Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels programmaquota[Regeling vervallen per 01-12-2006.]

Geldend van 01-10-2005 t/m 30-11-2006

Regeling van het Commissariaat voor de Media van 30 augustus 2005, houdende beleidsregels omtrent Europese, onafhankelijke, recente, Nederlandstalige of Friestalige programmaonderdelen (Beleidsregels programmaquota)

Het Commissariaat voor de Media,

Gelet op de artikelen 134 en 135 van de Mediawet en de artikelen 4:81 en 5:16 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Strekking van de regeling [Vervallen per 01-12-2006]

De Beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2. Definities [Vervallen per 01-12-2006]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Mediawet;

  • b. convenant: het convenant inzake de implementatie en toepassing van artikel 54 van de Mediawet gesloten tussen de Nederlandse Omroep Stichting en het Commissariaat voor de Media op 16 november 1999;

  • c. Commissariaat: het Commissariaat voor de Media;

  • d. onafhankelijke productie: een programmaonderdeel als bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Mediawet of artikel 71n, tweede lid, van de Mediawet;

  • e. onafhankelijke producent: de producent van een onafhankelijke productie;

  • f. recente productie: een onafhankelijke productie die niet ouder is dan vijf jaar.

Artikel 3. Europese producties [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Een ‘producent’, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Europese richtlijn, wordt geacht in een Europese staat gevestigd te zijn indien zijn onderneming permanent is en over vast personeel beschikt dat zich zowel met productie- als commerciële activiteiten in Europa bezighoudt.

  • 2 Indien niet bekend is welke producent een productie tot stand heeft gebracht wordt onder ‘producent’, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Europese richtlijn, mede verstaan de distributeur van de productie. In dat geval wordt de staat waarin de distributeur is gevestigd aangemerkt als de staat waar de producent is gevestigd.

  • 3 Het tweede lid is slechts van toepassing indien de omroepinstelling die de productie heeft uitgezonden, naar genoegen van het Commissariaat, heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de relevante gegevens over de producent van de productie te achterhalen.

Artikel 4. Onafhankelijke producties [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Als ‘onafhankelijke productie’ wordt mede aangemerkt:

    • a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling die een programma verzorgt tezamen met een onafhankelijke producent;

    • b. een aangekochte onafhankelijke productie.

  • 2 Niet als ‘onafhankelijke productie’ wordt aangemerkt:

    • a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling die een programma verzorgt;

    • b. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een producent die meer dan negentig procent van de door hem geproduceerde programmaonderdelen, in de drie afgelopen boekjaren, heeft geleverd aan dezelfde instelling die een programma verzorgt, en gedurende deze periode meer dan één programmaonderdeel of één serie programmaonderdelen heeft geproduceerd.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de landelijke publieke omroep, voorzover deze gebonden is aan het convenant.

Artikel 5 [Vervallen per 01-12-2006]

Voor de toepassing van artikel 71n, vijfde lid, van de wet wordt een televisieprogramma aangemerkt als ‘een televisieprogramma dat in slechts een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen’, indien het programma is bestemd voor die betreffende gemeenten en niet tevens wordt uitgezonden op een ander deel van het nationale omroepnetwerk of in andere gemeenten via een omroepzender.

Artikel 6. Oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen [Vervallen per 01-12-2006]

Als ‘oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen’ bedoeld in artikel 54a, eerste lid, van de wet en artikel 71o, eerste lid, van de wet, worden mede aangemerkt:

  • a. programmaonderdelen die Nederlands- of Friestalig zijn ingesproken;

  • b. programmaonderdelen die onderdelen van niet Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen bevatten, die in de Nederlandse- of Friese taal worden begeleid door een presentator.

Artikel 7. Berekeningswijze [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese, onafhankelijke en recente producties wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid zendtijd per net en per kalenderjaar, verminderd met de zendtijd die is besteed aan de volgende programmaonderdelen:

    • a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

    • b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

    • c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele en educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

    • d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en

    • e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

  • 2 Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese, onafhankelijke en recente producties, worden herhalingen van eerdere uitzendingen meegeteld.

Artikel 8 [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Voor de vaststelling van het behaalde percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen bedoeld in artikel 54a van de wet en artikel 71o van de wet wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid zendtijd per net en per kalenderjaar.

  • 2 Voor de vaststelling van het behaalde percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen worden herhalingen van eerdere uitzendingen meegeteld.

Artikel 9. Ontheffingen [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Ontheffingen bedoeld in artikel 71n, zesde lid, van de wet kunnen in bijzondere gevallen, ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijk worden verleend.

  • 2 Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval worden de aard van de zender, het niet voldoende kunnen verkrijgen van rechten voor Europese producties en bijzondere economische omstandigheden betrokken.

  • 3 Indien de commerciële omroepinstelling, naar genoegen van het Commissariaat heeft aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval wordt in beginsel ontheffing verleend voor een periode van maximaal drie kalenderjaren.

  • 4 De commerciële omroepinstelling dient het verzoek om ontheffing voorafgaand aan het kalenderjaar in te dienen.

Artikel 10 [Vervallen per 01-12-2006]

  • 2 Indien de commerciële omroepinstelling naar genoegen van het Commissariaat heeft aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval wordt het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen in beginsel lager vastgesteld voor een periode van maximaal drie kalenderjaren.

  • 3 Wanneer een commerciële omroepinstelling zich uitsluitend richt op een uitzendgebied buiten Nederland kan het percentage bedoeld in artikel 71o, eerste lid, van de wet op nul worden gesteld, zolang het format van het programma niet wijzigt.

  • 4 De commerciële omroepinstelling dient het verzoek het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen lager vast te stellen voorafgaand aan het kalenderjaar in te dienen.

Artikel 11. Rapportage [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 De publieke omroep brengt éénmaal per jaar voor 1 april over het voorafgaande jaar verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 54 en 54a van de wet.

  • 2 De regionale publieke omroepinstellingen brengen éénmaal per jaar voor 1 april over het voorafgaande jaar verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 54 en 54a van de wet.

  • 3 De commerciële omroepinstellingen brengen éénmaal per jaar voor 1 april over het voorafgaande jaar verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van de artikelen 71n en 71o van de wet.

  • 4 De wereldomroep brengt éénmaal per jaar voor 1 april over het voorafgaande jaar verslag uit aan het Commissariaat over de naleving van artikel 76, vierde lid, van de wet.

Artikel 12 [Vervallen per 01-12-2006]

De verslagen bedoeld in artikel 11, eerste lid, van deze regeling bevatten gegevens zowel in absolute zin als procentueel per televisieprogrammanet en voor de publieke landelijke omroep als geheel over de volgende onderwerpen:

  • a. totale zendtijd;

  • b. de voor berekening in aanmerking te nemen zendtijd, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van deze regeling;

  • c. het percentage Europese producties;

  • d. het percentage Europese onafhankelijke producties;

  • e. het percentage recente producties;

  • f. in opdracht geproduceerde programma’s bij Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • g. coproducties met Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • h. aankoop Europees onafhankelijk product, waarbij de producent is gevestigd buiten Nederland;

  • i. coproducties met Europese onafhankelijke producenten gevestigd buiten Nederland;

  • j. eigen producties;

  • k. overige producties;

  • l. herhalingen;

  • m. een statistisch overzicht van de mate waarin door de verschillende televisieprogrammanetten aan de verplichtingen is voldaan;

  • n. per uitgezonden programmaonderdeel moet worden aangegeven of (1) het programmaonderdeel meetelt voor de berekening van de in aanmerking te nemen zendtijd, (2) taal, (3) land van herkomst, (4) productiejaar en (5) naam van de producent.

Artikel 13 [Vervallen per 01-12-2006]

  • 2 In de verslagen bedoeld in artikel 11, tweede, derde en vierde lid, van deze regeling wordt per uitgezonden programmaonderdeel aangegeven:

    • a. tijdstip van uitzending;

    • b. naam programmaonderdeel;

    • c. de duur van het programmaonderdeel;

    • d. of het programmaonderdeel meetelt voor de berekening van de in aanmerking te nemen zendtijd;

    • e. of het een Europese productie betreft;

    • f. land van herkomst;

    • g. of het een onafhankelijke Europese productie betreft;

    • h. naam van de producent;

    • i. naam van de distributeur;

    • j. of het een recente Europese productie betreft;

    • k. productiejaar;

    • l. of het een oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige productie betreft;

    • m. of het programmaonderdeel is voorzien van een voice-over, dan wel Nederlands is ingesproken.

  • 3 Indien een omroepinstelling een programma verzorgt dat vrijwel uitsluitend bestaat uit non-stop videoclips dienen de onder het tweede lid van dit artikel vermelde gegevens per videoclip te worden verstrekt, tenzij er duidelijk sprake is van een programmaonderdeel.

  • 4 Het Commissariaat bepaalt welke weken dienen als steekproef bedoeld in het eerste lid, van dit artikel. Het Commissariaat deelt dit aan het begin van een kalenderjaar mee.

  • 5 Het tweede lid, onder l, van dit artikel is niet van toepassing op de Wereldomroep.

Artikel 14 [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2005.

  • 2 De regeling van 18 december 2001 wordt ingetrokken.

  • 3 Deze regeling wordt aangehaald als Beleidsregels programmaquota.

  • 4 Deze regeling wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de internetsite van het Commissariaat voor de Media (www.cvdm.nl).

Commissariaat voor de Media,
De

voorzitter

,

J. van Cuilenburg

De

commissaris

,

I. Brakman

Bijlage 1. Relevante wetsartikelen [Vervallen per 01-12-2006]

Artikel 6 van de Europese richtlijn [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1. In de zin van het onderhavige hoofdstuk worden onder Europese producties verstaan:

    • a. producties die afkomstig zijn uit lidstaten;

    • b. producties die afkomstig zijn uit derde Europese Staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa en die voldoen aan de voorwaarden van lid 2;

    • c. producties afkomstig uit andere Europese derde Staten en die voldoen aan de voorwaarden van lid 3.

    Voorwaarde voor de toepassing van het bepaalde in de letters b) en c) is dat producties die afkomstig zijn uit lidstaten, in de betrokken derde landen niet worden getroffen door discriminerende maatregelen.

  • 2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde producties zijn producties die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in een of meer in dat lid, onder a) en b), bedoelde Staten woonachtig zijn en die aan een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

    • a. deze producties zijn tot stand gebracht door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten;

    • b. de vervaardiging ervan wordt door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten gesuperviseerd en daadwerkelijk gecontroleerd;

    • c. de bijdrage van de coproducenten van deze Staten in de totale kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de coproductie wordt niet door een of meer buiten deze Staten gevestigde producenten gecontroleerd.

  • 3. De in lid 1, onder c), bedoelde producties zijn producties die uitsluitend of in coproductie met in een of meer lidstaten gevestigde producenten zijn vervaardigd door producenten die gevestigd zijn in een of meer derde Europese staten waarmee de Gemeenschap op de audiovisuele sector betrekking hebbende overeenkomsten heeft gesloten, indien die producties voornamelijk zijn vervaardigd met de hulp van auteurs en medewerkers die woonachtig zijn in een of meer Europese staten.

  • 4. Producties die geen Europese producties in de zin van lid 1 zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieverdragen, worden als Europese producties beschouwd wanneer de coproducenten uit de Gemeenschap een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en over de productie niet door een of meer buiten de lidstaten gevestigde producenten zeggenschap wordt uitgeoefend.

  • 5. Producties die geen Europese producties zijn in de zin van de leden 1 en 4, maar die voornamelijk met behulp van in een of meer lidstaten gevestigde auteurs en medewerkers zijn vervaardigd, worden als een Europese productie beschouwd naar rato van het aandeel van coproducenten uit de Gemeenschap in de totale productiekosten.

Artikel 54 van de Mediawet [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig procent besteed aan programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

  • 2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste vijfentwintig procent besteed aan programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste zeventieneneenhalf procent besteed aan programmaonderdelen als bedoeld in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt programmaonderdelen die niet zijn geproduceerd door:

    • a. een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;

    • b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

    • c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

    • d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde gevallen programmaonderdelen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

    • a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

    • b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

    • c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

    • d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

  • 6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan programmaonderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.

  • 8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 54a van de Mediawet [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, bestaat uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

  • 4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het derde lid.

Artikel 71n van de Mediawet [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

  • 2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

    • a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt;

    • b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

    • c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

    • d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

  • 3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

    • a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

    • b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

    • c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

    • d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en

    • e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;

    • b. televisieprogramma’s als bedoeld in artikel 71j;

    • c. televisieprogramma’s die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.

  • 6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 71o van de Mediawet [Vervallen per 01-12-2006]

  • 1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

  • 3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages lager vaststellen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor bijzondere omroep.

Artikel 76, vierde lid, van de Mediawet [Vervallen per 01-12-2006]

4. Ten minste vijftig procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Ten minste tien procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programmaonderdelen als bedoeld in de vorige volzin die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Artikel 54, tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en derde tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.