Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit locatiegebonden subsidies 2005

Geldend van 15-11-2009 t/m heden

Besluit van 3 oktober 2005, houdende regels met betrekking tot de subsidiëring ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio’s gedurende de periode 1 januari 2005 – 31 december 2009 (Besluit locatiegebonden subsidies 2005), en tot wijziging van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 (vervallen legesvrijdom voor toegelaten instellingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 juni 2005, nr. MJZ2005127310, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 81, tweede lid, en 88 van de Woningwet;

De Raad van State gehoord (advies van 1 september 2005, nr. W08.05.0277/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september 2005, nr. MJZ2005182515, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

  • 1 In dit besluit wordt verstaan onder:

    • a. rechtstreekse regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel A, kolom 1 ;

    • b. niet-rechtstreekse regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel B, kolom 2;

    • c. tijdvak: periode die begint op 1 januari 2005 en eindigt op 31 december 2009;

    • d. convenant woningbouwafspraken: convenant waarin afspraken zijn opgenomen tussen Onze Minister, een rechtstreekse regio en de provincie waarin het grondgebied van die rechtstreekse regio is gelegen, respectievelijk tussen Onze Minister en een provincie, omtrent de realisatie en subsidiëring van de bouw van woningen op het gebied van die rechtstreekse regio, respectievelijk op het gebied van de in die provincie gelegen niet-rechtstreekse regio’s;

    • e. toevoeging aan de woningvoorraad: elke door nieuwbouw en door toevoeging anderszins gerealiseerde en gereedgemelde woning;

    • f. eigenbouw: hetgeen het Centraal bureau voor de statistiek in de door dat bureau opgestelde woningstatistieken verstaat onder: andere particuliere opdrachtgevers;

    • g. drempelpercentage: percentage van de toevoegingen aan de woningvoorraad in enig kalenderjaar, dat wordt gebruikt voor de berekening van het drempelaantal;

    • h. drempelaantal: gedeelte van het aantal door eigenbouw nieuw gebouwde woningen, berekend met behulp van een van de in kolom 4 van bijlage 2 bij dit besluit opgenomen drempelpercentages;

    • i. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaalde periode ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens dit besluit;

    • j. centrumgemeente: als zodanig in bijlage 1 bij dit besluit aangemerkte gemeente;

    • k. ontvanger: rechtstreekse regio of provincie waaraan subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verleend;

    • l. woningtekort: het in procenten uitgedrukte tekort aan woningen;

    • m. PRIMOS 2003: Prognose-, Informatie- en Monitoringsysteem 2003, ABF Research, Delft, november 2003.

  • 2 De gegevens omtrent de gerealiseerde aantallen eigenbouw en de gerealiseerde toevoegingen aan de woningvoorraad worden ontleend aan de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken, als voor de eerste maal volledig bekendgemaakt in het kalenderjaar dat direct volgt op het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.

Artikel 2

  • 1 Onze Minister kan een rechtstreekse regio of een provincie waarmee hij een convenant woningbouwafspraken heeft gesloten subsidie verlenen ten behoeve van:

    • a. toevoegingen aan de woningvoorraad, en

    • b. het realiseren van eigenbouw.

  • 2 Een provincie besteedt de haar ingevolge het eerste lid verleende subsidie uitsluitend aan het verlenen van subsidie aan de in die provincie gelegen niet-rechtstreekse regio’s, of aan de in bijlage 1 bij dit besluit onder die regio’s genoemde gemeenten, en verleent die subsidie slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd in het eerste lid, onder a en b.

  • 3 Een regio besteedt de haar ingevolge het eerste of tweede lid verleende subsidie uitsluitend aan het verlenen van subsidie aan de in bijlage 1 bij dit besluit onder die regio genoemde gemeenten, en verleent die subsidie slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd in het eerste lid, onder a en b.

  • 4 De bijlagen 1 en 2 bij dit besluit kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

  • 5 Onze Minister berekent, uitgaande van de bestuurlijke indeling per 1 januari 2004, op basis van PRIMOS 2003, per rechtstreekse regio en provincie, alsmede voor de rechtstreekse regio’s en provincies gezamenlijk, het aantal in het tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen dat nodig is om het op voet van PRIMOS 2003 berekende woningtekort per 1 januari 2010 te verminderen tot een woningtekort dat ligt op een door Onze Minister per rechtstreekse regio en provincie, alsmede voor de rechtstreekse regio’s en provincies gezamenlijk, te bepalen niveau.

Hoofdstuk 2. Het convenant woningbouwafspraken

Artikel 3

Een convenant woningbouwafspraken vermeldt in elk geval:

  • a. het tijdvak;

  • b. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak;

  • c. het drempelpercentage;

  • d. de planning van het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in ieder afzonderlijk kalenderjaar van het tijdvak;

  • e. het aantal woningen dat aan de woningvoorraad toegevoegd had moeten zijn op voet van een uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract als bedoeld in artikel 5, respectievelijk artikel 6a, van het Besluit locatiegebonden subsidies, maar niet is toegevoegd en alsnog in het tijdvak dient te worden toegevoegd;

  • f. de wijze waarop het convenant kan worden gewijzigd indien omstandigheden een dergelijke wijziging noodzakelijk maken;

  • g. het subsidiebedrag dat het Rijk beschikbaar heeft voor de afgesproken toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, en

  • h. het per 1 januari 2010 na te streven woningtekort, bedoeld in artikel 2, vijfde lid.

Artikel 4

  • 1 Een convenant woningbouwafspraken met een rechtstreekse regio wordt in elk geval ondertekend door of namens:

    • a. het dagelijks bestuur van die regio;

    • b. gedeputeerde staten van de provincie waarin die regio is gelegen;

    • c. burgemeester en wethouders van de in die regio gelegen centrumgemeenten, en

    • d. Onze Minister.

  • 2 Een convenant woningbouwafspraken met een provincie wordt in elk geval ondertekend door of namens:

    • a. gedeputeerde staten van die provincie;

    • b. burgemeester en wethouders van de in de betrokken regio’s gelegen centrumgemeenten, en

    • c. Onze Minister.

Hoofdstuk 3. Subsidieplafonds

Artikel 5

  • 1 Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende de jaren 2005 tot en met 2010 bedraagt € 607 miljoen.

  • 2 Het plafond voor de subsidies ten behoeve van het realiseren van eigenbouw gedurende de jaren 2005 tot en met 2010 bedraagt € 34,5 miljoen.

  • 3 Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad per rechtstreekse regio gedurende het tijdvak, is het bedrag, genoemd in bijlage 2, tabel A, kolom 2, bij dit besluit.

  • 4 Het plafond voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad per provincie gedurende het tijdvak, is het bedrag, genoemd in bijlage 2, tabel B, kolom 3, bij dit besluit.

Hoofdstuk 4. De subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw

Artikel 6

  • 1 Na afloop van elk kalenderjaar van het tijdvak waarin het aantal door eigenbouw nieuw gebouwde woningen dat op het grondgebied van een ontvanger is toegevoegd aan de woningvoorraad hoger is dan het op het grondgebied van die ontvanger betrekking hebbende drempelaantal, verleent Onze Minister een subsidie van € 1.600,– vermenigvuldigd met het aantal door eigenbouw aan de woningvoorraad toegevoegde nieuw gebouwde woningen dat uitstijgt boven dat drempelaantal, zolang en voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, dat toelaten.

  • 2 Na afloop van elk kalenderjaar van het tijdvak, voor het eerst na afloop van het jaar 2007, waarin het aantal door eigenbouw nieuw gebouwde woningen dat op het grondgebied van een in bijlage 1 bij dit besluit genoemde gemeente is toegevoegd aan de woningvoorraad hoger is dan het voor die gemeente met behulp van het betreffende regionale drempelpercentage berekende gemeentelijke drempelaantal, verleent Onze Minister een subsidie van € 1.600,– vermenigvuldigd met het aantal door eigenbouw aan de woningvoorraad toegevoegde nieuw gebouwde woningen dat uitstijgt boven dat drempelaantal, alsmede een subsidie van € 800,– vermenigvuldigd met dat drempelaantal, zolang en voorzover na toepassing van het eerste lid de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, dat toelaten.

  • 3 De subsidies, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend in volgorde van de datum van gereedmelding in het betreffende kalenderjaar, welke datum wordt ontleend aan de door het Centraal bureau voor de statistiek terzake opgestelde woningstatistieken.

  • 4 De subsidies, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend en als voorschot verleend binnen twee maanden na de datum waarop de woningstatistieken, bedoeld in het tweede lid, zijn bekendgemaakt. Het voorschot wordt betaald binnen de termijn, genoemd in de eerste volzin.

  • 5 De ingevolge het tweede lid verleende subsidie wordt door de ontvanger binnen vier weken na ontvangst daarvan doorbetaald aan de betreffende gemeente.

  • 6 Van de termijn, genoemd in het vierde lid, kan worden afgeweken indien rijksbudgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 7

  • 1 De subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw over het tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2009.

  • 2 Het bedrag van de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op het bedrag van de som van de per kalenderjaar verleende subsidies met betrekking tot het tijdvak.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

    • a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend;

    • b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

    • c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    • e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Hoofdstuk 5. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad

Artikel 8

  • 1 Onze Minister verleent bij wijze van voorschot in elk kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het voorgaande kalenderjaar, aan de rechtstreekse regio’s en de provincies subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad. Het voorschot wordt betaald binnen de termijn, genoemd in de eerste volzin.

  • 2 De subsidie en het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het bedrag per woning, vermenigvuldigd met 65% van het aantal voor dat kalenderjaar in het betreffende convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.

  • 4 De subsidies, bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid, dat toelaten.

Artikel 9

  • 1 Indien door een ontvanger in enig kalenderjaar van het tijdvak minder woningen aan de woningvoorraad zijn toegevoegd dan 65% van het voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e, bericht die ontvanger zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister het aantal in dat kalenderjaar aan de woningvoorraad toegevoegde woningen, vergezeld van de redenen die hebben geleid tot de opgetreden achterstand.

  • 2 Onze Minister kan, indien blijkens de woningstatistieken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, in enig kalenderjaar van het tijdvak minder woningen zijn toegevoegd dan de in het eerste lid bedoelde 65%, in afwijking van artikel 8, eerste en tweede lid, voor het daarop volgende kalenderjaar de verlening van de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren.

Artikel 10

  • 1 Onze Minister verleent bij wijze van voorschot na afloop van elk kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over dat kalenderjaar, subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad, indien blijkens die woningstatistieken door een ontvanger in dat kalenderjaar meer woningen aan de woningvoorraad zijn toegevoegd dan 65% van het voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e. Het voorschot wordt betaald binnen de termijn, genoemd in de eerste volzin.

  • 2 De subsidie en het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd met het aantal woningen boven het aantal van 65% van het voor dat voorafgaande kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.

  • 3 Indien het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad, bedoeld in het eerste lid, meer bedraagt dan 100% van het voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e, wordt voor dat meerdere boven 100% slechts een voorschot uitbetaald voorzover de rijksbegroting dat toelaat na betaling van de voorschotten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, voorzover de voorschotten, bedoeld in laatstgenoemd artikellid het meerdere betreffen tussen de 65% en 100% van het voor dat kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.

  • 4 De subsidies, bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid, dat toelaten.

Artikel 11

Onze Minister kan afwijken van de termijnen met betrekking tot de betaling van de voorschotten, bedoeld in de artikelen 8 en 10, indien rijksbudgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 12

  • 1 Indien een regio in enig jaar van het tijdvak niet het in het convenant woningbouwafspraken overeengekomen aantal woningen aan de voorraad toevoegt, blijft de als gevolg daarvan niet verleende subsidie tot en met 2011 beschikbaar voor de subsidiëring, overeenkomstig artikel 14, van die toevoegingen op een later tijdstip, mits dat tijdstip is gelegen vóór 1 januari 2011.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, na overleg met de betrokken regio, besluiten de subsidiegelden, bedoeld in dat lid, ten behoeve van toevoegingen aan de voorraad in een andere regio in te zetten.

Artikel 13

  • 1 De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over het tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2009.

  • 2 Het bedrag van de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op het bedrag per woning berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd met het blijkens de in het eerste lid bedoelde woningstatistieken in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

    • a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend;

    • b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

    • c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    • e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Hoofdstuk 6. De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 en de subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw in 2010

Artikel 14

  • 1 Na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2009, stelt Onze Minister met betrekking tot elke rechtstreekse regio of provincie vast in hoeverre het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak is achtergebleven bij de aantallen die voor die regio of provincie zijn opgenomen in bijlage 2, tabel A, kolom 3, respectievelijk tabel B, kolom 4 van die bijlage.

  • 2 Indien in de rechtstreekse en niet-rechtstreekse regio’s gezamenlijk sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio’s gezamenlijk berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio’s, ten hoogste 2% bedraagt, en indien in een zodanige regio op 1 januari 2010 sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, minder dan een half procentpunt hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, kan Onze Minister die regio of de provincie waarin die regio is gelegen, subsidie verlenen voor toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:

    • a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en

    • b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.

  • 3 Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een half procentpunt of meer, maar minder dan een heel procentpunt, hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, gaat Onze Minister in overleg met de bij het betreffende convenant woningbouwafspraken betrokken partijen na wat de oorzaken zijn die tot een zodanig lage woningproductie in het tijdvak hebben geleid dat een dergelijk woningtekort heeft kunnen ontstaan, en wat de vooruitzichten zijn voor de woningproductie in het jaar 2010 in die regio. Afhankelijk van in ieder geval de aard van die oorzaken en van die vooruitzichten, neemt Onze Minister een beslissing over het al dan niet verlenen van subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010. Indien een subsidie als bedoeld in de tweede volzin wordt verleend, wordt die subsidie verleend voor ten hoogste het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:

    • a. het daarbij gaat om toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, en

    • b. de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toelaten.

  • 4 Indien in een rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, een heel procentpunt of meer hoger is dan het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, wordt geen subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 verleend.

  • 5 Op verleende subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 worden geen voorschotten verleend, anders dan reeds verleende voorschotten op subsidies voor toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak die niet zijn gerealiseerd en die op basis van artikel 18 voor terugvordering in aanmerking komen.

  • 6 De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 wordt vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2010.

  • 7 Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, vermenigvuldigd met het blijkens de woningstatistieken, bedoeld in het zesde lid, in 2010 gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad,tot ten hoogste het bedrag van de verleende subsidie.

  • 8 In afwijking van het zevende lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

    • a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    • b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Artikel 15

  • 1 Indien op voet van artikel 14, tweede of derde lid, door Onze Minister ruimte is gegeven voor toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, verleent Onze Minister voor die toevoegingen subsidie voor het realiseren van eigenbouw in 2010, voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, dat toelaten.

  • 3 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in volgorde van de datum van gereedmelding in 2010. Die datum wordt ontleend aan de door het Centraal bureau voor de statistiek terzake opgestelde woningstatistieken.

  • 4 De subsidie wordt verleend en vastgesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over het jaar 2010.

  • 5 In afwijking van artikel 6, eerste en tweede lid, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

    • a. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    • b. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Hoofdstuk 7. Aanvullende informatie en terugvordering

Artikel 16

  • 1 Indien in een convenant woningbouwafspraken zodanige afspraken zijn opgenomen, dat de door het Centraal bureau voor de statistiek opgestelde woningstatistieken over enig jaar naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende inzicht geven in het gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor op voet van dit besluit subsidie kan worden verstrekt, kan hij de ontvanger verzoeken om hem binnen een door hem te bepalen termijn aanvullende informatie over die toevoegingen te verstrekken.

  • 3 In geval van toepassing van het eerste lid:

Artikel 17

  • 1 Indien de in artikel 16, eerste lid, bedoelde termijn voor indiening van de aanvullende informatie is verstreken zonder dat de aanvullende informatie door de ontvanger is verstrekt, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 7, tweede lid, de verlening van de subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw intrekken of die subsidie lager vaststellen dan het bedrag bedoeld in dat artikellid.

  • 2 Indien de in artikel 16, eerste lid, bedoelde termijn voor indiening van de aanvullende informatie is verstreken zonder dat de aanvullende informatie door de ontvanger is verstrekt, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 13, tweede lid, en artikel 14, zevende lid, de verlening van de subsidie ten behoeve van de toevoegingen aan de woningvoorraad intrekken of die subsidie ambtshalve vaststellen.

  • 3 Onze Minister gaat niet over tot intrekking, lagere vaststelling of ambtshalve vaststelling van een subsidie op voet van dit besluit, dan nadat de ontvanger in de gelegenheid is gesteld de aanvullende informatie alsnog te verstrekken binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

Artikel 18

Ten onrechte betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd, voorzover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken. Bij de terugvordering kan worden bepaald dat over de ten onrechte betaalde bedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19

Een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit tussen Onze Minister en een rechtstreekse regio of een provincie gesloten overeenkomst met betrekking tot de bouw van woningen in het tijdvak, staat gelijk aan een convenant woningbouwafspraken als bedoeld in artikel 2, indien die overeenkomst in elk geval datgene omvat wat een convenant woningbouwafspraken ingevolge artikel 3 omvat.

Artikel 20

  • 2 Het Besluit locatiegebonden subsidies zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op de gevallen waarin de VINEX-eindverantwoording op die datum nog niet is uitgebracht, alsmede op de gevallen waarin die eindverantwoording aanleiding geeft tot het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van de op basis van dat besluit verleende subsidie.

Artikel 21

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag die twee maanden ligt na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van artikel 20, derde lid, terug tot en met 1 januari 2005.

Artikel 22

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit locatiegebonden subsidies 2005.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 3 oktober 2005

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,

S. M. Dekker

Uitgegeven de zevenentwintigste oktober 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Bijlage 1. bij het besluit locatiegebonden subsidies 2005

Lijst van regio’s en gemeenten in die regio’s

De onderstreepte gemeenten zijn de centrumgemeenten in de regio.

Provincie Groningen

Niet-rechtstreekse regio Samenwerkingsverband regiovisie Groningen-Assen:

Bedum, Ten Boer, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Slochteren, Winsum, Zuidhorn (Dr), Assen (Dr), Noordenveld (Dr), Tynaarlo (Dr)

Provincie Friesland (Fryslân)

Niet-rechtstreekse regio Leeuwarden:

Boarnsterhim, Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Littenseradiel, Tytsjerksteradiel.

Provincie Drenthe

Niet-rechtstreekse regio Emmen:

Emmen.

Provincie Overijssel

Rechtstreekse regio Twente:

Almelo, Borne, Enschede, Hengelo (Ov.), Wierden, Dinkelland, Hof van Twente, Haaksbergen, Hellendoorn, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Neede (Gld).

Niet-rechtstreekse regio Zwolle-Kampen:

Zwolle, Kampen

Provincie Gelderland

Niet-rechtstreekse regio Stedendriehoek:

Deventer (Ov.), Apeldoorn, Voorst, Zutphen, Gorssel, Brummen

Rechtstreekse regio Knooppunt Arnhem-Nijmegen:

Arnhem, Beuningen, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Westervoort, Wijchen, Angerlo, Didam, Doesburg, Groesbeek, Millingen aan de Rijn, Renkum, Rijnwaarden, Rheden, Rozendaal, Ubbergen, Zevenaar, Mook en Middelaar (Lim).

Provincie Utrecht

Rechtstreekse regio Bestuur Regio Utrecht (BRU):

De Bilt, Bunnik, Houten, Maarssen, Driebergen-Rijsenburg, Utrecht, IJsselstein, Nieuwegein, Vianen, Zeist.

Niet-rechtstreekse regio Amersfoort:

Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest, Woudenberg.

Provincie Noord-Holland

Rechtstreekse regio Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA):

Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Zeevang, Zaanstad, Waterland, Wormerland.

Niet-rechtstreekse regio Haarlem:

Bennebroek, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemstede, Zandvoort, Velsen, Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest, Castricum.

Niet-rechtstreekse regio Alkmaar:

Alkmaar, Graft-De Rijp, Bergen, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk, Schermer.

Niet-rechtstreekse regio Hilversum:

Blaricum, Bussum, Wijdemeren, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp.

Provincie Zuid-Holland

Rechtstreekse regio Haaglanden:

Delft, ’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Zoetermeer, Westland, Midden-Delftland.

Rechtstreekse regio Stadregio Rotterdam (SRR):

Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Bernisse, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Albrandswaard, Westvoorne, Vlaardingen.

Niet-rechtstreekse regio Stedelijk gebied Drechtsteden:

Hendrik-Ido-Ambacht, Zwijndrecht, Sliedrecht, Alblasserdam, Papendrecht, Dordrecht.

Niet-rechtstreekse regio Stedelijk gebied Holland Rijnland:

Alkemade, Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnsburg, Sassenheim, Valkenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond, Zoeterwoude.

Provincie Zeeland

Niet-rechtstreekse regio Middelburg Vlissingen:

Middelburg, Vlissingen.

Provincie Noord-Brabant

Rechtstreekse regio Samenwerkingsverband regio Eindhoven (SRE):

Eindhoven, Helmond, Veldhoven, Best, Geldrop-Mierlo, Nuenen c.a., Son en Breugel, Valkenswaard, Waalre, Laarbeek, Asten, Deurne, Eersel, Oirschot, Someren, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Reusel De Mierden, Bergeijk, Bladel, Cranendonck.

Niet-rechtstreekse regio Breda-Tilburg:

Breda, Etten-Leur, Oosterhout, Goirle, Tilburg, Dongen, Gilze en Rijen.

Niet-rechtstreekse regio Waalboss:

Waalwijk, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Vught, Oss, Maasdonk, Bernheze, Loon op Zand.

Provincie Limburg

Niet-rechtstreekse regio Heerlen:

Landgraaf, Brunsum, Heerlen, Kerkrade.

Niet-rechtstreekse regio Geleen-Sittard:

Sittard-Geleen.

Niet-rechtstreekse regio Venlo:

Venlo.

Niet-rechtstreekse regio Maastricht:

Maastricht, Eijsden.

Provincie Flevoland

Niet-rechtstreekse regio Almere-Lelystad

Almere, Lelystad.

Bijlage 2. bij het besluit locatiegebonden subsidies 2005

Tabel A Rechtstreekse regio’s

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Regio

Subsidieplafonds in €

Aantal toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is

Drempelpercentage

Twente1

17.935.775

9.515

25,9

Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN)

52.729.135

24.591

15,3

Bestuur Regio Utrecht (BRU)

63.263.557

23.695

2,6

Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA)

116.210.667

43.000

4,2

Haaglanden2

54.638.392

34.000

2,6

Stadsregio Rotterdam3 (SRR)

73.342.097

36.450

5,3

Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE)

18.820.312

15.735

22,9

Tabel B Niet-rechtstreekse regio’s

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Kolom 5

Provincie

Regio

Subsidieplafonds in €

Aantal toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is

Drempel-percentage

Groningen

Samenwerkingsverband Regiovisie Groningen-Assen

33.107.572

22.113

16,3

Friesland

Leeuwarden

3.180.000

5.300

21,8

Drenthe

Emmen

1.265.306

1.721

31,1

Overijssel

Stedelijke Regio Zwolle-Kampen

4.337.777

4.690

4,0

Gelderland

Stedelijke Regio Stedendriehoek

11.177.642

7.107

12,3

Utrecht

Stedelijke Regio Amersfoort

8.551.043

5.858

6,9

Noord-Holland4

Stedelijke Regio Haarlem

Stedelijke Regio Alkmaar

Stedelijke Regio Hilversum

36.388.195

26.000

8,8

10,2

8,3

Zuid-Holland5

Stedelijke Gebied Holland Rijnland

Stedelijke Gebied Drechtsteden

24.081.186

9.019.738

14.620

5.476

7,5

3,2

Zeeland6

Stedelijke Regio Middelburg-Vlissingen

5.839.983

3.000

14,0

Noord-Brabant

Stedelijke Regio Breda-Tilburg

Stedelijke Regio Waalboss

27.597.657

23.230

12,0

Limburg

Stedelijke Regio Venlo

Stedelijke Regio Geleen-Sittard

Stedelijke Regio Heerlen

Stedelijke Regio Maastricht

9.356.496

5.910

12,0

Flevoland

Almere–Lelystad7

   

5,4

Tabel C Totaal Tabel A + Tabel B

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Kolom 5

   

Subsidieplafonds in €

Aantal toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie beschikbaar is

Drempel percentage

Totaal

 

570.842.528

312.011

 

Bijlage 3. bij het besluit locatiegebonden subsidies 2005 [Vervallen per 12-09-2007]

Bijlage 4. bij het besluit locatiegebonden subsidies 2005 [Vervallen per 12-09-2007]

Bijlage 5. bij het besluit locatiegebonden subsidies 2005 [Vervallen per 12-09-2007]

  • ^ [1]

    Excl. 225 woningen Roombeek

  • ^ [2]

    Incl. 10.347 woningen voor SRR en 341 woningen voor Rijnland

  • ^ [3]

    Excl. 1.550 woningen Kop van Zuid

  • ^ [4]

    Incl. 6.084 woningen voor ROA

  • ^ [5]

    Incl. 3.431 woningen voor SRR

  • ^ [6]

    Excl. streven naar extra 1.670 woningen zonder BLS bijdrage

  • ^ [7]

    Aan de regio Almere-Lelystad wordt geen subsidie voor toevoegingen aan de woningvoorraad verstrekt.