KruimelpadGeldend op 23-10-2009
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1392, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op artikel 149a, tweede en derde lid, en artikel 149b, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2005, nr. W09.05.0260/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1664, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanhangwagen, bedrijfsauto, personenauto of voertuig: hetgeen daaronder in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen wordt verstaan;
b. aslasten: de som van de last onder de wielen van een as als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
c. exceptioneel transport: een transport met een voertuig of een samenstel van voertuigen, met inbegrip van de daarmee vervoerde lading, dat niet voldoet aan in de Regeling voertuigen voorgeschreven eisen met betrekking tot breedte, hoogte, lengte, massa of aslasten.
1.De Dienst Wegverkeer kan in verband met de uitvoering van een of meer exceptionele transporten, voor zover het betreft personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens achter personenauto’s of bedrijfsauto’s ontheffing verlenen van artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, artikel 5.1.2 en artikel 5.1.3 van de Regeling voertuigen.
2.Indien de verlening van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid dat rechtvaardigt, kan de Dienst Wegverkeer eveneens ontheffing verlenen van:
a. de overige bepalingen van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen;
b. de artikelen 3, eerste lid, 10, 14, 23, eerste lid, 24, 42, 43, 62, voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C10 en C12, C17 tot en met 21, D1, D2, D4 tot en met D7, E1, E2, E5 tot en met E9, F7, en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78 en 81 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
De Dienst Wegverkeer kan een ontheffing uitsluitend verlenen op basis van:
a. de gegevens betreffende de infrastructuur en overige informatie opgenomen in een door die dienst daartoe aangehouden gegevensbestand;
b. in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, een door de wegbeheerder verleende toestemming als bedoeld in artikel 4;
c. voertuigtechnische gegevens in relatie tot het verlenen van een ontheffing.
De Dienst Wegverkeer vraagt toestemming als bedoeld in artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aan de wegbeheerder:
a. indien geen gegevens beschikbaar zijn in het gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, of
b. indien de wegbeheerder bij het verstrekken van gegevens en informatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, toestemming als voorwaarde heeft gesteld voor de passage van een weg of wegdeel waarop de af te geven ontheffing betrekking heeft.
1.De Dienst Wegverkeer weigert een ontheffing indien:
a. een wegbeheerder de in artikel 4 bedoelde toestemming weigert;
b. het verlenen daarvan strijd oplevert met verdragen dan wel besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk.
2.De Dienst Wegverkeer kan een ontheffing weigeren:
a. indien gegevens betreffende de infrastructuur en overige informatie uit het in artikel 3, onderdeel a, bedoelde gegevensbestand hiertoe aanleiding geven;
b. indien de voertuigtechnische gegevens als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, hiertoe aanleiding geven;
c. indien dit gerechtvaardigd is in verband met de bescherming van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 aangegeven belangen.
1.De wegbeheerder verstrekt ten behoeve van het gegevensbestand, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, over wegen die onder zijn beheer staan, gegevens betreffende de infrastructuur, alsmede overige informatie die van belang is voor de ontheffingverlening. Bij ministeriële regeling kunnen hierover nadere regels worden gesteld.
2.De wegbeheerder draagt zorg voor de juistheid en volledigheid van de gegevens en voor onmiddellijke doorgifte van wijzigingen daarin.
3.De wegbeheerder levert de gegevens aan op een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze.
1.Aan het overleg, bedoeld in artikel 149a, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, over de uitvoering van de artikelen 149a en 149b van die wet nemen deel:
a. twee vertegenwoordigers van de Dienst Wegverkeer, van wie er een optreedt als voorzitter;
b. twee vertegenwoordigers van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat;
c. één vertegenwoordiger van de politie namens de portefeuillehouder verkeer van de Raad van Hoofdcommissarissen;
d. één vertegenwoordiger van het openbaar ministerie;
e. ten minste vier vertegenwoordigers van door Onze Minister aangewezen wegbeheerders of representatieve organisaties daarvan;
f. ten minste vier vertegenwoordigers van door Onze Minister aangewezen representatieve organisaties van de betrokken branches van het bedrijfsleven;
g. ten minste één vertegenwoordiger van door Onze Minister aangewezen representatieve organisaties van transportbegeleiders.
2.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het overleg, bedoeld in het eerste lid.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, F tot en met H, en artikel IV van de wet van 9 december 2004 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot het verlenen van ontheffingen in bepaalde gevallen door de Dienst Wegverkeer en enkele technische wijzigingen (Stb. 687) in werking treden.