Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke [...] vanaf 1945 (Centraal Bureau voor de Statistiek)

Geldend van 05-08-2006 t/m heden

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid vanaf 1945 (Centraal Bureau voor de Statistiek)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc- 2003.6459/1);

Besluit:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 22 mei 2006

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

Basisselectiedocument

op het beleidsterrein algemeen wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid over de periode vanaf 1945

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Ministerie van Defensie

Ministerie van Economische Zaken

Ministerie van Financiën

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Centraal Bureau voor de Statistiek

Versie juni 2006

Hanno de Vries

Rijksarchiefdienst/PIVOT

Den Haag

Lijst van afkortingen

BSD: Basisselectiedocument

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

CCS: Centrale Commissie voor de Statistiek

CPB: Centraal Planbureau

CPC: Centrale Plancommissie

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SCP: Sociaal en Cultureel Planbureau

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Inleiding

Algemene inleiding

Wettelijk kader en achtergronden

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ wordt verstaan alle bescheiden, ongeacht de vorm, die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt (en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten), dus ook digitaal vastgelegde informatie.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt mede in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband geldt zowel een verplichting tot vernietiging als een overbrengingsplicht. Beide rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief, de zorgdrager.

De vernietigingsplicht van de zorgdrager is in artikel 3 van de Archiefwet 1995 neergelegd, de verplichting tot overbrenging in artikel 12; dat bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen, ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats wanneer zij ouder zijn dan twintig jaar.

Wat de archiefbescheiden van (onder meer) de ministeries en de Hoge Colleges van Staat aangaat, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Algemeen Rijksarchief (ARA) te ’s-Gravenhage, een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCenW en staat onder leiding van de algemene rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden in een (op termijn) te vernietigen deel en een (na twintig jaar) over te brengen gedeelte zijn zorgdragers verplicht selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen inderdaad moeten worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet een enkele keer toepast op het reeds gevormde archief, maar haar bij de hand houdt om periodiek een bepaalde aanwas van archiefmateriaal af te voeren, enerzijds ter vernietiging, anderzijds voor overbrenging ter blijvende bewaring in een archiefbewaarplaats. Voor de hand ligt derhalve dat een overheidsorganisatie een selectielijst ook voor de administratieve inrichting en het beheer van haar archief benut: dossiers kunnen bij de vorming of het opbergen reeds worden geclassificeerd naar hun uiteindelijke bestemming, subsidiair gerangschikt op vernietigingsjaar. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie. Wel moet na hooguit twintig jaar een selectielijst worden vervangen.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient ingevolge artikel 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 rekening gehouden te worden met de taak van het betrokken overheidsorgaan en zijn verhouding tot andere overheidsorganen, met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed en met het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor de overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek.

Voorts moeten ingevolge artikel 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de algemene rijksarchivaris: dit is het zogeheten (archiefwettelijke) driehoeksoverleg.

Opzet van het Basis-selectiedocument

Een basis-selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van een (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald terrein. Een BSD betreft doorgaans dan ook archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest).

Voorts is het niveau waarop geselecteerd wordt niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en (indien van toepassing) een vernietigingstermijn. Wel geldt dat een BSD met het oog op het werkterrein van PIVOT beperkt blijft tot de handelingen van organen van de centrale overheid.

Ten slotte behoort bij een BSD een rapport institutioneel onderzoek (RIO), waarin het terrein waarop de selectielijst betrekking heeft wordt beschreven en waarin de handelingen die in het BSD voorkomen, in hun functionele context worden geplaatst en toegelicht, uitgaande van de taken en bevoegdheden van de betrokken organen.

De genoemde specifieke kenmerken van een BSD staan in verband met de hieronder gememoreerde selectiedoelstelling van de RAD en de in het kader van het selectiebeleid van de RAD ontwikkelde zogeheten PIVOT-methode. Het PIVOT-rapport Geschiedschrijving van de toekomst. Een onderzoek naar instituties en handelingen met betrekking tot de algemene wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid, (1892) 1945–1996 (PIVOT-rapport nr. 53. ’s-Gravenhage, 1998) vormt de grondslag van de voorliggende selectielijst. Het rapport geeft een overzicht van de actoren op het terrein van de Algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding en beschrijft het handelen van de organen van de rijksoverheid op dat terrein.

Totstandkoming van het BSD

Het PIVOT-rapport Geschiedschrijving van de toekomst. Een onderzoek naar instituties en handelingen met betrekking tot de algemene wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid, (1892) 1945–1996 (PIVOT-rapport nr. 53. ’s-Gravenhage, 1998), waarop het voorliggende BSD is gebaseerd, is het resultaat van het institutioneel onderzoek welke zijn uitgevoerd in samenwerking met het Centraal Planbureau, het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Einddoel van de samenwerking was om met toepassing van de methodiek van PIVOT te komen tot een ontwerp-selectielijst ten behoeve van de selectie van de archiefbescheiden van de en ten behoeve van de overbrenging naar het ARA van de voor blijvende bewaring in aanmerking komende archiefbescheiden op het beleidsterrein. Het institutionele onderzoek is uitgevoerd door drie medewerkers van PIVOT, van wie één het BSD heeft samengesteld. Het concept-BSD is tot stand gekomen in september 1997.

In de periode september – november 1997 heeft een driehoeksoverleg plaats gevonden voor de selectielijsten voor de zorgdragers Centraal Planbureau (CBP), Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hierop heeft de Raad voor Cultuur een advies gegeven (kenmerk 1998-arc-98.1741/2), waarna de betreffende selectielijsten zijn vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1999/22).

In het voorliggende BSD zijn selectielijsten opgenomen van een aantal zordragers die buiten het driehoeksoverleg van 1997 zijn gebleven.

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de administratieve neerslag van het handelen van overheidsorganen die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276). De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen archiefbescheiden die in aanmerking komen voor overbrenging (door het orgaan dat deze gegevens beheert) naar het Algemeen Rijksarchief en archiefbescheiden die op den duur door de zorgdrager kunnen worden vernietigd. Dit basisselectiedocument is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT: het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. Deze doelstelling is verwoord door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) bij de behandeling van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer. Door het Convent van Rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring.

Criteria voor de selectie

Selecteren is het aanmerken van de neerslag van een handeling voor bewaren of vernietigen.

Als de neerslag aangewezen wordt ter bewaring, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, voor eeuwig bewaard moet worden. De bewaarplaats waar deze neerslag na het verlopen van de wettelijke overbrengingstermijn van twintig jaar moet worden overgebracht, is het Algemeen Rijksarchief. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een B (van bewaren).

Als de neerslag van een handeling wordt aangewezen ter vernietiging, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, na verloop van de in het BSD vastgestelde termijn kan worden vernietigd. De vernietigingstermijn is een minimumeis: stukken mogen niet eerder dan na het verstrijken van die termijn worden vernietigd door de voor het beheer verantwoordelijke dienst. De duur van de vernietigingstermijn wordt bepaald door de administratieve belangen en de belangen van de burgers, enerzijds ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en anderzijds voor de recht- en bewijszoekende burger. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een V (van vernietigen).

Het aanwijzen van handelingen waarvan de neerslag bewaard moet blijven gebeurt op grond van criteria die tot stand zijn gekomen in overleg tussen zorgdrager en Rijksarchiefdienst.

De gehanteerde algemene selectiecriteria

Algemene selectiecriteria

Handelingen die worden gewaardeerd met B (bewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per sé consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Bewerkingsplannen, aan de hand waarvan de daadwerkelijke selectie van archieven plaatsvindt, dienen te voorzien in procedures daarvoor.

Vaststelling BSD

In 2001 is het ontwerp-BSD aangeboden namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 31 maart 2003 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Defensie, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 2 oktober 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2003.6459/1), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

  • Toevoegen termijn bij de waardering van handeling 2;

  • Schrappen van de door de Raad bedoelde handelingen 24, 27, 30 en 31;

  • Herzien waardering handeling 48: V 5 jaar is gewijzigd in B (5);

  • Herzien waardering handeling 63: V 100 jaar is gewijzigd in B (5) Volkstellingen, bedrijventellingen en verklaringen doodsoorzaak, V 5 jaar overige neerslag;

  • Opnemen gesplitste waardering voor handeling 214: B (5) is gewijzigd in B (5) opdrachtverlening en eindrapport, V 10 jaar uitvoering onderzoekswerkzaamheden.

Daarop werd het BSD op 22 mei 2006 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [C/S&A/06/1163], de Minister van Defensie[C/S&A/06/1164] , de Minister van Economische Zaken[C/S&A/06/1165], de Minister van Financiën [C/S&A/06/1166] de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid[C/S&A/06/1167], de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen[C/S&A/06/1170], de Minister van Verkeer en Waterstaat [C/S&A/06/1168], de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer [C/S&A/06/1169] en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [C/S&A/06/1172]vastgesteld.

Leeswijzer

Handelingenblokken

De handelingen zijn verwerkt in uniek genummerde gegevensblokken die als volgt zijn opgebouwd:

Actor: dit is het orgaan dat een rol speelt op het beleidsterrein personeelsinformatievoorziening en -administratie, en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie.

Handeling: een complex van activiteiten, dat verricht wordt door één of meer actoren en dat veelal een product naar de omgeving oplevert.

Periode: dit geeft de jaren weer waarin de handeling werd verricht.

Grondslag/Bron: dit is de (wettelijke) basis van de handeling. De aanduiding bron wordt gebruikt indien een handeling geen duidelijke wettelijke basis heeft, maar de handeling is geformuleerd op basis van interviews, literatuur of andere bronnen.

Product: dit is de weergave van het juridisch-bestuurlijk niveau van het eindproduct van de handeling. Indien niet duidelijk is in welke soort documentaire neerslag een handeling heeft geresulteerd of als uit de beschrijving van de handeling al duidelijk is welk product de handeling oplevert, ontbreekt dit item.

Opmerkingen: dit geeft eventuele bijzonderheden over bovengenoemde items weer.

Waardering: dit geeft aan of de neerslag bewaard moet worden of dat het op termijn vernietigd kan worden.

Vernietigingstermijnen

De toepassing van de vernietigingstermijnen is als volgt:

  • a. een dossier wordt afgesloten (bijv. op 30 januari 1999),

  • b. de bijbehorende vernietigingstermijn wordt hierbij opgeteld (bijv. 10 jaar),

  • c. het dossier wordt bewaard tot en met 31 december 2009 (1999 + 10),

  • d. de betrokken directeur wordt in de loop van dat jaar (in dit voorbeeld 2009) op de hoogte gesteld van de voorgenomen vernietiging van dit dossier,

  • e. het dossier wordt vernietigd per 2 januari 2010, tenzij de betrokken directeur zwaarwichtige redenen heeft voor uitstel van vernietiging (administratief of juridisch belang).

Actoren

Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op een bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de Minister van Binnenlandse Zaken vallen worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijks- of provinciale overheid behoren.

De actoren zijn ingedeeld in lijsten per zorgdrager.

Inleiding Algemene wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid

Algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding wordt als een apart beleidsterrein beschouwd omdat het op ieder beleidsterrein plaatsvindt. De rijksoverheid wil haar strategische beleidsvorming op basis van wetenschappelijk onderzoek formuleren. Verschillende planorganen verrichten zelfstandig, onafhankelijk onderzoek teneinde de overheid een objectief advies te geven over toekomstig beleid. Het onderzoek en advies omvat meerdere beleidsterreinen, is van algemene aard. In de Rapporten Institutioneel Onderzoek wordt het handelen van de rijksoverheid per beleidsterrein in kaart gebracht. Als een actor slechts op één beleidsterrein over beleid adviseert of beleid voorbereidt dan wordt deze in het rapport over desbetreffend beleidsterrein behandeld.

De onderzoeken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding dienen op wetenschappelijke leest geschoeid te zijn. Dit betekent dat het onderzoek veelal verricht en gecontroleerd wordt door wetenschappelijk opgeleide personen.

Beleid is ‘het doelbewust en doelgericht handelen, gericht op het bereiken van bepaalde doelen met bepaalde middelen’1. Met het begrip ‘beleidsvoorbereiding’ wordt in een procesmatige benadering verwezen naar de fase voor de beleidsontwikkeling. Alvorens een overheidsorgaan een doel formuleert, dient zij over gegevens, analyses en prognoses te beschikken. Het vergaren van deze informatie wordt in dit rapport beleidsvoorbereiding genoemd.

De belangrijkste actoren op het beleidsterrein zijn: de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Centraal Planbureau (CBP), de Centrale Plancommissie, het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Begeleidingscollege van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Deze organen zijn ‘vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk’.

In de Grondwet van 1972 werd in artikel 87 de bepaling opgenomen dat bij wet zogenaamde ‘vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Rijk’ konden worden ingesteld. De wet diende de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van deze colleges te regelen. In de Grondwet van 1983 en ook in de Grondwet van 1987 werd dit artikel overgenomen (als artikel 79, lid 1 en 2). In de Grondwet van 1972 was evenwel opgenomen dat de vaste colleges adviseerden aan de regering, in de Grondwet van 1983 en later werd niet meer vermeld aan wie het advies gericht moest zijn. Wel is nog opgenomen dat de vaste colleges adviseren inzake wetgeving en bestuur van het Rijk.

Naast de bovengenoemde organen spelen naast de overige ministers vooral de Ministers van Economische Zaken, van Welzijn en Algemene Zaken op dit beleidsterrein een rol. Deze rol behelst voornamelijk het geven van regels, het instellen van vaste colleges van advies en bijstand, het benoemen van leden en ambtenaren van de genoemde colleges, het goedkeuren van begrotingen en werkprogramma’s.

Het beleidsterrein is verdeeld in vier deelbeleidsterreinen:

  • 1. statistische gegevensverzameling,

  • 2. economische analyse en prognose,

  • 3. sociale en culturele analyse en prognose,

  • 4. algemene maatschappelijke analyses en prognoses.

1. Statistische gegevensverzameling

In de 19e eeuw wilde de overheid haar bestuur en wetgeving op basis van statistische gegevens vorm geven. Het beleid diende op grond van een ‘oordeelkundige verzameling van statistische gegevens’ voorbereid te worden. Onder oordeelkundig werd verstaan: objectief en wetenschappelijk integer. Zaak was dus de vergaring van statistische gegevens zodanig te organiseren dat deze niet eenzijdige belangen zou dienen. Voorts wilde men door middel van de centralisatie van statistische activiteiten een geïntegreerd en gecoördineerd statistisch programma ontwikkelen. Deze beleidsdoelstellingen werden in 1892 verwezenlijkt door de instelling bij K.B. van de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS, Stb. 1892, 232). De Commissie bleek niet het geëigende bureau om statistieken samen te stellen. Daartoe werd in 1899 bij K.B. het Centraal Bureau voor de Statistiek opgericht (CBS, Stb. 1899, 43). De Commissie behield het toezicht op de statistische gegevensverzameling terwijl het CBS de uitvoering van het statistisch onderzoek op zich nam.

Bij de Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken, ingezetenen van Nederland verplicht bepaalde gegevens aan het CBS te verstrekken. Tegenover deze verplichting van berichtgever staat de verplichting van het CBS om de gegevens geheim te houden. In de jaren ‘80 bleken bedrijven en instellingen niet alleen behoefte te hebben aan statistieken doch ook aan individuele gegevens als naam, adres, woonplaats.

Met de Wet verstrekking gegevens CBS (Stb, 258/1988) werd beoogd aan ondernemingen, instellingen en zelfstandige beroepsbeoefenaren deze gegevens voor onderzoeksdoeleinden te verstrekken. Deze wet is echter tot het moment van schrijven nog niet inwerking getreden.

Met de wetten van 1939 (Stb. 1939, 601) en 1959 (Stb. 1959, 410) betreffende bedrijfstellingen werd voor het CBS de mogelijkheid geschapen statistische gegevens over Nederlandse bedrijven te verzamelen. In 1970 werd dit eveneens bij wet (Stb. 1970, 323) geregeld voor volks- en woningtellingen.

Met de wijziging op de Statistiekwet 1950 in 1993 (Stb. 1993, 473) verkrijgt het CBS eveneens gegevens van importeurs en exporteurs van goederen en diensten. Voorts kan het CBS de bevoegdheid krijgen omtrent de opgave van deze statistische gegevens, regels te stellen.

Op 1 juli 1996 trad de nieuwe Wet op het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek in werking (Stb. 258/1996). De belangrijkste wijziging was het verdwijnen van de adviestaak en de grootte van het ledental van de CCS. De voornaamste reden voor de invoering van deze wet ligt in de grondwettelijke bepaling (artikel 79) dat vaste colleges van advies inzake wetgeving en bestuur een wettelijke grondslag behoeven.

2. Economische analyse en prognose

Direct na de Tweede Wereldoorlog stelde de regering dat een sturing van overheidswege op het economische leven noodzakelijk was om de bevolking te vrijwaren van grote sociale onzekerheid en het bedrijfsleven te beschermen tegen voortdurende verstoringen van het economisch evenwicht.

Gezien de noodzaak van overheidsbemoeienis met het economische leven deed zich daarom de behoefte voelen aan een zogenaamd ‘centraal economisch plan’. Een dergelijk plan zou op grond van statistische kennis ontworpen kunnen worden. Het moest dienen als een hulpmiddel bij de coördinatie van de maatregelen die de regering voorstond op economisch terrein. Het ‘Nationaal Welvaartsplan’ zou moeten worden opgesteld door een zelfstandige organisatie, die ten aanzien van beleidsvragen adviserend zou kunnen optreden.

Nog voordat de instellingswet door de Tweede Kamer was aangenomen begon het Centraal Planbureau (CPB) in 1945 met haar werkzaamheden. De taak van het CPB is krachtens de wet (Stb. 1947, H 127): het verrichten van alle werkzaamheden met betrekking tot het voorbereiden van het Centraal Economisch Plan. In 1989 formuleerde het CPB haar missie als volgt: het maken van onafhankelijke analyses en prognoses die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn, en die relevant zijn voor het beleid van regering, parlement, politieke partijen en maatschappelijke organisaties.

Het CPB werd vanaf het begin bijgestaan door adviesorganen. De eerste twee jaar was dit de Raad voor Advies voor het Nationaal Welvaartsplan. Deze Raad adviseerde over de methoden van onderzoek. In 1947 ging de Raad op in de Centrale Plancommissie (CPC). De CPC adviseerde tot 1997 zowel de minister als het CPB over de werkzaamheden van het CPB. Met de wetswijziging in 1997 verloor het CPC haar adviesbevoegdheid ten aanzien van de minister.

3. Sociale en culturele analyse en prognose

Eind jaren ’60 lieten verschillende groeperingen bezorgde geluiden horen over de negatieve gevolgen van de groei van de wereldbevolking en de technologische ontwikkelingen. Door meer nadruk te leggen op welzijn in plaats van welvaart hoopte men deze gevolgen het hoofd te bieden. Met de oprichting van een Sociaal en Cultureel Planbureau beoogde de overheid de bevordering van samenhangend en doelmatig beleid gericht op het sociaal en cultureel welzijn.

In 1972 werd de voorbereidingscommissie SCP opgericht. Deze Commissie diende de minister te adviseren over de taak en werkwijze van het SCP. In 1973 werd het Sociaal en Cultureel Planbureau bij K.B. (SCP, Stb. 1973, 175) opgericht.

Als taak werd in het Koninklijk besluit 2 genoemd:

  • a. wetenschappelijke verkenningen te verrichten met het doel te komen tot een samenhangende beschrijving van de situatie van het sociaal en cultureel welzijn hier te lande en van de op dit gebied te verwachten ontwikkelingen;

  • b. bij te dragen tot een verantwoorde keuze van beleidsdoeleinden, benevens het aangeven van voor- en nadelen van de verschillende wegen om deze doeleinden te bereiken;

  • c. informaties te verwerven met betrekking tot de uitvoering van interdepartementaal beleid op het gebied van sociaal en cultureel welzijn, teneinde de evaluatie van deze uitvoering mogelijk te maken.

Het SCP onderzoekt, adviseert en evalueert. Het is dus bij de gehele beleidscyclus op het sociaal-cultureel terrein betrokken. Deze rapportages dienen ter informering van de beleidsmakers van de rijksoverheid.

Voor het verkrijgen van informatie van gegevens is het SCP afhankelijk van de medewerking van diezelfde rijksoverheid. Veel gegevens zijn vertrouwelijk en dienen dus zodanig bewerkt te worden dat herkenning niet meer mogelijk is. Voorts steunt het SCP op de statistieken van het CBS en publieksenquêtes.

4. Algemene maatschappelijke analyse en prognose

Als gevolg van de steeds uitbreidende verzorgingsstaat en de toenemende democratisering, namen in de jaren ’60 de taken van de overheid in complexiteit en onderlinge verwevenheid toe. Het werd steeds moeilijker bevonden neveneffecten van beleidsingrepen te taxeren en toekomstige ontwikkelingen te voorzien.

Met de oprichting van de (Voorlopige) Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wilde de regering de tekortkomingen in strategische beleidsvorming teniet te doen. Beleidsvorming op lange termijn zou gebaat zijn bij een gedegen toekomstvisie op maatschappelijke ontwikkelingen. Deze toekomstvisie diende wetenschappelijk gefundeerd te zijn. Derhalve werd de WRR niet louter een wetenschappelijk onderzoeksinstituut. De onderzoeken moesten beleidsrelevant zijn en prioriteiten in beleid aangeven. De WRR zou op basis van wetenschappelijke studie aangeven welke maatschappelijke probleemvelden aandacht verdienen. Voorts wilde men lacunes en overlappingen vermijden. Daartoe zou de WRR het werk van de wetenschappelijke bureaus van de overheid coördineren.

De Voorlopige Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd in 1972 ingesteld.

Omdat een wet in formele zin de nodige voorbereidingstijd zou vergen was besloten een voorlopige raad in te stellen bij Koninklijk Besluit.

In 1976 volgde de instelling van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) door middel van een wet in formele zin.

De taken van de WRR verschillen niet wezenlijk van die van de Voorlopige WRR. Centraal bij de werkzaamheden van de W.R.R. staat de bestudering van de toekomstige ontwikkelingen die van belang zijn voor het regeringsbeleid alsmede implicaties daarvan voor dat beleid. In tegenstelling tot de taakomschrijving van de Voorlopige Raad werd bij de taakbeschrijving van de WRR gekozen voor de formulering ‘het verschaffen van informatie’ in plaats van ‘het adviseren’ om te benadrukken dat van de WRR geen eigen opinie wordt verwacht maar een wetenschappelijke en objectieve rapportage.

De taken van de WRR werden vastgelegd in artikel 2 van de wet:

  • a. het verschaffen van wetenschappelijk gefundeerde informatie ten behoeve van het regeringsbeleid over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken, en beleidsalternatieven aan te geven;

  • b. het ontwikkelen van een wetenschappelijk gefundeerd kader dat de regering ten dienste staat voor het stellen van prioriteiten en het voeren van een samenhangend beleid;

  • c. het doen van voorstellen inzake het opheffen van structurele tekortkomingen, het bevorderen van bepaalde onderzoekingen en het verbeteren van communicatie en coördinatie, alles ten aanzien van werkzaamheden op het gebied van toekomstonderzoek en planning op langere termijn, zowel binnen als buiten de overheid.

Actoren

PIVOT definieert een actor als een orgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie.

Een uitgebreid overzicht van de actoren die op het beleidsterrein Algemene wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid een rol spelen, is opgenomen in het rapport institutioneel onderzoek Geschiedschrijving van de toekomst.

De actoren voor welke in het voorliggende BSD selectielijsten zijn opgenomen, zijn:

  • Centraal Bureau voor de Statistiek,

  • Centrale Commissie voor de Statistiek,

  • Hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters,

  • Minister van Binnenlandse Zaken,

  • Minister van Economische Zaken,

  • Minister van Financiën,

  • Minister van Sociale Zaken (en Werkgelegenheid),

  • Minister van Verkeer en Waterstaat,

  • Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

  • Raad voor Advies voor het Nationaal Welvaartsplan,

  • Vakminister,

  • Werkcommissies Centraal Economisch Plan.

Selectielijsten

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties valt

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Statistische gegevensverzameling

(9.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter vaststelling van de amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.1

Waardering: B 5

(10.)

Handeling: Het instemmen met de verlening van de bevoegdheid aan de Minister van Economische Zaken tot het nader regelen van de uitvoering van het amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.2

Waardering: B 5

(12.)

Handeling: Het instemmen met voorschriften ter uitvoering van het Besluit volks- en woningtelling 1971 en het Besluit algemene bedrijfstelling 1950, 1963 en 1978

Periode: 1950–1991

Grondslag: Besluit van 29 juli 1950 tot regeling van de algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 10

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art .12

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art 12

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 15.1

Waardering: B 5

(31.)

vervallen

(74.)

Handeling: Het instemmen met de voorschriften inzake de werkzaamheden ter verzameling van gegevens ten behoeve van de algemene woning- en bedrijfstellingen

Periode: 1956–1989

Grondslag: Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 6 lid 2

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 6 lid 1

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 6 lid 1

Waardering: B 5

(76.)

Handeling: Het instemmen met een uitkering aan gemeenten vanwege hun medewerking aan de algemene volks-, woning- en bedrijfstelling

Periode: 1956–1991

Grondslag: Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 7 lid 1

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 1 en 2

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 1 en 2

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 16.1

Waardering: V 6 jaar na vaststelling van de rijksrekening

Economische analyse en prognose

(101.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming, schorsing en het ontslag van de directie van het CPB

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(103.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(105.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van de voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(107.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het instellen van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na opheffing

(109.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Sociale en culturele analyse en prognose

(136.)

Handeling: Het instemmen met de voordracht van de Minister van VWS ter benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en de onderdirecteur van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(141.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van VWS inzake de bepaling van het beleid van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 7.2

Waardering: B 1

(143.)

Handeling: Het instemmen met de overige betrokken ministers over de voordracht van drie niet-ambtelijke leden van het Begeleidingscollege van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8, lid 3c. Koninklijke besluit d.d. 8 maart 1974 tot wijziging van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 30 maart 1973.

Opmerking: In 1973 waren er twee niet-ambtelijke leden.

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(144.)

Handeling: Het voordragen van personen ter benoeming tot leden van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(151.)

Handeling: Het instemmen met de benoeming door de Minister van VWS van een voorzitter van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(161.)

Handeling: Het in kennis stellen van het SCP omtrent beleidsveronderstellingen en beleidsvoornemens voor de lange termijn.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 5.3

Waardering: B 1

(163.)

Handeling: Het toestemmen in het onderzoek van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treedt daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: B 1

(259.)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksgegevens aan het SCP.

Periode: 1973–

Bron: Mededeling van dhr. R.D. Ramdjielal tijdens het driehoeksoverleg

Waardering: V 5 jaar

(166.)

Handeling: Het verzoeken van het SCP een rapport op te stellen

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(168.)

Handeling: Het instemmen met de publicatie van een rapport van het SCP dat op verzoek van hem is opgesteld

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters

(78.)

Handeling: Het instemmen met de controle die de Directeur-Generaal voor de Statistiek bij de tellingen door de Gemeenten in het kader van de algemene volkstelling in de bevolkingsregisters, verricht

Periode: 1971–1991

Grondslag: Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 17.2

Waardering: V 10 jaar

(82.)

Handeling: Het instemmen met de verstrekking van bij de algemene volkstelling verzamelde gegevens uit persoonsregisters aan Gemeentebesturen door de Directeur-Generaal van de Statistiek

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 6.2

Waardering: V 10 jaar

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Economische Zaken valt

Minister van Economische Zaken

Statistische gegevensverzameling

(204.)

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’.

Periode: 1945–

Product Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc.

Opmerking: Onder deze handeling valt ook:

– Het voeren van overleg met de andere betrokken actoren op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’;

– Het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’;

– Het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’;

– Het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’ (zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’);

– Het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie).;

– Het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’ (zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’, handeling 295, 357 en 374);

– Het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’;

– Het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’;

– Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).

Waardering: B 1

(205.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires

Waardering: B 1

(206.)

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 3

(207.)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Grondslag Grondwet

Product Brieven, notities

Waardering: B 3

(208.)

Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Brieven, notities

Waardering: B 3

(209.)

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’ en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen

Periode: 1945–

Product Beschikkingen, verweerschriften

Waardering: B 5

(210.)

Handeling: Het medevoorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’ en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–

Product Internationale regelingen, nota’s, notities en rapporten

Waardering: B 1

(211.)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Brieven, notities

Waardering: V 2 jaar

(212.)

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Voorlichtingsmateriaal

Waardering: Eindproduct: B 5, van de eindproducten wordt één exemplaar bewaard;

Overige stukken: V 2 jaar

(213.)

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Offerte, brieven en rapport

Waardering: B 1

(214.)

Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Notities, notulen en brieven

Waardering: Opdrachtverlening en vaststelling van het

eindrapport B (1); overige neerslag V 10 jaar

(215.)

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Notities, brieven, etc.

Waardering: V 5 jaar

(216.)

Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Rekeningen en declaraties

Waardering: V 7 jaar

(217.)

Handeling: Het beslissen op een subsidieaanvraag van een particuliere instelling die actief is op het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’ het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Product Ministeriële beschikking

Waardering: V 10 jaar

(218.)

Handeling: Het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG

Periode: 1945–

Product Besluit

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(219.)

Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan werkgroepen van de Europese Commissie inzake het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen over de geleverde inbreng in de werkgroepen.

Waardering: B 1

(220.)

Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1989–

Product Concept-fiches

Opmerking: De interdepartementale WBCN stelt de informatiefiches vast. De handeling hiervoor is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’.

Waardering: B 1

(221.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.

Waardering: B 1

(222.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raden/Attachés.

Waardering: B 1

(223.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van Buitenlandse Zaken.

De handeling leidt bij het ministerie met name tot concept-instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van de vergaderingen van het Coreper.

Waardering: B 1

(224.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.

Waardering: B 1

(225.)

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo).

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.

Waardering: B 1

(226.)

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’

Periode: 1945–

Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken ministers.

Waardering: B 1

(227.)

Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité

Periode: 1945–

Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.

Waardering: V 5 jaar na beëindiging benoeming

(228.)

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatie-overleg.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering: B 1

(229.)

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘statistische gegevensverzameling’, voor zover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het Ministerie van Economische Zaken het coördinatie-overleg.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering: B 1

(4.)

Handeling: het opstellen van een voordracht ter regeling van de statistische gegevensverzameling

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet 1983 art. 79

Waardering: B 1

(5.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter regelgeving van de algemene volks- en bedrijfstelling

Periode: 1945–

Waardering: B 1

(6.)

Handeling: Het vaststellen van nadere voorschriften inzake het inwinnen van statistische gegevens en inzake het vorderen van inzage in bescheiden van diensten en instellingen ten behoeve van de samenstelling van economische statistieken door het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 6

Waardering: B 1

(8.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter vaststelling van de amvb inzake de algemene volks- en bedrijfstelling

Periode: 1945–1991

Grondslag: Wet van 16 maart 1939 houdende regelen betreffende een algemene bedrijfstelling (Stb. 1939, 601), art. 2

Wet van 5 november 1959 houdende regelen betreffende een algemene bedrijfstelling (Stb. 1959, 410), art. 1 lid 2, art. 2 en art 3 lid 1 en 3

Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.1

Waardering: B 5

(13.)

Handeling: Het vaststellen van voorschriften ter uitvoering van het Besluit volks- en woningtelling 1971 en het Besluit algemene bedrijfstelling 1963 en 1978

Periode: 1950–1991

Grondslag: Besluit van 29 juli 1950 tot regeling van de algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 10

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 12

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 12

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 15.1

Waardering: B 5

(14.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht inzake de bepaling van de inhoud van de gegevens die informatieplichtigen op grond van de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991 dienen te verstrekken

Periode: 1993–

Grondslag: Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 17 en 18

Waardering: B 5

(15.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht inzake de bepaling van de inhoud van de doorvoer- en entrepotstatistiek die op grond van de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991 wordt samengesteld

Periode: 1993–

Grondslag: Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art.19

Waardering: B 5

(17.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter benoeming en ontslag van de leden van de CCS en het aanwijzen van de voorzitter en tot 1996: de ondervoorzitter

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 10

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 21.1

Waardering: V 5 jaar na benoeming, ontslag of aanwijzing

(18.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht tot aanwijzing van een plaatsvervangend voorzitter van de CCS

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 21.2

Waardering: V 5 jaar na aanwijzing

(20.)

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar van het CBS als secretaris van de CCS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 10

Waardering: V 75 jaar

(22.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter benoeming van ambtenaren als vertegenwoordigers van de departementen van algemeen bestuur in de CCS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 16 maart 1931 tot wijziging van het K.B. van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1931, 200), art. 11

Waardering: V 2 jaar na beëindiging vertegenwoordiging

(24.)

vervallen

(27.)

vervallen

(30.)

vervallen

(33.)

Handeling: Het goedkeuren van het reglement van orde voor de CCS

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 12

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 23

Waardering: B 4

(35.)

Handeling: Het vaststellen van een instructie waarin de bevoegdheden van de Directeur-Generaal van het CBS zijn vastgelegd

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 7

Waardering: B 4

(41.)

Handeling: Het initiëren van buitengewone vergaderingen van de CCS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 12

Waardering: V 5 jaar

(42.)

Handeling: Het goedkeuren van het rooster van aftreden van de CCS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 11

Waardering: V 2 jaar na vaststelling nieuw rooster

(47.)

Handeling: Het goedkeuren van de jaarverslagen van de CCS en het CBS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 17

Waardering: B 3

(48.)

Handeling: Het maken van bezwaar tegen publicatie van de jaarverslagen van de CCS en het CBS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 23 augustus 1911 tot nadere wijziging van het KB van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1911, 286), art. 17

Waardering: B 5

(51.)

Handeling: Het geven van een opdracht aan de CCS tot het opdragen van het CBS tot het verzamelen, bewerken en publiceren van statistische opgaven

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1996, 258), art. 18.1

Waardering: V 1 jaar na publicatie statistische opgave

(54.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht inzake het beroep van het CBS tegen een opdracht tot verzamelen, bewerken en publiceren van statistische opgaven

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 18.2

Waardering: B 5

(59.)

Handeling: Het machtigen van het CBS tot het inwinnen van statistische gegevens nodig voor de samenstelling van economische statistieken

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 1.1

Waardering: V 10 jaar na beëindiging machtiging

(61.)

Handeling: Het nader regelen van de in de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991 bepaalde met betrekking tot de gegevensdrager en procedure van voor de opgave van statistische gegevens voor de doorvoer- en entrepotstatistiek

Periode: 1993–

Grondslag: Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 5 lid 1 en art. 19

Waardering: B 5

(62.)

Handeling: Het vaststellen van een formulier en de gegevensdrager voor de opgave van statistische gegevens voor de doorvoer- en entrepotstatistiek op grond van de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991

Periode: 1995–

Grondslag: Besluit doorvoerstatistiek (Stb. 1995, 170), art. 4 lid 1 en 4

Waardering: V 5 jaar na publicatie nieuw formulier

(68.)

Handeling: Het machtigen van ambtenaren en deskundigen tot inzage van boeken, bescheiden en geschriften tot het verkrijgen van inlichtingen en opgaven voor juiste economische statistieken

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 3.1

Waardering: V 10 jaar

(69.)

Handeling: Het bepalen dat één of meer deel- of steekproefonderzoeken en/of proeftellingen gehouden moeten worden ten behoeve van de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 2

Waardering: B 5

(72.)

Handeling: Het vaststellen van de modellen van vragenlijsten ter verzameling van gegevens ten behoeve van de algemene woning- en bedrijfstelling

Periode: 1950–1989

Grondslag: Besluit van 29 juli 1950 tot regeling van de algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 3 lid 3

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 5

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 5

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art. 3.1

Waardering: Eindproduct: B 5

Overige stukken: V 10 jaar

(73.)

Handeling: Het vaststellen van voorschriften inzake de uitreiking en verzameling van de vragenlijsten ter verzameling van gegevens ten behoeve van de algemene bedrijfstelling

Periode: 1963–1989

Grondslag: Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 6 lid 1

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 6 lid 1

Waardering: V 10 jaar

(77.)

Handeling: Het vaststellen van een uitkering aan gemeenten vanwege hun medewerking aan de volks-, woning- en bedrijfstelling

Periode: 1963–1991

Grondslag: Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 1 en 2

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 1 en 2

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 16.1

Waardering: V 10 jaar

(88.)

Handeling: Het goedkeuren van verzoeken van Kamercommissies van de Staten-Generaal om informatie van het CBS

Periode: 1980–

Grondslag: Aanwijzingen inzake contacten tussen Kamercommissies en ambtenaren en tussen Kamercommissies en regeringsadviescolleges (Stcrt. 1980, 171) , art. 3.1

Waardering: V 5 jaar

(91.)

Handeling: Het controleren of de werkzaamheden van het CBS voor derden niet leiden tot concurrentievervalsing

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 15

Waardering: V 10 jaar

(92.)

Handeling: Het goedkeuren van de wijze van openbaar maken van de gegevens van de algemene bedrijfstellingen

Periode: 1945–1989

Grondslag: Wet van 16 maart 1939 houdende regelen betreffende een algemeene tienjaarlijkse bedrijfstelling (Stb. 1939, 601), art 3

Wet van 5 november 1959 houdende regelen betreffende algemene bedrijfstellingen (Stb. 1959, 410), art 6

Waardering: V 10 jaar

Economische analyse en prognose

(233.)

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’.

Periode: 1945–

Product Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc.

Opmerking: Onder deze handeling valt ook:

– Het voeren van overleg met de andere betrokken actoren op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’;

– Het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’;

– Het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’;

– Het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’ (zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’);

– Het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie).;

– Het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’ (zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’, handeling 295, 357 en 374);

– Het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’;

– Het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’;

– Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).

Waardering: B 1

(234.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires

Waardering: B 1

(235.)

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 3

(236.)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Grondslag Grondwet

Product Brieven, notities

Waardering: B 3

(237.)

Handeling: Het informeren van de Commissies voor Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Brieven, notities

Waardering: B 3

(238.)

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’ en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen

Periode: 1945–

Product Beschikkingen, verweerschriften

Waardering: B 5

(239.)

Handeling: Het medevoorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’ en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–

Product Internationale regelingen, nota’s, notities en rapporten

Waardering: B 1

(240.)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Brieven, notities

Waardering: V 2 jaar

(241.)

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Voorlichtingsmateriaal

Waardering: Eindproduct: B 5, van de eindproducten wordt één exemplaar bewaard;

Overige stukken: V 2 jaar

(242.)

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Offerte, brieven en rapport

Waardering: B 1

(243.)

Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Notities, notulen en brieven

Waardering: B 1

(244.)

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Notities, brieven, etc.

Waardering: V 5 jaar

(245.)

Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Rekeningen en declaraties

Waardering: V 7 jaar

(246.)

Handeling: Het beslissen op een subsidieaanvraag van een particuliere instelling die actief is op het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’ het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Product Ministeriële beschikking

Waardering: V 10 jaar

(247.)

Handeling: Het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG

Periode: 1945–

Product Besluit

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(248.)

Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan werkgroepen van de Europese Commissie inzake het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen over de geleverde inbreng in de werkgroepen.

Waardering: B 1

(249.)

Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1989–

Product Concept-fiches

Opmerking: De interdepartementale WBCN stelt de informatiefiches vast. De handeling hiervoor is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’.

Waardering: B 1

(250.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.

Waardering: B 1

(251.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raden/Attachés.

Waardering: B 1

(252.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van Buitenlandse Zaken.

De handeling leidt bij het ministerie met name tot concept-instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van de vergaderingen van het Coreper.

Waardering: B 1

(253.)

Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.

Waardering: B 1

(254.)

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo).

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.

Waardering: B 1

(255.)

Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’

Periode: 1945–

Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken ministers.

Waardering: B 1

(256.)

Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité

Periode: 1945–

Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.

Waardering: V 5 jaar na afloop benoeming

(257.)

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatie-overleg.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering: B 1

(258.)

Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen met betrekking tot het deelbeleidsterrein ‘economische analyse en prognose’, voor zover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen

Periode: 1945–

Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.

Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het Ministerie van Economische Zaken het coördinatie-overleg.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.

Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.

Waardering B 1

(100.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter regeling van economische analyses en prognoses

Periode: (1945)1947–

Waardering: B 1

(102.)

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de directie van het CPB

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(104.)

Handeling: Het benoemen en ontslaan van leden de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(106.)

Handeling: Het aanwijzen van een voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 2 jaar na beëindiging voorzitterschap

(108.)

Handeling: Het instellen van werkcommissies voor het uitwerken van delen van het Centraal Economisch Plan

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.1, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: B 4

(110.)

Handeling: Het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 2 jaar na ontslag

(114.)

Handeling: Het goedkeuren van verzoeken van Kamercommissies van de Staten-Generaal om informatie van het CPB

Periode: 1980–

Grondslag: Aanwijzingen inzake contacten tussen Kamercommissies en ambtenaren en tussen Kamercommissies en regeringsadviescolleges (Stcrt. 1980, 171) , art. 3.1

Waardering: V 5 jaar

(132.)

Handeling: Het goedkeuren van het verzoek van overheids- en maatschappelijke organen om door het CPB berekeningen te laten uitvoeren

Periode: 1947–

Waardering: V 5 jaar

Sociale en culturele analyse en prognose

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 2 jaar na beëindiging lidmaatschap

Centraal Bureau voor de Statistiek

(21.)

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek als secretaris van de Centrale Commissie voor de Statistiek

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 20.2

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(26.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming van een (adjunct-)directeur

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 16 maart 1931 tot wijziging van het K.B. van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1931, 200), art. 3

Waardering: V 2 jaar na benoeming

(29.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming van ambtenaren met de rang van adjunct-commies of hogere rang van het CBS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 4

Waardering: V 2 jaar na benoeming

(36.)

Handeling: Het opstellen van werkprogramma’s en meerjarenprogramma’s

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 5 lid 1 en 6 lid 1

Waardering: B 1, 3

(38.)

Handeling: Het vaststellen van de methoden waarmee de in het werk- en meerjarenprogramma’s opgenomen onderzoeken worden uitgevoerd alsmede de wijze waarop de resultaten worden openbaar gemaakt

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 8

Waardering: B 5

(40.)

Handeling: Het voorbereiden van de door de CCS uit te geven adviezen aan de Regering en van de CCS te nemen besluiten

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 15

Waardering: B 1

(43.)

Handeling: Het opstellen van een begroting van haar werkzaamheden voor het volgende jaar

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 30

Waardering: B 1

(45.)

Handeling: Het opstellen van een jaarverslag

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 17

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 31.1

Opmerking: Dit verslag wordt verzonden aan de CCS.

Waardering: B 3

(230.)

Handeling: Het indienen van een verzoek bij de CCS om machtiging tot het doen van nieuwe statistische onderzoekingen of het uitgeven van de resultaten daarvan

Periode: 1945–1996

Bron: Mededeling van dr. J.G.S.J. van Maarseveen tijdens driehoeksoverleg

Waardering: V 25 jaar

(53.)

Handeling: Het in beroep gaan bij de Minister van Economische Zaken tegen een opdracht van de CCS tot verzamelen, bewerken en publiceren van statistische opgaven

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2;

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 18.2

Waardering: V 25 jaar

(56.)

Handeling: Het adviseren van de regering omtrent het onderzoek van een nieuw onderwerp van de statistiek dat van regeringswege wordt ondernomen

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 8 en art. 9

Waardering: B 1

(61.)

Handeling: Het nader regelen van de in de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991 bepaalde met betrekking tot de gegevensdrager en procedure van voor de opgave van statistische gegevens voor de doorvoer- en entrepotstatistiek

Periode: 1993–

Grondslag: Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 5 lid 1 en art. 19

Waardering: B 1

(62.)

Handeling: Het vaststellen van een formulier en de gegevensdrager voor de opgave van statistische gegevens voor de doorvoer- en entrepotstatistiek op grond van de EEG-verordening nr 3330/91 van 7 november 1991

Periode: 1995–

Grondslag: Besluit doorvoerstatistiek (Stb. 1995, 170), art. 4 lid 1 en 4

Waardering: B 5

(63.)

Handeling: Het verzamelen van statistische gegevens

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2;

Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 1.1;

Besluit algemene bedrijfstellingen 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 9 lid 1;

Besluit algemene bedrijfstellingen 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 4;

Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 9 lid 1;

Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 6.1;

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 12;

Besluit algemene bedrijfstellingen 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 4;

Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 19;

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 3;

Waardering: Volkstellingen, bedrijventellingen en verklaringen doodsoorzaak: B 5

Overige neerslag: V 5 jaar

(231.)

Handeling: Het vastellen van het statistisch proces/de methode van onderzoek

Periode: 1945–

Bron: Mededeling van dr. J.G.S.J. van Maarseveen tijdens het driehoeksoverleg

Product: o.a. nota’s, vragenlijsten, instructies

Waardering: B 5

(66.)

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren en deskundigen die inzage kunnen vorderen van boeken, bescheiden en geschriften tot het verkrijgen van inlichtingen en opgaven voor juiste economische statistieken

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 3.1

Waardering: V 75 jaar na geboorte

(79.)

vervallen

(80.)

Handeling: Het toekennen van een premie uit Rijks’ kas aan de tellers van bedrijven in het kader van de algemene bedrijfstelling

Periode: 1950–1991

Grondslag: Besluit algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 8;

Besluit algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 4;

Besluit algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 4;

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 16.1

Waardering: V 6 jaar

(83.)

Handeling: Het verstrekken van bij de algemene volkstelling en de algemene woningtelling verzamelde gegevens aan gemeenten

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 5

Waardering: V 10 jaar

(84.)

Handeling: Het verstrekken van gegevens aan de (hulp) officier van justitie

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1996, 258), art. 11.4

Waardering: V 10 jaar

(86.)

Handeling: Het verstrekken van een gegevensverzameling aan een universiteit, wettelijk ingestelde instelling voor wetenschappelijk onderzoek, het Centraal Planbureau en het Sociaal Planbureau, het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen en de andere diensten, organisaties en instellingen.

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1996, 258), art. 12 en 13

Opmerking: Het CBS beoordeelt voor de verstrekking van de gegevens of er voldoende maatregelen getroffen zijn om te voorkomen dat de gegevens voor andere werkzaamheden dan statistisch en wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt. Er wordt onder andere aan het Wetenschappelijk Statistisch Agentschap, ingesteld door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) verstrekt.

Waardering: V 25 jaar

(87.)

Handeling: Het toezenden van statistische gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de EG

Periode: 1990–

Grondslag: Verordening (Euratom, EEG) Nr 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990, art. 3.1

Waardering: B 5

(89.)

Handeling: Het ontwikkelen van modellen voor de bewerking van cijfermatige gegevens

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 19 mei 1931 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1931, 200), art. 2;

Besluit algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 9 lid 1;

Besluit algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 4;

Besluit algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 4;

Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 6;

Besluit algemene volks- en woningtelling, 1971 (Stb. 1970, 446), art. 12;

Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 19

Waardering: B 5

(90.)

vervallen

(93.)

Handeling: Het openbaar maken van de uitkomsten van de algemene volkstelling, de daaraan voorafgaande deel- of steekproefonderzoeken en proeftellingen alsmede van de algemene woning- en bedrijfstelling

Periode: 1950–1991

Grondslag: Besluit algemene bedrijfstelling 1950 (Stb. 1950, K 324), art. 9 lid 1;

Besluit algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 4;

Besluit algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 4;

Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 6;

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 12;

Statistiekwet 1950 zoals gewijzigd bij wet van 7 juli 1993 (Stb. 1993, 473), art. 19

Waardering: B 5

(94.)

Handeling: Het publiceren van statistieken

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2;

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 3;

Waardering: Eindproduct: B 5 (te bewaren bij het CBS)

Overige stukken: V 10 jaar

(95.)

Handeling: Het publiceren van studies naar de methodologie, de statistiek en maatschappelijke verschijnselen

Periode: 1945–

Grondslag: Interview

Waardering: Eindproduct: B 5 (te bewaren bij het CBS)

Overige stukken: V 10 jaar

(96.)

Handeling: Het publiceren van periodieken inzake statistische onderzoeken

Periode: 1945–

Grondslag: Interview

Waardering: Eindproduct: B 5 (te bewaren bij het CBS)

Overige stukken: V 10 jaar

(97.)

Handeling: Het aanwijzen van vertegenwoordigers als lid van andere organen dan het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Interview

Instellingsbeschikking platform technisch overleg, Uitleg OenW-Regelingen, nr. 10, 17 april 1991

Opmerking: Zo wijst het CBS een lid van het Platform Technisch Overleg van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen aan.

Waardering: V 2 jaar na aanwijzing

(98.)

Handeling: Het participeren in internationale organisaties die zich met de statistiek bezighouden

Periode: 1945–

Grondslag: Interview

Waardering: B 1

(99.)

Handeling: Het onderhouden van internationale contacten

Periode: 1945–

Grondslag: Interview

Waardering: V 5 jaar

Centrale Commissie voor de Statistiek

(7.)

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken, De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en de Minister van Financiën over de amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.1

Waardering: B 1

(16.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming van de leden van de CCS

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43, art. 11

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 21.2

Opmerking: Zij die ambtshalve zitting hebben in de Commissie worden niet als lid in de zin van dit artikel beschouwd.

Waardering: V 2 jaar na benoeming

(19.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van een secretaris van de CCS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 10

Waardering: V 2 jaar na aanwijzing

(23.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming van de directeur (Directeur-Generaal) van het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 3

Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 4.2

Waardering: V 2 jaar na benoeming

(25.)

Handeling: Het opstellen van een aanbeveling aan de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming van een Directeur

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 16 maart 1931 tot wijziging van het K.B. van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1931, 200), art. 3

Opmerking: Van 1931 tot en met 1966 betrof het de benoeming van een adjunct-directeur.

Waardering: V 2 jaar na benoeming

(28.)

Handeling: Het adviseren van de Directeur-Generaal van het CBS over de benoeming en het ontslag van ambtenaren met de rang van adjunct-commies of hoger van het CBS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 4

Waardering: V 2 jaar na benoeming of ontslag

(32.)

Handeling: Het vaststellen van een reglement van orde voor haar werkzaamheden

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 13

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 23

Waardering: B 4

(34.)

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de instructie van de bevoegdheden van de Directeur-Generaal van het CBS

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 7

Waardering: V 2 jaar na vaststelling van de instructie

(37.)

Handeling: Het goedkeuren van de werkprogramma’s en meerjarenprogramma’s van het CBS

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 7

Waardering: B 5

(39.)

Handeling: Het opdragen van de voorbereiding van adviezen ten behoeve van de Regering en van in haar algemene vergadering te nemen besluiten aan het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 15

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 25

Waardering: V 10 jaar

(44.)

Handeling: Het opstellen van een begroting van haar werkzaamheden voor het volgende jaar

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 30

Waardering: B 5

(46.)

Handeling: Het opstellen van een jaarverslag

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 17

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 31.2

Opmerking: Dit verslag wordt samen met het verslag van het CBS verzonden aan de Minister van Economische Zaken.

Waardering: B 1, 2

(49.)

Handeling: Het ten behoeve van de Minister van Economische Zaken evalueren van haar taakvervulling en het doen van aanbeveling ter verbetering daarvan

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 32

Waardering: B 3

(50.)

Handeling: Het machtigen van het CBS tot het doen van nieuwe statistische onderzoekingen of het uitgeven van de resultaten daarvan of het staken van die onderzoekingen of het uitgeven van die resultaten

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2

Waardering: B 5

(52.)

Handeling: Het geven van opdrachten aan het CBS tot het verzamelen, bewerken en publiceren van statistische opgaven

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 2

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 18.1

Waardering: B 5

(55.)

Handeling: Het adviseren van de vakministers omtrent het starten van een nieuw statistisch onderzoek

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 8 en art. 9

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 19

Waardering: B 1

(57.)

Handeling: Het adviseren van de Hoofden van Algemeen Bestuur over de betrouwbaarheid en volledigheid van statistische onderzoeken die van regeringswege worden ondernomen

Periode: 1945–1996

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 8

Waardering: B 1

(58.)

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de noodzaak van het inwinnen van statistische gegevens nodig voor de samenstelling van economische statistieken door het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 28 december 1936 houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken (Stb. 1936, 639DD), art. 1.1

Waardering: B 1

(70.)

Handeling: Het adviseren van de Minister van Economische Zaken over de noodzaak van het houden van één of meer deel- of steekproefonderzoeken en/of proeftellingen ten behoeve van de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 2

Waardering: B 1

(85.)

Handeling: Het machtigen van het CBS een gegevensverzameling te verstrekken aan diensten, organisaties en instellingen t.b.v. statistisch en wetenschappelijk onderzoek

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1996, 258), art. 13.1

Waardering: V 10 jaar

(232.)

Handeling: Het opstellen van richtlijnen voor de beoordeling van de maatregelen die gegevensontvangende diensten, organisaties en instellingen hebben genomen ter voorkoming van misbruik van de door het CBS te verstrekken gegevens

Periode: 1996–

Bron: Mededeling van dr. J.G.S.J. van Maarseveen tijdens het driehoeksoverleg

Waardering: B 5

Centrale Plancommissie

(113.)

Handeling: Het adviseren van (de Minister van Economische Zaken of) de directie van het CPB met betrekking tot de werkzaamheden van het Bureau

Periode: 1949–1997

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: B 1

Werkcommissie Centraal Economisch Plan

(117.)

Handeling: Het steunen en adviseren van het CPB bij de uitwerking van (onderdelen van) het Centraal Economisch Plan

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 7, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: B 1

Raad voor Advies voor het Nationaal Welvaartsplan

(112.)

Handeling: Het adviseren van de directie van het CPB inzake methoden van onderzoek

Periode: 1945–1947

Waardering: B 1

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister Financiën van valt

Minister van Financiën

Statistische gegevensverzameling

(9.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter vaststelling van de amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.1

Produkt: Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446)

Waardering: B 5

(10.)

Handeling: Het instemmen met de verlening van de bevoegdheid aan de Minister van Economische Zaken tot het nader regelen van de uitvoering van het amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.2

Waardering: B 5

(11.)

Handeling: Het instemmen met voorschriften ter uitvoering van het Besluit volks- en woningtelling 1971

Periode: 1971–1991

Grondslag: Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 15.1

Waardering: B 5

(76.)

Handeling: Het instemmen met een uitkering aan gemeenten vanwege hun medewerking aan de algemene volks-, woning- en bedrijfstelling

Periode: 1956–1991

Grondslag: Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 7 lid 1

Besluit van 24 september 1963 houdende regelen betreffende de derde algemene bedrijfstelling 1963 (Stb. 1963, 397), art. 7 lid 1 en 2

Besluit van 5 augustus 1978 houdende regelen betreffende de vierde algemene bedrijfstelling 1978 (Stb. 1978, 437), art. 7 lid 1 en 2

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 16.1

Waardering: V 6 jaar na vaststelling van de rijksrekening

Economische analyse en prognose

(101.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming, schorsing en het ontslag van de directie van het CPB

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(103.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(105.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van de voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(107.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het instellen van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na opheffing

(109.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Sociale en culturele analyse en prognose

(136.)

Handeling: Het instemmen met de voordracht van de Minister van VWS ter benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en de onderdirecteur van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(141.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van VWS inzake de bepaling van het beleid van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 7.2

Waardering: B 1

(143.)

Handeling: Het instemmen met de overige betrokken ministers over de voordracht van drie niet-ambtelijke leden van het Begeleidingscollege van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8, lid 3c. Koninklijke besluit d.d. 8 maart 1974 tot wijziging van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 30 maart 1973.

Opmerking: In 1973 waren er twee niet-ambtelijke leden.

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(144.)

Handeling: Het voordragen van personen ter benoeming tot leden van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(151.)

Handeling: Het instemmen met de benoeming door de Minister van VWS van een voorzitter van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(161.)

Handeling: Het in kennis stellen van het SCP omtrent beleidsveronderstellingen en beleidsvoornemens voor de lange termijn.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 5.3

Waardering: B 1

(163.)

Handeling: Het toestemmen in het onderzoek van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treedt daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: B 1

(259.)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksgegevens aan het SCP.

Periode: 1973–

Bron: Mededeling van dhr. R.D. Ramdjielal tijdens het driehoeksoverleg

Waardering: B 5

(166.)

Handeling: Het verzoeken van het SCP een rapport op te stellen

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(168.)

Handeling: Het instemmen met de publicatie van een rapport van het SCP dat op verzoek van hem is opgesteld

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij valt

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Economische analyse en prognose

(101.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming, schorsing en het ontslag van de directie van het CPB

Periode: (1945) 1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2., gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(103.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945) 1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4., gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(105.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van de voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945) 1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5., gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(107.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het instellen van werkcommissies

Periode: (1945) 1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5., gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(109.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945) 1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3., gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Sociale en culturele analyse en prognose

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen valt

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Sociale en culturele analyse en prognose

(136.)

Handeling: Het instemmen met de voordracht van de Minister van VWS ter benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en de onderdirecteur van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(141.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van VWS inzake de bepaling van het beleid van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 7.2

Waardering: B 1

(143.)

Handeling: Het instemmen met de overige betrokken ministers over de voordracht van drie niet-ambtelijke leden van het Begeleidingscollege van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8, lid 3c. Koninklijke besluit d.d. 8 maart 1974 tot wijziging van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 30 maart 1973.

Opmerking: In 1973 waren er twee niet-ambtelijke leden.

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(144.)

Handeling: Het voordragen van personen ter benoeming tot leden van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(151.)

Handeling: Het instemmen met de benoeming door de Minister van VWS van een voorzitter van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(161.)

Handeling: Het in kennis stellen van het SCP omtrent beleidsveronderstellingen en beleidsvoornemens voor de lange termijn.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 5.3

Waardering: B 1

(163.)

Handeling: Het verlenen van medewerking aan het onderzoek van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treed daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: B 1

(204.)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksgegevens aan het SCP.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treedt daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: V 5 jaar

(166.)

Handeling: Het verzoeken van het SCP een rapport op te stellen

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(168.)

Handeling: Het instemmen met de publicatie van een rapport van het SCP dat op verzoek van hem is opgesteld

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Contactcommissie Overheid/Sociaal-Wetenschappelijke Raad

(2.)

Handeling: Het verrichten van onderzoek naar de wijze waarop de sociale wetenschappen kunnen bijdragen aan de beleidsvoorbereiding van de overheid

Periode: 1959–1965

Grondslag: besluit Minister van Onderwijs en Wetenschappen

Waardering: Eindproduct: B 1

Overige stukken: V 5 jaar

Commissie Voorbereiding Onderzoek Toekomstige Maatschappijstructuur

(3.)

Handeling: Het doen van aanbevelingen inzake de wijze waarop de wetenschappelijke beleidsvoorbereiding georganiseerd dient te worden

Periode: 1968–1970

Grondslag: besluit Minister van Onderwijs en Wetenschappen

Waardering: B 1

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt

Minister van Sociale Zaken

Economische analyse en prognose

(101.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming, schorsing en het ontslag van de directie van het CPB

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(103.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(105.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van de voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(107.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het instellen van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na opheffing

(109.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Sociale en culturele analyse en prognose

(136.)

Handeling: Het instemmen met de voordracht van de Minister van VWS ter benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en de onderdirecteur van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(141.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van VWS inzake de bepaling van het beleid van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 7.2

Waardering: B 1

(143.)

Handeling: Het instemmen met de overige betrokken ministers over de voordracht van drie niet-ambtelijke leden van het Begeleidingscollege van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8, lid 3c. Koninklijke besluit d.d. 8 maart 1974 tot wijziging van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 30 maart 1973.

Opmerking: In 1973 waren er twee niet-ambtelijke leden.

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(144.)

Handeling: Het voordragen van personen ter benoeming tot leden van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(151.)

Handeling: Het instemmen met de benoeming door de Minister van VWS van een voorzitter van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(161.)

Handeling: Het in kennis stellen van het SCP omtrent beleidsveronderstellingen en beleidsvoornemens voor de lange termijn.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 5.3

Waardering: B 1

(163.)

Handeling: Het toestemmen in het onderzoek van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treedt daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: B 1

(259.)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksgegevens aan het SCP.

Periode: 1973–

Bron: Mededeling van dhr. R.D. Ramdjielal tijdens het driehoeksoverleg

Waardering: B 5

(166.)

Handeling: Het verzoeken van het SCP een rapport op te stellen

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Produkt: verzoek

Waardering: B 1

(168.)

Handeling: Het instemmen met de publicatie van een rapport van het SCP dat op verzoek van hem is opgesteld

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Verkeer en Waterstaat valt

Minister van Verkeer en Waterstaat

Economische analyse en prognose

(101.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming, schorsing en het ontslag van de directie van het CPB

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 2.2, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(103.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.4, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(105.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake de aanwijzing van de voorzitter van de Centrale Plancommissie

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 4.5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(107.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het instellen van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 5, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na opheffing

(109.)

Handeling: Het overleggen met de Minister van Economische Zaken inzake het benoemen en ontslaan van voorzitter en leden van werkcommissies

Periode: (1945)1947–

Grondslag: Wet van 21 april 1947 houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan, art. 6.3, gewijzigd bij Wet van 5 november 1948

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer valt

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Statistische gegevensverzameling

(9.)

Handeling: Het opstellen van een voordracht ter vaststelling van de amvb inzake de algemene volkstelling

Periode: 1970–1991

Grondslag: Wet van 9 juli 1970, houdende regelen betreffende algemene volkstellingen (Stb. 1970, 323), art. 9.1

Waardering: B 5

(11.)

Handeling: Het instemmen met voorschriften ter uitvoering van het Besluit volks- en woningtelling 1971

Periode: 1971–1991

Grondslag: Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 15.1

Waardering: B 5

(71.)

Handeling: Het instemmen met het model voor de vragenlijst ter verzameling van gegevens ten behoeve van de algemene woningtelling

Periode: 1956–1991

Grondslag: Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 6 lid 1

Besluit algemene volks- en woningtelling 1971 (Stb. 1970, 446), art 8

Waardering: V 5 jaar

(75.)

Handeling: Het instemmen met de voorschriften inzake de werkzaamheden ter verzameling van gegevens ten behoeve van de algemene woningtelling

Periode: 1956

Grondslag: Besluit van 12 april 1956 tot uitvoering van de art. 2 en 3 van de wet van 12 april 1956 (Stb. 1956, 163), houdende regelen voor een in 1956 te houden algemene woningtelling (Stb. 1956, 163), art. 6 lid 2

Waardering: V 5 jaar

Sociale en culturele analyse en prognose

(136.)

Handeling: Het instemmen met de voordracht van de Minister van VWS ter benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en de onderdirecteur van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 3.2

Waardering: V 5 jaar

(141.)

Handeling: Het instemmen met de Minister van VWS inzake de bepaling van het beleid van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 7.2

Waardering: B 1

(143.)

Handeling: Het instemmen met de overige betrokken ministers over de voordracht van drie niet-ambtelijke leden van het Begeleidingscollege van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8, lid 3c. Koninklijke besluit d.d. 8 maart 1974 tot wijziging van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 30 maart 1973.

Opmerking: In 1973 waren er twee niet-ambtelijke leden.

Waardering: V 5 jaar

(144.)

Handeling: Het voordragen van personen ter benoeming tot leden van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar

(151.)

Handeling: Het instemmen met de benoeming door de Minister van VWS van een voorzitter van het Begeleidingscollege SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 8.3a

Waardering: V 5 jaar na ontslag

(161.)

Handeling: Het in kennis stellen van het SCP omtrent beleidsveronderstellingen en beleidsvoornemens voor de lange termijn.

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 5.3

Waardering: B 1

(163.)

Handeling: Het toestemmen in het onderzoek van het SCP

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 6

Opmerking: De minister verleent eerst toestemming aan het SCP. Het SCP treedt daarna in overleg met ambtelijk deskundigen ten behoeve van het onderzoek.

Waardering: B 1

(259.)

Handeling: Het verstrekken van onderzoeksgegevens aan het SCP.

Periode: 1973–

Bron: Mededeling van dhr. R.D. Ramdjielal tijdens het driehoeksoverleg

Waardering: B 5

(166.)

Handeling: Het verzoeken van het SCP een rapport op te stellen

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Produkt: verzoek

Waardering: B 1

(168.)

Handeling: Het instemmen met de publicatie van een rapport van het SCP dat op verzoek van hem is opgesteld

Periode: 1973–

Grondslag: Koninklijk besluit d.d. 30 maart 1973, art. 9.3

Waardering: B 1

(170.)

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Commissie Sociaal en Cultureel Beleid

Periode: 1990–

Grondslag: Instellingsbesluit Commissie Sociaal en Cultureel Beleid (Stcrt. 1990, 141), art 6

Waardering: V 5 jaar na ontslag

Actoren waarvan het archief onder de zorg van de vakminister valt

Vakminister

Algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding

(1.)

Handeling: Het instellen van commissies ter bestudering van de wetenschappelijke beleidsvoorbereiding

Periode: 1945–

Waardering: B 4

Verzameling van statistische gegevens

(60.)

Handeling: Het instemmen met het gebruik van gegevens uit registraties bij instellingen en diensten van het Rijk door het CBS

Periode: 1996–

Grondslag: Wet van 18 april 1996 houdende een instellingsregeling voor het Centraal Bureau en de Centrale commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 9

Waardering: B 5

(64.)

Handeling: Het opstellen van statistische bescheiden ten behoeve van het CBS

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 9 januari 1899 betreffende het Centrale Bureau en de Centrale Commissie voor de Statistiek (Stb. 1899, 43), art. 6

Wet van 18 april 1996, houdende een instellingsregeling voor het Centraal bureau en de Centrale Commissie voor de statistiek (Stb. 1996, 258), art. 9

Waardering: V 5 jaar

(131.)

vervallen

Sociale en culturele analyse en prognose

(137.)

Handeling: Het instellen van een voorbereidingscommissie voor de instelling van het SCP

Periode: 1972

Grondslag: Besluit Ministerraad

Waardering: B 1

Algemene maatschappelijke analyse en prognose

(173.)

Handeling: Het instemmen met de aanwijzing van de voorzitter en leden van de Voorlopige WRR

Periode: 1972–1976

Grondslag: Besluit van 6 november 1972 (Stb. 590), art. 9.2

Waardering: V 5 jaar

(176.)

Handeling: Het instemmen met de voorgenomen aanwijzing van buitengewone leden van de Voorlopige WRR

Periode: 1972–1976

Grondslag: Besluit van 6 november 1972 (Stb. 590), art. 11.3

Waardering: V 5 jaar

(179.)

Handeling: Het instemmen met de voorgenomen benoeming en het ontslag van de voorzitter en de leden van de WRR

Periode: 1976–

Grondslag: Instellingswet W.R.R., art. 3.2

Waardering: V 5 jaar

(182.)

Handeling: Het instemmen met de voorgenomen benoeming van de adviserende leden van de WRR

Periode: 1976–

Grondslag: Instellingswet W.R.R., art. 6.3

Waardering: V 5 jaar

(188.)

vervallen

(192.)

Handeling: Het verrichten van studie en onderzoek op verzoek en ten behoeve van de Voorlopige WRR/WRR

Periode: 1972–

Grondslag: Besluit van 6 november 1972 (Stb. 590), art. 6; Instellingswet W.R.R., art. 10

Waardering: B 5.

  • ^ [1]

    J.H. Baas, Bestuurskunde in hoofdlijnen (Groningen, 1995)

  • ^ [2]

    Zie ook Sociale en Culturele Verkenningen 1993 (Rijswijk 1993)