Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Loonheffingen, loon, vrijgesteld loon en vrije vergoedingen en verstrekkingen[Regeling vervallen per 01-01-2007.]

Geldend van 01-01-2006 t/m 31-12-2006

Loonheffingen, loon, vrijgesteld loon en vrije vergoedingen en verstrekkingen

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2007]

Naar aanleiding van vragen aan de Belastingdienst zijn de afgelopen jaren meerdere besluiten verschenen over de fiscale duiding van arbeidsvoorwaarden. De vraag daarbij was, of er al dan niet sprake was van (belast) loon uit dienstbetrekking of mogelijke (gedeeltelijk) vrije vergoeding of verstrekking. Een aantal van deze besluiten is in dit besluit, voor zover nog van belang, samengevoegd en geactualiseerd naar de stand van de wet- en regelgeving per 1 januari 2006. Inhoudelijke wijzigingen naast aanpassing aan de stand van de wet- en regelgeving zijn bij deze actualisering niet beoogd. Wel zijn enkele onderdelen, zoals onderdeel 3.6 van dit besluit, toegankelijker opgezet.

In dit besluit is ervoor gekozen om standpunten uit de voorgaande besluiten die geen beleidsstandpunten bevatten en vooral een voorlichtend karakter hebben, niet op te nemen. Dergelijke informatie past in het algemeen beter in het voorlichtingsmateriaal, zoals het Handboek loonheffingen. Het Handboek loonheffingen is toegankelijk op internet via http://www.belastingdienst.nl/.

De besluiten die in verband met dit besluit zijn beoordeeld worden in onderdeel 4 van dit besluit ingetrokken met ingang van 1 januari 2006.

Lijst van gebruikte begrippen en afkortingen

loonheffing

loonbelasting/premie volksverzekeringen

loonheffingen

loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

werkgever

inhoudingsplichtige voor de loonheffingen

URLB

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

Wet LB

Wet op de loonbelasting 1964.

2. Loon en vrijgesteld loon [Vervallen per 01-01-2007]

2.1. Postuum loon [Vervallen per 01-01-2007]

Loonheffing

Loon van een overleden werknemer dat door de erfgenamen wordt genoten, vormt voor hen loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander (zie artikel 2, eerste lid, van de Wet LB en het Handboek loonheffingen). Dit kan tot praktische problemen leiden. Om aan deze problemen tegemoet te komen, keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inhoudingsplichtige postuum loon kan aanmerken als loon van de overledene. Op dit loon dient de tabel te worden toegepast die geldt op het tijdstip dat het loon wordt genoten.

Inkomstenbelasting

Postuum uitbetaald loon wordt in beginsel bij de erven belast. De ingehouden loonheffing kan ieder van de erven voor zijn eigen aandeel met zijn aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verrekenen. In het verlengde van de goedkeuring voor de loonheffing keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Als de inhoudingsplichtige bij de inhouding op het postuum uitbetaalde loon de voor de loonheffing geldende goedkeuring heeft toegepast, kunnen de erven dit postuum uitbetaalde loon ook voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen beschouwen als inkomsten van de overledene.

Ik merk hierbij nog op dat niet alle erfgenamen zich op deze goedkeuring hoeven te beroepen; iedere erfgenaam kan voor zichzelf kiezen voor toepassing van het wettelijke regime dan wel voor deze goedkeuring. De keuze kan uiterlijk op het moment van aangifte plaatsvinden.

Een erfgenaam kan ook een beroep op deze goedkeuring doen als hij het postuum loon in een ander jaar geniet dan in het jaar van overlijden. In dat geval is het echter niet toegestaan op naam van de overledene een aangiftebiljet in te dienen dan wel een aanslag op te leggen. De ingehouden loonheffing is dan eindheffing.

2.2. Rentevoordeel personeelslening in verband met de eigen woning [Vervallen per 01-01-2007]

Het rentevoordeel uit een personeelslening kan geheel of gedeeltelijk tot het loon voor de loonheffingen behoren (zie artikel 59 van de URLB en onderdeel 3.7.3 van dit besluit). Hierna geef ik uit praktische overwegingen een goedkeuring voor het niet tot het loon voor de loonheffingen rekenen van bepaalde voordelen uit personeelsleningen. Het gaat hierbij om voordelen uit personeelsleningen voor zover de lening kan worden aangemerkt als een eigenwoningschuld in de zin van de Wet IB 2001.

Goedkeuring

Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de werkgever met ingang van 1 januari 2006 bepaalde rente- en kostenvoordelen uit personeelsleningen voor de inhouding van loonheffingen niet tot het loon hoeft te rekenen. Het gaat hierbij om rente- en kostenvoordelen uit personeelsleningen voorzover deze – zo de werknemer of diens partner ze zelf zou betalen – in het kalenderjaar waarin het desbetreffende loontijdvak valt, aftrekbare kosten zouden vormen in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet IB 2001.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • De werknemer verklaart schriftelijk aan de werkgever, onder vermelding van het bestedingsdoel en onder bijvoeging van afschriften van aankoopbewijzen en kostennota’s e.d. dat en in hoeverre de lening voor de inkomstenbelasting kan worden aangemerkt als een lening waarvan de rente en de kosten aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet IB 2001.

  • De werkgever bewaart de schriftelijke verklaring van de werknemer bij de loonadministratie. Daarvan kan de werkgever afwijken met overeenkomstige toepassing van artikel 68, derde lid, van de URLB.

  • De werkgever vermeldt de toepassing van deze goedkeuring in de aangifte loonheffingen.

2.3. Vergoeding eigen bijdrage ziektekosten [Vervallen per 01-01-2007]

De werkgever kan een vrijgestelde vergoeding geven voor bepaalde bijzondere ziektekosten en dergelijke (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de Wet LB). Onder meer zijn uitgezonderd vergoedingen ter zake van uitkeringen en verstrekkingen die naar aard en omvang overeenkomen met prestaties als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet. De Zorgverzekeringswet kent voor bepaalde verstrekkingen verplichte eigen bijdragen. Dergelijke verplichte eigen bijdragen komen niet overeen met prestaties als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet. Hierom behoort een vergoeding van dergelijke verplichte eigen bijdragen niet tot het loon.

2.4. Belastingvrije toeslag van buitengewoon gepensioneerden en buitengewone uitgaven van militaire oorlogsslachtoffers [Vervallen per 01-01-2007]

Algemeen

Oud deelnemers aan het verzet, oud deelnemers aan het Indisch verzet, zeelieden-oorlogsslachtoffers en militaire oorlogsslachtoffers kunnen recht hebben op een buitengewoon pensioen c.q. op een militair pensioen waarvan de hoogte wordt bepaald door de graad van de invaliditeit. Zij kunnen dit recht hebben op grond van onderscheidenlijk de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en de Algemene Militaire Pensioenwet. In geval van ernstige of zeer ernstige verminking dan wel bij blijvende algehele of nagenoeg algehele invaliditeit is een vermeerdering van het pensioen mogelijk van 20% of 40%. Hierna ga ik in op de gevolgen voor de loonheffing en de inkomstenbelasting

Loonheffing; belastingvrije uitkeringen

Alle oud deelnemers aan het (Indisch) verzet en zeelieden-oorlogsslachtoffers die een vermeerderd pensioen genieten, zijn in het genot gesteld van een toeslag voor medisch-sociale kosten ten bedragen van € 1.361 per jaar. Gelet op de bijzondere positie waarin deze buitengewoon gepensioneerden verkeren en mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat deze gepensioneerden door hun hoge graad van lichamelijke of psychische invaliditeit dan wel door ziekte doorgaans extra kosten moeten maken, keur ik voor zoveel nodig het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de hiervoor bedoelde toeslag voor de heffing van de loonbelasting en de inkomstenbelasting geheel wordt beschouwd als een belastingvrije uitkering als is bedoeld bij artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de Wet LB.

Inkomstenbelasting; buitengewone uitgaven

Het voorgaande houdt in dat voorzover door de toeslag uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit (in de zin van artikel 6.16 en volgende van de Wet IB 2001) worden vergoed, deze uitgaven niet meer als op de betrokkenen drukkende uitgaven kunnen worden aangemerkt. Ik merk hierbij nog op dat de toeslag niet strekt tot vergoeding van uitgaven die betrekking hebben op anderen dan de buitengewoon gepensioneerde zelf en evenmin tot vergoeding van premies voor een ziektekostenregeling. Met deze uitgaven behoeft de toeslag dus niet te worden gesaldeerd.

Mij is voorts gebleken dat aan militaire oorlogsslachtoffers die een vermeerderd pensioen genieten de uit hun invaliditeit voortvloeiende uitgaven wegens ziekte en invaliditeit (in de zin van artikel 6.16 en volgende van de Wet IB 2001) in de praktijk vrijwel geheel worden vergoed.

De buitengewone uitgaven van oud deelnemers aan het (Indisch) verzet, zeelieden-oorlogsslachtoffers en militaire oorlogsslachtoffers die een vermeerderd pensioen genieten dienen volgens de normale regels te worden beoordeeld. De inspecteurs dienen evenwel een soepel standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of bepaalde uitgaven hun oorzaak vinden in de lichamelijke dan wel psychische invaliditeit of ziekte van deze belastingplichtigen.

2.5. Aanspraken op overlijdensuitkeringen [Vervallen per 01-01-2007]

Bepaalde overlijdensuitkeringen (en dergelijke verstrekkingen) zijn vrijgesteld tot ten hoogste driemaal het loon over een maand (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet LB). Voor aanspraken op dergelijk loon bestaat eveneens een wettelijke vrijstelling (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel i, van de Wet LB).

De vrijstelling van de aanspraak sluit aan bij de maximale vrijstelling van de uitkering. Vóór 1990 was er een duidelijke ‘indien’-vrijstelling. Mede gelet op de huidige wettekst stel ik mij op het standpunt dat de vrijstelling van de aanspraak geldt voor zover de aanspraak de grens van drie maandlonen niet overschrijdt. Dit betekent dat het recht op toepassing van de wettelijke vrijstelling voor het gedeelte van drie maandlonen ook blijft bestaan als er sprake is van een aanspraak op een uitkering ter grootte van meer dan drie maandlonen.

Er is een mogelijkheid om aanspraken via een aanwijzing vrij te stellen (zie artikel 7, onderdeel c, van de URLB). Een eventueel verzoek om aanwijzing komt alleen aan de orde als de desbetreffende aanspraak ziet op een uitkering van meer dan drie maandlonen. Aanspraken op lagere bedragen zijn immers vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdelen i en m, van de Wet LB. Als de aanspraak niet op grond deze bepalingen is vrijgesteld, is deze in beginsel voor het bovenmatige deel belast. De waarde van de bovenmatige aanspraak kan dan bij de betreffende werknemer deel gaan uitmaken van box 3. Niettemin ben ik bereid om in zeer bijzondere gevallen dergelijke aanspraken op verzoek alsnog aan te wijzen als (geheel) vrijgestelde aanspraak. Hierbij stel ik als voorwaarde dat de verzoeker laat blijken dat de waarde van de aanspraak niet in redelijkheid kan worden vastgesteld. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van (een) verzekeraar(s) waarin staat dat de desbetreffende overlijdensuitkeringen niet verzekerbaar zijn in verband met de onmogelijkheid een premie te berekenen.

Bestaande aanspraken

Met betrekking tot bepaalde aanspraken bevat het besluit van 25 juni 2004, nr. CPP2004/412M, een overgangsmaatregel. De in dat besluit bedoelde aanwijzingen blijven in de daarin bedoelde situaties en volgens de daarin vermelde voorwaarden van kracht. Dit betreft het volgende, bezien per 25 juni 2004:

‘Bestaande aanwijzingen blijven in beginsel geldig tot het expireren van de CAO waarin de desbetreffende aanspraak is opgenomen. Aanspraken die voldoen aan de hierna genoemde voorwaarden, zijn – bij wijze van overgangsmaatregel – aangewezen als vrijgestelde aanspraak:

  • er is sprake van een reeds bestaande publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsvoorwaarde waarin een bovenmatige aanspraak op een overlijdensuitkering is opgenomen; of

  • er is binnen een periode van zes maanden na dagtekening van dit besluit sprake van een aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsvoorwaarde waarin een bovenmatige aanspraak op een overlijdensuitkering is opgenomen;

  • en de betrokkenen mochten op basis van eerdere aanwijzing van een aanspraak van dezelfde omvang in redelijkheid een aanwijzing verwachten.

In dit verband merk ik het volgende op. De aanwijzingen in het verleden zijn als beleidsbesluit gepubliceerd: besluiten DB91/2302 (V-N 1991, blz. 1846); DGB94/2001M (V-N 1994, blz. 2637); DGB96/5149M (V-N 1997, blz. 1564); DGB97/617M, V-N 1997, blz. 1565); DGB97/2381M, (V-N 1997, blz. 3728); DGB94/2001M (V-N 1994, blz. 2637); DGB96/2591M (V-N 1996, blz. 2895); DGB97/5030M (V-N 1998/7.18); DGB98/3972M (V-N 1998/59.19)). In combinatie met de desbetreffende CAO-teksten blijkt, dat de hoogste als vrijgesteld aangewezen aanspraak zag op een uitkering van 12 maandsalarissen.’

2.6. Diensttijdvrijstelling [Vervallen per 01-01-2007]

Een werkgever kan zijn werknemers na het bereiken van een diensttijd van 25 of 40 jaar een vrijgestelde uitkering of verstrekking geven (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet LB; de zogenoemde diensttijdvrijstelling). Bij de toepassing van de diensttijdvrijstelling geldt het volgende:

  • Voor de toepassing van de diensttijdvrijstelling is niet van belang of ooit gebruik is gemaakt van de jubileumvrijstelling, die tot 1 mei 1994 van toepassing kon zijn.

  • Bij een diensttijd van ten minste 40 jaar kan ook gebruik worden gemaakt van de vrijstelling na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar als deze vrijstelling nog niet eerder is gebruikt. Het is niet zo dat deze vrijstelling na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar vervalt.

  • De diensttijdvrijstelling heeft betrekking op loon dat eenmalig wordt toegekend. Dit betekent dat de vrijstelling niet van toepassing kan zijn op vakantiegeld en evenmin op andere loonbestanddelen met een min of meer periodiek karakter.

3. Vergoedingen en verstrekkingen [Vervallen per 01-01-2007]

De fiscale behandeling van vergoedingen en verstrekkingen is zoveel mogelijk gelijk. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De tekst van artikel 17, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB, is hiertoe afgestemd op de tekst met betrekking tot vrije vergoedingen in artikel 15, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB. De in deze bepalingen opgenomen begrippen hebben dezelfde betekenis. Tenzij anders aangegeven, geldt wat hierna voor vergoedingen is vermeld ook voor verstrekkingen.

3.1. Vergelijkingscriterium [Vervallen per 01-01-2007]

Bij sommige uitgaven met een gemengd karakter van de werknemer kan een werkgever een vrije vergoeding bepalen aan de hand van het zogenoemde vergelijkingscriterium. Een vergoeding voor dergelijke uitgaven is vrij voor zover de uitgaven niet zouden zijn gedaan door iemand die niet een zodanige dienstbetrekking vervult, maar wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in dezelfde positie verkeert. Dit criterium is gelet op het voorgaande van overeenkomstige toepassing voor vrije verstrekkingen.

Voorbeeld

Een werknemer krijgt andere werkzaamheden waarbij het bezit van een rijbewijs E vereist is. De werkgever is bereid de les- en examengelden te vergoeden. In zo’n geval behoort de vergoeding tot de vrije vergoedingen voor zover de kosten uitgaan boven de uitgaven van personen die overigens, wat betreft inkomen, vermogen, leeftijd, maatschappelijke positie en gezinssituatie, in vergelijkbare omstandigheden verkeren.

3.2. Rangorde [Vervallen per 01-01-2007]

In het algemeen geldt als uitgangspunt dat een specifieke regeling voorgaat op een algemene regeling, tenzij uit de wet, de wetsgeschiedenis, het doel en de strekking van de desbetreffende regeling of de jurisprudentie iets anders blijkt. In dit verband is duidelijkheidshalve in artikel 22, eerste lid, van de URLB, bepaald dat een verstrekking steeds voor het bijbehorende normbedrag in de heffing wordt betrokken als die verstrekking vanaf een bepaald bedrag tot de vrije verstrekkingen behoort. Dit betekent bijvoorbeeld dat de regeling voor bepaalde openbaarvervoerkaarten (zie artikel 26 van de URLB), de regeling voor bepaalde maaltijden (zie artikel 32 van de URLB) of de regeling voor bepaalde fietsen voor woon-werkverkeer (zie artikel 37 van de URLB) niet kan samenlopen met de regeling voor producten uit eigen bedrijf (zie artikel 41 van de URLB).

3.3. Vaste vrije vergoedingen en normvergoedingen [Vervallen per 01-01-2007]

3.3.1. Vergoeding conform Reisbesluit binnenland en Reisbesluit buitenland [Vervallen per 01-01-2007]

De vergoedingen van rijksambtenaren op dienstreis zijn geregeld in onder meer het Reisbesluit binnenland (hierna: RbBila) en het Reisbesluit buitenland (hierna: RbBula). Deze vergoedingen zijn, zoals blijkt uit de toelichtingen op het RbBila en het RbBula in het algemeen vrije vergoedingen voor de loonheffingen. Een werkgever kan de vergoedingregels van het RbBila en het RbBula integraal toepassen voor een kostenvergoeding aan andere werknemers, mits deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. In dat geval kan de vergoeding, met inachtneming van de toelichtingen op het RbBila en het RbBula, voor de loonheffingen onbelast worden toegekend. De werkgever kan desgewenst afstemmen met de competente inspecteur van de Belastingdienst of sprake is van voldoende gelijke gevallen.

3.3.2. Kostenvergoeding vrijwillige brandweer [Vervallen per 01-01-2007]

In het verleden heeft overleg plaatsgevonden met de Directie Brandweer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de mogelijkheid leden van de vrijwillige brandweer een vrije vergoeding te verstrekken. In het kader van dit overleg heeft de Directie Brandweer gegevens overgelegd met betrekking tot het kostenpatroon van de leden van de vrijwillige brandweer. Als gevolg hiervan geldt de volgende regeling.

Het is mogelijk een (afzonderlijk toe te kennen, los van het loon staande) vrije vergoeding te verstrekken van € 136 per jaar voor vaste kosten en € 2 per activiteit voor de variabele kosten. Ik wijs er met nadruk op dat de regeling uitsluitend ziet op afzonderlijk, naast het loon, te verstrekken vergoedingen en niet ziet op een aftrekpost in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Onder de activiteiten waarvoor de vrije variabele vergoeding kan worden verstrekt, versta ik uitrukken, oefen-, les- en cursusavonden, vergaderingen en congressen.

De vergoedingen worden geacht onder meer de volgende vaste en variabele kosten te dekken:

  • extra kosten van electriciteit, verwarming;

  • extra telefoonkosten;

  • kosten voor studiemateriaal;

  • kosten in verband met het bijwonen van recepties, korps- en verenigingsavonden en dergelijke;

  • autokosten in verband met uitrukken, cursussen enzovoorts;

  • kosten reiniging en vervanging van kleding.

Autokosten worden gedekt met het variabele deel van de vergoeding. Als de totale variabele kosten op jaarbasis hoger zijn dan de totale variabele kostenvergoeding is er in beginsel ruimte voor een hogere belastingvrije vergoeding. De variabele kosten mogen in dat geval op declaratiebasis worden vergoed. Uiteraard moet bij de autokosten en eventuele andere reiskosten rekening worden gehouden met de regeling voor reiskosten en met het maximumbedrag per kilometer voor het desbetreffende vervoermiddel.

3.3.3. Kostenvergoeding onregelmatige of continue diensten [Vervallen per 01-01-2007]

Om praktische redenen is besloten m.b.t. het onbelast vergoeden van kosten wegens het vervullen van onregelmatige of continuediensten de volgende regels in acht te nemen.

De vergoeding moet betrekking hebben op de extra kosten van verlichting, verwarming en het bereiden van de maaltijd. De volgende vergoedingen zijn aan te merken als vrije vergoedingen in de zin van artikel 15 van de Wet LB:

  • nihil per gewerkte ochtenddienst;

  • € 1,13 per gewerkte middag-/avonddienst (waarvan € 0,45 voor bereidingskosten van de maaltijd);

  • € 0,68 per gewerkte nachtdienst.

Definities

  • onregelmatige of continuedienst: de normale werktijden vallen op grond van het arbeidscontract niet tussen 6.00 uur en 19.00 uur;

  • ochtenddienst: een dienst van minimaal 7 uren vallend tussen 6.00 uur en 16.00 uur;

  • middag-/avonddienst: een dienst van minimaal 7 uren vallend tussen 14.00 uur en 24.00 uur;

  • nachtdienst: een dienst van minimaal 7 uren vallend tussen 22.00 uur en 8.00 uur.

Voorwaarden

  • De regeling is niet van toepassing op onregelmatige of continuedienstwerkers die voor zich alleen een huishouding voeren.

  • De werkgever. moet desgevraagd door middel van een dienstrooster de gewerkte tijden kunnen aantonen.

  • De vergoeding moet naast het loon worden verstrekt.

3.4. Vergoeding en verstrekking van kleding [Vervallen per 01-01-2007]

Als een werkgever zijn werknemer kleding verstrekt ten behoeve van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, is het volgende onderscheid van belang:

  • Werkkleding

    Dit betreft kleding die naar haar aard werkkleding is en kleding die door middel van een zogenoemd logo werkkleding is (zie artikel 15a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 17 van de Wet LB, en artikel 24 van de URLB). De werkgever kan dergelijke kleding vrij vergoeden of verstrekken.

  • Kleding als ARBO-verstrekking

    Dit betreft kleding met bijzondere eigenschappen, zoals isolerende of beschermende kleding, die in redelijkheid deel uit kan maken van een ARBO-plan en die overwegend tijdens werktijd wordt gedragen. De werkgever kan dergelijke kleding onder omstandigheden vrij vergoeden of verstrekken (zie onderdeel 3.9 van dit besluit).

  • Kleding op de werkplek

    Dit betreft gewone kleding die de werkgever verstrekt en die blijft op een arbeidsplaats buiten de woning van de werknemer. De werkgever kan dergelijke kleding vrij verstrekken (zie artikel 56 van de URLB).

  • Kleding als product uit eigen bedrijf

    Voor andere kleding dan werkkleding, kleding als ARBO-verstrekking en kleding op de werkplek, geldt het volgende. Als de kleding een zogenoemd product uit eigen bedrijf is, kan de werkgever de kleding onder voorwaarden gedeeltelijk vrij vergoeden of verstrekken (zie artikel 41 van de URLB en onderdeel 3.7 van dit besluit).

  • Overige kleding

    Voor overige – gewone – kleding geldt dat de werkgever deze niet vrij kan vergoeden of verstrekken. Hierbij is niet van belang of de werknemer al dan niet verplicht is om de kleding tijdens zijn werkzaamheden te dragen. Dit standpunt is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 17 van de Wet LB, en artikel 24 van de URLB, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

3.5. Maaltijden, inwoning en dergelijke [Vervallen per 01-01-2007]

3.5.1. Maaltijden, inwoning en kleding meewerkende kinderen [Vervallen per 01-01-2007]

Voor kinderen die werkzaam zijn in het bedrijf van hun ouders (hierna: meewerkende kinderen) geldt het volgende. Maaltijden, inwoning of kleding maken deel uit van het loon van meewerkende kinderen als hiermee bij de vaststelling van het loon rekening is gehouden. Ook als dergelijke verstrekkingen niet uitdrukkelijk zijn overeengekomen, kunnen deze tot het loon behoren. Dit is naar mijn oordeel het geval als het loon dat wel uitdrukkelijk is overeengekomen in belangrijke mate lager is dan wat gebruikelijk is. Dit laat uiteraard onverlet dat de ouder zijn kind ook geld of goederen kan schenken buiten enig verband met de arbeid van het kind. Uiteraard zal hierbij voor de loonheffingen ten aanzien van het kind hetzelfde standpunt moeten worden ingenomen als voor de winstberekening van de ouder.

Als maaltijden, inwoning of kleding tot het loon van meewerkende kinderen behoren, dienen deze verstrekkingen voor de loonheffingen in beginsel in aanmerking te worden genomen naar de waarde in het economische verkeer. Voor maaltijden van de meewerkende kinderen is in het algemeen geen bijzonder waarderingsvoorschrift van toepassing. Voor de maaltijden zal doorgaans niet sprake zijn van situaties als bedoeld in artikel 32 van de URLB (maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is) of in artikel 55 van de URLB (maaltijden in bedrijfskantines). Wat betreft de inwoning is het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van de URLB in deze gevallen in het algemeen niet van toepassing. Dat voorschrift geldt namelijk als de inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is. Bij de meewerkende kinderen gaat het in het algemeen om een permanente vorm van huisvesting die op zichzelf geen verband houdt met de dienstbetrekking.

Uit een oogpunt van eenvoud en doelmatigheid ontmoet het geen bezwaar als van het volgende wordt uitgegaan.

  • Maaltijden

    De waarde van maaltijden die aan meewerkende kinderen in de woning van hun ouders worden verstrekt mag worden vastgesteld overeenkomstig de regeling voor maaltijden in bedrijfskantines (zie artikel 55 van de URLB).

  • Inwoning

    De waarde van inwoning mag per meewerkend kind worden gesteld op 15% van de huur dan wel de huurwaarde van de woning. Deze huurwaarde wordt bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Uiteraard laat het vorenstaande de wettelijke mogelijkheden onverlet, bijvoorbeeld als aannemelijk gemaakt wordt dat de waarde in het economische verkeer van de maaltijden of de inwoning lager is dan de in dit besluit bedoelde bedragen.

3.5.2. Consumpties tijdens werktijd [Vervallen per 01-01-2007]

De werkgever kan consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd tijdens werktijd en de lunchtijd (of een koffiepauze) van de werknemer vrij vergoeden of verstrekken (zie artikel 15a, eerste lid, onderdeel a, en artikel 17 van de Wet LB). Hierbij geldt als voorwaarde dat de werknemer dergelijke consumpties ook tijdens de werktijd kan nuttigen.

Lunchtijd

In het algemeen maakt de lunchtijd geen deel uit van de (betaalde) werktijd. In de praktijk is echter gebleken dat het vaak niet goed werkbaar is om bij dit soort consumpties dit onderscheid te maken, bijvoorbeeld als werknemers zonder vaste lunchtijden consumpties uit een automaat kunnen halen. Hierom en gelet op het relatief ondergeschikte belang van dergelijke consumpties ontmoet het geen bezwaar om de regeling voor consumpties tijdens de werktijd ook in dergelijke situaties toe te passen. De vrijstelling is evenwel niet van toepassing als de werkgever alleen consumpties tijdens de lunchtijd vergoedt of verstrekt of als het gaat om consumpties buiten de werktijd of lunchtijd. Als de consumpties een maaltijd vormen samen met andere consumpties die de werkgever geheel of gedeeltelijk vergoedt of verstrekt, is daarop de regeling voor maaltijden van toepassing. Afhankelijk van de concrete situatie kan daarbij sprake zijn van vergoedingen of verstrekkingen die geheel of gedeeltelijk tot het loon behoren (zie onder meer de artikelen 28 en 32 van de URLB).

Koffiegeld

Als een werkgever geen consumpties tijdens de werktijd verstrekt kan hij dergelijke consumpties zonder nader bewijs tot bepaalde bedragen vrij vergoeden (zie artikel 46 van de URLB). Deze regeling is niet van toepassing in het geval dat een inhoudingsplichtige koffie verstrekt tegen een op globale wijze berekende prijs op basis van de kostprijs. In een dergelijk geval is namelijk sprake van een verstrekking in fiscale zin.

De inhoudingsplichtige kan hierom niet zonder nader bewijs naast de verstrekking nog een vrije vergoeding geven.

Het is overigens wel mogelijk dat werknemers onder normale zakelijke voorwaarden koffie van hun inhoudingsplichtige kopen, zodat geen sprake is van een verstrekking in fiscale zin. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een horecagelegenheid van de inhoudingsplichtige ook voor onafhankelijke derden toegankelijk is en de werknemers net als andere klanten per verstrekking een normale consumentenprijs betalen. In dat geval is geen sprake van een verstrekking in fiscale zin en kan de inhoudingsplichtige een vrije vergoeding geven ter zake van de koffie tijdens de werktijd.

3.6. Internet via analoge telefoon, ISDN, ADSL en kabel [Vervallen per 01-01-2007]

In de praktijk komt het voor dat werknemers vanuit hun woning gebruik maken van internet voor de behoorlijke vervulling van hun dienstbetrekking. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of de werkgever in zulke situaties een vrije vergoeding of vrije verstrekking kan geven. Hierna ga ik nader in op situaties waarin een werknemer een internetaansluiting via een analoge telefoon, ISDN, ADSL of kabelaansluiting gebruikt voor de behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking. Daarbij geef ik uit praktische overwegingen aan onder welke omstandigheden een werkgever een geheel of gedeeltelijk vrije vergoeding of verstrekking kan geven. Uiteraard laat dit de wettelijke mogelijkheid van onbelaste vergoeding onverlet. Hierbij merk ik op dat de bewijslast omtrent de mate van gebruik ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking op de inhoudingsplichtige rust.

3.6.1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2007]

Het gebruik van internet is onder meer mogelijk via de analoge telefoon, ISDN, ADSL of een kabelaansluiting. De toegang tot internet wordt verzorgd door een zogenoemde internetprovider. Bij internetgebruik via een analoge telefoon, ISDN en vaak ook ADSL betaalt de gebruiker apart voor de toegang tot internet (hierna: internetabonnement) en voor het dataverkeer (hierna: gesprekskostengedeelte). Bij een internetaansluiting via de kabel en ook via ADSL kan de gebruiker tegen een vast bedrag per maand onbeperkt van internet gebruik maken. Er is dan geen splitsing mogelijk in een internetabonnement en een gesprekskostengedeelte.

3.6.2. Gesprekskostengedeelte analoge telefoon en ISDN [Vervallen per 01-01-2007]

Voor de abonnements- en gesprekskosten van een analoge telefoon en ISDN geldt dat de werkgever deze met inachtneming van de wettelijke regeling vrij kan vergoeden of verstrekken. Zie in dit verband artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB, en de artikelen 38, 39 en 40 van de URLB. Hierbij merk ik op dat een ISDN-voorziening één zelfstandige telefoon is. Hieraan doet niet af dat ISDN voorziet in meerdere aansluitingen of nummers. Een ISDN-voorziening kan hierom niet per definitie (mede) worden aangemerkt als een tweede telefoon als bedoeld in artikel 40 van de URLB. De hiervoor genoemde wettelijke regelingen voor de telefoon gelden niet voor internetaansluitingen via de kabel of via ADSL, aangezien deze geen rechtstreekse toegang bieden tot het telefoonnet.

3.6.3. Internetabonnement via analoge telefoon, ISDN of ADSL [Vervallen per 01-01-2007]

Een werkgever kan een internetabonnement via een analoge telefoon of ISDN vrij vergoeden of verstrekken als aannemelijk is dat de werknemer het abonnement meer dan bijkomstig (meer dan 10%) gebruikt ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Dit geldt ook voor een internetabonnement via ADSL als het ADSL-abonnement splitsbaar is in een internetabonnement en een gesprekskostengedeelte.

3.6.4. Internetaansluiting via kabel of ADSL [Vervallen per 01-01-2007]

Bij een internetaansluiting via de kabel geldt voor de kosten van het kabelabonnement de volgende regeling. Deze regeling geldt ook voor de kosten van een ADSL-abonnement dat niet splitsbaar is en voor het gesprekskostengedeelte van een ADSL-abonnement dat wel splitsbaar is.

Zakelijk gebruik

Vergoeding of verstrekking

90% of meer

onbelast

10% of minder

belast

meer dan 10% en minder dan 90%

50% onbelast. Als de werkgever een hoger percentage dan 50% aan zakelijk gebruik aannemelijk maakt, geldt dat hogere percentage

3.6.5. Eenmalige aansluitkosten van ISDN, ASDL en kabel [Vervallen per 01-01-2007]

Een werkgever kan de eenmalige aansluit- en aanlegkosten van ISDN, ASDL of kabel met inachtneming van de wettelijke bepalingen vrij vergoeden of verstrekken. Hiervoor geldt dat in het algemeen sprake zal zijn van gemengde kosten (zie onderdeel 3.1 van dit besluit). Deze kosten kunnen onder voorwaarden in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de telewerkfaciliteit (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de Wet LB). Hierbij merk ik op dat de kosten van een modem vallen onder de regeling voor computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur (zie artikel 15b, eerste lid, onderdeel s, van de Wet LB).

3.7. Producten eigen bedrijf [Vervallen per 01-01-2007]

De regeling voor producten uit het eigen bedrijf is opgenomen in artikel 41 van de URLB. In verband met deze regeling zijn onder meer het vergelijkingscriterium en de wettelijke rangorde van belang (zie onderdeel 3.1 en onderdeel 3.2 van dit besluit). Voor de regeling voor producten uit eigen bedrijf geldt niet dat daarmee een verstrekking vanaf een bepaald bedrag tot de vrije verstrekkingen behoort. Hierop is de regeling van artikel 22, eerste lid, van de URLB, dus niet van toepassing. Voorts is van belang dat de regeling van artikel 41 van de URLB in beginsel is geschreven voor producten die een werknemer louter in de consumptieve sfeer gebruikt of verbruikt. Deze beperking is evenwel niet in de wettekst neergeslagen. Gelet op één en ander ben ik van oordeel dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat de regeling voor producten uit eigen bedrijf de toepassing van de algemene regeling voor vrije verstrekkingen niet opzij zet. Dit geldt op overeenkomstige wijze ook voor vergoedingen.

Voorbeeld

Een uitgever van een dagblad verstrekt een kwartaalabonnement op een krant aan werknemers die de krant gebruiken voor de behoorlijke vervulling van hun dienstbetrekking. De krant is voor hen geen vakliteratuur. Met statistische informatie kan de werkgever aannemelijk maken dat vergelijkbare personen € 30 aan kranten besteden. De krant is een product uit eigen bedrijf als bedoeld in artikel 41 van de URLB. De normale prijs voor een kwartaalabonnement op deze krant is € 55. De werknemers betalen een eigen bijdrage van € 20 per kwartaal.

Het verschil tussen € 55 (de abonnementsprijs) en € 30 (de uitgaven van vergelijkbare personen voor dagbladen), ofwel € 25, behoort tot de vrije verstrekkingen op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB. Niet vrij op grond van deze bepaling is dus € 30. Op grond van de regeling voor producten uit eigen bedrijf in artikel 41 van de URLB behoort tot de vrije verstrekkingen echter nog 20% van € 55 (abonnementsprijs), ofwel € 11. Er resteert dan een bedrag van € 19. Op dit bedrag komt de eigen bijdrage van de werknemer van € 20 in mindering, echter niet verder dan tot nihil.

3.7.1. Maximumpercentage per product [Vervallen per 01-01-2007]

Het maximumpercentage van 20, zoals genoemd in artikel 41 van de URLB, geldt per product. De inhoudingsplichtige dient per product vast te stellen of een op producten uit eigen bedrijf verleende korting blijft binnen de regeling van artikel 41 van de URLB. Het is niet toegestaan een gemiddelde korting van 20% te verlenen.

3.7.2. Maximumbedrag korting [Vervallen per 01-01-2007]

Het maximumbedrag van € 475 per jaar, zoals genoemd in artikel 41 van de URLB, geldt per werknemer. De inhoudingsplichtige moet aannemelijk maken dat de werknemer geen hogere onbelaste korting geniet dan € 475 per werknemer per jaar. Als aannemelijk is dat een werknemer wat betreft personeelskortingen tot een zogenoemde homogene groep werknemers behoort, kan de inhoudingsplichtige volstaan met voor de homogene groep aannemelijk maken dat het bedrag niet wordt overschreden.

Voorbeeld

Een werkgever kan, aan de hand van ervaringscijfers per werknemer aannemelijk maken dat deze geen hogere onbelaste korting geniet dan 20% per product en € 475 per jaar. Bovendien bedraagt het totaal van de personeelskortingen, gedeeld door het aantal personeelsleden, gemiddeld minder dan € 475. Onder deze omstandigheden is een administratie per werknemer niet nodig.

3.7.3. Kosten van geldleningen [Vervallen per 01-01-2007]

In de regeling voor vrije vergoeding van producten uit eigen bedrijf is nadrukkelijk opgenomen dat die regeling niet geldt met betrekking tot geldleningen (zie artikel 41, vijfde lid, van de URLB). Deze uitzonderingsbepaling geldt evenwel alleen voor geldleningen en niet voor de kosten van geldleningen. Deze kosten kunnen hierom onder een regeling voor producten uit het eigen bedrijf vallen.

Wat betreft de kosten van leningen die voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn geplaatst kunnen de werknemer en de inhoudingsplichtige gebruik maken van de goedkeuring in onderdeel 2.2 van dit besluit. In dat geval is geen sprake van een korting als bedoeld in artikel 41 van de URLB. Een dergelijke korting telt dan niet mee voor de toetsing aan het maximumbedrag van artikel 41 van de URLB.

3.7.4. Genietingsmoment – waarde in het economische verkeer [Vervallen per 01-01-2007]

De maximale onbelaste korting is mede afhankelijk van de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van het product uit eigen bedrijf. Hierbij is de marktsituatie op het genietingsmoment bepalend. Het is hierom meestal niet mogelijk om voor de bepaling van de hoogte van de WEV aan te sluiten bij de waarde die zich op korte termijn voor of na het genietingsmoment voordoet of voor heeft gedaan (bijvoorbeeld in geval van uitverkoop). Er zijn wel situaties denkbaar waarin de WEV van een product zodanig stabiel is dat de inhoudingsplichtige kan volstaan met een waardebepaling op één of enkele vaste momenten per jaar. Of een dergelijke situatie zich voordoet hangt af van de feiten en omstandigheden. Hierover is uiteraard afstemmingsoverleg mogelijk met de competente inspecteur.

3.7.5. Consumentenprijs in concernverband [Vervallen per 01-01-2007]

Ook bij producten uit eigen bedrijf in concernverband is de WEV bepalend voor de toepassing van de regeling. Als werknemers met een kortingspasje in een winkel van het concern tegen de groothandelsprijs kunnen kopen, moet de inhoudingsplichtige dan ook uitgaan van de WEV. De WEV is dan de consumentenprijs, zijnde de laagste prijs die een inhoudingsplichtige in de markt kan vinden, ongeacht of hij zijn product wel of niet rechtstreeks aan particulieren verkoopt. Deze prijs is voor alle werknemers van het concern gelijk. Een inhoudingsplichtige mag alleen een lagere consumentenprijs in aanmerking nemen als hij deze vindt bij een andere aanbieder. Daarbij moet sprake zijn van hetzelfde of nagenoeg hetzelfde product dat tegen dezelfde voorwaarden te koop is.

3.7.6. Begrip bedrijf [Vervallen per 01-01-2007]

Gelet op de geschiedenis van artikel 41 van de URLB en de daaraan voorafgaande regeling, wordt met de term ‘bedrijf’ in de zin van artikel 41 van de URLB het materiële begrip onderneming bedoeld. Het gaat daarbij om een organisatie van kapitaal en arbeid, die in stand wordt gehouden met het oogmerk om winst te behalen die redelijkerwijze te verwachten is. De omschrijving van het begrip bedrijf sluit aan bij de gangbare opvatting van het begrip onderneming in de literatuur. Voor de toepassing van artikel 41 van de URLB is niet van belang of de onderneming (of de ondernemer) feitelijk is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting. Onder het begrip ‘bedrijf’ valt evenwel niet de uitoefening van overheidstaken door een publiekrechtelijk rechtspersoon.

3.7.7. Provisie assurantietussenpersonen e.a. [Vervallen per 01-01-2007]

Voor assurantietussenpersonen is het branche-eigen product niet het verzekeringsproduct, maar de dienst of bemiddeling, waarvoor van derden een provisie wordt ontvangen. Verzekeringsproducten vormen voor de werknemers van assurantietussenpersonen dan ook geen producten uit eigen bedrijf, als bedoeld in artikel 41 van de URLB. Dit geldt ook voor andere branches waarbij de omzet wordt gevormd door van derden ontvangen provisies, zoals bij een reisbureau.

Het is in het algemeen niet gebruikelijk dat een bemiddelaar zijn provisie geheel of gedeeltelijk doet toekomen aan de cliënten waarvoor hij bemiddelt. Hierom is het in het algemeen niet mogelijk om de van derden ontvangen provisie op verzekeringsproducten voor de werknemer zelf, onbelast aan de werknemer te verstrekken. Hetzelfde geldt voor andere branches waarbij de bemiddeling ten behoeve van derden het product c.q. de dienst is.

3.8. Personeelsfeesten, personeelsreizen en dergelijke [Vervallen per 01-01-2007]

Een werkgever kan onder voorwaarden vrije vergoedingen en verstrekkingen geven ter zake van van personeelsfeesten, personeelsreizen en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen (zie artikel 42 van de URLB). Hierbij is het volgende van belang.

3.8.1. De driekwartseis [Vervallen per 01-01-2007]

Voor toepassing van de regeling is van belang of de voorziening openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid (de driekwartseis). De beoordeling of voldaan wordt aan de driekwartseis en of sprake is van een organisatorische of functionele eenheid vindt per inhoudingsplichtige plaats.

De deelnamemogelijkheid van partners is niet van belang voor de driekwartseis van de regeling. De deelname van partners beïnvloedt evenmin de in de regeling genoemde bedragen per deelnemende werknemer. Het voordeel dat een werknemer geniet omdat een partner aan een personeelsvoorziening deelneemt wordt bij de werknemer in aanmerking genomen (zie onderderdeel 3.8.5 van dit besluit).

3.8.2. Gezamenlijk karakter [Vervallen per 01-01-2007]

Een belangrijk kenmerk van personeelsfeesten en -reizen is dat dergelijke voorzieningen een gezamenlijk karakter hebben. In het geval dat feitelijk sprake is van meerdere voorzieningen waarbij het gezamenlijke karakter ontbreekt, is de regeling voor personeelsreizen niet van toepassing. Dat daarbij voor elke afzonderlijke voorziening wordt voldaan aan de driekwartseis kan daarbij bovendien minder aannemelijk zijn. Het hof ’s-⁠Gravenhage koos in zijn uitspraak van 25 april 2003, nummer BK-01/01858 (onder meer gepubliceerd in V-N 2003/39.17), overigens een andere benadering die naar mijn mening gezien het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2002, nr. 37 890 (onder meer gepubliceerd in BNB 2003/103), onjuist is.

3.8.3. Specifieke vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen [Vervallen per 01-01-2007]

Als een personeelsreis mede voorziet in overnachting en maaltijden in een hotel, kunnen in beginsel de specifieke regelingen voor vrije vergoedingen en verstrekkingen in de URLB overeenkomstig toepassing vinden. In dat geval komen de desbetreffende normen in de plaats van de werkelijke kosten die rechtstreeks verband houden met de personeelsreis. Dit is echter alleen mogelijk als de kosten van overnachtingen en maaltijden voldoende zijn gespecificeerd. De specifieke regelingen zijn hierom niet toepasbaar als de inhoudingsplichtige de reis door een derde liet verzorgen, waarbij die derde de kosten van overnachtingen en maaltijden niet of onvoldoende heeft gespecificeerd. Dan is sprake van een meer omvattende verstrekking aan de werknemers waarvan huisvesting en maaltijden weliswaar deel uitmaken maar waarbij deze niet specifiek bepaalbaar zijn. In een dergelijk geval bestaat de verstrekking door de inhoudingsplichtige niet uit afzonderlijke prestaties, zoals het hotelverblijf en de maaltijden, maar uit een verzorgde reis. Hierop zijn de regels met betrekking tot vrije vergoeding en verstrekking van inwoning en maaltijden niet toepasbaar, zodat van de werkelijke kosten moet worden uitgegaan.

3.8.4. Splitsing zakelijke elementen [Vervallen per 01-01-2007]

Het is mogelijk dat een reis met een overwegend toeristisch karakter ook enkele zakelijke elementen bevat. Dit zijn activiteiten in het kader van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. In zo'n geval mag de waarde van de reis voor de toepassing van de regeling in het algemeen niet worden verminderd met uitgaven voor dat zakelijke element. Bij de vraag of een activiteit zakelijk is kan het redelijkheidscriterium van belang zijn. Het splitsen van een voorziening in een zakelijk deel en een niet-zakelijk deel is wel toegestaan als de reis ook zonder collectieve personeelsvoorziening, in verband met de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking naar die bestemming had plaatsgevonden en het ook redelijk zou zijn dat die bestemming daarvoor werd uitgekozen. Pas dan ligt het in de rede om tot splitsing over te gaan. De reiskosten kunnen dan worden toegerekend aan het zakelijke deel.

3.8.5. Waardebepaling [Vervallen per 01-01-2007]

Op grond van de regeling wordt de waarde van een personeelsreis gesteld op het bedrag van de kosten die rechtstreeks verband houden met de verstrekking. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het hierbij om de relevante kosten van de deelnemende werknemers. De relevante kosten moeten vervolgens worden gedeeld door het aantal werknemers voor wie deelname aan de reis openstaat.

Relevante kosten personeelsvoorziening

De relevante kosten van een personeelsvoorziening zijn de extra kosten die opkomen als gevolg van een personeelsvoorziening. Onder deze kosten vallen ook de personeelskosten die betrekking hebben op de werknemers die door de werkgever zijn vrijgemaakt om bijvoorbeeld een personeelsfeest te organiseren. Het gaat bij de relevante kosten van een personeelsvoorziening niet om kosten die los van de personeelsvoorziening ook gemaakt worden (de zogenoemde overheadkosten), zoals de afschrijving op een personeelsruimte of het salaris van de salarisadministrateur of directeur. Onder de relevante kosten vallen wel de kosten van rechtstreeks van derden betrokken diensten, zoals het optreden van een artiest, het inhuren van een cateringbedrijf, de vliegreis en de hotelkosten. De relevante kosten zijn in twee categorieën onder te verdelen:

  • de kosten welke gemaakt worden onafhankelijk van de feitelijke deelname (bijvoorbeeld de zaalhuur en de huur van een touringcar);

  • de kosten die oplopen naar gelang de feitelijke deelname (bijvoorbeeld vliegtickets).

De kosten die betrekking hebben op externen (anderen dan de werknemer en diens eventueel deelnemende gezinsleden), betreffen geen verstrekking aan de werknemer en dienen dus uit de totale kosten te worden geëlimineerd.

Relevante kosten per werknemer

De relevante kosten per werknemer kunnen als volgt worden vastgesteld. Eerst wordt vastgesteld voor wie de reis openstaat. Deze vaststelling is afhankelijk van de feiten en omstandigheden op het desbetreffende moment en kan van geval tot geval verschillen. Vervolgens worden de van deelname afhankelijke en de van deelname onafhankelijke kosten vastgesteld. De van deelname onafhankelijke kosten (zoals de huur van een touringcar of de zaalhuur) worden gedeeld door het aantal personen waarvoor de reis openstaat. Daarbij wordt het op externe deelnemers betrekking hebbende deel van de van deelname onafhankelijke kosten geëlimineerd. De van deelname afhankelijke kosten (vliegticket, maaltijd) worden per feitelijke deelnemer in aanmerking genomen. Als op deze wijze de relevante kosten per deelnemer zijn berekend kan ten slotte het loon per werknemer berekend worden. Het hof Arnhem kiest in zijn uitspraak van 14 februari 2002, nr. 99/00471 (onder meer gepubliceerd in VN 2002/27.16), een andere benadering die naar mijn oordeel onjuist is.

De organiserende werknemer

De organiserende werknemer – die door de inhoudingsplichtige voor de organisatie van een personeelsuitje is vrijgemaakt – kan bij de berekening van de relevante kosten per werknemer op één lijn worden gesteld met een externe deelnemer. Hiervoor geldt als voorwaarde dat de werknemer (ook) is vrijgemaakt voor de organisatie van het personeelsuitje gedurende het gehele of nagenoeg gehele verloop daarvan, zodat (ook) de daarmee samenhangende loonkosten behoren tot de relevante kosten van de personeelsvoorziening. Voor de organiserende werknemer vormt het personeelsuitje in dat geval een zakelijke reis. Als de organiserende werknemer niet behoort tot de functionele eenheid, dan is het naar mijn oordeel aannemelijk dat hij (ook) gedurende het verloop van het personeelsuitje is vrijgemaakt voor de organisatie daarvan.

3.8.6. Verhoogde vrijstelling bij jubileum [Vervallen per 01-01-2007]

Bij personeelsvoorzieningen ter gelegenheid van een jubileum kan een hoger vrijstellingsbedrag van toepassing zijn (zie artikel 42, tweede en vierde lid, van de URLB). Als de werkgever in het desbetreffende kalenderjaar tevens personeelsvoorzieningen treft die niet met het jubileum samenhangen, geldt het verhoogde vrijstellingbedrag niettemin voor het totaal van de personeelsvoorzieningen in het gehele kalenderjaar. Dit geldt ook als aanvankelijk is uitgegaan van het lage vrijstellingsbedrag en pas achteraf blijkt dat voor het betreffende jaar gebruik kan worden gemaakt van de verhoogde vrijstelling.

Een personeelsvoorziening heeft betrekking op een jubileum als de inhoudingsplichtige dit aan het personeel kenbaar maakt en de reis plaatsvindt in het jubileumjaar of binnen zes maanden na het einde van het jubileumjaar. In een andere geval heeft de reis in redelijkheid geen betrekking op het jubileum. De verhoogde vrijstelling is dan niet van toepassing.

3.9. ARBO-vergoedingen en verstrekkingen [Vervallen per 01-01-2007]

Vergoedingen of verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbowet zijn vrijgesteld, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet (zie artikel 43 van de URLB). Een verstrekking is naar mijn oordeel een vrije ARBO-verstrekking als:

  • de werkgever een ARBO-plan heeft;

  • de verstrekking daar in redelijkheid deel van uitmaakt;

  • de verstrekking tijdens werktijd plaatsvindt;

  • de werknemer geen eigen bijdrage is verschuldigd;

  • er geen sprake is van een aanmerkelijke privé-besparing van de werknemer.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij geneeskundige keuringen of bij inentingen in het kader van preventie- en verzuimbeleid. Dergelijke vergoedingen en verstrekkingen zullen in het algemeen geen aanmerkelijke privé-besparing voor de werknemer inhouden en zijn hierom vrijgesteld op grond van artikel 43 van de URLB.

4. Inwerkingtreding en intrekking besluiten [Vervallen per 01-01-2007]

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

De volgende besluiten worden met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken:

  • het Besluit van 26 april 1991, nr. DB91/2302

  • het Besluit van 12 juli 1991, nr. PHS1/595

  • het Besluit van 28 oktober 1992, nr. DB92/2931

  • het Besluit van 8 april 1994, nr. DB94/1120M

  • het Besluit van 1 juli 1994, nr.DB94/2001M

  • het Besluit van 26 juni 1996, nr. DB96/2591M

  • het Besluit van 18 maart 1997, nr. DB96/5149M

  • het Besluit van 18 maart 1997, nr. DB97/617M

  • het Besluit van 29 augustus 1997, nr. DB97/2381M

  • het Besluit van 15 januari 1998, nr. DB97/5030M

  • het Besluit van 9 april 1998, nr. DON-LB8/70

  • het Besluit van 4 december 1998, nr. DB98/3972M

  • het Besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2730M

  • het Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2748M

  • het Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2946M

  • het Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/3063M

  • het Besluit van 24 september 2001, nr. CPP2001/1638M

  • het Besluit van 26 oktober 2001, nr. DGB2001/438M

  • het Besluit van 19 november 2001, nr. CPP2001/2143M

  • het Besluit van 29 november 2001, nr. CPP2001/3036M

  • het Besluit van 5 december 2001, nr. CPP2001/2134M

  • het Besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M

  • het Besluit van 21 december 2001, nr. CPP2001/1450M

  • het Besluit van 6 augustus 2002, nr. CPP2002/1351M

  • het Besluit van 28 maart 2003, nr. CPP2002/1367M

  • het Besluit van 27 juni 2003, nr. CPP2003/1252M

  • het Besluit van 5 februari 2004, nr. CPP2003/2412M

  • het Besluit van 9 februari 2004, nr. CPP2003/318M

  • het Besluit van 25 juni 2004, nr. CPP2004/412M

  • het Besluit van 8 juli 2004, nr. CPP2004/475M

  • het Besluit van 15 juli 2004, nr. CPP2004/479M

  • het Besluit van 3 augustus 2004, nr. CPP2004/566M

  • het Besluit van 10 augustus 2004, nr. CPP2004/745M

  • het Besluit van 17 augustus 2004, nr. CPP2004/1031M

  • het Besluit van 15 september 2004, nr. CPP2004/1033M

  • het Besluit van 13 oktober 2004, nr. CPP2004/1032M

  • het Besluit van 16 december 2004, nr. CPP2004/1859M