Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vennootschapsbelasting, fiscale beleggingsinstellingen[Regeling vervallen per 01-01-2009 met terugwerkende kracht tot en met 12-12-2008.]

Geldend van 30-01-2006 t/m 11-12-2008

Vennootschapsbelasting, fiscale beleggingsinstellingen

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van beleidsbesluiten met betrekking tot beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De samenvoeging heeft tot doel de toegankelijkheid van het bestaande beleid te vergroten. Met de samenvoeging is geen inhoudelijke wijziging van het beleid beoogd.

Goedkeuringen die zijn gebaseerd op de bevoegdheid van artikel 28, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zijn opgenomen in het besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/1676M.

1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2009]

In artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is het regime voor beleggingsinstellingen opgenomen. Sinds de introductie zijn verschillende besluiten uitgebracht waarin vragen zijn beantwoord of een oplossing is geboden voor knelpunten die zich bij de uitvoering van de regeling blijken voor te doen. Deze (onderdelen van) besluiten zijn in dit besluit geactualiseerd en samengevoegd. De samenvoeging heeft tot doel de toegankelijkheid van het bestaande beleid te vergroten. Met dit verzamelbesluit is geen beleidswijziging beoogd. Aanpassingen vloeien hoofdzakelijk voort uit wijzigingen in de wettelijke regeling en jurisprudentie.

De navolgende (onderdelen van) besluiten zijn geactualiseerd en overgenomen in dit besluit.

  • Besluit van 2 september 1970, nr. B70/17686;

  • Besluit van 1 juli 1971, onderdeel 9;

  • Besluit van 29 april 1982, nr. 281-13995;

  • Besluit van 28 september 1993, nr. DB93/4178;

  • Besluit van 11 augustus 1994, nr. DB94/2900M;

  • Besluit van 20 oktober 1995, nr. DB 95/2762M;

  • Besluit van 11 maart 1996, nr. DB96/805M;

  • Besluit van 22 februari 2000, nr. CPP2000/2385M;

  • Besluit van 26 juli 2002, nr. CPP2002/1752M;

  • Besluit van 2 december 2002, nr. CPP2002/3247M;

  • Besluit van 14 mei 2003, nr. CPP2003/1131M;

  • Besluit van 23 januari 2004, nr. CPP2003/2923M.

De navolgende besluiten hebben hun belang verloren:

  • Besluit van 15 augustus 1978, nr. 278-14759;

  • Besluit van 28 augustus 1985, nr. 285-12476;

  • Besluit van 23 januari 1987, nr. 287-387;

  • Besluit van 11 november 1988, nr. DB88/6699;

  • Besluit van 21 juli 2000, RTB 2000/164.

Begrippenlijst

Wet Vpb: Wet op de vennootschapsbelasting 1969

BBI: Besluit beleggingsinstellingen

WTB: Wet toezicht beleggingsinstellingen

Wet DB: Wet op de dividendbelasting 1965

Beleggingsinstelling: Beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

EG: Europese Gemeenschap

SE: Societas Europaea

2. Rechtsvorm [Vervallen per 01-01-2009]

2.1. Naar Nederlands recht opgericht [Vervallen per 01-01-2009]

Op grond van artikel 28 van de Wet kunnen slechts in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en fondsen voor gemene rekening als beleggingsinstelling worden aangemerkt. Voor de toepassing van deze bepaling worden onder naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid verstaan de vennootschappen die naar Nederlands recht zijn opgericht.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 1994, nr. 27 764, BNB 1994/191, kan ook een naar Antilliaans recht opgerichte naamloze vennootschap voor de toepassing van artikel 28 van de Wet Vpb in aanmerking komen. Voorwaarde is wel dat het lichaam feitelijk in Nederland is gevestigd en ook overigens aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet.

De introductie van de Europese vennootschap (hierna: SE) als rechtsvorm is aanleiding om ook een SE in aanmerking te laten komen voor de status van beleggingsinstelling. Ook voor de SE geldt de voorwaarde dat het lichaam feitelijk in Nederland is gevestigd en ook overigens aan de voorwaarden van de bepaling voldoet.

Verzoeken met betrekking tot naar het recht van andere landen opgerichte vennootschappen zijn mij in concrete gevallen nog niet voorgelegd. Voor zover deze verzoeken betrekking hebben op naar het recht van een lidstaat van de EG opgerichte vennootschap, die feitelijk in Nederland is gevestigd en ten opzichte van een naar Nederlands recht opgerichte naamloze of besloten vennootschap in gelijke omstandigheden verkeert, acht ik de kans groot dat het Hof van Justitie van de EG zou oordelen dat een verschil in behandeling in strijd is met het EG-verdrag. Om die reden ben ik bereid ook dergelijke verzoeken onder dezelfde voorwaarden in te willigen. Een verzoek kan worden gericht aan Belastingdienst/Centrum voor Proces- en Productontwikkeling, Sector Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.

3. Beleggen [Vervallen per 01-01-2009]

Om als belegginginstelling te worden aangemerkt moeten zowel doel als feitelijke werkzaamheden van het lichaam bestaan uit het beleggen van vermogen. Dit vereiste dient te worden beoordeeld vanuit de desbetreffende vennootschap. Van beleggen is sprake als de werkzaamheden naar hun aard en omvang zijn gericht op het verkrijgen van een rendement dat mag worden verwacht bij normaal vermogensbeheer.

3.1. Kasgeld [Vervallen per 01-01-2009]

Door de afschaffing van de limitatieve opsomming van beleggingsobjecten bij de wetswijziging in 1990 kan een beleggingsinstelling ook beleggen in liquiditeiten. Ook liquiditeiten die niet worden aangehouden als belegging, maar bijvoorbeeld ten behoeve van de uitkering van dividenden, mogen in onbeperkte mate aanwezig zijn.

3.2. Beleggen in een vordering op een financiële instelling [Vervallen per 01-01-2009]

Aan de voorwaarde dat de feitelijke activiteiten van de vennootschap bestaan uit het beleggen van vermogen wordt ook voldaan indien het vermogen van de vennootschap nagenoeg geheel is belegd in een achtergestelde lening aan een in Nederland gevestigde financiële instelling.

Het gegeven dat nagenoeg het gehele belegde vermogen is uitgezet in de vorm van een achtergestelde lening acht ik geen beletsel voor de status van beleggingsinstelling mits niet ter discussie staat dat de werkzaamheden van de vennootschap bestaan uit beleggen.

3.3. Projectontwikkeling [Vervallen per 01-01-2009]

Het ontwikkelen van (nieuw) vastgoed, evenals het herontwikkelen van bestaand vastgoed (projectontwikkeling) kan naar mijn oordeel niet worden aangemerkt als beleggen in de zin van artikel 28 van de Wet Vpb. De aan projectontwikkeling verbonden werkzaamheden en risico’s (zoals markt-, prijs- en maatschappelijke risico’s) zijn zodanig dat geen sprake meer is van vermogensbeheer, maar van ondernemen. Dat geldt naar mijn oordeel eveneens indien het lichaam de werkzaamheden voor zijn rekening en risico laat uitvoeren door een derde.

Wel wijs ik er op dat met betrekking tot dit onderwerp momenteel wordt gewerkt aan een wijziging in de wetgevende sfeer. Daarbij staat voorop dat meer duidelijkheid wordt gegeven ten aanzien van de vraag bij welke ontwikkelingsactiviteit de grens tussen beleggen en ondernemen wordt overschreden.

4. Uitdelingsverplichting [Vervallen per 01-01-2009]

In artikel 28, tweede lid, onderdeel b van de Wet Vpb is een uitdelingsverplichting opgenomen. Deze houdt in dat binnen acht maanden na afloop van het boekjaar de voor uitdeling beschikbare winst wordt uitgedeeld aan de aandeelhouders en deelgerechtigden. Hierna zijn twee situaties beschreven waarin een (gedeeltelijke) ontheffing van de uitdelingsverplichting wordt gegeven.

4.1. Aanpassing uitdelingsverplichting achteraf [Vervallen per 01-01-2009]

Op het moment waarop de commerciële winst van een beleggingsinstelling wordt vastgesteld zijn soms nog niet de bedragen bekend die op grond van artikel 3 BBI, in de fiscale winst moeten worden begrepen terzake van ontvangen bonusaandelen, split-ups e.d. Het kan voorkomen dat, als gevolg van die onbekendheid, de over het jaar in feite verrichte uitdelingen zijn achtergebleven bij de op de voet van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. jo. artikel 2, BBI, te verrichten uitdelingen.

Goedkeuring

Voor zulke gevallen keur ik goed, dat een bedrag gelijk aan het verschil tussen beide uitdelingen wordt toegevoegd aan de afrondingsreserve. Artikel 7, eerste lid, laatste volzin, van het BBI vindt overeenkomstige toepassing. Hierin wordt geregeld dat het verschil op een later tijdstip alsnog aan de winst moet worden toegevoegd.

4.2. Uitdelingsverplichting en civielrechtelijk uitkeringsverbod [Vervallen per 01-01-2009]

Het niet voldoen aan de uitdelingsverplichting heeft tot gevolg dat de status van beleggingsinstelling vervalt. Het kan voorkomen dat in enig boekjaar positieve beleggingsresultaten worden behaald die tot een uitdelingsverplichting leiden (zoals de ontvangst van dividenden, huur en rente), maar dat daarnaast (grote) vermogensverliezen worden geleden. De waarde in het economische verkeer van het vermogen kan dan onvoldoende zijn om aan de uitdelingsverplichting te voldoen zonder dat daarbij het gebonden vermogen onder het wettelijke minimum daalt. Civielrechtelijk is de dividenduitkering dan niet toegestaan omdat daarmee het gebonden vermogen zou worden aangetast (artikel 2: 216 van het Burgerlijk Wetboek).

Goedkeuring

Voor zulke gevallen keur ik goed dat, op verzoek van de belastingplichtige, de inspecteur toestaat dat de dividenduitkering wordt beperkt tot het bedrag dat civielrechtelijk is toegestaan. Aan deze goedkeuring is de voorwaarde verbonden dat het niet uitgekeerde deel van de uitdelingsverplichting wordt toegevoegd aan de uitdelingsverplichting van het volgende jaar.

5. Voor uitdeling beschikbare winst [Vervallen per 01-01-2009]

De voor uitdeling beschikbare winst moet binnen acht maanden na afloop van het boekjaar worden uitgedeeld aan de aandeelhouders en deelgerechtigden. Hierna is voor enkele specifieke situaties beschreven hoe de voor uitdeling beschikbare winst moet worden bepaald.

5.1. Dividend ontvangen uit een belang in een beleggingsinstelling [Vervallen per 01-01-2009]

Op grond van artikel 28, vierde lid, van de Wet Vpb moeten, kort gezegd, belangen vanaf 25% in een beursgenoteerde beleggingsinstelling worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Artikel 28b van de Wet Vpb betreft een soortgelijke bepaling voor belangen in een buitenlandse ‘beleggingsmaatschappij’.

Verondersteld wordt wel dat een dividenduitkering direct van invloed is op de waardering in het economische verkeer van een dergelijk belang. Daarvan uitgaande is gevraagd of de toepassing van deze bepalingen gevolgen heeft voor de omvang van de uitdelingsverplichting als een beleggingsinstelling uit het bedoelde belang dividend ontvangt waardoor de waarde van dat belang afneemt.

Ik stel mij op het standpunt dat door een beleggingsinstelling ontvangen dividend steeds in haar belastbare winst en daarmee in haar uitdelingsverplichting dient te worden verantwoord. Dit lijdt slechts uitzondering ingeval sprake is van meegekocht dividend. Aldus wordt recht gedaan aan doel en strekking van het fiscale regime voor beleggingsinstellingen. Voor zover het ontvangen dividend daarbij tot een koersverlies leidt, wordt dat afgewikkeld via de herbeleggingsreserve.

5.2. Beleggen in rentespaarbrieven, zerobonds e.d. [Vervallen per 01-01-2009]

Er zijn beleggingsinstellingen die beleggen in spaarbrieven, zerobonds, deep-discountbonds, kasbiljetten en andere vastrentende waarden waarvan de rente geheel of gedeeltelijk pas aan het einde van de looptijd wordt uitbetaald. Soms wordt het standpunt ingenomen dat de waarde-aangroei eerst op het moment van aflossing dan wel eerdere vervreemding, als winst behoeft te worden verantwoord. Het gevolg van dat standpunt is dat pas over het jaar van vervreemding, dan wel aflossing van dergelijke waardepapieren, een uitdelingsverplichting ontstaat. Deze vorm van winstbepaling en daarmee de bepaling van de uitdelingsverplichting is niet in overeenstemming met geldend recht.

Uitgangspunt bij het bepalen van de voor uitdeling beschikbare winst is de volgens goed koopmansgebruik vastgestelde belastbare winst. Daarop wordt een aantal, uitdrukkelijk in het BBI genoemde, aanpassingen aangebracht.

Dit houdt in dat de waardestijging van rentespaarbrieven jaarlijks via een samengestelde-interestberekening als winst moet worden verantwoord (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1968, nr. 15 847, BNB 1968/93). Dit arrest geldt evenzeer voor vergelijkbare beleggingen als zerobonds, deep-discountbonds en kasbiljetten. Dit arrest is onverkort van toepassing op beleggingsinstellingen. De nuancering die de Hoge Raad in het arrest van 3 november 1971, nr. 16 605, BNB 1972/24, voor beleggingsinstellingen heeft aangebracht ten aanzien van lopende jaarlijkse rentetermijnen, waarbij het slechts ging om geringe verschuivingen over minder dan één jaar, strekt naar mijn oordeel niet zover dat in alle gevallen aansluiting kan worden gezocht bij het kasstelsel dat gold voor particulieren onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ingeval van spaarbrieven e.d. zou een dergelijke wijze van winstbepaling tot gevolg hebben dat de winst pas vele jaren later wordt verantwoord. Een dergelijke winstbepaling doet zozeer af aan het realiteitsbeginsel, dat dit zelfs op eenvoudoverwegingen niet te verdedigen is en daarom in strijd is met het stelsel van goed koopmansgebruik.

5.3. Waarde in het economische verkeer van het vermogen [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 2, zesde lid BBI gaat uit van een waardering van het vermogen tegen de waarde in het economische verkeer. Met de aanduiding ‘waarde in het economische verkeer van het vermogen’ wordt bedoeld het fiscale eigen vermogen van de beleggingsinstelling vermeerderd met de waarde van de stille reserves. Volledigheidshalve merk ik op dat de aanduiding ‘de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen’ opgenomen in artikel 4, zevende lid, BBI dezelfde betekenis heeft.

6. Aandeelhouderseisen [Vervallen per 01-01-2009]

Om als beleggingsinstelling te worden aangemerkt stelt artikel 28, tweede lid van de Wet Vpb ook eisen aan de aandeelhouders en deelgerechtigden in het lichaam.

6.1. Begrip belang [Vervallen per 01-01-2009]

Vanuit de praktijk is een toelichting gevraagd op het begrip ‘belang’ in artikel 28, tweede lid, onderdeel e, van de Wet Vpb. Onder het begrip ‘belang’ dient hier te worden verstaan ‘direct belang’.

Het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel e, van de Wet Vpb wil voorkomen dat de verdragspolitiek van Nederland met het buitenland zou worden geschaad door gebruik van beleggingsinstellingen door niet in Nederland wonende personen en lichamen. Te denken is aan gevallen waarin het land van inwoning of vestiging geen, maar Nederland wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met een derde land heeft gesloten (denk aan vermindering van bronheffingen). De bepaling wil ook voorkomen dat de afvloeiing van beleggingsopbrengsten naar het buitenland onder omstandigheden geheel of nagenoeg geheel belastingvrij plaatsvindt op grond van bepalingen in de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Dit beleid stemt overeen met doel en strekking van de bepaling, zoals uiteengezet bij het wetsvoorstel betreffende de herziening van het regime voor beleggingsinstellingen in de nota naar aanleiding van het eindverslag op blz.18 (TK 1989–1990, 20 701, nr. 9).

Ik teken daarbij nog aan dat het begrip ‘belang’ naar mijn oordeel – alleen al gezien de keuze voor juist dit begrip – ruimer is dan alleen de aandeelhoudersrelatie. Ook een vruchtgebruiker heeft direct belang bij een lichaam aangezien de vruchtgebruiker de inkomsten uit de aandelen waarop het recht van vruchtgebruik rust, toekomen.

7. Herbeleggingsreserve [Vervallen per 01-01-2009]

Beleggingsinstellingen die daarvoor kiezen, kunnen een herbeleggingsreserve vormen (artikel 4 BBI). In dat geval worden koers- en vervreemdingsresultaten niet tot de winst gerekend, maar worden deze toegevoegd aan de herbeleggingsreserve. Waar in het kader van de herbeleggingsreserve wordt verwezen naar ‘het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten’ wordt bedoeld: ‘het volgens goed koopmansgebruik berekende saldo van koerswinsten en koersverliezen op effecten en van winsten en verliezen terzake van vervreemding van overige beleggingen verminderd met een evenredig deel van de kosten die met het beheer van de beleggingen verband houden’, zoals omschreven in artikel 4, tweede lid, BBI.

7.1. Keuzemoment [Vervallen per 01-01-2009]

De keuze om een herbeleggingsreserve te vormen moet al in het eerste jaar worden gemaakt. De keuze heeft immers directe gevolgen voor de wijze waarop de koers- en vervreemdingsresultaten in de fiscale jaarrekening worden verwerkt en daarmee ook voor de berekening van de uitdelingsverplichting. De gemaakte keuze blijkt uit de verwerking van de koers- en vervreemdingsresultaten in de jaarrekening.

7.2. Herziening van de keuze [Vervallen per 01-01-2009]

Zolang de aanslag over het eerste boekjaar als beleggingsinstelling nog niet onherroepelijk vast staat kan op de gemaakte keuze worden teruggekomen. Staat de aanslag eenmaal definitief vast dan geldt de keuze ook voor de volgende jaren (artikel 4, eerste lid, BBI).

7.3. Paraplufondsen [Vervallen per 01-01-2009]

Het komt voor dat binnen een beleggingsinstelling meerdere subfondsen bestaan waarin afzonderlijk kan worden deelgenomen. Er is dan sprake van een zgn. paraplufonds. Voor de heffing van vennootschapsbelasting en de toepassing van het BBI is echter sprake van één belastingplichtige. Dit impliceert dat de keuze voor het al dan niet vormen van een herbeleggingsreserve voor de entiteit wordt gemaakt. Formeel is er één aangifte, één herbeleggingsreserve, één uitdelingsverplichting enz. Hier doet niet aan af dat voor de winstverdeling verschillende subfondsen binnen het fonds worden onderscheiden.

Het kan zich voordoen dat als gevolg van uitdelingstekorten/verliezen bij één of meerdere subfondsen op het niveau van de entiteit onvoldoende ruimte bestaat voor het vormen van een herbeleggingsreserve. Dit probleem is niet specifiek voor paraplufondsen. Een soortgelijk probleem kan zich ook voordoen bij overige beleggingsinstellingen als sprake is van een samenloop van een uitdelingstekort met een positief saldo van koers- en vervreemdingsresultaten. In onderdeel 7.7 wordt dit probleem aan de hand van een cijfervoorbeeld verduidelijkt en wordt een oplossing geboden.

Ten aanzien van de zogenoemde paraplufondsen is op dit moment niet gebleken dat de regeling tot andere of grotere problemen leidt dan bij de overige beleggingsinstellingen. Mochten zich toch bijzondere problemen voordoen dan kunnen deze worden voorgelegd aan Belastingdienst/Centrum voor Proces- en Productontwikkeling, sector Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE DEN HAAG.

7.4. Het volgens goed koopmansgebruik berekende saldo [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 4, tweede lid, BBI bepaalt dat ‘het volgens goed koopmansgebruik berekende saldo’ van koers- en vervreemdingsresultaten wordt opgenomen in de herbeleggingsreserve. De expliciete verwijzing naar goed koopmansgebruik is opgenomen in verband met de invoering van artikel 1a BBI. Volgens artikel 1a BBI behoort het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten niet tot de winst. Zonder de toevoeging zou over de wijze van berekenen onduidelijkheid kunnen bestaan. Met de verwijzing naar goed koopmansgebruik is niet beoogd een waardering van effecten tegen de beurswaarde tegen te gaan. Een waardering tegen de beurskoers van effecten die ter belegging worden aangehouden kan in overeenstemming zijn met goed koopmansgebruik.

Zie ook onderdeel 5 van dit besluit.

7.5. Effecten: inschrijvingen in schuldregisters [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 4, tweede lid, BBI maakt een onderscheid tussen effecten en overige beleggingen. Ten aanzien van effecten kan het saldo van ‘koerswinsten en koersverliezen op effecten’ in de herbeleggingsreserve worden opgenomen, terwijl van de overige beleggingen het saldo van ‘winsten en verliezen terzake van vervreemding’ wordt gedoteerd. De kwalificatie van bepaalde beleggingen als effecten is daardoor van belang.

De vraag is gesteld of inschrijvingen in schuldregisters die deel uitmaken van een lening (m.n. Staatsleningen en leningen van de NV Bank voor Nederlandse Gemeenten) kunnen worden aangemerkt als effecten als bedoeld in artikel 4, tweede lid BBI.

Inschrijvingen in schuldregisters zijn aan te merken als effecten indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. de inschrijving in het schuldregister maakt deel uit van een lening waarin ook (naar keuze van de inschrijver) kan worden deelgenomen in de vorm van schuldbewijzen welke ter beurze worden genoteerd;

  • b. voor de inschrijving in het schuldregister gelden geen van het overige deel van de lening afwijkende regelingen m.b.t. looptijd, rente en aflossing;

  • c. de inschrijving in het schuldregister is verhandelbaar;

  • d. de verhandeling van de inschrijving in het schuldregister is, behoudens het stellen van voorwaarden aan de omvang van gedeeltelijke verhandeling, niet onderworpen aan enige goedkeuring door de schuldenaar;

  • e. de inschrijving in het schuldregister kan op verzoek van de houder van die inschrijving worden omgezet in aan hem te verstrekken schuldbewijzen als onder a bedoeld;

  • f. het onder e bedoelde recht tot omzetting kan door de houder van de inschrijving worden uitgeoefend tot ieder door hem gewenst bedrag;

  • g. voor de omzetting van de inschrijving in het schuldregister in schuldbewijzen is niet de goedkeuring van de schuldenaar vereist.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat aan bovenstaande voorwaarden voldoen de inschrijvingen in het schuldregister bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam terzake van staatsleningen waarop de ‘Regeling schuldregisters Nederlandse staatsleningen 2003’ van 17 december 2003 (Stcrt. 2004, 16) van toepassing is.

7.6. Negatief saldo van koers- en vervreemdingsresultaten groter dan herbeleggingsreserve [Vervallen per 01-01-2009]

Het kan voorkomen dat gekozen is voor de vorming van een herbeleggingsreserve en dat het negatieve saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten groter is dan het saldo van de herbeleggingsreserve bij de aanvang van het jaar. Ook in dat geval komt het meerdere niet ten laste van de fiscale winst. Voorzover een negatief saldo niet in mindering kan worden gebracht op de herbeleggingsreserve wordt dit doorgeschoven naar het volgende jaar.

De inspecteur stelt de toevoeging en vermindering van de herbeleggingsreserve bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. Een negatief saldo van koers- en vervreemdingsresultaten dat niet op de herbeleggingsreserve in mindering kan worden gebracht, omdat het (negatieve) saldo van de vermogensresultaten de herbeleggingreserve aan het begin van het jaar overstijgt, wordt aangemerkt als een verlies terzake van vervreemding van beleggingen in een volgend jaar. De inspecteur stelt dit naar het volgende jaar over te brengen verlies bij beschikking vast (artikel 4, vierde lid, BBI). Dit geldt ook voor situaties waarin is gekozen voor het vormen van een herbeleggingsreserve, maar het saldo bij aanvang van het boekjaar nog nihil is en uitsluitend sprake is van negatieve koers- en vervreemdingsresultaten. Ook in die gevallen zal de inspecteur het naar volgende jaren over te brengen verlies bij beschikking vaststellen.

Ter verduidelijking volgt hieronder een voorbeeld.

Het vermogen van X NV ( lichaam met de status van beleggingsinstelling) bestaat bij aanvang van het boekjaar uit aandelenkapitaal van 100 en een herbeleggingsreserve van 50. Gedurende het jaar wordt een direct beleggingsresultaat behaald van 20. Daarnaast realiseert X NV koersverliezen van 60. Het gestorte kapitaal is in het jaar niet gewijzigd.

Uitwerking

De vermindering van de herbeleggingsreserve bedraagt in beginsel 60 (artikel 4, tweede lid, BBl). De vermindering van de herbeleggingsreserve wordt echter beperkt door het aanwezige saldo van 50. Het niet in mindering gebrachte restant van 10 wordt door de inspecteur vastgesteld bij beschikking en wordt aangemerkt als een verlies terzake van vervreemding van beleggingen in het volgende jaar (artikel 4, vierde lid, BBl).

7.7. Positief saldo van koers- en vervreemdingsresultaten en uitdelingstekort [Vervallen per 01-01-2009]

Indien gekozen is voor het vormen van een herbeleggingsreserve wordt het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten niet tot de winst gerekend maar gedoteerd aan de herbeleggingsreserve. Daarbij is de jaardotatie gelimiteerd door het aan de herbeleggingsreserve gestelde plafond (artikel 4, vijfde lid BBI). Hierdoor kan een positief saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten in een jaar niet (volledig) aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd als sprake is van een samenloop met een uitdelingstekort. De wetgeving voorziet wel in de mogelijkheid van een verrekening van het uitdelingstekort maar niet in de mogelijkheid om in een later jaar alsnog een (inhaal)dotatie aan de herbeleggingsreserve te doen. Teneinde de regeling in overeenstemming te brengen met de bedoeling keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Indien in een jaar het positieve saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten door het bereiken van het plafond van de herbeleggingsreserve, niet of niet volledig aan de herbeleggingsreserve kan worden toegevoegd wordt op verzoek van de belastingplichtige het overschot door de inspecteur vastgesteld. Het door de inspecteur vastgestelde bedrag mag vervolgens in één of meer van de daarop volgende jaren aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd voorzover het aan de herbeleggingsreserve gestelde plafond daarvoor de ruimte biedt.

Ter verduidelijking volgt hierna een voorbeeld.

Het vermogen van X NV ( een lichaam met de status van beleggingsinstelling) bestaat bij aanvang van het boekjaar uitsluitend uit aandelenkapitaal van 100. Hiervan is 90 belegd in effecten en 10 in liquide middelen. X NV heeft gekozen voor het vormen van een herbeleggingsreserve. Gedurende het jaar is een negatief direct beleggingsresultaat behaald van 10. Daarnaast realiseert X NV koerswinsten van 40. In het jaar is het gestorte kapitaal niet gewijzigd.

Uitwerking

X NV heeft gekozen voor het vormen van een herbeleggingsreserve. De koerswinst van 40 wordt daardoor niet tot de belastbare winst gerekend maar wordt toegevoegd aan de herbeleggingsreserve. Zonder rekening te houden met het plafond van de herbeleggingsreserve ziet de balans er aan het einde van het boekjaar als volgt uit.

Effecten

130

Aandelenkapitaal

100

Kas

0

Herbeleggingsreserve

40

   

Beleggingsverlies boekjaar

 
   

(uitdelingstekort)

– 10

Volgens artikel 4, vijfde lid, BBl mag de herbeleggingsreserve niet hoger zijn dan:

  • a. het vermogen verminderd met het op de aandelen gestorte kapitaal, de toelaatbare reserves en de verplichte uitdeling van winst dan wel, zo dat lager is,

  • b. de waarde van de beleggingen.

Door het uitdelingstekort van 10 daalt het vermogen en bedraagt plafond van de herbeleggingsreserve 30. Het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten ad 40 kan daardoor niet volledig in de herbeleggingsreserve worden opgenomen.

De vermogensopstelling aan het eind van het boekjaar ziet er als volgt uit:

Effecten

130

Aandelenkapitaal

100

Kas

0

Herbeleggingsreserve

30

Indien in een volgend jaar een direct positief beleggingsresultaat (geen koers- of vervreemdingswinst) wordt behaald van 15 kan dit met het uitdelingstekort van 10 uit het vorige jaar worden verrekend. Alleen het meerdere ad 5 moet worden uitgedeeld. Hierdoor stijgt het vermogen weer met 10 en wordt het plafond van de herbeleggingsreserve dienovereenkomstig hoger. Er ontstaat ruimte om de herbeleggingsreserve in overeenstemming te krijgen met de werkelijk behaalde koersresultaten. Dit zou kunnen door het bedrag ad 10 dat in het voorgaande jaar niet aan de herbeleggingsreserve kon worden toegevoegd alsnog aan de reserve te doteren. Op grond van de letterlijke tekst van artikel 4, tweede lid, BBI kunnen echter alleen koers- en vervreemdingsresultaten worden toegevoegd aan de herbeleggingsreserve. Zonder nadere regeling zou het niet uitgedeelde directe beleggingsresultaat als een gewone, met dividendbelasting beclaimde winstreserve op de balans tot uitdrukking komen.

Aangezien een dergelijke uitkomst niet is beoogd mag het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten alsnog in een volgend jaar aan de herbeleggingsreserve wordt gedoteerd mits daarvoor de ruimte bestaat.

De vermogensopstelling aan het eind van het boekjaar ziet er dan als volgt uit.

Effecten

130

Aandelenkapitaal

100

Kas

15

Herbeleggingsreserve

40

   

Beleggingswinst

 
   

(uitdelingsverplichting)

5

7.8. Uitkeringen t.l.v. de herbeleggingsreserve in de loop van een jaar [Vervallen per 01-01-2009]

Er zijn beleggingsinstellingen die al in de loop van een boekjaar een (interim)uitkering willen doen. Als uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve worden gebracht hoeft geen dividendbelasting te worden ingehouden. Gevraagd is of in de loop van het jaar behaalde koers- en vervreemdingswinsten al voor het einde van het desbetreffende jaar ten laste van de herbeleggingsreserve kunnen worden uitgekeerd.

Artikel 4, tweede lid, BBI bepaalt dat in de herbeleggingsreserve wordt opgenomen een bedrag gelijk aan het in het jaar volgens goed koopmansgebruik berekende saldo van koers- en vervreemdingsresultaten. Artikel 8 BBI bepaalt vervolgens dat de bedragen van de toevoeging aan of de vermindering van de herbeleggingsreserve door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat de herbeleggingsreserve uitsluitend aan het einde van ieder boekjaar wordt gemuteerd. Gevolg zou zijn dat in de loop van een jaar behaalde koers- en vervreemdingswinsten nooit vrij van dividendbelasting ten laste van de herbeleggingsreserve kunnen worden uitgekeerd. In aanmerking nemende dat de herbeleggingsreserve niet meer is dan de weergave van het positieve saldo van koers- en vervreemdingsresultaten op een bepaald tijdstip (balansdatum) keur ik, voor zover nodig, het volgende goed.

Goedkeuring

Voor het doen van een uitkering ten laste van de herbeleggingsreserve kan deze ook tussentijds, bij het opstellen van kwartaal of halfjaarcijfers, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, worden berekend.

Aan het voorgaande doet overigens niet af dat de inspecteur het (jaar)saldo van de toevoeging en vermindering van de herbeleggingsreserve slechts éénmaal per boekjaar in een beschikking vaststelt. Hiertoe wordt na afloop van het boekjaar het verloop van de herbeleggingsreserve op jaarbasis beoordeeld. Indien ten gevolge van latere verliezen blijkt dat meer ten laste van de herbeleggingsreserve is gebracht dan op jaarbasis mogelijk zou zijn, wordt dat meerdere aangemerkt als een verlies terzake van vervreemding van beleggingen in het volgende jaar. De inspecteur stelt het naar volgend jaar over te brengen verlies vast bij voor bezwaar vatbare beschikking in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, BBI.

Overigens merk ik met betrekking tot het vrij van dividendbelasting doen van uitdelingen ten laste van de herbeleggingsreserve op dat het van belang is onder welke benaming de uitdeling wordt gedaan en op welke wijze de uitkering is verwerkt in de administratie van de beleggingsinstelling.

Een uitkering ten laste van de herbeleggingsreserve kan vrij van dividendbelasting plaatsvinden (vgl. 12.1 hierna). Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de beleggingsinstelling in haar boekhouding en jaarrekening als ook tegenover haar aandeelhouders, uitdrukkelijk vast legt dat sprake is van een uitkering ten laste van de herbeleggingsreserve.

Wordt een uitkering gedaan onder de benaming van (interim)-dividenduitkering, dan wordt deze aangemerkt als een uitdeling van winst en dient dividendbelasting te worden ingehouden (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet DB).

Het is overigens ook mogelijk dat een deel van de interim-uitkering wordt aangemerkt als dividend en een deel als terugbetaling van kapitaal dat ten laste van de herbeleggingsreserve is gebracht.

8. Inkoop van eigen aandelen [Vervallen per 01-01-2009]

De fiscale verwerking van de inkoop van aandelen bij een beleggingsinstelling is ingewikkeld. In het bijzonder de gevolgen van de inkoop voor de berekening van de herbeleggingsreserve en de samenstelling van het vermogen aan het einde van het desbetreffende jaar leveren soms problemen op. De boekhoudkundige verwerking van een inkoop van aandelen bij een beleggingsinstelling kan het beste aan de hand van een voorbeeld worden verduidelijkt.

Voorbeeld

Het vermogen van X NV (lichaam met status van beleggingsinstelling) bestaat bij het begin van het jaar uitsluitend uit aandelenkapitaal van 100 en een herbeleggingsreserve van 50. In het jaar ontstaat geen wijziging in het gestort kapitaal. Tot 1 juli wordt een direct beleggingsresultaat behaald van 20. Daarnaast realiseert X NV in het eerste halfjaar koerswinsten van 60. Op 1 juli wordt 20% van de aandelen ingekocht voor een bedrag van 46. X NV merkt de inkoop aan als een inkoop als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet DB. De inkoop wordt gefinancierd met de directe beleggingsopbrengst van 20 en met de verkoop van beleggingen voor 26. In het tweede halfjaar worden geen resultaten behaald.

Uitwerking

Gezien het directe beleggingsresultaat en de koerswinsten bedraagt het vermogen direct voorafgaande aan de inkoop per 1 juli: 230 (150+20+60). De inkoop wordt gefinancierd door verkoop van beleggingen voor 26. In het tweede halfjaar worden verder geen resultaten behaald. De waarde van de nog aanwezige beleggingen ultimo van het jaar bedraagt dan 184 (150+60-26). Ook het vermogen per 31 december beloopt 184.

Als gevolg van artikel 4, tweede lid, BBl wordt het saldo van koerswinsten en verliezen van 60 toegevoegd aan de herbeleggingsreserve. Daarbij moet rekening worden gehouden met het aan de herbeleggingsreserve gestelde plafond in artikel 4, vijfde lid, BBl. Uit deze bepaling blijkt dat de herbeleggingsreserve wordt vastgesteld nadat de verplichte uitdeling van winst is bepaald. Bij de bepaling van de uitdelingsverplichting moet voorts rekening worden gehouden met artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Hierin is als voorwaarde opgenomen dat de ter beschikking te stellen winst gelijkelijk over alle aandelen en bewijzen van deelgerechtigdheid wordt verdeeld.

De vennootschap boekt de inkoopprijs naar evenredigheid af op nominaal kapitaal, herbeleggingsreserve en direct beleggingsresultaat. Met de ‘ter beschikking te stellen winst’ wordt hier bedoeld het tot aan het moment van de inkoop behaalde directe beleggingsresultaat van 20. Aan de ingekochte aandelen kan daarvan 20% (het percentage van de aandelen dat wordt ingekocht) worden toegerekend. Om een gelijke winstverdeling te realiseren moet nog 80% van 20, of te wel nog 16, worden uitgedeeld op de niet ingekochte aandelen. Op 1 juli, na de inkoop, bedraagt de uitdelingsverplichting dus nog 16. Indien in het tweede halfjaar nog andere directe beleggingsresultaten zouden worden behaald, hebben deze uiteraard gevolgen voor de uitdelingsverplichting aan het einde van het jaar.

De herbeleggingsreserve wordt niet hoger vastgesteld dan het vermogen (184) verminderd met het gestorte kapitaal (80) en verminderd met de over het jaar vast te stellen uitdelingen van winst (16). Het plafond van de herbeleggingsreserve is dus 88.

De balans per 31 december luidt nu als volgt:

Beleggingen

184

Aandelenkapitaal

Herbeleggingsreserve

80

88

   

Uitdelingsverplichting

16

Op de inkoop van aandelen is artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet DB van toepassing. Hierin is bepaald dat tot de opbrengst behoort hetgeen wordt uitgekeerd boven het gestorte kapitaal. Indien de herbeleggingsreserve tussentijds wordt gemuteerd kan de behaalde koerswinst tot het gestorte kapitaal worden gerekend. Gegeven is dat 20% van de aandelen wordt ingekocht voor 46. Op de ingekochte aandelen geldt als gestort:

– 20% van het aandelenkapitaal

= 20

– 20% van de herbeleggingsreserve per 1/1

= 10

– 20% van de koersresultaten van 60

= 12

totaal gestort

= 42

Het dividend bij inkoop beloopt 46 – 42 = 4. De dividendbelasting hierover bedraagt 25% van 4 = 1. Op balansdatum bestaat nog een uitdelingsverplichting van 16. Hierover is bij uitdeling nog dividendbelasting verschuldigd.

9. Afrondingsreserve [Vervallen per 01-01-2009]

Beleggingsinstellingen kunnen een afrondingsreserve vormen. Hierdoor is het mogelijk de uit te delen winst enigszins af te ronden.

9.1. Plafond van de afrondingsreserve [Vervallen per 01-01-2009]

Op grond van artikel 5, tweede lid, BBI bedraagt de afrondingsreserve maximaal 1% van wat is gestort op de bij het einde van het boekjaar in omloop zijnde aandelen. Voor de bepaling van de omvang van de afrondingsreserve wordt de herbeleggingsreserve niet tot het fiscaal gestorte kapitaal gerekend. De afrondingsreserve heeft ten doel de beleggingsinstelling in staat te stellen haar winstuitkeringen af te ronden op een geheel percentage van het op de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid gestort kapitaal. Hierbij past dat als gestort kapitaal wordt aangemerkt het door de houders bij de uitgifte van de aandelen gestorte kapitaal bestaande uit het nominaal kapitaal vermeerderd met het agio.

10. Tegemoetkoming buitenlandse bronbelasting [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 6 BBI bevat een regeling voor een tegemoetkoming terzake van buiten het Rijk door inhouding geheven belasting. Uitgangspunt is dat de tegemoetkoming wordt gesteld op het bedrag aan geheven buitenlandse bronheffing dat door hier te lande belastingplichtige aandeelhouders bij rechtstreekse belegging verrekend had mogen worden.

10.1. Alternatieve peildatum voor de toepassing van artikel 6 BBI [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 6, eerste lid, BBI geeft een peildatum waarop het onderzoek naar het aandeelhoudersbestand dient te geschieden. Als peildatum geldt het tijdstip waarop een uitkering ter beschikking wordt gesteld over het jaar voorafgaande aan dat waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Vindt geen uitkering plaats, dan ontbreekt ook de peildatum. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor in het eerste boekjaar van de beleggingsinstelling en met betrekking tot jaren waarin de beleggingsinstelling een uitdelingstekort heeft.

Goedkeuring

Voor gevallen waarin de peildatum ontbreekt keur ik goed dat als alternatieve peildatum geldt het einde van het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.

11. Overgangsrecht [Vervallen per 01-01-2009]

Met ingang van 1 januari 2001 is het regime voor belegginginstellingen gewijzigd. Voorzover nog van belang volgen hierna de standpunten met betrekking tot de overgang naar de per 1 januari 2001 gewijzigde regeling.

11.1. Gevolgen keuze om per 1 januari 2001 geen herbeleggingsreserve te vormen [Vervallen per 01-01-2009]

Een op 1 januari 2001 bestaande beleggingsinstelling had de mogelijkheid om met ingang van die datum voor het vervolg geen herbeleggingsreserve meer te vormen. Deze keuze heeft geen gevolgen voor een al bestaande herbeleggingsreserve. De in het verleden gevormde herbeleggingsreserve kan in stand blijven. In de overgangsregeling is namelijk niet bepaald dat in dat geval de bestaande herbeleggingsreserve in het resultaat van 2000 moet vrijvallen. Op grond van artikel 3b van de Wet DB wordt ook de bestaande herbeleggingsreserve aangemerkt als gestort kapitaal. De keuze om vervolgens vanaf 1 januari 2001 geen herbeleggingsreserve meer te vormen heeft slechts gevolgen voor ná 1 januari 2001 behaalde koers- en vervreemdingsresultaten. Deze worden in dat geval tot het fiscale resultaat gerekend en kunnen niet aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd.

11.2. Op 1 januari 2001 aanwezige uitdelingstekorten en de daarin begrepen koersverliezen [Vervallen per 01-01-2009]

Vóór 1 januari 2001 geleden koersverliezen kunnen tot uitdrukking zijn gekomen in uitdelingstekorten. Voor de op 1 januari 2001 bestaande uitdelingstekorten is geen bijzondere overgangsregeling getroffen. Bestaande uitdelingstekorten kunnen dan ook normaal worden verrekend met de voor uitdeling beschikbare winst van de acht volgende jaren zonder dat deze uitdelingstekorten worden gecorrigeerd voor hierin opgenomen koersresultaten.

12. Dividendbelasting [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 3b van de Wet DB bepaalt dat de herbeleggingsreserve wordt aangemerkt als gestort kapitaal. Deze bepaling is ingevoerd om koers- en vervreemdingswinsten vrij van dividendbelasting ten laste van de herbeleggingsreserve te kunnen uitdelen. Teneinde de bepaling beter aan haar doel te doen beantwoorden zijn hierna twee goedkeuringen opgenomen.

12.1. Vrij van dividendbelasting uitkeren van de herbeleggingsreserve [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 3b van de Wet DB bepaalt dat de herbeleggingsreserve wordt aangemerkt als gestort kapitaal. Door het aanmerken als gestort kapitaal is op een uitdeling uit de herbeleggingsreserve artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet DB van toepassing. Dit artikel bepaalt dat op de terugbetaling van gestort kapitaal dividendbelasting moet worden ingehouden indien en voorzover er zuivere winst is, tenzij tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot de teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Is dat laatste niet het geval dan wordt volgens vaste jurisprudentie op het moment van uitkeren bepaald of sprake is van aanwezigheid van ‘zuivere winst’. In de praktijk blijkt dat de eisen die deze bepaling stelt in veel gevallen prohibitief zijn voor het doen van een uitkering vrij van dividendbelasting ten laste van de herbeleggingsreserve door de aanwezigheid van zuivere winst. De regeling van artikel 3b van de Wet DB beantwoordt hierdoor niet volledig aan haar doel. Deze regeling is juist ingevoerd om koers- en vervreemdingswinsten vrij van dividendbelasting ten laste van de herbeleggingsreserve te kunnen uitdelen. Ik heb daarom aanleiding gevonden het volgende goed te keuren.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet DB achterwege blijft indien en voorzover een beleggingsinstelling een uitkering doet ten laste van de herbeleggingsreserve. Als voorwaarde geldt dat de beleggingsinstelling zowel in haar boekhouding en jaarrekening, als tegenover haar aandeelhouders, uitdrukkelijk vastlegt dat sprake is van een uitkering ten laste van de herbeleggingsreserve.

De toets aan de aanwezigheid van zuivere winst is opgenomen om te voorkomen dat gekozen wordt voor het (belastingvrij) terug betalen van kapitaal in plaats van het uitkeren van (belast)dividend. In het geval van een beleggingsinstelling kan deze eis echter achterwege blijven omdat de op directe beleggingsresultaten rustende uitdelingsverplichting al waarborgt dat uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve niet in de plaats zullen treden van wel aan dividendbelasting onderworpen uitkeringen van het directe beleggingsresultaat. Deze goedkeuring heeft dan ook uitsluitend betrekking op inhouding van dividendbelasting op uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve door beleggingsinstellingen.

12.2. Statusverlies van de beleggingsinstelling [Vervallen per 01-01-2009]

Alleen beleggingsinstellingen kunnen een herbeleggingsreserve vormen. De vraag is gesteld of het vervallen van de status van beleggingsinstelling tot gevolg heeft dat het karakter van de herbeleggingsreserve als gestort kapitaal wijzigt. Zou dat het geval zijn dan wordt alsnog een claim gevestigd op tijdens de statusperiode opgebouwde vermogenswinsten.

Goedkeuring

Artikel 3b van de Wet DB bepaalt dat voor de heffing van dividendbelasting de herbeleggingsreserve wordt aangemerkt als gestort kapitaal. Voorzover nodig keur ik goed dat deze bepaling ook geldt na het verlies van de status van beleggingsinstelling. Bij statusverlies van de beleggingsinstelling vindt dus geen vrijval (in de winst) van de herbeleggingsreserve plaats.

Op uitkeringen ten laste van de voormalige herbeleggingsreserve is artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB overigens wel van toepassing. Uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve dienen na statusverlies van de beleggingsinstelling op dezelfde wijze te worden behandeld als uitkeringen ten laste van de agioreserve. De in onderdeel 12.1 opgenomen goedkeuring is niet langer van toepassing aangezien deze uitsluitend betrekking heeft op een uitkering uit de herbeleggingsreserve door een beleggingsinstelling.

13. Inwerkingtreding; intrekken voorgaande besluiten [Vervallen per 01-01-2009]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dagtekening daarvan. De volgende besluiten zijn met ingang van genoemde datum ingetrokken:

  • Besluit van 2 september 1970, nr. B70/17686;

  • Besluit van 15 augustus 1978, nr. 278-14759;

  • Besluit van 29 april 1982, nr. 281-13995;

  • Besluit van 28 augustus 1985, nr. 285-12476;

  • Besluit van 23 januari 1987, nr.287-387;

  • Besluit van 11 november 1988, nr. DB88/6699;

  • Besluit van 28 september 1993, nr. DB93/4178;

  • Besluit van 11 augustus 1994, nr. DB94/2900M;

  • Besluit van 20 oktober 1995, nr. DB 95/2762M;

  • Besluit van 11 maart 1996, nr. DB96/805M;

  • Besluit van 22 februari 2000, nr. CPP2000/2385M;

  • Besluit van 21 juli 2000, RTB 2000/164;

  • Besluit van 26 juli 2002, nr. CPP2002/1752M;

  • Besluit van 2 december 2002, nr. CPP2002/3247M;

  • Besluit van 14 mei 2003, nr. CPP2003/1131M;

  • Besluit van 23 januari 2004, nr. CPP2003/2923M.