Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1947 (Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers)

Geldend van 21-04-2006 t/m heden

Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1947 (Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 februari 2006, nr. arc-20005.02719/2);

Besluit:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 29 maart 2006

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de

Algemene Rijksarchivaris

,

M.W. van Boven

Basisselectiedocument

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

Een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers in de periode 1947–heden

Aart Mul (Doxis Informatiemanagers)

in opdracht van Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

Versie: 14 oktober 2005

1. Verantwoording

1.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder archiefbescheiden worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de Archiefwet 1995 zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als een overbrengingsplicht (art. 12). Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de minister van OCenW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

  • 1. de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

  • 2. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

  • 3. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

  • 4. het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

Verder moeten ingevolge artikel 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van het BSD als selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.

1.2. Het Basisselectiedocument

Een Basisselectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. Het geldt als selectielijst zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Archiefwet 1995. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van een enkele organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Het niveau waarop geselecteerd wordt is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, enz.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dient een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid. Dit geldt althans ten minste voor de departementen. Voor de publiekrechtelijke ZBO’s, die zelfstandig zorgdrager zijn, moeten de bedrijfsvoeringshandelingen wel afzonderlijk worden vastgesteld; deze ZBO’s liften niet mee met de voor de rijksoverheid vastgestelde horizontale BSD’s.

De procedure tot vaststelling van een BSD is als volgt:

  • a. Het concept-BSD wordt besproken in het zogenaamde driehoeksoverleg. Deelnemers hieraan zijn vertegenwoordigers (deskundigen) van actoren op het beleidsterrein, een vertegenwoordiger namens de zorgdrager in verband met het archiefbeheer en een vertegenwoordiger namens de Rijksarchiefdienst. Tijdens dit overleg wordt rekening gehouden met het administratieve belang, het belang van de recht- en bewijszoekende burger en het historisch belang van de archiefbescheiden met betrekking tot het beleidsterrein.

  • b. Het ontwerp-BSD wordt, tezamen met het verslag van het driehoeksoverleg, ter vaststelling ingediend bij de minister waaronder Cultuur ressorteert.

  • c. Het ontwerp-BSD ligt gedurende een periode van 6 weken ter inzage.

  • d. De minister waaronder Cultuur ressorteert hoort de Raad voor Cultuur.

  • e. De minister waaronder Cultuur ressorteert en de minister van VWS stellen het BSD vast.

  • f. De beschikking tot vaststelling van het BSD wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

1.3. Rapport Institutioneel Onderzoek en Basisselectiedocument betreffende het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’

Het voorliggende Basisselectiedocument is in beginsel gestoeld op het PIVOT-rapport nr. 3, Oorlog duurt een leven lang, dat in 1992 is gereedgekomen. Het rapport bevat een verslag van onderzoek naar instituties en wet- en regelgeving op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.

De instelling van de Pensioen- en Uitkeringsraad (Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad – Stb. 1990, 324) is in bovengenoemd rapport nog net ‘meegenomen’. Echter, de vroeg in de ontwikkeling van de Methode Institutioneel Onderzoek opgestelde beschrijvingen zijn niet als handelingen werkbaar te hanteren. Ze zijn dan ook niet gehandhaafd in dit BSD. Er is voor gekozen om het gehele handelen van de PUR in een nieuw op te stellen BSD te vatten. Dit geactualiseerde BSD is een zelfstandig document, dat als zodanig losstaat van het door VWS nog op te stellen geactualiseerde BSD, dat op hetzelfde RIO is gebaseerd.

1.4. Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. De door de Rijksarchiefdienst gehanteerde selectiedoelstelling houdt in ‘dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voorzover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’

De algemene selectiedoelstelling is in dit BSD geoperationaliseerd voor het beleidsterrein waarop de PUR zich beweegt: de uitvoering van de wet- en regelgeving betreffende pensioenen, uitkeringen en andere voorzieningen voor oorlogsgetroffenen. Bij de hier geformuleerde selectievoorstellen stond steeds de vraag centraal: ten aanzien van welke handelingen is de administratieve neerslag noodzakelijk om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het overheidshandelen op het beleidsterrein? Dit betreft zowel het beleid als de beleidsuitvoering, waarbij zij opgemerkt dat vanwege het karakter van de op het PUR-werkterrein gevormde dossiers juist ook de uitvoering op microniveau (‘cliëntendossiers’) onderwerp van cultuur-historisch onderzoek zal zijn – zie volgende paragraaf.

1.5. Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria.

Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan een van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (‘vernietigen’), met vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de volgende algemene selectiecriteria:

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of directvoortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft in zijn beleidsuitvoering te maken met de nasleep van een van de belangrijkste perioden uit de vaderlandse geschiedenis: de Tweede Wereldoorlog. Het zal dan ook niet mogen verwonderen dat selectiecriterium 6 voor deze organisatie van groot belang is. Met name de vele historische, sociale onderzoeken in het kader van de toelating tot de door de PUR ten uitvoer te leggen wetten zijn van grote cultuur-historische waarde. De ‘sociale dossiers’ zijn dan ook als ‘te bewaren’ aangemerkt.

1.6. Verslag vaststellingsprocedure

Op 22 december 2004 is het ontwerp-BSD door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2005 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de Pensioen- en Uitkeringsraad, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 6 februari 2006 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02719/2), hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 29 maart 2006 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vastgesteld (kenmerk besluit C/S&A/06/695).

1.7. Leeswijzer bij de handelingenlijst

In hoofdstuk 2 staan de handelingen van de PUR op het beleidsterrein beschreven. De handelingen worden beschreven in een handelingenblok, zoals hierna aangegeven.

(X.): Dit is het nummer van de handeling.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. De handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht. Zo betreft de neerslag van een beschikkende handeling niet alleen het originele besluit, maar ook alle voorstukken.

Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer (volledig) is uitgevoerd.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling op het moment van het verschijnen van het RIO/BSD nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product: Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. De gegeven opsommingen van producten zijn zeker niet uitputtend. Veelal wordt volstaan met een algemeen omschreven voorbeeld.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering: De afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan het NA van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling. Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast.

De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’, oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier, register, databestand) dat behoort tot de neerslag van de handeling, is afgesloten.

1.8. Indeling Basisselectiedocument

Na de algemene verantwoording in dit hoofdstuk bevat hoofdstuk 2 een korte contextbeschrijving, waarin onder meer wordt ingegaan op de taakvoorgangers van de PUR en de huidige PUR en in verband daarmee de scope van dit selectiedocument. Met de verdere beschrijving van PUR en PUR-werkzaamheden sluit dit BSD aan op wat is geschreven in het PIVOT-rapport Oorlog duurt een leven lang.

Hoofdstuk 3 vormt de eigenlijke lijst met handelingen en waarderingen. In dat hoofdstuk is op hoofdlijnen een indeling naar taken van de PUR gevolgd. Er zijn ook algemene handelingen in opgenomen, evenals handelingen die op de interne organisatie van toepassing zijn, namelijk voorzover deze in de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad staan beschreven. In hoofdstuk 3 staat daarnaast nog een set van de belangrijkste bedrijfsvoeringshandelingen; deze hebben betrekking op personeel, informatievoorziening, organisatie, financiën, automatisering en huisvesting.

De bijlagen bevatten onder meer een lijst van geraadpleegde wet- en regelgeving en een afkortingenlijst.

2. De Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

2.1. De PUR en zijn taakvoorgangers

2.1.1. Algemeen

In het PIVOT-rapport Oorlog duurt een leven lang is onderzoek gedaan naar instituties en wet- en regelgeving inzake de oorlogsgetroffenen, en wel voor wat betreft de periode 1945 tot 1990. Derhalve is beschreven hoe de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen tot 1990 werd uitgevoerd. De belangrijkste uitvoerenden waren de Buitengewone Pensioenraad, de Uitkeringsraad en de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers. Deze raden gingen in 1990 op in de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan op het niveau van de rijksoverheid. Ook een aantal taken van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ging over naar de PUR.

2.1.2. PUR-voorgangers en hun taken

Deze paragraaf bevat een kort overzicht van de verschillende instanties die in de PUR zijn opgegaan en hun takenpakketten. Een uitgebreidere beschrijving ervan is terug te vinden in het Rapport Institutioneel Onderzoek Oorlog duurt een leven lang.

Buitengewone Pensioenraad

Oorspronkelijk als buitengewone afdeling van de Pensioenraad, later als zelfstandig bestuursorgaan.

1947–1990

Uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp), met inschakeling van Stichting 1940–1945. Betalingen ook door Stichting 1940–1945.

1957–1990

Uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940–1945, tot 1960 onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat (DG Scheepvaart) (1947–1960). Bevoegdheid vanaf 1960 bij de Buitengewone Pensioenraad.

1986–1990

Beslissingsbevoegdheid van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet.

Uitbetalingen door ABP. Verificatieonderzoeken door ABP, in opdracht van Stichting Pelita (tot 1990).

Uitkeringsraad

Zelfstandig bestuursorgaan.

1973–1990

Verantwoordelijkheid en uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, met inschakeling van Stichting Pelita, Stichting Joods Maatschappelijk Werk en Stichting 1940–1945. Uitbetaling van 1973 tot 1983 door Stichting 1940–1945, daarna door ABP.

De regelingen die voorafgingen aan de Wuv, te weten de Rijksgroepregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (aanvulling 1968) en de Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1971), werden uitgevoerd door gemeenten.

Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

Zelfstandig bestuursorgaan.

1984–1990

Verantwoordelijkheid en uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.

De regelingen die voorafgingen aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Regeling nopens de geldelijke verzorging der oorlogsslachtoffers (1944), omgezet in Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1950), voortgezet in de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (1961)), werden uitgevoerd door gemeenten. In 1965 werd de hulpverlening aan oorlogsslachtoffers in het bijstandsrecht ingebracht.

Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (1966–1990)

Het ABP is niet te beschouwen als zelfstandige actor in de zin van de PIVOT-methodiek. Het voerde onder verantwoordelijkheid van andere instanties de volgende taken uit ten aanzien van de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen:

  • berekening en betaling van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (vanaf augustus 1983; overgenomen van Stichting 1940–1945); tevens zorgdragen voor het opstellen van geneeskundige adviezen;

  • sociale rapportage in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945; later overgenomen door Stichting Burger Oorlogsgetroffenen (opgegaan in Stichting 1940–1945), Stichting 1940–1945 en (incidenteel) Stichting Joods Maatschappelijk Werk;

  • berekening en betaling van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (vanaf 1984); tevens zorgdragen voor het opstellen van geneeskundige adviezen;

  • berekening en betaling van uitkeringen op grond van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet.

2.1.3. Archiefverantwoordelijkheid

Bij de vorming van de PUR zijn de archieven van voornoemde instellingen ‘meegegaan’ naar de PUR. Artikel 40 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad bepaalde namelijk dat nog niet naar een archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden van de Uitkeringsraad, de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, de Buitengewone Pensioenraad en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds zou worden overgedragen aan de PUR, voorzover dit materiaal betrekking heeft op de uitvoering van de door de PUR ten uitvoer te leggen wetten. De overgedragen dossiers waren zowel lopende als reeds afgesloten dossiers.

Hiermee is de PUR tevens zorgdrager geworden van deze dossiers.

2.1.4. Selectiedocument PUR = selectiedocument PUR en taakvoorgangers

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het BSD voor de PUR feitelijk een BSD is voor de huidige PUR en haar taakvoorgangers. Bij de opsomming van de handelingen wordt verder niet uitgesplitst welke instantie exact wat deed. Uit de hierboven beschreven taken van de taakvoorgangers is immers duidelijk op te maken op welke taakvelden deze voorgangers acteerden. De handelingen zijn daarnaast ook als ‘verzamelhandelingen’ geformuleerd: bepalingen die in de verschillende toepasselijke wetten overeenkomen, zijn steeds in een enkele handeling geclusterd. Dit bevordert het overzicht en vergemakkelijkt later ook de archiefselectie.

Voor wat betreft de secundaire, bedrijfsvoeringsondersteunende werkprocessen is een periodisering aangehouden vanaf 1990, aangezien de aan de PUR overgedragen dossiers vrijwel uitsluitend cliëntendossiers betroffen.

2.2. De huidige PUR

2.2.1. Organisatie

De Raad kent drie organen: bestuur, raadskamers en directeur (van de uitvoeringsorganisatie).

Bestuur

Het bestuur bestaat uit de voorzitters van de drie raadskamers, twee andere leden en de voorzitter. Het bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van de PUR. De voorzitters van de Raadskamers zijn lid van het bestuur. De directeur van de PUR is secretaris van het bestuur.

Raadskamers

In een Raadskamer hebben de voorzitter van de Raadskamer (benoemd door de Kroon) en de leden (benoemd door de Minister van VWS) zitting. De benoemde personen kunnen betrokken zijn bij de doelgroepen van de verschillende wetten.

Er zijn drie Raadskamers:

  • Raadskamer Wetten buitengewoon pensioen;

  • Raadskamer Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv);

  • Raadskamer Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo).

De Raadskamers zijn belast met:

  • het nemen van beslissingen op aanvragen en bezwaarschriften;

  • het voeren van verweer in beroepsprocedures;

  • het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de wetstoepassing;

  • het adviseren van het bestuur inzake voorgenomen (wijzigingen in de) regelgeving.

Een deel van de taken is gemandateerd aan de secretaris van het bestuur (de directeur van de uitvoeringsorganisatie).

Directeur

De PUR-uitvoeringsorganisatie staat onder leiding van een algemeen directeur (tevens secretaris van het bestuur en (formeel) algemeen secretaris van de Raadskamers).

2.2.2. Taken

Missie en doelen

Ten aanzien van missie en doelen van de PUR meldt de organisatie zelf het volgende:

‘De Pensioen- en Uitkeringsraad staat voor een goede toepassing en uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen die zijn ontstaan vanuit de maatschappelijke solidariteitsplicht en de ereschuld jegens getroffenen uit de Tweede Wereldoorlog.’

‘De Pensioen- en Uitkeringsraad wil de materiële zorg voor oorlogsgetroffenen en hun nabestaanden op een herkenbare en zorgvuldige manier tot aan de laatste getroffene uitvoeren met oog voor de individuele zorgbehoefte van de cliënt.’

‘De Raad wil:

  • met een krimpende organisatie de continuïteit, doelmatigheid, rechtmatigheid en kwaliteit van wetstoepassing en -⁠uitvoering handhaven en waar mogelijk verder verbeteren;

  • de uitvoering en toepassing van de wetten voor oorlogsgetroffenen in het eindperspectief veiligstellen;

  • inspelen op de behoeften van ouder wordende cliënten.’

Oorlogsgetroffenen

De Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) is verantwoordelijk voor de toepassing en uitvoering van Nederlandse wetten en regelingen die financiële ondersteuning bieden aan (ex-)Nederlanders die lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen als gevolg van de gebeurtenissen in Nederland of het voormalig Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Bersiap-periode (ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië van 15 augustus 1945 tot 27 december 1949) en hun nabestaanden.

Deze financiële ondersteuning kan bestaan uit: buitengewone pensioenen, uitkeringen, tegemoetkomingen en vergoedingen.

De slachtoffers worden in dit document ook wel aangeduid met de term ‘oorlogsgetroffenen’. Deze term is van toepassing op verschillende categorieën. Op basis van wet- en regelgeving is de volgende indeling te maken:

  • verzetsdeelnemers en zeelieden die slachtoffer zijn ingevolge hun eigen daad en houding;

  • vervolgden die slachtoffer zijn als gevolg van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, homoseksualiteit, Europese afkomst of Europese gezindheid;

  • slachtoffers van oorlogsgeweld.

Oorlogsgetroffenen zijn met name Nederlandse staatsburgers en personen uit het voormalige Nederlands-Indië. Personen die zich ten tijde van de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederlands standpunt beschouwd ‘onwaardig’ hebben gedragen, worden niet tot de ‘oorlogsgetroffenen’ gerekend.

2.2.3. Uitvoering wetten

De Pensioen- en Uitkeringsraad voert de volgende wetten uit:

  • Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp);

  • Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wbpzo);

  • Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv).

  • Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv);

  • Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo);

De administratieve uitvoering van de wetten buitengewoon pensioen is uitbesteed aan ABP/Loyalis (Heerlen). Ten aanzien van de toekenning van uitkeringen worden de volgende instanties ingeschakeld: Stichting Pelita, Stichting 1940–1945 en Stichting Joods Maatschappelijk Werk.

Naast het bovenstaande is de Raad ook belast met de uitvoering van de Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie naoorlogse generatie (Tvp), die in oktober 1994 in werking is getreden. Op grond van deze regeling kan de PUR een vergoeding verstrekken in de kosten van (maximaal negentig) behandelingen psychotherapie aan diegenen die problemen ondervinden in verband met hetgeen (een van) de ouders of andere opvoeders tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt.

Een deel van de uitvoering van deze regeling, namelijk het inhoudelijke onderzoek en advisering aan de PUR, wordt uitgevoerd door het Aanspreekpunt Na-oorlogse Generatie (ANG).

2.2.4. Werkwijze (hoofdlijn)

Om na te gaan of iemand erkend kan worden als vervolgingsslachtoffer, burgeroorlogsslachtoffer of verzetsdeelnemer (met andere woorden: of iemand wordt toegelaten tot de voor hem/haar van toepassing zijnde wet), verricht de Raad historisch onderzoek. In de meeste gevallen wordt door een derde instantie (Stichting Joods Maatschappelijk Werk, Pelita, Stichting 1940–1945) het verhaal van de persoon in kwestie opgetekend en/of van een advies of verklaring aan de PUR voorzien, waarna het wordt getoetst en beoordeeld door de PUR. Is de aanvrager toegelaten tot de wet, dan wordt een beslissing genomen over toekenning van pensioen, uitkering of voorziening. De documenten die uit voorgaande handelingen voortvloeien, worden bij elkaar bewaard in een zogenoemd ‘sociaal dossier’.

Middels een medisch onderzoek wordt vastgesteld in welke mate de desbetreffende persoon psychisch of lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de oorlog en de ongeregeldheden waarop de wetten betrekking hebben. De bescheiden die te maken hebben met de medische onderzoeken, komen terecht in een ‘medisch dossier’.

Ten slotte wordt het bedrag berekend waarop recht bestaat. De hoogte van de financiële ondersteuning is mede afhankelijk van de uitkomst van de sociale en medische onderzoeken. Ook voor deze categorie wordt telkens een afzonderlijk dossier gevormd, het ‘financiële dossier’.

Voor wat betreft de buitengewone pensioenen gelden in het algemeen ook nog de volgende bepalingen:

  • als een pensioenontvanger overlijdt, kunnen nabestaanden (weduwen, weduwnaars, geregistreerde partners) in aanmerking komen voor een pensioen; ook zijn er nabestaandenuitkeringen, en wel in het kader van de Wuv en Wubo (art 7 in beide wetten);

  • bij het overlijden van de pensioenontvanger krijgen nabestaanden extra pensioen als overlijdensuitkering;

  • minderjarige kinderen kunnen bij overlijden van de pensioenontvanger in aanmerking komen voor een buitengewoon wezenpensioen (dit geldt ook voor Wuv en Wubo).

Vergoeding van kosten die worden gemaakt in verband met de invaliditeit, kan worden toegekend als deze kosten niet door andere instanties worden vergoed (Wubo). In het kader van de Wbp en de Wuv gaat het om ‘kosten in verband met causale ziekten of gebreken’.

2.2.5. Toezicht

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is politiek verantwoordelijk, financier en toezichthouder.

De Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad en de uitvoeringswetten bevatten ook bepalingen ten aanzien van de toezichthoudende rol van de minister waaronder welzijn ressorteert. Deze rol komt met name als volgt tot uitdrukking:

  • de PUR zendt afschriften van beschikkingen naar de minister;

  • de PUR verschaft de minister de nodige en/of gevraagde inlichtingen over beleid, beleidsuitvoering en financiële zaken;

  • de minister benoemt personen in de organen van de PUR;

  • de minister kan ook een eigen vertegenwoordiger aanwijzen die aanwezig is bij vergaderingen van de PUR;

  • de ministers is bevoegd om PUR-besluiten goed te keuren, alsook de begroting en de jaarrekening.

3. Handelingen

3.1. Interne organisatie PUR

Organisatie

(1.)

Handeling: Het vaststellen van besluiten betreffende de inrichting van de PUR-uitvoeringsorganisatie

Periode: 1990–

Grondslag: Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 18, lid 1

Product: organisatiebesluiten

Waardering: B (4)

Personele aangelegenheden

(2.)

Handeling: Het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter van het bestuur en van de verschillende Raadskamers

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 6; Besluit Raadskamers, art. 3; Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad

Product: aanwijzingsbesluiten, p-dossiers

Waardering: V 10 jaar na einde benoeming

(3.)

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur van de PUR-uitvoeringsorganisatie

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 15, lid 1

Product: werving & selectieprocedure, p-dossiers (incl. benoemingsbeschikkingen, toewijzing studiefaciliteiten en functionerings- en beoordelingsgesprekken)

Waardering: V 10 jaar (na einde dienstverband)

(4.)

Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van medewerkers van de PUR-uitvoeringsorganisatie

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 15, lid 1

Product: werving & selectieprocedure, p-dossiers (incl. benoemingsbeschikkingen, toewijzing studiefaciliteiten en functionerings- en beoordelingsgesprekken)

Opmerking: Het voeren van het personeelsbeheer: alle administratie die voortvloeit uit het dienstverband van de individuele medewerkers.

Waardering: V 10 jaar (na einde dienstverband)

(5.)

Handeling: Het vaststellen van regels betreffende toekenning van vergoedingen aan bestuursleden en leden van de Raadskamers

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 13

Product: regelgeving

Waardering: B (5)

Interne regelgeving

(6.)

Handeling: Het vaststellen van regels betreffende de werkwijze van de organen van de PUR en van het bureau

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 7, lid 2, en art. 9

Product: bijv. Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stcrt. 1992, 98)

Waardering: B (5)

Opmerking: – Het reglement geeft – overigens in beknopte vorm – procedurevoorschriften voor de nadere regeling van de verhoudingen en contacten tussen de diverse organen van de PUR.

– Ook regels over bijv. de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur van de PUR (sinds 2000 – Stb. 2000, 74).

(7.)

Handeling: Het vaststellen van regels betreffende de interne mandatering van beschikkingsbevoegdheid

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 9, lid 2, sinds 1997: art. 12, lid 2

Product: Besluit mandaatbeslissingen (Stcrt. 1992, 44)

Waardering: V 10 jaar na vervanging

3.2. Algemene handelingen PUR

Bestuurs- en Raadskamervergaderingen, overleggen

(8.)

Handeling: Het voeren van bestuursoverleg

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad; Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad

Product: agenda’s, verslagen/notulen

Waardering: B (1, 5)

(9.)

Handeling: Het voeren van Raadskameroverleg

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad; Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad

Product: agenda’s, verslagen/notulen

Opmerking: In deze vergaderingen worden de beslissingen inzake toekenning e.d. genomen.

Waardering: B (1, 5)

(10.)

Handeling: Het voeren van management- en werkoverleg betreffende de werkzaamheden van het PUR-bureau

Periode: 1990–

Grondslag: Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad

Product: agenda’s, verslagen

Waardering: V 10 jaar

(11.)

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het werkterrein van de PUR waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij de PUR berust

Periode: 1990–

Product: agenda’s, verslagen

Waardering: V 5 jaar

(12.)

Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het werkterrein van de PUR waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat bij de PUR berust

Periode: 1990–

Product: agenda’s, verslagen

Opmerking: Bijv. Cliëntenraad.

Waardering: B (1, 5)

Verantwoording

(13.)

Handeling: Het opstellen van jaarverslagen

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 21

Product: jaarverslagen

Opmerking: De PUR zendt het jaarverslag aan de minister, die het aan de beide Kamers der Staten-Generaal zendt en het algemeen verkrijgbaar stelt.

Waardering: B (3)

(14.)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de kamers der Staten-Generaal ter zake van het beleid of de beleidsuitvoering van de PUR

Periode: 1990–

Opmerking: Het zal in de meeste gevallen gaan om aanlevering van informatie aan de verantwoordelijke minister.

Waardering: B (3)

Begroting, jaarrekening

(15.)

Handeling: Het vaststellen van de begroting, de jaarrekening en meerjarenramingen van de PUR

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 22, lid 1 en 2

Product: begrotingen, jaarrekeningen en meerjarenramingen

Opmerking: Eisen aan de begrotingen zijn geformuleerd in de Bekostigingsbesluiten Pensioen- en Uitkeringsraad.

Waardering: V 10 jaar, m.u.v. een exemplaar van het eindproduct

Privacy

(16.)

Handeling: Het vaststellen van een privacyreglement

Periode: 1993–

Grondslag: WPR

Product: Privacy-reglement persoonsregistratie Pensioen- en Uitkeringsraad (Stcrt. 1993, 14)

Waardering: V 10 jaar na vervanging

(17.)

Handeling: Het aan derden verstrekken van gegevens uit door de PUR bijgehouden registraties

Periode: 1993–

Grondslag: Privacy-reglement persoonsregistratie Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 7, lid 1, 2 en 3

Product: correspondentie, register

Opmerking: – Hiervan dient een register te worden bijgehouden.

– De betrokkene dient van verstrekking op de hoogte te worden gebracht.

Waardering: V 5 jaar

(18.)

Handeling: Het aan geregistreerden verlenen van inzage in hun gegevens

Periode: 1990–

Grondslag: Privacy-reglement persoonsregistratie Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 8, lid 1 en 2

Product: correspondentie

Opmerking: Op verzoek van geregistreerde kunnen gegevens worden verbeterd, aangevuld of verwijderd. Verzoek en verdere correspondentie: in cliëntdossiers.

Waardering: V 5 jaar

Voorlichting

(19.)

Handeling: Het geven van voorlichting over de Pensioen- en Uitkeringsraad en de werkzaamheden van deze raad

Periode: 1990–

Product: bijv. publicaties, bijeenkomsten, artikelen, internet-site

Opmerking: De eindproducten: bijv. brochures, ‘Kort Bestek’

Waardering: V 3 jaar, m.u.v. een exemplaar van het eindproduct

3.3. Beleidsuitvoering PUR, algemeen

(20.)

Handeling: Het aan de minister uitbrengen van adviezen over voorgenomen regelgeving met betrekking tot oorlogsgetroffenen

Periode: 1990–1997

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 12

Product: Adviezen

Opmerking: – Formele grondslag: tot 1997, als gevolg van de Aanpassingswet herziening adviesstelsel (Stb. 1997, 63). Handeling als zodanig is blijven bestaan.

– De Raadskamers adviseren op hun beurt het PUR-bestuur.

Waardering: B (1)

(21.)

Handeling: Het besluiten tot het door derden laten uitvoeren van werkzaamheden die voortvloeien uit door de PUR ten uitvoer te leggen wetten

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 16

Product: besluiten, overeenkomsten

Opmerking: Als derden kunnen worden genoemd de Stichting 1940–1945 (als betalende instantie van het Wbp-pensioen) en ABP/Loyalis.

Waardering: B (5)

(22.)

Handeling: Het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de toepassing en uitvoering van de door de PUR ten uitvoer te leggen wetten

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 12, lid 1

Product: beleidsregels

Waardering: B (1, 5)

(23.)

Handeling: Het periodiek plegen van overleg met besturen van organisaties en instellingen die betrokken zijn bij de uitvoering van de door de PUR ten uitvoer te leggen wetten

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 27

Product: agenda's, verslagen

Waardering: B (selectiecriterium 5)

3.4. Primaire werkprocessen PUR en taakvoorgangers

3.4.1. Toelating tot de wetten, erkenning

(24.)

Handeling: Het beslissen op een verzoek tot erkenning als deelnemer aan het verzet, vervolgde of getroffene door oorlogsgeweld

Periode: 1947–

Grondslag: o.a. Wbp, art. 24, lid 2, en art. 25, lid 4; Wiv, art. 26, lid 2, en art. 28, lid 4; Wuv, art. 22, lid 2; Wubo, art. 34

Product: sociaal rapport, NRK-rapport, NIOD-rapport, beschikkingen

Opmerking: In het kader van deze beslissing wordt een sociaal rapport opgesteld en wordt historisch onderzoek gedaan.

Waardering: B (6)

3.4.2. Aanvraag en toekenning pensioenen en uitkeringen

(25.)

Handeling: Het beslissen op een aanvraag om toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden

Periode: 1947–

Grondslag: o.a. Wbp, artt. 24 en 25; Wiv, art. 28, lid 3; Wbpzo, art. 22; Wuv, artt. 7 en 30–31; Wubo, artt. 7 en 38

Product: sociaal rapport, NRK-rapport, NIOD-rapport, beschikkingen

Opmerking: – In geval van een eerste aanvraag wordt altijd een doelgroeponderzoek gedaan.

– Met deze beslissing hangen samen: vaststelling van de grondslag en (voor zover van toepassing) van het vermogen, alsook een medisch onderzoek en een berekening van de hoogte van het toe te kennen bedrag (deze twee laatste zijn als afzonderlijke handelingen opgenomen).

– Er kan een pensioen worden toegekend aan weduwen, weduwnaars of geregistreerde partners, alsook aan minderjarig volle wezen, en wel indien de oorspronkelijke rechthebbende het leven heeft verloren in de oorlog of tijdens de ongeregeldheden, dan wel indien die persoon op het tijdstip van overlijden recht op buitengewoon pensioen of een uitkering had.

– Onder deze handeling valt ook de beëindiging van pensioen of uitkering, dan wel de beschikking ter zake van het vervallen verklaren of intrekken van het pensioen of de uitkering, dan wel het opnieuw toekennen ervan.

Waardering: B (6)

(26.)

Handeling: Het beslissen op een aanvraag om een toeslag ex artikel 19 Wubo

Periode: 1984–

Grondslag: Wubo, art. 19 en art. 35

Product: sociaal rapport, NRK-rapport, NIOD-rapport, beschikkingen

Opmerking: In geval van een eerste aanvraag wordt altijd een doelgroeponderzoek gedaan.

Waardering: B (6)

(27.)

Handeling: Het beslissen op een aanvraag om toekenning van een overlijdensuitkering aan nabestaanden van personen die een buitengewoon pensioen hebben ontvangen

Periode: 1947–

Grondslag: Wbp, art. 30a; Wiv, art. 34; Wbpzo, art. 27a

Product: beschikkingen

Waardering: B (6)

(28.)

Handeling: Het toekennen van een afkoopsom van een buitengewoon pensioen in geval van een nieuw huwelijk van een weduwe of weduwnaar van een oorlogsgetroffene

Periode: 1947–

Grondslag: Wbp, art. 28; Wbpzo, art. 25

Product: beschikkingen

Opmerking: Indien een nieuw huwelijk weer wordt ontbonden, kan weer aanspraak worden gemaakt op het oorspronkelijke buitengewoon pensioen.

Waardering: B (6)

3.4.3. Aanvraag en toekenning voorzieningen

(29.)

Handeling: Het beslissen op een aanvraag om toekenning van een voorziening (tegemoetkoming of vergoeding)

Periode: 1947–

Grondslag: o.a. Wbp, art. 11a; Wiv, art. 15; Wbpzo, art. 3, lid 6–8; Wuv, artt. 20–21 en art. 30; Wubo, artt. 32–33a

Product: sociaal rapport, NRK-rapport, NIOD-rapport, beschikkingen

Opmerking: – In bepaalde gevallen, namelijk indien de Raad dat nodig acht, kan voor een vergoeding of tegemoetkoming een sociaal rapport worden opgesteld. In geval van een eerste aanvraag wordt altijd een doelgroeponderzoek gedaan. Echter, het betreft meestal vervolgaanvragen.

– Voorzieningen worden ingetrokken als er geen kosten meer worden gemaakt.

Waardering: B (6)

3.4.4. Medisch onderzoek

(30.)

Handeling: Het (doen) verrichten van medisch onderzoek in het kader van een aanvraag van een oorlogsgetroffene om toekenning van een pensioen, uitkering of voorziening

Periode: 1947–

Grondslag: o.a. Wbp, art. 13; Wiv, artt. 18 en 21; Wuv, art. 58; Wubo, art. 37; Besluit ex artikel 11a Wbp, art. 5; Besluit ex artikel 13 Wbp; Besluit ex artikel 3 Wbpzo; Besluit ex artikel 18 Wiv

Product: medische dossiers

Opmerking: – Onder deze handeling vallen ook activiteiten als het aanwijzen van artsen of geneeskundig adviseurs en het aan hen toekennen van een vergoeding, het ten behoeve van medische observatie laten opnemen van een belanghebbende in een inrichting, het uitoefenen van toezicht op behandeling en verpleging, het vergoeden van gederfde inkomsten, enz.

– Er bestaan plannen voor het uitvoeren van een wetenschappelijk medisch onderzoek dat betrekking heeft op het causale verband tussen de Tweede Wereldoorlog en de ziekten en gebreken die daarmee samenhangen. Met het oog hierop is in de waardering een formulering opgenomen voor het van vernietiging uitzonderen van dossiers.

Waardering: V 10 jaar, m.u.v. steekproefdossiers voor wetenschappelijk onderzoek

3.4.5. Gelijkstelling

(31.)

Handeling: Het gelijkstellen van bepaalde personen met personen waarop de door de PUR ten uitvoer te leggen wetten van toepassing zijn

Periode: 1978–

Grondslag: Wiv, art. 3, lid 2; Wbpzo, art. 3, lid 5; Wuv, art. 3, lid 2; Wubo, art. 3, lid 6; Besluit ter uitvoering artikel 1 Wbp, art. 3

Product: beschikkingen

Opmerking: – De gelijkstelling is – behalve van de lotgevallen van een persoon – ook afhankelijk van de medische gevolgen en van de aanwezigheid van een materieel belang. Gelijkstelling kan dan ook pas plaatsvinden na medisch onderzoek.

– De gelijkstelling is een ‘anti-hardheidsbeslissing’: het uitsluiten van de toegang tot de wet zou een klaarblijkelijke hardheid zijn.

Waardering: B (6)

3.4.6. Berekening

(32.)

Handeling: Het berekenen van een bedrag als pensioen, uitkering of voorziening voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden

Periode: 1947–

Grondslag: Wbp, artt. 8–12, artt. 17–20, artt. 28 en 30a; Wiv, artt. 11–17, artt. 22–23; Wbpzo, artt. 8–12, artt. 17–20; Wuv, artt. 10–19 en art. 21; Wubo, artt. 13–31

Product: berekeningsbeschikkingen, betalingsbeschikkingen (in kader van betaling van voorzieningen) (in financiële dossiers)

Opmerking: Hieronder kunnen ook de berekeningen ten aanzien van overlijdensuitkering en afkoopsommen worden gevat.

Waardering: V 7 jaar

3.4.7. Uitbetaling pensioenen, uitkeringen en voorzieningen

(33.)

Handeling: Het doen betalen van buitengewone pensioenen, uitkeringen en voorzieningen

Periode: 1947–

Grondslag: Wbp, artt. 32–35; Wiv, artt. 37–40; Wbpzo, art. 29–31a; Wubo, art. 44a; Besluit ex artikel 32 Wbp, artt. 2–5; Wuv, art. 33

Product: correspondentie

Opmerking: – Hieronder valt ook de correspondentie met de Stichting 1940–1945 betreffende te betalen en betaalde pensioenen verleend uit hoofde van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en het verlenen van voorschotten aan deze stichting.

– De feitelijke betalingen (en daarbij horende documenten) vallen onder de financiële bedrijfsvoeringshandelingen.

Waardering: B (5)

3.4.8. Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie

(34.)

Handeling: Het beslissen op een aanvraag om toekenning van een vergoeding in de kosten van psychotherapeutische behandelingen

Periode: 1994–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 3, onder b; Tvp, art. 2

Product: beschikkingen

Opmerking: De PUR zendt van de beschikkingen een afschrift naar de minister van VWS.

Waardering: B (5, 6)

3.4.9. Bezwaar, beroep, klachten

(35.)

Handeling: Het behandelen van bezwaren tegen beschikkingen gegeven in het kader van de uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen

Periode: 1947–

Grondslag: Awb; Wbp, art. 37; Wbpzo, art. 33; Wiv, art. 44; Wuv, art. 42; Wubo, art. 54

Product: bezwaarschriftensets

Opmerking: De bezwaarschriftensets worden gevoegd in de sociale dossiers.

Waardering: B (5)

(36.)

Handeling: Het voeren van verweer in beroepszaken in verband met beschikkingen gegeven in het kader van de uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen

Periode: 1947–

Grondslag: Awb; Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 12, lid 1; Wbp, art. 38; Wiv, art. 45; Wbpzo, art. 34; Wuv, art. 44; Wubo, art. 56

Product: o.a. processtukken, contra-memorie, pleitnotitie

Opmerking: De beroepschriftensets worden gevoegd in de sociale dossiers.

Waardering: B (5)

(37.)

Handeling: Het vaststellen van een klachtenregeling

Periode: 1992–

Grondslag: Awb

Product: Klachtenregeling PUR

Waardering: V 10 jaar na vervanging

(38.)

Handeling: Het behandelen van klachten tegen de werkwijze van de PUR

Periode: 1992–

Grondslag: Klachtenregeling PUR

Product: klachtendossiers, register, publicaties

– Opmerking: Hiervan dient een register te worden bijgehouden.

– Ook de publicatie van klachten maakt onderdeel uit van deze handeling.

Waardering: V 5 jaar

3.5. Toezicht door de minister

(39.)

Handeling: Het aan de minister verantwoordelijk voor het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ verstrekken van door deze gevraagde inlichtingen omtrent beleid, beleidsuitvoering, wetstoepassing en bedrijfsvoering

Periode: 1990–

Grondslag: Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 18 en art. 20, lid 1

Product: verslagen, overzichten

Opmerking: – Het gaat om verstrekking van inlichtingen op verzoek van de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’. Het ter kennis brengen van besluiten en bepaalde beschikkingen, is een activiteit in het kader van de desbetreffende handeling.

– De inlichtingen kunnen ook financiële en daarmee samenhangende gegevens betreffen.

Waardering: V 5 jaar

3.6. Bedrijfsvoering

De PUR is een publiekrechtelijk ZBO. Dit betekent dat ook de documentaire neerslag van bedrijfsvoeringshandelingen alleen op grond van een vastgestelde selectielijst mag worden vernietigd.

In de onderstaande paragrafen zijn handelingen opgenomen betreffende:

  • personeel;

  • informatievoorziening;

  • organisatie;

  • financiën;

  • automatisering;

  • huisvesting.

Deze zogenoemde PIOFAH-handelingen zijn met het oog op de toepasbaarheid en werkbaarheid breed geformuleerd. Handelingen die eerder in het voorliggende document zijn geformuleerd (bijv. die welke zijn gebaseerd op de Wet op de PUR) komen hier niet terug.

3.6.1. Bedrijfsvoeringsbeleid

(40.)

Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en evalueren van het PUR-bedrijfsvoeringsbeleid

Periode: 1990–

Product: nota’s, rapporten, afdelingsplannen, interne regelingen, enz.

Opmerking: Het betreft de beleidsvorming en -vaststelling ten aanzien van personeel, informatievoorziening, organisatie, financiën, automatisering, huisvesting en overige facilitaire zaken.

Waardering: B (1)

3.6.2. Personeel

(41.)

Handeling: Het uitvoeren van het personeelsbeleid

Periode: 1990–

Product: planning, correspondentie, registraties

Opmerking: Bijv. op het gebied van arbo, ziekteverzuim en reïntegratie, tijd en verlofregistratie, werving en selectie (m.u.v. stukken die in personeelsdossiers thuishoren).

Waardering: V 5 jaar

3.6.3. Informatievoorziening, archiefbeheer

(42.)

Handeling: Het coördineren en uitvoeren van de werkzaamheden op het gebied van informatievoorziening en archiefbeheer

Periode: 1990–

Opmerking: Het betreft onder meer de werkzaamheden betreffende het dagelijkse archiefbeheer, post en bibliotheek en documentatie.

Waardering: V 5 jaar

(43.)

Handeling: Het (doen) vaststellen van selectiedocumenten, documentaire structuurplannen en archiefinventarissen

Periode: 1990–

Product: documentair structuurplan, inventaris

Waardering: B (5)

(44.)

Handeling: Het opstellen van wettelijk vereiste verklaringen betreffende het archiefbeheer

Periode: 1990–

Product: verklaringen

Opmerking: Genoemd kunnen worden: verklaringen van vervanging, van vervreemding, van overbrenging, van conversie of migratie, van vernietiging.

Waardering: B (5)

3.6.4. Organisatie

(45.)

Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van de administratieve en financiële organisatie

Periode: 1990–

Product: bijv. AO-handboek

Opmerking: Het kan gaan om zowel de vaststelling van een Handboek AO als om het afzonderlijke beheer van procedures en werkbeschrijvingen.

Waardering: V 5 jaar (na vervanging)

(46.)

Handeling: Het (laten) voorbereiden, uitvoeren en evalueren van een reorganisatie of wijziging van de organisatie

Periode: 1990–

Product: plannen, planningen, evalaties, enz.

Waardering: B (4)

3.6.5. Financiën

(47.)

Handeling: Het voeren en beheren van de financiële administratie

Periode: 1990–

Product: facturen, bankafschriften, bestelbonnen, contracten (incl. voortraject van offertes of aanbestedingen), financieel-beheersysteem

Opmerking: Er is een scheiding tussen de bedrijfsvoeringsadminstratie en de uitkeringenadministratie.

Waardering: V 7 jaar

3.6.6. Automatisering

(48.)

Handeling: Het (doen) voeren van het technisch beheer, het applicatiebeheer en het functioneel beheer van de interne systemen

Periode: 1990–

Product: correspondentie, SLA’s, rapportages, enz.

Opmerking: Inclusief het softwareconfiguratie- en licentiebeheer.

Waardering: V 5 jaar, m.u.v. broncodes V 50 jaar

3.6.7. Huisvesting en overige facilitaire zaken

(49.)

Handeling: Het (doen) uitvoeren van de facilitaire dienstverlening

Periode: 1990–

Product: bonnen, registraties, planningen, correspondentie

Opmerking: Onder deze noemer vallen:

– huisvesting;

– alle aanvragen voor facilitaire dienstverlening (bijv. reserveringen, toegangspasjes, kantoorbenodigdheden, meubilair, vergaderfaciliteiten, lunches, enz.);

– beveiliging/bewaking, receptietaken, schoonmaak, restauratieve services, reproductie, enz.

Waardering: V 2 jaar

4. Afkortingen

ANG: Aanspreekpunt Na-oorlogse Generatie

Awb: Algemene wet bestuursrecht

BSD: Basisselectiedocument

NIOD: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

NRK: Nederlandse Rode Kruis

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PUR: Pensioen- en Uitkeringsraad

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Tvp: Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie

VWS: Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WBP: Wet bescherming persoonsgegevens

Wbp: Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

Wbpzo: Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940–1945

Wiv: Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet

WPR: Wet persoonsregistraties

Wubo: Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

Wuv: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

5. Geraadpleegde bronnen

5.1. Wet- en regelgeving

Pensioen- en Uitkeringsraad

Wet van 27 juni 1990, houdende regeling van de organisatie van de toepassing en de uitvoering van de buitengewoon-pensioenwetten voor verzetsdeelnemers en zeelieden-oorlogsslachtoffers en de uitkeringswetten voor oorlogsgetroffenen alsmede wijziging van enige andere wetten (Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad) (Stb. 1990, 324) (herplaatsing: Stb. 1995, 412 en Stb. 2000, 75)

Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1991, 645)

Besluit Raadskamers (Stb. 1991, 677)

Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad 1996 (Stb. 1995, 585)

Aanpassingswet herziening adviesstelsel (Stb. 1997, 63)

Aanpassingswet derde tranche Awb I (Stb. 1997, 510)

Wet van 20 januari 2000 tot wijziging van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad in verband met de inwerkingtreding van de Aanwijzingen voor de regelgeving inzake zelfstandige bestuursorganen alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen (Stb. 2000, 74)

Door de PUR ten uitvoer te leggen wetten en daarmee samenhangende besluiten en regelingen

Basiswetten

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1947, H313; Stb. 1995, 409)

Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1947, H420; Stb. 1995, 411)

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1972, 669; Stb. 1995, 414)

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1984, 94; Stb. 1995, 413)

Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360; Stb. 1995, 410)

Afgeleide wet- en regelgeving

Besluit ex artikel 13 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1948, I 27)

Besluit ex artikel 32 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1948, I 28)

Besluit tot uitvoering van artikel 12 der Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1948, I 362)

Besluit ex artikel 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1949, J 418)

Besluit ex artikel 3 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1949, J 469)

Besluit tot uitvoering van het vijfde hoofdstuk der Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1951, 76)

Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1960, 226; Stb. 1964, 549; Stb. 1968, 596)

Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1971, 111)

Besluit ex artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1972, 99)

Besluit ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, houdende omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn (Stb. 1978, 422)

Besluit ex artikel 18 Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 596)

Kortingsbesluit WIV (Stb. 1989, 54)

Wijzigingsbesluit Besluit ter uitvoering artikel 1 Wet buitengewoon pensioen (Stb. 1993, 271)

Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie naoorlogse generatie (Stcrt. 1994, 198)

Wet herziening aanpassingssysteem wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1995, 570)

5.2. Andere schriftelijke bronnen

PUR-documenten

Mandaatregeling raadskamers Pensioen- en Uitkeringsraad (Stcrt. 1992, 44)

Reglement op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stcrt. 1992, 98)

Privacy-reglement persoonsregistratie Pensioen- en Uitkeringsraad (Stcrt. 1993, 14)

Overige

Tweede Kamerstukken, 1990–

5.3. Personen

PUR

Ab den Held (beleidsmedewerker/procesvertegenwoordiger Wuv en Wubo)

Jan de Niet (hoofd facilitaire dienstverlening)

Overig

Ynze Alkema (Doxis)

Arjan Poelwijk (Nationaal Archief)

Robin te Slaa (Nationaal Archief)