Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Omzetbelasting, vrijstelling; verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen[Regeling vervallen per 13-02-2010 met terugwerkende kracht tot en met 06-02-2010.]

Geldend van 02-09-2006 t/m 05-02-2010

Omzetbelasting, vrijstelling; verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen

De Minister van Financiën heeft het volgende besloten:

Dit besluit is een samenvoeging van alle besluiten die zijn verschenen over de vrijstelling voor het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen. De samenvoeging heeft niet de bedoeling de inhoud van de bij dit besluit ingetrokken besluiten te veranderen.

1. Inleiding [Vervallen per 13-02-2010]

De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de wet) is van toepassing op bepaalde prestaties van ziekenhuizen, verpleeginrichtingen, psychiatrische inrichtingen en dergelijke instellingen. Het moet dan gaan om prestaties die deze instellingen verrichten aan de daarin opgenomen personen. Als deze instellingen ook andere prestaties verrichten, dan is op die prestaties vaak een andere vrijstellingsbepaling van toepassing. De belangrijkste zijn de medische vrijstelling (artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de wet) en de sociaal-culturele vrijstelling (artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet juncto artikel 7, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en de bij dat besluit behorende Bijlage B, onderdeel b, post 9, 13 en 23).

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen [Vervallen per 13-02-2010]

wet: Wet op de omzetbelasting 1968

uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968

vrijstellingsbepaling: artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de wet

WTZi: Wet toelating zorginstellingen

Zesde richtlijn: Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG)

Hof van Justitie: Europese Hof van Justitie

2. Juridisch kader [Vervallen per 13-02-2010]

Van de heffing van omzetbelasting zijn vrijgesteld: het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen, alsmede het verstrekken van spijzen en dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan die personen (artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de wet; de vrijstellingsbepaling).

De vrijstellingsbepaling is alleen van toepassing als met de genoemde prestaties geen winst wordt beoogd. Dat vereiste staat in artikel 11, tweede lid, van de wet.

Op grond van het Belastingplan 2006 komt in artikel 11, tweede lid, van de wet de verwijzing naar het eerste lid, onderdeel c, te vervallen. Deze wijziging van de wet treedt echter pas in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Tot op heden is nog geen koninklijk besluit verschenen, zodat het vereiste dat geen winst wordt beoogd ook nu nog van kracht is. Dit hangt samen met regelgeving van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De WTZi (Stb. 2005, 571), die per 1 januari 2006 van kracht is geworden, biedt de mogelijkheid voor bij algemene maatregel bestuur te benoemen categorieën instellingen die intramurale zorg verlenen, winst toe te staan. De wijziging van artikel 11, tweede lid, van de wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat zal samenvallen met het tijdstip waarop krachtens de WTZi winstoogmerk voor de intramurale zorg zal zijn toegestaan (Stb. 2005, 683).

De vrijstellingsbepaling is gebaseerd op artikel 13, letter A, lid 1, aanhef en sub b, en lid 2, sub b, van de Zesde richtlijn.

3. Reikwijdte van de vrijstellingsbepaling [Vervallen per 13-02-2010]

De vrijstellingbepaling is van toepassing op het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen. Het begrip inrichting ziet allereerst op ziekenhuizen, verpleeginrichtingen, psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen. Onder dit begrip vallen echter ook internaten die de volledige verzorging van de daar geplaatste minderjarigen verlenen.

De vrijstelling geldt alleen voor niet winstbeogende inrichtingen (zie ook onderdeel 1 van dit besluit).

Als een inrichting goederen levert of diensten verleent die niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van haar vrijgestelde prestaties, dan is de vrijstelling op die leveringen en diensten niet van toepassing. Dat is bijvoorbeeld het geval als een inrichting tegen aparte vergoeding gelegenheid geeft om te telefoneren of televisie te kijken. Dat is anders bij bijvoorbeeld het tegen vergoeding ter beschikking stellen van medische apparatuur aan in de inrichting werkzame artsen. Een dergelijke prestatie is onontbeerlijk voor het verrichten van de vrijgestelde handeling en valt dus wel onder de vrijstelling.

4. Goedkeuringen [Vervallen per 13-02-2010]

In dit onderdeel wordt voor een aantal gevallen goedgekeurd dat de vrijstelling wordt toegepast op prestaties die daar in strikte zin niet voor in aanmerking komen. Algemeen geldt daarbij als voorwaarde dat de inrichting afziet van de aftrek van voorbelasting die verband houdt met die prestaties.

4.1. Verzorgingsflats [Vervallen per 13-02-2010]

Onder verzorgingsflat moet worden verstaan woonvormen waarbij naast de verhuur en de daarmee samenhangende prestaties, ook nog andere prestaties worden verricht. Te denken valt aan het verstrekken van spijzen en dranken, het verstrekken van huishoudelijke hulp, de (verpleegkundige) verzorging bij ziekte van de bewoners, het gebruik van gemeenschappelijke recreatieruimten en het verhuren van logeerkamers aan gasten van de bewoners. De vrijstellingsbepaling kan op dit soort prestaties worden toegepast, als daarmee geen winst wordt beoogd.

4.2. Beheer van bewonersgelden [Vervallen per 13-02-2010]

Het komt voor dat inrichtingen die onder de vrijstellingsbepaling vallen, tegen vergoeding het financiële beheer van zogenoemde bewonersgelden verzorgen. Bij het beheren van bewonersgelden gaat het om langdurig in een zorginrichting verblijvende personen (de bewoners), die zelf niet in staat zijn hun vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De beheerwerkzaamheden bestaan onder meer uit het aanvragen en innen van uitkeringen, het betalen van doorlopende kosten zoals verzekeringen en het uitbetalen van kleed- en zakgeld. Voor het verrichten van de beheertaak is de goedkeuring van de voor de bewoner benoemde curator of bewindvoerder vereist. Het beheren van gelden onder deze omstandigheden ligt in het verlengde van de reguliere verpleging en verzorging van die personen. Ik keur daarom goed dat deze werkzaamheden onder de vrijstellingsbepaling worden gerangschikt, als daarmee geen winst wordt beoogd. Het tegen vergoeding beleggen van het vermogen van de bewoners valt niet onder de goedkeuring.

De goedkeuring geldt ook als het financiële beheer formeel is ondergebracht bij een afzonderlijke stichting maar de betrokken zorginrichting de feitelijke beheerwerkzaamheden blijft verrichten. Het moet dan wel gaan om het financiële beheer van personen die in de eigen zorginrichting zijn opgenomen.

4.3. Commerciële verpleeg- en verzorgingsinrichtingen [Vervallen per 13-02-2010]

Commerciële verpleeg- en/of verzorgingsinrichtingen beogen winst en vallen daarom niet onder de vrijstellingsbepaling. Commerciële verpleeg- en/of verzorgingsinrichtingen zijn bijvoorbeeld particuliere verzorgingstehuizen, particuliere verpleegtehuizen, particuliere tehuizen voor de opvang van hulpbehoevende gehandicapten, zoals de zogenoemde Thomashuizen.

Ik keur goed dat deze commerciële inrichtingen voor de verzorging en verpleging van de in die inrichtingen opgenomen personen gebruik maken van de vrijstellingsbepaling. Het gedeelte van de vergoeding dat deze inrichtingen berekenen voor het verstrekken van spijzen en dranken is echter belast met het verlaagde BTW-tarief. Uit praktische overwegingen kan dat gedeelte worden gesteld op 20% van de totale vergoeding. Bij het huidige tarief van 6% betekent dit, dat de verschuldigde BTW 1,13% bedraagt van de totale door de inrichting in rekening gebrachte vergoeding ((20% × 6%) 100/106). Het recht op aftrek van voorbelasting dient in dit geval naar evenredigheid te worden beperkt.

Aan deze goedkeuring verbind ik voorts de voorwaarden dat aan de inrichting een gediplomeerd verpleegkundige is verbonden en in de inrichting hulpbehoevende personen zijn opgenomen die in meer of mindere mate verpleging nodig hebben.

4.4. Verstrekken van spijzen en dranken aan anderen dan in de inrichting opgenomen personen [Vervallen per 13-02-2010]

Het verstrekken van spijzen en dranken aan personeel en aan bezoekers is in beginsel belast met omzetbelasting. Het komt echter voor dat de verstrekking van spijzen en dranken aan het personeel niet gescheiden plaatsvindt van de verstrekking aan de in de inrichting opgenomen personen. Incidenteel komt dat ook voor bij bezoekers. Ik keur uit praktische overwegingen goed dat in die gevallen de vrijstellingsbepaling toch wordt toegepast.

5. Ingetrokken regeling(en) [Vervallen per 13-02-2010]

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

Het kan voorkomen dat er nog andere publicaties met een beleidsmatig karakter over de vrijstellingsbepaling hebben plaatsgevonden, naast de in dit overzicht opgenomen besluiten. Dat kunnen bijvoorbeeld mededelingen in het voormalige infobulletin zijn. Om onduidelijkheid te voorkomen over de vraag of dergelijke publicaties nog geldend beleid bevatten, trek ik deze publicaties met ingang van de dagtekening van dit besluit collectief in. Een uitzondering hierop vormen de brieven van 10 juli 1979, nr. 278/294 en 28 december 1981, nr. 281/20886. In deze brieven wordt de BTW-heffing uitgewerkt van bepaalde prestaties van ziekenhuizen aan specialisten die aan die ziekenhuizen zijn verbonden. De eventuele intrekking van deze brieven is nog onderwerp van overleg met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen.

6. Inwerkingtreding [Vervallen per 13-02-2010]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 augustus 2006

De

Minister

van Financiën,
namens deze:
de

directeur-generaal Belastingdienst

,

J. Thunnissen