Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB[Regeling vervallen per 01-04-2011.]

Geldend van 01-09-2010 t/m 31-03-2011

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 juli 2006, nr. TRCJZ/2006/1978, houdende beleidsregels over de toepassing van het normenkader randvoorwaarden in het kader van de directe inkomenssteun aan landbouwers in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;

Gelet op Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers;

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-04-2011]

Voor de toepassing van deze regeling wordt aangesloten bij de terminologie van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 en verordening 796/2004.

Artikel 2 [Vervallen per 01-04-2011]

  • 1 Indien in strijd wordt gehandeld met de verplichtingen, bedoeld in artikel 3 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, wordt de inkomenssteun, behoudens overmacht en het bepaalde in het derde lid, gekort met een percentage dat afhankelijk is gesteld van:

    • de beoordeling van een niet-naleving,

    • het aantal niet-nalevingen, en

    • het beleidsterrein waartoe de overtreden randvoorwaarden behoren.

  • 2 De beoordeling van een niet-naleving gebeurt aan de hand van vier criteria:

    • a. herhaling;

    • b. omvang;

    • c. ernst;

    • d. permanent karakter.

  • 3 De minister kan aan de hand van de criteria bedoeld in het tweede lid, nadat een niet-naleving onmiddellijk is of tijdens de hercontrole blijkt te zijn hersteld, besluiten dat een niet-naleving van gering belang wordt beschouwd zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) 73/2009.

  • 4 De randvoorwaarden per beleidsterrein zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 3 [Vervallen per 01-04-2011]

De te onderscheiden beleidsterreinen van randvoorwaarden, bedoeld in artikel 2 zijn:

  • a. volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten;

  • b. milieu;

  • c. dierenwelzijn;

  • d. goede landbouw- en milieuconditie.

Artikel 4 [Vervallen per 01-04-2011]

  • 1 De randvoorwaarden worden voor zover van toepassing benoemd en gecontroleerd op het terrein van de onderscheiden artikelen in de betrokken nationale regelgeving.

  • 2 Indien de feitelijke na te leven eisen in één verordening of richtlijn dezelfde norm bevatten, wordt deze norm benoemd als één te controleren eis.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-2011]

Kortingen worden toegepast op steunaanvragen die in de loop van het kalenderjaar waarin de niet-naleving is geconstateerd, zijn of worden ingediend.

Artikel 6 [Vervallen per 01-04-2011]

De berekening van de korting vindt als volgt plaats:

  • a. De beoordeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, leidt tot een initiële korting per randvoorwaarde die is weergegeven in de kolom ‘initiële korting’ in de bijlage.

  • b. Bij vaststelling van meerdere niet-nalevingen ten aanzien van hetzelfde besluit of dezelfde norm worden die niet-nalevingen voor de vaststelling van de korting beschouwd als één niet-naleving, waarbij per besluit of norm de niet-naleving met de hoogste initiële korting als uitgangspunt voor de berekening van het kortingspercentage wordt genomen.

  • c. Per besluit of norm wordt overeenkomstig artikel 66, eerste lid, tweede alinea, van verordening 796/2004 beoordeeld of er factoren zijn die tot een verhoging of een verlaging van het in onderdeel b vastgestelde kortingspercentage moet leiden. In dat geval dient het verhoogde dan wel verlaagde kortingspercentage als uitgangspunt voor de berekening van het kortingspercentage. Indien de niet-naleving van gering belang wordt beschouwd, wordt ten aanzien van het desbetreffende besluit of desbetreffende norm geen korting toegepast.

  • d. Bij vaststelling van meerdere niet-nalevingen ten aanzien van verschillende besluiten of normen die tot hetzelfde terrein van randvoorwaarden behoren worden die gevallen, na toepassing van onderdeel b en c, voor de vaststelling van de korting beschouwd als één niet-naleving, waarbij per terrein van randvoorwaarden de niet-naleving met de hoogste korting als uitgangspunt voor de berekening van de korting wordt genomen.

  • e. De uit onderdeel d voortvloeiende kortingspercentages worden bij elkaar opgeteld. De maximale korting op alle vastgestelde niet-nalevingen op alle terreinen en over het totale bedrag aan de toe te kennen steun is niet hoger dan 5%, tenzij sprake is van herhaalde of opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde.

Artikel 7 [Vervallen per 01-04-2011]

  • 1 Indien er sprake is van herhaalde niet-nalevingen als bedoeld in artikel 41 van verordening 796/2004, geldt dat het kortingspercentage voor de herhaalde niet-naleving als volgt wordt berekend:

    • a. Voor de eerste herhaalde niet-naleving: beoordeeld wordt of het initiële kortingspercentage als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, voor de herhaalde niet-naleving verhoogd of verlaagd moet worden, al naar gelang de situatie ten opzichte van de vorige niet-naleving verbeterd of verslechterd is. De uitkomst van die beoordeling wordt vermenigvuldigd met de factor drie.

    • b. Voor de tweede en verdere herhaalde niet-nalevingen: het percentage dat is opgelegd voor de voorgaande herhaling wordt vermenigvuldigd met de factor drie.

  • 2 Het kortingspercentage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in totaal ten hoogste 15%.

  • 3 Bij de toepassing van het in het tweede lid bedoelde kortingspercentage van 15% deelt de minister de landbouwer schriftelijk mee dat een volgende niet-naleving van de desbetreffende eis of norm zal worden beschouwd als een opzettelijke niet-naleving.

  • 4 In het geval dat een herhaalde niet-naleving wordt geconstateerd samen met een andere niet-naleving of een andere herhaalde niet-naleving worden de daaruit voortvloeiende kortingspercentages bij elkaar opgeteld. Onverminderd het bepaalde in de derde alinea, is de maximale korting op alle vastgestelde niet-nalevingen niet hoger dan 15% van het totale bedrag aan de toe te kennen steun, tenzij sprake is van opzettelijke niet-naleving.

  • 5 Niet-nalevingen die zijn geconstateerd vóór 1 januari 2008 ten aanzien van de randvoorwaarden onder respectievelijk:

    • a. punt 3,

    • b. punt 6,

    • c. punten 7 en 8,

    • d. punt 8bis,

    • e. punt 9,

    • f. punten 13 tot en met 15 van bijlage III van verordening 1782/2003 en

    • g. het onderdeel bodemerosie, als bedoeld in bijlage IV van verordening 1782/2003,

    worden voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van herhaling beschouwd als niet-nalevingen van de onderdelen respectievelijk:

    • a. 3,

    • b. 6,

    • c. 7,

    • d. 8,

    • e. 9,

    • f. 15 en

    • g. 20

    van de bijlage zoals deze vanaf 1 januari 2008 luidt.

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2011]

  • 1 Bij opzettelijke niet-nalevingen bedraagt de korting voor die niet-naleving van een eis of norm in de regel 20%.

  • 2 De beoordeling van opzet gebeurt in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:

    • a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd;

    • b. de mate van complexiteit van de betreffende randvoorwaarde;

    • c. de vraag of er sprake is van langdurig bestendig beleid;

    • d. de vraag of er sprake is van een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling;

    • e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde;

    • f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd.

  • 3 Op basis van beoordeling op de 4 criteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, kan de minister adviseren het kortingspercentage op het niveau van een randvoorwaardenterrein te verlagen tot niet minder dan 15% of te verhogen tot ten hoogste 100%.

Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2011]

De minister beoordeelt de ernst van een niet-naleving aan de hand van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstelling van de betrokken eis of norm.

Artikel 10 [Vervallen per 01-04-2011]

De minister houdt bij de bepaling van de omvang van een niet naleving rekening met de al dan niet verstrekkende invloed van de niet-naleving, waarbij met name bepalend is of de uitstraling van de niet-naleving tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijft.

Artikel 11 [Vervallen per 01-04-2011]

De minister beoordeelt het permanent karakter van een niet-naleving aan de hand van de duur van de periode waarin de effecten van de niet naleving blijven bestaan, en aan de hand van de mogelijkheden om die effecten te beëindigen.

Artikel 12 [Vervallen per 01-04-2011]

  • 1 De minister beoordeelt aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, of er sprake is van een extreem geval van niet-naleving.

  • 2 Onder een extreem geval van niet-naleving wordt verstaan een dusdanig ingrijpende schending van de betrokken norm wat betreft de omvang, de ernst of het permanente karakter ervan dat de betrokken overtreder in redelijkheid niet meer in aanmerking kan komen voor inkomenssteun.

  • 3 In geval van een extreem geval van niet-naleving en in het geval van herhaalde opzettelijke niet-nalevingen, wordt de landbouwer van de betrokken steunregeling uitgesloten voor het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 12a [Vervallen per 01-04-2011]

De artikelen 6 en 7, vierde lid, zoals deze artikelen luiden vanaf 1 januari 2008 worden toegepast op uitbetalingen van inkomenssteun die betrekking hebben op het jaar 2008 en later.

Artikel 13 [Vervallen per 01-04-2011]

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB.

Artikel 14 [Vervallen per 01-04-2011]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
overeenkomstig het door de Minister genomen besluit:
de

Directeur-Generaal

,

R.M. Bergkamp

Bijlage [Vervallen per 01-04-2011]

Beheerseisen, bedoeld in artikel 3 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006
 

EU-wetgevingskader

Nederlands wetgevingskader

Artikel(en)

Onderwerp van controle

Randvoorwaardenterrein

Niet-naleving van gering belang

Ernst

Omvang

Permanent karakter

Initiële korting

Opzet op basis van de criteria in artikel 8, tweede lid

Milieu

1 Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979, artikel 3, leden 1 en 2, onder b, art. 4 leden 1, 2 en 4, art. 5, onderdelen a, b en d)

1.1

Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG)

Natuurbeschermingswet 1998

art.19d

Het verbod om zonder geldige vergunning een project of handeling uit te voeren in een aangewezen Vogelrichtlijngebied of in strijd met de vergunningvoorwaarden te handelen

milieu

 

3

1

0

3%

 

1.2

Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG)

Flora- en faunawet

art.9 in samenhang met art.31, eerste lid

Het verbod op doden, verwonden, vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen van beschermde inheemse vogels

milieu

Niet-naleving terwijl de gedragscode is nageleefd.

3

1

1

5%

Ja, voor wat betreft het vangen van beschermde inheemse vogels 20%

1.3

Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG)

Flora- en faunawet

art.10 in samenhang met art.31, tweede lid

Het verbod op het opzettelijk verstoren van beschermde inheemse vogels

milieu

 

2

1

0

3%

Ja, 20%

1.4

Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG)

Flora- en faunawet

art.11

Het verbod op het verstoren of vernielen van nesten van beschermde inheemse vogels

milieu

 

3

1

1

5%

 

1.5

Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG)

Flora- en faunawet

art.14

Het verbod op het uitzetten van vogels en eieren in de vrije natuur

milieu

 

3

1

1

5%

 

2. Grondwaterbescherming (Richtlijn 80/68/EEG van 17 december 1979, art.4 en 5)

2.1

Grondwaterbescherming (Richtlijn 80/68/EEG)

Lozingenbesluit Bodembescherming

art.25

Het verbod op het lozen van niet huishoudelijk afvalwater of koelwater in of op de bodem zonder geldige vergunning

milieu

 

3

1

1

5%

 

3. Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG van 12 juni 1986, art.3)

3.1

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.1b, eerste lid in samenhang artikel 1b, derde lid, eerste alinea, en artikel 1c, eerste lid

De verplichting om bij gebruik van zuiveringsslib op landbouwgrond, te voldoen aan toetsingswaarden na bemonstering en analyse

milieu

 

3

0

1

3%

 

3.2

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art. 1b, eerste lid in samenhang met artikel 1b, derde lid, onderdeel a

Het verbod op het gebruik van vloeibaar zuiveringsslib als de maximaal toegestane hoeveelheid droge stof per hectare wordt overschreden

milieu

 

2

0

1

3%

 

3.3

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art. 1b, eerste lid, in samenhang met artikel 1b, derde lid, onderdeel b, en vierde lid

Het verbod op het gebruik van steekvast zuiveringsslib als de maximaal toegestane hoeveelheid droge stof per hectare wordt overschreden alsmede de verplichting om voor het betreffende aantal hectaren gedurende bepaalde perioden het grondgebruik ongewijzigd te laten

milieu

 

2

0

1

3%

 

3.4

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.1b, eerste lid

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib op andere grond dan landbouwgrond

milieu

 

3

0

1

3%

 

3.5

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib op bevroren of besneeuwde grond

milieu

 

3

1

1

5%

 

3.6

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.1d

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib als dit de gezondheid van dieren en mensen schaadt

milieu

 

3

1

1

5%

 

3.7

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3a

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib indien de bovenste bodemlaag met water verzadigd is

milieu

 

2

1

1

3%

 

3.8

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3b

Het verbod op het gebruik zuiveringsslib tegelijkertijd met het beregen of bevloeien of infiltreren van de grond.

milieu

 

2

1

1

3%

 

3.9

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.4

Het verbod op het gebruik zuiveringsslib van 1 september t/m 31 januari

milieu

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

3.10

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.5

De verplichting om zuiveringsslib emissiearm aan te wenden

milieu

 

2

1

1

3%

Ja, 20%

3.11

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6

De verplichting om zuiveringsslib gelijkmatig over het perceel te verspreiden

milieu

 

2

0

1

3%

 

3.12

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6a

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib op steile hellingen (> 7%) met geulenerosie (geulen > 30 cm diep)

milieu

 

2

1

1

3%

 

3.13

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6b

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib op niet beteelde gronden met een hellingspercentage van 7% of meer

milieu

 

2

1

1

3%

 

3.14

Zuiveringsslib (Richtlijn 86/278/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6d

Het verbod op het gebruik van zuiveringsslib op bouwland of braakland met een hellingspercentage van 18% of meer

milieu

 

2

1

1

3%

 

4. Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG van 12 december 1991, art.4 en art.5)

4.1

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.2

Het verbod op gebruik van dierlijke meststoffen op natuurterrein en op andere grond dan landbouwgrond of natuurterrein

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.2

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest op bevroren of besneeuwde grond

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.3

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3a

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest op natte of ondergelopen grond (waterverzadigde grond)

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.4

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.3b

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest tegelijkertijd met het beregen of bevloeien of infiltreren van de grond

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.5

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.4

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest van 1 september t/m 31 januari

milieu

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

4.6

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.4a

Het verbod op het gebruik van stikstofkunstmest van 16 september t/m 31 januari

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.7

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.4b

Het verbod om op grasland de graszode te vernietigen

milieu

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

4.8

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.5

De verplichting om de dierlijke mest emissiearm aan te wenden

milieu

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

4.9

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6

De verplichting om de dierlijke mest of stikstofkunstmest gelijkmatig over het perceel te verspreiden

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.10

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6a

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest of stikstofkunstmest op steile hellingen (> 7%) met geulenerosie (geulen > 30 cm diep)

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.11

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6b

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest op niet beteelde gronden met een hellingspercentage van 7% of meer

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.12

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6c

Het verbod op het gebruik van stikstofkunstmest op niet beteelde gronden met een hellingspercentage van 7% of meer

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.13

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.6d

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest of stikstofkunstmest op bouwland of braakland met een hellingspercentage van 18% of meer

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.14

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Besluit gebruik meststoffen

art.8a

De verplichting omtrent de volgteelt van maïs op zand- en lössgronden

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.15

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

art.16 in samenhang met art.13

Het verbod op toepassing van meststoffen in de mestvrije zone of de mestvrije zone is niet gelijk aan de teeltvrije zone

milieu / GLMC

 

3

1

1

5%

 

4.16

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Meststoffenwet

art.7 in samenhang met art.8 onder a en b, 9 en 10 en in samenhang met art.24, 25, 26 en 27 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de stikstofgebruiksnormen in acht zijn genomen

milieu

 

3

1

1

5%

 

4.17

Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG)

Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

art.28 in samenhang met art.27, 29, 30 en in samenhang met art.36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

De verplichting voldoende opslagcapaciteit voor dierlijke mest op het bedrijf te hebben die in de periode september t/m februari wordt geproduceerd

milieu

Indien de niet-naleving wordt hersteld

1

0

0

1%

 

5. Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992, art.6 en 13, eerste lid, onder a)

5.1

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Natuurbeschermingswet 1998

art.19d

Het verbod om zonder geldige vergunning een project of handeling uit te voeren in een aangewezen Habitatrichtlijngebied of in strijd met de vergunningvoorwaarden te handelen

milieu

 

3

1

0

3%

 

5.2

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Flora- en faunawet

art.8

Het verbod op plukken, vernielen, in bezit hebben, verkopen, etc. van beschermde inheemse planten

milieu

 

3

1

1

5%

 

5.3

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Flora- en faunawet

art.9 in samenhang met art.31, eerste lid

Het verbod op doden, verstoren, in bezit hebben, verkopen etc. van beschermde inheemse diersoorten

milieu

 

3

1

1

5%

 

5.4

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Flora- en faunawet

art.10 in samenhang met art.31, tweede lid

Het verbod op het opzettelijk verstoren van beschermde inheemse diersoorten

milieu

 

2

1

0

3%

Ja, 20%

5.5

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Flora- en faunawet

art.11

Het verbod op het verstoren of vernielen van rustplaatsen of holen van beschermde inheemse dieren

milieu

 

3

1

1

5%

 

5.6

Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

Flora- en faunawet

art.12

Het verbod op het rapen of bezitten van eieren van beschermde inheemse diersoorten.

milieu

 

3

1

1

5%

 

Gezondheid (mens, dier en plant)

6. I&R varkens (Richtlijn 2008/71/EG van 15 juli 2008, art 3, 4 en 5)

6.1

I & R Varkens (Richtlijn 2008/71/EG)

Regeling identificatie en registratie van dieren

art.2, lid 1 tot en met 5, in samenhang met artikel 4

De verplichting correct te zijn geregistreerd als houder van varkens en wijzigingen in de gegevens tijdig te melden.

gezondheid

In het geval de varkens hobbymatig worden gehouden, de houder niet als houder van varkens is geregistreerd en de niet-naleving wordt hersteld

3

1

0

3%

 

6.2

I & R Varkens (Richtlijn 2008/71/EG)

Regeling identificatie en registratie van dieren

art.8, lid 2, in samenhang met artikel 12

De verplichting alleen toegelaten identificatiemiddelen voor varkens te gebruiken en deze te verkrijgen zoals toegestaan.

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

6.3

I & R Varkens (Richtlijn 2008/71/EG)

Richtlijn 2008/71/EG,

art.5, lid 1, onder a

De verplichting varkens binnen een bepaalde termijn te voorzien van identificatiemiddelen.

gezondheid

 

3

0

0

3%

 

6.4

I & R Varkens (Richtlijn 2008/71/EG)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, Regeling identificatie en registratie van dieren

artikel 104, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met art.10 en 11 Regeling I&R

Het verbod op het merken of hermerken van varkens, tenzij is voldaan aan specifieke voorschriften.

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

6.5

I & R Varkens (Richtlijn 2008/71/EG)

Regeling identificatie en registratie van dieren

artikel 31, lid 1, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde gedachtestreepje, en lid 3

De verplichting tot het hebben van een bedrijfsregister en voorschriften wat er in het bedrijfsregister vermeld moet worden en termijnen die moeten worden aangehouden.

gezondheid

In het geval van een hobbyhouder: geen of een onvolledig register en de niet-naleving wordt hersteld. In het geval van een bedrijfsmatig houder: een onvolledig register en de niet-naleving wordt hersteld.

3

0

0

3%

 

7. I&R runderen (Verordening (EG) 1760/2000 van 17 juli 2000, art.4 en 7)

7.1

I & R Runderen (Verordening (EG) 1760/2000)

Regeling identificatie en registratie van dieren

art.2, lid 1 tot en met 4, in samenhang met artikel 4

De verplichting correct te zijn geregistreerd als houder van runderen en wijzigingen in de gegevens tijdig te melden.

gezondheid

In het geval van een hobbyhouder: houder is niet geregistreerd en de niet-naleving wordt hersteld

3

1

0

3%

 

7.2

I & R Runderen (Verordening (EG) 1760/2000)

Regeling identificatie en registratie van dieren en Verordening (EG) 1760/2000

art.8, lid 1, in samenhang met artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vo. 1760/2000 en artikel 12 Regeling I& R

De verplichting alleen toegelaten identificatiemiddelen voor runderen te gebruiken, deze te verkrijgen zoals toegestaan en runderen binnen een bepaalde termijn te voorzien van identificatiemiddelen.

gezondheid

Merkverlies van maximaal 15% of 5 dieren en de niet-naleving wordt hersteld.

3

1

0

3%

 

7.3

I & R Runderen (Verordening (EG) 1760/2000)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, Regeling identificatie en registratie van dieren

artikel 104, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, en art.10 in samenhang met artikel 11 Regeling I&R

Het verbod op het merken of hermerken van runderen, tenzij is voldaan aan specifieke voorschriften.

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

7.4

I & R Runderen (Verordening (EG) 911/2004, Verordening (EG) 1760/2000)

Regeling identificatie en registratie van dieren en Verordening (EG) 1760/2000

artikel 7, lid 1, verordening 1760/2000 in samenhang artikel 19, eerste lid, tot en met ‘verordening 1760/2000, en tweede tot en met vijfde lid, Regeling I&R

De verplichting tot het hebben van een bedrijfsregister en voorschriften wat er in het bedrijfsregister vermeld moet worden en termijnen die moeten worden aangehouden.

gezondheid

Het bedrijfsregister is onvolledig bijgehouden waarbij tot 10% van de aanwezige dieren niet of onjuist is vermeld en de niet-naleving wordt hersteld.

3

0

0

3%

 

7.5

I&R runderen (Verordening (EG) 1760/2000

Verordening (EG) 1760/2000

art. 7, lid 1, tweede gedachtestreepje

De verplichting ten aanzien van runderen tot het centraal melden van mutaties aan het I&R gegevensbestand

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

8. I&R schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004 van 17 december 2003, art.3, 4 en 5)

8.1

I & R Schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004)

Regeling identificatie en registratie van dieren

art.2, lid 1 tot en met 4 en lid 6, in samenhang met artikel 4 van de Regeling I&R

De verplichting correct te zijn geregistreerd als houder van schapen en geiten en wijzigingen in de gegevens tijdig te melden.

gezondheid

In het geval van een hobbyhouder: geen bedrijfsregister, dan wel onvolledig register, en de niet-naleving wordt hersteld.

3

1

0

3%

 

8.2

I & R Schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004)

Regeling identificatie en registratie van dieren

art.8 lid 5, in samenhang met artikel 12 Regeling I& R

De verplichting alleen toegelaten identificatiemiddelen voor schapen en geiten te gebruiken en deze te verkrijgen zoals toegestaan.

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

8.3

I & R Schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004)

Verordening (EG) 21/2004

artikel 4, lid 1 en 4 van de Regeling I&R

De verplichting schapen en geiten binnen een bepaalde termijn te voorzien van identificatiemiddelen.

gezondheid

Maximaal 4 dieren zijn niet voorzien van merken; er is bij maximaal 5% van de dieren merkverlies en de niet-naleving wordt hersteld.

3

0

0

3%

 

8.4

I & R Schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, Regeling identificatie en registratie van dieren

artikel 104, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, en art.10 in samenhang met artikel 11, 36 en 38 Regeling I&R

Het verbod op het merken of hermerken van schapen en geiten tenzij is voldaan aan specifieke voorschriften.

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

8.5

I & R Schapen en geiten (Verordening (EG) 21/2004)

Regeling identificatie en registratie van dieren

artikel 38d en 38e van de Regeling I&R

De verplichting ten aanzien van schapen en geiten tot het centraal melden van mutaties aan het I&R gegevensbestand.

gezondheid

In het geval van een hobbyhouder: geen bedrijfsregister dan wel onvolledig register, en de niet-naleving wordt hersteld.

3

0

0

3%

 

9. Gewasbescherming (Richtlijn 91/414/EEG van 15 juli 1991, art.3, eerste en derde lid)

9.1

Gewas- bescherming (Richtlijn 91/414/EEG)

Wet gewasbeschermings-middelen en biociden

art. 20

Het is verboden een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, voorhanden of in voorraad te hebben.

gezondheid

Het voorhanden hebben van een vervallen middel en dit wordt aantoonbaar hersteld waarbij het een gering hoeveelheid betreft, er is geen vermoeden dat middelen bedoeld zijn voor gebruik of middelen nog worden gebruikt. Er is tevens geen sprake van een gehamsterde hoeveelheid. De niet-naleving wordt hersteld.

3

1

1

5%

ja, voor wat betreft het gebruik van een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel, 20%

9.2

Gewas- bescherming (Richtlijn 91/414/EEG)

Wet gewasbeschermings-middelen en biociden

art. 22

Het verbod op handelen in strijd met gebruiksvoorschriften die bij toelating zijn vastgesteld

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

9.3

Gewas- bescherming (Richtlijn 91/414/EEG)

Besluit gewasbeschermings-middelen en biociden

Artikel 26, eerste en tweede lid

De verplichting om te beschikken over een gewasbeschermingsplan en de voorschriften met betrekking tot goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding toe te passen. Deze verplichting geldt niet voor biologische landbouwers.

gezondheid

Niet aanwezig, en de niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

10. General Food Law (Verordening (EG) 178/2002 van 28 januari 2002, art.15, 17 lid 1, 19 en 20)

10.1

General Food Law (Verordening (EG) 178/2002)

Kaderwet diervoeders

art.2 in samenhang met art. 15, 17, eerste lid, en 20 van Verordening (EG) 178/2002

Het verbod onveilige diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels te bereiden, te be- of verwerken, te verpakken, te etiketteren, voorhanden of in voorraad te hebben, te vervoeren of in het verkeer te brengen en de verplichting dat alle diervoeders in alle stadia van de productie traceerbaar zijn, alsmede de verplichting onveilige diervoeders terug te halen.

gezondheid

Het voorhanden hebben/vervoederen van een licht verontreinigd diervoeder met een minder gevaarlijke stof (mest, schimmel, ongedierte) en hersteld.

3

1

0

3%

 

10.2

General Food Law (Verordening (EG) 178/2002)

Kaderwet diervoeders

art.4, lid 3

Het verbod diervoeders – met andere dan bij communautaire maatregel aangewezen bijzondere voedingsdoelen – voorhanden of in voorraad te hebben of in het verkeer te brengen

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

10.3

General Food Law (Verordening (EG) 178/2002)

Regeling diervoeders 2010

art. 20 in samenhang met art. 15 Verordening (EG) 178/2002

Het verbod om onveilige diervoeders te voederen aan landbouwhuisdieren

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

10.4

General Food Law (Verordening (EG) 178/2002)

Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen

artikel 2, lid 10 in samenhang met art. 19 van Verordening (EG) 178/2002

Het verbod eet- en drinkwaren in de handel te brengen en de verplichting dat alle eet- en drinkwaren in alle stadia van de productie traceerbaar zijn, alsmede de verplichting onveilige eet- en drinkwaren terug te halen.

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

11 Diervoederhygiëne (Verordening (EG) 183/2005 van 12 januari 2005)

11.1

Diervoeder- hygiëne (Verordening (EG) 183/2005)

Regeling diervoeders 2010

art. 13 in samenhang met art.5 lid 1 van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder I onder 4e en 4g van Verordening (EG) 183/2005

De verplichting voor exploitanten van diervoederbedrijven afval en gevaarlijke stoffen apart en veilig op te slaan en rekening te houden met de resultaten van analyses van monsters van primaire producten of andere monsters die van belang zijn voor de voederveiligheid

gezondheid

Niet gescheiden opslag zonder directe risico op verontreiniging

3

1

0

3%

 

11.2

Diervoederhygiëne (Verordening (EG) 183/2005)

Regeling diervoeders 2010

art. 13 in samenhang met art.5 lid 1 van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) 183/2005

De verplichting voor exploitanten van diervoederbedrijven een registratie bij te houden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het gebruik van genetisch gemodificeerd zaai- en pootgoed en de bron en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf binnenkomt en de bestemming en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf verlaat

gezondheid

Geen registratie van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het gebruik van gemodificeerd zaai- en pootgoed. Geen aan- en afvoerbonnen. De niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

11.3

Diervoederhygiëne (Verordening (EG) 183/2005)

Regeling diervoeders 2010

art. 13 in samenhang met art.5 lid 5 van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage III, onder 1, 1e alinea, 1e zin en 3e alinea van Verordening (EG) 183/2005

De verplichting voor veehouders diervoeder gescheiden op te slaan van chemische stoffen en andere voor diervoeder verboden producten en gemedicineerde en niet-gemedicineerde diervoeders zo op te slaan dat het risico van vervoedering aan dieren waarvoor zij niet zijn bestemd, wordt beperkt

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

11.4

Diervoederhygiëne (Verordening (EG) 183/2005)

Regeling diervoeders 2010

art. 13 in samenhang met art.5 lid 5 van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage III, onder 2, 3e zin van Verordening (EG) 183/2005

De verplichting voor veehouders om niet-gemedicineerde diervoeders gescheiden te hanteren van gemedicineerde diervoeders

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

11.5

Diervoederhygiëne (Verordening (EG) 183/2005)

Regeling diervoeders 2010

art. 13 in samenhang met art.5 lid 6 van Verordening (EG) 183/2005

De verplichting voor exploitanten van diervoederbedrijven en veehouders alleen diervoeders te gebruiken van veevoederbedrijven die zijn geregistreerd en/of erkend

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

12 Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004 van 29 april 2004)

12.1

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 1 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II, onder 4g, 4h en 5f van Verordening (EG) 852/2004

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven afval en gevaarlijke stoffen apart op te slaan en voorzorgsmaatregelen te nemen de insleep en verspreiding van besmettelijke, via levensmiddelen op de mens overdraagbare ziekten te voorkomen

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

12.2

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 1 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II, onder 4j en 5h, m.u.v. zinsnede ‘gewasbeschermingsmiddelen en’ van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met art.6 lid 3 en art.7 lid 1 van de Diergeneesmiddelenwet

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven toevoegingsmiddelen voor diervoeders en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en biociden correct toe te passen

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

12.3

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 1 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II, onder 6 van Verordening (EG) 852/2004

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven om passende herstelmaatregelen nemen als tijdens officiële controles hygiëneproblemen zijn vastgesteld

gezondheid

 

3

0

0

3%

 

12.4

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 1 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder III, onder 8a, 8d en 8e van Verordening (EG) 852/2004

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven om registers bij te houden over de aard en de oorsprong van aan de dieren gevoerde diervoeders, de resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere monsters voor diagnosedoeleinden en alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong

gezondheid

Geen of onvolledige registratie. Niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

12.5

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 1 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) 852/2004

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven een registratie bij te houden van alle gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en van biociden en van alle resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters

gezondheid

Geen of onvolledige registratie. Niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

12.6

Levensmiddelenhygiëne (Verordening (EG) 852/2004)

Diergeneesmiddelenwet

art.40 lid 2 in samenhang met art.4 lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 en in samenhang met Bijlage I, deel A, onder III, onder 8b van Verordening (EG) 852/2004 en in samenhang met artikel 96 van de Diergeneesmiddelen- regeling

De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven een registratie bij te houden van de ontvangst, de toepassing of de vervoedering van diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders, evenals andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, data van toediening of behandeling en wachttijden

gezondheid

Geen of onvolledige registratie. Niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

13 Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004 van 29 april 2004

13.1

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 1b, 1c, 1d en 1e van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting bij de productie van rauwe melk de algemene gezondheidsvoorschriften in acht te nemen

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

13.2

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 2a, 2b en 2c en in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 3a, 3b en 3c van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting bij de productie van rauwe melk de gezondheidsvoorschriften m.b.t. tuberculose en/of brucellose in acht te nemen

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

13.3

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 4 van Verordening (EG) 853/2004

Het verbod om rauwe melk van dieren die niet voldoen aan de (algemene) gezondheidsvoorschriften, in het bijzonder dieren die individueel positief hebben gereageerd op de preventieve test op tuberculose of op brucellose, voor menselijke consumptie te (laten) gebruiken

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

13.4

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 5 van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting om dieren die besmet zijn of waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een ziekte, op doeltreffende wijze worden geïsoleerd om negatieve gevolgen voor de melk van andere dieren te vermijden

gezondheid

 

3

0

0

3%

 

13.5

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel II, onder A, onder 1, 2, 3 en 4 van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting om melkinstallaties en de lokalen waar melk wordt opgeslagen zo te bouwen, in te richten en te onderhouden dat verontreiniging van de melk zoveel mogelijk wordt beperkt

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

13.6

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel II, onder B, onder 1a, 1d, 2, 4a en 4b van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting het melken onder hygiënische omstandigheden te verrichten en de melk onmiddellijk gekoeld op te slaan, behalve als koeling niet noodzakelijk is i.v.m. (snelle) verwerkingsmethoden

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

13.7

Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening (EG) 853/2004)

Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen

art.2 lid 2 in samenhang met art.3 lid 1 van Verordening (EG) 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie X, Hoofdstuk I, onder 1 m.u.v. de zinsnede ‘en tot op het moment van verkoop aan de consument’ van Verordening (EG) 853/2004

De verplichting eieren op het bedrijf schoon, droog en vrij van vreemde geuren te houden en op afdoende wijze te beschermen tegen schokken en rechtstreeks zonlicht.

gezondheid

 

2

0

0

3%

 

13a Gebruik diergeneesmiddelen (verordening (EG) nr. 470/2009 van 6 mei 2009; art. 14, zesde lid)

13a.1

Gebruik diergeneesmiddelen (verordening (EG) nr. 470/2009)

Diergeneesmiddelenwet

art.2 lid 1

Het verbod een niet geregistreerd diergeneesmiddel te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen, indien dit de verboden stoffen uit de richtlijn bevat..

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

13b residuen gewasbeschermingsmiddelen (verordening 396/2005 van 23 februari 2005; art 18, eerste lid)

13b.1

Residuen gewasbeschermingsmiddelen (verordening (EG) 396/2005)

Kaderwet diervoeders

art.2 lid 1 in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder b, van de Regeling diervoeders 2010

Het verbod om diervoeders te vervoederen die te hoge residuen van gewasbeschermingsmiddelen bevatten.

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

14 Hormonen & bèta-agonisten (richtlijn 96/22 van 29 april 1996, art.3, onder a en b, 4 en 5)

14.1

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Diergeneesmiddelenwet

art.2 lid 1

Het verbod een niet geregistreerd diergeneesmiddel te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen indien dit verboden groeihormonen bevat.

gezondheid

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

14.2

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Diergeneesmiddelenwet

art.44 in samenhang met art.82 Diergeneesmiddelen- regeling

Het verbod om door de minister aangewezen substanties voorhanden of in voorraad te hebben

gezondheid

 

2

1

0

3%

Ja, 20%

14.3

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Diergeneesmiddelenwet

art.46 in samenhang met art.81 lid 1 Diergeneesmiddelenregeling

Het verbod om genoemde substanties (o.a. met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking of bèta-agonisten) toe te dienen aan landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren

gezondheid

 

3

1

1

5%

Ja, 20%

14.4

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten 1

art.2 lid 1 onder a

Het verbod om landbouwhuisdieren, waaraan op enigerlei wijze stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking alsmede ß-agonisten zijn toegediend, op het bedrijf te houden

gezondheid

 

3

1

0

3%

Ja, 20%

14.5

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten 1

art.3 lid 1, onder a

De verplichting om alleen landbouwhuisdieren op het bedrijf te houden die zijn behandeld volgens de regels van de Diergeneesmiddelenwet

gezondheid

 

3

1

0

3%

 

14.6

Hormonen & bèta-agonisten Richtlijn 96/22)

Verordening PVV Verbod op gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede bèta-agonisten 1997 (2005-I)1

art.2, eerste lid, onder a

Het verbod om landbouwhuisdieren, verwerkte producten of vlees van dieren waaraan op enigerlei wijze stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking alsmede ß-agonisten zijn toegediend, in de handel te brengen

gezondheid

 

3

1

0

3%

Ja, 20%

15 Kennisgeving van ziekten: MKZ (Richtlijn 2003/85/EEG van 29 september 2003 (vervangt Richtlijn 85/511/EEG), art.3), Varkenspest (Richtlijn 92/119/EEG van 17 december 1992, art.3) BSE (Verordening (EG) 999/2001 van 22 mei 2001, art.11) en Bluetongue (Richtlijn 2000/75/EEG van 20 november 2000, art.3)

15.1

MKZ (Richtlijn 2003/85/EEG), Varkenspest (Richtlijn 92/119/EEG), BSE (Verordening (EG) 999/2001), Bluetongue (Richtlijn 2000/75/EEG)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

art.19 lid 1

De verplichting (het vermoeden van) de aanwezigheid van een besmettelijke dierzieke terstond te melden

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

16 BSE (Verordening (EG) 999/2001 van 22 mei 2001, art.7, eerste en tweede lid, 12 en 13 )

16.1

BSE (Verordening (EG) 999/2001)

Regeling diervoeders

art.68

Het verbod om eiwitten of daarvan afgeleide producten afkomstig van zoogdieren, aan herkauwers te voeren evenals het verbod om gesmolten vet van herkauwers aan herkauwers te voeren.

gezondheid

 

3

1

1

5%

 

Dierenwelzijn

17 Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG van 18 december 2008, art.3 en art.4)

17.1

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 1

De verplichting bij de bouw van de stallen en met name voor de boxen en de uitrusting materialen te gebruiken die niet schadelijk zijn voor de kalveren en moeten grondig kunnen worden gereinigd en ontsmet

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

17.2

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 2

De verplichting elektrische leidingen en apparatuur zo te installeren dat de kalveren geen elektrische schokken kunnen krijgen

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

17.3

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 3

De verplichting te zorgen voor een zodanige isolatie, verwarming en ventilatie van de stal dat deze niet schadelijk is voor de kalveren

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

17.4

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 4

De verplichting alle electrische en mechanische apparatuur dagelijks te controleren en het mechanische ventilatiesysteem te voorzien van een alarmsysteem dat regelmatig wordt getest

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

17.5

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 6

De verplichting kalveren een goede verzorging te geven

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

17.6

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 8

Het verbod op het aangebonden houden van kalveren

dierenwelzijn

Indien het een melkveehouder betreft en de niet-naleving onmiddellijk wordt hersteld.

3

0

0

3%

Ja, 20%

17.7

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 9

De verplichting lokalen, hokken, uitrusting en gereedschap voor kalveren op passende wijze te reinigen en te ontsmetten

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

17.8

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 11

De verplichting kalveren te laten beschikken over op hun leeftijd en gewicht afgestemd voederen dat beantwoordt aan de met hun gedrag samenhangende en hun fysiologische behoeften

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

17.9

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 13

De verplichting kalveren te voorzien van voldoende vers water van passende kwaliteit

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

17.10

Minimumnormen kalveren

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 14

De verplichting voeder- en drinkinstallaties zo te ontwerpen, bouwen, plaatsen en onderhouden dat gevaar voor verontreiniging van voer en water wordt beperkt

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

17.11

Minimumnormen kalveren Richtlijn 2008/119/EG

Richtlijn 2008/119/EG

art.4 in samenhang met Bijlage onder 15

De verplichting kalveren zo spoedig mogelijk na hun geboorte en in elk geval binnen zes uur koebiest te geven

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

17.12

Minimumnormen kalveren

Kalverenbesluit

art.3

Het verbod kalveren te huisvesten in eenlingboxen indien de kalveren ouder zijn dan 8 weken

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

Ja, 20%

17.13

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.4 lid 1

De verplichting te voldoen aan de minimale afmetingen van eenlingboxen voor kalveren

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

17.14

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.4 lid 2

De verplichting te voldoen aan de minimale vloeroppervlakte per kalf in andere huisvestingssystemen dan eenlingboxen

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

17.15

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.5

De verplichting dat als kalveren zijn gehuisvest in een stal met ligboxen, het aantal ligboxen ten minste gelijk is aan het aantal kalveren

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

17.16

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.6

De verplichting te voldoen aan de inrichtingseisen m.b.t. voedersystemen voor kalveren

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

17.17

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.7

De verplichting dat kalveren naast elkaar gehouden in eenlingboxen, elkaar kunnen zien en aanraken

dierenwelzijn

Indien het bij een melkveehouder een klein aantal kalveren betreft en de niet-naleving wordt hersteld.

2

0

0

3%

 

17.18

Minimumnormen kalveren (Richtlijn 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.8

De verplichting te voldoen aan de minimale ligruimte per kalf in andere huisvestingssystemen dan eenlingboxen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

17.19

Minimumnormen kalveren Bijlage 1, punt 5, 2008/119/EG)

Kalverenbesluit

art.9

De verplichting te zorgen voor voldoende dag- of kunstlicht voor kalveren

dierenwelzijn

Er is voldoende licht aanwezig, maar incidenteel te weinig (kapotte lamp) en wordt onmiddellijk hersteld.

2

0

0

3%

 

18 Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008, art.3 en art.4, lid 1)

18.1

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3 lid 1 onder a

De verplichting te voldoen aan de minimale vrije vloerruimte per gespeend varken of gebruiksvarken

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.2

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3 lid 1 onder b eerste volzin in samenhang met art.4 lid 4 van het Varkensbesluit en in samenhang met art.3 lid 9 van Richtlijn 2008/120/EG

De verplichting te voldoen aan de minimale vrije vloerruimte per gelte na dekking en per zeug wanneer gelten en/of zeugen in groep gehouden worden

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.3

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3 lid 2 onder a in samenhang met art.3 lid 9

De verplichting te voldoen aan de minimale afmetingen van gedeeltelijk dichte vloeren voor gelten na dekking en drachtige zeugen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.4

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3 lid 2 onder b in samenhang met art.3 lid 9

De verplichting om, ingeval betonnen roostervloeren worden gebruikt voor varkens die in groepen worden gehouden, te voldoen aan bepaalde minimale afmetingen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.5

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3, lid 4, eerste alinea in samenhang met art.3 lid 9

De verplichting zeugen en gelten in groepen te houden vanaf vier weken na het dekken tot één week vóór de verwachte werpdatum

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.6

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3, lid 4, tweede alinea, in samenhang met art.3 lid 9

De verplichting dat zeugen en gelten zich gemakkelijk kunnen draaien indien zij – bij uitzondering – apart gehouden mogen worden

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.7

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

art.3 lid 6

De verplichting er voor te zorgen dat ieder dier voldoende voedsel tot zich kan nemen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.8

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120EG

Bijlage, Hoofdstuk I, onder 5, 2e zin

De verplichting dat vloeren stevig, vlak en stabiel zijn en aangepast aan het gewicht en de grootte van de dieren

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.9

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

Bijlage, Hoofdstuk I, onder 8, 1e zin t/m het 1e gedachtenstreepje, in samenhang met tweede alinea, tweede zin en in samenhang met art.2 lid 1 onder q van het Ingrepenbesluit

De verplichting te voldoen aan de regels m.b.t. het verkleinen van tanden van biggen en beren

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.10

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

Bijlage, Hoofdstuk I, onder 8, 1e zin, 2e gedachtenstreepje, in samenhang met Bijlage, onder 8, 2e alinea

De verplichting te voldoen aan de regels m.b.t. het couperen van de staart

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.11

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

Bijlage, Hoofdstuk I, onder 8, 1e zin, 4e gedachtenstreepje in samenhang met art.2 lid 1 onder l van het Ingrepenbesluit

Het is slechts toegestaan om alleen een roestvrijstalen neusring in te brengen bij mannelijke varkens bestemd voor de fokkerij die worden gehouden in een systeem met vrije uitloop

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.12

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EG

Bijlage, Hoofdstuk I, onder 8, 3e alinea, 2e zin

De verplichting het castreren en couperen van de staart bij dieren ouder dan zeven dagen onder anesthesie en met aanvullende langdurige analgesie uitsluitend te laten uitvoeren door een dierenarts

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.13

Minimumnormen varkens

Richtlijn 2008/120/EGx

Bijlage 1, Hoofdstuk II, onderdeel D, punt 2 en punt 4

Naleving van de voorschriften voor het plaatsen van een gespeend varken of gebruiksvarken in een groep, eventueel na het toedienen van kalmeermiddelen.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.14

Minimumnormen varkens Richtlijn 2008/120/EG

Varkensbesluit

art. 2aa

Agressie in groepen zeugen, gelten, gespeende varkens en gebruiksvarkens wordt beperkt.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.15

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 2b, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid

De verplichting dat dieren die apart gehouden worden i.v.m. agressie, verwondingen of ziekte zich gemakkelijk kunnen draaien

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.16

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.3 lid 1

Het verbod op het aangebonden houden van gelten of zeugen

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

Ja, 20%

18.17

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.3 lid van het Varkensbesluit in samenhang met Bijlage I, Hoofdstuk 1, punt 3, derde gedachtestreepje van Richtlijn 2008/120/EG

de verplichting om varkensstallen op een bepaalde manier in te richten

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.18

Minimumnormen varkens Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 3, lid 3 en lid 4

Er is voldoende ruimte achter de zeug die moet werpen. Biggen worden beschermd tegen bewegingen van de zeug en kunnen ongehinderd zogen.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.19

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 4a, lid 1

Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.20

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 4a, lid 2, punt c en d en lid 3.

Het berenhok heeft een vrij vloeroppervlak van 6 m2, en 10 m2 als het hok tevens wordt gebuikt voor het dekken en moet tevens vrij beschikbaar zijn.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.21

Minimumnormen varkens

(Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 5, lid 6

Biggen hebben de beschikking over een dichte vloer of een vloer met een rubber mat. De oppervlakte is 0,6 m2 per toom biggen

   

2

0

0

3%

 

18.22

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.5 lid 7

De verplichting vloeren van de stal zo te ontwerpen, bouwen of onderhouden dat bij de varkens geen letsel of pijn kan worden veroorzaakt

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.23

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art. 9, lid 2 en lid 3

1. De verplichting te zorgen dat alle varkens permanent beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en te spelen en dat de diergezondheid niet in gevaar brengt.

2. In aanvulling hebben

zeugen en gelten permanent los materiaal en in de laatste week vóór het werpen voldoende en adequaat nestmateriaal tenzij dit technisch niet mogelijk is door de mengmestmethode.

.

dierenwelzijn

Het materiaal is aanwezig, maar het ontbreekt incidenteel (verloren gegaan) en wordt onmiddellijk hersteld.

2

0

0

3%

 

18.24

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.10 lid 1

De verplichting de stal te voorzien van voldoende licht met een intensiteit van minimaal 40 lux gedurende 8 uur per dag.

dierenwelzijn

Er is voldoende licht aanwezig, maar incidenteel te weinig (kapotte lamp) en wordt onmiddellijk hersteld.

2

0

0

3%

 

18.25

Minimumnormen varkens (2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.10 lid 2

Het verbod op een te hoog geluidsniveau of constant of plotseling lawaai in de stal

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.26

Minimumnormen varkens (2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.11 lid 2

De verplichting te zorgen dat bij een individueel of niet-ad libitum voersysteem alle varkens tegelijkertijd kunnen eten

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.27

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.. 12

De hygiënevoorschriften voor drachtige zeugen en gelten worden nageleefd.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.28

Minimumnormen varkens (2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.13 lid 1

De verplichting alle varkens ten minste eenmaal per dag te voeren

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.29

Minimumnormen varkens (2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.13 lid 2

De verplichting alle varkens ouder dan twee weken permanent van vers water te voorzien

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.30

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.13 lid 3

De verplichting om aan guste en drachtige zeugen en gelten voldoende bulk- of vezelrijk en energierijk voer te verstrekken

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

18.31

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.15

De verplichting het castreren door het scheuren van weefsel van mannelijke varkens en als zij ouder zijn dan zeven dagen, uitsluitend te laten uitvoeren onder anesthesie en met aanvullende langdurige analgesie en uitsluitend door een dierenarts

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.32

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Varkensbesluit

art.. 16

Biggen worden niet gespeend voordat zij 28 dagen oud zijn, tenzij daarvoor veterinaire redenen voor zijn, of gespecialiseerde voorzieningen zijn getroffen.

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

18.33

Minimumnormen varkens (Richtlijn 2008/120/EG)

Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde

art.2 in samenhang met art.7 lid 2 onder c

Het verbod op het castreren van mannelijke biggen anders dan door een dierenarts of door een bevoegde houder van de dieren

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19 Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG van 20 juli 1998, art.4)

19.1

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.3 lid 1

Het verbod op het zo ver beperken van de bewegingsruimte van een dier dat het onnodig lijdt of letsel wordt toegebracht

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.2

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.3 lid 2

De verplichting dieren indien aangebonden voldoende ruimte te laten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.3

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.3 lid 3

De verplichting dieren indien buiten gehouden te beschermen tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.4

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 1

De verplichting dieren te laten verzorgen door personen die beschikken over voldoende kennis en vaardigheden of vakbekwaam zijn

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

19.5

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 2

De verplichting een gehouden dier regelmatig dan wel tenminste dagelijks te controleren

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.6

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 3

De verplichting dieren die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze te verzorgen of een dierenarts te raadplegen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

19.7

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 4

De verplichting een dier voldoende, gezond en geschikt voer te geven

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.8

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 5

De verplichting erop toe te zien dat door het voer, het drinken of de wijze van toediening het dier niet onnodig lijdt of letsel wordt toegebracht

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.9

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.4 lid 6

De verplichting een dier te voederen met tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

19.10

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 1

De verplichting te zorgen voor voldoende verlichting voor een grondige controle van het dier op elk willekeurig tijdstip

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

19.11

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 2

De verplichting een ziek of gewond dier zo nodig af te zonderen in een passend onderkomen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

19.12

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 3

De verplichting voor de behuizing materiaal te gebruiken dat niet schadelijk is voor het dier en grondig gereinigd en ontsmet kan worden

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

19.13

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 4

De verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.14

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 5

Het verbod op een luchtcirculatie, stofgehalte van de lucht, temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en gasconcentraties in de omgeving van het dier die schadelijk zijn voor het dier

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.15

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 6

Het verbod om dieren die in een gebouw worden gehouden permanent in het donker of permanent in kunstlicht te houden

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.16

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 7

De verplichting kunstmatig ventilatiesystemen te voorzien van een noodsysteem zodat als hoofdsysteem uitvalt een alarmsysteem in werking treedt en het alarmsysteem regelmatig te testen

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.17

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 8

De verplichting een dier voldoende schoon water te geven of anderszins aan zijn behoefte aan water te voldoen

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.18

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 9

De verplichting een voeder- of drinkinstallatie zo te ontwerpen, bouwen en plaatsen dat verontreiniging van voeder en water wordt voorkomen

dierenwelzijn

 

2

0

0

3%

 

19.19

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.5 lid 10

De verplichting automatische of mechanische apparatuur ten minste eenmaal per dag te controleren en defecten onmiddellijk te herstellen

dierenwelzijn

 

1

0

0

1%

 

19.20

Bescherming landbouwhuis- dieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.6 lid 1

De verplichting een register bij te houden van alle medische zorg en het aantal sterfgevallen en het register ten minste drie jaar te bewaren

Dierenwelzijn

Onvolledig bijgehouden. De niet-naleving wordt onmiddellijk hersteld.

2

0

0

3%

 

19.21

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Besluit welzijn productiedieren

art.6 lid 2

Het verbod om stoffen aan dieren toe te dienen of te voeren die schadelijk zijn voor de gezondheid of het welzijn van een dier

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.22

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

art.34 in samenhang met het Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren

Het verbod om niet-aangewezen dieren voor landbouwdoeleinden te houden

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.23

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

art.40 in samenhang met het Ingrepenbesluit

Het verbod een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, tenzij dit onder voorwaarden is toegestaan

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

19.24

Bescherming landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EEG)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

art.55 in samenhang met het Besluit voortplantingstechnieken bij dieren

De verplichting om alleen gebruik te maken van toegestane methoden van fokken met dieren

dierenwelzijn

 

3

0

0

3%

 

Eisen aan de Goede Landbouw- en Milieuconditie, bedoeld in artikel 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006

20 Bodemerosie: de bodem beschermen door middel van passende maatregelen.

Nieuw 20.1, ook 21.1

Minimale bodembedekking

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

art.7 en 8

De verplichting een groenbemester te hebben op percelen die uit productie zijn genomen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling

GLMC

 

2

1

1

3%

 

20.2, ex 20.1

Minimaal Landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse

Verordening PA erosiebestrijding Zuid-Limburg 2008 en Verordening PT bestrijding erosie Zuid-Limburg 2009

art.3

De verplichting een meer dan normale erosie te melden.

GLMC

 

2

1

1

3%

 

20.3, ex 20.2

Minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse

Verordening PA erosiebestrijding Zuid-Limburg 2008 en Verordening PT bestrijding erosie Zuid-Limburg 2009

art.4

De verplichting tot uitvoering van maatregelen:

• gerichte grondbewerking na elke oogst ter voorkoming van bodemerosie;

• wissen trekkersporen bij inzaaien bieten, maïs of uien;

GLMC

 

2

1

1

3%

 

20.4 ex 20.3

Minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse

Verordening PA erosiebestrijding Zuid-Limburg 2008 en Verordening PT bestrijding erosie Zuid-Limburg 2009

art.5

Het verbod op het telen van een erosiebevorderend gewas op hellingen met een hellingslengte van > 50 meter of meer en hellingspercentage van 2% of meer, tenzij met toepassing van specifieke voorschriften;


GLMC

 

3

1

1

5%

 

Nieuw 20.4

Minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse

Verordening PT bestrijding erosie Zuid-Limburg 2009

art.6

Het verbod op het gebruik van percelen met een hellingspercentage van 2% of meer voor fruitteelt, tenzij met toepassing van specifieke voorschriften.

GLMC

 

3

1

1

5%

 

Nieuw 20.5

Minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse)

Verordening PA erosiebestrijding Zuid-Limburg 2008 en Verordening PT bestrijding erosie Zuid-Limburg 2009

art. 7 (PA)

art. 8 (PT)

Het verbod op ander gebruik van de grond dan grasland, op hellingen met een hellingspercentage van 18% of meer.

GLMC

 

3

1

1

5%

 

21 Organische stof in de bodem: het gehalte organische stof in de bodem handhaven door passende praktijken

nieuw 21.1, ex 21.2

Stoppelbeheer op bouwland

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

art. 8a

Het verbod om gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden, tenzij de landbouwer beschikt over een ontheffing.

GLMC

 

1

0

0

1%

 

nieuw 21.2, ex 21.1

Normen voor vruchtwisseling

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

art.7 en 8

De verplichting een groenbemester te hebben op percelen die uit productie zijn genomen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling

GLMC

 

2

0

0

3%

 

22 Minimaal onderhoud: zorgen voor een minimaal onderhoud en achteruitgang van habitats voorkomen

22.1

Instandhouding van landschapselementen, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijekn ,bomengroepen of geïsoleerde bomen, en akkerranden

Boswet

Art. 2 in samenhang met art. 1, derde en vierde lid en art. 5

Het verbod om bepaalde houtopstanden te (doen) vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving aan de Minister is gedaan.

GLMC

 

3

1

0

3%

 

22.1

Instandhouding van landschapselementen, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrije, bomengroepen of geïsoleerde bomen, en akkerranden

Boswet

art. 3 in samenhang met art. 1, derde en vierde lid, en art. 5 en het koninklijk besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet (Stb. 220)

De verplichting om bepaalde houtopstanden die, anders dan bij wijze van dunning, geveld zijn of op andere wijze tenietgegaan binnen 3 jaar na velling of het tenietgaan te herbeplanten overeenkomstig het bepaalde in het koninklijk besluit

GLMC

 

3

1

0

3%

 

22.1

Instandhouding van landschapselementen, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen, en akkerranden

Boswet

art. 13 in samenhang met art. 1, derde en vierde lid,

Een verbod op het (doen) vellen, anders dan bij wijze van dunning, van bepaalde bij besluit van de de ministers van OCW en LNV aangewezen bossen of andere houtopstanden.

GLMC

 

3

1

0

3%

 

1 In geval de PVV-verordening niet (langer) van kracht is, gelden de bepalingen van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten: ze zijn elkaars vangnet.