dit ondanks de – overigens door de inspecteur gemotiveerd betwiste – stelling van de belanghebbende dat de auto in opdracht van en uitsluitend ten behoeve van de eigenaar van de auto naar Antwerpen gereden werd.

– Hof Leeuwarden, 11 februari 2005, nr. 276/99 (NTFR 2005/327)

In de regel zal degene die het motorrijtuig feitelijk gebruikt, degene zijn die de feitelijke beschikkingsmacht over dat motorrijtuig heeft. Van een persoon die een aan een derde ter beschikking staande personenauto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, kan daarentegen niet worden gezegd dat die auto (mede) aan hem of haar ter beschikking staat. Deze situatie doet zich in casu echter niet voor. Dit zou ook niet stroken met de opvatting van de belanghebbende dat aan haar een vrijstellingsvergunning BPM toekomt. Zo’n vergunning is alleen nodig als de auto feitelijk aan haar ter beschikking staat. Het feit dat de belanghebbende nooit eigenaar van de auto zal worden en/of beschikt over een eigen personenauto met Nederlands kenteken, doet hieraan niet af.

De belanghebbende heeft cassatie ingesteld (Hoge Raad, nr. 41972).

– Hoge Raad, 19 mei 2006, nrs. 41954 en 41955

De belanghebbende heeft feitelijk met een niet geregistreerde personenauto gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland. Iemand anders was de kentekenhouder van de auto. De belanghebbende woonde op papier niet in Nederland. In het kader van een FIOD-onderzoek is echter geconstateerd dat de belanghebbende in Nederland woonachtig was. De BPM is terecht nageheven bij de feitelijke gebruiker en niet bij de kentekenhouder.

§ 2.2.8. Woon- of vestigingsplaats [Vervallen per 16-06-2010]

Als een ingezetene van Nederland hier te lande gebruik maakt van de weg met een niet geregistreerde personenauto, bestelauto of een niet geregistreerd motorrijwiel is hij of zij op grond van artikel 1, vijfde lid, van de wet BPM verschuldigd. Deze bepaling stelt namelijk dat ingeval een niet geregistreerde (lees: niet in Nederland geregistreerde) personenauto, bestelauto of motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon of gevestigd lichaam de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg (zie verder paragraaf 2.2.5). Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont of een lichaam gevestigd is, zijn de bepalingen van de AWR van belang.

Voor wat betreft het begrip ‘normale verblijfplaats’ wordt verwezen naar paragraaf 8.6.3.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Amsterdam, 9 januari 1998, nr. 97/20655 (Infobulletin 1998/190)

Binnenlandse belastingplicht bij zwervend bestaan in kampeerauto.

– Hoge Raad, 22 april 1998, nr. 33198 (BNB 1998/201, VN 1998/21.5)

Samen met zijn echtgenote en zijn zoon stond de belanghebbende ten tijde van de BPM-controle in de bevolkingsadministratie van een Nederlandse gemeente ingeschreven op het adres van een woning, waarvan hij eigenaar is. In zijn aangifte IB/PH heeft hij het op dat biljet door de fiscus als zijn woonadres vermelde adres niet gecorrigeerd. Belanghebbende is vennoot in een VOF, die staat ingeschreven in het Nederlands handelsregister. Ten tijde van de controle woonde de belanghebbende naar de omstandigheden in Nederland. Aan dit oordeel doet niet af dat hij een éénpersoonsflat in Duitsland heeft gehuurd en sindsdien als inwoner in Duitsland staat ingeschreven, dat het zwaartepunt van zijn zakelijke activiteiten in Duitsland zou zijn gelegen en dat hij veelvuldig in hotels in Duitsland heeft overnacht.

– Hof ’s-Hertogenbosch, 15 oktober 1998, nr. 95/1382 (Infobulletin 1999/349, VN 1999/31.4)

Aan de feiten ((eigen woning, woonplaats echtgenote, plaats werkzaamheden, etc.) ontleent het Hof het vermoeden dat de belanghebbende na zijn uitschrijving uit het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente het middelpunt van zijn sociale en economische leven nog in Nederland had. Met name is niet aannemelijk geworden dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote heeft geleefd. Douaneambtenaren hebben in een periode van drie maanden namelijk geconstateerd dat de belanghebbende op 20 dagen aankwam en/of wegreed van de betreffende woning. Hij ontving op dit adres post, de telefoonaansluiting stond op zijn naam en hij nam de kosten van de nutsvoorziening voor zijn rekening.

– Hof Amsterdam, 17 mei 2001, nr. 00/02553 (Infobulletin 2001/673)

De belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit, staat ingeschreven in een Duitse gemeente ‘mit hauptwohnung’, beschikt over twee woningen in Duitsland en heeft een aanstelling als hoogleraar in dat land. In Nederland beschikt hij over een flat (volgens de belanghebbende een vakantiewoning) en is ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie. In zijn verzoek om de verhuisboedelvrijstelling heeft de belanghebbende aangegeven onbeperkt in Nederland te verblijven. Desalniettemin ligt zijn woonplaats volgens het Hof in Duitsland.

– Hof Leeuwarden, 11 maart 2005, nr. 263/99 (BA 2005/6.14)

Het ligt primair op de weg van de belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij ten tijde van de controle in Duitsland woonde. Niet alleen, omdat hij als meest gerede partij in beginsel beter dan een ander in staat is aannemelijk te maken waar hij heeft gewoond, maar tevens omdat het gestelde door de belanghebbende een wijziging inhoudt ten opzichte van zijn houding waarmee hij zich naar de Belastingdienst Ondernemingen te G en de gemeente L heeft gepresenteerd.

§ 2.3. Constatering weggebruik zonder voorafgaande betaling van BPM (artikelen 12a en 12b van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.3.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Het belastbare feit aanvang gebruik van de weg doet zich voor als:

  • een ander motorrijtuig is omgebouwd tot personenauto, bestelauto of motorrijwiel zonder dat dit tot een nieuwe registratie heeft geleid (zie paragraaf 2.2.3),

  • een zogenoemde artikel 9c-personen- of bestelauto (een personen- of bestelauto met een elektromotor, hybride aandrijving of met een motor geschikt om op waterstof te rijden) zodanig is aangepast dat daarvoor het nihiltarief of de belastingverlaging niet langer geldt (zie paragraaf 2.2.4), en

  • een niet-geregistreerde personenauto of motorrijwiel ter beschikking staat aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam (zie paragraaf 2.2.5).

In de eerste twee situaties wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld (zie paragraaf 4.1.2). In de laatste situatie wordt de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (zie paragraaf 4.2). Voor alle drie de situaties geldt dat de belastingplichtige de BPM op aangifte moet voldoen vóórdat hij met het betreffende motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2).

Wanneer weggebruik wordt geconstateerd terwijl de betaling van de belasting ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting worden nageheven. Om vast te kunnen stellen of een belastbaar feit heeft plaatsgevonden en zo ja, wie de belastingplichtige is en wat de vermindering voor gebruikte motorrijtuigen is (zie paragrafen 7.5 en 7.6), is het tijdstip van de aanvang van het weggebruik van belang. De Hoge Raad heeft in het verleden de bewijslast voor dit tijdstip geheel bij de inspecteur gelegd. Die heeft echter maar weinig mogelijkheden om dit – achteraf – aan te tonen.

Om tegemoet te komen aan deze bewijslastproblemen en daarmee een efficiëntere heffing te bewerkstelligen, heeft de wetgever in de artikelen 12a en 12b van de wet het moment van het belastbare feit aanvang van het gebruik van de weg eenduidig vastgesteld voor het geval weggebruik wordt geconstateerd, doch de betaling van de BPM niet heeft plaatsgevonden.

§ 2.3.2. Ombouw tot personen- of bestelauto en aanpassing personen- of bestelauto waarvoor een nihiltarief geldt [Vervallen per 16-06-2010]

Voor een niet-personenauto, -bestelauto of -motorrijwiel die wordt omgebouwd tot een personenauto, bestelauto of motorrijwiel en voor een zogenoemde artikel 9c-personen- of bestelauto (een personen- of bestelauto met een elektromotor, hybride aandrijving of met een motor geschikt om op waterstof te rijden) die niet langer voldoet aan de voorwaarden in dat artikel, wordt het tijdstip van aanvang van het weggebruik gesteld op de datum van de tenaamstelling van het motorrijtuig op het moment van constatering (artikel 12a, eerste lid, van de wet). De hoogte van de verschuldigde BPM wordt bepaald door de leeftijd van het motorrijtuig op het moment van tenaamstelling (artikel 9, zevende lid, van de wet).

De belasting wordt in dat geval nageheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van constatering (zie paragraaf 4.3.1).

Er bestaan op deze regeling twee tegenbewijsmogelijkheden.

1. Als de kentekenhouder kan aantonen dat het motorrijtuig ná de datum van de tenaamstelling is omgebouwd tot personenauto, bestelauto of motorrijwiel, dan wel niet meer voldoet aan de in artikel 9c van de wet genoemde voorwaarden, hoeft hij pas vanaf het daadwerkelijke moment van ombouw c.q. aanpassing de BPM te betalen (artikel 12a, tweede lid, van de wet).

2. Als de kentekenhouder er in slaagt om aan te tonen dat het motorrijtuig al was omgebouwd vóór de datum van de tenaamstelling én hij niet wist en ook niet behoorde te weten dat de belasting niet is betaald, wordt de aanvang van het weggebruik gesteld op het tijdstip van de voorafgaande tenaamstelling (artikel 12a, derde lid, van de wet).

De BPM wordt dan nageheven bij de vorige houder van het motorrijtuig.

De kentekenhouder behoort in onder andere de volgende situaties wél te weten dat de belasting niet is betaald.

  • De kentekenhouder is betrokken geweest bij de ombouw.

  • Uit schriftelijke stukken (bijvoorbeeld uit de factuur) blijkt, dat de verschuldigde BPM niet is betaald.

  • De verkoopprijs van het motorrijtuig was zo laag dat het aannemelijk is dat er geen BPM is betaald.

Als wordt aangetoond dat het motorrijtuig niet onder de verantwoordelijkheid van de huidige kentekenhouder is omgebouwd naar een personenauto, bestelauto of motorrijwiel, dan wel niet langer voldoet aan de in artikel 9c van de wet genoemde voorwaarden, wordt ervan uitgegaan dat dit tijdens het houderschap van de vorige kentekenhouder heeft plaatsgevonden. Als ook de vorige kentekenhouder aan kan tonen dat hij niet betrokken is geweest bij de ombouw én hij niet wist en ook niet behoorde te weten dat de belasting niet was betaald, wordt de naheffing opgelegd aan de hem voorafgaande kentekenhouder en eventueel zo verder. De aanvang van het weggebruik wordt in dat geval gesteld op het tijdstip van de desbetreffende tenaamstelling (artikel 12a, derde lid, van de wet).

§ 2.3.3. Niet geregistreerde motorrijtuigen [Vervallen per 16-06-2010]

In het geval een Nederlands ingezetene hier te lande rijdt in een niet geregistreerd motorrijtuig, bijvoorbeeld een personenauto, bestelauto of een motorrijwiel met een buitenlands kenteken of zonder kenteken, wordt het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg gelijkgesteld met het tijdstip van constatering van dit feit (artikel 12b van de wet).

De naheffingsaanslag BPM wordt dan berekend met inachtneming van de leeftijd van het motorrijtuig op het moment van constatering. De feitelijke aanvang van het weggebruik heeft mogelijk eerder plaatsgevonden dan op het tijdstip van constatering. Voor de belastingplichtige schuilt in deze regeling in dat geval een klein voordeel.

De belasting wordt nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (zie paragraaf 4.3.2).

§ 2.4. Herstelbeleid [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.4.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

De wet bevat vele gedetailleerde technische bepalingen die zowel van de kant van het publiek als van de kant van de overheid (Belastingdienst en RDW) een grote oplettendheid vereisen. Bij de toepassing van de wet kunnen zich dan ook in de praktijk situaties voordoen, waarbij de vraag kan rijzen of de heffingsgevolgen, waarin de wet BPM voorziet, direct en in volle omvang moeten intreden. Bijvoorbeeld:

  • bij de beoordeling of een motorrijtuig voldoet aan de inrichtingseisen die de wet en de lagere regelgeving stellen aan een bestelauto (zie paragraaf 2.4.2), en

  • in gevallen waarin een ingezetene van Nederland gebruik van de weg maakt met een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig (zie paragrafen 2.4.3 tot en met 2.4.6).

Met ingang van 1 juli 2005 zijn ook bestelauto’s onderworpen aan de heffing van BPM (zie paragraaf 2.1.1 onder B). Ondernemers in de zin van artikel 7 van de Wet OB en voor gehandicapten die zijn aangewezen op het gebruik van een bestelauto, kunnen gebruik maken van een teruggaafregeling voor bestelauto’s (zie hoofdstuk 10). Deze wetswijziging is niet van toepassing op bestelauto’s die vóór die datum in gebruik zijn genomen (zie paragraaf 2.1.1 onder B). Voor deze bestelauto’s blijven de bepalingen in de wet, zoals die luidde tot 1 juli 2005, van kracht. Dit geldt eveneens voor het herstelbeleid. Voor bestelauto’s waarvoor teruggaaf van BPM is verleend, wordt het herstelbeleid eveneens toegepast.

§ 2.4.2. Ter zake van de inrichtingseisen voor bestelauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer een motorrijtuig niet voldoet aan de eisen om als bestelauto te worden aangemerkt is in veel gevallen BPM verschuldigd. Slechts in een aantal situaties kan herstel worden geboden en hoeft niet direct te worden nageheven.

B. Geen herstelmogelijkheid [Vervallen per 16-06-2010]

Voor bepaalde afwijkingen van de inrichtingseisen voor bestelauto’s wordt geen herstel geboden. Als één of meer van de hierna te noemen afwijkingen van de inrichtingseisen worden geconstateerd moet steeds worden nageheven.

a. De laadruimte voldoet niet aan de fiscale maten.

In dat geval voldoet de lengte en/of de hoogte en/of de breedte van de laadruimte niet aan de minimale maat die voor het desbetreffende type bestelauto in artikel 3 van de wet is aangegeven. Op deze regel geldt één uitzondering. In artikel 2 van de regeling is voorgeschreven hoe de maten van de laadruimte moeten worden gemeten. Als aannemelijk is dat een kleine afwijking in de fiscale maat van de laadruimte is veroorzaakt door een onjuiste meetmethode, kan in afwijking van het voorgaande wel herstel worden geboden.

b. Er is geen volledige, respectievelijk geen ten minste 30 cm hoge, vaste tussenwand in de gevallen waarin op grond van artikel 3 van de wet een dergelijke wand is vereist.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de wet moet de vaste wand – indien verplicht – direct achter de voorstoelen zijn geplaatst. In de regeling is deze eis geobjectiveerd voor motorrijtuigen die niet zijn voorzien van een dubbele cabine. Voor deze motorrijtuigen is bepaald dat de vaste wand op maximaal 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel moet zijn geplaatst. Het kan voorkomen dat de vaste wand van een motorrijtuig zonder dubbele cabine op een grotere afstand dan 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel is geplaatst, terwijl de laadruimte wel voldoet aan de fiscale maten. In een dergelijk geval kan wel herstel worden geboden.

c. Aan de rechterzijde van de laadruimte is meer dan één zijruit aangebracht in de gevallen waarin dat ingevolge de afmetingen van de laadruimte niet is toegestaan.

d. Aan de linkerzijde van de laadruimte zijn één of meer zijruiten aangebracht in de gevallen waarin dat ingevolge de afmetingen van de laadruimte niet is toegestaan.

e. Er zijn één of meer stoelen, banken of andere zitplaatsen in de laadruimte aangebracht, waardoor geen sprake is van een vlakke laadvloer.

C. Wel een herstelmogelijkheid [Vervallen per 16-06-2010]

Voor de overige, niet onder B genoemde situaties is goedgekeurd dat bij eerste constatering van gebruik van de weg met de personenauto nog geen naheffingsaanslag BPM wordt opgelegd. Het zal dan in beginsel gaan om situaties waarbij de laadruimte voldoet aan de fiscaal vereiste maten, terwijl het karakter van bestelauto slechts in geringe mate is aangetast en herstel in de hoedanigheid van bestelauto betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd. In dergelijke gevallen wordt een ‘Informatieformulier inrichtingseisen bestelauto’s’ uitgereikt. Tevens wordt de kentekenhouder in de gelegenheid gesteld binnen een door de inspecteur te stellen termijn, die in beginsel niet langer zal zijn dan twee weken, de geconstateerde afwijking(en) van de inrichtingseisen voor bestelauto’s op te heffen. Om te verifiëren of het motorrijtuig binnen de gestelde tijd in de staat van bestelauto is gebracht, moet deze op de door de inspecteur daartoe aangewezen tijd en plaats worden getoond. Als het motorrijtuig niet wordt getoond of als de benodigde aanpassing van het motorrijtuig niet heeft plaatsgevonden, wordt de naheffingsaanslag alsnog opgelegd.

Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene aan wie al eerder een ‘Informatieformulier inrichtingseisen bestelauto’s’ is uitgereikt of anderszins door de inspecteur schriftelijk is geïnformeerd over de inrichtingseisen, dan wel degene die uit hoofde van zijn functie of van door hem ontplooide activiteiten op de hoogte is of behoort te zijn met de toepassing van de wet. Dit heeft tot gevolg dat wordt overgegaan tot naheffing van de belasting en dus geen herstel wordt aangeboden als wordt geconstateerd dat een dergelijk persoon gebruik maakt van de weg in Nederland met een motorrijtuig dat niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, terwijl geen BPM is voldaan.

Als gebruik van de weg wordt geconstateerd met hetzelfde motorrijtuig waarvoor het informatieformulier is uitgereikt of waarover anderszins schriftelijk is geïnformeerd, wordt de naheffingsaanslag opgelegd op grond van het eerder geconstateerde gebruik van de weg met dit motorrijtuig. Betreft het echter een ander motorrijtuig, dan wordt nageheven op grond van het laatst geconstateerde weggebruik met dat andere motorrijtuig.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Leeuwarden, 1 februari 2002, nr. 01/0193 (VN 2002/9.2.14)

De belanghebbende had moeten beseffen dat het weghalen van het tussenschot en het bevestigen van een bank met scharnieren aan de laadvloer de status van haar auto als bestelauto teniet zou kunnen doen. De belanghebbende kan niet aanvoeren dat zij niet op de hoogte was van de van toepassing zijnde wetgeving in deze zaak. Verder is er geen beleid dat bij zulke veranderingen de mogelijkheid wordt geboden om de auto weer in de staat van bestelauto terug te brengen en aldus een naheffingsaanslag te ontlopen.

– Hoge Raad, 28 juni 2002, nr. 37062 (Infobulletin 2002/625, BNB 2002/309)

De auto van de belanghebbende voldeed niet aan de wettelijke eisen voor een bestelauto. Het tussenschot was te laag en het dak was verhoogd zonder het oorspronkelijke plaatwerk te verwijderen. Het Hof acht aannemelijk dat de belanghebbende dat niet wist. Nu de belanghebbende de auto binnen veertien dagen na de vooraankondiging van de naheffingsaanslag heeft aangepast, oordeelt het Hof dat het herstelbeleid toepassing kan vinden. ’s Hofs kennelijke oordeel dat er geen aanwijzing is die dwingt tot de conclusie dat de belanghebbende bewust van de inrichtingseisen heeft willen afwijken, is volgens de Hoge Raad van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft voorts niet miskend dat het aan de kentekenhouder is aannemelijk te maken dat hij zich heeft vergist omtrent de juiste uitleg van de voor bestelauto’s geldende inrichtingseisen.

§ 2.4.3. Ter zake van motorrijtuigen met een buitenlands kenteken [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer een motorrijtuig met buitenlands kenteken ter beschikking staat aan een Nederlands ingezetene, is in veel gevallen BPM verschuldigd. In een aantal situaties kan echter herstel worden geboden en hoeft niet direct te worden nageheven. Verwezen wordt naar de paragrafen 2.4.4 tot en met 2.4.6.

§ 2.4.4. Ter zake van huurvoertuigen [Vervallen per 16-06-2010]

A. Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

Voor het gebruik in Nederland van een door een Nederlands ingezetene in het buitenland gehuurd motorrijtuig is onder voorwaarden een vrijstelling mogelijk (zie paragraaf 8.6.5).

Deze vrijstelling ziet uitsluitend op buitenlandse huurvoertuigen die in het buitenland zijn verhuurd aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam. Voor de vrijstelling geldt de voorwaarde dat het huurvoertuig uiterlijk aan het eind van de tweede dag buiten Nederland wordt gebracht dan wel wordt ingeleverd bij een Nederlandse vestiging van de verhuurmaatschappij.

Overigens heeft het Hof van Justitie bij beschikking van 27 juni 2006 een uitspraak over deze materie gedaan. Verwezen wordt naar paragraaf 8.6.6.

B. Vervangend huurvoertuig [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer het huurcontract voor het buitenlandse huurvoertuig eindigt op een later tijdstip dan de tweede dag, en het huurvoertuig dient ter vervanging van een motorrijtuig dat betrokken is geweest bij een ongeluk, defect is geraakt of is gestolen in het buitenland, kan de inspecteur op verzoek van de gebruiker de termijn van twee dagen verlengen tot bijvoorbeeld de periode die nodig is om het eigen motorrijtuig te laten repareren.

Als wordt geconstateerd dat een Nederlands ingezetene gebruik maakt van de weg in Nederland met een dergelijk vervangend huurvoertuig, terwijl hij niet heeft verzocht om verlenging van de termijn van twee dagen (en evenmin de BPM heeft voldaan), kan als volgt worden gehandeld.

Aan deze persoon wordt, als dit nog niet eerder is gebeurd, een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ uitgereikt. Hij wordt (ongeacht een eventuele eerdere uitreiking van een informatieformulier) in de gelegenheid gesteld om binnen een gezien de omstandigheden redelijke termijn alsnog een verzoek in te dienen tot verlenging van de termijn van twee dagen, onder overlegging van bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van een vervangend huurvoertuig zoals hiervoor bedoeld. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur niet aan de voorwaarden is voldaan, wordt alsnog een naheffingsaanslag opgelegd, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld onder C.

C. Overige huurvoertuigen [Vervallen per 16-06-2010]

Als wordt geconstateerd dat een Nederlands ingezetene die niet op de hoogte is van de geldende regels met betrekking tot een huurvoertuig met buitenlands kenteken gebruik maakt van de weg in Nederland met een dergelijk motorrijtuig, terwijl niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan, geen op de tweede dag eindigend huurcontract wordt overgelegd en evenmin sprake is van een vervangend huurvoertuig als bedoeld onder B, worden de regels uitgelegd en wordt een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ uitgereikt. De bestuurder wordt in de gelegenheid gesteld het motorrijtuig weer buiten Nederland te brengen of in te leveren bij een Nederlandse vestiging van het verhuurbedrijf uiterlijk de dag volgend op de constatering.

Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene aan wie al eerder een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ is uitgereikt of anderszins door de inspecteur schriftelijk is geïnformeerd over het gebruik van een in het buitenland geregistreerd voertuig, dan wel degene die uit hoofde van zijn functie of van door hem ontplooide activiteiten op de hoogte is of behoort te zijn met de toepassing van de wet. Dit heeft tot gevolg dat wordt overgegaan tot naheffing van de belasting en dus geen herstel wordt aangeboden als wordt geconstateerd dat een dergelijke persoon in een niet in Nederland geregistreerd huurvoertuig gebruik maakt van de weg in Nederland, terwijl niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan, geen BPM is voldaan, geen op de tweede dag eindigend huurcontract wordt overgelegd en evenmin sprake is van een vervangend motorrijtuig zoals bedoeld onder B.

Als deze persoon gebruik maakt van de weg in hetzelfde huurvoertuig als waarvoor al eerder een informatieformulier is uitgereikt dan wel waarover anderszins schriftelijk is geïnformeerd, wordt de naheffingsaanslag aan hem opgelegd op grond van dat eerder geconstateerde gebruik van de weg met dit motorrijtuig. Betreft het echter een ander huurvoertuig, dan wordt bij hem nageheven op grond van het laatst geconstateerde weggebruik met dat andere motorrijtuig.

§ 2.4.5. Ter zake van gewijzigde omstandigheden bestaande vrijstellingsvergunning buitenlandse werkgever of buitenlands bedrijf [Vervallen per 16-06-2010]

Het besluit kent een aantal vrijstellingsregelingen voor het gebruik van een motorrijtuig met buitenlands kenteken door een Nederlands ingezetene. De vrijstellingen van de artikelen 2 (buitenlandse werkgever, zie paragraaf 8.4) en artikel 3 (buitenlands bedrijf, zie paragraaf 8.5) worden bij vergunning verleend en zijn persoon- en motorrijtuiggebonden.

Als de omstandigheden op basis waarvan de vrijstelling is verleend wijzigen is de vergunning niet langer geldig. Dergelijke wijzigingen moeten worden doorgegeven aan de inspecteur, hetgeen ook in de bijlage bij de vergunning staat vermeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om vervanging van het motorrijtuig waarvoor de vrijstelling is verleend door een ander niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig.

In de praktijk komt het voor dat dergelijke wijzigingen niet aan de inspecteur worden doorgegeven, terwijl de betrokkene toch in Nederland gebruik van de weg blijft maken met een niet geregistreerde motorrijtuig. In een dergelijke situatie is de eerder verleende vrijstelling niet van toepassing en treedt er verschuldigdheid van BPM op.

Het kan echter voorkomen dat belanghebbende een keer vergeet een wijziging door te geven aan de inspecteur. Daarom is goedgekeurd dat een herstelmogelijkheid wordt geboden in situaties waarin materieel aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan en belanghebbende niet eerder heeft nagelaten voor één van deze twee vrijstellingen een wijziging door te geven en naar aanleiding hiervan door de inspecteur op zijn verplichtingen is gewezen.

Er kan dan als volgt worden gehandeld. Aan de belanghebbende wordt een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ uitgereikt en hij wordt in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken de wijzigingen door te geven aan de bevoegde inspecteur. Deze zal nagaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor een vrijstelling op grond van artikel 2 dan wel artikel 3 van het besluit. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt een nieuwe vergunning afgegeven.

De goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die al eerder heeft nagelaten voor één van deze twee vrijstellingen een wijziging door te geven en naar aanleiding daarvan door de inspecteur op zijn verplichtingen is gewezen. Als wordt geconstateerd dat een dergelijke persoon in een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig gebruik maakt van de weg in Nederland, er geen vergunning is gevraagd, terwijl evenmin de BPM is voldaan, wordt een naheffingsaanslag aan deze persoon opgelegd.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof ’s-Hertogenbosch, 4 juni 2002, nr. 99/2220 (Infobulletin 2002/623, VN 2003/5.27)

Voor een tweede auto is geen vrijstelling aangevraagd, terwijl daar wel recht op zou bestaan. De inspecteur legt een naheffingsaanslag BPM op voor het gebruik van de weg met de tweede auto. Het Hof acht dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De nadelige – financiële – gevolgen van het opleggen van de naheffingsaanslag zijn voor de belanghebbende onevenredig met het doel dat met die aanslag wordt gediend. De situatie past volgens het Hof ook in het herstelbeleid. De Staatssecretaris is tegen deze uitspraak niet in cassatie gegaan, omdat hij de materiële uitkomst als beleid overneemt (zie paragraaf 2.4.5).

§ 2.4.6. Ter zake van overige situaties [Vervallen per 16-06-2010]

A. Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

Voor de overige dan de in 2.4.4 en 2.4.5 genoemde situaties waarin een inwoner van Nederland met een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig gebruik maakt van de weg in Nederland voorziet de regelgeving niet in een vrijstelling. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruik van de weg door een Nederlands ingezetene met:

  • een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig van een familielid, kennis, zakenrelatie of collega;

  • een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig van een buitenlandse werkgever of het hoofd van een buitenlandse onderneming, terwijl aan deze persoon geen vergunning is verleend voor een vrijstelling op grond van artikel 2 of artikel 3 van het besluit.

B. Herstel [Vervallen per 16-06-2010]

Voor dergelijke situaties is goedgekeurd dat, met inachtneming van de hierna te noemen beperkingen, ingeval van eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland aan degene die het motorrijtuig feitelijk tot zijn beschikking heeft niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Deze persoon wordt in de gelegenheid gesteld het motorrijtuig alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen dan wel binnen de gestelde termijn een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het motorrijtuig weer buiten Nederland te brengen. Hiertoe wordt aan hem een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ uitgereikt. Wanneer een vrijstellingsvergunning wordt aangevraagd en blijkt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog de gelegenheid geboden de BPM te voldoen of het motorrijtuig weer buiten Nederland te brengen.

C. Geen herstel [Vervallen per 16-06-2010]

Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het motorrijtuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die bekend is of behoort te zijn met de toepassing van de wet, bijvoorbeeld uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een ‘Informatieformulier buitenlandse kentekens’ is uitgereikt, dan wel de inspecteur hem anderszins schriftelijk heeft geïnformeerd over het gebruik van een in het buitenland geregistreerd voertuig.

De goedkeuring is ook niet van toepassing ten aanzien van de persoon aan wie in het verleden een vrijstellingsvergunning is verleend op grond van de artikelen 2 of 3 van het besluit, noch op de persoon die thans in het bezit is van een dergelijke vergunning en die niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning, uitgezonderd de specifieke, in onderdeel 2.4.5 beschreven situatie.

D. Naheffing [Vervallen per 16-06-2010]

Een en ander heeft tot gevolg dat wordt overgegaan tot naheffing van de belasting en dus geen herstel wordt aangeboden als wordt geconstateerd dat een persoon, zoals bedoeld onder C, opnieuw gebruik maakt van de weg in Nederland in een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig en er is geen sprake van een situatie waarbij ingevolge het hiervoor onder 2.4.4 en 2.4.5 gestelde heffing van BPM achterwege kan blijven, terwijl de BPM niet is voldaan.

Als deze persoon gebruik maakt van de weg met hetzelfde niet in Nederland geregistreerde motorrijtuig waarvoor al eerder een informatieformulier is uitgereikt dan wel waarover anderszins schriftelijk is geïnformeerd, wordt de naheffingsaanslag aan hem opgelegd op grond van dat eerder geconstateerde gebruik van de weg met dit motorrijtuig. Betreft het echter een ander motorrijtuig, dan wordt bij hem nageheven op grond van het laatst geconstateerde weggebruik met dat andere motorrijtuig.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 24 juli 2001, nr. 36245 (Infobulletin 2001/729, BNB 2001/347, FED 2001/457, VN 2002/50.25, WFR 2001/1076)

Belanghebbende heeft als bestuurder van een gestolen auto met Belgisch kenteken gebruik gemaakt van de weg in Nederland. Hij maakte tevens deel uit van een criminele organisatie die tot oogmerk had autodiefstallen te plegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de auto aan een ander dan de belanghebbende feitelijk ter beschikking stond. Het beroep op het herstelbeleid gaat niet op, omdat de belanghebbende uit hoofde van zijn lidmaatschap van een criminele organisatie bekend wordt verondersteld met de toepassing van de wet.

– Hoge Raad, 10 augustus 2001, nr. 36317 (Infobulletin 2001/728, BNB 2001/361, VN 2001/61.27, WFR 2001/1125)

Belanghebbende, een autohandelaar, heeft in Nederland gebruik gemaakt van de weg met een auto met Duits kenteken. Het Hof oordeelt dat hij in Nederland woonde en dus BPM was verschuldigd. De Hoge Raad verwerpt het beroep van belanghebbende op het herstelbeleid, omdat hij als autohandelaar geacht kan worden bekend te zijn met de wet.

– Hoge Raad, 8 november 2002, nr. 37623 (Infobulletin 2002/848, BNB 2003/22, FED 2002, 671, VN 2003/9.27, WFR 2002/1692)

Belanghebbende woont in Nederland. Hij is rijdend op de weg aangetroffen in een door zijn Duitse werkgever gehuurde auto met Duits kenteken. Op het moment van de controle gebruikte hij de auto niet in het kader van zijn werkzaamheden. De belanghebbende is al tweemaal gewaarschuwd voor het rijden in een niet in Nederland geregistreerde auto. Het verzoek om een vrijstellingsvergunning heeft de inspecteur afgewezen. Het Hof oordeelt dat de belanghebbende de BPM is verschuldigd. De aanslag is, mede gelet op de waarschuwingen, niet opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het argument van de belanghebbende, dat hij de auto op het tijdstip van de controle wel gebruikte voor zijn werkzaamheden, daar hij als chauffeur van de directeur van zijn werkgever op weg was van hun beider woonplaats naar de plaats van hun werkzaamheden, heeft de Hoge Raad verworpen, daar gegrondbevinding niet tot een andere beslissing zou leiden.

– Hoge Raad, 20 december 2002, nr. 36888 (Infobulletin 2003/33 en 504, VN 2003/4.1.4)

Belanghebbende, ingezetene van Nederland doch werkzaam in Duitsland, reed zonder vrijstellingsvergunning in Nederland met een personenauto met Duits kenteken ter zake waarvan een waarschuwingsformulier is uitgereikt. Nadat nogmaals is geconstateerd dat de belanghebbende met deze auto gebruik maakte van de weg in Nederland, is de BPM nageheven. De bevoegdheid tot naheffen is niet verwerkt door bij de eerste constatering geen aanslag op te leggen. Het is in overeenstemming met artikel 1, vierde lid, van de wet (tekst tot 1 juli 1997) eerst nadat een tweede misbruik is vastgesteld een naheffingsaanslag op te leggen voor het eerste gebruik. Hierbij moet wel de naheffingstermijn van artikel 20, derde lid, AWR in acht worden genomen, hetgeen in casu is gebeurd.

– Hoge Raad, 20 december 2002, nr. 37754 (VN 2003/4.1.5)

De inspecteur waarschuwt de belanghebbende, een ingezetene van Nederland, in 1997 vanwege het rijden in een Duits gekentekende personenauto. Een jaar later wordt hij opnieuw zonder vrijstellingsvergunning in dezelfde auto op de weg aangetroffen. De inspecteur heft de BPM na en gaat daarbij uit van een belastbaar feit in 1997. Pas na ontvangst van de aanslag verzoekt de belanghebbende om een vrijstellingsvergunning ‘buitenlandse werkgever’ (zie § 8.4), die vervolgens ook wordt verleend. De naheffingsaanslag BPM is terecht opgelegd nu de vergunning niet tijdig is aangevraagd. De latere afgifte van die vergunning is echter niet meer van belang.

– Hof Arnhem, 17 september 2003, nr. 00/2152 (VN 2003/52.1.7 en 2004/10.21)

Naar de omstandigheden beoordeeld woonde de belanghebbende in Nederland. De inspecteur heeft geconstateerd dat de belanghebbende met een auto met een Duits kenteken gebruik maakte van de weg in Nederland zonder dat BPM is voldaan. De belanghebbende ontvangt geen waarschuwing. Nadat dit nogmaals wordt vastgesteld, legt de inspecteur een naheffingsaanslag BPM op.

Het Hof vernietigt de naheffingsaanslag BPM, omdat de inspecteur na de constateringen van het weggebruik de belanghebbende in elk geval éénmaal in de gelegenheid had moeten stellen de auto in Nederland te laten registreren of weer buiten Nederland te brengen.

– Hoge Raad, 19 november 2004, nr. 39622

Een in Nederland woonachtige freelancer rijdt in een lease-auto van zijn Duitse werkgever. Hij wordt door de Douane aangehouden en gewaarschuwd. Bij een tweede Douanecontrole blijkt dat hij nog steeds geen vrijstellingsvergunning BPM heeft aangevraagd. De inspecteur heft de belasting na en legt een boete op van 25%. Het Gerechthof gaat hiermee akkoord. De belanghebbende stelt te laat beroep in cassatie in.

– Hof Den Haag, 3 juni 2005, nr. 04/01736

De inspecteur acht geen herstel mogelijk gelet op een eerdere briefwisseling met de belanghebbende. Hierdoor was de belanghebbende volgens hem voldoende op de hoogte met de toepassing van de wet. Het Hof denkt daar echter anders over en betrekt in oordeel zowel het onderdeel over huurvoertuigen (zie paragraaf 2.4.4) als het onderdeel over overige situaties (zie paragraaf 2.4.6).

– Hof ’s-Hertogenbosch, 7 december 2005, nr. 04/01615

In 2002 wordt de belanghebbende voor de eerste keer in een Duits gekentekende auto aangetroffen op Nederlandse weg. Hij ontvangt een informatieformulier. Voor het aanvragen van een vergunning ‘buitenlandse werkgever’ (zie paragraaf 8.4) ziet hij geen noodzaak, omdat hij in Duitsland woont. In 2003 wordt hij voor een tweede keer aangehouden op de Nederlandse weg, nu in een andere Duits gekentekende auto. Gelet op het eerder uitgereikt informatieformulier ziet de inspecteur geen reden voor herstel. Bovendien is de inspecteur van mening, dat de belanghebbende in 2002 zijn woonplaats in Nederland had. Het Hof acht voor de beantwoording van de vraag of het herstelbeleid van toepassing is, relevant of de belanghebbende reeds bij de eerste aanhouding in Nederland woonde. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend en kent alsnog het herstelbeleid toe, omdat onderdeel daarvan uitmaakt dat het enkel ziet op in Nederland wonende personen. De eerste keer komt de belanghebbende als het ware het herstelbeleid ‘niet binnen’. De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld.

§ 2.5. Geen belastbaar feit [Vervallen per 16-06-2010]

§ 2.5.1. Reparatie of ombouw van personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen [Vervallen per 16-06-2010]

Als een ernstig beschadigde personenauto, bestelauto of motorrijwiel wordt hersteld terwijl het oorspronkelijke kenteken behouden blijft of opnieuw wordt uitgereikt, wordt geen BPM geheven. Dan doet zich geen belastbaar feit voor.

Hetzelfde geldt als een reeds als personenauto, bestelauto (mits deze bestelauto vanaf 1 juli 2005 in gebruik is genomen) of motorrijwiel aangemerkt motorrijtuig wordt omgebouwd zonder dat een nieuw kenteken behoeft te worden uitgereikt. Voorbeelden zijn de ombouw tot cabriolet, het verlengen van een personenauto en het tunen van een motorrijwiel. Een uitzondering hierop is de buggyregeling (zie paragraaf 6.2.4).

Als een bestelauto, die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen, zodanig wordt gerepareerd of omgebouwd dat hij niet meer voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto (zie paragraaf 3.3), is BPM verschuldigd:

  • ter zake van de registratie van dit motorrijtuig (zie paragraaf 2.1.1 onder B), of

  • (als geen nieuwe registratie heeft plaatsgevonden) zodra daarmee gebruik van de weg wordt gemaakt (zie paragraaf 2.2).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Arnhem, 23 januari 1997, nr. 95/2083 (VN 1997/4222)

Al vóór 1994 was de tussenwand met schroeven bevestigd en voldeed daarmee al niet aan de gestelde eisen. Het in juni 1994 tijdelijk verwijderen van de tussenwand levert derhalve geen belastbaar feit op, omdat er al sprake was van een personenauto.

§ 2.5.2. Geen registratie en/of weggebruik [Vervallen per 16-06-2010]

Voor motorrijtuigen die niet behoeven te worden geregistreerd in het kentekenregister en/of waarmee geen gebruik wordt gemaakt van de weg, hoeft geen BPM te worden voldaan.

Dit geldt bijvoorbeeld voor race- en crossauto’s en crossmotoren, motorrijtuigen die in een museum worden tentoongesteld, motorrijtuigen die op technische scholen als instructiemateriaal worden gebruikt en motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt op privé-terreinen, golfbanen, fabrieksterreinen, luchthavens en dergelijke.

§ 2.6. Belastbare feit vanwege het niet langer voldoen aan de voorwaarden van de gehandicapten- of ondernemersregeling (artikel 15a, lid 8, en artikel 15b, leden 6 en 11, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Bestelauto’s, die vanaf 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen, worden betrokken in de heffing van BPM. Ter zake van de registratie of de aanvang van het weggebruik is BPM verschuldigd. Vervolgens mogen zij zonder gevolgen voor de heffing van BPM worden omgebouwd tot personenauto.

De kentekenhouder van zo’n bestelauto kan een aanvraag indienen tot teruggaaf van BPM op basis van de ondernemers- of gehandicaptenregeling (zie hoofdstuk 10). Beide teruggaafregelingen kennen een aantal voorwaarden. Als na een positieve teruggaafbeschikking niet langer aan deze voorwaarden wordt voldaan, is BPM verschuldigd. Dit is bijvoorbeeld het geval als de bestelauto niet meer dan bijkomstig in het kader van de onderneming wordt gebruikt. Maar ook als de bestelauto wordt omgebouwd tot personenauto. Voor bestelauto’s van ondernemers is in dat geval artikel 1, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing (artikel 15b, elfde lid, van de wet).

§ 2.7. Belastbare feit vanwege het opnieuw registreren, in gebruik nemen of terugvinden van een motorrijtuig waarvoor teruggaaf is verleend en niet is geheven bij export, sloop of diefstal (artikel 16aa, lid 2, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Voor motorrijtuigen met een bijzondere bestemming, voor bestelauto’s voor gehandicapten en ondernemers, en voor taxi’s kan de belasting onder bepaalde voorwaarden worden teruggegeven (verwezen wordt naar respectievelijk de hoofdstukken 9, 10 en 11). Een van deze voorwaarden betreft het gebruik van deze motorrijtuigen. Als niet (meer) aan de gebruikseis wordt voldaan, is BPM verschuldigd. Dit is echter niet het geval als niet meer aan de gebruikseis kan worden voldaan, omdat het motorrijtuig is gestolen, gesloopt of geëxporteerd. Daartegenover staat wel, dat bij een eventuele ‘terugkeer’ van het motorrijtuig alsnog belasting verschuldigd is. Verwezen wordt verder naar de paragrafen 12.3 en verder.

Hoofdstuk 3. Motorrijtuigen [Vervallen per 16-06-2010]

§ 3.1. Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

Niet van alle motorrijtuigen wordt BPM geheven. BPM ziet alleen op personenauto’s (zie paragraaf 3.2), bestelauto’s (zie paragraaf 3.3) en motorrijwielen (zie paragraaf 3.4).

Bestelauto’s, die vóór 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen, worden niet betrokken in de heffing van BPM zolang zij voldoen aan de inrichtingseisen voor bestelauto’s. Verwezen wordt naar paragraaf 2.1.1 onder B.

§ 3.2. Begrip personenauto (artikel 3, lid 1, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 3.2.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet zijn personenauto’s motorrijtuigen op drie of meer wielen met uitzondering van:

  • autobussen (zie paragraaf 3.5),

  • bestelauto’s (zie paragraaf 3.3), en

  • motorrijtuigen, niet ingericht voor het vervoer van personen, met een toegestane massa van meer dan 3.500 kg (zie paragraaf 3.6).

Motorrijtuigen op drie of meer wielen zijn bijvoorbeeld sedans, hatchbacks, stationwagens, combi’s, spacewagons, MPV’s, APV’s, personenbusjes en terreinauto’s. Kampeerauto’s worden als personenauto aangemerkt. Dit geldt ook voor kampeerauto’s met meer dan negen zitplaatsen. Slechts in uitzonderingsgevallen kwalificeren deze motorrijtuigen als autobus (zie paragrafen 3.2.2 en 3.5).

Bepaalde motorrijtuigen op drie of meer wielen, zoals trikes en quads, worden voor de heffing van BPM gelijkgesteld met motorrijwielen (zie de paragrafen 3.4.3 en 3.4.4).

Multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen met een maximum massa van meer dan 3.500 kg worden onder bepaalde voorwaarden niet als personenauto aangemerkt. Verwezen wordt naar paragraaf 3.6.2.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Leeuwarden, 11 februari 2005, nr. 276/99 (NTFR 2005/327)

De Nederlandse wetgever is niet gehouden een Duitse registratie als vrachtwagen te volgen. Artikel 4 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen bepaalt, dat het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs voor de toepassing van de richtlijn door de overige lidstaten wordt erkend voor de identificatie van het motorrijtuig in het internationale wegverkeer. Dit betreft slechts de technische kenmerken van het motorrijtuig en niet de kwalificatie die een lidstaat aan een voertuig geeft. Afgezien hiervan was deze richtlijn ten tijde van de controle nog niet geldend en hebben lidstaten tot 1 juni 2004 de tijd om aan de richtlijn te voldoen.

§ 3.2.2. Kampeerauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

Kampeerauto’s zijn personenauto’s waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid. Kampeerauto’s worden steeds als personenauto’s aangemerkt. Dat geldt eveneens als zij plaats bieden aan meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen (zie verder paragraaf 3.5).

Een combinatie van bijvoorbeeld een chassis met een carrosserie, van een trekker met een oplegger of van een vrachtauto met een container, welke combinatie vervolgens als geheel een kampeerauto vormt, wordt eveneens als een personenauto aangemerkt. Ter zake van de registratie in het kentekenregister, dan wel de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland, moet de BPM worden voldaan.

Het beleid met betrekking tot het plaatsen van een kampeercontainer op een open laadbak van een bestel- of vrachtauto wordt beschreven in paragraaf 3.3.8 onder B.

Wat betreft het bepalen van de maatstaf van heffing voor kampeerauto’s wordt verwezen naar paragraaf 6.6.3.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Den Haag, 8 november 1995, nr. 94/0824 (VN 1996/2375)

Ombouw van een in 1992 geregistreerde bestelauto tot (mobiele) fotostudio. Het Hof acht de inrichting niet van een kampeerauto, omdat in de laadruimte een slaapgelegenheid ontbreekt. Tevens vindt het Hof dat er geen sprake is van een belastbaar feit, omdat niet is gebleken dat het motorrijtuig na 1992 is omgebouwd.

– Hof Amsterdam, 18 maart 1999, nr. 98/2412 (Infobulletin 99/373, VN 1999/30.25)

Een motorrijtuig is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen als het over zodanige (veiligheids-)voorzieningen beschikt dat deze personen daarin op een verantwoorde wijze kunnen worden vervoerd (veiligheidsvoorzieningen). Het Hof acht de aanwezige banken, waarop weliswaar meer dan acht personen kunnen zitten, niet geschikt voor het vervoeren van personen. Ook omdat de auto door de RDW niet als autobus is goedgekeurd, maar als kampeerauto, en er geen WP-vergunning is afgegeven, is de auto aan te merken als personenauto.

– Hoge Raad, 10 oktober 2003, nrs. 38485 e.v. (Infobulletin 2003/977, BNB 2004/97c, FED 2003/544, VN 2003/51.30, WFR 2003,1651)

Kampeerauto’s kunnen in de regel niet worden aangemerkt als een autobus, ook niet als zij meer dan acht zitplaatsen (die van de bestuurder niet meegerekend) hebben. Vanwege de meervoudige functie van een kampeerauto kan uit de inrichting van de kampeerauto immers niet worden afgeleid dat het motorrijtuig ten doel heeft om evenveel personen te vervoeren als er zitplaatsen zijn.

§ 3.3. Begrip bestelauto (artikel 3, lid 3, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Als bestelauto wordt aangemerkt een motorrijtuig waarvan de laadruimte aan bepaalde voorwaarden voldoet. Deze in het eerste lid van artikel 3 genoemde motorrijtuigen worden in het derde lid nader gedefinieerd. De laadruimte moet in alle gevallen zijn voorzien van een vlakke laadvloer. Er kunnen vier categorieën bestelauto’s worden onderscheiden.

Naast deze categorieën wordt een bijzondere positie ingenomen door de motorrijtuigen met een open laadbak, de zogenoemde pick-ups (zie paragraaf 3.3.5).

§ 3.3.1. Grote bestelauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

De eerste categorie wordt gevormd door motorrijtuigen waarvan de laadruimte een hoogte heeft van ten minste 130 cm en een lengte van ten minste 200 cm. Aan de hoogte-eis moet zijn voldaan over de gehele gestelde minimumlengte van 200 cm en over ten minste 20 cm van de breedte. Bij deze motorrijtuigen mag de laadruimte rondom zijn voorzien van zijruiten. Een scheidingswand tussen cabine en laadruimte is ook niet vereist.

Voor de wijze waarop de hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1.

§ 3.3.2. Kleine bestelauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

De tweede categorie betreft motorrijtuigen waarvan de laadruimte een hoogte heeft van ten minste 98 cm en een lengte van tenminste 125 cm. Aan de hoogte-eis moet zijn voldaan over de gehele gestelde minimum lengte van 125 cm en over tenminste 20 cm van de breedte. De motorrijtuigen in deze categorie worden als bestelauto’s aangemerkt als de laadruimte:

  • niet meer dan één zijruit aan de rechterzijde van het motorrijtuig bevat, en

  • van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand over de gehele breedte en hoogte van de bestuurderscabine. De vaste wand moet op maximaal 115 cm, gemeten vanaf het achterste punt van het stuurwiel, naar achteren zijn geplaatst.

Zijruiten of gedeelten van zijruiten die voor de plaats van de wand zijn gelegen, worden geacht in de bestuurderscabine te vallen. Deze ruiten behoeven niet te worden geblindeerd.

Bij geheel open bestelauto’s met enkele cabine, waarbij zowel de cabine als de laadbak niet zijn overdekt – bijvoorbeeld sommige (ex-) legervoertuigen – kan worden volstaan met een vaste wand van minimaal 30 cm hoog. Om constructietechnische redenen is een volledige vaste wand tussen de cabine en de laadruimte immers niet te realiseren. Als de laadbak een lengte heeft van tenminste 200 cm is in dat geval geen tussenschot vereist.

Voor de wijze waarop de hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1.

Wat betreft het beleid met betrekking tot het vervoer van een rolstoel in de laadruimte van een bestelauto die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen of het gebruik van een rolstoel in de (dubbele) cabine van zo’n bestelauto, wordt verwezen naar paragraaf 3.3.10.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Verslag van de Cie voor de Verzoekschriften, 23 maart 1995, 1994-1995, nr. 23954, nr. 76 (Infobulletin 95/535, VN 1996/406)

De Commissie gaat niet in op een verzoek om ten aanzien van het begrip bestelauto met betrekking tot de plaatsing van het tussenschot een uitzondering te maken voor iemand met een ongewone lichaamslengte. Volgens de Commissie is niet alleen de reden van het probleem zijn postuur, maar ook de relatief kleine afmetingen van zijn auto die de wetgever juist alleen onder stringente voorwaarden als bestelauto heeft willen aanmerken.

§ 3.3.3. Kleine bestelauto’s met hoog dak [Vervallen per 16-06-2010]

Naast de categorie bestelauto’s beschreven in paragraaf 3.3.2 is een afzonderlijke groep te onderscheiden en wel die waarvan de laadruimte, behoudens de overige eisen gesteld in paragraaf 3.3.2, ten minste 25 cm hoger is dan de bestuurderscabine. De vaste wand die de laadruimte van de bestuurderszitplaats afscheidt, moet in dat geval een hoogte hebben van minstens 30 cm over de gehele breedte van de bestuurderscabine.

Ook in de kleine bestelauto met hoog dak moet de vaste wand met een hoogte van 30 cm op maximaal 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel worden geplaatst (in plaats van direct achter de bestuurderszitplaats). Uiteraard onder de voorwaarde, dat de laadruimte een minimale lengte van 125 cm blijft behouden en ook aan alle overige gestelde eisen blijft voldoen. Zijruiten of gedeelten van zijruiten die voor de plaats van de wand zijn gelegen, worden geacht in de bestuurderscabine te vallen. Deze ruiten behoeven niet te worden geblindeerd.

Voor de wijze waarop de hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1. De meetmethode met betrekking tot de hoogte van het dak is beschreven in paragraaf 3.7.7, onder A.

§ 3.3.4. Bestelauto’s met dubbele cabine [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

De bestelauto’s met dubbele cabine hebben een laadruimte die een hoogte heeft van ten minste 130 cm over tenminste 150 cm van de lengte en tenminste 20 cm van de breedte. Verder moet de lengte van de laadruimte ten minste tweederde zijn van de lengte die de laadruimte zou hebben gehad als het motorrijtuig niet was voorzien van een dubbele cabine. Daarbij geldt de eis dat de laadruimte een lengte moet hebben van ten minste 150 cm. Daarnaast moet de laadruimte ten minste twee maal zo lang zijn als de cabine, behalve wanneer de cabine ten minste 130 cm hoog is. Tot slot geldt nog de voorwaarde dat 40% van de laadruimte voor het hart van de achterste as moet liggen.

Achter de bestuurder mogen zitplaatsen worden aangebracht voor hoogstens een rij naast elkaar in de rijrichting zittende personen. Het is tevens toegestaan de zitplaatsen dwars op de rijrichting te plaatsen.

De laadruimte mag voorzien zijn van niet meer dan één zijruit aan de rechterzijde van het motorrijtuig en moet van de cabine zijn afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine. De wand moet direct achter de zitruimte zijn aangebracht en ten minste dezelfde hoogte hebben als de cabine.

Voor de wijze waarop de hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1. De meetmethode met betrekking tot de hoogte van de cabine is beschreven in paragraaf 3.7.2.

B. ‘Anderhalve’ cabines [Vervallen per 16-06-2010]

In de praktijk wordt ook wel gesproken over de zogenoemde anderhalve cabines. Dit zijn bestelauto’s, meestal pick-up’s, met voor in de cabine volwaardige zitplaatsen, terwijl achterin slechts ruimte is voor kleine (klap)stoeltjes.

Wat betreft de positie van de zogenoemde anderhalve cabines kan een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de anderhalve cabines zonder andere zitplaatsen dan die van de bestuurder en de daarnaast gezeten bijrijder(s) en anderzijds de anderhalve cabines die zijn uitgerust met meer zitplaatsen dan die voor bestuurder en bijrijder(s) (meestal klapstoeltjes).

De eerstgenoemde groep betreft in feite motorrijtuigen met een ‘gewone’ enkele cabine. Deze motorrijtuigen moeten voldoen aan de inrichtingseisen voor de categorieën genoemd in de paragrafen 3.3.1, 3.3.2, en 3.3.3. Daarbij mag de vaste scheidingswand ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel zijn geplaatst (zie paragraaf 3.3.6).

Auto’s in de laatstgenoemde groep, met – weliswaar kleine – zitplaatsen achter de voorstoelen, moeten voldoen aan alle eisen die aan de dubbele cabines worden gesteld (zie onder A).

§ 3.3.5. Pick-ups [Vervallen per 16-06-2010]

Pick-ups zijn bestelauto’s met een open laadbak. De pick-ups zijn in de wet niet opgenomen als afzonderlijke categorie maar kunnen behoren tot de categorieën genoemd in paragrafen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.4. De laadbak moet zijn voorzien van een vaste vlakke laadvloer en, afhankelijk van het type motorrijtuig, minimaal 125 cm lang zijn. De pick-ups moeten voorts, al naar gelang het type motorrijtuig (enkele of dubbele cabine), aan de desbetreffende inrichtingseisen voldoen. De in het algemeen gestelde eisen met betrekking tot de hoogte van de laadruimte en de afwezigheid van zijruiten, hebben voor motorrijtuigen van het type pick-up uiteraard geen betekenis. Voor het overkappen van de open laadbak van pick-ups wordt verwezen naar paragraaf 3.3.7.

Voor de wijze waarop de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1.

§ 3.3.6. Ombouw pick-up dubbele cabine tot enkele cabine [Vervallen per 16-06-2010]

Bij het ombouwen van een bestelauto type pick-up met dubbele cabine (of zogenoemde anderhalve cabine) tot een bestelauto met enkele cabine moet als volgt worden gehandeld.

Tussen de cabine en de laadruimte moet een vaste wand worden geplaatst op ten hoogste 115 cm gerekend vanaf de achterste stand van het stuurwiel. De extra zitplaatsen achter de bestuurders- en bijrijdersstoel moeten worden verwijderd. Door het aanbrengen van de vaste wand ontstaan er twee laadruimtes achter de bestuurderscabine: één gesloten en één open. De extra laadruimte die ontstaat tussen de geplaatste wand en de achterzijde van de cabine is een gesloten laadruimte. Achter deze gesloten laadruimte bevindt zich de open laadbak, die moet voldoen aan de lengte-eis van 125 cm. In dat geval zijn aan de extra gecreëerde gesloten laadruimte geen extra inrichtingseisen gesteld, met uitzondering van de voorwaarde dat deze gesloten laadruimte niet mag zijn voorzien van een linker zijruit. Een eventueel aanwezige ruit moet worden verwijderd op de wijze zoals is beschreven in paragraaf 3.7.5.

§ 3.3.7. Overkappen open laadbak [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Als bij bestelauto’s van het type pick-up (zie paragraaf 3.3.5) de open laadbak wordt overkapt, kan dat consequenties hebben voor de heffing van de BPM. In dat geval ontstaat immers een gesloten laadruimte waarop de inrichtingseisen met betrekking tot de afmetingen van die laadruimte en de eventuele aanwezigheid van zijruiten wél van toepassing zijn. Verder is van belang of het een bestelauto betreft die vóór of vanaf 1 juli 2005 in gebruik is genomen.

Of na het overkappen van de laadbak van een bestelauto die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen tot heffing van de BPM moet worden overgegaan, is afhankelijk van de afmetingen en de inrichting van de dan ontstane, gesloten laadruimte (zie verder onder B).

Als het motorrijtuig na overkapping van de laadruimte als personenauto moet worden aangemerkt en als zodanig wordt geregistreerd in het kentekenregister, is BPM verschuldigd ter zake van de registratie (zie paragraaf 2.1.2). Wordt er geen nieuw kenteken opgegeven, dan is de BPM voor een bestelauto, die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen, op grond van artikel 1, derde lid, van de wet verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met de personenauto in Nederland (zie paragraaf 2.2.3).

Bestelauto’s, die vanaf 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen, zijn al betrokken in de heffing van BPM. Zij mogen zonder gevolgen voor de heffing van BPM worden omgebouwd tot personenauto. Voor zo’n bestelauto kan echter teruggaaf van BPM zijn verleend op basis van de ondernemers- of gehandicaptenregeling (zie hoofdstuk 10). Deze teruggaafregelingen kennen een aantal voorwaarden. Als na een positieve teruggaafbeschikking niet langer aan deze voorwaarden wordt voldaan, is BPM verschuldigd. Dit is bijvoorbeeld het geval als de bestelauto zodanig wordt omgebouwd dat niet meer wordt voldaan aan de daartoe gestelde inrichtingseisen. Voor bestelauto’s van ondernemers is in dat geval artikel 1, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing (artikel 15b, elfde lid, van de wet). Voor bestelauto’s van gehandicapten geldt artikel 15a, achtste lid, van de wet. Verwezen wordt naar paragraaf 2.6.

Wat betreft het beleid ten aanzien van de plaatsing van een container op een open laadbak wordt verwezen naar paragraaf 3.3.8.

B. Afmetingen en de inrichting van de gesloten laadruimte [Vervallen per 16-06-2010]

Met betrekking tot de hoogte, de lengte en de blindering van de overkapte laadruimte zijn de volgende eisen van toepassing.

Als het motorrijtuig een pick-up met enkele cabine is, en de overkapte laadruimte

  • een lengte heeft van ten minste 125 cm, en

  • een hoogte van ten minste 98 cm over deze lengte en over ten minste 20 cm van de breedte én

  • geen zijruiten bevat dan wel is voorzien van slechts één zijruit aan de rechterzijde,

kan heffing van BPM achterwege blijven.

Als de laadruimte

  • een lengte heeft van ten minste 200 cm, en

  • over ten minste 200 cm van de lengte en ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm,

zijn zijruiten rondom toegestaan.

Als het motorrijtuig een pick-up met dubbele cabine is, en de overkapte laadruimte

  • een lengte heeft van ten minste 150 cm en

  • over deze lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm, én

  • de laadruimte geen zijruiten bevat dan wel is voorzien van slechts één zijruit aan de rechterzijde,

kan heffing van BPM achterwege blijven.

In deze situaties zal uiteraard ook aan de overige vereisten moeten zijn voldaan betreffende de aanwezigheid van een vaste vlakke laadvloer, de vaste scheidingswand, de eenderde/tweederde eis en de 40% norm (zie paragraaf 3.3.4).

Voor de wijze waarop de hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.1.

C. Geen overkapping [Vervallen per 16-06-2010]

Van overkapping zoals hiervoor bedoeld is overigens geen sprake als de open laadbak van een pick-up wordt afgedekt met een dekzeil of een plat (polyester) deksel, dat louter dient ter bescherming van de lading en/of de laadbak, op zodanige wijze dat er sprake blijft van een motorrijtuig met open laadbak. Of er sprake is van een gesloten of van een open laadruimte kan worden beoordeeld aan de hand van de aard van de constructie (eenvoudige buizen huifconstructie) en het materiaal waarvan de overkapping is vervaardigd (zeildoek). Steeds zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of er door het aanbrengen van de overkapping een dichte laadruimte is ontstaan dan wel gelet op de eenvoudige, gemakkelijk te verwijderen constructie en het materiaal daar geen sprake van is.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Den Haag, 21 februari 1996, nr. 94/1893 (VN 1997/1679)

Plaatsing in 1992 van een huif op de open laadruimte van een dubbele cabine pick-up. Geen registratie als personenauto en geen aanvang weggebruik in 1993, zodat er geen belastbaar feit is. De plaatsing van de huif doet overigens niet af, gelet op de constructie, aan de situatie dat er sprake is van een open laadbak.

– Hoge Raad, 10 september 1997, nr. 32603 (Infobulletin 1997/603 en 763, BNB 1997/354, FED 1997/670, VN 1997/4133, WFR 1997/1363)

Een auto met dubbele cabine en een open laadbak, die zich in 1993 op de weg bevond, was voorzien van een eenvoudige overkapping (huif) van zeildoek over de laadbak. Niet kan worden gezegd dat met het enkel aanbrengen van een zodanige huif het motorrijtuig niet meer is voorzien van een open laadbak.

– Hoge Raad, 13 oktober 1999, nr. 34696 (Infobulletin 1999/801, BNB 2000/208)

Zonder nadere motivering is de stelling van het Hof dat een auto, type pick-up, voorzien van een polyester kap met daarin zijruiten, niet vergelijkbaar is met een Cabrio voorzien van een softtop, niet begrijpelijk, omdat artikel 3 van de wet geen onderscheid maakt tussen motorrijtuigen voorzien van een hardtop en die welke zijn voorzien van een softtop. Verwijzing volgt.

§ 3.3.8. Plaatsing container in open laadbak [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Op de markt zijn containers verkrijgbaar, die speciaal zijn ontworpen om te worden geplaatst in de open laadbak van motorrijtuigen van het type pick-up. Deze containers kunnen veelal slechts worden geplaatst op één bepaald merk en typemotorrijtuig en sluiten qua vorm geheel bij dat motorrijtuig aan. Een motorrijtuig waarop een dergelijke container is geplaatst, wijkt visueel dan ook niet of nauwelijks af van een motorrijtuig waarvan de laadruimte van een overkapping is voorzien. In beginsel zal plaatsing van een dergelijke container dan ook dezelfde fiscale gevolgen moeten hebben als de plaatsing van een overkapping op de laadruimte, zoals omschreven in paragraaf 3.3.7.

Onder bepaalde omstandigheden kan een container zoals hiervoor is bedoeld echter een zodanige zelfstandige functie vervullen dat deze niet kan worden beschouwd als onderdeel van het motorrijtuig waarop deze is geplaatst. Plaatsing van zo’n container op een bestelauto die vóór 1 juli 2005 in gebruik is genomen hoeft dan ook niet tot de heffing van BPM te leiden (zie paragraaf 3.3.7). In ieder geval moet dan sprake zijn van een afzetbare container waarvan het aannemelijk is dat deze geheel zelfstandig zal dienen voor het vervoer van goederen. Een en ander zal uit de constructie van de container en de wijze van bevestiging op het motorrijtuig moeten blijken. Als zodanige containers zijn aan te merken containers die:

  • geheel afsluitbaar zijn,

  • een laadvermogen bezitten dat ten minste gelijk is aan de helft van het laadvermogen van het motorrijtuig waarop die container is geplaatst,

  • zowel in ongeladen als in beladen toestand op eenvoudige wijze op het motorrijtuig kunnen worden geplaatst en daarvan weer kunnen worden verwijderd,

  • niet zijn voorzien van zijruiten dan wel slechts één zijruit aan de rechterzijde bevatten,

  • door de leveranciers naar het publiek toe worden gepresenteerd als afzetbare (vracht)containers.

Voor wat het eenvoudig plaatsen en verwijderen van de container betreft, is toegestaan dat er een verbindingsdraad tussen de container en de carrosserie voor de verlichting e.d. is aangebracht, die is onderbroken door een stekker.

B. Kampeercontainers [Vervallen per 16-06-2010]

Een bestel- of vrachtauto waarop een kampeercontainer is geplaatst wordt niet als een personenauto aangemerkt als aan het desbetreffende motorrijtuig geen handelingen worden verricht, waardoor hij in een zodanige staat is gebracht dat kan worden gezegd dat hij uit hoofde van zijn bouw kan dienen voor het vervoer van personen langs de weg. Dit houdt onder andere in dat:

  • de kampeercontainer op eenvoudige wijze op het motorrijtuig moet kunnen worden bevestigd en daarvan weer verwijderd,

  • er geen doorgang mag zijn tussen de bestuurderscabine en de kampeercontainer,

  • er overigens geen voorzieningen aan het motorrijtuig mogen worden aangebracht die het motorrijtuig in het bijzonder geschikt maken om samen met de kampeercontainer te worden gebruikt.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 15 mei 1985, nr. 23123, BNB 1985/208

Plaatsing losse kampeercontainer op vrachtauto leidt niet tot heffing van BVB.

– Hoge Raad, 19 maart 1997, nr. 32085 (BNB 1997/142, VN 1997/1682)

Een opening van 50 bij 70 cm, voorzien van een verwijderbare glasplaat, tussen de bestuurderscabine van een chassis-cabine en de daarop geplaatste kampeercontainer kan door een volwassen persoon worden gebruikt om zich van de kampeercontainer naar de bestuurderscabine te begeven, en vormt een doorgang als bedoeld in § 14.3.1. van de voormalige Leidraad BPM (zie § 3.3.8 onder B). Het desbetreffende motorrijtuig is dus een personenauto.

§ 3.3.9. Bedrijfswagens met een bijzondere vorm van bovenbouw [Vervallen per 16-06-2010]

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om bedrijfswagens met een bijzondere opbouw, zoals onder andere de bedrijfswagens met een hoogwerker, de asfaltwagens en de lichte vuilniswagens, door de eis van de vlakke laadvloer of de inrichtingseisen van de laadruimte zonder meer uit te sluiten van de categorie bestelauto’s.

Een bestelauto moet zich qua uiterlijk en inrichting duidelijk onderscheiden van een personenauto. Het totale voertuig (chassis en opbouw) moet dan ook steeds worden beoordeeld tegen deze achtergrond. Tevens is van belang of het vervoer van personen ondergeschikt is aan het vervoer van lading. Bij deze auto’s is het evident dat zij zich duidelijk onderscheiden van personenauto’s en dat het vervoer van personen van ondergeschikte betekenis is ten opzichte van de aard van het vervoer waarvoor het motorrijtuig is ingericht. Deze auto’s worden dan ook fiscaal aangemerkt als bestelauto.

Wat betreft de maatstaf van heffing voor deze motorrijtuigen wordt verwezen naar paragraaf 6.6.6.

B. Bedrijfswagens met bovenbouwvermelding ‘trekker’ of ‘voor verwisselbare opbouw’ [Vervallen per 16-06-2010]

De categorie motorrijtuigen die als bovenbouwvermelding ‘trekker’ of ‘voor verwisselbare opbouw’ op het kentekenbewijs krijgen, wijken af van de bedrijfswagens met een bijzondere opbouw (zie onder A).

  • Deze motorrijtuigen kunnen ook gebruikt worden zonder dat de oplegger, aanhanger of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading.

  • Sommige uitvoeringen onderscheiden zich qua uiterlijk niet langer van motorrijtuigen die als personenauto worden aangemerkt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een pick-up met laadbak waar de schotel in de laadbak wordt gemonteerd en de laadbak als zodanig aanwezig blijft.

Afmeting laadruimte pick-up [Vervallen per 16-06-2010]

Een pick-up wordt alleen als bestelauto aangemerkt als wordt voldaan aan verschillende voorwaarden met betrekking tot onder andere de maten van de laadruimte (zie paragrafen 3.3). Wanneer de laadbak van zo’n voertuig wordt verwijderd kan echter niet langer worden bepaald welke afmeting de laadruimte heeft. Een bedrijfswagen met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een container-frame is gemonteerd, onderscheidt zich evenwel qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last. Daarom wordt aangenomen dat in dat geval de laadruimte op zich voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de laadruimte van een bestelauto (al dan niet met dubbele cabine).

Als echter de laadbak op de auto aanwezig blijft, onderscheidt het motorrijtuig zich uiterlijk niet van de ‘normale’ pick-up. Een pick-up met laadbak moet daarom worden beoordeeld op grond van alle inrichtingseisen voor een bestelauto. Dit geldt eveneens als in een later stadium een laadbak wordt aangebracht. Een en ander houdt in, dat als de pick-up met laadbak niet (meer) voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, er een personenauto is ontstaan en BPM is verschuldigd.

Hoogte dubbele cabine [Vervallen per 16-06-2010]

Aan motorrijtuigen met een dubbele cabine wordt ook een eis gesteld aan de cabine van de auto. Als de laadruimte van de auto niet tweemaal de lengte heeft van de cabine dan moet de cabine een hoogte bezitten van 130 cm (zie paragraaf 3.3.4). Aangezien de lengte van de laadruimte bij motorrijtuigen zonder laadbak, die als bovenbouwvermelding ‘trekker’ of ‘voor verwisselbare opbouw’ hebben, niet kan worden bepaald, kunnen zij alleen als bestelauto worden aangemerkt als zij voldoen aan de hoogte-eis van de cabine van 130 cm. Wat betreft het aanpassen van de hoogte van de cabine wordt verwezen naar paragraaf 3.7.2.

Bovencode [Vervallen per 16-06-2010]

Aangezien het vervoeren van een last de reden is dat op het chassis een koppelschotel dan wel een container-frame wordt gemonteerd, moet de auto niet alleen geschikt zijn voor dat vervoer maar ook zijn als zodanig zijn gekeurd door de RDW. Op het kentekenbewijs is in dat geval als vermelding de bovencode van ‘trekker’ dan wel ‘voor wisselbare opbouw’ opgenomen.

(Kampeer)container [Vervallen per 16-06-2010]

Als op een motorrijtuig met op het kentekenbewijs de vermelding ‘voor wisselbare opbouw’ een (kampeer)container wordt gemonteerd, moet deze voldoen aan de eisen die in paragraaf 3.3.8 aan (kampeer)containers worden gesteld.

Bovendien moet de lengte van de laadruimte in de container tenminste de lengte van de (dubbele) cabine bedragen. De lengte van de cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt.

§ 3.3.10. Vervoer van een rolstoel in de laadruimte [Vervallen per 16-06-2010]

Let op!

Deze paragraaf geldt alleen voor bestelauto’s die vóór 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen (zie paragraaf 2.1.1 onder B). Met de inwerkingtreding per deze datum van de gehandicaptenregeling (zie paragraaf 10.2) heeft zij haar belang voor de overige bestelauto’s verloren en is voor die categorie bestelauto’s daarom ingetrokken.

A. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Bij het aanpassen van een bestelauto, zodat een rolstoel of andere zitmogelijkheid (hierna: rolstoel) als lading kan worden vervoerd, wordt op de laadvloer van de bestelauto in verband met de veiligheid veelal een voorziening voor het vastzetten van de rolstoel aangebracht. Een dergelijke voorziening blijkt zich in praktijk niet of nauwelijks te onderscheiden van die, welke wordt aangebracht om het vervoer van de gehandicapte in de rolstoel mogelijk te maken.

Beoordeeld naar de inrichting als zodanig is de conclusie gerechtvaardigd dat er sprake is van een personenauto. Hetzelfde doet zich voor als de tussenwand die voor bepaalde bestelauto’s (zowel in motorrijtuigen met een enkele als in motorrijtuigen met een dubbele cabine) verplicht is, wordt verwijderd om de gehandicapte in staat te stellen op de voorstoelen plaats te nemen. Ook in dat geval moet na die aanpassing het motorrijtuig aangemerkt worden als een personenauto waarvoor men BPM verschuldigd is.

B. Goedkeuring [Vervallen per 16-06-2010]

In de gevallen, waarin gelet op de omstandigheden en de maatregelen die zijn getroffen, het duidelijk is dat de rolstoel wordt vervoerd als lading, is het niet redelijk het motorrijtuig op grond van die inrichting met BPM te belasten. In dergelijke gevallen wordt goedgekeurd dat het BPM-aangiftepunt van het douanekantoor waaronder de belanghebbende ressorteert of waar het bedrijf dat de aanpassing verricht is gevestigd, op schriftelijk daartoe gedaan verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde, bij vergunning bepaalt dat de heffing van BPM onder de hierna te noemen voorwaarden achterwege blijft.

C. Rolstoel als lading [Vervallen per 16-06-2010]

Omstandigheden die een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de rolstoel wordt vervoerd als lading zijn de volgende.

  • In het motorrijtuig zijn voorzieningen aangebracht voor het naar achteren verschuiven van de bestuurderszitplaats dan wel de bijrijderszitplaats.

  • De bestuurdersstoel dan wel de bijrijdersstoel ontbreekt. Daarvoor in de plaats zijn voorzieningen aangebracht die het mogelijk maken om de rolstoel tijdens het rijden op een van deze plaatsen te bevestigen. Ook in dat geval wordt de gehandicapte niet in de laadruimte vervoerd.

  • In het motorrijtuig is een takelinstallatie of een andere technische voorziening aanwezig die het mogelijk maakt dat de gehandicapte zelf op een van de voorstoelen kan plaatsnemen.

  • In het motorrijtuigen zijn andere voorzieningen aanwezig dan wel aangebracht die verband houden met de handicap van de gebruiker, bijvoorbeeld aanpassingen en/of voorzieningen die op het rijbewijs van de gebruiker van het motorrijtuig onder ‘beperkingen’ vermeld staan.

Niet ondenkbaar is dat in de praktijk andere aanpassingen worden of zijn aangebracht, gezien de specifieke, persoonlijke omstandigheden van de gebruiker. Ook in die gevallen kan de rolstoel als lading worden vervoerd.

De goedkeuring is beperkt tot gehandicapten die rolstoelafhankelijk zijn. Op verschillende manieren kan worden aangetoond of een gehandicapte rolstoelafhankelijk is. Mogelijkheden daartoe zijn bijvoorbeeld een verklaring van de huisarts of een indicatie als bedoeld in de Wet voorziening gehandicapten.

D. Vaste wand, vlakke laadvloer e.d. [Vervallen per 16-06-2010]

In de gevallen waarin de rolstoel wordt geplaatst in de cabine (enkel of dubbel) en bovengenoemde voorzieningen aanwezig zijn, mag de gehele vaste wand die voor bepaalde bestelauto’s verplicht is worden verwijderd. De laadruimte van de bestelauto mag verder in verband met de handicap van de gehandicapte zodanig zijn aangepast dat zij niet meer in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. Verwezen wordt naar de overeenkomstige aanvullende bepalingen in paragraaf 10.2.5.

E. Zijruiten [Vervallen per 16-06-2010]

Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat uiteraard wel moet blijven worden voldaan aan de blinderingseisen en de overige inrichtingseisen die ingevolge artikel 3, derde lid, van de wet aan een bestelauto worden gesteld.

Een en ander betekent dat bij een motorrijtuig met enkele cabine de eventuele in de laadruimte aanwezige zijruiten moeten worden verwijderd en moeten worden vervangen door panelen van ondoorzichtig materiaal, die op onverbrekelijke wijze moeten worden bevestigd aan de carrosserie, zoals gesteld in artikel 2, tiende lid, van de regeling (zie paragraaf 3.7.5).

Bij motorrijtuigen voorzien van een dubbele cabine geldt in beginsel een zelfde eis. De laadruimte in een motorrijtuig met dubbele cabine is de ruimte achter de vaste wand over de gehele breedte en lengte van het motorrijtuig. Goedgekeurd is, dat in de hier aan de orde zijnde situaties de direct achter de vaste wand aangebrachte, in de laadruimte aanwezige zijruit(en) niet behoeven te worden verwijderd, mits deze aan de binnenzijde van het deel, dat overeenkomt met de laadruimte van het motorrijtuig, zijn afgeschermd respectievelijk zijn geblindeerd door de aanwezige ‘zijflappen’ van de tussenwand. Dit betekent dus in de praktijk dat het zijraam deels moet worden geblindeerd, namelijk voor zover het gaat om de oppervlakte van het raam, dat uitzicht geeft op de laadruimte (zie ook 3.7.6 onder D).

F. Verzoek [Vervallen per 16-06-2010]

Het schriftelijk verzoek om een vergunning voor het vervoer van een rolstoel in de laadruimte, het weglaten van een vaste wand en/of het aanpassen van de vlakke laadvloer moet de belanghebbende of zijn gemachtigde, het bedrijf dat de aanpassing verricht, (namens hem) indienen bij het BPM-aangiftepunt van het douanekantoor waaronder hij ressorteert. Het verzoek, dat eventueel gedaan kan worden voordat de aanpassingen en/of voorzieningen zijn aangebracht, moet tenminste de volgende gegevens bevatten.

  • De naam van degene op wiens naam het motorrijtuig is of wordt geregistreerd.

  • De naam (namen) van de gehandicapte⁠(n) die van het motorrijtuig gebruik zal (zullen) maken.

  • Het kenteken van het motorrijtuig.

  • De aanpassingen die zijn of worden verricht.

  • Een omschrijving van de aanpassingen en de overige omstandigheden die duidelijk maken dat een eventuele geplaatste rolstoel in de laadruimte alleen als lading wordt vervoerd.

Verder moet de belanghebbende verklaren dat:

  • de rolstoel, als die in de laadruimte wordt vervoerd, niet als zitplaats zal worden gebruikt, en

  • hij bij vervreemding en/of het voor andere doeleinden gaan gebruiken van het motorrijtuig dan waarop de vergunning van toepassing is, de inspecteur daarvan vooraf in kennis zal stellen onder betaling van de dan verschuldigde BPM.

G. Vergunning en verschuldigdheid [Vervallen per 16-06-2010]

Deze goedkeuring is van toepassing op bestelauto’s voor gehandicapten die rolstoelafhankelijk zijn. In het algemeen wordt de vergunning afgegeven aan degene op wiens naam het kentekenbewijs van het betreffende motorrijtuig is of zal worden gesteld. Het kan voorkomen dat degene te wiens naam de vergunning moet worden afgegeven een ander is dan degene te wiens naam het kentekenbewijs van het motorrijtuig is gesteld. De inspecteur kan ook dan een vergunning afgeven, mits hij van oordeel is dat de feitelijke omstandigheden zulks rechtvaardigen.

In de te verlenen vergunning neemt de inspecteur in ieder geval op hetgeen onder C tot en met F is vermeld.

Tevens wordt in de vergunning opgenomen dat de vergunning desgevraagd aan de ambtenaren moet worden getoond en dat bij vervreemding of als wordt gehandeld in strijd met de voorwaarden en bepalingen van deze vergunning, de BPM verschuldigd wordt. De vergunning kent geen beperking in geldigheidsduur.

De BPM wordt overigens niet verschuldigd als de belanghebbende aantoont het motorrijtuig voor vervreemding zodanig te hebben aangepast dat deze gelet op artikel 3, derde lid, van de wet, (weer) kan worden aangemerkt als een bestelauto.

Het is mogelijk dat de belanghebbende het motorrijtuig wenst te vervreemden aan een andere persoon, die ook in aanmerking komt voor deze regeling. In dat geval moet deze persoon, voordat de overdracht plaats vindt, in het bezit zijn van een vergunning zoals hier bedoeld.

H. Verschuldigdheid na overlijden gehandicapte [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer niet langer aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan, moet het resterende BPM-bedrag worden voldaan. Dit is echter niet passend in de situatie dat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan omdat de gehandicapte is overleden. Voor die situatie wordt daarom afgezien van heffing van BPM op voorwaarde dat de tenaamstelling van het kenteken niet wijzigt, tenzij het kenteken op naam stond van de overleden gehandicapte. In dat geval kan de vrijstelling op verzoek ook worden voortgezet als het kenteken op naam worden gesteld van een inwonend lid van het gezin waartoe de gehandicapte behoorde. Het gezinslid treedt dan voor de toepassing van de regeling in de plaats van de gehandicapte.

Wordt niet meer aan deze voorwaarden voldaan, dan moet alsnog de BPM worden voldaan.

§ 3.4. Begrip motorrijwiel (artikel 4 van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 3.4.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de wet wordt onder het begrip ‘motorrijwielen’ verstaan een motorrijtuig op twee wielen, ook als daaraan een zijspanwagen is verbonden.

Voor scooters gelden dezelfde bepalingen als voor motorrijwielen. Bromfietsen zijn geen motorrijwielen als ze voldoen aan de voorwaarden voor bromfietsen in de wegenverkeerswetgeving (zie paragraaf 3.4.5).

§ 3.4.2. Met motorrijwielen gelijkgestelde motorrijtuigen [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van het tweede lid van artikel 4 van de wet kunnen bepaalde motorrijtuigen op meer dan twee wielen die een grote gelijkenis vertonen met motorrijwielen, daarmee worden gelijkgesteld. In artikel 4 van de regeling zijn hiervoor nadere regels gesteld.

Om te beoordelen of een motorrijtuig op meer dan twee wielen als een personenauto of als een motorrijwiel moet worden aangemerkt, moeten alle verschillende kenmerken, de uiterlijke verschijning en de maatschappelijke aard van het motorrijtuig in ogenschouw worden genomen. Wanneer een motorrijtuig afwijkt van een (of meer) van de kenmerken, genoemd in artikel 4 van de regeling moet, op grond van alle kenmerken tezamen waarvan de uiterlijke verschijningsvorm deel uit maakt, worden beoordeeld of het motorrijtuig een grote gelijkenis vertoont met een motorrijwiel en als zodanig kan worden gekwalificeerd.

§ 3.4.3. Trikes [Vervallen per 16-06-2010]

In artikel 4 van de regeling is aan artikel 4, tweede lid, van de wet onder andere uitvoering gegeven voor de zogenaamde trikes. Deze motorrijtuigen kenmerken zich door een grote gelijkenis met een motorrijwiel. Voor de heffing van de BPM worden zij gelijkgesteld met motorrijwielen als zij:

  • geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee personen,

  • niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie,

  • zijn geconstrueerd met een frame,

  • een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel, en

  • een centraal geplaatste motor en versnellingsbak hebben.

Om een motorrijtuig als trike aan te merken moeten verschillende kenmerken beoordeeld worden, zoals het frame, het dragend gedeelte, de stuurinrichting, de motorophanging, het aantal personen dat kan worden vervoerd en de uiterlijke verschijningsvorm. Deze kenmerken moeten in hun onderlinge samenhang worden bezien waarbij niet kan worden gesteld dat aan één van de kenmerken doorslaggevende betekenis toekomt. Wanneer derhalve een van de kenmerken afwijkt moet op grond van alle kenmerken van het betreffende motorrijtuig tezamen, waarvan de uiterlijke verschijningsvorm deel uitmaakt, worden beoordeeld of het motorrijtuig een grote gelijkenis vertoont met een motorrijwiel en derhalve nog kan worden aangemerkt als trike.

Als bij een trike de motor tussen de achterwielen is gelegen in plaats van tussen het voorwiel en de achterwielen en de trike overigens aan alle voorwaarden die in de regeling worden gesteld voldoet, behoudens de centrale ligging van de motor, kan ook dit motorrijtuig, mede gelet op bovengestelde, worden aangemerkt als een motorrijwiel.

Als de trike geschikt is voor het vervoer van drie personen (de zogenaamde familiemodeluitvoering) maar alle kenmerken aanwezig zijn die erop duiden dat er naar maatschappelijke aard en functie, eerder sprake is van een motorrijwiel dan van een personenauto, zoals de aanwezigheid van een frame, de directe stuuroverbrenging naar het stuurwiel, het ontbreken van een gesloten carrosserie, kan ook dit motorrijtuig als motorrijwiel worden aangemerkt.

Het driewielig motorrijtuig ‘Carver’ is geconstrueerd met een frame, kent een directe stuuroverbrenging naar het stuurwiel en is geschikt voor het vervoer van ten hoogste twee personen. Gezien de specificaties en constructie wordt de Carver door de RDW aangemerkt als een driewieler aangezien de Carver past binnen de definitie van driewielers zoals die wordt gesteld in de richtlijn 92/61/EEG (richtlijn betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorrijtuigen). Ook qua weggedrag is de Carver vergelijkbaar met een motorrijwiel, zoals het overhellen in de bochten e.d. Al deze kenmerken van de ‘Carver’ duiden er dus op dat er naar maatschappelijke aard en functie eerder sprake is van een motorrijwiel dan van een personenauto. Dat de Carver daarnaast een gesloten carrosserie heeft, is op zich geen reden de Carver niet aan te merken als motorrijwiel.

§ 3.4.4. Quad’s [Vervallen per 16-06-2010]

Een quad is een motorrijtuig op vier wielen dat kan dienen voor het vervoer van personen (ten hoogste twee inclusief de bestuurder) en/of goederen of voor het voorttrekken van aanhangwagens en werktuigen zoals sproei-installaties, kunstmestverspreiders etc. Gelet op de aard van het motorrijtuig (licht in gewicht, grote trekkracht, geschikt voor zwaar terrein) wordt het motorrijtuig voornamelijk bedrijfsmatig gebruikt door veehouders en land- en tuinbouwers.

In artikel 4 van de regeling staan de specificaties van de motorrijtuigen, die gelijkgesteld worden met motorrijwielen. De quad voldoet daaraan en is dus, net als de trike, voor de heffing van de BPM een motorrijwiel. De bediening en zitpositie, net als de toegepaste combinatie van motortechniek, stemt ook meer overeen met die van een motorrijwiel dan met die van een personenauto.

§ 3.4.5. Bromfietsen [Vervallen per 16-06-2010]

Bromfietsen in de zin van de wegenverkeerswetgeving worden niet als motorrijwiel aangemerkt.

Als een bromfiets echter zodanig wordt gewijzigd (‘opgevoerd’) dat deze niet meer voldoet aan de wettelijke bepalingen voor bromfietsen, moet hij worden aangemerkt als een motorrijwiel.

§ 3.5. Begrip autobus (artikel 3, lid 2, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet worden autobussen niet als personenauto aangemerkt. In artikel 3, tweede lid wordt een autobus omschreven als een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.

Onder het begrip autobus worden uitsluitend motorrijtuigen verstaan die voldoen aan bij of krachtens de Wegenverkeerswet gegeven voorschriften voor autobussen. Motorrijtuigen die hieraan niet voldoen, moeten, ongeacht het aantal zitplaatsen, steeds als personenauto worden aangemerkt. Dit geldt eveneens voor kampeerauto’s (zie paragraaf 3.2.2).

§ 3.6. Begrip vrachtauto (artikel 3, lid 1, letter c, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 3.6.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Vrachtauto’s zijn alle motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mits zij niet zijn ingericht voor personenvervoer. Onder de toegestane maximummassa wordt verstaan het eigen gewicht van het motorrijtuig, vermeerderd met het laadvermogen (artikel 3, vierde lid, van de wet). In de autobranche wordt de toegestane maximummassa vaak aangeduid als GVW (Gross Vehicle Weight).

Ten aanzien van deze categorie motorrijtuigen zijn geen eisen gesteld aan afmetingen en inrichting van de laadruimte. Alleen als ze zijn ingericht voor het vervoer van personen, bijvoorbeeld als zich in de laadruimte zitplaatsen bevinden, worden ze als personenauto aangemerkt.

Wat betreft het criterium ‘niet ingericht voor het vervoer van personen’ wordt nog het volgende opgemerkt. Als een motorrijtuig (ook) is ingericht voor het vervoer van personen, moet dat motorrijtuig worden aangemerkt als een personenauto, ook als het tevens geschikt is voor andere doeleinden. Deze regel leidt uitzondering als moet worden aangenomen dat, zoals het geval is bij vrachtwagens, de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt is aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens is ingericht en aldus geen zelfstandige betekenis heeft (zie onder ‘Jurisprudentie’). In dit verband is dus de mogelijkheid tot personenvervoer en niet het gebruik beslissend voor de vraag of er sprake is van een personenauto (zie verder paragraaf 3.6.2).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 1 juli 1987, nr. 24351 (BNB 1987/268*, FED 1997/331 en 1988/3, VN 1987/1816)

Als een motorrijtuig (ook) is ingericht voor het vervoer van personen, moet dat motorrijtuig worden aangemerkt als een personenauto, ook als het tevens geschikt is voor andere doeleinden, tenzij moet worden aangenomen dat, zoals het geval is bij vrachtwagens, de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt is aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens is ingericht en aldus geen zelfstandige betekenis heeft.

– Hoge Raad, 15 september 1993, nr. 29113 (Infobulletin 1994/64, BNB 1993/315, FED 1993/735, VN 1993/3583, WFR 1993/15480)

Het Hof heeft ten onrechte zijn oordeel gebaseerd op het gebruik dat belanghebbende van de auto maakt. Niet het gebruik, doch de mogelijkheid tot personenvervoer is beslissend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een personenauto in de zin van het tweede lid van artikel 50 van de Wet OB.

§ 3.6.2. Multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen [Vervallen per 16-06-2010]

A. Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

Multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg zijn motorrijtuigen die naast de mogelijkheid tot het vervoeren van lading tevens voorzieningen bevatten voor het verblijf, de verzorging en de overnachting van personen (multifunctionele inrichting). De motorrijtuigen waar het hier om gaat hebben geen standaard inrichting, maar worden in het algemeen ingericht volgens de specifieke wensen van de gebruiker. Het betreft bijvoorbeeld motorrijtuigen bedoeld en ingericht om paarden naar evenementen te vervoeren, terwijl in dit motorrijtuig tevens kan worden overnacht.

Alleen als de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt is aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens is ingericht en aldus geen zelfstandige betekenis heeft (zie paragraaf 3.6.1), worden multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg worden voor de heffing van BPM niet als personenauto aangemerkt.

B. Goedkeuring [Vervallen per 16-06-2010]

Aangezien in de jurisprudentie steeds uitsluitend één specifieke inrichting onderwerp van geschil is en multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen in beginsel juist geen standaard inrichting hebben, waardoor zich onvoldoende richtsnoer vormt voor de praktijk, is het volgende goedgekeurd.

De in deze paragraaf bedoelde multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen worden voor de heffing van de BPM niet als personenauto aangemerkt als, en voor zover, wordt voldaan aan de onder C genoemde voorwaarden.

Hiervoor geldt als leidraad dat dit soort motorrijtuigen met name zijn ingericht voor het vervoer van dieren of goederen en dat de inrichting voor andere doeleinden ondergeschikt is aan en mede gericht is op gebruik in verband met de te vervoeren dieren en/of goederen.

C. Voorwaarden [Vervallen per 16-06-2010]

De voorwaarden van de goedkeuring voor multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen luiden als volgt.

  • Het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor het vervoer van personen bedraagt niet meer dan 50% van de lengte die de laadruimte zou hebben zonder voorzieningen voor het verblijf en/of de overnachting van personen.

Ruimtes ingericht met douche en/of toilet worden in dit verband gerekend bij het gedeelte dat is ingericht voor het verblijf van personen. Als tussen de bestuurderscabine en het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor het vervoer van personen geen vaste wand bestaat, wordt voor het bepalen van de lengte van de laadruimte in verband met de verhouding 50%-50% er van uitgegaan dat de laadruimte van de cabine is afgescheiden door middel van een fictieve wand die 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel is geplaatst.

  • Het gedeelte van de laadruimte dat is ingericht voor het vervoeren van dieren en/of goederen mag uitsluitend voorzieningen bevatten die zijn gerelateerd aan dat vervoer.

    Als het desbetreffende gedeelte van de laadruimte eveneens wordt gebruikt voor het onderhoud van de te vervoeren lading, mogen de daarvoor benodigde voorzieningen zijn aangebracht.

    Deze twee gedeelten van de laadruimte hoeven niet te zijn afgescheiden door een vaste wand.

  • Er mogen geen personen worden vervoerd in het gedeelte bestemd voor het vervoer van goederen en/of dieren.

  • Het motorrijtuig heeft een toegestane massa van meer dan 3.500 kg.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 25 oktober 2000, nr. 35771 (Infobulletin 2000/778, BNB 2001/11, FED 2000/602, VN 2001/7.33, WFR 2000/1630)

Een motorrijtuig dat uit hoofde van zijn bouw kan dienen voor het vervoer van personen langs de weg, moet worden aangemerkt als een motorrijtuig ingericht voor het vervoer van personen, ook als het tevens kan dienen voor andere doeleinden, tenzij de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt is aan het vervoer waarvoor het motorrijtuig overigens dient en aldus geen zelfstandige betekenis heeft. Afgezien van de bestuurderscabine was het onderhavige motorrijtuig als volgt ingedeeld: een tussenruimte met een keukenblok en een bank (2,6 meter), een hal met douche en toilet (1,4 meter) en accommodatie voor vier paarden (3,9 meter). Volgens het Hof is het motorrijtuig ingericht en bestemd voor het vervoer van paarden. Daardoor is de mogelijkheid tot personenvervoer ondergeschikt aan het gebruik voor paardenvervoer. Deze uitspraak is van feitelijke aard en dus niet vatbaar voor cassatie.

§ 3.7. Meetmethoden en begrippen (artikel 3, lid 5, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 3.7.1. Meetmethode laadruimte [Vervallen per 16-06-2010]

A. Blokmethode [Vervallen per 16-06-2010]

De hoogte en de lengte van de laadruimte moeten worden gemeten door middel van de zogenoemde ‘blokmethode’. Dat wil zeggen dat de laadruimte een denkbeeldig blok moet kunnen bevatten met afmetingen die voor de betreffende categorie bestelauto gelden.

  • De grote bestelauto’s (paragraaf 3.3.1) voldoen aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de hoogte, de lengte en de breedte als de laadruimte in gesloten toestand een rechthoekig blok kan bevatten met de afmetingen 130 × 200 × 20 cm (h × l × b).

  • De laadruimte van de kleine bestelauto’s met en zonder hoog dak (paragrafen 3.3.2 en 3.3.3) moet een blok kunnen bevatten van 98 × 125 × 20 cm (h × l × b).

  • De laadruimte van de motorrijtuigen met een dubbele cabine (paragraaf 3.3.4) moet een blok kunnen bevatten van 130 × 150 × 20 cm (h × l × b).

Om in alle gevallen tot een gelijke meetmethode te komen, is voorgeschreven dat het blok rechtop moet kunnen worden geplaatst en dat de lengte-as ervan parallel moet lopen aan de lengte-as van het motorrijtuig zelf. Het is niet nodig dat het blok in zijn geheel in de laadruimte moet kunnen worden geschoven. Van belang is slechts dat de laadruimte in gesloten toestand zo’n blok kan bevatten.

Het is toegestaan een deel van de cabine, zoals de ruimte onder de extra zitplaatsen (bij een dubbele cabine) of bovenin de cabine, bij de laadruimte te betrekken, mits daardoor de laadruimte vanuit de cabine niet bereikbaar is. Bij het bepalen van de lengte van de laadruimte wordt deze extra laadruimte overigens niet meegerekend.

Voor het meten van het hoogteverschil tussen de cabine en de laadruimte wordt verwezen naar paragraaf 3.7.7, onder A.

B. Meetmethoden laadruimte pick-up’s [Vervallen per 16-06-2010]

De laadruimte bij pick-up’s moet een minimale lengte hebben van 125 cm. Deze laadruimte kan op twee manieren worden gemeten.

  • De blokmethode

    Alhoewel door het ontbreken van een overkapping de hoogte-eis niet relevant is voor een pick-up kan voor het bepalen van de lengte van de laadruimte van een pick-up eveneens gebruik worden gemaakt van de blokmethode (zie onder A).

  • Door te meten over de bodem van de laadruimte

    Het gebruik van deze methode mag geen andere uitkomst opleveren dan de blokmethode.

De methode werkt als volgt. Laat vanaf het achterste punt van het tussenschot een loodlijn neer op de bodem van de laadruimte. Meet de lengte van de laadruimte vanaf het punt waar de loodlijn de bodem raakt. Bij het meten moet, evenals bij de blokmethode, gemeten worden parallel aan de lengte-as van het motorrijtuig.

Deze twee meetmethoden gelden ook bij het bepalen of de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine voor tenminste 40 procent van de lengte voor het hart van de achterste as is gelegen.

C. Het bepalen van de afmetingen [Vervallen per 16-06-2010]

De volgende zaken die in een laadruimte zijn aangebracht kunnen bij het bepalen van de afmetingen van de laadruimte geheel buiten beschouwing worden gelaten:

  • binnenbekleding en/of de hemelbekleding

  • isolatiemateriaal

  • gastank

  • rolbar

Voor het bepalen van de afmeting van de laadruimte als de vaste wand niet geheel vlak is of niet volledig verticaal en loodrecht op de lengte-as is geplaatst, wordt verwezen naar paragraaf 3.7.6, respectievelijk onder B en E.

Bij bepaalde typen pick-up’s is de laadruimte zo lang dat de fabrieksversie niet aan de voorwaarde voldoet dat de laadruimte voor ten minste 40% van de lengte voor het hart van de achterste as is geplaatst (artikel 3, derde lid, onderdeel d, van de wet). Als bij deze motorrijtuigen de lengte van de laadruimte zou worden ingekort, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een verdikte achterklep, wordt hieraan wel voldaan. Een zodanige aanpassing is toegestaan, mits zij functioneel en permanent is.

Als de achterwand van de cabine van een pick-up, in verband met de zogenoemde 40%-eis, naar voren wordt verplaatst, steekt het dak van de bestuurderscabine een stukje over in de laadruimte. Dit kan tot gevolg hebben dat het fiscale blok qua hoogte (wel qua lengte) niet meer in de laadruimte past. Dit is op zich geen reden de aanpassing af te wijzen. De hoogte van de laadruimte van een pick-up is fiscaal gezien niet van betekenis (zie paragraaf 3.3.5).

§ 3.7.2. Meetmethode hoogte dubbele cabine [Vervallen per 16-06-2010]

In artikel 3, derde lid onder d, van de wet is de eis neergelegd dat de lengte van de laadruimte ten minste twee maal die van de cabine moet zijn, tenzij de cabine een hoogte heeft van 130 cm. In artikel 2, derde lid, van de regeling is gesteld dat de hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine is, gemeten over een breedte van 20 cm. In de praktijk worden motorrijtuigen waarvan de cabine zelf geen hoogte heeft van 130 cm, in bepaalde gevallen, aangepast aan deze eis.

Om te kunnen beoordelen of aan de hoogte-eis van 130 cm is voldaan moet de totale cabine in ogenschouw worden genomen. Het moet gaan om een cabine met een normale vloer en een normaal dak. Het is dus niet voldoende dat, om louter te voldoen aan de technische eis van een hoogte van 130 cm, de vloer een kleine verdieping vertoont en/of het dak een uitstulping in de vorm van een soort sluis of pijp.

Als wordt overgegaan tot een dakverhoging om te voldoen aan de hoogte-eis van 130 cm zou in feite het oorspronkelijke dak verwijderd moeten worden. Omdat dit uit constructie-technische overwegingen niet mogelijk is kan worden volstaan met een uitsparing in het oorspronkelijke dak van 70 bij 55 cm. Om tegemoet te komen aan het uitgangspunt van de wetgever dat een BPM-vrij motorrijtuig met dubbele cabine ofwel een hoog dak ofwel een lange laadbak moet bezitten wordt daarnaast de voorwaarde gesteld dat op het oorspronkelijke dak van de cabine van het motorrijtuig een geheel verhoogd dak is aangebracht (het zogenaamde buitendak).

Wanneer het oorspronkelijke dak intact blijft maar de vloer wordt verlaagd om te voldoen aan de hoogte-eis van 130 cm moet het gaan om een functionele vloerverlaging. De oorspronkelijke vloer zou verwijderd moeten worden. Uit veiligheidstechnische overwegingen is het echter niet gewenst dat de vloer van een motorrijtuig bij de voorstoelen wordt verlaagd. Wanneer echter het resterende deel van de vloer (dus het gedeelte direct achter de voorstoelen) over zijn geheel wordt verlaagd is er nog steeds sprake van een functionele vloerverlaging. Wanneer dit gedeelte om constructie-technische redenen niet over de gehele breedte kan worden verlaagd is er echter niet langer sprake van een functionele vloerverlaging. Een dergelijke motorrijtuig kan dus niet worden aangepast door middel van een vloerverlaging.

§ 3.7.3. Vlakke laadvloer [Vervallen per 16-06-2010]

Een van de voorwaarden waaraan een bestelauto moet voldoen is de aanwezigheid van een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.

De laadruimte moet bestemd zijn voor het vervoer van goederen. Wanneer in een laadruimte zitplaatsen of andere voorzieningen die het vervoer van personen mogelijk maken vast op de laadvloer zijn aangebracht, is er geen sprake meer van een vlakke laadvloer en kan in de ruimte die in beslag wordt genomen door de zitplaatsen geen lading meer worden vervoerd. Als gevolg hiervan is het motorrijtuig te beschouwen als een personenauto, die aan de heffing van BPM is onderworpen.

De laadvloer moet over de gehele breedte en lengte van de laadruimte, met uitzondering van eventuele wielkasten, zijn aangebracht. Enige profilering van de laadvloer, bij voorbeeld ter vergroting van de stevigheid, is toegestaan.

De omstandigheid dat bij sommige motorrijtuigen de motor onder (een deel van) de laadvloer is geplaatst, waardoor een hoogteverschil in de laadruimte ontstaat, brengt niet mee dat de laadruimte niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. Ook de aanwezigheid van gordelbevestigingspunten in de laadvloer van de laadruimte betekent niet dat er niet langer sprake is van een vlakke laadvloer.

Voor wat betreft een gedeeltelijk opklapbare laadvloer wordt verwezen naar paragraaf 3.7.4.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 23 december 1992, nr. 28235 (BNB 1993/77, FED 1993/65, VN 1993/511, WFR 1993/90)

De enkele omstandigheid dat een deel van de laadvloer in beslag wordt genomen door in de laadruimte geplaatste kastjes brengt niet mee dat de laadruimte van het motorrijtuig niet in haar geheel is voorzien van een vaste, vlakke laadvloer.

– Hoge Raad, 23 maart 1994, nr. 28925 (Infobulletin 1994/430, BNB 1994/145c, FED 1994/255 en 355, VN 1994/1416, WFR 1994/591)

Bij een verkeerscontrole constateert een politie-ambtenaar dat op de laadvloer van een bestelauto met twee bouten een kinderzitje is gemonteerd. Hierdoor moet de auto worden aangemerkt als personenauto. Uit het arrest valt verder nog af te leiden dat als niet-Belastingdienstambtenaren op grond van een wettelijke bepaling worden aangewezen als betrokken zijnde bij de handhaving van een bepaalde belastingwet (bijvoorbeeld politie-ambtenaren voor de wet MRB), zij het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen opwekken omtrent het al dan niet voldaan hebben aan uit die wet voortvloeiende verplichtingen.

– Hoge Raad, 24 augustus 1999, nr. 34650 (Infobulletin 1999/645 en 669, BNB 1999/385, FED 1999/550, VN 1999/46.26, WFR 1999/1122)

De omstandigheid dat een deel van de laadvloer in beslag wordt genomen door een in de laadruimte geplaatste houten bak, die door middel van twee schroefbouten is bevestigd aan de opstaande rand van de laadvloer, achter de stoelen, en waarin een kinderzitje is bevestigd, brengt niet mee dat de laadruimte niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.

§ 3.7.4. Vaste laadvloer [Vervallen per 16-06-2010]

Onder een vaste laadvloer wordt verstaan een laadvloer die op onverbrekelijke wijze is verbonden met de rest van de carrosserie. Daarvan is sprake als de laadvloer is vastgelast of is vastgelijmd met bij voorbeeld een speciale carrosserielijm. Het is niet voldoende de laadvloer vast te zetten met popnagels, schroeven, klemmen, bouten en moeren en dergelijke.

Om in verband met noodzakelijk onderhoud, het onder de laadvloer gelegen motor-serviceluik te kunnen bereiken, is het toegestaan dat de laadvloer van een bestelauto gedeeltelijk opklapbaar is.

§ 3.7.5. Zijruiten [Vervallen per 16-06-2010]

Van een laadruimte die niet is voorzien van zijruiten is sprake als in de laadruimte geen zijruiten of uitsparingen daarvoor zijn aangebracht. Een profilering op de plaats waar doorgaans de zijruiten zijn aangebracht is wel toegestaan.

Als een laadruimte oorspronkelijk is voorzien van meer dan één zijruit aan de rechter zijde, moeten deze overige ruiten geheel worden verwijderd en worden vervangen door panelen van ondoorzichtig materiaal, dat niet geheel of gedeeltelijk uit glas mag bestaan. Die panelen moeten op onverbrekelijke wijze rechtstreeks aan de carrosserie worden vastgelast of worden vastgelijmd met bijvoorbeeld een speciale carrosserielijm. Het voldoet niet de panelen te plaatsen in de bestaande raamrubbers of aan de carrosserie vast te zetten met popnagels, schroeven, klemmen, bouten en moeren en dergelijke. Als het paneel op onverbrekelijke wijze rechtstreeks aan de carrosserie is vastgelast of vastgelijmd ontmoet het geen bezwaar als voor de afwerking van de las- of lijmconstructie een deel van het raamrubber aanwezig blijft.

Bij motorrijtuigen met een zogenoemde soft-top moet het materiaal dat de eventueel aanwezige zijruiten vervangt aan de overkapping van de laadruimte worden vastgelijmd of worden vastgestikt. Het volstaat dus niet om bij voorbeeld een constructie met klittenband te creëren.

In geval blijkens de afmetingen van de laadruimte een bestelauto slechts voorzien mag zijn van één aan de rechterzijde van de laadruimte aangebrachte zijruit, zijn aan de plaats en de afmetingen van deze ruit geen nadere eisen gesteld. Dit betekent dat het een vaste zijruit mag zijn als ook een zijruit die kan worden geopend. Bij bestelauto’s met een rechterachterportier in de laadruimte zijn veelal twee zijruiten in het achterportier geplaatst die door een spijltje van elkaar zijn gescheiden. Een dergelijke constructie wordt gezien als één zijruit. Eén of meerdere zijruiten die al dan niet kunnen schuiven en die zijn geplaatst in één frame worden eveneens aangemerkt als één ruit.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge raad, 21 juni 1995, nr. 30377 (BNB 1995/240)

Twee ruiten in een rechterachterportier, waarvan de grote ruit omhoog en omlaag kan worden gedraaid en de kleine ruit niet, en die door een spijltje van elkaar zijn gescheiden, worden als één zijruit aangemerkt.

– Hof Den Haag, 8 mei 1996, nr. 95/1562 (VN 1997/476 en 2835)

Na diefstalschade laat de belanghebbende in 1994 door een garage in de laadruimte aan beide kanten (glazen) zijruiten aanbrengen. Het Hof oordeelt dat de belanghebbende de auto hierdoor in een zodanige staat heeft gebracht dat deze als personenauto moet worden aangemerkt. Nu belanghebbende een aanvang heeft gemaakt met het gebruik als personenauto van de weg, is belanghebbende de BPM verschuldigd.

– Hof Amsterdam, 10 september 2001, nr. 00/03232 (Infobulletin 2001/973)

Bij het vastleggen van de gegevens hebben de ambtenaren abusievelijk vastgesteld dat de auto groen van kleur is, in plaats van grijs. Deze onjuiste waarneming viel – volgens de ambtenaren – te verklaren door lichtschittering. Het Hof overweegt dat het mogelijk is dat ze eveneens door de lichtschittering tot de constatering zijn gekomen dat sprake was van een doorzichtig raam, of zich op een andere manier hebben vergist.

§ 3.7.6. Vaste wand [Vervallen per 01-06-2009]

A. Ondoorzichtig, vormvast materiaal [Vervallen per 01-06-2009]

B. Geheel vlak [Vervallen per 01-06-2009]

C. Uit één geheel [Vervallen per 01-06-2009]

D. Rechtstreeks aan carrosserie verbonden [Vervallen per 01-06-2009]

E. Verticale plaatsing, loodrecht op lengte-as [Vervallen per 01-06-2009]

§ 3.7.7. Hoog dak [Vervallen per 16-06-2010]

A. Meetmethode [Vervallen per 16-06-2010]

In artikel 3, derde lid onder c, van de wet wordt gesteld dat, als de laadruimte tenminste 25 cm hoger is dan de cabine, in plaats van een volledige tussenwand kan worden volstaan met een vaste wand van tenminste 30 cm hoog, over tenminste de gehele breedte van de cabine. Het hoogteverschil wordt bepaald door het meten van de verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten in de dagopening van de deuren bij de zitplaatsen zijn gelegen en het hoogste gedeelte van het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van tenminste 20 cm.

Om praktische reden mag het hoogteverschil aan de buitenzijde van het motorrijtuig worden gemeten. Op het dak aanwezige voorwerpen die niet tot de constructie van het dak zelf behoren, zoals spoilers, luchtroosters, reclameborden, kofferrekken en dergelijke, worden voor het bepalen van de hoogte van het dak buiten beschouwing gelaten. De tot de normale uitrusting van een motorrijtuig behorende afdichtingsstrips en dergelijke behoeven voor het meten niet uit de dagopening van de deuren bij de voorzitplaatsen te worden verwijderd.

B. Dakverhoging [Vervallen per 16-06-2010]

Het feit dat toegestaan is het verschil in hoogte tussen het dak van de laadruimte en dat van de cabine uitwendig te meten kan er evenwel niet toe leiden dat eenvoudigweg op het oorspronkelijke dak een tweede dak (het zogenoemde fop-dak) kan worden aangebracht. Om aan de hoogte-eis te kunnen voldoen moet namelijk ook de binnenkant van de laadruimte aanzienlijk hoger zijn dan de cabine. Deze voorwaarde staat los van de eis met betrekking tot de hoogte van het denkbeeldige blok (hoogte van minimaal 98 cm) dat de laadruimte moet kunnen bevatten.

Ter zake van een dakverhoging moet in beginsel het oorspronkelijke dak worden verwijderd. Dit is uit constructie-technische overwegingen echter niet mogelijk. Daarom is het volgende goedgekeurd.

  • Wanneer in de laadruimte van een bestelauto, die al voldoet aan de minimale laadruimte-eisen van een lengte van 125 cm en een hoogte van 98 cm, een dakverhoging wordt aangebracht om een vaste wand van slechts 30 cm hoogte te kunnen aanbrengen, moet in het oorspronkelijke dak aan de binnenzijde van de laadruimte een uitsparing worden aangebracht van minimaal 70 bij 55 cm.

  • Wanneer een dakverhoging in de laadruimte wordt aangebracht omdat de bestelauto van fabriekswege niet aan de minimale afmetingseisen voldoet om het zogenoemde blok te kunnen bevatten, moet in het dak van de laadruimte een uitsparing van minimaal 125 bij 55 cm worden aangebracht.

Om inhoud te geven aan het uitgangspunt van de wetgever dat een BPM-vrij motorrijtuig alleen een lage vaste wand mag bezitten als er een verhoogd dak aanwezig is, moet uiterlijk (dus aan de buitenkant) sprake zijn van een geheel verhoogd dak. Het ontmoet daarbij evenwel geen bezwaar als voorzieningen voor een bagagerek (de dakreling) op het dak gehandhaafd blijven.

Hoofdstuk 4. Belastingplichtige [Vervallen per 16-06-2010]

§ 4.1. Kentekenhouder (artikel 5, lid 1, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 4.1.1. Registratie [Vervallen per 16-06-2010]

Artikel 5, eerste lid, van de wet stelt dat voor een personenauto, bestelauto of motorrijwiel waarvoor een kenteken is opgegeven ten behoeve van de registratie in het kentekenregister, de BPM wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt of is gesteld.

De situatie dat de BPM wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, doet zich voor als voor de eerste maal een kentekenbewijs voor het motorrijtuig als personenauto, bestelauto of motorrijwiel wordt afgegeven.

De situatie dat de BPM wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld, doet zich voor als bijvoorbeeld een motorrijtuig op grond van de wet als een personen- of bestelauto moet worden aangemerkt, maar voor de wegenverkeerswetgeving als een vrachtauto wordt beschouwd (zie paragraaf 4.1.2).

De belasting moet op aangifte worden voldaan vóórdat het kenteken op naam is gesteld (zie paragraaf 5.1).

§ 4.1.2. Aanvang weggebruik met reeds geregistreerd motorrijtuig [Vervallen per 16-06-2010]

Als een motorrijtuig zodanig is omgebouwd dat het als een personen- of bestelauto is aan te merken en reeds een kenteken als autobus of vrachtauto is afgegeven, is een nieuwe registratie als personen- of bestelauto niet altijd nodig. Aan de andere kant kan het ook voorkomen dat wordt verzuimd om het motorrijtuig als personen- of bestelauto te laten registreren. In beide gevallen wordt de BPM geheven ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met het tot personen- of bestelauto omgebouwde motorrijtuig (zie paragraaf 2.2.3). Hetzelfde geldt voor motorrijtuigen die niet langer voldoen aan de voorwaarden van artikel 9c van de wet (het nihiltarief voor personenauto’s en bestelauto’s met een elektromotor, hybride aandrijving of aangedreven door waterstof, zie paragraaf 2.2.4) en voor motorrijtuigen die tot een motorrijwiel worden omgebouwd (bijvoorbeeld opgevoerde bromfietsen).

De BPM wordt in deze situaties geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van het belastbare feit, te weten de aanvang weggebruik (artikel 5, eerste lid, van de wet). Het is niet van belang wie heeft omgebouwd, noch wie op het moment van de aanvang van het gebruik van de weg achter het stuur zit.

De kentekenhouder moet de belasting op aangifte voldoen vóór de aanvang van het weggebruik (zie paragraaf 5.2). Als weggebruik wordt geconstateerd terwijl de verschuldigde BPM niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene die op het moment van deze constatering de kentekenhouder is (zie paragraaf 4.3.1). Het belastbaar feit wordt in dat geval bepaald op het tijdstip dat het motorrijtuig op zijn naam is gesteld (zie paragraaf 2.3.2).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Den Haag, 1 februari 2002, nr. 00/2280 (VN 2002/36.36)

Uit de wetsgeschiedenis is duidelijk af te leiden dat met de term ‘niet-geregistreerde personenauto’ in artikel 5, tweede lid, van de wet uitsluitend is gedoeld op een personenauto die in het geheel niet – dus ook niet als niet-personenauto – in Nederland staat geregistreerd. Als een als bedrijfsvoertuig in het kentekenregister ingeschreven auto door het plaatsen van een achterbank wordt omgebouwd tot personenauto, is sprake van een geregistreerd motorrijtuig. De naheffingsaanslag BPM moet in dat geval opgelegd worden aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

§ 4.2. Feitelijke beschikker (artikel 5, lid 2, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Artikel 5, tweede lid, van de wet stelt dat voor een personenauto, bestelauto of motorrijwiel waarvoor geen kenteken is opgegeven, de BPM wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het begrip ‘feitelijk ter beschikking staan’ is besproken in paragraaf 2.2.7.

De situatie dat de BPM wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft, doet zich onder andere voor bij in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen die door in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen worden gehuurd, geleasd of in bruikleen worden verkregen. De BPM wordt in dit soort gevallen niet geheven van de buitenlandse verhuur- of leasemaatschappij of de buitenlandse eigenaar, maar van de feitelijke beschikker.

De feitelijke beschikker moet de belasting op aangifte voldoen vóór de aanvang van het weggebruik (zie paragraaf 5.2). Als echter weggebruik wordt geconstateerd terwijl de verschuldigde BPM niet is betaald, kan de belasting (met inachtneming van het herstelbeleid, zie paragraaf 2.4) worden nageheven van degene die op het moment van deze constatering het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (zie paragraaf 4.3.2). Het belastbaar feit wordt in dat geval gesteld op het tijdstip van constatering (zie paragraaf 2.3.3).

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 24 juli 2001, nr. 36245 (Infobulletin 2001/729, BNB 2001/347, FED 2001/457, VN 2002/50.25, WFR 2001/1076)

Belanghebbende heeft als bestuurder van een gestolen auto met Belgisch kenteken gebruik gemaakt van de weg in Nederland. Hij maakte tevens deel uit van een criminele organisatie die tot oogmerk had autodiefstallen te plegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de auto aan een ander dan de belanghebbende feitelijk ter beschikking stond. Het beroep op het herstelbeleid gaat niet op, omdat de belanghebbende uit hoofde van zijn lidmaatschap van een criminele organisatie bekend wordt verondersteld met de toepassing van de wet.

§ 4.3. Constatering weggebruik zonder voorafgaande betaling van BPM (artikelen 12a en 12b van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 4.3.1. Aanvang weggebruik met een reeds geregistreerd ander motorrijtuig dan een (artikel 9c-)personenauto, bestelauto of motorrijwiel [Vervallen per 16-06-2010]

Als een kentekenhouder zijn vrachtauto heeft omgebouwd tot personen- of bestelauto zonder dat dit tot een nieuwe registratie heeft geleid, of als hij zijn motorrijtuig met een elektromotor zodanig heeft aangepast dat daarvoor het nihiltarief of de belastingverlaging niet langer geldt, moet hij de BPM op aangifte voldoen vóórdat hij met het betreffende motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2).

Als de betaling van de belasting echter ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting ter zake van aanvang weggebruik worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van dit belastbare feit (zie paragraaf 4.1.2). De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur. Hij moet in dat geval aantonen welke kentekenhouder na de ombouw van het motorrijtuig is begonnen met het gebruik van de weg, de huidige of, als de huidige houder niet de eerste was, een vorige.

Het kan ook anders. De inspecteur kan de naheffingsaanslag ook opleggen aan degene die op het moment van deze constatering de kentekenhouder is (artikel 12a, eerste lid, van de wet). Dit hoeft niet dezelfde persoon te zijn als de kentekenhouder ten tijde van de ombouw of aanpassing.

Het belastbaar feit wordt in dat geval gesteld op het tijdstip dat het motorrijtuig op naam van de huidige kentekenhouder is gesteld. Er bestaan op deze regeling twee tegenbewijsmogelijkheden. Verwezen wordt naar paragraaf 2.3.2.

§ 4.3.2. Aanvang weggebruik met een niet geregistreerde personenauto, bestelauto of motorrijwiel [Vervallen per 16-06-2010]

Als een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam een niet-geregistreerde personenauto, bestelauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel (bijvoorbeeld met een buitenlands kenteken) feitelijk ter beschikking heeft, moet hij de BPM op aangifte voldoen vóórdat hij met het motorrijtuig gebruik van de weg maakt (zie paragraaf 5.2).

Als de betaling van de belasting echter ten onrechte is uitgebleven, kan de belasting ter zake van aanvang weggebruik worden nageheven van degene die op het aanvangsmoment de feitelijke beschikkingsmacht heeft (zie paragraaf 4.2). In dat geval ligt de bewijslast bij de inspecteur.

Het kan ook anders. De inspecteur kan de naheffingsaanslag ook opleggen aan degene die op het moment van deze constatering het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft (artikel 12b van de wet). Dit hoeft niet dezelfde feitelijke beschikker te zijn als degene die bij de aanvang van het gebruik van de weg de feitelijke beschikking over het motorrijtuig had.

Het belastbaar feit wordt in dat geval gesteld op het tijdstip van constatering (zie paragraaf 2.3.3).

Hoofdstuk 5. Heffing en voldoening [Vervallen per 16-06-2010]

§ 5.1. Registratie (artikelen 6 en 7 van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 5.1.1. Doen van aangifte [Vervallen per 16-06-2010]

Als de BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, bestelauto of een motorrijwiel in het kentekenregister, moet de belasting op aangifte worden voldaan door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (de belastingplichtige, zie artikel 19 AWR).

Als degene die het kenteken aanvraagt een ander is dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (bijvoorbeeld de importeur of de fabrikant), is die ander gehouden de BPM namens de kentekenhouder op aangifte te voldoen (artikel 7 van de wet). Hij betaalt dan namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Deze systematiek van de wet beoogt een massale stroom van aangiften en betalingen te voorkomen. Deze mogelijkheid geldt alleen ter zake van het belastbaar feit registratie. Is er sprake van een ander belastbaar feit, dan moet de belasting altijd door de belastingplichtige zelf op aangifte worden voldaan.

Over deze bijzondere systematiek, waarbij de BPM namens de kentekenhouder door de aanvrager van het kenteken wordt voldaan, wordt nog het volgende opgemerkt.

  • De kentekenhouder blijft de belastingplichtige.

  • De aanvrager van het kenteken kan een bezwaarschrift indienen.

  • De kentekenhouder kan eveneens worden aangemerkt als degene door wie de belasting is voldaan. Ook voor hem blijft de mogelijkheid bestaan om een bezwaarschrift in te dienen.

  • Bij eventuele onregelmatigheden wordt de naheffingsaanslag aan de aanvrager van het kenteken opgelegd.

Op grond van artikel 6, tweede lid onder a, ten eerste, van de wet moet de BPM die verschuldigd is ter zake van de registratie, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld. Wat betreft de ondernemers, die een vergunning hebben om de BPM achteraf op een periodieke aangifte te mogen voldoen, wordt verwezen naar paragraaf 5.1.2.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 29 augustus 2000, nr. 35501 (Infobulletin 2000/636 en 2001/770, BNB 2000/357 c*, FED 2000/469 en 487, VN 2000/14.3 en 45.21, WFR 2000/1324)

Als de BPM op de voet van artikel 7 van de wet namens de toekomstige kentekenhouder door een derde – de importeur – wordt voldaan, kan ook die kentekenhouder worden aangemerkt als degene door wie de belasting op aangifte is voldaan, zoals bedoeld in artikel 24 AWR. Dit betekent dat ook de kentekenhouder, evenals de derde namens hem, de mogelijkheid heeft tegen het bedrag aan BPM dat namens hem is voldaan, bezwaar te maken.

– Hoge Raad, 11 april 2003, nr. 36822 (Infobulletin 2003/415, BNB 2003/264 c*, VN 2003/22.5 en 29.3, WFR 2003/681)

De omstandigheid dat een ander ingevolge artikel 7 van de wet de belasting namens de kentekenhouder voldoet, neemt niet weg dat op haar een haar rechtstreeks aangaande betalingsverplichting rust. In overeenstemming met artikel 20, eerste lid, AWR kan aan haar een naheffingsaanslag BPM worden opgelegd. Verwijzing volgt naar het Hof Amsterdam (zie hierna).

– Hof Amsterdam, 12 januari 2004, nr. 03/01936 (VN 2004/30.1.14, WFR 2005/627)

Vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003, nr. 36822 (zie hierboven). In geschil is of de naheffingsaanslag, voor zover deze betrekking heeft op het niet in de aangifte opnemen van door niet specifiek gecontroleerde dealers vóór de kentekenregi⁠stratie aangebrachte accessoires, tot het juiste bedrag is opgelegd. Het Hof is hierover van oordeel dat de inspecteur een redelijke benadering voor de berekening van de naheffingsaanslag heeft gehanteerd door uit te gaan van een steekproef en een extrapolatie van de aldus verkregen gegevens. Daarbij is terecht uitgegaan van een berekende gemiddelde grondslag. Verder is het Hof van oordeel dat de belanghebbende, door om haar moverende redenen de aanvraag van kentekens te gaan verrichten, vrijwillig het risico op zich heeft genomen dat zij, bij tekortkomingen in de aangiften voor de daarmee gepaard gaande BPM aansprakelijk wordt gesteld en is het dan ook aan belanghebbende om de daarmee gepaard gaande risico’s af te dekken, hetzij via afspraken met dealers, hetzij op andere wijze. (De belanghebbende en de staatssecretaris van Financiën hebben cassatie ingesteld, Hoge Raad nrs. 40806 en 40807.)

§ 5.1.2. Vergunning tot periodieke aangifte achteraf [Vervallen per 16-06-2010]

De inspecteur kan ondernemers die in het kader van hun bedrijfsuitoefening regelmatig om opgave van een kenteken verzoeken, op grond van artikel 8 van de wet een vergunning verlenen om de door hen verschuldigde BPM per tijdvak te voldoen. Een verzoek om toekenning van een dergelijke vergunning moet worden ingediend bij de inspecteur binnen wiens regio de ondernemer woont of is gevestigd. Hierop beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking.

De inspecteur verleent de vergunning als de ondernemer voldoet aan de in artikel 6 van de regeling gestelde voorwaarden.

  • Overzichtelijke administratie

    In de administratie van de desbetreffende ondernemer moet op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de BPM van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. Als de administratie naar het oordeel van de inspecteur niet zo is ingericht, kan de inspecteur nadere voorwaarden stellen.

  • Tonen

    De inspecteur kan de ondernemer de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor kentekens zijn aangevraagd te tonen op een door hem aan te wijzen plaats. Dat is meestal een BPM-aangiftepunt. Deze voorwaarde kan worden opgelegd aan ondernemers die niet zijn toegelaten tot de Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Deel I A (vóór 1 juni 2004: Delen I).

  • Zekerheid stellen

    Op grond van artikel 17 van de wet kan de inspecteur aan het verlenen van de vergunning nog de voorwaarde verbinden dat zekerheid wordt gesteld (zie hoofdstuk 15).

§ 5.2. Aanvang weggebruik (artikel 6, lid 2, onderdeel a, ten tweede, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

Als de BPM is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met een personenauto, bestelauto of motorrijwiel, moet de belasting worden betaald vóór de aanvang van dat weggebruik (artikel 6, tweede lid onder a, ten tweede, van de wet).

Artikel 5 van de regeling kent op deze regel een uitzondering. Als het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar aangifte moet worden gedaan op de dag voordat of waarop het gebruik aanvangt is gesloten, mag aangifte worden gedaan op de eerstvolgende dag waarop dat organisatieonderdeel is geopend.

§ 5.3. Aangifteprocedure (artikelen 6 en 8 van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 5.3.1. Aangifte zonder vergunning [Vervallen per 16-06-2010]

Voor degenen die niet in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 8 van de wet (zie paragraaf 5.1.2) moet een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin wel een (ander) kentekenbewijs wordt aangevraagd en de situatie waarin dat niet het geval is.

Aanvraag (ander) kentekenbewijs

De RDW is bevoegd voor de afgifte van kentekenbewijzen. De RDW zal hiertoe niet eerder overgaan dan nadat zij van de Belastingdienst bericht heeft ontvangen dat de heffing van de BPM voldoende is verzekerd.

Voordat aangifte bij de Belastingdienst wordt gedaan, zal het betreffende motorrijtuig eerst ter registratie moeten worden aangeboden bij de RDW. Vervolgens wordt aangifte BPM gedaan en wordt de belasting voldaan bij een van de daartoe aangewezen BPM-aangiftepunten. Als de heffing van de belasting voldoende is verzekerd, geeft de Douane aan dat er geen bezwaar bestaat tegen het afgeven van een kenteken (fiscaal akkoord).

Geen aanvraag (ander) kentekenbewijs

Als geen (ander) kentekenbewijs wordt aangevraagd, kan direct aangifte BPM worden gedaan en de belasting worden voldaan bij een van de daartoe aangewezen BPM-aangiftepunten.

§ 5.3.2. Aangifte met vergunning [Vervallen per 16-06-2010]

Voor degenen die wel in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 8 van de wet (zie paragraaf 5.1.2) moet een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin gebruik wordt gemaakt van de Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Deel I A (vóór 1 juni 2004: Delen I), en de situatie waarin dat niet het geval is.

Gebruik Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Delen I A

Als gebruik gemaakt wordt van de Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Deel I A (vóór 1 juni 2004: Deel I) moet de BPM periodiek (in het algemeen maandelijks) op aangifte worden voldaan bij het voor de vergunninghouder bevoegde kantoor van de Belastingdienst. De betreffende motorrijtuigen hoeven niet te worden getoond bij een van de daartoe aangewezen BPM-aangiftepunten.

Alle in de voorafgaande periode (maand) tenaamgestelde motorrijtuigen waarvoor de vergunninghouder de aanvraag voor de opgave van het kenteken heeft gedaan, moeten in de periodieke BPM-aangifte zijn opgenomen. De vergunninghouder voldoet de belasting voor deze motorrijtuigen namens de kentekenhouders.

In de aangifte van een vergunninghouder mogen de BPM-bedragen per motorrijtuig naar beneden worden afgerond op hele eurobedragen. De maandaangifte van een vergunninghouder is te beschouwen als een verzameling van aangiftegegevens van individuele belastingplichtigen. Als ieder van hen zelf aangifte had gedaan voor één motorrijtuig, was het belastingbedrag eveneens voor elk motorrijtuig naar beneden afgerond op hele euro’s.

Geen toepassing Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Delen I A

Als geen gebruik gemaakt wordt van de Regeling versnelde afgifte kentekenbewijzen Deel I A (vóór 1 juni 2004: Deel I) moet de BPM periodiek (in het algemeen maandelijks) op aangifte worden voldaan bij het voor de vergunninghouder bevoegde kantoor van de Belastingdienst. Bij het verlenen van de vergunning tot periodieke aangifte achteraf kan de inspecteur als voorwaarde stellen dat de betreffende motorrijtuigen moeten worden getoond bij een van de daartoe aangewezen BPM-aangiftepunten.

§ 5.4. Heffingsrente [Vervallen per 16-06-2010]

Als naheffing van BPM plaatsvindt in een later kalenderjaar dan het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, moet heffingsrente in rekening worden gebracht.

Artikel 30f, tweede lid, letter a, van de AWR bepaalt dat heffingsrente alleen berekend wordt als ‘de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven’. De Hoge Raad heeft bepaald dat hiervan óók sprake is als er helemaal geen aangifte is gedaan (zie onder ‘Jurisprudentie’). Als een naheffingsaanslag BPM wordt opgelegd ter zake van bijvoorbeeld aanvang weggebruik (zie paragraaf paragraaf 5.2), moet er heffingsrente in rekening worden gebracht.

De heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar (dus 1 januari) waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet (artikel 30f, derde lid, letter c, sub 1). Als het herstelbeleid is toegepast, heeft het belastbaar feit reeds plaatsgevonden op het moment van het eerste feitelijke gebruik van de weg of de eerste constatering van een fiscaal-relevante ombouw, ter zake waarvan de mogelijkheid van herstel is aangeboden (zie paragraaf 2.4). Er wordt alleen heffingsrente in rekening gebracht als de naheffingsaanslag in een later kalenderjaar wordt vastgesteld dan het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 6 maart 1996, nr. 31144 (Infobulletin 1996/241, BNB 1996/166, Fed 1996, 255 en 374, VN 1996/1083, WFR 1996/385)

De belanghebbende heeft ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen niet tijdig aangegeven en afgedragen. De Hoge Raad is van oordeel dat overeenkomstig doel en strekking van artikel 30a, onderdeel 2, letter a, van de Awr voor de toepassing van dit artikel, gevallen waarin een inhoudingsplichtige heeft verzuimd tijdig en op de juiste wijze afdracht op aangifte te doen, op één lijn moeten worden gesteld met het doen van aangifte tot een bedrag van nihil. Het is immers niet aannemelijk dat de wetgever zou hebben beoogd een inhoudingsplichtige die binnen de wettelijke termijn in het geheel geen aangifte heeft gedaan gunstiger te behandelen dan een inhoudingsplichtige die wel tijdig maar tot een te laag bedrag aangifte heeft gedaan.

Hoofdstuk 6. Maatstaf van heffing [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.1. Structuur [Vervallen per 16-06-2010]

De BPM wordt berekend over de netto catalogusprijs (artikel 9 van de wet). Dat is de catalogusprijs, verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting (zie paragraaf 6.2). De BPM zelf maakt geen onderdeel uit van de catalogusprijs.

De BPM maakt ook geen deel uit van de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting. De BPM wordt voor de omzetbelasting beschouwd als een doorlopende post. Over de BPM wordt nooit omzetbelasting berekend.

In de auto- en motorbranche wordt gesproken over de consumentenprijs. Dat is de catalogusprijs, vermeerderd met de BPM.

Schematisch kan een en ander als volgt worden voorgesteld.

Bijlage 241537.png

Bij motorrijtuigen van vóór 1 januari 1993 speelt de BPM geen rol. Deze motorrijtuigen vielen destijds onder de heffing van de BVB. Voor de berekening van de verschuldigde omzetbelasting mag de BVB niet uit de verkoopprijs gehaald worden. Dit in tegenstelling tot het BPM-bedrag.

Wat betreft de heffing van BVB wordt verwezen naar paragraaf 16.1.

§ 6.2. Catalogusprijs (artikel 9, leden 3 en 4, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.2.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Inleiding [Vervallen per 16-06-2010]

Volgens het vierde lid van artikel 9 wordt onder de catalogusprijs verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs, die naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. De wet gaat, om te bereiken dat op gelijksoortige motorrijtuigen een gelijk bedrag aan BPM drukt, uit van de geadviseerde verkoopprijs. Het gaat om een objectief vastgestelde en een voor een ieder kenbare prijs. De BPM zelf maakt geen deel uit van de catalogusprijs. Als geen catalogusprijs bekend is, moet deze door vergelijking worden bepaald (zie paragraaf 6.2.3).

Prijslijst [Vervallen per 16-06-2010]

Een interne, vertrouwelijke prijslijst is niet voor een ieder kenbaar. Voor de heffing van BPM heeft zo’n prijslijst geen enkele betekenis. Daaraan kan nimmer gerefereerd worden. Als de betreffende auto niet tevens op de externe prijslijst voorkomt, zal dan ook een vergelijking gemaakt moeten worden met soortgelijke types die wel op de laatstbekende externe prijslijst vermeld staan. Bij deze vergelijking is noch de prijs die tussen partijen geldt, noch de prijs die op een vertrouwelijke lijst staat, bruikbaar.

Kwantumkorting [Vervallen per 16-06-2010]

Een prijs die afhankelijk is van de hoeveelheid afgenomen motorrijtuigen kan geen catalogusprijs zijn als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet.

Een individueel overeengekomen prijs voor één of meer auto’s, bijvoorbeeld voor een zogenaamde fleet-owner, kan geen invloed hebben op het BPM-bedrag. Dit ligt niet anders als de auto’s waar het om gaat qua uitvoering in geringe mate afwijken van de typegoedgekeurde auto’s. Van een afzonderlijke catalogusprijs kan slechts sprake zijn, als voor die lagere prijs de auto’s ook door willekeurige derden kunnen worden verkregen.

Subjectieve factoren [Vervallen per 16-06-2010]

Subjectieve factoren, zoals de marktsituatie op enig moment of het seizoen, kunnen geen rol spelen bij de bepaling van het bedrag waarover BPM moet worden berekend.

Aparte catalogusprijs voor bepaalde uitvoering [Vervallen per 16-06-2010]

Een importeur kan een aparte catalogusprijs vaststellen voor motorrijtuigen die op een gering onderdeel afwijken van het gangbare assortiment, mits dit maar voor een ieder kenbaar is en gelijkelijk geldt.

Als in een prijsoverzicht van een importeur voor auto’s van een bepaald type staat vermeld, dat deze types slechts onder bepaalde beperkende voorwaarden aan de uiteindelijke afnemer kunnen worden geleverd, terwijl deze voorwaarden niet als zodanig in de prijslijst tot uitdrukking zijn gebracht, is de voor deze types vastgestelde catalogusprijs niet objectief en voor een ieder kenbaar. Bovendien geldt de prijs niet voor iedere willekeurige afnemer.

Een afzonderlijke catalogusprijs in een prijsoverzicht van een importeur voor auto’s van een bepaalde uitvoering, waarop een aantal extra’s is aangebracht, terwijl daarbij tevens in de prijslijst een aantal nadere voorwaarden is opgenomen, die onlosmakelijk zijn verbonden met de auto’s in deze uitvoering (ze hebben een standaarduitrusting aan accessoires, uitbreiding of verandering is niet mogelijk), voldoet als zodanig wel aan de criteria in artikel 9, vierde lid, van de wet. Dat gezien de aard en de inhoud van de in de prijslijst opgenomen voorwaarden het niet vaak zal voorkomen dat een particulier zal kiezen voor het kopen van een dergelijke uitvoering, doet hier niet aan af. Door de wijze van presenteren van deze uitvoering in de prijslijst is het voor een ieder duidelijk dat deze uitvoering leverbaar is, terwijl het ook daadwerkelijk voor een ieder mogelijk is om de auto in deze uitvoering aan te schaffen.

Wanneer van een bepaald merk en type motorrijtuig een catalogusprijs bekend is, doch met een ander standaardpakket aan onderdelen, accessoires en dergelijke dan van het motorrijtuig waarover moet worden geheven, kan worden uitgegaan van de officiële catalogusprijs, vermeerderd dan wel verminderd met de prijs van de onderdelen, accessoires en dergelijke, waarmee het desbetreffende motorrijtuig meer respectievelijk minder is uitgerust.

Wat betreft het vaststellen van de catalogusprijs van gebruikte motorrijtuigen die vóór 1993 in gebruik zijn genomen, wordt verwezen naar paragraaf 6.4.1.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 6 december 1978, nr. 18696 (BNB 1979/16 en BNB 1982/104)

De laatstelijk geadviseerde verkoopprijs is de laatstelijk door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen.

– Hoge Raad, 28 november 1990, nr. 26671 (BNB 1991/22)

Een importeur voert een reclame-actie, waarbij de koper van een auto bij de dealer een cheque krijgt om bij de importeur te verzilveren. Volgens de Hoge Raad is de catalogusprijs tijdens deze reclame-actie niet verlaagd.

– Hoge Raad, 17 maart 1999, nr. 34575 (Infobulletin 1999/374, Douanebulletin 99/218, BNB 1999/217, FED 1999/238, VN 1999/24.27, WFR 1999/395)

Onder een aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs moet worden verstaan een catalogusprijs die kenbaar moet zijn aan alle wederverkopers waarvoor zo’n mededeling van belang kan zijn. Een telefonische mededeling aan alle dealers is voldoende.

– Hoge Raad, 17 november 1999, nr. 34772 (Infobulletin 1999/836, BNB 2000/8, FED 1999/705 en 721, WFR 1999/1620)

Een prijs die uitsluitend van toepassing is bij de verkoop van honderden auto’s aan één ondernemer kan niet worden aangemerkt als catalogusprijs in de zin van artikel 9, vierde lid, van de wet, aangezien moet worden aangenomen dat de wetgever als catalogusprijs voor ogen heeft gestaan de prijs die geldt ongeacht het aantal afgenomen auto’s.

– Hoge Raad, 11 februari 2005, nrs. 39675 en 39676 (BNB 2005/158, VN 2005/13.18, WFR 2005/258)

Een importeur brengt als submodel een zogeheten demo op de markt, bestemd voor verkoop aan dealers, tegen een prijs die zodanig is vastgesteld dat de dealer de auto na drie maanden kan verkopen zonder afschrijving op die prijs. De Hoge Raad oordeelt dat deze prijs niet kan gelden als catalogusprijs in de zin van de wet, omdat dit niet de prijs is die de dealer naar het inzicht van de importeur aan de uiteindelijke afnemer moet berekenen op het tijdstip waarop de auto op naam wordt gesteld, te weten op naam van de dealer. Dit houdt in dat de catalogusprijs door vergelijking moet worden bepaald (zie § 6.2.3).

Verder verkoopt de importeur als submodel een lesauto, speciaal bestemd voor rijschoolhouders. Hierover zegt de Hoge Raad dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat voor één en dezelfde auto verschillende catalogusprijzen zouden kunnen gelden, afhankelijk van de hoedanigheid van de afnemer. Als catalogusprijs kan wel gelden de geadviseerde verkoopprijs voor submodellen die exclusief aan een bepaalde groep afnemers worden aangeboden, mits die prijs betrekking heeft op auto’s die zich door hun objectieve kenmerken laten onderscheiden als een afzonderlijke categorie.

– Hoge Raad, 8 juli 2005, nr. 39939 (VN 2005/36.23)

Een importeur van een bepaald merk personenauto’s brengt deze niet door middel van wederverkopers (dealers) op de markt, maar verkoopt ze rechtstreeks aan consumenten. In zo’n geval heeft als catalogusprijs in de zin van artikel 9, vierde lid, van de wet te gelden de prijs waarvoor die importeur een auto van een bepaald merk en type aan een ieder ten verkoop aanbiedt. Dit is immers de prijs die naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Deze prijs staat los van de – van de belanghebbende afkomstige – prijs die in het Voertuigen Gegevens Systeem van het RAI Data Centrum staat vermeld voor het desbetreffende type auto.

– Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2005, nr. AWB 05/4821 BPM

De inspecteur heeft bij de berekening van de verschuldigde BPM zich gebaseerd op de door de importeur in het verleden kenbaar gemaakte consumentenprijs. Inmiddels zijn de importeur en de fabrikant failliet. De Rechtbank is van oordeel dat eiseres, op wie in dit geval de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten gevolge van deze faillissementen en wat daarmee samenhangt, een situatie is ontstaan waarin de gehanteerde consumentenprijs niet langer als ernstig gemeend kan worden beschouwd. Uit deze consumentenprijs kan daarom nog steeds de geadviseerde verkoopprijs worden afgeleid.

§ 6.2.2. Vervaardigde personenauto met verkoopprijs onder normale marktcondities [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer sprake is van vervaardiging van een personenauto uit losse, grotendeels gebruikte onderdelen en die personenauto voorzien is van een niet van fabriekswege aangebracht chassisnummer, als gevolg waarvan de verkoopprijs die onder normale marktcondities voor deze personenauto kan worden gevraagd, belangrijk lager ligt dan de laatstbekende catalogusprijs, kan die lagere verkoopprijs als catalogusprijs worden beschouwd.

Onder het begrip ‘verkoopprijs onder normale marktcondities’ moet worden verstaan een objectieve prijs, welke een willekeurige derde in redelijkheid voor het object wil betalen. Deze prijs kan onder andere mede worden bepaald op basis van een door een onafhankelijke daartoe bevoegde derde opgemaakt taxatierapport. Deze prijs geeft de verkoopwaarde van de auto aan in het economisch verkeer en laat zich vergelijken met de zogenoemde ‘consumentenprijs’ inclusief de BPM en omzetbelasting. Als maatstaf voor de heffing van BPM moet de taxatiewaarde exclusief BPM en omzetbelasting worden gehanteerd.

§ 6.2.3. Geen catalogusprijs bekend [Vervallen per 16-06-2010]

Als geen catalogusprijs bekend is moet deze door vergelijking worden bepaald. Bij vergelijking zijn een aantal situaties te onderscheiden. Hieronder worden, niet uitputtend, enkele voorbeelden gegeven.

Merk en type bekend, auto niet meer leverbaar [Vervallen per 16-06-2010]

Wanneer een bepaald merk en type motorrijtuig in Nederland niet meer leverbaar is en alleen de catalogusprijs in Nederland bekend is van het laatste jaar waarin de auto geleverd werd wordt de catalogusprijs als volgt bepaald.

De laatstbekende catalogusprijs wordt vermeerderd met de gemiddelde procentuele prijsstijging in de periode ‘laatste jaar van levering tot het bouwjaar van het motorrijtuig’ van motorrijtuigen van hetzelfde merk en naastgelegen type.

Merk bekend, type niet [Vervallen per 16-06-2010]

Als van hetzelfde merk motorrijtuig andere typen verkrijgbaar zijn, wordt de catalogusprijs bepaald door de catalogusprijs van het meest vergelijkbare type te nemen. Vervolgens kunnen de verschillen met het onderhavige motorrijtuig in geld gewaardeerd worden. Daarna wordt de catalogusprijs vermeerderd of verminderd met de verschillen.

Merk niet bekend, auto wel onder andere merknaam bekend [Vervallen per 16-06-2010]

Als de auto waarvan het merk in Nederland niet bekend is, wel onder een andere merknaam bekend is (de auto is vergelijkbaar qua motortype, cilinderinhoud, aantal KW, wielbasis) kan van de catalogusprijs van de vergelijkbare auto worden uitgegaan.

Merk en type niet bekend, fabrieksprijs wel bekend [Vervallen per 16-06-2010]

De auto laat zich niet vergelijken met een andere auto op de Nederlandse markt. Er is, al dan niet via internet, wel een fabrieksprijs bekend. De catalogusprijs wordt opgebouwd en wel zodanig dat deze de catalogusprijs van een officiële importeur, zo die er zou zijn, zo dicht mogelijk benadert. De opbouw geschiedt door de fabrieksprijs te vermeerderen met vervoer- en verzekeringskosten, douanerechten een winstmarge. (Wat betreft deze winstmarge is een percentage van 15% van de fabrieksprijs acceptabel.) De aldus ontstane netto catalogusprijs is de basis voor de berekening van de BPM.

Merk en type niet bekend, fabrieksprijs niet bekend [Vervallen per 16-06-2010]

De auto laat zich niet vergelijken met een andere auto op de Nederlandse markt en er is geen fabrieksprijs voorhanden. De catalogusprijs wordt opgebouwd en wel zodanig dat deze de catalogusprijs van een officiële importeur, zo deze er zou zijn, zo dicht mogelijk benadert. De opbouw geschiedt door de aanschafprijs te vermeerderen met vervoer- en verzekeringskosten, douanerecht en winstmarge. (Wat betreft deze winstmarge is een percentage van 15% van de aanschafprijs acceptabel.) De aldus ontstane netto catalogusprijs is de basis voor de BPM-berekening.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hof Den Haag, 24 januari 1980, nr. 140/1979 (BNB 1981/181)

Aan de voor het laatst in 1972 geadviseerde verkoopprijs kan in 1976 geen betekenis meer worden toegekend. De catalogusprijs is terecht door vergelijking bepaald.

– Hoge Raad, 19 december 1990, nr. 26952 (BNB 1991/106)

De Hoge Raad past de methode onder B ‘Merk bekend, type niet’ toe bij de invoer van een gebruikte personenauto.

– Hof Amsterdam, 15 december 2003, nr. 2003/0723 (Infobulletin 2003/708, NTFR 2004/220, VN 2003/48.2.3 en 2004/31.25)

In casu is sprake is van een bekend merk auto, zodat de maatstaf van heffing moet worden verkregen door de catalogusprijs van het meest vergelijkbare type te nemen (methode onder B). De auto is alleen feitelijk gebruikt in het kader van het vervullen van de formele verplichtingen waaraan moet zijn voldaan om de auto te mogen gebruiken voor de doeleinden waarvoor deze gemaakt is, zodat deze terecht als ongebruikt is aangemerkt.

– Hoge Raad, 11 februari 2005, nrs. 39675 en 39676 (BNB 2005/158, VN 2005/13.18, WFR 2005/258)

Een importeur brengt als submodel een zogeheten demo op de markt, bestemd voor verkoop aan dealers, tegen een prijs die zodanig is vastgesteld dat de dealer de auto na drie maanden kan verkopen zonder afschrijving op die prijs. De Hoge Raad oordeelt dat deze prijs niet kan gelden als catalogusprijs in de zin van de wet (zie § 6.2.1), zodat de catalogusprijs door vergelijking moet worden bepaald. Nu in vergelijkbare gevallen pakketkorting zou zijn verleend, moet ook bij de door vergelijking te bepalen catalogusprijs van de demo’s rekening worden gehouden met die pakketkorting.

§ 6.2.4. Buggy’s [Vervallen per 16-06-2010]

Buggy’s zijn personenauto’s die zijn vervaardigd met behulp van een – veelal gebruikt – chassis, waarop een bouwpakket bestaande uit onder andere een kunststof carrosserie van een overigens niet bestaand type personenauto wordt geplaatst. Voor dit soort personenauto’s is meestal geen catalogusprijs bekend zijn. Ook is het vaststellen van de catalogusprijs door middel van vergelijking doorgaans niet goed mogelijk.

De catalogusprijs voor dit soort personenauto’s wordt gesteld op de som van de (op)bouwkosten. In die kosten wordt de waarde van alle gebezigde materialen, zoals het chassis, het bouwpakket, de carrosserie en dergelijke begrepen. Als een ondernemer dit soort auto’s bedrijfsmatig vervaardigt, worden de (op)bouwkosten vermeerderd met de loonkosten en de winstopslag.

Bij de heffing van BPM over gebruikte motorrijtuigen wordt op grond van artikel 10 van de wet een vermindering toegepast (zie paragraaf 7.5). Als een motorrijtuig is samengesteld uit gebruikte onderdelen, en de aanschafwaarde van die onderdelen, eventueel vermeerderd met loonkosten en winstopslag, vervolgens de maatstaf van heffing vormt, is de hiervoor bedoelde vermindering al grotendeels verdisconteerd in de minderwaarde van die onderdelen. Toepassing van artikel 10 van de wet blijft dan achterwege.

Bij de opbouw van buggy’s wordt vaak gebruik gemaakt van zowel gebruikte als nieuwe onderdelen. In enkele gevallen wordt uitsluitend van nieuwe onderdelen gebruik gemaakt. Gelet hierop wordt bij toepassing van deze paragraaf als volgt worden gehandeld.

  • Als de RDW voor een buggy een kenteken voor een nieuw motorrijtuig afgeeft, blijft voor de berekening van de BPM toepassing van artikel 10 van de wet achterwege en wordt er geen vermindering toegepast.

  • Als de RDW voor een buggy een kenteken voor een gebruikt motorrijtuig afgeeft, wordt bij wijze van goedkeuring voor de berekening van de BPM de catalogusprijs verminderd met een percentage dat gelijk aan de helft van het in artikel 10 van de wet genoemde percentage.

Als voor de vervaardiging van de buggy het chassis of de carrosserie van een reeds eerder in Nederland geregistreerd motorrijtuig wordt gebruikt, en de RDW het oorspronkelijke kenteken weer uitreikt, blijft de heffing van BPM achterwege. In dat geval is er geen sprake van een belastbaar feit.

§ 6.3. Tijdstip catalogusprijs (artikel 9, leden 5 tot en met 7, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.3.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

De hoofdregel is, dat de BPM steeds wordt berekend over de catalogusprijs die geldt/gold op het moment waarop het motorrijtuig nieuw is/was. Voor gebruikte motorrijtuigen geldt dus de zogenoemde historische catalogusprijs. Wat wordt verstaan onder een gebruikt motorrijtuig wordt beschreven in paragraaf 7.5.2.

Een verlaging van de catalogusprijs die zich voordoet na het moment waarop de catalogusprijs wordt gefixeerd, geeft geen aanspraak op teruggaaf van een gedeelte van de BPM. Anderzijds geeft een na bedoeld moment ingetreden verhoging van de catalogusprijs geen aanleiding tot naheffing van de BPM.

Wat betreft het van toepassing zijnde tarief is altijd bepalend het tarief dat geldt op het tijdstip waarop Deel I B van het kenteken op naam wordt gesteld (het moment van het belastbaar feit).

§ 6.3.2. Nieuwe personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen [Vervallen per 16-06-2010]

Voor nieuwe personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen waarvoor een kenteken is opgegeven, wordt de BPM berekend aan de hand van de catalogusprijs zoals die geldt op de dag vóór de dag van toekenning van het kenteken voor het betreffende motorrijtuig (artikel 9, vijfde lid, van de wet).

De dag waarop een kenteken wordt toegekend is de dag waarop de RDW bepaalt welk kenteken bij een bepaald motorrijtuig (chassisnummer) gaat behoren. Dit blijkt uit het kentekenregister van de RDW (zgn. ongedateerd Deel I A).

§ 6.3.3. Gebruikte personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen [Vervallen per 16-06-2010]

Voor gebruikte personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen waarvoor een kenteken is opgegeven, wordt de BPM berekend aan de hand van de catalogusprijs die gold op het tijdstip waarop de personenauto, bestelauto of het motorrijwiel voor het eerst in gebruik is genomen (de zogenoemde ‘historische’ catalogusprijs).

Als de datum van toelating tot het wegverkeer is vastgesteld door de RDW, moet deze datum voor de heffing van de BPM steeds worden aangenomen als het moment waarop het desbetreffende motorrijtuig in gebruik is genomen, met uitzondering van de situatie zoals gesteld in paragraaf 7.5.2.

Als de datum van toelating tot het wegverkeer niet is vastgesteld door de RDW (‘datum eerste toelating onbekend’), wordt de catalogusprijs genomen die gold op de laatste dag van het jaar waarin het motorrijtuig is vervaardigd. Het jaar van vervaardiging kan veelal worden ontleend aan het VIN-nummer. Als het jaar van vervaardiging evenmin bekend is, kan de catalogusprijs worden genomen die gold op de laatste dag van het zogenaamde modeljaar van het motorrijtuig.

§ 6.3.4. Niet geregistreerde personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen [Vervallen per 16-06-2010]

Voor nieuwe en gebruikte personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen waaraan geen Nederlands kenteken is toegekend, bijvoorbeeld buitenlandse lease- of huurauto’s, wordt de BPM berekend aan de hand van de catalogusprijs die gold op het tijdstip waarop de personenauto, bestelauto of het motorrijwiel voor het eerst in gebruik is genomen. De BPM is in dat geval verschuldigd ter zake van het belastbaar feit aanvang weggebruik (zie paragraaf 2.2).

Als dat tijdstip niet bekend is, wordt de catalogusprijs genomen die zou gelden op de laatste dag van het jaar waarin het motorrijtuig is vervaardigd (zie ook de laatste alinea van paragraaf 6.3.3).

§ 6.3.5. Tot personenauto, bestelauto of motorrijwiel omgebouwde motorrijtuigen [Vervallen per 16-06-2010]

Voor andere motorrijtuigen dan personenauto’s, bestelauto’s (vanaf 1 juli 2005) en motorrijwielen waarvoor een kenteken is opgegeven en die in zodanige staat worden gebracht dat ze worden aangemerkt als personenauto, bestelauto of motorrijwiel, wordt de BPM berekend aan de hand van de catalogusprijs die gold op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, als ware het een personenauto, bestelauto of motorrijwiel (zie ook de tweede alinea van paragraaf 6.3.3).

Deze bepaling geldt voornamelijk voor vrachtauto’s en bestelauto’s, die vóór 1 juli 2005 in gebruik zijn genomen, en die (weer) worden omgebouwd tot personenauto.

Voorbeeld:

Van automerk X is type Y verkrijgbaar als personenauto èn als bestelauto. Als de bestelauto, die in 2002 in gebruik is genomen, in 2004 wordt omgebouwd tot personenauto, dient als basis voor de berekening van de BPM de catalogusprijs die de auto in personenuitvoering in 2002 had.

§ 6.4. Catalogusprijs van gebruikte motorrijtuigen van vóór 1993 (artikel 9, lid 8, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.4.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Bij gebruikte motorrijtuigen wordt de BPM geheven over de historische catalogusprijs (zie paragraaf 6.3.3). Bij motorrijtuigen die vóór 1 januari 1993 in gebruik zijn genomen, is die catalogusprijs echter opgebouwd met onder andere bedragen aan BVB en omzetbelasting. Voor een juiste berekening van de BPM moeten de BVB en de omzetbelasting uit die catalogusprijs worden geëlimineerd (artikel 9, achtste lid, van de wet). Voor de heffing van BVB wordt verwezen naar paragraaf 16.1.

§ 6.4.2. Tarieven BVB [Vervallen per 16-06-2010]

A. Personenauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

De tarieven van de BVB voor personenauto’s waren de volgende.

Periode

Eerste schijf

Tweede schijf

van 1 oktober 1991 tot en met 31 december 1992

18,5%

27,8%

van 1 oktober 1990 tot en met 30 september 1991

18,4%

27,6%

van 1 oktober 1989 tot en met 30 september 1990

18,1%

27,2%

van 13 maart 1989 tot en met 30 september 1989

17,7%

26,6%

van 1 januari 1988 tot en met 12 maart 1989

18,3%

27,5%

in het jaar 1987

17,3%

25,9%

van 1 april 1986 tot en met 31 december 1986

16,4%

24,6%

van 1 augustus 1982 tot en met 31 maart 1986

16%

24%

De zogenoemde eerste schijf is f 10.000, verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting.

De tweede schijf is de catalogusprijs exclusief omzetbelasting, verminderd met het bedrag van de eerste schijf.

B. Motorrijwielen [Vervallen per 16-06-2010]

De tarieven van de BVB voor motorrijwielen waren vanaf 1 augustus 1982 tot en met 31 december 1992 8% over de eerste schijf en 15% over de tweede schijf.

De eerste schijf is f 6.000, verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting.

De tweede schijf is de catalogusprijs exclusief omzetbelasting, verminderd met het bedrag van de eerste schijf.

C. Vermindering voor (beperkt) schone personenauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

Van 1 april 1986 tot en met 31 december 1992 is voor personenauto’s waarvan de emissie van luchtverontreinigende stoffen aan bepaalde voorwaarden voldeed (de zogenaamde schone en beperkt schone personenauto’s) een vermindering op de BVB verleend.

Om praktische redenen wordt goedgekeurd dat voor het bepalen van de catalogusprijs voor de heffing van BPM met deze vermindering geen rekening wordt gehouden.

§ 6.4.3. Tarieven omzetbelasting [Vervallen per 16-06-2010]

De tarieven van de omzetbelasting waren de volgende.

Periode

Tarief

van 1 oktober 1992 tot en met 31 december 2000

17,5%

van 1 januari 1989 tot en met 30 september 1992

18,5%

van 1 oktober 1986 tot en met 31 december 1988

20%

van 1 januari 1984 tot en met 30 september 1986

19%

§ 6.5. Accessoires en voorzieningen (artikel 9, lid 9, van de wet) [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.5.1. Algemeen [Vervallen per 16-06-2010]

Op grond van artikel 9, negende lid, van de wet moet de waarde van alle accessoires, optionals en dergelijke in de maatstaf van heffing worden betrokken, met uitzondering van de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of importeur (zie paragraaf 6.5.2).

Hierbij wordt uitgegaan van de hoogte van de netto catalogusprijs op de dag vóór de toekenning van het kenteken. De waarde van alle op die dag aangebrachte accessoires valt binnen de belastinggrondslag, die van de accessoires die op de dag van toekenning worden aangebracht valt daarbuiten.

Het voorafgaand aan de dag vóór de toekenning van het kenteken tijdelijk demonteren van een accessoire, waarvan een personenauto of een motorrijwiel af fabriek is voorzien, gevolgd door de montage daarvan ná de kentekentoekenning, heeft niet tot gevolg dat de waarde van de betreffende accessoire buiten de catalogusprijs blijft. Een dergelijke fysieke loskoppeling heeft niet tot gevolg dat de accessoires hun binding met de betreffende auto kwijtraken. Het blijven extra toebehoren van die auto. Ze behoren van meet af aan bij dat motorrijtuig, en dat blijft zo, ook al worden er nog bepaalde handelingen mee verricht. In een zodanige situatie kan ook geen beroep worden gedaan op de uitzondering van paragraaf 6.5.2, daar die paragraaf uitsluitend ziet op achteraf aangebrachte accessoires en niet op accessoires, die reeds af fabriek deel uitmaakten van de auto.

§ 6.5.2. Uitzondering voor voorzieningen die niet door of namens de fabrikant of importeur zijn aangebracht [Vervallen per 16-06-2010]

De voorzieningen die niet door of namens de fabrikant of importeur zijn aangebracht, worden buiten de maatstaf van heffing gelaten. De waarde van deze voorzieningen zijn in artikel 9, lid 9, van de wet uitgezonderd van de catalogusprijs. Voor deze accessoires is vanaf 1 juli 2006 niet van belang op welk tijdstip ze door de dealer worden ingebouwd: ook bij montage vóór de dag van registratie blijft de waarde buiten de catalogusprijs.

De waarde van accessoires die namens de fabrikant of importeur worden aangebracht vóór de dag van registratie blijft meetellen in de catalogusprijs. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan door de importeur samengestelde actiepakketten die worden gemonteerd door gespecialiseerde bedrijven.

Onder het begrip ‘importeur’ wordt verstaan de officiële, door de fabrikant aangestelde, Nederlandse importeur.

Jurisprudentie [Vervallen per 16-06-2010]

– Hoge Raad, 23 december 1998 (BNB 1999/59)

Belanghebbende voert tevergeefs aan, dat de inspecteur niet mag naheffen over accessoires die niet op het typeplaatje staan vermeld, maar wel op de auto zijn aangebracht.

§ 6.6. Motorrijtuigen met een bijzondere inrichting [Vervallen per 16-06-2010]

§ 6.6.1. Individueel vervoer van gehandicapten [Vervallen per 16-06-2010]

Als door of namens de fabrikant of importeur motorrijtuigen speciaal worden ingericht of aangepast voor gehandicapten, is goedgekeurd dat de betreffende inrichtings- en/of aanpassingskosten buiten de maatstaf van heffing voor de BPM kunnen blijven.

Onder die kosten worden onder andere de kosten van de volgende voorzieningen verstaan.

  • Een liftinstallatie of een soortgelijke installatie, die het in- en uitrijden van rolstoelen mogelijk moet maken of vergemakkelijken.

  • Voorzieningen voor het vastzetten van rolstoelen waardoor de veiligheid van de inzittenden tijdens het vervoer is gewaarborgd.

  • Andere voorzieningen die verband houden met de handicap van de gebruiker, zoals verhoogde stoelen, pedalen met rand, een aangepaste handrem, gasbediening en dergelijke.

Als een niet onder de heffing van BPM vallende bestelauto wordt omgebouwd tot personenauto speciaal ingericht voor het vervoer van gehandicapten in de laadruimte, hetgeen moet blijken uit de aanwezigheid van onder andere de hierboven genoemde voorzieningen, kunnen ook de ombouwkosten die samenhangen met deze voorzieningen buiten de maatstaf van heffing blijven.

Bijzondere voorzieningen die ook door anderen dan gehandicapten plegen te worden gebruikt, zoals een automatische versnellingsbak, stuurbekrachtiging, airconditioning en elektrisch bedienbare zijruiten moeten echter wel steeds in de maatstaf van heffing worden betrokken.

Voor de vrijstelling voor speciale motorrijtuigen voor gehandicapten wordt verwezen naar paragraaf 10.4.

Wat betreft de maatstaf van heffing voor motorrijtuigen die speciaal zijn ingericht voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband wordt verwezen naar de paragraaf 6.6.2. De vrijstelling voor dit soort motorrijtuigen wordt beschreven in paragraaf 10.9.

De teruggaafregeling voor bestelauto’s die worden gebruikt voor gehandicaptenvervoer wordt beschreven in hoofdstuk 10.

§ 6.6.2. Groepsvervoer van rolstoelgebruikers [Vervallen per 16-06-2010]

Als een bestelauto door of namens de fabrikant of importeur wordt omgebouwd tot personenbus speciaal ingericht voor het groepsvervoer van rolstoelgebruikers, hetgeen moet blijken uit de aanwezigheid van de in paragraaf 10.9.3 genoemde voorzieningen, kunnen de normale ombouwkosten, waaronder mede worden begrepen de kosten van de in die paragraaf genoemde voorzieningen, buiten de maatstaf van heffing blijven.

Bijzondere voorzieningen die ook door anderen dan rolstoelgebruikers plegen te worden gebruikt, zoals een automatische versnellingsbak, stuurbekrachtiging, airconditioning en elektrisch bedienbare zijruiten moeten echter wel steeds in de maatstaf van heffing worden betrokken.

§ 6.6.3. Kampeerauto’s [Vervallen per 16-06-2010]

A. Goedkeuring [Vervallen per 16-06-2010]