Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Cultuurbeheer 1945–2000 (Tweede Kamer der Staten-Generaal)

Geldend van 22-04-2006 t/m heden

Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000756, houdende vaststelling van een selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2143, gedaan in overeenstemming met de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

Gelet op artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995;

Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 16 maart 2006

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M.C. van der Laan

Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000

I. Toelichting behorend bij de selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000

1. Lijst van gebruikte afkortingen

Amvb Algemene maatregel van bestuur

Art artikel

EU Europese Unie

EEG Europese Economische Gemeenschap

EG Europese Gemeenschap

ICN Instituut Collectie Nederland

ICOM International Council of Museums

Kb Koninklijk besluit

NMV Nederlandse Museumvereniging

Nr nummer

Pb Publicatieblad

RAD Rijksarchiefdienst

RBK Rijksdienst Beeldende Kunst

Stb Staatsblad

Stcrt Staatscourant

WO-II Tweede Wereldoorlog

2. Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer

Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven.

Het culturele erfgoed valt te onderscheiden in:

  • 1. de Collectie Nederland. Deze valt weer te verdelen in:

    • culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van het Rijk en de lagere overheden zoals provincies en gemeenten. Hieronder wordt verstaan alles wat ooit door de overheid is verworven.

    • culturele voorwerpen onder beheer van de verzelfstandigde rijksmusea

    • culturele voorwerpen onder beheer van het ICN

  • 2. culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van de overige (meestal particuliere) musea

  • 3. culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van particuliere instellingen.

Het beleid van de overheid ten aanzien van deze collecties is verschillend. Zo is de overheid direct betrokken bij het beheer van de Collectie Nederland. De culturele voorwerpen van het Rijk werden, voor zover niet ingeschreven in de inventaris van de rijksmusea, voorheen beheerd door de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) hetgeen is overgenomen door het Instituut Collectie Nederland (ICN). De voormalige rijksmusea vielen voorheen onder de overheid maar zijn in 1995 verzelfstandigd en tot stichtingen omgevormd. Hierdoor zijn ze met name betreffende de bedrijfsvoering zelfstandig geworden. De financiering van deze stichtingen is echter nog steeds (grotendeels) in handen van de overheid en hun collecties zijn staatsbezit. De overheid is bij de particuliere musea en instellingen veel minder direct betrokken. De financiering gaat (deels) via de Mondriaan Stichting (die weer geld van de overheid krijgt) en verder bemoeit de overheid zich niet met deze instellingen.

Behalve het onderscheid tussen de bovengenoemde categorieën collecties kan er ook een onderscheid gemaakt worden tussen het cultuurbeheer op nationaal en internationaal niveau. Het nationale beleid van de overheid inzake het cultuurbeheer is begonnen als een reactie op de kunstroven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om geroofde stukken gemakkelijker terug te kunnen brengen, werden er internationale afspraken gemaakt, die niet binnen de afbakening van dit onderzoek vallen. De enige naoorlogse regelgeving in Nederland op het gebied van cultuurbeheer bestond uit het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977.1 Hierin werd bepaald dat de export van schilderijen met een waarde boven fl. 20.000 en alle overige kunstschatten met een waarde boven fl. 80.000 alleen was toegestaan met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Cultuur. De controle hierop was in handen van de ambtenaar der invoerrechten en accijnzen.2 Toen in 1980 de Wet inzake de financiële betrekkingen met het buitenland werd ingevoerd zijn deze beide besluiten vervallen.3 De lacune die hierdoor is ontstaan is door de Wet tot behoud van cultuurbezit (Stb. 1984/49) opgevuld. Deze wet bevat maatregelen die moeten voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis verloren gaan voor het Nederlandse cultuurbezit. Het gaat hierbij om voorwerpen in bezit van particuliere instellingen en private rechtspersonen. Voorwerpen uit de verzelfstandigde rijksmuseale collecties en voorwerpen in bezit van musea van lagere overheden vallen niet onder deze wet. Deze zijn immers eigendom van de overheid.

Bij de Wet tot behoud van cultuurbezit wordt uitgegaan van een lijst van beschermde cultuurgoederen.4 Culturele voorwerpen op deze lijst mogen het land niet uit opdat ze voor het Nederlandse erfgoed behouden blijven. Alleen met een vergunning van de overheid kunnen deze tijdelijk naar het buitenland worden gebracht. Voor de eigenaar van beschermde cultuurgoederen betekent plaatsing op de lijst aan de ene kant een beperking van vrijheid van handelen, maar aan de andere kant officiële erkenning van het culturele belang van zijn bezit en grotere kans op teruggave bij diefstal. De wet zal de sterk toegenomen aantallen diefstallen niet kunnen voorkomen, maar de meldingsplicht en de beschrijving die erin zijn voorzien vergemakkelijkt de opsporing van het gestolen voorwerp.

De basis voor het internationale beleid vormt de op 15 maart 1993 ingevoerde richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74). De daarmee samenhangende verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395) is op 30 maart in werking getreden. Deze regels zijn complementair. De verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen. De richtlijn regelt de teruggave van goederen die onrechtmatig buiten een Lidstaat zijn gebracht. Met behulp van deze regelingen zijn cultuurgoederen, die onder de Wet tot behoud van cultuurbezit vallen en het grondgebied van Nederland hebben verlaten, op betrekkelijk eenvoudige wijze terug te vorderen. Het voorgeschreven teruggavesysteem geldt uitsluitend tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU).

Om de achterstanden in collectiebeheer en -behoud bij musea en rijksarchieven in te lopen initieerde het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1990 het Deltaplan voor het Cultuurbehoud. Dit had een looptijd van 10 jaar.

Naast het behoud van het cultuurbezit in Nederland is er in de loop van de jaren negentig nog een andere kwestie bijgekomen, namelijk die van selectie. De depots van de archieven en de (rijks)musea zijn vol, waardoor selectie van de collecties noodzakelijk is geworden. De selectie van de overheidsarchieven heeft zijn vorm gekregen in het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT), dat in 1991 van start ging.

Over hoe selectie van de (rijks)museale collecties vorm moet krijgen wordt nog steeds nagedacht en gediscussieerd. Pogingen om te ‘ontzamelen’ of te ‘vervreemden’ van (rijks)museale werken heeft veel weerstand opgeroepen. Een belangrijke kwestie hierbij is het doel waarmee stukken worden afgestoten. Gebleken is dat er werken in de ‘verkoop’ zijn gedaan om met de opbrengst ervan het (rijks)museum op te knappen en niet om een collectie zelf te verbeteren. Een ander probleem is het selectieproces zelf. Een kleine groep bepaalt wat er afgestoten wordt, zij het altijd met de toestemming van de (rijks)museumdirecteur. Deze is namelijk door de Minister van Cultuur gemachtigd te bepalen wat wel en niet in de verkoop mag. Het ICN heeft hiervoor in 1999 een leiddraad opgesteld. Daarnaast heeft de International Council of Museums (ICOM) al in 1987 een (meer algemene) gedragslijn voor museale beroepsethiek ontwikkeld die ook in Nederland gevolgd wordt en waarvan in 1991 een Nederlandse vertaling is verschenen (door de Nederlandse Museumsvereniging NVM).

3. Actoren op het beleidsterrein cultuurbeheer

Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen

De Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen adviseert de Minister van Financiën omtrent verzoeken voor kwijtschelding van successierechten indien kunstvoorwerpen worden overgedragen aan de Staat. Deze verzoeken worden door een (rijks)museale instelling ingediend.

De commissie is per 1 januari 1997 ingesteld op basis van Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 en valt onder de Minister van Financiën. De commissie is gevestigd te Den Haag. Zij bestaat uit 3 leden, waarvan één de voorzitter is. Deze leden worden bij Kb benoemd en worden voorgedragen door de Minister van Financiën en de Minister van Cultuur. De vergaderingen van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen worden bijgewoond door het hoofd van het ICN, die een raadgevende stem heeft.

Adviescommissie van de Rijksdienst Beeldende Kunst

De taak van deze commissie (1985–1996) was het adviseren van de Minister van Cultuur bij het beslissen over de toekenning van de subsidie aan een (rijks)museale instelling voor de aankoop van een kunstwerk. Haar taak werd geregeld in de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van musea (Stb. 1985/104) en de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van kunstmusea (Stb. 1989/141). Zij was gevestigd in Den Haag.

Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit

In 1997 werd de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit ingesteld op basis van de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378). Deze commissie had als taak het aanbevelen van mogelijke bijstellingen van de Wet tot behoud van cultuurbezit. Zij voerde haar taak uit op basis van een evaluatie van de werking van de Wet tot behoud van cultuurbezit en op basis van verkenningen binnen de sector van het cultureel erfgoed. Hoewel de Raad voor Cultuur het adviescollege voor het cultuurbeleid is, is destijds besloten de evaluatie en herziening van Wet tot behoud van cultuurbezit door een onafhankelijke commissie te laten doen, omdat de Raad voor cultuur ook onder deze wet valt en hij zich anders zelf zou moeten beoordelen.

De adviestaak van de commissie was eenmalig en tijdelijk. Haar eindrapport zou voor 1 juli 1998 aan de Minister van Cultuur moeten worden uitgebracht. In 1998 werd deze datum verlengd tot 1 januari 1999. Daarna is de commissie opgeheven en zijn de archiefbescheiden overgebracht naar het Ministerie waaronder het cultuurbeheer valt. 5Deze commissie was gevestigd in Amsterdam.

Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

De Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten verplichtte het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds tot overdracht van een deel van het vermogen aan aan de instelling die de taken van het ABP overnam. De overdrachtssom werd bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die ten behoeve van de personeelsleden waren opgebouwd.

Algemene rijksarchivaris

Aan het hoofd van de Rijksarchiefdienst (RAD) staat de algemene rijksarchivaris. Deze dienst heeft als taken:

  • het beheer van de in de rijksarchiefbewaarplaatsen berustende archiefbescheiden. De dienst zorgt ervoor dat de archieven in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard blijven.

  • het toezicht op het beheer van de niet overgebrachte archiefbescheiden van de Hoge Colleges van Staat, het Kabinet der Koningin, de ministeries en de overheidsorganen bedoeld in art. 38 Archiefwet 1962 resp. art. 41 Archiefwet 1995.

  • het verrichten van door de Minister van Cultuur opgedragen taken.

Archiefraad

Met de invoering van de Archiefwet 1962 in 1968 werd de Archiefraad ingesteld. Deze had als taken:

  • het desgevraagd of uit eigen beweging geven van voorlichting aan de Minister van Cultuur betreffende het archiefwezen

  • het verrichten van werkzaamheden die door de Minister van Cultuur zijn opgedragen.

In 1990 ging de Archiefraad op in de Raad voor het Cultuurbeheer, later de raad voor Cultuur. De raad was gevestigd te Den Haag.

Arrondissementsbank Den Haag

De Arrondissementsbank Den Haag speelt een rol bij alle geschillen inzake voorwerpen die onder de Wet tot behoud cultuurbezit vallen. Hiervoor wordt advies ingewonnen van deskundigen.

Beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats6

In dit onderzoek worden hiermee de algemene rijksarchivaris (als beheerder van de algemene rijksarchiefbewaarplaats) en de rijksarchivarissen in de provincie bedoeld. De beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats zorgt ervoor dat de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat gebracht en bewaard worden en stelt ze beschikbaar aan onderzoekers. De Minister van Cultuur draagt als zorgdrager de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de rijksarchieven.

Benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur

Bij de instelling van de Raad voor cultuur verzocht de Minister van Cultuur de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur hem eenmalig te adviseren over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur of van commissies van de Raad voor cultuur. Daarna is deze adviestaak overgenomen door de Raad voor cultuur voor de periode 1995 tot 1997. Per 20 november 1996 is de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur wederom ingesteld met als taak het adviseren van de Minister van Cultuur over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur en zijn commissies. De commissie is gevestigd in Den Haag.

Bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten

Deze in 1993 ingestelde commissie adviseerde de Minister van Cultuur inzake bezwaren tegen de verzelfstandiging van de rijksmusea.

College van beroep voor de examens archivistiek A en B

Op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) was dit college bevoegd te beslissen op het beroep van een afgewezen kandidaat tegen het besluit van de examencommissie.

Commissie (normen objecten van culturele waarde)7

Op basis van de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34) zou een commissie worden ingesteld die de Minister van Cultuur zou moeten adviseren over de normen die in acht genomen moesten worden bij de aanwijzing van objecten van (bijzondere) culturele waarde. Daarnaast zou deze commissie de Minister van Cultuur en het hoofd van de RBK adviseren over andere zaken inzake objecten van culturele waarde. Deze commissie heeft echter nooit gefunctioneerd.8

Commissie Nota Archiefbeleid

De Commissie Nota Archiefbeleid werd in 1976 ingesteld door de Directeur-Generaal voor Culturele Zaken van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De opdracht aan de commissie luidde: een nota samen te stellen voor het toekomstig beleid van de rijksoverheid ten aanzien van het archiefwezen, die zou kunnen resulteren in een principiële herziening van de Archiefwet 1962 en het Archiefbesluit. De commissie stelde tal van subcommissies in voor deelstudies. Het werk van de commissie resulteerde in 1982 tenslotte in de Discussienota Archiefbeleid.

Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst9

De RBK werd bijgestaan door de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. Deze commissie werd op basis van de Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/91) in 1984 ingesteld om:

  • het hoofd van de RBK desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren over de wijze waarop de RBK het door Minister van Cultuur vastgestelde beleid uitvoerde, alsmede over de door de RBK op te stellen meerjarenplannen en de jaarlijkse taakstelling

  • de Minister van Cultuur desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren over het met betrekking tot de RBK te voeren beleid en het functioneren van de RBK.

In 1997 is de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst opgeheven. De commissie was gevestigd in Den Haag.

Commissie voor de bezwaar- en klaagschriften Raad voor Cultuur

Deze in 1999 ingestelde commissie adviseert de Raad voor Cultuur inzake bezwaar- en klaagschriften.

Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen

De Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De Commissie stelde richtlijnen voor het in bruikleen geven van verspreide kunstvoorwerpen in bezit van het Rijk vast. Daarnaast bepaalde de commissie welke voorwerpen van het Rijk kunstvoorwerpen waren. Met de instelling van de RBK werd de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd op basis van het Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De leiding van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen was opgedragen aan de Rijksinspecteur voor roerende monumenten. Met de instelling van de RBK werd de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen inventariseerde alle aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen, die niet in de inventaris van een (rijks)museale instelling waren ingeschreven. Daarnaast gaf de dienst deze voorwerpen in bruikleen en hield zij toezicht op deze voorwerpen. Hieronder vielen ook de voorwerpen die langer dan een jaar in bruikleen waren gegeven en in de inventaris van een rijksmuseale instelling waren ingeschreven.

Directeur van het Kabinet der Koningin

De Directeur van het Kabinet der Koningin is een zorgdrager in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de Hoge Colleges van Staat) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de minister van Cultuur, in overleg met de directeur van het Kabinet der Koningin.

Examencommissie

De examencommissie was op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) belast met het afnemen van examens archivistiek A en B.

Hoge Colleges van Staat

De Hoge Colleges van Staat zijn zorgdragers in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de directeur van het Kabinet der Koningin) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de minister van Cultuur, in overleg met de betrokken colleges.

Hoofdinspecteur van de Rijksarchiefinspectie

De Rijksarchiefinspectie (RAI) bestaat in de huidige vorm sinds 1 september 1997, als onderdeel van de Rijksarchiefdienst. In mei 2000 kreeg de Rijksarchiefinspectie een eigen hoofdinspecteur. De bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht werd door de Algemene Rijksarchivaris aan de hoofdinspecteur gemandateerd. In maart 2001 werd de Rijksarchiefinspectie bij wijziging van de Archiefwet (Stb. 2001, 131) formeel verzelfstandigd, en direct onder de SG van OCenW geplaatst.

Inspectie cultuurbezit

De Inspectie Cultuurbezit bestaat sinds 1993. Zij is begonnen als een afdeling van de RBK. In 1996 is zij organisatorisch van de RBK losgekoppeld en overgeheveld naar de departementale organisatie. Bij alle taken staat het behoud en de bescherming van het roerend cultureel erfgoed centraal. Zij is gevestigd te Den Haag.

De hoofdtaak van de Inspectie Cultuurbezit is toezicht houden op het behoud en beheer van een groot deel van het Nederlandse roerende cultuurbezit. Daarbij moet met name gedacht worden aan de collecties van de (verzelfstandigde rijks)musea en bepaalde waardevolle kerkelijke en andere particuliere kunstbezittingen in bezit van private rechtspersonen. Haar toezichtstaak bestaat uit:

  • het houden van toezicht op de naleving van de Wet tot behoud van cultuurbezit

  • het houden van toezicht op het museaal beheer van de rijkscollectie door verzelfstandigde rijksmuseale instellingen

  • het houden van toezicht op het museaal beheer door andere instellingen die zelfstandig een rijkscollectie beheren, voorzover het toezicht hierop is opgedragen aan de Inspectie Cultuurbezit

  • het houden van toezicht op het beheer van de rijkscollectie door het ICN

  • het houden van toezicht op het beheer van de rijkscollecties die onder de zorg van ministeries of andere overheidsinstellingen berusten

  • het houden van toezicht op de naleving van de Europese regelgeving betreffende de uitvoer van cultuurgoederen.

Voor deze taak legt de Inspectie Cultuurbezit rechtstreeks verantwoording af aan de voor cultuur verantwoordelijke bewindspersoon. Naast deze toezichtstaken voert de Inspectie Cultuurbezit de volgende activiteiten uit:

  • opsporing van bij of krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit strafbaar gesteld feiten. Hiervoor legt de Inspectie Cultuurbezit rechtstreeks verantwoording af aan het Openbaar Ministerie.

  • het verlenen van uitvoervergunningen voor bepaalde cultuurgoederen

  • het verlenen van toestemming voor bepaalde handelingen met betrekking tot beschermde cultuurgoederen

  • het desgevraagd ondersteunen van de Minister van Cultuur bij diens taken die voortvloeien uit de Wet tot behoud van cultuurbezit

  • het ondersteunen van de Minister van Cultuur bij recupereren van tijdens de Tweede Wereldoorlog gestolen dan wel illegaal weggevoerde kunstvoorwerpen

  • het maken van beschrijvingen van de collecties van te verzelfstandigen (rijks)museale diensten.

Instituut Collectie Nederland (ICN)

Het Instituut Collectie Nederland (ICN) is tot stand gekomen in 1997 als een fusie van de RBK, het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap en de Opleiding Restauratoren. Niet alle taken van de RBK zijn door het ICN overgenomen. De inspectietaak van de RBK is namelijk in 1996 overdragen aan de Inspectie Cultuurbezit. De andere taken zoals collectiebeheer, collectiemobiliteit en advies zijn naar het ICN gegaan.

Het ICN heeft hiermee de volgende taken:10

  • collectiebeheer waaronder wordt verstaan het beheer van dat deel van de Collectie Nederland dat niet in de inventarissen van rijksmusea staat vermeld. De zogenaamde BKR-collectie (Beeldende Kunstenaars Regeling) valt ook onder het beheer van het ICN.

  • collectiemobiliteit waaronder wordt verstaan dat de collectie van ICN wordt ingezet ter ondersteuning van de musea, via langdurige of kortlopende bruiklenen.

  • het geven van advies over cultuurhistorische waardestelling van voorwerpen en collecties. Daarnaast beantwoordt het ICN concrete vragen van collectiebeherende instellingen.

  • het verzamelen van kennis over het materiële behoud van cultuurgoederen

  • het geven van onderwijs zoals het opleiden van restauratoren en bijscholen van medewerkers van musea en andere collectiebeherende instellingen.11

Alle activiteiten van het ICN staan in het teken van het ondersteunen van de beheerders van cultureel erfgoed. Het ICN formuleert zijn taken in de volgende doelstelling: ‘Het Instituut Collectie Nederland is het centrale kennisinstituut voor collectiebehoud in Nederland. Het biedt aan alle verantwoordelijken voor openbaar en waardevol cultureel erfgoed op toepassing gerichte kennis en diensten aan, om de kwaliteit en effectiviteit van het materiële behoud en beheer van de Collectie Nederland te bevorderen… het Instituut Collectie Nederland: kennis voor beter beheer en behoud.’ 12Het ICN is hiermee met name een kennisinstituut.

Naast deze taken speelt het ICN een rol bij de selectie van de museale collecties. Met dit doel heeft de samen met de International Council of Museums (ICOM) een gedragslijn ontwikkeld die richtlijnen bevat wanneer een cultuurgoed wel of niet verkocht mag worden. Deze taak zal bij selectie van museale instellingen besproken worden. Het ICN is gevestigd te Amsterdam (kantoor) en Rijswijk (depot).

Minister van Binnenlandse Zaken

De Minister van Binnenlandse Zaken stelt elke vier jaar een verslag op over de doeltreffendheid en de effecten van de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378). Deze wet is voor het cultuurbeheer van toepassing op de Raad voor cultuur.

Minister van Cultuur

Met de actor de Minister van Cultuur worden achtereenvolgens bedoeld de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1945–1965), de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982), de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994) en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1994–). Aangezien cultuurbeheer in de periode 1945–2000 regelmatig van departement is veranderd is gekozen voor een meer neutrale aanduiding: de Minister van Cultuur.

Minister van Defensie

De minister van Defensie verstrekt subsidie aan (rijks)museale instellingen als het Legermuseum in Delft, het Marinemuseum in Den Helder en het Luchtvaart Museum in Soesterberg.

Minister van Financiën

Met betrekking tot het cultuurbeheer speelt de Minister van Financiën een rol in de kwijtschelding van successierechten indien kunstvoorwerpen worden overgedragen aan de Staat. Een verzoek hiertoe kan worden ingediend door een (rijks)museale instelling. Daarnaast speelt de Minister van Financiën een rol bij de indemniteitsregeling en het cultuurbeheer op internationaal niveau.

Minister van Justitie

De Minister van Justitie stelt samen met de Minister van Cultuur regels vast voor de overbrenging van notariële archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaatsen.

Minister van Verkeer en Waterstaat

De minister van Verkeer en Waterstaat had op grond van de archiefwetten van 1918 en 1962 enkele bevoegdheden ten aanzien van archiefbescheiden van waterschappen, veenschappen en veenpolders (vaststellen vernietigingslijst, machtigen tot incidentele vernietiging en vervreemding).

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

De Minister van Cultuur stelt in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer regels vast voor de bouw, verbouwing, inrichting, verandering van de inrichting en ingebruikneming van archiefbewaarplaatsen (art. 13 Archiefbesluit 1995).

Minister-President

De minister-president kan regels stellen op grond waarvan in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan worden afgeweken van hetgeen in de archiefwet is bepaald voor de vernietiging van archiefbescheiden.

Ministerraad

Beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden in archiefbewaarplaatsen kunnen in beginsel ten hoogste 75 jaar gelden. De Ministerraad kan evenwel bepalen dat archiefbescheiden waarop beperkingen aan de openbaarheid zijn gesteld met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten, langer dan 75 jaar niet-openbaar blijven.

Mondriaan Stichting

De Mondriaan Stichting is op basis van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in 1993 ingesteld en is de rechtsopvolger van de Stichting Stimuleringsfonds Beeldende Kunsten te Amsterdam. Zij is gevestigd te Amsterdam. Deze organisatie begeeft zich op een breed terrein. Haar doel is het bevorderen van de ontwikkeling van de beeldende kunst en vormgeving en het stimuleren van de kwaliteit van de uitoefening van museale activiteiten.13 Op het terrein van het cultuurbeheer bevordert zij de kwaliteit van de uitoefening van museale activiteiten. Concreet gaat het hierbij om financiële ondersteuning voor:14

  • collectiebehoud. Binnen het Deltaplan voor het Cultuurbehoud15 ondersteunt de Mondriaan Stichting actieve en passieve conservering van museale collecties van cultuurhistorisch belang. Bij passieve conservering gaat het om verbetering van de bewaaromstandigheden, bij actieve conservering om projecten die het verval van objecten zelf een halt toeroepen of afremmen. Daarnaast geeft zij bijdragen aan ondersteunende activiteiten zoals kosten van vooronderzoek en deskundigheidsbevordering.

  • participatie- en educatieprojecten. De stichting wil bevorderen dat musea naast aandacht voor de inhoudelijke kwaliteit van museale projecten tevens aandacht hebben voor participatie door en educatie van het publiek.

  • aankoop van moderne beeldende kunst en vormgeving.

  • afstemming met de Collectie Nederland. Hiermee moet de onderlinge afstemming van museale collecties worden gestimuleerd.

  • internationale museale uitwisselingen. Hierbij moet worden gedacht aan het bevorderen van de bekendheid van Nederlandse museale collecties in het buitenland en het in Nederland tonen van belangrijke buitenlandse collecties.

  • museaal kunsthistorisch onderzoek.

De Mondriaan Stichting geeft subsidie aan projecten van de musea die niet structureel worden gesubsidieerd door de Minister van Cultuur, vrijwel alle niet-rijksmusea.16 De (verzelfstandigde) rijksmusea vallen dus buiten het werkveld van de stichting.

De Minister van Cultuur heeft door middel van de Cultuurnota-procedure zeggenschap over het beleid en het instrumentarium van de Mondriaan Stichting. Verder heeft de rol van de Minister van Cultuur vooral betrekking op benoemen, ontslaan van bestuursleden, het goedkeuren van regelingen van de stichting en de eventuele ontbinding van de stichting. Met de beslissingen ten aanzien van de individuele subsidie-uitkeringen van de stichting bemoeit de minister zich niet. Zie voor de handelingen betreffende de Mondriaan Stichting ook het RIO Volgens de regelen der kunst besproken.17

Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie kan overgaan tot vervolging van bij of krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit strafbaar gestelde feiten. Daarnaast speelt het OM een rol bij de handhaving van de Verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395). Deze verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen.

Raad voor Cultuur

Op basis van de Wet van 26 oktober 1995 (Stb. 1995/539)18 zijn in 1995 de Raad voor het cultuurbeheer, de Raad voor de Kunst, de Mediaraad en de RABIN samengevoegd tot één adviesorgaan: de Raad voor Cultuur.19 Per 1 januari 1997 is het adviesstelsel in Nederland herzien. Veel adviescolleges zijn opgeheven en opnieuw ingesteld. De Raad voor cultuur is op basis van de Herzieningswet adviesstelsel (Stb. 1996/377) opgeheven en vervolgens op basis van art. XXII van de Aanpassingswet herzieningswet adviesstelsel (Stb. 1997/63)20 opnieuw ingesteld. Daarnaast is de wet- en regelgeving betreffende dit adviescollege herzien en valt deze per 1 januari 1997 grotendeels onder de Kaderwet adviesstelsel (Stb. 1996/378) en het Vergoedingenbesluit adviescolleges (Stb. 1996/583).

De Raad voor cultuur adviseert over algemeen verbindende voorschriften of het te voeren beleid van het Rijk op het terrein van het cultuurbeheer. Deze aanbevelingen wordt gegeven op aanvraag of op eigen initiatief. De Raad voor cultuur geeft desgevraagd advies aan de Minister van Cultuur, de Staten-Generaal of de Ministers wie het mede aangaat over het cultuurbeleid van het Rijk. Daarnaast geeft hij uit eigen beweging advies aan de Minister van Cultuur of de Ministers wie het mede aangaat over ontwikkelingen die verband houden met het cultuurbeleid van het Rijk. Het advies heeft betrekking op verschillende niveaus:21

  • bovensectoraal niveau: over onderwerpen die van algemeen belang zijn voor verschillende sectoren, zoals bijvoorbeeld cultuurpolitieke uitgangspunten of subsidiesystematiek

  • sectoraal niveau: over onderwerpen en ontwikkelingen binnen een specifieke sector, zoals bijvoorbeeld archiefselectiemethodes

  • instellingsniveau: over het al dan niet verstrekken van meerjarige subsidies aan specifieke instellingen. Het toekennen van deze subsidies gebeurt eens in de vier jaar (hetgeen is vastgelegd in de Cultuurnota) en bestrijkt alle sectoren

  • uitvoeringsniveau: over aanvragen voor plaatsing op de Monumentenlijst, over Archiefselectie en in het kader van de Wet tot behoud van cultuurbezit

De Raad voor cultuur wil hiermee de ontwikkeling van cultuur stimuleren, het behoud van waardevol cultureel erfgoed bevorderen, de betrokkenheid bij cultuur vergroten en de vrijheid van expressie en communicatie waarborgen. Hij adviseert vanuit een zelfstandige en onafhankelijke positie ten opzichte van het Ministerie waaronder het cultuurbeheer valt en het culturele veld. Ter uitvoering van zijn taak kan de Raad voor cultuur zich voor informatie wenden tot andere adviesorganen, bestuursorganen alsmede andere organisaties en personen. Adviezen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Leden met een afwijkende mening kunnen hun standpunt in een afzonderlijke nota bij het advies voegen. De leden van de Raad voor cultuur worden per Kb benoemd. De organisatie is gevestigd te Den Haag.

Raad voor de Kunst

Op het terrein van het cultuurbeheer was de Raad voor de Kunst (1989–1992) o.a. belast met het adviseren van de Minister van Cultuur bij het beslissen over de toekenning van de subsidie voor de aankoop van een kunstwerk en het voordragen van leden van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. De Raad voor de Kunst is beschreven in het RIO Volgens de regelen der kunst.

Raad voor het Cultuurbeheer

De advisering op het terrein van cultuurbeheer was verdeeld over diverse adviesorganen, zoals o.m. de Monumentenraad, de Archiefraad en de Rijkscommissie voor de musea.22 In 1990 werd een vast college van advies ingesteld waarin de advisering over het beleid op het terrein van de archeologie, de archieven, de monumenten en de musea werd samengevoegd. Dit college, de Raad voor het cultuurbeheer geheten, had de taken van de Rijkscommissie voor de musea overgenomen. Tevens verving de Raad voor het Cultuurbeheer de Monumentenraad en de Archiefraad.23

De Raad voor het cultuurbeheer bestond uit vier afdelingen:

  • Afdeling I: de Rijkscommissie voor de archeologie

  • Afdeling II: de Rijkscommissie voor de archieven

  • Afdeling III: de Rijkscommissie voor de monumenten

  • Afdeling IV: de Rijkscommissie voor de musea

De bevoegdheid advies uit te brengen berustte bij de Raad voor het cultuurbeheer, maar een Afdeling ervan bereidde de adviezen voor. De Raad voor het cultuurbeheer kon bepalen dat een Afdeling bevoegd was rechtstreeks aan de Minister van Cultuur advies uit te brengen. De leden van de Raad voor het cultuurbeheer werden per Kb benoemd. De organisatie was gevestigd te Den Haag. In 1995 ging het adviesorgaan op in de Raad voor Cultuur.

Rechtbank

Op grond van richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74) kan de rechtbank de teruggave van het ontvreemde cultuurgoed gelasten. De rechtbank kan ook een vergoeding toekennen aan de bezitter van het ontvreemde cultuurgoed bij terugvordering. De bezitter moet dan bij verwerving van het ontvreemde cultuurgoed de nodige zorgvuldigheid hebben betracht.

Rijkscommissie voor de musea

In 1946 werd de Voorlopige Monumentenraad ingesteld waarin o.m. de voorheen zelfstandige Rijkscommissie voor de musea werd opgenomen. 24In 1961 werd de Monumentenraad ingesteld die net als zijn voorganger uit vijf afdelingen bestond waaronder de Rijkscommissie voor de musea. In 1990 werd de Monumentenraad opgeheven. Haar taken (en ook die van de Rijkscommissie voor de musea) werden overgenomen door de Raad voor het Cultuurbeheer. Zij was gevestigd te Den Haag.

  • De taken van de Rijkscommissie voor de musea omvatten het desgevraagd of uit eigener beweging adviseren van de Minister van Cultuur inzake vraagstukken betreffende de Nederlandse musea.25 Deze vraagstukken kunnen van algemene aard zijn en dus het totale Nederlandse museumbestel of sectoren daarvan betreffen, ze kunnen ook betrekking hebben op afzonderlijke instellingen of zelfs personen (voorgenomen benoemingen; voordrachten voor onderscheidingen). Aan de hand van de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet tot behoud cultuurbezit adviseert de Rijkscommissie voor de Musea de Minister van Cultuur:

  • over aanwijzing van beschermde voorwerpen

  • in geval dat de Minister van Cultuur toestemming verleent om een beschermd voorwerp buiten Nederland te brengen

  • in geval dat de Minister van Cultuur bezwaar maakt tegen vervreemding

  • bij het stellen van nadere regelen bij Amvb.

Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK)

De Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) werd per 1 januari 1985 ingesteld als de opvolger van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen. In 1997 werd de dienst na de eerdere afsplitsing van de Inspectie Cultuurbezit opgeheven. Hij was gevestigd te Den Haag.

De RBK kende sinds de laatste reorganisatie per 1 januari 1993 drie onderdelen:

  • de afdeling collectiebeheer, die verantwoordelijk is voor het beheer en behoud van voorwerpen in rijkseigendom, die niet tot de inventaris van de verzelfstandigde rijksmuseale instellingen behoren

  • de afdeling inspectie die toezicht houdt op het beheer van de aan de verzelfstandigde rijksmuseale instellingen in bruikleen gegeven rijkscollecties en op de voorwerpen waarop de Wet behoud cultuurbezit betrekking heeft, alsmede een aantal kleinere taken

  • de afdeling advies die zich richt op het bepalen van de cultuurhistorische waarde van voorwerpen en collecties.

De RBK was op basis van het besluit van DGCZ van 18 december 1992, DBC-U-925038 bevoegd tot het verstrekken van vergunningen voor de uitvoer van cultuurgoederen buiten het grondgebied van (een lidstaat van) de EU of van een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

In 1996 is in verband met de in 1994/1995 voltooide verzelfstandiging van de Rijksmusea de Inspectie Cultuurbezit opgericht. Het bleek niet wenselijk de inspectietaak nog langer samen met de beheerstaak in één instelling onder te brengen. Daarom is besloten de afdeling Inspectie als een zelfstandige eenheid binnen het departement van de Minister van OCenW onder te brengen. Op deze wijze wordt de gewenste scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht op het beleidsterrein van het roerend cultureel erfgoed zoveel mogelijk gerealiseerd. De andere taken van de RBK zijn bij het ICN ondergebracht, samen met die van het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschappen (CLO) en die van de Opleiding Restauratoren (OR).

(Rijks)museale instellingen

Dit zijn respectievelijk: het Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde ‘Museum Boerhaave’ te Leiden, het Rijksmuseum Het Catharijneconvent, museum voor de christelijke Cultuur in Nederland te Utrecht, de Rijksdienst Kastelenbeheer te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo, het Koninklijk Kabinet van Schilderijen ‘Mauritshuis’ te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (Museum van het Boek) te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Hendrik Willem Mesdag te ’s-⁠Gravenhage, het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden, het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, het Rijksmuseum Paleis Het Loo te Apeldoorn, het Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet te Leiden, het Rijksmuseum te Amsterdam, het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam, het Rijksmuseum Twenthe, museum voor kunst- en cultuurgeschiedenis te Enschede, het Rijksmuseum Vincent van Gogh te Amsterdam, het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden, het Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap te Amsterdam, de Opleiding Restauratoren te Amsterdam, het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ’s-Gravenhage en de Rijksdienst Beeldende Kunst te ’s-Gravenhage.26

Tot 1993 vielen de rijksmusea onder de Minister van Cultuur. In 1993 zijn ze verzelfstandigd in de vorm van stichtingen. De rijksverantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de rijksmusea is hierbij niet in het geding.27 Net zo min als de collecties en gebouwen die rijkseigendom blijven. Daarnaast hebben de musea hun ‘eigen deel’ van de rijkscollectie in beheer gekregen via beheersovereenkomsten. Hierin is vastgelegd dat het toezicht namens de Staat op het beheer van deze collecties gehouden wordt door de Inspectie Cultuurbezit. De rijksmusea worden nog steeds grotendeels door de Minister van Cultuur bekostigd. De bekostiging van de verzelfstandigde rijksmusea vindt plaats op basis van vierjarige beleidsplannen, gekoppeld aan de Cultuurnota.

Het doel van de verzelfstandiging was de rijksmusea bedrijfsmatige zelfstandigheid te geven. Het personeel van de verzelfstandigde rijksmusea komt in dienst van de respectievelijke stichtingen en heeft niet langer de status van ambtenaar. Met de invoering van de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398) zijn de rijksmuseale instellingen vanaf 1994 autonoom in (de ontwikkeling van) hun beleidsformulering. Wel wordt verwacht dat zij rekenschap geven van het beleid zoals dat door de Minister van Cultuur – hetzij als eigenaar van de collecties en als subsidiegever of alleen als subsidiegever – wordt geformuleerd. Als gevolg van de verzelfstandiging hebben sommige rijksmusea het voorvoegsel ‘rijks’ laten vallen.

Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II

In 1997 werd een proefonderzoek gestart naar de herkomst van de collectie Nederlands Kunstbezit, de zogeheten NK-collectie. De NK-collectie bevat die kunstvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog zijn gerecupereerd en om uiteenlopende redenen niet aan de oorspronkelijke rechthebbenden zijn of konden worden teruggegeven. Deze collectie wordt sinds 1949 door de rijksoverheid (het ICN) beheerd. Naar aanleiding van het proefonderzoek is besloten de hele NK-collectie op herkomstgeschiedenis te laten onderzoeken. De feitelijke onderzoekswerkzaamheden worden gedaan door het Projectbureau Herkomst Gezocht, dat organisatorisch wordt aangestuurd door de Inspectie Cultuurbezit. Daarnaast is er het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II ingesteld. Deze commissie heeft als taak:

  • het begeleiden van onderzoek naar de herkomst van de kunstvoorwerpen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog onder het beheer van het Rijk zijn gekomen

  • de Minister van Cultuur op grond van de resultaten van dat onderzoek te adviseren over het te voeren beleid inzake deze kunstvoorwerpen

Vanwege de directe betrokkenheid van de rijksoverheid bij de collectie (als beheerder van de collectie) is het nodig gebleken om een onafhankelijke adviescommissie in te stellen: het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie leden die worden bijgestaan door een secretariaat. Het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II streeft ernaar haar advies voor 1 januari 2002 uit te brengen, waarna zij wordt opgeheven. Zij is gevestigd te Den Haag.

Universiteiten

Op basis van de Regeling financiële ondersteuning van het behoud van de universitaire collecties (1997) kunnen universiteiten een behoudsaanvraag van de universitaire collecties indienen bij de Mondriaan Stichting. De Minister van Cultuur beoogt duurzame verbetering van de behoudstaak in de Nederlandse universitaire instellingen te bevorderen en een bijdrage te leveren aan het wegwerken van achterstanden in passieve en actieve conservering van collecties die een belangrijk onderdeel vormen van de Collectie Nederland.

Vakminister

De actor Vakminister (dit zijn alle ministers) speelt een rol inzake het cultuurbeheer als zorgdrager van culturele voorwerpen en van archiefbescheiden.

Zorgdrager

Zorgdrager is een archiefwettelijk begrip, dat aangeeft welke overheidsorganen met de bestuurlijke zorg voor archiefbescheiden zijn belast. Dit zijn (op grond van de Archiefwet 1995):

  • organen van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld;

  • andere personen of colleges met openbaar gezag bekleed.

In dit rapport worden alleen de handelingen meegenomen van zorgdragers die deel uit maken van de rijksoverheid. Naast de ministers zijn dit de Hoge Colleges van Staat en de directeur van het Kabinet der Koningin.

4. Doelstelling van de selectie en selectiecriteria

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren (dat wil zeggen naar de Rijksarchiefdienst over te brengen) en de (op termijn) te vernietigen gegevens van de bedoelde organen.

De te bewaren gegevens moeten een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk maken.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein cultuurbeheer op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum van de bescheiden of na afdoening van de neerslag, tenzij anders vermeld.

Selectiecriteria

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. De nieuwe selectiecriteria onderscheiden zich van de oude criteria door een streven naar een duidelijker en eenduidige redactie van de formulering van de nieuwe criteria, teneinde de werkbaarheid te vergroten.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria.

De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden.

De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

De volgende algemene selectiecriteria worden gehanteerd

Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. Binnen het beleidsterrein cultuurbeheer is de noodzaak hiertoe niet aanwezig geacht.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

5. Vaststelling van de selectielijst

In juni 2003 is de ontwerp-selectielijst door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze deze ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 juli 2003 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en het Archievenblad.

Op 18 december 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De selectielijsten

Het voorliggende Basisselectiedocument Cultuurbeheer bestaat uit een aantal selectielijsten in de zin van de Archiefwet 1995. De gewaardeerde handelingen van alle actoren die onder één zorgdrager vallen vormen samen een selectielijst.

In het onderstaande overzicht worden alle zorgdragers genoemd waarvan een selectielijst is opgenomen in dit BSD, met de onder hen ressorterende actoren vallen waarvoor de lijst wordt vastgesteld.

Daarnaast is een aantal andere zorgdragers actief op dit beleidsterrein die wel in het actorenoverzicht zijn genoemd, maar waarvan geen selectielijst is opgenomen in dit BSD. Het gaat hierbij deels om instellingen waarvoor de selectielijst bij ministerieel Besluit wordt vastgesteld (o.a. Minister van OCW, ICN), en deels om overheidsorganen en ZBO’s die deze lijst (nog) niet zullen vaststellen (o.a. Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, Openbaar Ministerie, Rechtbanken, rijksmuseale instellingen).

Overzicht van de zorgdragers voor wie dit BSD wordt vastgesteld, met de onder hen ressorterende actoren:

Nationale Ombudsman

  • Hoog College van Staat

  • Vakminister

  • Zorgdrager

Hoge Raad van Adel

  • Hoog College van Staat

  • Vakminister

  • Zorgdrager

Tweede Kamer der Staten Generaal

  • Hoog College van Staat

  • Vakminister

  • Zorgdrager

De handelingen van deze selectielijst zijn doorlopend genummerd. Aangegeven worden:

nr: dit is het corresponderende nummer van de handeling binnen het RIO

Actor

Handeling

Periode

Grondslag

Produkt

Waardering: door middel van plaatsing van de letters B en V wordt een Waardering: gegeven voor het ‘Bewaren’ dan wel ‘ Vernietigen’ van de neerslag van de handeling. Bij de handelingen die met een B gewaardeerd zijn wordt het selectiecriterium vermeld dat tot dat voorstel geleid heeft. De te bewaren neerslag dient na afloop van de overbrengingstermijn overgebracht te worden naar de Rijksarchiefdienst in goede, geordende en toegankelijke staat. Bij de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt zo mogelijk de termijn aangegeven, waarna de vernietiging kan plaatsvinden.

Ii. selectielijst voor de handelingen van de tweede kamer der staten-generaal op het beleidsterrein cultuurbeheer over de periode 1945–2000

364.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het ontwerp van een vernietigingslijst

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 3 sub a

Product: Beschikking, brief

Opmerking: De vernietigingslijst wordt vastgesteld bij Kb.

Voorstel: B 5

375.

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Cultuur over het voorbereiden van het vaststellen van een selectielijst

Periode: 1996–

Grondslag: Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 5 lid 2 sub a

Product: Beschikking, brief

Voorstel: B 5

392.

Handeling: Het (mede-)voorbereiden van een KB waarbij het gedeelte van het eigen archief wordt aangewezen dat naar een rijksarchiefbewaarplaats moet worden overgebracht.

Periode: 1945–1968

Grondslag: Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Wet van 14 mei 1928 (Stb. 1928/177): art. 11

Product: Notulen, correspondentie

Opmerking: Hierbij wordt een tijdstip vastgesteld, waarbij geldt dat archieven die dateren van vóór dit tijdstip, overgebracht moeten worden. De vaststelling gebeurt bij Kb op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Cultuur.

Voorstel: B 5

Vakminister

27.

Handeling: Het opgeven van de aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen die in het departement aanwezig zijn

Periode: 1949–1985

Grondslag: Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen: art. 6

Product: Lijst, correspondentie

Opmerking: Deze werden opgegeven aan de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen.

Voorstel: V 10 jaar na vervanging van de opgave

33.

Handeling: Het maken van bezwaar bij de Minister van Cultuur tegen de aanwijzing van roerende zaken van het Rijk als objecten van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 3 lid 2

Product: Bezwaarschrift

Opmerking: Het bezwaar moest binnen drie maanden gemaakt worden na de aanwijzing.

Voorstel: V 20 jaar

41.

Handeling: Het (tijdelijk) overdragen van de zorg voor een object van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 6, art. 8

Product: Beschikking, brief

Opmerking: Wanneer het een overdracht betrof voor langer dan een jaar of tot wederopzegging werd vooraf schriftelijk mededeling gedaan aan het hoofd van de RBK. Deze diende hiermee in te stemmen.

Voorstel: V 20 jaar

43.

Handeling: Het te kennen geven de zorg voor een object van culturele waarde blijvend over te willen dragen aan de Minister van Cultuur

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 9

Product: Brief

Opmerking: De Minister van Cultuur was verplicht de zorg hiervan over te nemen.

Voorstel: V 20 jaar

44.

Handeling: Het mededelen aan de RBK van verlies of vermissing van een object van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 10

Product: Brief

Voorstel: V 20 jaar

49.

Handeling: Het overleggen met de Minister van Cultuur over de overname van de zorg voor objecten van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 13 lid 2

Product: Notulen, correspondentie

Opmerking: Het ging hierbij om de gevallen waarin de gestelde eisen aan de zorg voor objecten van culturele waarde niet nageleefd werden en de Minister van Cultuur de zorg ervan overnam.

Voorstel: V 20 jaar

51.

Handeling: Het, in overleg met de RBK, opgeven van de objecten van culturele waarde die door of namens hem verworven zijn

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 18 lid

Product: Opgave, notulen, correspondentie

Opmerking: Deze opgave werd éénmaal in de drie jaar aan de Minister van Cultuur gedaan. Dit was ook van toepassing op de in hoofdstuk II van de Rijksbegroting opgenomen instanties.

Voorstel: V 10 jaar

380.

Handeling: Het machtigen tot vernietiging van archiefbescheiden van rijksoverheidsorganen, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris of de rijksarchivaris in de provincie in

Periode: 1945–1968

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 1, Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 4 sub b en c

Product: Machtiging

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die nog niet naar een rijksarchiefbewaarplaats waren overgebracht en die niet vermeld stonden op een vernietigingslijst.

Voorstel: B 5

385.

Handeling: Het machtigen tot vernietiging van archiefbescheiden van openbare lichamen, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub h

Product: Machtiging

Opmerking: Het gaat hierbij om archiefbescheiden die nog niet in vernietigingslijsten zijn omschreven dan wel daarvoor niet in aanmerking komen. Onder vakminister wordt hier begrepen de minister die betrokken was bij de instelling of erkenning van het openbaar lichaam.

Voorstel: B 5

391.

Handeling: Het (mede-)voorbereiden van een KB waarbij het gedeelte van het eigen archief wordt aangewezen dat naar een rijksarchiefbewaarplaats moet worden overgebracht.

Periode: 1945–1968

Grondslag: Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Wet van den 14den mei 1928 (Stb. 1928/177): art. 11

Product: Kb

Opmerking: Hierbij wordt een tijdstip vastgesteld, waarbij geldt dat archieven die dateren van vóór dit tijdstip, overgebracht moeten worden. De vaststelling gebeurt bij Kb op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Cultuur en de vakminister.

Voorstel: B 5

438.

Handeling: Het machtigen tot vervreemding, respectievelijk ruiling van archiefbescheiden van andere organen dan genoemd in art. 3 lid 3 sub a–g van het Archiefbesluit (Stb. 1968/200), tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub h j° art. 8 lid 2

Product: Machtiging, brief

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die niet in een rijksarchiefbewaarplaats berustten.

Voorstel: B 5

Zorgdragers

354.

Handeling: Het machtigen van de algemene rijksarchivaris of de rijksarchivaris in de provincie tot vernietiging van in een rijksarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378): art. 2, Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 4

Product: Machtiging, brief

Opmerking: De toestemming van de (voormalige) zorgdrager is vanaf 1968 vereist.

Voorstel: V 10 jaar

355.

Handeling: Het machtigen van de Minister van Cultuur tot vernietiging van in een rijksarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden

Periode: 1996–

Grondslag: Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 6

Product: Machtiging, brief

Voorstel: V 10 jaar

612.

Handeling: Het opstelling van een verklaring van vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden

Periode: 1968–

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200), art. 3 lid 2

Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276), art. 7

Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995/671), art. 2, 6 en 8

Voorstel: V 10 jaar

613.

Handeling: Het opstelling van een verklaring van vervanging van archiefbescheiden die volgens de selectielijst voor blijvende bewaring in aanmerking komen

Periode: 1995–

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200), art. 3 lid 2

Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276), art. 7

Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995/671), art. 2, 6 en 8

Voorstel: B 5

394.

Handeling: Het opstellen en vasstellen van een verklaring van overbrenging

Periode: 1945–

Grondslag: Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Wet van 14 mei 1928 (Stb. 1928/177): art. 11, Archiefwet 1962 (Stb. 1962/313): art. 5 lid 1, Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 17, art. 18, art. 19, Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 12 lid 1, art. 13 lid 1, Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995/671): art. 9

Product: Verklaring van overbrenging, specificatie archiefbescheiden, correspondentie

Opmerking: Het gaat hierbij om archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan 50 jaar, respectievelijk 20 jaar. Archiefbescheiden die jonger zijn dan 50 jaar, respectievelijk 20 jaar kunnen eveneens overgebracht worden wanneer de beheerder van de archiefbewaarplaats hiervoor voldoende ruimte beschikbaar heeft.

Voorstel: V 20 jaar voor de actor ‘zorgdrager’, en B (5) voor de beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats

404.

Handeling: Het adviseren van de Minister van Cultuur bij het opheffen of buiten toepassing laten van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden na overbrenging

Periode: 1992–

Grondslag: Archiefwet 1962 (1962/313) zoals gewijzigd bij Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991/703): art. 7a, lid 3, Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 15 lid 3

Product: Advies

Voorstel: V 10 jaar

425.

Handeling: Het beslissen tot in bewaring geven van archiefbescheiden niet berustende in een rijksarchiefbewaarplaats

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 13

Product: Besluit

Opmerking: Dit geschiedt slechts na machtiging van de algemene rijksarchivaris.

Voorstel: B 5

427.

Handeling: Het beslissen tot vervreemding van niet in een rijksarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 7, Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 8, Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 8 lid 1 en 2, Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995/671): art. 2 lid 1, art. 3 lid 1, art. 7, art. 8

Product: Besluit, verklaring van vervreemding, aanvraag tot machtiging

Opmerking: Vanaf 1996 worden deskundigen zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995/671) betrokken bij de voorbereiding van een besluit tot vervreemding indien de archiefbescheiden niet komen te berusten in een archiefbewaarplaats.

Voorstel: B 5

440.

Handeling: Het machtigen van de beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats tot vervreemden, respectievelijk ruilen van archiefbescheiden die in een rijksarchiefbewaarplaats berusten

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit 1968 (Stb. 1968/200): art. 9

Product: Brief, machtiging

Voorstel: B (5)

442.

Handeling: Het machtigen van de Minister van Cultuur tot het vervreemden van archiefbescheiden die in een rijksarchiefbewaarplaats berusten

Periode: 1996–

Grondslag: Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 8 lid 3

Product: Machtiging

Voorstel: B (5)

  • ^ [1]

    Het Deviezenbesluit 1945 (Stb. 1945/F 222) en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977 (Stcrt. 1977/95) worden in het RIO betreffende deviezenverkeer behandeld.

  • ^ [2]

    M. Mooij-van de Willigen, Wet tot behoud van cultuurbezit. Wet van 1 februari 1984, Stb. 49, houdende vaststelling van de Wet tot behoud van cultuurbezit met aantekeningen, aan de parlementaire stukken ontleend, alfabetisch register en bijlagen. Nederlandse Staatswetten: editie Schuurman & Jordens; 52A (Zwolle 1996), Xff.

  • ^ [3]

    Wet van 28 mei 1980 (Stb. 1980/321).

  • ^ [4]

    Er wordt in de diverse wetten en regelgevingen verschillende termen gehanteerd zoals (kunst)voorwerpen, (beschermd) cultuurgoed en beschermde (culturele) voorwerpen. In dit rapport wordt de term die momenteel gehanteerd wordt gebruikt: namelijk beschermd(e) cultuurgoederen.

  • ^ [5]

    Inmiddel heeft de Staatssecretaris op 19 juli 2000 een brief ‘Evaluatie van de Wet tot behoud van cultuurbezit’ aan de Tweede Kamer gestuurd.

  • ^ [6]

    In de archiefwetgeving wordt doorgaans gesproken van beheerder van een archiefbewaarplaats. Aangezien in dit onderzoek alleen de Rijksarchieven worden besproken wordt de omschrijving beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats gehanteerd.

  • ^ [7]

    Er wordt in de regelgeving geen nadere aanduiding voor deze commissie gegeven. De aanduiding tussen haakjes is op eigen initiatief toegevoegd voor de duidelijkheid.

  • ^ [8]

    Uit: interview met het Hoofd van de Inspectie Cultuurbezit, mevr. Ch. E. Rappart–Boon, dd. 13 juni 2000.

  • ^ [9]

    Dit is een andere commissie als vermeld in de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34).

  • ^ [10]

    Deze informatie is afkomstig van de website van het ICN, URL: www.icn.nl/nederlands. Deze is geraadpleegd op 11 mei 2000 en de Kamerstukken II 1995/1996, 24 247, nr. 5.

  • ^ [11]

    Dit zijn alle Nederlandse instellingen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en behoud van collecties, maar ook eigenaren en beheerders van particuliere verzamelingen, monumentenbeheerders en wetenschappelijke partners kunnen gebruik maken van de diensten en producten van het ICN, uit: ICN, Instituut Collectie Nederland: om de kwaliteit van het cultureel erfgoed (Amsterdam 1997), p. 3.

  • ^ [12]

    ICN, Kennis voor beter beheer en behoud. Beleidsplan 1997–2000 (Amsterdam 1997), p. 10.

  • ^ [13]

    Mondriaan Stichting, Jaarverslag 1998 (Gent 1999), p. 11.

  • ^ [14]

    Deze informatie is afkomstig van de website van de Mondriaan Stichting, URL: http://www.mondriaanfoundation.nl/watis.html, geraadpleegd: maart 2000.

  • ^ [15]

    Dit is het plan van de Minister van cultuurbeheer om de achterstanden in de selectie en het onderhoud van de collecties in de depots van de archieven en de musea weg te werken.

  • ^ [16]

    Regeling voor financiële ondersteuning van incidentele museale activiteiten (Stcrt. 1994/143).

  • ^ [17]

    Zeegers, Volgens de regelen der kunst.

  • ^ [18]

    Wet van 26 oktober 1995 (Stb. 1995/539), houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de instelling van een adviesorgaan voor het beleid op het terrein van de cultuur (Raad voor cultuur).

  • ^ [19]

    De Raad voor de Kunst is reeds in het RIO Volgens de regelen der kunst besproken, zie hiervoor Zeegers, Volgens de regelen der kunst. De RABIN en de Mediaraad wordt in een apart RIO betreffende de Letteren, Bibliotheken en Media besproken.

  • ^ [20]

    Dit is artikel bevat een wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/93) zoals laatst gewijzigd bij wet van 21 oktober (Stb. 1996/577).

  • ^ [21]

    Deze informatie is afkomstig van de website van de Raad voor cultuur, URL: www.cultuur.nl/frames.html, geraadpleegd op 28 april 2000.

  • ^ [22]

    De Monumentenraad is in Van der Doe, Van monumentale waarde besproken. De Archiefraad en de Rijkscommissie voor de musea zijn elders in deze studie behandeld.

  • ^ [23]

    De archiefbescheiden van de Archiefraad, van de Monumentenraad en de Commissie van advies voor de natuurhistorische musea gaan over naar de Raad voor cultuurbeheer.

  • ^ [24]

    Zie voor een uitgebreidere bespreking van de Monumentenraad: Van der Doe, Van monumentale waarde.

  • ^ [25]

    Van der Doe, Van monumentale waarde, p. 86.

  • ^ [26]

    Bijlage behorende bij de Wet verzelfstandiging rijksmuseale instellingen (Stb. 1993/398).

  • ^ [27]

    Cultuurbeleid in Nederland, p. 71ff.