Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Besluit financiële bepalingen bodemsanering

Geldend op 18-04-2014


  • Besluit van 15 december 2005, houdende uitvoering van financiële bepalingen van de Wet bodembescherming ter zake van sanering van de bodem (Besluit financiële bepalingen bodemsanering)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 januari 2005, nr. MJZ2004133913, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

    Gelet op de artikelen 39f, tweede lid, 55b, derde lid, 76a, tweede en derde lid, 76b, 76c, eerste lid, 76d, 76e, 76g, tweede lid, 76j, eerste en tweede lid, 76n, tweede lid, 86b, 87a, derde lid, en 87b, tweede lid, van de Wet bodembescherming;

    De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2005, nr. W08.05.0006/V);

    Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2005, nr. DJZ 2005210938, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk 1. Algemeen

  • Artikel 1

    In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • wet: Wet bodembescherming;

    • budgethouder: gedeputeerde staten en daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen;

    • subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen;

    • werkvoorraad landbodems: vastgestelde kosten van onderzoek en sanering van verontreinigde landbodems;

    • werkvoorraad landbodems landelijk gebied: vastgestelde kosten van onderzoek en sanering van verontreinigde landbodems in het landelijk gebied;

    • apparaatskosten: kosten van personeel, informatievoorziening, organisatie, financieel beheer en automatisering verbonden aan de uitvoering van de taken van de wet;

    • bedrijfsterrein: bedrijfsterrein als bedoeld in artikel 55a van de wet.

  • Hoofdstuk 2. Verstrekken van budget aan overheden

  • Artikel 2

    • 1. Het aan de budgethouder bekend te maken indicatieve budget wordt gevormd door het totaal van de volgende onderdelen van het landelijk op grond van artikel 76 en 76n van de wet uit te keren bodemsaneringsbudget:

      • a. de op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande toezeggingen aan de budgethouder;

      • b. het door Onze Minister te berekenen bedrag dat gelijk is aan 30% van de bijdrage die ten behoeve van bodemsanering op grond van de wet is verleend aan de budgethouder voor de budgetperiode 2002 tot en met 2004;

      • c. een door Onze Minister voor de budgethouder gereserveerd bedrag bestemd voor onderzoek en sanering van gasfabrieken;

      • d. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen budget ter tegemoetkoming in de kosten van het onderzoek van onderzoeksgevallen en van het saneringsonderzoek en de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van regionale waterbodems zoals bedoeld in artikel 76n van de wet;

      • e. het op grond van een ministeriële regeling te bepalen bedrag voor de budgethouders, gebaseerd op het relatieve aandeel van de budgethouder in de werkvoorraad landbodems landelijk gebied.

  • Artikel 3

    • 1. Voor gemeenten, genoemd in het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, komen apparaatskosten verbonden aan de uitvoering van de wet voor een vergoeding in aanmerking op grond van artikel 76b van de wet. Deze vergoeding bestaat uit een door Onze Minister te bepalen bedrag per formatieplaats vermenigvuldigd met:

      • a. een door Onze Minister te bepalen aantal vaste formatieplaatsen;

      • b. het relatieve aandeel van de gemeente in de werkvoorraad landbodems vermenigvuldigd met het door Onze Minister te bepalen aantal formatieplaatsen voor variabele taken.

    • 2. Andere niet-projectgebonden kosten dan apparaatskosten als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking voor vergoeding op grond van bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

  • Artikel 4

    • 1. De aanvraag tot verlening van het budget, bedoeld in artikel 76c van de wet, wordt, vergezeld van het in dat artikel bedoelde programma dat is vastgesteld door de budgethouder, voor 15 november voorafgaand aan de budgetperiode ingediend bij Onze Minister.

    • 2. In het programma worden aan de orde gesteld:

      • a. de doorloop van prestaties uit eerdere budgetperioden,

      • b. de terugloop van de werkvoorraad landbodems,

      • c. de regionale waterbodems,

      • d. andere bij ministeriële regeling te benoemen onderwerpen.

    • 3. In het programma wordt aan de hand van bij ministeriële regeling aan te geven toetsbare grootheden inzicht gegeven in de doelstellingen die met het te verlenen budget zullen worden gerealiseerd in deze periode, alsmede de werkzaamheden met betrekking tot waterbodems. Tevens wordt aangegeven wat hierbij het aandeel is van onderzoek en saneringen op initiatief van anderen dan de budgethouder.

    • 4. In het programma wordt een financiële paragraaf opgenomen, waarin inzicht wordt geboden in de mate waarin het indicatieve budget, de eigen middelen van de budgethouder en de inzet van anderen dan de budgethouder, bijdragen aan het realiseren van de in het programma opgenomen doelstellingen en prestaties. Tevens beschrijft de budgethouder de te nemen maatregelen om bijdragen van derden in de financiering van het programma te bewerkstelligen.

    • 5. Bij ministeriële regeling wordt het model van het programma vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

  • Artikel 5

    Onze Minister verleent het budget voor zover het programma, bedoeld in artikel 76c van de wet, voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 en de in het programma weergegeven doelstellingen voldoende invulling geven aan de onderwerpen genoemd in artikel 4, tweede lid.

  • Artikel 6

    Afwijkingen van het programma, bedoeld in artikel 76c van de wet, en de voortgang van de uitvoering daarvan worden door de budgethouder elk jaar voor 1 mei in het kader van de toepassing van artikel 87b van de wet gemeld.

  • Artikel 7

  • Artikel 7a

  • Hoofdstuk 3. Verstrekken subsidies aan derden

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 8

    Waar in dit hoofdstuk en volgende hoofdstukken wordt gesproken over gedeputeerde staten wordt daaronder mede verstaan de daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen.

  • § 2. Subsidieverlening

  • Artikel 9

    Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan de eigenaar of indien op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust de erfpachter van een bedrijfsterrein voor het saneren van een geval van ernstige verontreiniging van een bedrijfsterrein met inachtneming van de navolgende artikelen.

  • Artikel 10

    Indien een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 9 op verschillende momenten wordt gesaneerd in afzonderlijke delen, die zich onderscheiden doordat de verontreiniging daarbinnen door aanwijsbaar te onderscheiden oorzaken is ontstaan, kan Onze Minister voor ieder deel afzonderlijk subsidie verstrekken.

  • Artikel 11
    • 1.Om voor subsidie in aanmerking te komen dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • a. door Onze Minister is vastgesteld dat, en voor welk deel, de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975, is veroorzaakt;

      • b. de eigendom onderscheidenlijk de erfpacht voor 1 januari 1995 is verworven;

      • c. de aanmelding, bedoeld in artikel 12, plaatsvindt voor 1  januari 2008, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat door bijzondere omstandigheden aanmelding voor die datum niet mogelijk was;

      • d. de sanering wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wet;

      • e. in de beschikking bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dat spoedig dient te worden gesaneerd, dan wel de noodzaak tot sanering is ontstaan naar aanleiding van voorgenomen activiteiten op het desbetreffende bedrijfsterrein, en

      • f. er op grond van artikel 75, eerste, derde en zesde lid van de wet door de Staat geen kosten verhaald zullen worden op de aanvrager van de subsidie.

    • 2.Indien het bedrag van de subsidie hoger zal zijn dan het bedrag van de kosten die verhaald zullen worden, geldt de voorwaarde in het eerste lid, onder f, niet voor dat deel van de subsidie dat het kostenverhaal te boven gaat.

    • 3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van de bodemverontreiniging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

    • 4.De subsidie voor het saneren van een bedrijfsterrein kan, onder de voorwaarden genoemd in het eerste lid, met uitzondering van het eerste lid, onder b, worden verleend aan de opvolgend eigenaar respectievelijk erfpachter van een bedrijfsterrein indien:

      • a. de gegevens bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid van eerdere overdrachten, worden verstrekt, en

      • b. eigendom of erfpacht van een bedrijfsterrein wordt overgedragen na een aanmelding, op grond van artikel 12.

  • Artikel 12
    • 1.De aanvraag tot subsidieverlening, gedaan op of na 1 januari 2008, wordt voor dat tijdstip aangemeld bij Onze Minister waarbij de volgende gegevens worden overgelegd:

      • a. naam en adresgegevens van de eigenaar respectievelijk de erfpachter;

      • b. kadastrale gegevens van het desbetreffende perceel;

      • c. de resultaten van bodemonderzoek op tenminste het niveau van een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen, dan wel, indien reeds nader onderzoek is verricht, de resultaten van dat onderzoek met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging dat zich op het betreffende perceel bevindt.

    • 2.Aan de aanmelder wordt onverwijld een bericht van ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanmelding wordt vermeld.

  • Artikel 13
    • 1.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

      • a. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet, met daarbij de resultaten van een nader onderzoek indien deze niet bij de aanmelding, bedoeld in artikel 12 zijn overgelegd, dan wel een melding op grond van artikel 39b van de wet,

      • b. een gewaarmerkte kopie van de koopovereenkomst en een kopie van de akte van eigendomsoverdracht van het bedrijfsterrein en, indien van toepassing, een kopie van de akte tot vestiging van het erfpachtrecht en van de akte tot overdracht van het erfpachtrecht, en

      • c. bij wijziging van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 12, eerste lid, onder a, een actualisering van deze gegevens;

      • d. een begroting van de saneringskosten.

    • 2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot gegevens die bij de aanvraag tot subsidieverlening worden verstrekt.

    • 3.De aanvrager ontvangt onverwijld een bericht van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening, waarin de datum van ontvangst van de aanvraag wordt vermeld.

  • Artikel 14
    • 1.Onze Minister neemt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een beslissing op de aanvraag, waarbij het percentage van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van de artikelen 17 tot en met 19, onder vermelding van een maximumbedrag.

    • 2.Onze Minister kan de termijn als bedoeld in eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.

    • 3.Voorafgaand aan de verlenging wordt daarvan schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.

  • Artikel 15

    Onze Minister weigert de subsidie indien:

    • a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging;

    • b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;

    • c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.

  • Artikel 16
    • 1.Aan de verleningsbeschikking worden de volgende verplichtingen verbonden:

      • a. de sanering heeft niet tot gevolg dat de bodem geschikt wordt gemaakt voor gevoeliger gebruik dan gebruik als bedrijfsterrein en

      • b. het bedrijfsterrein wordt niet binnen vijf jaar nadat gedeputeerde staten hebben ingestemd met het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet, ten behoeve van gevoeliger gebruik dan gebruik als bedrijfsterrein benut of vervreemd.

    • 2.Indien zich binnen vijf jaar na subsidievaststelling een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, meldt de eigenaar of erfpachter die onverwijld aan Onze Minister.

  • Artikel 17
    • 1.De hoogte van de subsidie is bij directe of indirecte betrokkenheid, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b van de wet, van de eigenaar of de erfpachter bij de veroorzaking van de verontreiniging dan wel in het geval van een duurzame rechtsbetrekking tussen de eigenaar of de erfpachter enerzijds en de veroorzaker van de verontreiniging anderzijds

      • a. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983 of

      • b. 15 % van de subsidiabele saneringskosten indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1995.

    • 2.De hoogte van de subsidie bedraagt bij het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid of duurzame rechtsbetrekking:

      • a. 60 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983;

      • b. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1987;

      • c. 15% van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1987 en voor 1 januari 1995.

    • 3.In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de subsidie 30% indien de eigenaar of de erfpachter blijkens de verwervingsdocumenten op de hoogte was van de verontreiniging.

    • 4.In afwijking van het tweede lid, onder b en c, wordt indien de eigenaar of de erfpachter, blijkens de verwervingsdocumenten in verband met de sanering van een bodemverontreiniging een bedrag in mindering heeft gebracht op de koopprijs van het bedrijfsterrein, dat bedrag in mindering gebracht op de subsidiabele saneringskosten.

    • 5.De hoogte van de subsidie wordt berekend naar evenredigheid van het door Onze Minister op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 11, derde lid, vastgestelde deel van de verontreiniging dat is ontstaan voor 1 januari 1975.

    • 6.In het geval van een subsidieverlening als bedoeld in artikel 11, vierde lid, is de hoogte van het subsidiepercentage ingevolge dit artikel, gelijk aan de hoogte van het subsidiepercentage dat aan de eigenaar of erfpachter zou zijn verleend als geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.

  • Artikel 18

    Onder verwerving als bedoeld in artikel 17 wordt niet verstaan:

    • a. de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming als bedoeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting door de eigenaar dan wel de erfpachter van het bedrijfsterrein van de onderneming;

    • b. de overdracht van de onderneming binnen het familieverband van de eigenaar tot de tweede graad in de rechte lijn;

    • c. de verwerving binnen een opvolging onder algemene titel.

  • Artikel 19
    • 1.Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar respectievelijk de erfpachter een onderneming is en voldaan wordt aan de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen overeenkomstig de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEG L124), dan wel daarvoor in de plaats tredende regelgeving.

    • 2.Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar of de erfpachter onderneming noch overheid is.

    • 3.Het maximumbedrag van de door Onze Minister te verlenen subsidie wordt bepaald door de uitkomst van de subsidiabele saneringskosten van de gekozen saneringsvariant tegen het van toepassing zijnde subsidiepercentage te vermenigvuldigen met 1,15.

    • 4.Indien met de gekozen saneringsvariant niet de beoogde effecten worden bereikt, kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, op verzoek van de aanvrager in een herziene beslissing op de aanvraag het maximumbedrag als bedoeld in het derde lid verhogen, waarbij het derde lid in acht wordt genomen.

  • Artikel 20

    Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend en de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger.

  • § 3. Subsidievaststelling

  • Artikel 21
    • 1.De aanvraag tot subsidievaststelling wordt bij Onze Minister ingediend gelijktijdig met de indiening van het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet, of uiterlijk dertien weken daarna.

    • 2.De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.

    • 3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.

    • 4.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.

  • Artikel 22
    • 1.Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling op de aanvraag, in elk geval nadat is beslist op het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet.

    • 2.Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.

  • Artikel 23
    • 1.Indien de uitvoering van de sanering van het bedrijfsterrein overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de wet, in fasen geschiedt of ingevolge artikel 39, eerste lid, onderdeel h, van de wet, tijdstippen zijn bepaald waarop tussentijds wordt gerapporteerd aan gedeputeerde staten, kan de aanvraag om vaststelling bedoeld in artikel 21, eerste lid, eerder worden ingediend, na voltooiing van een aantal fasen van de sanering, of, indien tussentijds over de voortgang wordt gerapporteerd en daaruit blijkt dat de tussentijdse effecten zijn bereikt.

    • 2.Indien de aanvraag om subsidievaststelling op grond van het eerste lid is ingediend, wordt de hoogte van de subsidie berekend over de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.

  • § 4. Voorschot

  • Artikel 24
    • 1. Op aanvraag van de subsidie-ontvanger kan Onze Minister ten hoogste eenmaal een voorschot verlenen, indien de aanvrager financiële zekerheid heeft gesteld voor het nog te voltooien gedeelte van de sanering.

    • 2. De hoogte van het voorschot wordt berekend naar rato van het gedeelte van de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.

  • § 5. Betaling

  • Artikel 25

    Het subsidiebedrag wordt betaald binnen acht weken nadat de beschikking tot subsidievaststelling op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

  • Hoofdstuk 4. Verdeling van de rijksbijdrage

  • Artikel 26

    • 1.De bestuursorganen aan wie Onze Minister de uitvoering van bepalingen van dit besluit krachtens artikel 76j, vierde lid, van de wet heeft gedelegeerd, melden een aanvraag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, voorafgaand aan de beslissing omtrent verlening van de subsidie bij Onze Minister.

    • 2.De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat:

      • a. een concept van de beschikking tot subsidieverlening op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, die een bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid, voornemens is af te geven;

      • b. de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens.

  • Artikel 27

    • 1.De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, dienen jaarlijks een aanvraag in tot verstrekking van een bijdrage ter vergoeding van subsidie en betaling van voorschotten aan derden ten behoeve van de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e.

    • 2.De aanvraag om een bijdrage, bedoeld in het eerste lid:

      • a. wordt schriftelijk uiterlijk 31 maart na het kalenderjaar waarover de bijdrage wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister, en

      • b. bevat de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens en de gegevens, bedoeld in artikel 28 alsmede de verklaring bedoeld in artikel 29, eerste lid.

    • 3.Onze Minister stelt de bijdrage aan de bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, vast indien de aanvraag voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.

    • 4.De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, kunnen schriftelijk een gemotiveerde aanvraag voor een voorschot op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden gesteld in het tweede lid, onder b, en kan worden ingediend indien en voor zover bedoelde bestuursorganen voorzien dat er onvoldoende financiële middelen op grond van de uitvoering van de wet zijn om de subsidie aan derden, ten behoeve van sanering van gevallen genoemd in het eerste lid, tijdig te kunnen uitbetalen.

  • Artikel 28

    Van de besteding van de bijdrage bedoeld in artikel 27, eerste lid, wordt een bestedingsverantwoording opgesteld overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen regels.

  • Artikel 29

    • 2.De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt opgesteld met inachtneming van de bij ministeriële regeling gestelde regels.

  • Hoofdstuk 5. Collectieve saneringen

  • Artikel 30

    Onze Minister kan coördinerende rechtspersonen aanwijzen, die belast zijn met de uitvoering en coördinatie van de bodemsaneringactiviteiten met betrekking tot bedrijfsterreinen van bij de rechtspersoon aangesloten eigenaren of erfpachters van die bedrijfsterreinen. Van de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • Artikel 31

    • 1.Onze Minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, voor het collectief saneren van een aantal gevallen van ernstige verontreiniging van bedrijfsterreinen.

    • 2.Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van de bevoegdheid in het eerste lid nadere regels worden gesteld.

  • Artikel 32

    • 1.De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie wordt uiterlijk dertien weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister.

    • 2.De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie omvat:

      • a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen,

      • b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven.

  • Artikel 33

    • 1.De ontvanger van een projectsubsidie voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

    • 2.Deze administratie wordt gedurende zeven jaren bewaard.

  • Artikel 34

    • 1.Binnen dertien weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie in.

    • 2.De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.

    • 3.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.

    • 4.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie.

  • Artikel 35

    Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, bedoeld in artikel 30 ten behoeve van de exploitatielasten van diens bureau. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

  • Artikel 36

    • 1.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 35.

    • 2.Onze Minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.

  • Artikel 37

    • 1.Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35.

    • 2.Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, voor ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.

    • 3.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35, gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de exploitatiekosten op grond waarvan subsidie is verleend.

    • 4.Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.

  • Artikel 37a

    Onze Minister weigert de subsidie voor het deel waarvoor:

    • a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging;

    • b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt;

    • c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.

  • Hoofdstuk 6. Financiële zekerheid

  • Artikel 38

    • 1. Financiële zekerheid als bedoeld in artikel 55b, derde lid van de wet, wordt door de opvolgende eigenaar of erfpachter ten behoeve van gedeputeerde staten gesteld door middel van:

      • a. een bankgarantie, of

      • b. een hypotheek- of een pandrecht of,

      • c. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in de onderdelen a en b.

    • 2. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden totdat gedeputeerde staten hebben ingestemd met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39 van de wet.

    • 3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.

    • 4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.

  • Artikel 39

    • 1. Gedeputeerde staten kunnen financiële zekerheid laten stellen in een geval als bedoeld in artikel 39f van de wet, indien de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste vijf jaar zullen worden gerealiseerd.

    • 2. Indien gedeputeerde staten de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid opleggen, kunnen zij bepalen op welke wijze aan die verplichting uitvoering wordt gegeven. Daarbij kunnen de volgende vormen worden opgelegd:

      • a. een borgtocht of een bankgarantie

      • b. een hypotheek- of een pandrecht,

      • c. het deelnemen aan een fonds dat naar het oordeel van gedeputeerde staten voldoende waarborg biedt dat de desbetreffende kosten zijn gedekt, of

      • d. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in a tot en met c.

    • 3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.

    • 4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.

    • 5. De verplichting financiële zekerheid in stand te houden vervalt:

      • a. Met betrekking tot de uitvoering van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid: wanneer gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 39c, derde lid, hebben ingestemd met het daarin bedoelde verslag;

      • b. Wanneer gedeputeerde staten aan degene aan wie de verplichting was opgelegd te kennen hebben gegeven dat naar hun oordeel financiële zekerheid niet langer vereist is.

    • 6. Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld op basis van de te verwachten kosten van sanering of nazorg na een periode van 5 jaar. Het bedrag kan op verzoek van degene die de zekerheid heeft gesteld tussentijds worden bijgesteld indien een deel van de maatregelen waarvoor zekerheid is gesteld, is uitgevoerd.

  • Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

  • Artikel 40

    • 1.Het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid is van toepassing op een sanering, voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975 is veroorzaakt, dan wel voor zover de verontreiniging op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein niet op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.

    • 2.Indien naar het oordeel van Onze Minister de levensvatbaarheid van een bedrijf als gevolg van de handhaving van de verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, neemt Onze Minister op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich.

    • 3.De eigenaar of erfpachter vergoedt in het geval, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister een naar draagkracht te bepalen bedrag waarvan de hoogte wordt bepaald volgens de bijlage bij dit besluit.

    • 4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen van eigenaar of erfpachter en Onze Minister bij de uitvoering van de sanering in het in het tweede lid bedoelde geval.

  • Artikel 40a

    • 1.Voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan, is artikel 40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien voldaan wordt aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L10),dan wel daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving. Daarbij wordt afgeweken van de bijlage behorende bij artikel 40 van dit besluit voor zover de regels gesteld bij of krachtens de genoemde verordening of de daarvoor in de plaats tredende regelgeving daartoe verplichten.

    • 2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Artikel 40, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 41

    • 1. Onze Minister kan aan een organisatie zonder winstoogmerk per boekjaar subsidie verstrekken voor bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van onderzoek en sanering.

  • Artikel 42

    Indien op grond van artikel 86b van de wet, het bedrag dat uit ’s Rijks kas beschikbaar is, wordt verhoogd of anderszins budgettaire ruimte ontstaat en Onze Minister het budget verhoogt, kan Onze Minister andere criteria dan de in artikel 4, tweede lid genoemde, laten gelden. Voorafgaand aan de verhoging van het budget wordt door de budgethouder een aanvulling van het programma, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, van de wet ingediend. De artikelen 3, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5 en 7 zijn van toepassing.

  • Artikel 43

    Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens bedoeld in artikel 87a, tweede lid, van de wet en de wijze waarop het verslag bedoeld in 87b van de wet wordt gedaan en de gegevens die daarbij worden verstrekt.

  • Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

  • Artikel 44

    Een aanvraag om subsidieverlening, ingediend op een tijdstip gelegen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld overeenkomstig de op dat tijdstip geldende regelgeving.

  • Artikel 45

    Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

  • Artikel 46

    • 1.Indien het bij koninklijke boodschap van 11 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen (29 462) tot wet wordt verheven, treedt die wet in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien het Staatsblad waarin die wet of dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2005, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

    • 2.Indien het bij koninklijke boodschap van 11 maart 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen (29 462) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking, met uitzondering van artikel 40 en de daarbij behorende bijlage, die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De artikelen 2, 3, 4, 5, 41 en 43 werken terug tot en met 1 januari 2005.

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

    ’s-Gravenhage, 15 december 2005

    Beatrix

    De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,

    P. L. B. A. van Geel

    Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2005

    De Minister van Justitie ,

    J. P. H. Donner

  • Bijlage behorende bij artikel 40 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering

    Draagkrachtinstrument

    Ter bepaling van de vergoeding naar draagkracht door een bedrijf aan het bevoegd gezag Wbb in het geval het bevoegd gezag op verzoek van het bedrijf de uitvoering van de sanering op zich neemt

    Van deze bijlage wordt afgeweken voor zover de regels gesteld bij of krachtens artikel 40a van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering daartoe verplichten.

     

    Begrippenlijst:

    1.

    Inleiding

    2.

    Doelgroep

    3.

    Doelstelling draagkrachtinstrument

    4.

    Aanpak en criteria

    5.

    Stappen vaststellen vergoeding

    6.

    Condities lening door het bevoegd gezag

     

    Bijlage 1. Rekenvoorbeeld

    Bijlage 2. Dienstenpakket IMK Intermediair

    Begrippenlijst

    betaalcapaciteit: de vrije financiële ruimte van de onderneming of groep van ondernemingen die beschikbaar is om aan de verschuldigde rente en aflossing van eventueel nieuw te verstrekken leningen te kunnen voldoen.

    bestendige gedragslijn: een constant gehanteerde wijze van kosten- en opbrengstentoedeling, afschrijvingen, en winstpolitiek over de verslagjaren.

    groep van ondernemingen: onder groep wordt, naar analogie van artikel 24 lid b Burgerlijk Wetboek 2, verstaan een economische eenheid waarin natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden.

    minimale vergoeding door het bedrijf aan het bevoegd gezag: de waardestijging van het terrein minus 0,15 x de kosten van sanering.

    «genormaliseerde» herinvesteringen: de afschrijvingskosten minus de afschrijving op onroerende zaken, voor zover dit geen afschrijvingen op verbouwingen betreffen.

    «genormaliseerde» exploitatierekening: een exploitatierekening waarin afwijkingen van een bestendige gedragslijn alsook afwijkingen van de gebruikelijke fiscale afschrijvingsregimes worden geëlimineerd/gecorrigeerd.

    overigens gezond bedrijf: de onderneming of groep van ondernemingen die, afgezien van een eventuele sanering, in staat wordt geacht aan de normale kosten van bedrijfsvoering inclusief ondernemersbeloning uit het resultaat van de onderneming(en) te kunnen voldoen.

    voorliggende voorzieningen: interne financieringsbronnen en externe financieringsmogelijkheden, waarbij:

    • interne financieringsbronnen: beschikbare activa die niet noodzakelijk worden geacht voor de normale bedrijfsuitoefening.

    • externe financieringsmogelijkheden: door derden te verstrekken kredietfaciliteiten onder normale marktconforme condities op basis van de beschikbare zekerheden (solvabiliteit) en de winstgevendheid (rentabiliteit) binnen de onderneming of groep van ondernemingen.

    waarde in schone staat: de onderhandse verkoopwaarde van het terrein (grond en opstallen).

    De waarde wordt ontleend aan een door een ter zake deskundige vastgestelde waarde in een taxatierapport. Dit rapport dient niet ouder te zijn dan 6 maanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag.

    waarde in verontreinigde staat: (de waarde vóór de noodzakelijke sanering van de grond en opstallen): de waarde in schone staat onder aftrek van de geschatte kosten van de sanering. Bij een negatief saldo bedraagt de waarde in verontreinigde staat € 1,=.

    waardestijging door sanering: waarde in schone staat minus waarde in verontreinigde staat, waarbij als minimum een bedrag van € 1,= geldt (zie definitie waarde in verontreinigde staat).

    winstpolitiek: de directiebeloningen, dividendpolitiek en overige onttrekkingen aan de bedrijfsvoering ten gunste van eigenaren en aandeelhouders.

    1. Inleiding

    De minister van VROM heeft toegezegd dat zoveel mogelijk zal worden voorkomen dat «overigens gezonde» bedrijven failliet gaan als gevolg van een verplichte bodemsanering. In deze notitie wordt ingegaan op de wijze waarop aan deze wens invulling gegeven wordt, in situaties waarin sprake is van een ernstige verontreiniging waarvan het bevoegd gezag de sanering noodzakelijk acht.

    Over de bodemsanering van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen hebben het ministerie van VROM, het ministerie van Economische Zaken, de provincies en de gemeenten die bevoegd gezag Wet bodembescherming zijn in 2001 een convenant gesloten met VNO-NCW en MKB-Nederland. Hoofdafspraken zijn:

    • 1. een saneringsplicht voor eigenaren en erfpachters van urgent te saneren ernstig verontreinigde grond,

    • 2. een recht op subsidie voor de saneringsplichtigen en

    • 3. draagkrachtondersteuning voor overigens gezonde bedrijven die failliet zouden gaan als gevolg van de saneringsplicht.

    De saneringsplicht is opgenomen in artikel 55b van de Wet bodembescherming (Wbb). De subsidiegrondslag is in artikel 76j van de Wbb opgenomen en wordt bij AMvB geregeld in hoofdstuk 3 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering (bedrijvenregelingdeel). De grondslag voor draagkrachtondersteuning is opgenomen in artikel 40 van dit besluit. Het artikel stelt dat indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van de verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, het bevoegd gezag Wbb op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich kan nemen. De eigenaar of erfpachter vergoedt in dat geval aan het bevoegd gezag een naar draagkracht te bepalen bedrag en het bevoegd gezag wordt opdrachtgever van de sanering.

    Genoemd artikel in het Besluit financiële bepalingen is niet alleen van toepassing op ernstig verontreinigde bedrijfsterreinen die bedrijfsterrein blijven. Immers: bodemverontreiniging zal ook financiële gevolgen hebben voor de eigenaren en erfpachters van bedrijfsterreinen die moeten worden gesaneerd in het kader van stedelijke vernieuwing of natuurontwikkeling. Hoewel in die gevallen de kosten van de bodemsanering veelal worden meegewogen in een afspraak over beëindiging of uitplaatsing van het bedrijf, kan het draagkrachtinstrument een rol vervullen bij de bepaling van de verdeling van de kosten over de belanghebbenden bij het project. De hoogte van de bijdrage van de eigenaar of erfpachter is bepalend voor de «multiplier» van de bodemsaneringsmiddelen van de overheid.

    Teneinde de vergoeding naar draagkracht van een bedrijf te kunnen bepalen is een draagkrachttoets ontwikkeld. Op grond van deze toets kan geobjectiveerd onderzoek worden uitgevoerd naar de draagkracht van een bedrijfsmatige eigenaar van vervuilde grond die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, zijn bodem dient te saneren. Door te onderzoeken hoeveel kosten redelijkerwijs ten laste van het bedrijf te brengen zijn, wordt gestreefd zoveel mogelijk te voorkomen dat «overigens gezonde» bedrijven failliet gaan ten gevolge van een opgelegde bodemsanering.

    Aan de hand van de toets wordt de hoogte en samenstelling van de vergoeding door het bedrijf vastgesteld. De overige saneringskosten komen voor rekening van het bevoegd gezag. Voorzover deze niet uit de subsidieregeling voor bodemsanering van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen gedekt kunnen worden, brengt het deze ten laste van zijn ISV- of Wbb-bodemsaneringsbudget.

    2. Doelgroep

    Dit instrument is bedoeld voor «overigens gezonde» bedrijfsmatige eigenaars/erfpachters van ernstig verontreinigde bedrijfsterreinen. Voorwaarde om in aanmerking te komen is een noodzaak tot sanering. Door het bevoegd gezag moet zijn vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dat spoedig dient te worden gesaneerd.

    Bij de beoordeling of van een bedrijfsmatige eigenaar of erfpachter van vervuilde grond zijn sanering op verzoek kan worden overgenomen, wordt de groep van ondernemingen in aanmerking genomen.

    Een bedrijfsmatig eigenaar of erfpachter die een bedrijfsterrein verhuurt aan een «derde» huurder, niet behorende tot de groep van ondernemingen, die de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt komt niet afzonderlijk in aanmerking. Hij dient de huurder aansprakelijk te stellen. Het bevoegd gezag kan evt. een saneringsbevel opleggen aan de huurderveroorzaker. Wanneer de eigenaar/erfpachter en huurder tezamen niet in staat zijn de bodemsanering te financieren, zullen zij voor de draagkrachttoets worden behandeld als behorend tot een groep. Ook een particuliere eigenaar die een bedrijfsterrein verhuurt aan een huurder die bodemverontreiniging heeft veroorzaakt dient de huurder aansprakelijk te stellen.

    De uitvoering van de voorliggende methode voor vaststelling van de hoogte en samenstelling van de vergoeding die een bedrijf dient bij te dragen is niet zonder meer toepasbaar bij bedrijven waarvan de zeggenschap ligt bij niet voor de Nederlandse wet belastingplichtige rechtspersonen. De regelgeving ten aanzien van financiële verslaglegging en de gehanteerde winstpolitiek kan immers verschillen van wat in Nederland gebruikelijk is. In die gevallen zal het bevoegd gezag een opdracht verstrekken aan een terzake kundig bureau, met als doel om op gelijkwaardige wijze de vereiste bijdrage van het bedrijf vast te stellen.

    3. Doelstelling draagkrachtinstrument

    Doelstelling is zoveel mogelijk te voorkomen dat – overigens gezonde – bedrijven failliet gaan ten gevolge van de hen opgelegde verplichting tot het saneren van hun bedrijfsterrein. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van deze verplichting zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, kan het bevoegd gezag op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich nemen.

    Voor de berekening van de minimale vergoeding die een bedrijf zelf moet betalen is een formule afgeleid van het Milieusteunkader: het door het bevoegd gezag te financieren deel mag in totaal niet hoger zijn dan 115% van de saneringskosten minus de waardestijging van het betreffende terrein. Anders zou er – conform het EG-verdrag en dit beleidkader van de Europese Commissie – sprake zijn van ongeoorloofde staatssteun. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele verstrekte subsidies in het kader van bodemsanering. Volgens het milieusteunkader geldt:

    Maximale bijdrage bevoegd gezag:

    = 115% van de saneringskosten minus

    de waardestijging door sanering van het betreffende terrein

    Door middel van het draagkrachtinstrument wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld, die het bedrijf aan het bevoegd gezag betaalt als afkoop van de saneringsplicht. Omdat bij het vaststellen van de vergoeding ook rekening moet worden gehouden met dezelfde Europese regelgeving, betekent dit dat bovenstaande formule als volgt gelezen dient te worden:

    Minimale vergoeding van het bedrijf aan het bevoegd gezag:

    = de waardestijging door sanering van het betreffende terrein

    minus 0,15 x de saneringskosten

    Indien voor de kosten van sanering onvoldoende voorliggende voorzieningen aanwezig zijn kan de onderneming het bevoegd gezag verzoeken de uitvoering van de sanering op zich te nemen. De vergoeding die het bedrijf hiervoor aan het bevoegd gezag betaalt, mag niet lager zijn dan het volgens de formule vastgestelde minimum.

    4. Aanpak en criteria

    Het draagkrachtinstrument is gebaseerd op de werkwijze die ook is toegepast bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 ondersteunt ondernemers die – door welke oorzaak dan ook – tijdelijk in financiële problemen zijn geraakt of dreigen te raken. Voorwaarde is, dat het bedrijf na financiële ondersteuning naar verwachting levensvatbaar is, en dat de ondernemer het wil voortzetten. Bij de bepaling van de grondslagen voor de draagkrachttoets is, waar mogelijk en/of voor zover van toepassing, uitgegaan van de regels en gebruikelijke praktijk die wordt gehanteerd bij de toetsing van ondernemers die in aanmerking wensen te komen voor een financiering in het kader van het Bbz 2004.

    IMK Intermediair is als adviesorganisatie betrokken bij de uitvoering van het Bbz en heeft in samenwerking met VROM de draagkrachttoets ontwikkeld en zal als uitvoerende instantie door het bevoegd gezag worden ingeschakeld voor de toetsing van de draagkracht i.c. de uitvoering van deze draagkrachttoets. In bijlage 2 bij deze notitie wordt een overzicht gegeven van het relevante dienstenpakket van IMK Intermediair.

    Het draagkrachtinstrument draagt een sluitstuk karakter. Om in aanmerking te komen dient – naast het primaire criterium dat de eigenaar/erfpachter verplicht wordt zijn grond te saneren – voldaan te worden aan de volgende (basis)criteria.

    A. Overigens gezond

    Onder een «overigens gezond bedrijf» wordt verstaan de onderneming of groep van ondernemingen die, indien er geen sanering zou moeten plaatsvinden, in staat wordt geacht de normale kosten van bedrijfsvoering inclusief ondernemersbeloning uit de exploitatie van de onderneming(en) te kunnen dekken. Indien de levensvatbaarheid van het bedrijf als gevolg van de verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, kan het bevoegd gezag op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich nemen.

    B. Noodzakelijkheidcriterium

    Indien een bedrijfsmatige eigenaar of erfpachter van een ernstig verontreinigd bedrijfsterrein dat spoedig dient te worden gesaneerd, ten gevolge van de saneringskosten niet meer aan haar normale verplichtingen t.a.v. rentekosten, aflossingen en de «genormaliseerde» herinvesteringen kan voldoen, voldoet de aanvrager aan het noodzakelijkheidcriterium. Onder eigenaar wordt de onderneming of groep van ondernemingen verstaan.

    C. Complementair karakter

    De regeling heeft een aanvullend karakter. Een bedrijf zal eerst zijn voorliggende voorzieningen moeten aanspreken.

    D. Eigen verantwoordelijkheid

    Onder eigen verantwoordelijkheid wordt verstaan dat de onderneming op grond van redelijkheid en billijkheid maximale inspanningen heeft gepleegd om niet in de omstandigheden te geraken dat een beroep gedaan dient te worden op het bevoegd gezag de uitvoering van de sanering op zich te nemen en dat de onderneming voldoende inspanning heeft gepleegd om zelf maximaal bij te dragen in de kosten van sanering.

    Deze draagkrachttoets is opgesteld ten behoeve van de objectivering van de bepaling van de vergoeding naar draagkracht. Vaststelling vindt plaats op basis van algemeen geldende bedrijfseconomische criteria.

    5. Stappen vaststellen vergoeding

    De hoogte van vergoeding naar draagkracht van een eigenaar of erfpachter te betalen aan het bevoegd gezag voor het overnemen van de uitvoering van de sanering, wordt aan de hand van de volgende stappen berekend:

    I. Bepalen van de totale saneringskosten

    op basis van een offerte of andere, voldoende betrouwbare schatting van de saneringskosten

    II. Bepalen van de waardestijging van het terrein door de sanering

    waarde terrein in schone staat (volgens taxatie)

     
     

    saneringskosten

    –/–

     

    = waarde terrein in verontreinigde staat (minimaal € 1, nooit negatief)

     
        

    en vervolgens:

    waarde terrein schoon

     
      

    waarde terrein verontreinigd

    –/–

      

    = waardestijging van het terrein door de sanering

    III. Bepalen van de minimale vergoeding van een bedrijf aan het bevoegd gezag

    waardestijging van het terrein door de sanering

     
     

    (0,15 × saneringskosten)

    –/–

     

    = minimale vergoeding van een bedrijf aan het bevoegd gezag

     

    IV. Bepalen van de vergoeding van het bedrijf

    Om te kunnen bepalen welk bedrag een eigenaar of erfpachter dient te vergoeden, worden twee sub-stappen genomen.

    Sub i. normaliseren van gegevens

    Teneinde objectief te toetsen welk bedrag een eigenaar of erfpachter dient te vergoeden, wordt beoordeeld of er sprake is van:

    • een overigens gezond bedrijf,

    • noodzakelijkheid,

    • complementair karakter van de gevraagde ondersteuning,

    • voldoende besef van eigen verantwoordelijkheid (is er geen sprake van aantoonbaar opportunistisch gedrag).

    De beoordeling van de financiële positie van een eigenaar of erfpachter vindt plaats op basis van de door hem te overleggen jaarrekeningen van de onderneming of groep van ondernemingen over de vijf boekjaren die vooraf gaan aan het jaar van de draagkrachttoets. Voor de toetsing of een bestendige gedragslijn is gevolgd in kostenpatroon en winstuitkeringen dient tevens de jaarrekening overgelegd te worden van het boekjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

    De financiële positie en de exploitatie van de onderneming(en) van aanvrager wordt beoordeeld op de volgende criteria:

    • 1. bestendige gedragslijn in kosten, afschrijvingsregime, winstpolitiek en investerings- en financieringsmethodiek;

    • 2. solvabiliteit, rentabiliteit en liquiditeit.

    Op grond hiervan wordt in eerste instantie beoordeeld of voorliggende voorzieningen aanwezig worden geacht. De regeling heeft immers een complementair karakter. Ook wordt beoordeeld of in de historie voldoende besef van verantwoordelijkheid is getoond om zelf maximaal te kunnen bijdragen in de kosten van sanering.

    Vervolgens wordt op grond van deze eerste beoordeling en op basis van de aanname van de bestendige gedragslijn een genormaliseerde exploitatierekening opgesteld. Indien bijvoorbeeld sprake is van een uitzonderlijke bovenmatige winstuitkeringspolitiek dan wel van aantoonbaar opportunistisch gedrag, zullen ook deze kosten worden gecorrigeerd tot hetgeen dat in de betreffende sector algemeen gebruikelijk en bedrijfseconomisch verantwoord is.

    Sub ii. vaststellen betaalcapaciteit van het bedrijf

    De genormaliseerde exploitatierekening zal uitwijzen of de betaalcapaciteit van de onderneming toereikend is om de kosten van de sanering geheel dan wel gedeeltelijk uit de normale exploitatie te financieren. Op grond van de genormaliseerde betaalcapaciteit worden de mogelijkheden bezien voor rente en aflossing van eventueel te verstrekken financieringen door de huisbankier en/of door het bevoegd gezag.

    De vervangingsinvesteringen worden gelijkgesteld aan de afschrijvingen minus de afschrijvingen op de onroerende zaken, voor zover dit geen afschrijvingen op verbouwingskosten betreft, waarbij wordt uitgegaan van de algemene fiscale beginselen ten aanzien van het afschrijvingsregime.

    Op grond van de betaalcapaciteit die resteert na aftrek van de verplichtingen die voortvloeien uit een eventuele aanbieding van de bank (externe financiering) zal de looptijd van een te verstrekken lening door het bevoegd gezag worden bepaald. De betaalcapaciteit wordt gelijk gesteld aan de annuïteit bij een financiering op basis van een krediet met een looptijd van 10 jaar bij de rentevoet die op dat moment van toepassing is krachtens het Bbz 2004 of daarvoor in de plaats tredende regelgeving. Op deze wijze wordt de vergoeding door het bedrijf aanhet bevoegd gezag vastgesteld.

    Indien de betaalcapaciteit ontoereikend blijkt om de kosten van een financiering ten behoeve van de verplichte sanering te dragen, zal worden berekend of het bedrijf door middel van een verlenging van de aflossingstermijn met maximaal 10 jaar wel boven het bedrag van de minimale vergoeding kan uitkomen. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot maximaal 20 jaar.

    N.B.: In de draagkrachttoets wordt in eerste instantie uitsluitend rekening gehouden met het bedrijfsmatige vermogen. Indien echter uit onderzoek blijkt dat door de eigenaar van de onderneming, in de voorliggende jaren bovenmatige onttrekkingen zijn gepleegd, behoudt het bevoegd gezag zich, op grond van het criterium eigen verantwoordelijkheid, het recht voor het privé vermogen van de ondernemer(s) mede in aanmerking te nemen voor het bepalen van de voorliggende voorzieningen en de draagkracht.

    V. Definitief bepalen van de vergoeding door het bedrijf aan het bevoegd gezag

    De vergoeding die bij stap IV is berekend, mag niet lager zijn dat het bedrag dat uit de formule bij stap III komt.

    In het geval dat uit het doorlopen van deze stappen blijkt dat de vergoeding door het bedrijf onder het minimum uitkomt, kan het bevoegd gezag overwegen de constructie ter beoordeling voor te leggen aan de Europese Commissie. Een andere mogelijkheid is dat het bevoegd gezag bereid is het terrein tegen de op dat moment geldende waarde aan te kopen (= waarde in schone staat minus kosten van sanering) en te verhuren aan de voormalige eigenaar tegen de normaal geldende huurwaarde in schone staat.

    In bijlage 1. van deze notitie wordt bovenstaande met een rekenvoorbeeld toegelicht.

    6. Condities lening door het bevoegd gezag

    Een financiering door het bevoegd gezag wordt verleend onder de volgende condities:

    • Leningsvorm: annuïteit

    • Looptijd: in beginsel 10 jaar, eventueel aan te passen naar draagkracht (zie paragraaf 6, stap IV)

    • Aflossing en rentebetaling (annuïteit): per kwartaal achteraf

    • Rente: de vigerende rente in het jaar van toekenning conform de Bbz regeling + 1,5%.

    • Rentevaste periode: de rente is vast gedurende de gehele looptijd

    • Inning: dient plaats te vinden door het bevoegd gezag of een door haar aangewezen instantie als ware er sprake van inning door een normale bank.

    Naar analogie van het Bbz 2004 (artikel 41) kunnen de aflossingsverplichtingen maximaal 3 jaar worden uitgesteld. Indien een eigenaar of erfpachter geheel of gedeeltelijk niet in staat is aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen, kan hij een met redenen omkleed verzoek om uitstel van betaling bij het bevoegd gezag indienen. Uitstel van aflossing en betaling van rente wordt ten hoogste voor een periode van een jaar verleend en kan zonodig tweemaal met ten hoogste een jaar worden verlengd. Na het einde van de aflossingsvrije periode kan het bevoegd gezag besluiten een hertoetsing uit te (laten) voeren naar de draagkracht op grond waarvan nieuwe afspraken zullen worden gemaakt.

    Zekerheden

    Als zekerheid voor de kredietfaciliteit wordt een hypothecaire inschrijving vereist op het terrein.

    Als sprake is van één of meer hypotheekhouders van hogere rang, wordt van hen verlangd dat zij de opbrengst van eventuele uitoefening van het recht op verkoop van het terrein met de overheid delen conform de verhouding van de op dat moment uitstaande kredieten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het belang dat de hypotheekhouder heeft bij het herstel van de waarde van zijn onderpand.

    In het geval het bevoegd gezag zelf ook een deel van de financiering voor zijn rekening neemt, wordt – teneinde ongerechtvaardigde verrijking te voorkomen – als aanvullende voorwaarde een vervreemdingsclausule opgenomen, waarin de onderneming bij vervreemding van de onroerende zaak binnen 3 jaar na uitvoering van de sanering, de meeropbrengst boven de waarde die is vastgesteld als waarde in schone staat tot een maximum van het bedrag dat door het bevoegd gezag is ingebracht dient te restitueren aan het bevoegd gezag.

  • Bijlage 1. Rekenvoorbeeld

      

    Bedrijf Z (x € 1000)

    stap I. bepalen van de totale saneringskosten

    saneringskosten

    € 180,00

    volgens offerte of betrouwbare schatting

     

    stap II. bepalen van de waardestijging van het terrein door de sanering

    waarde schoon

    € 100,00

    volgens taxatie

    waarde vervuild

    € –

    schoon minus saneringskosten (eigenlijk € 1)

    waardestijging

    € 100,00

     
     

    stap III. bepalen van de minimale vergoeding van een bedrijf aan het bevoegd gezag

    saneringskosten

    € 180,00

     

    saneringskosten x (0,15 –/– waardestijging)

    € 107,00

     

    Minimale vergoeding door het bedrijf

    € 73,00

     
     

    stap IV. bepalen van de draagkracht van het bedrijf

     

    sub i: normaliseren van gegevens

    interne financieringsbronnen

    € –

    conform berekening IMK

    externe fiancieringsmogelijkheden

    € 35,00

    toezegging (huis)bankier

    annuïteit bank

    € 5,00

    conform offerte bank

     

    sub ii: vaststellen betaalcapaciteit van het bedrijf

    berekening betaalcapaciteit

    € 9,00

    volgens berekening IMK (bestendige gedragslijn)

    Af: annuïteit banklening

    € 5,00

    conform offerte bank

    Overgebleven betaalcapaciteit

    € 4,00

    betaalcapaciteit t.b.v. annuïteitenlening

    Rentepercentage

    6%

    Bbz rente + 1,5% (2004: 4,5% + 1,5%)

    Looptijd (jaren)

    15

    Standaard termijn 10 jaar*[1]

    lening door het bevoegd gezag

    € 38,85

    annuïteitenlening bij een rente van 6% over 10 jaar

    vergoeding door het bedrijf

    € 73,85

    bancaire financiering + lening bevoegd gezag

     

    stap V. definitief bepalen van de vergoeding door het bedrijf aan het bevoegd gezag

    vergoeding door het bedrijf

    € 73,85

    akkoord indien groter dan de minimale vergoeding

       

    Annuiteitberekening

     

    rentepercentage

    6,0%

     

    looptijd

    15

     

    betaalcapaciteit

    € 4,00

     
     

    1,06

     

    maximale lening

    € 38,85

     
  • Bijlage 2. Dienstenpakket IMK Intermediair

    A. Intake toets: voorbereidingsfase

    Door aanvrager (eigenaar of erfpachter) dienen de volgende documenten te worden overlegd:

    • Beschikking inzake saneringsnoodzaak;

    • Het door een kamer toegekend uniek nummer, bedoeld in artikel 9, onder a, van de Handelsregisterwet 2007, van de betreffende onderneming en alle ondernemingen die organisatorisch en economisch verbonden zijn (tot de groep behoren);

    • Document waaruit instemming van het bevoegd gezag blijkt (bijvoorbeeld een door het bevoegd gezag goedgekeurde offerte saneringskosten);

    • Jaarrekeningen betreffende onderneming alsook de tot de groep behorende ondernemingen alsook de geconsolideerde jaarrekeningen, voor zover aanwezig over de voorliggende 5 jaar, waarbij de laatste jaarrekening niet ouder mag zijn dan 18 maanden. N.B.: Gedurende de draagkrachttoetsing kan het onderzoeksbureau verzoeken om de (voorlopige) jaarrekening(en) van het jaar –1 te verstrekken;

    • Jaarrekening betreffende onderneming van het boekjaar voorafgaand aan de publicatie van onderhavige regeling. Deze eis is van toepassing tot 8 jaar na publicatie van de regeling;

    • Kopie hypothecaire geldleningen op de grond en opstallen;

    • Verklaring van de (huis)bankier inzake de maximale kredietfaciliteit die zij wenst te verstrekken ten behoeve van de saneringskosten en de voorwaarden waaronder zij de kredieten bereid is te verstrekken;

    • Taxatierapport onroerende zaken.

    Op grond van bovengenoemde bescheiden wordt een tweetal criteria getoetst:

    • 1. formele criteria

      • Zijn alle vereiste documenten overgelegd?

      • Bestaat een verplichting tot saneren binnen 12 maanden?

      • Behoort aanvrager tot de doelgroep?

    • 2. Indicatief voorbereidend onderzoek

      • Onderzoek naar organisatorische en economische verbanden (handelsregister)

      • Analyse laatste beschikbare jaarrekening op hoofdlijnen (overigens gezond criterium; toetsing redelijkheid voorstel huisbankier)

    De intake wordt afgesloten door middel van een advies aan het bevoegd gezag, inhoudende:

    • I. Is aan de formele criteria voldaan?

    • II. Welke bescheiden ontbreken?

    • III. Welke aanvullende bescheiden worden gewenst?

    • IV. Conclusie: In behandeling nemen JA, onder welke aanvullende condities/NEE op grond van ….)

    B. Draagkrachttoetsing: feitelijk onderzoek

    (Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)

    • Beoordeling offerte (huis)bankier t.b.v. additioneel financieringsvoorstel;

    • Bespreking beoordeling met (huis)bankier onderneming;

    • Bepaling van de groep van ondernemingen;

    • Analyse van de overlegde jaarrekeningen volgens vaste methodiek en vastlegging in een rekenmodel;

    • Opstellen genormaliseerde exploitatierekening;

    • Vastlegging mogelijke afwijkingen bij bepaling van genormaliseerde exploitatie (bestendige gedragslijn);

    • Beoordeling financiële positie onderneming en/of groep voor zover van toepassing

    • Bepalen betaalcapaciteit;

    • Beoordeling mogelijk te verstrekken zekerheden;

    • Definitieve vaststelling genormaliseerde exploitatie;

    • Bepalen verstrekking bevoegd gezag (lening);

    • Vaststellen minimale vergoeding door het bedrijf;

    • Bespreking analyse en mogelijke afwijkingen met bevoegde directie aanvrager;

    • Bepaling hoogte voorliggende voorzieningen (advies);

    • Bepaling zekerheden (advies);

    • Bepaling aflossingstermijn (advies);

    • Bepaling vergoeding door het bedrijf (advies);

    • Voorstel voor de wijze van (onderbrenging van de) inning.

    C. Ondersteuning bevoegd gezag

    (Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)

    Diverse opties:

    • Toelichting draagkrachttoetsing in commissie;

    • Nadere onderhandelingen met aanvrager inzake voorliggende voorzieningen, zekerheden;

    • Nadere onderhandelingen met (huis)bankier aanvrager inzake hoogte kredietverstrekking en zekerheden;

    • Opstellen conceptbeschikking verstrekking;

    • Deskundige in bezwaar- of beroepsprocedures;

    • Beoordeling noodzaak tot tijdelijke opschorting inperkingsverplichtingen.

    D. Heronderzoek na verlopen termijn vrijstelling aflossingen (3 jaar)

    (Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)

    • Hertoetsing betaalcapaciteit op grond van de laatste 3 jaarrekeningen;

    • Vaststellen nieuwe betaalcapaciteit (advies).

    E. Aanvullend onderzoek bij overschrijden budget

    (Opdrachtverstrekking door bevoegd gezag)

    • Indicatieve hertoetsing betaalcapaciteit;

    • Vaststellen deel saneringskosten voor rekening bevoegd gezag;

    • Vaststellen kredietverstrekking;

    • Vaststellen termijn.

  • ^ [1]

    in dit geval verlengd naar 15 jaar om de minimale vergoeding te bereiken