KruimelpadGeldend op 09-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 oktober 2005, kenmerk DWJZ/SWW-2617663;
Gelet op
– de artikelen 5, derde en vierde lid, 6, tweede en vierde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 9, tweede lid, 9a, eerste en tweede lid, artikel 9b, tweede en vijfde lid, 11, 13, tweede lid, 40, 52, vierde en vijfde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
– de artikelen 5, tweede lid, 6, tweede lid, 8, derde lid, 10, vijfde lid, 15, eerste en tweede lid, 16, tweede lid, 18, vierde lid, 19, tweede lid, 26, derde lid, 40, vierde lid, 45, 51, tweede en vierde lid, 70, derde lid, en 75 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
– artikel 243, eerste lid, tweede volzin, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
– artikel 45 van de Comptabiliteitswet 2001;
– de artikelen 8, eerste lid, 10, tweede lid, 12, 14, 15, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste en vierde lid, 18, vierde lid, onderdeel c, 19, tweede en vierde lid, 20, eerste lid, en 27 van de Handelsregisterwet 1996;
– artikel 11, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag;
– artikel 4.2, eerste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet;
– de artikelen 3c, 4, eerste lid, en 5, eerste en tweede lid, van de Opiumwet;
– de artikelen 3, vijfde lid, 4, tweede lid, 7, vierde lid, 32, tweede lid, 41, vierde lid, 42, vijfde lid, 45, derde lid, 59, 61, vierde lid, 65, tweede lid, 67, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet;
– de artikelen 3, eerste en tweede lid, 4, eerste lid, 6, 7, eerste lid, en 8, tweede lid, van de Remigratiewet;
– de artikelen 1, eerste lid, onder e, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 9, 11, eerste lid en 27 van de Waterleidingwet;
– artikel 2, zevende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
– artikel 2, achtste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
– artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen;
– de artikelen 1, tweede lid, 5, tweede lid, 7, tweede lid, 16, tweede lid, 27, eerste lid, onderdeel i, en vijfde lid, en 46 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
– de artikelen 415a, eerste lid, 415b, tweede lid, 415d, tweede lid, 415f en 415g van het Wetboek van Koophandel;
– de artikelen 13, 37c, eerste lid, 38, eerste lid, 38a en 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
– artikel 162, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
– artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
– artikel 1 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
– de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;
– artikel 18, achtste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
– de artikelen 5, tweede lid, 11, 32, 42, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
– de artikelen 3, eerste en vijfde, achtste en negende lid, 5, tweede lid, onder b, 6, vijfde lid, en 70, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg;
– de artikelen 8, zesde lid, 9, tweede lid, letter b, 10, 11, eerste lid, aanhef en letters f, o, 2°, en u, 12, derde lid, 20, tweede lid, letter b, 29, derde lid, 39, 41b, eerste lid, 50, achtste en elfde lid, en 50a, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968;
– artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de orgaandonatie;
– de artikelen 25, 34 en 35 van de Wet op de rechtsbijstand;
– artikel 1, tweede, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg;
– de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken;
– artikel 10a van de Wet voorzieningen gehandicapten;
– de artikelen 40a, 57, tweede en derde lid, en 70, vijfde en zesde lid, van de Woningwet;
– artikel 11, derde en vierde lid, van de Zorgverzekeringswet;
De Raad van State gehoord (advies van 30 november 2005, No.W13.05.0463/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2005, kenmerk DWJZ/SWW-2642729;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.Het Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet op artikel 16b, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
2.I[Wijzigt het Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ.]
Ingetrokken worden:
a. het Besluit van 19 december 1991, houdende wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering (Stb. 723);
b. het Besluit van 19 december 1991, houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verplicht-verzekerden Ziekenfondswet (Stb. 1987, 227) (Stb. 727);
c. het Besluit van 23 december 1991, houdende wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking van de toegang tot particuliere ziektekostenverzekeringen (Stb. 773);
d. het Besluit van 9 mei 1994, houdende wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering alsmede het Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering 1992 (Stb. 355);
e. het Besluit van 18 december 1995, houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit verplicht-verzekerden Ziekenfondswet in verband met de invoering van de Wet privatisering ABP (invoering WAO-conforme regeling) (Stb. 1996, 6);
f. het Besluit van 16 augustus 1996, houdende wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering en het Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering 1992 (Stb. 437);
n. het Besluit van 23 mei 2001 tot wijziging van het Zorgindicatiebesluit in verband met de uitbreiding van de vormen van zorg waarop dat besluit van toepassing is (Stb. 265);
o. het Besluit invoering individuele tarifering apotheekhoudenden WTG.
1.De persoon die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 1.6, onderdeel A, verzekerd was op grond van artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en aanspraak had op een uitkering als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder b, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, behoudt aanspraak op zodanige uitkering voor de kosten van zorg waarop op die dag aanspraak bestond op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover:
a. de verlening van de zorg op of voor die dag is begonnen, of
b. het zorg betreft waarop hij aansluitend aan of in plaats van de onder a bedoelde zorg in redelijkheid is aangewezen.
2.De artikelen 3.1.3. tot en met 3.1.6. van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet zijn van overeenkomstige toepassing.
1.De zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet verlangt van een verzekerde als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van die wet die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de in artikel 4.3, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering genoemde bepalingen van dat besluit in het bezit was van een indicatiebesluit, een door een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verleende toestemming of een verwijzing voor de in dat artikel geregelde zorg, niet dat toestemming wordt gevraagd of een verwijzing wordt overgelegd. Het indicatiebesluit, de toestemming of de verwijzing gelden als titel voor het verkrijgen van de verzekerde prestaties gedurende de periode waarvoor het indicatiebesluit, de toestemming of de verwijzing geldt.
2.Indien een verzekerde als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Zorgverzekeringswet ingevolge de zorgverzekering recht heeft op de levering van zorg door zijn zorgverzekeraar en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de in artikel 4.3, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering genoemde bepalingen van dat besluit als verzekerde ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in dat artikel geregelde zorg ontving van een zorgaanbieder met welke de zorgverzekeraar daartoe geen overeenkomst heeft gesloten, heeft de verzekerde desalniettemin recht op zorgverlening door die zorgaanbieder voor rekening van de zorgverzekeraar.
Ten aanzien van aanspraken, rechten en verplichtingen welke voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn ontstaan krachtens bij dit besluit ingetrokken algemene maatregelen van bestuur, dan wel na dat tijdstip zijn ontstaan terzake van de afwikkeling van zodanige maatregelen, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaand aan dat tijdstip, behoudens voor zover in dit besluit afwijkende regels zijn gesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Beatrix
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
J. F. Hoogervorst
De Minister van Justitie ,
J. P. H. Donner