Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Successiewet 1956, toepassing van het Besluit voorkoming van dubbele belasting 2001 [...] dubbel successie- en schenkingsrecht, recht van overgang[Regeling vervallen per 03-06-2010 met terugwerkende kracht tot en met 01-01-2010.]

Geldend van 07-12-2005 t/m 31-12-2009

Successiewet 1956, toepassing van het Besluit voorkoming van dubbele belasting 2001 voor dubbel successie- en schenkingsrecht, recht van overgang

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding [Vervallen per 03-06-2010]

Op 8 april 2005 (Stb. 2005,197) is het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 gewijzigd in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen. Daarin zijn ook enkele aanpassingen opgenomen voor de voorkoming van dubbel successie- en schenkingrecht. In dit besluit wordt voor een aantal wijzigingen terugwerkende kracht verleend.

In dit besluit zijn tevens opgenomen de nog geldende beleidsstandpunten uit eerdere besluiten over de voorkoming van dubbel successie- en schenkingsrecht.

Begrippenlijst

  • Besluit voorkoming dubbele belasting 2001: het Bvdb 2001.

  • Besluit van 21 december 1994, nr. VB94/4178 (de Leidraad voorkoming dubbel successie- en schenkingsrecht): de Leidraad.

  • De aanpassing van het Bvdb 2001, in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen van 8 april 2005, Stb. 2005,197: het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001.

Voorgaande besluiten

De volgende besluiten zijn geactualiseerd en overgenomen in dit besluit:

  • Besluit van 24 augustus 1983, nr. 282-16633 (Buitenlandse belasting bij ouderlijke boedelverdeling): geactualiseerd en opgenomen in onderdeel 7.

  • Besluit van 26 januari 1999, nr. VB97/86 (Verrekening van in buitenland geheven successiebelasting; uitstel betaling): opgenomen in onderdeel 6.

  • Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2478M (Vermindering successierecht wegens door een staat van de VS geheven successiebelasting): opgenomen in onderdeel 4.

  • Besluit van 5 augustus 2003, nr. CPP2003/261M (Recht van overgang. Fictieve onroerende zaken): opgenomen in onderdeel 11.

Van de Leidraad zijn de volgende (onderdelen van) paragrafen geactualiseerd overgenomen in dit besluit.

  • § 4.7. en § 4.8 Gelijksoortige belasting. Toerekening buitenlandse nalatenschapsbelasting): opgenomen in onderdeel 2.

  • § 4.10 (Belasting geheven door een federatief georganiseerde Staat): opgenomen in onderdeel 3.

  • § 4.12 (Wisselkoers): opgenomen in onderdeel 5.

  • § 8.5 (Samenloop van de artikelen 47 en 48 met artikel 49 van het Bvdb 2001): opgenomen in onderdeel 9.

  • § 9.1 (Berekening per verkrijger): opgenomen in onderdeel 10.

  • § 3.2 (Geen vermindering voor buitenlandse belasting over Nederlandse situsgoederen): opgenomen in onderdeel 8.

De overige onderdelen van de Leidraad voorkoming dubbel successie- en schenkingsrecht bevatten geen beleidsstandpunten die als een rechtsvraag kunnen worden aangemerkt. Ze hebben een voorlichtend karakter. Gelet hierop zijn deze onderdelen niet in dit besluit overgenomen. Voor zoveel nodig zijn of worden die onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal.

1. Terugwerkende kracht van het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001 [Vervallen per 03-06-2010]

1.1. Wijzigingen in verband met het arrest De Groot [Vervallen per 03-06-2010]

Het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001 bevat een aantal wijzigingen voor de berekening van de voorkoming van dubbel successierecht. Die wijzigingen zijn toegelicht in de Nota van toelichting bij het besluit. Op grond van artikel II, derde lid, van het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001 treden de wijzigingen in werking op 1 januari 2005. Het arrest De Groot geldt ook voor de wijze waarop wordt voorzien in de voorkoming van dubbel successie- en schenkingsrecht. Voor de wijzigingen in verband met het arrest De Groot ontmoet het dan ook geen bezwaar dat de inwerkingtreding, voor belasting geheven door een land van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte of een land waarmee een associatieverdrag is gesloten op grond waarvan het arrest De Groot van overeenkomstige toepassing is, ingaat op de datum waarop het arrest is gewezen (12 december 2002).

Goedkeuring

Ik keur goed dat artikel 47, derde lid, onderdeel b, en artikel 48, derde lid, onderdeel b, van het Wijzigingbesluit 2001 terugwerken tot 12 december 2002. Deze goedkeuring geldt voor de vermindering die betrekking heeft op een gelijksoortige belasting die is geheven door een land van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte of een land waarmee een associatieverdrag is gesloten op grond waarvan het arrest De Groot van overeenkomstige toepassing is. De goedkeuring heeft betrekking op aanslagen die op 12 december 2002 openstonden of daarna zijn opgelegd.

1.2. Economische eigendom van buitenlands onroerend goed. Buitenlandse fictieve onroerende zaken [Vervallen per 03-06-2010]

In het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001 is artikel 47, vijfde lid, toegevoegd in verband met de uitbreiding van de omschrijving van het begrip onroerende zaak in artikel 5, derde en vijfde lid, van de Successiewet 1956. De uitbreiding is ingevoerd per 1 januari 2002.

Goedkeuring

Ik keur goed dat artikel 47, vijfde lid, van het Bvdb 2001 terugwerkt tot 1 januari 2002.

1.3. De 90%-keuzeregeling [Vervallen per 03-06-2010]

Voor het recht van overgang geldt het volgende. Als 90% of meer van de gehele nalatenschap of de schenking bestaat uit in Nederland gelegen goederen, als bedoeld in art. 5, tweede lid, van de Successiewet 1956, kunnen de verkrijgers er gezamenlijk voor kiezen om de nalatenschap of schenking van een niet-ingezetene te laten belasten als ware deze een ingezetene (artikel 1, vierde lid, van de Successiewet 1956). In dat geval wordt successie- of schenkingsrecht geheven in plaats van recht van overgang. Deze 90%-keuzeregeling is ingevoerd per 1 januari 2002. In het Wijzigingsbesluit Bvdb 2001 is de regeling voor vermindering van het successierecht dat wordt geheven op grond van de 90%-keuzeregeling opgenomen in artikel 48, eerste lid, van het Bvdb 2001.

Goedkeuring

Ik keur goed dat artikel 48 van het Bvdb 2001 vanaf 1 januari 2002 tot 1 januari 2005 ook van toepassing is op successierecht dat is geheven op grond van artikel 1, vierde lid, eerste volzin van de Successiewet 1956. Ten overvloede merk ik op dat de wijzigingen in verband met De Groot doorwerken vanaf 12 december 2002.

Door de schakelbepaling van artikel 51 van het Bvdb 2001 kan deze goedkeuring uiteraard ook gelden voor schenkingen in die periode.

Ambtshalve vermindering

Voor de onder 1.1, 1.2 en 1.3 gegeven goedkeuring kan op verzoek ambtshalve vermindering worden verleend met inachtneming van paragraaf 9.3 van het besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M.

2. Gelijksoortige belasting. Toerekening buitenlandse nalatenschapsbelasting [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 4,7 en 4.8 van de Leidraad

Successierecht

Voor verrekening dient de belasting te zijn geheven door een andere Mogendheid. Daarnaast moet sprake zijn van een gelijksoortige belasting die daadwerkelijk is geheven en betaald. Een buitenlandse belasting kan voor wat betreft het successierecht als een gelijksoortige belasting worden aangemerkt als die belasting dezelfde oorzaak, namelijk het overlijden, en hetzelfde object, de overgang van het nagelaten vermogen, heeft. Of de belasting wordt geheven over het nagelaten vermogen als geheel of over iedere verkrijging afzonderlijk doet niet ter zake.

Een nalatenschapsbelasting kan derhalve worden aangemerkt als gelijksoortig aan het Nederlandse successierecht. Buitenlands recht van overgang dat wordt geheven bij overlijden kan eveneens als een gelijksoortige belasting worden aangemerkt.

Het kan voorkomen dat de in het buitenland verschuldigde belasting niet per verkrijger is gespecificeerd, bijvoorbeeld doordat de daar geheven gelijksoortige belasting een nalatenschapsbelasting is. De belasting kan dan aan de erfgenamen worden toegerekend in de verhouding van hun erfporties.

Schenkingsrecht

Met betrekking tot het schenkingsrecht is sprake van een gelijksoortige belasting, indien de heffing dezelfde oorzaak heeft, namelijk een vermogensoverheveling uit liberaliteit, en hetzelfde object, de overgang van het geschonken vermogen.

3. Belasting geheven door een federatief georganiseerde Mogendheid [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 4.10 van de Leidraad

Als door een andere Mogendheid geheven belasting wordt aangemerkt de belasting die door een andere staat op centraal overheidsniveau wordt geheven. Voor zover in een Mogendheid op het niveau van de lagere overheden belasting wordt geheven, kunnen de regels van het Bvdb 2001 in beginsel geen toepassing vinden. Belasting die in een federatief georganiseerde Mogendheid, bij afwezigheid van belastingheffing op federaal niveau, wordt geheven op niveau van de samenstellende delen van de federatie mag worden beschouwd als een belasting die vanwege een andere Mogendheid wordt geheven. Een dergelijke belasting treedt als het ware in de plaats van een belasting vanwege de federatief georganiseerde Mogendheid. Dit is bij voorbeeld het geval in België. Het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest heffen ieder op gewestelijk niveau het successierecht op basis van hun eigen Wetboek der successierechten.

4. Vermindering successierecht wegens door een staat van de VS geheven successiebelasting [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2478M

Ter zake van nalatenschappen wordt in de Verenigde Staten van Amerika (VS) op federaal niveau ‘federal estate tax’ geheven. Ingevolge het op 15 juli 1969 gesloten successieverdrag met de Verenigde Staten (Trb. 1969, 221 en Trb. 1971, 33) bestaat de mogelijkheid van verrekening van federal estate tax met Nederlandse successierecht, en omgekeerd.

Ook door de afzonderlijke staten van de VS wordt bij overlijden successiebelasting geheven (State tax), waarop het successieverdrag niet van toepassing is. Deze successiebelasting kan derhalve niet worden verrekend.

Goedkeuring

Ik keur goed dat door een staat van de VS geheven successiebelastingen voor de berekening van het Nederlandse successierecht als schuld op de verkrijging(en) uit de nalatenschap in mindering wordt gebracht. Deze goedkeuring geldt alleen voor zover de vorenbedoelde successiebelasting is geheven over goederen die zich in de VS bevinden. Verminderingen op grond van deze goedkeuring worden per verkrijger berekend. Voorts dient de als schuld in aftrek te brengen belasting te zijn betaald.

5. Wisselkoers [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 4.12 van de Leidraad

Voor de omrekening van de buitenlandse belasting geldt de wisselkoers van de dag van betaling van die belasting. Indien op meer data betalingen hebben plaatsgevonden, geldt het gewogen gemiddelde van de wisselkoersen op die data.

6. Verrekening van in buitenland geheven successiebelasting; uitstel betaling [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen Besluit van 26 januari 1999, VB97/86

Op grond van het Bvdb 2001 kan een vermindering van successierecht worden verleend indien ter zake van dezelfde erfrechtelijke verkrijging zowel in Nederland als in het buitenland successierecht (of een soortgelijke belasting) is geheven.

Daarbij is ondermeer vereist dat de in het buitenland geheven belasting daadwerkelijk betaald is.

De successiewetgeving van de drie Belgische gewesten kent in artikel 79 van het Wetboek der successierechten een bepaling die inhoudt dat aan een erfgenaam of legataris die een goed in blote eigendom erft op diens verzoek uitstel van betaling kan worden verleend voor het successierecht dat over de verkrijging van dat goed verschuldigd is. Het uitstel wordt verleend indien die erfgenaam of legataris voldoende waarborg stelt (bijv. door het verlenen van een hypotheek op een onroerende zaak). Het uitstel geldt tot uiterlijk de datum waarop het vruchtgebruik door het overlijden van de vruchtgebruiker of door het verstrijken van de termijn eindigt.

Goedkeuring

Ik keur goed dat het verlenen van uitstel van betaling door een Belgisch Gewest op grond van het hiervoor genoemde artikel 79, voor de toepassing van het Bvdb 2001 wordt aangemerkt als een betaling. Een verzoek om toepassing van dit beleid kan – onder overlegging van bewijsstukken – worden gericht tot het kantoor van de Belastingdienst dat is bevoegd voor het opleggen van de aanslag successierecht.

7. Buitenlandse belasting bij nieuw erfrecht of ouderlijke boedelverdeling [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in het Besluit van 24 augustus 1983, nr. 282-16633

Als de langstlevende echtgenoot op grond van een wettelijke verdeling of een ouderlijke boedelverdeling buitenlands onroerend goed heeft verkregen, geldt het volgende. In dergelijke gevallen is alleen ten aanzien van de langstlevende echtgenoot sprake van een dubbele heffing voor ter zake van in het buitenland gelegen onroerend goed. Hieruit volgt dat de verrekening op grond van artikel 47 van het Bvdb 2001 slechts kan worden verleend ten behoeve van die echtgenoot. De kinderen van de erflater hebben immers geen onroerend goed verkregen maar slechts een vordering in geld op de langstlevende echtgenoot. Zij verkrijgen derhalve geen goederen, als bedoeld in art. 47 van het Bvdb 2001. De kinderen kunnen in dat geval slechts aanspraak maken op verrekening op grond van artikel 49 van het Bvdb 2001. Verzoeken om toepassing van een ruimere verrekeningsmogelijkheid wijs ik af.

Indien het gaat om een situatie als bedoeld in art. 48 van het Bvdb 2001, kan voor het successierecht dat is geheven ter zake van de vorderingen wel verrekening plaatsvinden.

8. Geen vermindering voor buitenlandse belasting over Nederlandse situsgoederen [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 3.2 van de Leidraad

Volgens internationaal aanvaarde opvattingen heeft Nederland met betrekking tot in Nederland gelegen situsgoederen een sterker heffingsrecht dan een andere Mogendheid. Die Mogendheid kan wel over deze goederen heffen, maar op basis van een minder sterk heffingsrecht, namelijk op basis van woonplaats of nationaliteit. In een dergelijk geval bestaat voor Nederland geen reden om op enige wijze terug te treden. Het ligt op de weg van de Mogendheid die een zwakker heffingsrecht heeft om te voorzien in een vermindering van de aldaar geheven belasting over de Nederlandse situsgoederen.

9. Samenloop van de artikelen 47 en 48 met artikel 49 van het Bvdb 2001 [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 8.5 van de Leidraad

De situatie kan zich voordoen dat de regeling van de artikelen 47 of 48 van het Bvdb 2001 van toepassing is, maar dat de vermindering bij toepassing van de regeling van artikel 49 van het Bvdb 2001 hoger zou zijn. In dat geval kan de regeling van artikel 49 van het Bvdb 2001 niet worden toegepast. Het Bvdb 2001 biedt niet de mogelijkheid van een keuze voor de regeling die tot het gunstigste resultaat leidt. De regeling van artikel 49 van het Bvdb 2001 geldt slechts als voor de verrekening van de buitenlandse belasting geen andere regeling geldt.

10. Berekening per verkrijger [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in § 9.1 van de Leidraad

Per verkrijger wordt beoordeeld of recht bestaat op voorkoming van dubbele heffing van successie- of schenkingsrecht (artikel 50 van het Bvdb 2001). Ook de berekening van de vermindering geschiedt per verkrijger. Hiermee wordt aangesloten bij het systeem van de Successiewet 1956, waarbij de heffing van successie- en schenkingsrecht geschiedt per verkrijger.

Berekening van de vermindering per nalatenschap is in strijd met artikel 50 van het Bvdb 2001. Buitenlandse gelijksoortige belasting die is geheven van een van de verkrijgers uit een nalatenschap, kan niet verrekend worden met het successierecht dat door andere verkrijgers uit dezelfde nalatenschap is verschuldigd.

11. Recht van overgang. Fictieve onroerende zaken [Vervallen per 03-06-2010]

Voorheen opgenomen in het besluit van 5 augustus 2003, nr. CPP2003/261M

Per 1 januari 2002 is de heffingsgrondslag voor het recht van overgang uitgebreid met fictieve onroerende zaken. De tekst van artikel 5, vijfde lid, van de Successiewet 1956 verwijst hierbij naar artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Over deze verwijzing is onduidelijkheid gerezen. Het nalaten of schenken van één aandeel in een vastgoedlichaam leidt in beginsel niet reeds tot heffing van het recht van overgang. Als een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) overgaat, leidt dat tot heffing van recht van overgang. Van een aanmerkelijk belang in de zin artikel 4, derde lid, van de WBR is sprake als het belang ten minste een derde gedeelte is van het geplaatste kapitaal in het betreffende lichaam.

Voor de heffing van het recht van overgang is ook van belang of de verkrijger zelf al aandelen in het vastgoedlichaam heeft. Evenals bij de heffing van overdrachtsbelasting tellen de aandelen, die aan de verkrijger toebehoren, mee om te bepalen of er recht van overgang geheven wordt. Ook de aanhef van artikel 4, derde lid, van de WBR is hiermee volledig van toepassing.

Inwerkingtreding en intrekking besluiten [Vervallen per 03-06-2010]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dagtekening van dit besluit.

De volgende besluiten zijn met ingang van de dagtekening van dit besluit ingetrokken:

  • Besluit van 24 augustus 1983, nr. 282-16633

  • Besluit van 21 december 1994, nr. VB94/4178

  • Besluit van 26 januari 1999, nr. VB97/86

  • Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2478M

  • Besluit van 5 augustus 2003, nr. CPP2003/261.